Pencroff twijfelt niet meer.—De oude uitloozing.—Een onderaardsche tocht.—De weg door het graniet.—Top is verdwenen.—De middelste spelonk.—De inwendige put.—Een geheim.—Een stoot met het houweel.—Terugtocht.
Cyrus Smith was volkomen geslaagd in zijn plannen, maar volgens zijn gewoonte liet hij zijn tevredenheid volstrekt niet blijken, en met gesloten lippen en strakken blik bleef hij onbeweeglijk staan. De vreugde van Harbert kende paal noch perk; Nab sprong op van blijdschap; en Pencroff schudde zijn dikken kop, terwijl hij mompelde:
“Kom aan, dat gaat goed met onzen ingenieur!”
De nitro-glycerine had dan ook een krachtige uitwerking gedaan. De uitloozing, die men aan het meer gegeven had, was zoo groot dat de hoeveelheid water, die nu wegspoelde, driemaal meer was dan vroeger. De uitslag was dus, dat eenigen tijd later de oppervlakte van het meer reeds twee voet gedaald moest wezen.
Zij keerden nu naar de Schoorsteenen terug om hun spaden, houweelen, touwen, steen en zwam te halen; daarop gingen zij weder naar de bergvlakte. Top vergezelde hen.
Onderweg kon Pencroff toch niet laten om tot den ingenieur te zeggen:
“Maar weet ge wel, mijnheer Cyrus, dat wij door middel van deze heerlijke likeur, die gij bereid hebt, wel het geheele eiland zouden kunnen doen springen!”
Cyrus Smith stak het uiteinde van het koord aan. Blz. 103.
“Ongetwijfeld, zoowel het eiland als het vasteland en de geheele aarde zelf,” antwoordde Cyrus Smith. “Het geldt hier slechts de quaestie van hoeveelheid.”
“Kunnen wij die nitro-glycerine niet voor onze vuurwapenen gebruiken,” vroeg de matroos.
“Neen, Pencroff, de zelfstandigheid is al te krachtig. Maar wij kunnen wel schietkatoen er van vervaardigen, en zelfs buskruit, daar wij stikstof, salpeter, zwavel en vuur hebben. Maar ongelukkigerwijs ontbreken ons de wapenen.”
“Och, mijnheer Cyrus,” antwoordde de matroos, “met een weinig goeden wil!”
Blijkbaar had Pencroff het woord “onmogelijk” uit het woordenboek van het eiland Lincoln geschrapt.
Toen zij op de bergvlakte kwamen, zagen zij reeds met een oogopslag dat hun werk gelukt was en dat, waar zij zoozeer naar verlangd hadden, de opening boven de oppervlakte van het water uitstak. Zij was ongeveer twintig voet breed, maar slechts twee voet hoog. Dus niet meer dan de opening van een riool. Zij hadden dan ook onmogelijk er in kunnen gaan, zoo Nab en Pencroff niet terstond met hun houweelen een voldoende ruimte hadden uitgehouwen. De ingenieur drong naar binnen en zag dat men zeer goed verder kon doordringen, en waarschijnlijk tot de oppervlakte der zee zou kunnen komen. En zoo er dan, gelijk zeer waarschijnlijk was, een grot aanwezig was in het binnenste van deze rotsachtige massa, dan zou men ook het middel wel vinden om deze bewoonbaar te maken.
“Welnu, mijnheer Cyrus, wat weerhoudt ons om er binnen te gaan? Gij ziet dat Top ons reeds is voorgegaan!”
“Best,” antwoordde de ingenieur. “Maar wij moeten alles goed kunnen zien.” Nab sneed eenig harsachtige takken af.
Nab en Harbert snelden naar den oever van het meer, waar een aantal boomen stonden, en spoedig keerden zij terug, beladen met takken, waarvan zij flambouwen maakten. Zij ontstaken ze met hun vuursteenen en met Cyrus Smith aan het hoofd drongen zij die donkere gang binnen, die tot hiertoe door het instroomende water was gevuld. Zij daalden zeer langzaam af en onwillekeurig konden zij een zekere aandoening niet van zich weren, bij het bezoeken van die diepten, waar geen menschelijk wezen ooit een voetstap gezet had. Zij spraken niet, maar dachten, dat het wel mogelijk zou kunnen wezen, dat eenig gevaarlijk dier in die rots huisvestte. Zij moesten dus voorzichtig te werk gaan.
Maar Top ging vooruit en men kon op het dier vertrouwen, in geval van nood zou het wel waarschuwen.
Toen zij ongeveer een honderd pas afgelegd hadden, stond Cyrus Smith stil.
“Wel Cyrus!” zeide Gideon Spilett. “Hier zijn wij op een onbekend gebied, goed geborgen in deze diepten, maar in elk geval onbewoonbaar.”
“Waarom onbewoonbaar?” vroeg de matroos.
“Omdat het te klein en te donker is.”
“Kunnen wij het dan niet wijder maken, en van openingen voorzien waar de dag en de lucht doordringen?” vroeg Pencroff, die niets onmogelijk achtte.
“Laten wij maar verder gaan,” antwoordde Cyrus Smith, “en ons onderzoek voortzetten. Misschien is de natuur ons lager gunstiger.”
“Wij zijn pas op een derde der hoogte,” merkte Harbert op.
“Op een derde ongeveer, ja,” antwoordde Smith, “het is dus niet onwaarschijnlijk, dat een honderd pas lager....”
“Waar is Top toch?...,” vroeg Nab plotseling.
Men zocht overal, maar de hond was niet te vinden.
“Hij is zeker doorgegaan,” zeide Pencroff.
“Laten wij hem inhalen,” hernam de ingenieur.
Zij daalden verder af. De ingenieur sloeg alles rondom zich nauwkeurig gade.
Zij stonden eensklaps weder stil, daar eenig geluid, als door een pijp tot hen kwam.
“Het is Top, die blaft!” riep Harbert uit.
“Ja,” antwoordde Pencroff, “en onze dappere hond blaft zelfs met woede.”
“Wij hebben onze houweelen,” zeide Smith. “Laten wij op onze hoede wezen. Vooruit!”
“Het wordt hoe langer hoe merkwaardiger,” mompelde Gideon Spilett aan het oor van den matroos, die toestemmend knikte.
Cyrus Smith en zijn makkers liepen zoo snel zij konden voorwaarts om den hond te hulp te komen. Het geblaf van Top werd hoe langer hoe duidelijker en heftiger. Zou hij misschien in gevecht zijn met een dier dat hij in zijn hol gestoord had? Zeker was het dat allen het gevaar door hun nieuwsgierigheid vergaten. Zij liepen niet meer, zou men zeggen, maar zij gleden als het ware naar beneden, en eenige minuten later, ongeveer een zestig voet lager, hadden zij Top bereikt.
