HOOFDSTUK V

Gil Blas gaat op avontuur uit. Hij maakt kennis met een lieve dame.

Na eenige uren geslapen te hebben, stond ik in de beste stemming op, en in afwachting dat mijn meester zou ontwaken, ging ik mijn opwachting maken bij onzen intendant, wiens ijdelheid niet weinig gestreeld was door mijn betooningen van eerbied. Hij ontving mij zeer vriendelijk en voorkomend en vroeg mij of ik mij goed thuis gevoelde in dit soort leven van de jonge heeren. Ik antwoordde hem dat ik wel dacht er spoedig aan te zullen gewennen.

Ik gewende er mij dan ook werkelijk aan en zelfs eerder dan ik dacht. Ik werd geheel anders van doen en laten. Zoo levendig en luchthartig werd ik nu, dat de bediende van don Antonio mij een compliment maakte voor mijn gedaanteverwisseling en zeide dat, om een beroemd persoon te worden, het mij slechts aan het noodige geld ontbrak. Hij hield mij voor oogen, dat dit een besliste noodzakelijkheid was om een net jongmensch te vormen; dat al onze makkers bemind werden door een of andere schoone en dat hij voor zijn persoon de gunst bezat van twee adellijke dames. Ik was van meening dat de vent loog. “Mijnheer Mogicon,” zei ik, “gij zijt zonder twijfel een goed gebouwd en zeer geestig man, gij bezit werkelijk groote gaven; maar ik begrijp toch niet hoe twee aanzienlijke dames, bij wie ge niet eens inwoont, verliefd kunnen worden op iemand van onzen stand.”—“O, maar zij weten niet wie ik ben. Ik heb die veroveringen gemaakt in de kleeren van mijn meester en onder zijn naam. Ziehier hoe dat gaat. Ik kleed mij als saletjonker en neem zijn manieren aan, ga vervolgens naar de pantoffelparade, knipoog tegen alle dames die ik zie, totdat ik er eene ontmoet die op mijn wenken antwoordt. Deze volg ik dan en ik zie haar te spreken te krijgen. Ik stel mij voor als don Antonio Centellès en vraag een rendez-vous met haar. Natuurlijk begint zij met bezwaren te opperen, maar ik weet haar dan toch te bepraten, enz. enz. Zoo leg ik het aan, mijn waarde, om aan geld te komen en ik raad je hetzelfde te doen.”

Ik wilde te gaarne beroemd worden om niet naar dezen raad te luisteren; bovendien was ik in ’t geheel niet afkeerig van een liefdesavontuurtje. Ik vatte dus het plan op, mij als saletjonker te verkleeden om op galante avonturen uit te gaan. Ik durfde mij niet in ons huis te verkleeden uit vrees opgemerkt te worden. Ik nam daarom een mooi pak uit de garderobe van mijn meester, maakte er een pakje van en ging er mee naar een barbiertje, dien ik kende en waar ik mij op mijn gemak zou kunnen verkleeden. Daar tuigde ik mij zoo mooi mogelijk op, terwijl de barbier mij ook met zijn kunde behulpzaam was. Toen wij meenden, dat mijn toilet geheel voltooid was, ging ik naar het Saint-Jerôme plein, waar ik overtuigd was wel een buitenkansje te zullen vinden. Doch ik behoefde niet eens zoo ver te loopen om mijn geluk te ontmoeten.

Toen ik een afgelegen straat overstak, zag ik uit een klein huis eene rijk gekleede dame komen, zeer schoon van gestalte, die in een huurkoets stapte. Ik bleef plotseling staan om haar te bekijken en ik groette haar zwierig, om haar te toonen, dat zij mij wel beviel. Zij van haren kant lichtte een oogenblik hare voile op om mij te laten zien, dat zij mijne aandacht nog meer waard was dan ik meende, want ik zag een zeer lief gelaat. Het rijtuig reed echter weg en ik bleef in de straat staan, een weinig verblind door de schoone gelaatstrekken, die ik gezien had. “Wat een prachtig gezicht,” zei ik bij mijzelf, “dat is het eenige wat mij nog ontbreekt om mij te voltooien. Als de beide dames die Mogicon liefhebben, zoo mooi zijn als deze, dan is hij een heel gelukkige snuiter. Ik zou al tevreden zijn als ik één zoo’n maitresse had.” Terwijl ik hier zoo over nadacht, keek ik toevallig naar het huis, waaruit ik de schoone jonge dame had zien verschijnen, en ik zag aan een der vensters een oude vrouw, die mij wenkte naar binnen te komen.

Ik rende het huis in en vond deze eerbiedwaardige bescheiden oude vrouw in een tamelijk zindelijke kamer. Zij hield mij zeer zeker minstens voor een markies en groette mij dan ook zeer onderdanig, terwijl zij mij als volgt aansprak: “Ik ben er haast zeker van, edele heer, dat gij slecht zult denken van een vrouw, die, zonder u te kennen, u bij zich binnen roept, maar gij zult zeer zeker gunstiger over mij oordeelen, zoodra ge weet, dat ik zoo niet tegenover alle heeren doe. Ge schijnt mij toe tot het hof te behooren.” “Gij vergist u niet,” viel ik haar in de rede, terwijl ik mijn rechterbeen vooruitstrekte en mijn lichaam op mijn linkerheup liet steunen; “zonder ijdelheid kan ik zeggen tot een van de eerste huizen van Spanje te behooren.” “U ziet er ook geheel naar uit,” antwoordde zij, “en ik wil u gaarne bekennen, dat ik een zwak heb om adellijke heeren een genoegen te doen. Ik zag u door het venster en gij besteedde alle aandacht aan eene dame die mij daar juist verliet. Gevoelt gij eenige neiging tot haar, zeg het mij dan maar in vertrouwen,”—“Wel ja, op mijn woord, zij heeft mij getroffen,” antwoordde ik, “nooit zag ik zoo’n piquante verschijning. Als ge ons bij elkaar weet te brengen, kunt ge op mijn erkentelijkheid rekenen. Als men ons deze diensten goed bewijst, dan weten wij ze ook zeer goed en mild te beloonen.”

“Ik heb het u al gezegd,” antwoordde de oude vrouw, “ik voel mij zeer genegen tot adellijke personen en vind er een genoegen in hun van dienst te zijn. Ik ontvang hier bijvoorbeeld dames, die om fatsoensbegrippen hun minnaars niet bij zich kunnen ontvangen en ik leen hun mijn huis om hun vurigen liefdesdrang te vereenigen met het fatsoen.” “Heel goed,” antwoordde ik, “en gij hebt dat genoegen zeker verschaft aan de bewuste dame?”—“Neen” zei zij, “dit is een adellijke weduwe, die een minnaar zoekt, maar zij is in dit opzicht zoo lastig uitgevallen, dat ik niet weet of gij haar zult voldoen, hoe verdienstelijk gij ook zijt. Ik heb reeds drie goed gebouwde adellijke heeren aan haar voorgesteld, maar ze heeft ze geweigerd.”—“O, mijn waarde,” riep ik geestdriftig uit, “gij behoeft mij slechts achter haar aan te sturen en voor ’t overige kunt ge op mij vertrouwen. Ik verlang er zeer naar een tête a tête te hebben met zoo’n kieskeurige schoone, ik heb nog nooit met die karakters kennis gemaakt.” “Welnu,” zei de oude vrouw, “ge behoeft slechts morgen op ditzelfde uur terug te komen en gij zult dan uwe nieuwsgierigheid kunnen bevredigen.”—“Ik zal op mijn tijd hier zijn,” antwoordde ik haar, “en dan zullen wij eens zien of een adellijk heer als ik een blauwtje kan loopen.”