Toen veranderde de nauwe gang plotseling in een ruime en prachtige grot. Hier liep Top, van woede blaffende, heen en weer, terwijl Nab en Pencroff, door hun toortsen tegen den wand te slaan, een helder licht verspreidden in alle hoeken en gaten en Cyrus Smith, Gideon Spilett en Harbert met hun houweelen in de hand zich op alles voorbereidden.
De groote grot was geheel leeg. Zij doorkruisten haar in alle richtingen. Maar er was niets, geen dier, geen levend wezen! En toch bleef Top blaffen. Noch de liefkoozingen, noch de bedreigingen van zijn meester konden hem tot bedaren brengen.
“Er moet ergens een opening wezen waardoor het water uit het meer in zee liep,” zeide de ingenieur.
“Zeker,” antwoordde Pencroff, “laten wij dus oppassen niet in een gat te vallen.”
“Vooruit, Top, vooruit!” riep Smith.
De hond, aangemoedigd door deze woorden van zijn meester, ijlde naar het uiteinde van de grot en begon daar nog heftiger te blaffen dan te voren. Zij volgden hem en bij het licht der toortsen kon men zeer duidelijk een opening, een bepaalde put tusschen de rotsen zien. Hier had dus de uitloozing plaats gehad, maar ditmaal was het geen gang waarin men zich durfde wagen, maar een put met loodrechte wanden, waar men onmogelijk zou kunnen ingaan.
Zij hielden thans hun toortsen boven de opening, maar zagen niets. Cyrus Smith wierp er een brandenden tak in. Deze verlichtte wel de put, maar niets was er nog te zien. Daarop werd de vlam met een sissend geluid uitgedoofd en zij konden hieruit opmaken, dat de tak de oppervlakte der zee bereikt had.
De ingenieur berekende den tijd dien het stuk hout noodig had gehad om beneden te komen, en hieruit maakte hij op, dat de put negentig voet diep was.
De bodem van de grot was dus negentig voet boven de oppervlakte der zee.
“Ziedaar onze woning,” zeide Cyrus Smith.
“Maar zij was door een ander wezen bewoond,” antwoordde Gideon Spilett, wiens nieuwsgierigheid nog niet voldaan was.
“Welnu, welk wezen het ook zijn moge, het is door die opening ontvlucht en heeft zijn woning aan ons afgestaan.”
“Het doet er niet toe,” voegde Pencroff er bij, “maar ik had een kwartier geleden wel Top willen wezen, want zonder reden zou hij niet geblaft hebben!”
Cyrus Smith zag zijn hond aan en wie dicht bij hem had gestaan, zou gehoord hebben hoe hij bij zich zelf mompelde:
“Ja, ik ben overtuigd, dat Top er meer van weet dan wij!”
Het toeval en het doorzicht van den ingenieur had hun een goede woning bezorgd. Toch moesten zij nog twee bezwaren overwinnen, namelijk licht in deze grot te doen doordringen, en ten tweede een gemakkelijken toegang maken. Misschien zou het hun gelukken om den achterwand te doorboren die aan de zeezijde gelegen was. En zoo zij het licht eenmaal hadden, was het even gemakkelijk een deur zoowel als vensters te maken.
“Dus dan maar aan het werk, mijnheer Cyrus,” zeide Pencroff. “Ik heb mijn houweel en zal door dezen wand wel licht maken. Waar moet ik beginnen?”
“Hier,” antwoordde de ingenieur, en wees den matroos een vrij groote holte, waar de wand stellig minder dik moest wezen.
Pencroff deed een fermen houw in de rots, en een half uur lang liet hij, bij het licht der toortsen, de stukken rotsblok om zich heen vliegen. De rots schitterde onder zijn houweel. Nab loste hem af en daarna Gideon Spilett.
Zij daalden zeer langzaam af. Blz. 106.
Het werk was reeds twee uur aan den gang, en het scheen dat dit gedeelte van den wand nooit doorboord zou kunnen worden, toen Gideon Spilett een hevigen stoot met zijn houweel toebracht, zoodat dit door den wand heenvloog en aan de andere zijde terecht kwam.
“Hoezee! hoezee!” riep Pencroff uit. De wand was daar slechts twee voet dik.
Cyrus Smith keek door de opening, welke zich tachtig voet boven den grond bevond. Vóór hen lag de kust en verder de onmetelijke zee.
Maar door deze vrij groote opening drong het licht in volle stralen binnen en deed een prachtige uitwerking in de ruime grot.
Allen waren verstomd van verbazing. Daar, waar zij slechts een duistere spelonk gezocht hadden, vonden zij een paleis, en Nab nam zijn hoed af, alsof hij zich in een tempel bevond. Kreten van bewondering ontglipten aan ieders mond. Het hoezee weerklonk en stierf weg van de eene echo in de andere, tot aan het uiterste punt der sombere gewelven.
“En nu, mijn vrienden,” sprak Cyrus Smith, “als wij deze grot voldoende verlicht hebben, als wij onze kamers, magazijnen en werkplaatsen in het linker gedeelte hebben ingericht, dan blijft ons nog een groote ruimte over waar wij onze studeerkamer en ons museum kunnen maken.”
“En hoe zullen wij haar noemen?....” vroeg Harbert.
“Rotshuis,” antwoordde Cyrus Smith, en deze naam werd met een hoezee van alle zijden begroet.
De toortsen waren bijna geheel opgebrand, en om terug te keeren moesten zij door de nauwe gang, de bergvlakte bereiken; zij kwamen dus overeen dat zij de werkzaamheden tot inrichting hunner nieuwe woning tot den volgenden dag zouden staken.
Vóór zij vertrokken, wierp Cyrus Smith nog een blik in de donkere put en luisterde met ingehouden adem. Maar geen enkel geluid vernam hij, zelfs niet het ruischen van het water. Zij wierpen nogmaals een brandenden tak er in. Weder werden de wanden van de put verlicht, maar evenmin als de eerste maal was er iets te zien. Zoo eenig zeemonster verrast was geworden door het onverwachts afdrijven van het water, dan had het nu toch het strand bereikt.
Toch kon de ingenieur, die met alle aandacht luisterde en het oog steeds in de diepte gevestigd hield, geen enkel woord uiten.
De matroos naderde hem toen en stootte hem aan:
“Mijnheer Smith!” zeide hij.
“Wat wilt gij, beste vriend?” vroeg de ingenieur alsof hij uit een droom ontwaakte.
“De toortsen gaan bijna uit.”
“Vooruit dan!” antwoordde Cyrus Smith.
Zij verlieten nu de grot en gingen naar boven. Top sloot den kleinen stoet, maar liet nog steeds een geknor hooren.
Tegen vier uur hadden zij de opening van de gang bereikt, juist toen de toortsen van Nab en Smith uitdoofden.
Het plan van Cyrus Smith.—De gevel van het Rotshuis.—De touwladder.—De droomen van Pencroff.—De welriekende planten.—Konijnenholen.—Afleiding van het water.—Uitzicht uit het Rotshuis.