Ik ging daarna terug naar den kleinen barbier zonder op verdere avonturen uit te gaan en niet weinig verlangend naar den afloop van dit laatste. Den volgenden dag ging ik een uur vóór den bepaalden tijd naar de oude vrouw, na mij eerst deftig gekleed te hebben. “Mijnheer,” zei ze mij, “gij zijt een man van de klok en ik ben er u dankbaar voor. Trouwens, de zaak is wel de moeite waard. Ik heb de jonge weduwe opgezocht en wij hebben veel over u gepraat. Men heeft mij gelast te zwijgen, maar ik voel mij zoozeer tot u aangetrokken, dat ik dat niet kan. Gij zijt in den smaak gevallen en gij zult een zeer gelukkig mensch worden. Onder ons gezegd en gezwegen, deze dame is zeer bekoorlijk en beminnenswaardig; haar man heeft niet lang met haar geleefd; hij is als een schim in haar leven geweest, zij heeft werkelijk al het bekoorlijke van een meisje.” Het goede oudje wilde natuurlijk zeggen van die meisjes met geest, die zonder zich te vervelen in het celibaat leven.

De heldin van het rendez-vous kwam spoedig met een huurkoets, evenals den vorigen dag, en was gekleed in kostbare gewaden. Zoodra zij de kamer binnen trad, begon ik met vijf of zes buigingen van een saletjonker, begeleid door de bevalligste bewegingen. Daarop ging ik vertrouwelijk naar haar toe en zei: “Mijn prinses, gij ziet hier een man voor u, die Amor’s pijl getroffen heeft. Uwe beeltenis staat mij sinds gisteren voortdurend voor den geest en gij hebt een hertogin uit mijn hart weten te verdrijven, die er al vasten voet begon te krijgen.”—“Die overwinning is werkelijk te groot voor mij,” antwoordde zij, haar voile afleggend, “maar zij maakt mij volkomen gelukkig. Een jonge man houdt van verandering en zijn hart, zegt men, is even moeilijk te bewaren als een stuk geld!”—“O, mijn koningin,” hernam ik, “laten wij de toekomst er buiten en denken wij slechts aan het heden. Gij zijt schoon en ik ben verliefd. Als mijn liefde u aangenaam is, laten wij dan van elkander genieten zonder verdere bedenkingen. Laat ons scheep gaan zooals de matrozen, niet lettende op de gevaren van den tocht, maar slechts met het genoegen voor oogen.”

Toen ik deze laatste woorden had gesproken, wierp ik mij op mijn knieën voor de schoone fee en om nog beter de saletjonker na te doen, drong ik er met kracht op aan, dat zij mij gelukkig zou maken. Zij scheen een weinig van haar stuk door mijn heftig aandringen, maar meende zich toch nog niet gewonnen te moeten geven. Zij stiet mij zacht van zich af en zei: “Kalm een beetje, gij zijt al te vurig en lijkt wel wat op een lichtmis. Ik ben een beetje bang, dat ge een boemelaar zijt.—“Welaan, mevrouw,” zei ik, “kunt gij iets haten waar de vrouwen bovenmate veel van houden? Er zijn nog slechts enkele burgervrouwen, die het uitgaan van een jongen man afkeuren.”—“Dat is mij te machtig,” antwoordde zij, “en door zoo’n argument moet ik mij gewonnen geven. Ik zie wel, dat men tegenover een man als gij niet veinzen kan, en een vrouw moet wel toegeven. Welnu ik ben door u overwonnen,” zei zij, met een schijn van verlegenheid alsof haar zedigheid door deze bekentenis was gekwetst, “Gij hebt mij gevoelens ingeboezemd, die ik nog nooit voor iemand heb gekoesterd en ik wilde alleen nog maar weten wie gij zijt om u tot mijn minnaar te kiezen. Ik geloof, dat gij een jong edelman zijt en zelfs een fatsoenlijk man, doch ik ben er nog niet van overtuigd. Hoeveel inlichtingen ik dus ook over u heb, wil ik toch mijn liefde niet aan een onbekende geven.”