Den volgenden morgen, den 22sten Mei, vingen zij aan hun nieuwe woning in orde te brengen. Zij hadden dan ook haast om hun onbewoonbare Schoorsteenen zoo spoedig mogelijk voor deze betere en grootere woning te verruilen. Ook zouden zij deze niet geheel en al verlaten, want het plan bestond om daar een werkplaats voor groote stukken te maken.
De eerste bezigheid van Cyrus Smith was, om te onderzoeken waar de juiste plaats van den gevel van het Rotshuis was. Hij begaf zich dus naar het strand, waar de onmetelijke muur begon, en daar het houweel dat Gideon Spilett door de opening van den rotswand geworpen had, in rechte lijn moest zijn neergevallen, zou het terugvinden daarvan voldoende wezen om de plaats te ontdekken, waar de opening in de rots was gemaakt. Hij vond het werktuig dan ook spoedig, en inderdaad was er loodrecht boven het punt waar het houweel in het zand was gevallen een opening ongeveer tachtig voet boven het strand. Eenige rotsduiven vlogen in en uit door deze nauwe spleet. Het scheen wel alsof zij voor deze dieren het Rotshuis ontdekt hadden.
Het plan van den ingenieur was om het rechter gedeelte in verscheidene kamers, die op een gang uitkwamen, te verdeelen en die door middel van vijf ramen en een deur, welke in den wand moesten gebroken worden, licht zouden verspreiden. Pencroff was het volkomen eens met de vijf vensters, maar hij begreep het nut der deur volstrekt niet, daar de gleuf vroeger door het afstroomende water gemaakt, een soort van trap vormde, waardoor men gemakkelijk in het huis kon komen.
“Vriend,” zeide Cyrus Smith, “zoo het aan ons licht valt langs dien weg in ons huis te komen, zou dit ook even gemakkelijk vallen aan anderen. Daarom ben ik dan ook voornemens om die gleuf van boven te sluiten en zoo noodig de opening geheel te verbergen, door het water van het meer er over heen te doen stroomen.”
“Maar hoe zullen wij er dan inkomen?” vroeg de matroos.
“Door eene ladder, die wij van buiten zullen aanbrengen,” antwoordde Cyrus Smith, “een touwladder, die, wanneer wij haar ophalen, den ingang van onze woning onmogelijk kan doen bereiken.”
“Maar waarom zooveel voorzorgen?” vroeg Pencroff. “Tot nog toe behoeven wij voor de dieren niet te vreezen. En ons eiland is toch niet door menschen bewoond.”
“Zijt gij daar wel zeker van, Pencroff?” vroeg de ingenieur den matroos aanziende.
“Wij zullen er dan eerst zeker van wezen, wanneer we het eiland in alle richtingen onderzocht hebben,” antwoordde Pencroff.
“Ja,” zeide Cyrus Smith, “want wij kennen nog slechts een klein gedeelte. Maar in ieder geval, zoo er binnenlands geen vijanden zijn, kunnen zij toch van buiten af komen, want de Stille Zuidzee is vol gevaren. Laat ons dus tegen alle mogelijke gebeurtenissen op onze hoede zijn.”
Cyrus Smith sprak verstandig, en zonder verdere tegenwerping begon Pencroff zijn bevelen op te volgen.
De gevel van het Rotshuis zou dus verlicht worden door vijf vensters en een deur. Bovendien vormde de ingenieur, terwijl de kozijnen der vensters gemaakt werden, het plan om de openingen door zware blinden te sluiten, die wind noch regen doorlieten, en die men, zoo het noodig was, kon bedekken. Binnen weinige dagen was hun werk voltooid en was het Rotshuis van alle zijden verlicht.
Het plan van Cyrus Smith was, om de grot in vijf vertrekken, die het uitzicht op zee hadden, te verdeelen: rechts zou de deur komen, waaraan men de touwladder bevestigen zou, vervolgens een keuken, die dertig voet breed zou worden, een eetzaal, ongeveer veertig voet, een slaapkamer van dezelfde grootte, en eindelijk de gezelschapszaal, die aan de groote zaal grensde, en waarop Pencroff zeer veel prijs stelde. Deze kamers, die een gedeelte van het Rotshuis in beslag namen, konden niet tot in het achterste gedeelte reiken. Zij waren van elkaar gescheiden door een gang en een groot magazijn, waar zij de gereedschappen en de levensmiddelen bewaarden. Buitendien hadden zij nog boven de groote grot een kleine, welke zij tot vliering konden inrichten.
Nu schoot hun niets anders over, dan dit plan ten uitvoer te brengen.
Tot nog toe waren zij in de grot door de oude gleuf gekomen. Cyrus Smith besloot thans een stevige touwladder te maken, die, wanneer zij opgetrokken was, den toegang tot de grot onmogelijk maakte. Deze ladder werd met de uiterste zorg gemaakt: de sporten vervaardigden zij van de takken van een curryboom. En wat de staken betrof, deze bestonden uit cederhout. Het geheel werd met meesterhand door Pencroff samengesteld.
De ladder werd plechtig ingewijd. Blz. 115.
Nu konden zij gemakkelijk de steenen ophijschen tot in het Rotshuis. Ook ging het overbrengen der materialen veel spoediger en was die grot in een oogwenk tot verblijfplaats ingericht. Aan kalk ontbrak het hun niet en eenige duizenden steenen lagen gereed om gebruikt te worden; weldra waren de kamers dan ook in orde.
Het werk ging onder toezicht van den ingenieur, vlug van de hand. Met elk ambacht was Cyrus Smith bekend, en hij gaf zoodoende het voorbeeld aan zijn ijverige en krachtige vrienden.
Men arbeidde met vertrouwen en allen waren opgeruimd gestemd, terwijl Pencroff altijd een vroolijk woord had; nu eens was hij timmerman, dan weer touwslager, en soms metselaar. Zijn vertrouwen in den ingenieur was onwankelbaar. Niets kon hem dit ontnemen. Hij achtte hem tot alles in staat en hield het er voor dat alles wat hij ondernam, slagen moest.
Het punt van kleeren en schoenen,—een zeer gewichtig punt—de verlichting gedurende de winteravonden, alles scheen hem gemakkelijk toe, wanneer Cyrus Smith hielp en die hulp zou nooit ontbreken.
De ingenieur liet Pencroff maar praten. Hij wilde niets op diens overdrijving afdingen. Hij wist dat vertrouwen mededeelzaam maakt, en kon dikwijls een glimlach niet weerhouden, wanneer hij hem hoorde spreken, maar paste wel op dat zijn eigene bezorgdheid voor de toekomst niet aan het licht kwam. Inderdaad had hij alle reden om te vreezen, dat in dit gedeelte van den Stillen Oceaan, waar zelden schepen kwamen, zij weinig op hulp konden rekenen. Zij moesten dus geheel op zich zelven vertrouwen, want de afstand tusschen het eiland Lincoln en eenig ander land was te groot, dan dat zij zich op een boot, die natuurlijk niet zoo stevig gemaakt kon worden, zouden durven wagen.
Maar zooals de matroos zeide, stonden zij wel honderdmaal hooger dan de vroegere Robinsons, die alles door een wonder moesten verkrijgen.
Dit was ook zoo, want zij “wisten” en de mensch die “weet” slaagt waar anderen moeten rondtasten en noodzakelijk omkomen. Bij het werk bleek het dat Harbert veel aanleg had. Hij was vlug en ijverig, begreep alles snel en bracht het goed ten uitvoer, zoodat Cyrus Smith zich hoe langer hoe meer aan den knaap hechtte. Harbert koesterde wederkeerig voor den ingenieur een vurige en eerbiedige vriendschap. Pencroff bemerkte deze sympathie, welke tusschen de beide mannen ontstond, maar was volstrekt niet jaloersch. Nab bleef Nab. Hij was wat hij altijd zou zijn, moedig, ijverig en steeds tot zelfverloochening bereid. Hij had in zijn meester hetzelfde vertrouwen als Pencroff, maar liet dit minder luidruchtig bemerken. Wanneer de matroos zijn opgewondenheid lucht gaf, scheen het, of Nab hem antwoordde: “Maar niets is natuurlijker.”
Toch mochten Pencroff en Nab elkander gaarne lijden.
Wat Gideon Spilett betrof, hij nam aan het algemeene werk deel en was niet de onhandigste—waarover de matroos altijd een weinig verbaasd was. Een “schrijver” die niet alleen alles begrijpt, maar ook alles kan ten uitvoer brengen, was voor hem een onverklaarbaar wezen.
De ladder werd den 28sten Mei plechtig ingewijd. Zij telde niet minder dan honderd sporten en hing langs een loodrechte hoogte van tachtig voet. Gelukkig had Cyrus Smith haar in twee gedeelten weten te maken door partij te trekken van een uitstekend gedeelte van den wand, ongeveer veertig voet boven den grond. Dit uitstek maakten zij vlak; het werd een soort van portaal, waaraan men de eerste ladder kon vastmaken, zoodat de slingeringen de helft kleiner werden, en men haar, door middel van een koord, tot het benedengedeelte van het Rotshuis kon optrekken.
Wat de tweede ladder betrof, deze hechtte men even stevig aan dit uitstek als boven aan de deur vast. Op deze wijze was het naar boven gaan zeer gemakkelijk. Bovendien was Cyrus Smith van plan later een hydraulischen elevator te maken, die alle vermoeienis en alle tijdverlies zou wegnemen. Spoedig waren zij aan die trap gewend. Zij waren vlug en handig en Pencroff, als matroos, kon hun menig lesje geven. Maar ook moest hij Top onderwijzen. De arme hond was, met zijn vier pooten, aanvankelijk niet voor deze beweging geschikt. Pencroff echter was zulk een volhardend onderwijzer, dat Top spoedig even goed als zijn lotgenooten in het honden- en apenspel, de trap beklom. Of de matroos trotsch op zijn leerling was, valt moeilijk te zeggen; maar zeker is het, dat Pencroff hem meer dan eens op zijn rug mede naar boven nam, waar de hond niets tegen had.
Toch vergaten zij door dit werk niet, voor hun wintervoorraad te zorgen. Hiermede hadden Spilett en Harbert zich belast. Vooral vonden zij veel konijnen. Ook verzamelde Harbert een menigte kruiden en planten, en toen Pencroff hem vroeg, waartoe die dienden, antwoordde de knaap:
“Om ons te genezen, wanneer wij ziek zijn.”
“Maar, waarom zouden wij ziek worden, daar er geen dokters op het eiland zijn?” hernam Pencroff op ernstigen toon.
Hierop viel niets te antwoorden, maar Harbert ging toch met zijn verzameling voort, die men in het Rotshuis zeer op prijs stelde.
Eens dat zij weer door het bosch dwaalden, riep Harbert plotseling uit:
“Konijnen-holen!”
“Ja,” antwoordde de reporter, “ik zie ze ook.”
“Maar zijn zij bewoond?”
“Dat is de vraag.”
Het duurde niet lang of de vraag werd opgelost. Spoedig zag men een honderd van die kleine dieren, welke op konijnen geleken, zich in alle richtingen verspreiden, zoo snel, dat Top ze niet zou hebben kunnen achterhalen. Jagers en hond gelukte het dus niet eenigen in hun macht te krijgen. Maar Spilett had vast besloten de plaats niet te verlaten, vóor hij er een half dozijn vermeesterd had en kwam op het denkbeeld voor de holen strikken te spannen, maar eerst moesten zij die maken.
Een uur later had hij er dan ook vier gevangen. Deze dieren geleken veel op de konijnen die men in Europa vindt, en welke daar den naam van Amerikaansche konijnen dragen.
Zij brachten den buit naar het Rotshuis, waar hij als avondmaal op tafel verscheen. Deze dieren smaakten overheerlijk, en van die konijnen scheen een onuitputtelijke voorraad te bestaan.
Den 31sten Mei waren de luiken klaar. Nu moesten zij de kamers nog meubelen, een werk, dat zij voor de lange winteravonden bewaarden. Een schoorsteen werd in de eerste kamer, de keuken, geplaatst. De pijp, waardoor de rook moest opstijgen, gaf nog eenig werk aan deze geïmproviseerde schoorsteenvegers. Het gelukte Cyrus Smith ook, om door een kleine buis het water van het meer tot in het Rotshuis te laten komen, zoodat het hun nooit aan water kon ontbreken.
Eindelijk was alles gereed; het werd ook tijd, want het slechte jaargetijde was aangebroken. De luiken werden zoolang gesloten totdat de ingenieur zijn glasruiten vervaardigd had.
Gideon Spilett had zeer netjes, op de uitstekende punten van de grot en om de vensters, verschillende planten geplaatst, zoodat alle openingen omlijst waren met groen en een schilderachtige uitwerking deden. De bewoners van dit hechte, gezonde en veilige huis hadden alle reden om over hun werk tevreden te zijn. De ramen gaven het uitzicht op een bijna onbeperkten horizon, ten noorden begrensd door Kaap Mandibule en ten zuiden door kaap Klauw. De geheele golf der Unie strekte zich in al haar pracht voor hen uit. Vooral Pencroff was uitbundig in zijn lof over hetgeen hij schertsend noemde zijn kamer op de vijfde verdieping, boven de entresol.
De regentijd.—De quaestie der kleeding.—Een jacht op zeehonden.—Vervaardiging van waskaarsen.—Werkzaamheden in het Rotshuis.—Een oesterput.—Wat Harbert in zijn zak vindt.
De winter viel hier in met de maand Juni, die overeenkomt met de maand December in het noordelijk halfrond. Hij begon met stortregens en stormen zonder tusschenpoozen. Wel moesten de bewoners van het Rotshuis zulk een woning, waar de verschillende weersgesteldheden hen niet konden deeren, op prijs stellen. De Schoorsteenen zouden een onvoldoende schuilplaats tegen de koude zijn geweest, en het was wel te vreezen dat het hooge water, door den wind gedreven, er binnen zou stroomen. Cyrus Smith nam dan ook eenige maatregelen tegen deze mogelijkheid, opdat niet al hun ijzer en werktuigen die daar bewaard waren, zouden verroesten.
Men zag een honderd van die kleine dieren. Blz. 116.
De geheele maand Juni brachten zij met verschillenden arbeid door, maar noch de jacht, noch de vischvangst behoefden zij te laten, zoodat hun keuken in een goeden toestand bleef. Pencroff plaatste, zoodra hij in de gelegenheid was, op verschillende plaatsen vallen, waarvan hij groote verwachting had. Hij had een aantal strikken gemaakt en elken dag kwam er een nieuwe voorraad konijnen in het Rotshuis binnen. Nab besteedde zijn tijd met het zouten en rooken van vleesch, wat hun goeden bouillon in den winter zou geven.
Nu moesten zij het gewichtige punt der kleeren nog bespreken. Zij hadden geen andere dan die welke zij droegen, toen de ballon hen op het eiland had geworpen. Het waren warme en stevige kleederen; ook hadden zij er veel zorg voor gedragen, evenals voor hun linnen dat zij zeer schoon hadden gehouden, maar toch moesten zij weldra iets anders hebben. Bovendien, zouden zij, wanneer het een strenge winter was, veel van de kou hebben te lijden.
Maar hier schoot het vernuft van Cyrus Smith te kort. Hij had alles zoo spoedig mogelijk in orde gebracht, een woning gemaakt, voor voeding gezorgd en de kou kon hen dus overvallen, vóór dat het vraagstuk der kleeren opgelost werd. Zij moesten dus wel besluiten den winter zonder klagen door te komen. Als het zachter weer werd zou hun eerste werk zijn jacht op de wilde schapen te maken, die zij bij het onderzoek van den berg Franklin gezien hadden, en wanneer zij eenmaal de wol hadden zou de ingenieur wel raad weten om daarvan een warme en stevige stof te maken. Maar hoe? Hij zou er zich op bedenken.
“Nu, als wij de luiken van het Rotshuis maar sluiten!” zeide Pencroff. “Wij hebben overvloed van brandstof en er bestaat geen enkele reden, om er zuinig mede te zijn.”
“Bovendien,” zeide Gideon Spilett, “is het eiland Lincoln dicht genoeg bij den evenaar gelegen, om geen strenge winters te vreezen. Hebt gij ons niet gezegd, Cyrus, dat de vijf en dertigste graad overeenkomt met die van Spanje op het andere halfrond?”
“Zeker,” antwoordde de ingenieur, “maar sommige winters zijn in Spanje zeer koud! Sneeuw en ijs is er dan in overvloed en het eiland Lincoln kan er ook veel van te lijden hebben. Maar in elk geval, het is een eiland, en op een eiland is de temperatuur nog al gematigd.”
“En waarom, mijnheer Cyrus?” vroeg Harbert.
“Omdat de zee kan beschouwd worden als een onmetelijke bewaarplaats, waarin de hitte van den zomer opgezameld wordt. Als het winter is dan geeft zij die warmte terug, waardoor de streken die in de nabijheid van den Oceaan liggen voor minder koude te vreezen hebben; in den zomer zoowel als in den winter blijft de luchtgesteldheid gematigd.”
“Wij zullen zien,” antwoordde Pencroff. “Ik zal er mij nog maar niet over bekommeren of het dezen winter warm of koud zal zijn. Maar dit is zeker, dat de dagen reeds kort en de avonden lang worden. Laat ons liever eens aan de verlichting denken.”
“Niets is gemakkelijker,” antwoordde Cyrus.
“Om te bepraten?”
“Neen, om op te lossen.”
“En wanneer zullen wij beginnen?”
“Morgen door jacht te maken op zeehonden.”
“Om vetkaarsen te maken?”
“Foei, Pencroff, wat denkt ge wel! waskaarsen!”
Dit was inderdaad het plan van Cyrus Smith. Het was een zeer uitvoerbaar plan, daar zij kalk en zwavelzuur hadden, en zij op het eiland zich genoegzaam van vet konden voorzien.
Den 5den Juni staken zij met een bootje naar het eilandje over. Zij hadden een voordeelige jacht en spoedig hadden Nab en Pencroff de zeehonden van hun huid ontdaan en brachten zij hun vet naar het Rotshuis. Ongeveer driehonderd pond vet hadden ze tot hun beschikking voor het maken der kaarsen. Vierentwintig uur later konden zij ’s avonds het Rotshuis verlichten. Die geheele maand ontbrak het hun niet aan werk. De schrijnwerkers hadden veel te doen. Men verbeterde de werktuigen, die zij zeer ruw gemaakt hadden; en ook vervaardigden zij er nog verschillende bij.
Onder anderen gelukte het hun scharen te maken, en zij waren thans in staat hunne haren en baard te knippen. Zij konden, zoo al niet zich scheren, dan toch hun baard in den vorm brengen, dien zij verkozen. Harbert had er trouwens geen, Nab zeer weinig, maar hunne metgezellen waren zoo begroeid, dat het bezit van een schaar meer dan noodig was. Zij slaagden er ook in een zaag te maken, maar dat kostte ontzaglijk veel moeite. Toch geraakten zij in het bezit van zulk een onmisbaar voorwerp.
Nu vervaardigden zij tafels, stoelen, kasten, waarmede zij de voornaamste kamers bemeubelden, en zelfs ledikanten, waarvan het beddengoed bestond uit een matras en een overdek. De keuken met planken, waarop zij de verschillende keukengereedschappen konden plaatsen, het fornuis, de gootsteen, alles zag er keurig uit, en Nab bewoog zich in dat vertrek met een deftigheid alsof hij in een chemisch laboratorium werkte.
Maar nu moesten de schrijnwerkers vervangen worden door timmerlui. De nieuwe uitloozing, die men door het springen van de mijn had verkregen, noodzaakte hen twee bruggen te bouwen, een op de vlakte van het Verre Uitzicht, de andere op het strand. Die vlakte toch was evenals het strand doorsneden door een stroom, welke men noodzakelijk moest oversteken om het noordelijk gedeelte van het eiland te bereiken. Wilden zij dit niet doen, dan zouden zij een grooten omweg hebben moeten maken en de bronnen van de Roode Beek moeten omtrekken. Het eenvoudigste was dus om op de bergvlakte en op het strand twee bruggen te bouwen, twintig à vierentwintig voet lang, waarvan eenige boomen den grondslag zouden uitmaken.
Nab en Pencroff maakten van de gelegenheid gebruik om naar de oesterbank te gaan, die zij bij de duinen hadden ontdekt, en zij legden daar een oesterput aan waarvan de kolonisten veel genot hadden.
Men ziet dus, dat het eiland Lincoln, hoewel zijn bewoners nog slechts een klein gedeelte doorkruist hadden, reeds voldoende in hun behoeften voorzag. Aan vleesch ontbrak het hun niet, evenmin aan plantaardig voedsel, dat het gebruik daarvan een weinig moest matigen. Zij hadden zelfs suiker gemaakt, zonder riet of beetwortels, door het verzamelen van acer saccharum uit de planten, die men ook in de gematigde luchtstreken vindt. Ook thee en zout hadden zij in overvloed, maar een ding ontbrak hun .... brood.
Tot nog toe hadden zij niets kunnen vinden wat hun dit kon vergoeden. Maar eens, toen zij op een regenachtigen dag bij elkaar zaten en Harbert bezig was zijn vest te verstellen, riep de knaap eensklaps uit:
“Zie eens, mijnheer Cyrus. Hier is een graankorrel!”
En hij liet zijn makkers een graankorreltje zien, dat hij in zijn vestzak gevonden had.
Het vinden van dezen graankorrel moesten zij hieraan toeschrijven, dat Harbert, toen hij in Richmond was, de duiven voerde, welke hij van Pencroff gekregen had.
“Een graankorrel?” riep Cyrus Smith op levendigen toon.
“Ja, mijnheer Smith, maar slechts éen!”
“Welnu, beste jongen,” zeide Pencroff glimlachend, “daar hebben we ook wat aan! Wat kunnen we met dat eene graankorreltje doen?”
“Wij zullen er brood van maken,” antwoordde Cyrus Smith.
“Brood, gebak, taart!” hervatte de matroos. “Aan het brood dat wij van dit graantje kunnen maken, zullen wij ons ook niet verslikken!”
Harbert die aan dezen vondst weinig waarde hechtte, wilde het korreltje wegwerpen, maar Cyrus Smith nam het, onderzocht het en zag dat het nog niet bedorven was. Daarop wierp hij een blik op den zeeman:
“Pencroff,” zeide hij op kalmen toon, “weet gij hoeveel aren éen graantje schiet?”
“Een, veronderstel ik!” antwoordde de matroos verwonderd over deze vraag.
“Tien, Pencroff. En weet gij hoeveel korrels zulk een aar bevat?”
“Weet gij hoeveel aren één graantje schiet?” Blz. 120.
“Neen, dat weet ik niet.”
“Op zijn minst tachtig,” ging Cyrus Smith voort. “Dus wanneer wij dit graantje zaaien, zullen wij bij den eersten oogst acht honderd korrels hebben; bij den tweeden zes honderd veertig duizend, bij den derden vijf honderd twaalf millioen, bij den vierden meer dan vierhonderd milliard.”
Allen luisterden met ingespannen aandacht naar Cyrus Smith. Die cijfers verbaasden hen ten hoogste. Toch waren zij juist. De ingenieur ging kalm voort.
“En Pencroff, weet gij wel hoeveel schepel deze vier honderd milliard korrels uitmaken?”
“Neen,” antwoordde de matroos, “maar wel weet ik, dat ik een domkop ben!”
“Welnu, meer dan drie millioen, daar er honderd dertig duizend in een schepel gaan, Pencroff.”
“Drie millioen!” riep Pencroff verbaasd uit.
“Drie millioen!”
“In vier jaar,” vervolgde Cyrus Smith, “en zelfs in twee jaar, wanneer wij, zooals ik hoop, tweemaal ’s jaars kunnen oogsten. Dus Harbert, gij hebt daar een belangrijken vondst gedaan. Alles, mijn vrienden, kan ons in den toestand, waarin wij verkeeren, te stade komen. Vergeet dat toch vooral niet!”
“Maar nu moesten wij het maar gaan zaaien,” zeide Harbert.
“Ja,” hervatte Gideon Spilett, “en zoo voorzichtig mogelijk.”
“Als het maar ontkiemt!” riep de matroos.
“Het zal zeker ontkiemen,” zeide Smith.
Het was thans de 20ste Juni. Eerst waren zij van plan het in een bloempot te zaaien, maar bij nader overleg achtten zij het raadzamer, het aan de aarde toe te vertrouwen. Dienzelfden dag had de gewichtige gebeurtenis plaats, en het is onnoodig er bij te voegen, dat alle voorzorgen werden genomen om de onderneming te doen slagen. Gelukkig was het weer dien dag vrij goed. Zij zaaiden de graankorrel op de bergvlakte, nadat zij eerst de plek van alle andere planten gezuiverd hadden; en toen de grond omgespit was, haalden zij zelfs de insecten en wormen er uit. Daarop legden zij in het kuiltje eenige goede aarde, waaronder zij een weining kalk gemengd hadden. Zij zetten er een hek omheen en eindelijk werd de graankorrel in de vochtige aarde gelegd. Was het niet of zij een eersten steen legden? Deze gebeurtenis herinnerde Pencroff aan den dag, toen hij zijn eenigen lucifer aanstak en met hoeveel zorg hij dit deed. Maar ditmaal was het een veel gewichtiger zaak. Want het zou hun wel gelukt zijn vuur te krijgen op welke wijze ook, maar geen menschelijke macht zou een graankorrel kunnen wedergeven, zoo die niet mocht ontkiemen!
Eenige graden onder nul.—Onderzoek van het moeras in het zuidoosten.—De Chilische honden.—Een gesprek over de zee.—Gezicht op de zee.—Het werk der infusiediertjes.—Wat er van de wereld zal worden.
Sedert dat oogenblik ging er geen dag voorbij of Pencroff bracht een bezoek aan zijn “korenveld.” En wee de insecten, welke zich in de nabijheid daarvan bevonden, want geen een bleef er gespaard.
Tegen het einde van de maand Juni, na onafgebroken regenbuien viel de winter in en den 29sten zou een thermometer van Fahrenheit, ongeveer twintig graden boven nul aangewezen hebben.
Den volgenden dag, 30 Juni, was het nog kouder. Het meer was bijna dichtgevroren. Voortdurend moesten zij hout op het vuur leggen. Gelukkig had Pencroff niet gewacht tot het water bevroren was om zijn houtvlotten naar hun bestemming te brengen. Ook hadden zij bij den berg Franklin steenkolen gevonden. De groote hitte die deze verspreidden, toen de temperatuur nog lager was, werd algemeen gewaardeerd, vooral toen den 4den Juli de thermometer tot acht graden Fahrenheit zonk. Een tweede schoorsteen hadden zij in de eetzaal aangebracht.
Eindelijk besloten zij den 5den Juli bij droog weer een gedeelte van het eiland te gaan onderzoeken. Reeds ten zes uur in den ochtend begaven Smith, Spilett en Pencroff, Harbert en Nab zich zoo warm mogelijk gekleed op weg. Gewapend met houweelen, strikken, bogen en pijlen, en voorzien van een goeden voorraad levensmiddelen, verlieten zij het Rotshuis, voorafgegaan door Top.
Zij sloegen den kortsten weg in, en die kortste weg was de rivier over te steken, op de ijsschotsen, welke er in dreven.
“Maar,” deed de reporter opmerken, “zij kunnen toch de plaats van een wezenlijke brug niet vervangen?”
Bij het werk dat zij nog te doen hadden, voegden zij nu nog een brug. Nog geen halve mijl hadden zij afgelegd, toen eensklaps uit een dicht begroeid bosch een aantal viervoetige dieren te voorschijn kwamen, die door Top’s geblaf op de vlucht werden gejaagd.
“Het zijn vossen, zou ik zeggen!” riep Harbert, toen hij de geheele bende vóor zich zag wegrennen.
Het waren inderdaad vossen, maar zeer groote en die zoo blaften, dat Top zelf er verbaasd over scheen te zijn, want hij stond stil en gaf zoodoende aan die vlugge dieren den tijd te ontsnappen.
De hond had alle recht om hierover verbaasd te wezen, daar hij de natuurlijke geschiedenis niet kende. Maar door hun geblaf hadden de vossen met hun grijs roodachtige huid en zwarten staart, die in een witte pluim eindigde, hun oorsprong bekend gemaakt. Harbert gaf hun dan ook terstond den naam van Chilische honden. Deze dieren hooren thuis in Chili, en in die streken van Amerika, welke tusschen dertig en veertig graden zuiderbreedte gelegen zijn. Het speet Harbert geducht dat Top niet een van die vleeschetende dieren machtig was geworden.
“Kan men ze eten?” vroeg Pencroff, die de vertegenwoordigers der dierenwereld altijd uit dit bijzondere oogpunt beschouwde.
“Neen,” antwoordde Harbert, “maar de dierkundigen zijn het nog niet eens of de oogappels dezer vossen voor den dag of voor den nacht geschikt zijn, en of men ze niet onder de soort honden moet rangschikken.”
Cyrus Smith kon een glimlach niet weerhouden, bij het hooren dezer opmerking van den knaap, die voor zijn denkenden geest getuigde. Wat de matroos betreft, daar deze dieren toch niet onder degenen behoorden, welke men eten kon, ging het hem verder weinig aan. Maar in elk geval was het toch raadzaam, dat zij eenige voorzorg tegen mogelijk bezoek van deze dieren namen, wanneer zij vogels mochten houden.
Toen zij nog eenigen tijd hun tocht voortgezet hadden, besloten zij een vuur aan te leggen en Nab zou dan een maal bereiden, bestaande uit koud vleesch en thee. Terwijl zij dit gebruikten sloegen zij de natuur rondom zich gade. Dit gedeelte van het eiland Lincoln was zeer onvruchtbaar, en verschilde met alle overige westelijke streken, wat den reporter tot de slotsom leidde, dat zoo het toeval hen op dit strand geworpen had, zij een zeer treurig denkbeeld van hun toekomstige woonplaats hadden moeten krijgen.
“Ik geloof zelfs dat wij het niet zouden kunnen bereikt hebben,” antwoordde de ingenieur, “want de zee is diep en zij biedt ons zelfs geen rots aan, waar wij een schuilplaats hadden kunnen vinden. Vóor het rotshuis zijn tenminste nog klippen, een eilandje, en dat verhoogt de kans om hier te blijven leven. Het is hier niets dan een woestenij!”
“Het is toch ook opmerkelijk,” hernam Gideon Spilett, “dat dit eiland, betrekkelijk klein, zulk een verschil van grondgestelheid aanbiedt. De voortbrengselen behooren thuis in zeer groote landen. Men zou geneigd zijn te gelooven, dat het westelijk gedeelte van het eiland Lincoln, zoo rijk en vruchtbaar, begrensd werd door het warme water van de golf van Mexico, en dat de noordelijke en zuidelijke kust bespoeld worden door een ijszee.”
“Gij hebt gelijk, beste Spilett,” antwoordde Cyrus Smith, “deze zelfde opmerking heb ik ook reeds bij mij zelfgemaakt. Dit eiland, zoowel in zijn vorm als voortbrengselen, is zeer zonderling. Men zou zeggen, dat het een verzameling was van al hetgeen een vasteland oplevert, en het zou mij zelfs niet verwonderen dat het vroeger vasteland was geweest.”
“Laat mij gelooven dat het varkens zijn.” Blz. 131.
“Hoe? vasteland te midden van den Stillen Oceaan!” riep Pencroff uit.
“Waarom niet?” antwoordde Cyrus Smith. “Waarom zou Australië, Nieuw-Ierland, alles wat de aardrijkskundigen Australië noemen, vereenigd met de archipels van den Stillen Oceaan, niet een zesde werelddeel hebben gevormd, van even groot belang als Europa, Azië, Afrika of Zuid- en Noord-Amerika? Ik kan het zelfs niet uit mijn hoofd zetten, dat alle eilanden, die in dezen Oceaan liggen, slechts toppen zijn van een vasteland dat geheel overstroomd is, maar dat in de voorwereld boven het water uitstak.”
“En het eiland Lincoln zou een gedeelte van dat vasteland uitgemaakt hebben?”
“Zeer waarschijnlijk,” hernam Cyrus Smith; “en hierdoor laat zich de verscheidenheid van voortbrengselen, welke men hier vindt, zeer gemakkelijk verklaren.”
“En evenzoo dat groot aantal dieren, welke zich hier bevinden,” voegde Harbert er bij.
“Dat is weder een nieuwe bewijsreden voor mijn stelling. Het is zeker, naar hetgeen wij gezien hebben, dat hier vele dieren zijn, en wat nog zonderlinger is, dat zij veel verscheidenheid aanbieden. Hiervoor moet ook een reden zijn, en naar mijn inzien, heeft het eiland Lincoln vroeger een gedeelte van het vasteland uitgemaakt en is het langzamerhand door den Stillen Oceaan verzwolgen.”
“Dus kan, op een mooien dag,” hernam Pencroff, die nog niet geheel overtuigd was, “het overige gedeelte van dit oude land op zijn beurt verdwijnen, en blijft er tusschen Amerika en Azië niets meer over?”
“Zeker,” antwoordde Cyrus Smith, “milliarden op milliarden, voor het bloote oog onzichtbare diertjes, werken thans tot de opbouwing.”
“En wat voor soort van metselaars zijn dat?” vroeg Pencroff.
“De infusiediertjes van het koraal,” hernam Cyrus Smith. “Zij hebben, door hun aanhoudend werken het eiland Clermont-Tonnerre gebouwd en nog andere koraal-eilanden, die in zoo groote hoeveelheid in den Stillen Oceaan gevonden worden. Een millioen van deze infusiediertjes wegen nog geen milligram, en toch met het zout der zee, met die vaste bestanddeelen, welke in het water voorhanden zijn, leveren deze diertjes een kalkachtige stof, en deze kalkachtige stoffen vormen onmetelijke onderzeesche grondslagen, die even vast en hard zijn als die welke van graniet zijn gevormd. Eertijds, in het eerste tijdperk der schepping, gebruikte de natuur het vuur, en heeft zij de landen door opwerping voortgebracht; maar nu laat zij haar plaats vervullen door de microscopische diertjes, omdat hare groote kracht in het binnengedeelte der aarde waarschijnlijk verminderd is,—een bewijs hiervan is, dat de vulkanen meer en meer uitdooven. En ik geloof dat, eeuwen op eeuwen, infusiediertjes op infusiediertjes dezen Stillen Oceaan misschien eenmaal in een vasteland kunnen doen herscheppen, dat dan door een nieuw geslacht bewoond en bebouwd zal worden.”
“Maar dat zal lang duren,” zeide Pencroff.
“De natuur heeft den tijd aan zich!” antwoordde de ingenieur.
“Maar waartoe zou dit nieuwe vasteland dienen?” vroeg Harbert. “Mij dunkt dat de tegenwoordige uitgestrektheid der bewoonbare landen voldoende is voor het menschdom. Maar de natuur doet niet wat zij niet moet doen.”
“Daar hebt ge gelijk in,” hernam de ingenieur, “maar luister op welke wijze men de noodzakelijkheid van nieuwe landen voor de toekomst kan verklaren, en vooral in deze warme landstreek waar de meeste koraalriffen zich bevinden. Tenminste mijn verklaring komt mij zeer natuurlijk voor.”
“Wij luisteren naar u, mijnheer Smith.”
“Ziehier mijn denkbeeld. De geleerden nemen algemeen aan, dat onze aarde eenmaal vergaan zal, of liever dat het dierlijk en plantaardig leven daarop niet meer mogelijk zal wezen, tengevolge van de kou waaraan zij zal zijn blootgesteld. Maar, waar zij het niet over eens zijn, is over de oorzaak van deze afkoeling. Sommigen meenen die te moeten toeschrijven aan de steeds afnemende kracht van de warmte der zon; anderen weder aan de uitdooving der vuren, die in onze aarde zijn, en die een grooteren invloed op haar uitoefenen dan men algemeen vermoedt. Ik voeg mij bij de laatsten, daar ik ook geloof dat de maan een afgekoeld hemellichaam is, dat dus niet bewoond kan worden, ofschoon de zon toch steeds haar zelfde hoeveelheid warmte op haar doet stralen. Zoo de maan afgekoeld is, moet men het daaraan toeschrijven dat het inwendige vuur, waaraan zij evenals alle andere hemellichamen haar bestaan te danken heeft, geheel is uitgedoofd. Maar, wat de oorzaak hiervan ook zijn moge, onze aarde zal eenmaal ook afgekoeld worden, maar die afkoeling zal zeer langzaam geschieden. Wat zal er dan gebeuren? De gematigde luchtstreken zullen vroeg of laat evenmin bewoonbaar zijn als de poolstreken. Alzoo zullen de menschen zoowel als de dieren meer en meer de keerkringen naderen, waar zij beter onder het bereik der zon zijn. Een ontzaglijke volksverhuizing zal dan plaats hebben. Europa, Midden-Azië, Noord-Amerika zullen verlaten worden, evenals Australië en Zuid-Amerika. De dieren zullen de menschen volgen. Zoowel het planten- als dierenrijk zal zich meer naar den evenaar verplaatsen.
“Het middengedeelte van Zuid-Amerika en Afrika zullen het meest bevolkt worden. De Laplanders en Samojeden zullen dezelfde luchtgesteldheid, welke zij aan de poolzeeën vonden, dan aan de Middellandsche Zee vinden. Wie zegt ons, dat in dit tijdperk de streken bij den evenaar niet te klein zullen wezen om het menschdom te huisvesten en te voeden? Waarom zou dus de natuur die alles voorziet, niet nu reeds, ten einde een wijkplaats aan de geheele planten- en dierenwereld te geven, onder den evenaar de grondslagen hebben gelegd van een nieuw vasteland en hiertoe de infusiediertjes hebben gekozen?”
“Menigmaal heb ik over al deze dingen nagedacht, en ik geloof inderdaad dat het aanzien van onze aarde eenmaal geheel veranderen zal, tengevolge van de oprijzing van nieuwe landen; de oude zullen door de zee verzwolgen worden en in de volgende eeuwen zullen Columbussen de eilanden van Ghimborasso, Himalaya en Mont-Blanc gaan ontdekken, die de overblijfselen zullen zijn van een verzwolgen Amerika, Azië of Europa. Eindelijk zullen natuurlijk die nieuwe eilanden op hun beurt onbewoonbaar worden; de warmte zal ook daar afnemen, evenals een lichaam dat sterft en het leven zal van de aarde verdwijnen, zoo niet voor altijd, dan toch voor het oogenblik. Misschien zal onze bol dan tot rust komen en zich weder door haar dood herstellen om eenmaal een hoogere plaats in te nemen. Maar dit alles, mijn vrienden, is het geheim van den Schepper aller dingen, en wat het werk dezer infusiediertjes betreft, wellicht heb ik te ver in de geheimen der toekomst willen doordringen.”
“Beste Cyrus,” antwoordde Gideon Spilett, “deze theorieën zijn voor mij profetieën, en eenmaal zullen zij verwezenlijkt worden.”
“Dat is het geheim van God,” antwoordde de ingenieur.
“Dat alles is goed en wel,” zeide Pencroff toen, die aandachtig geluisterd had, “maar kunt gij mij zeggen, of het eiland Lincoln door infusiediertjes is gemaakt?”
“Neen,” hernam Cyrus Smith, “het is geheel van vulkanischen oorsprong.”
“Dan zal het eenmaal verdwijnen?”
“Waarschijnlijk.”
“Ik hoop dan dat wij er niet meer zijn zullen.”
“Neen, stel u gerust, Pencroff, wij zullen er niet meer zijn, omdat wij niet den minsten lust hebben om te sterven en misschien zal het ons gelukken eraf te komen.”
“Maar laten wij ons hier toch inrichten alsof we tot in de eeuwigheid hier moeten blijven. Men moet niets ten halve doen.”
Hiermede eindigde dit gesprek. Het ontbijt was afgeloopen. Zij hervatten hun onderzoek en nu naderden zij dat gedeelte waar de moerassige streek een aanvang nam.
Het was een moeras, waarvan de uitgestrektheid tot aan de afronding van het eiland in het zuidoosten ongeveer twintig vierkante mijlen bedroeg.
Een menigte vogels fladderden boven deze stilstaande wateren. Maar bij gebrek aan geweer, waren zij genoodzaakt hen door pijlschoten te dooden.
Tegen vijf uur ’s avonds keerden Cyrus Smith en zijn vrienden naar hun woning terug over de brug, welke zij den vorigen ochtend gemaakt hadden.
Alles was wit. Blz. 132.
Om acht uur ’s avonds zaten zij weder bij elkaar in het Rotshuis.