Ik herinnerde mij toen hoe in een dergelijk geval de lakei van don Antonio er zich uit redde en wilde dus ook nu op zijn voorbeeld voor mijn meester spelen. “Mevrouw,” zei ik tot de weduwe, “ik zal u geenszins mij naam verbergen, hij is trouwens mooi genoeg om gehoord te mogen worden. Heeft u nooit hooren spreken van don Mathias de Silva? “Zeer zeker,” antwoordde zij, “en ik kan u er nog bijvoegen dat ik hem wel eens ontmoet heb bij een van mijn kennissen.” Hoewel ik al tamelijk brutaal was geworden, was ik toch een beetje van mijn stuk gebracht door dit antwoord. Ik herstelde mij in een oogenblik en al mijn scherpzinnigheid bijeen verzamelend om mij uit mijn netelige positie te redden, zei ik: “Welnu, mijn schoone engel, dan kent gij een heer, dien ik ook ken. Ik behoor namelijk tot zijn familie, daar ge er zoo op staat alles te weten. Zijn overgrootvader huwde met de schoonzuster van een oom van mijn vader. Zooals gij dus ziet, zijn wij nauw verwant. Ik heet don Cesar. Ik ben de eenige zoon van den beroemden don Fernando de Ribera die voor vijftien jaar gedood werd in een slag op de grenzen van Portugal. Ik zou u wel een uitvoerig verslag van het gevecht kunnen geven, maar dit zou tijdverlies zijn, terwijl de liefde eischt, dat wij de uren aangenamer doorbrengen.”

Na dit gesprek drong ik nog heviger en hartstochtelijker aan, wat mij echter niet verder bracht. De gunstbetooningen die mijne godin mij gaf, maakten mij slechts verlangender naar die welke zij mij weigerde. Het hartelooze wezen ging naar haar rijtuig, dat haar bij de deur wachtte. Toch was ik tevreden over dit avontuur hoewel ik niet volkomen gelukkig was. “Dat ik tot nu toe slechts weinig tegemoetkomingen ondervonden heb,” zei ik tot mijzelf, “komt omdat mijn aangebedene een adellijke dame is, die meent niet terstond te moeten zwichten voor mijn liefdesbetuigingen. De fierheid van hare geboorte heeft mijn geluk een weinig vertraagd, maar dit is slechts een uitstel van eenige dagen.” Ik hield mijzelf ook wel voor, dat het een zeer sluwe geslepen vrouw kon zijn, maar toch wilde ik de zaak liever van een gunstige dan van een ongunstige zijde bezien en ik bleef dus een goede gedachte van mijn weduwe houden. Bij het afscheidnemen waren wij overeen gekomen elkaar na twee dagen weer te ontmoeten en de hoop dan tot het toppunt van mijn wenschen te zullen geraken, gaf mij reeds een voorsmaak van de genoegens waarmede ik mij zelf vleide.

Den geest vol van de lachendste beelden, ging ik dan ook naar den barbier. Ik verwisselde mijn kleeren en zocht mijn meester op in een speelhuis waar ik zeker was hem te zullen vinden. Ik vond hem bezig met spelen en ik bemerkte dat hij won; want hij was niet een van die flegmatieke spelers die zich rijk spelen of zich ruineeren, zonder een spier op hun gezicht te vertrekken. Hij was opgewekt en pocherig bij zijn geluk en korzelig bij zijn ongeluk. Hij verliet het speelhuis zeer opgewekt en ging in de richting van het Prinsentheater. Ik volgde hem tot aan de deur van den schouwburg en hij gaf mij daar een dukaat zeggende: “Hier Gil Blas, daar ik vandaag gewonnen heb, moet jij daarvan ook genieten; ga je maar wat verstrooien met je makkers en kom mij tegen middernacht bij Arsenia halen, waar ik soupeer met Don Alexo Segiar”. Dit zeggende ging hij naar binnen en ik bleef erover nadenken met wien ik wel dien dukaat zou kunnen verteren overeenkomstig den wensch van den gever. Ik behoefde echter niet lang na te denken want plotseling stond Clarino, de lakei van don Alexo, voor mij. Ik nam hem mede naar de eerste de beste herberg en wij vermaakten er ons tot middernacht. Tegen dien tijd gingen wij naar het huis van Arsenia waarheen ook Clarino zich volgens bevel van zijn meester moest begeven. Een kleine portier opende ons de deur en liet ons in een lage kamer waar de kamermeisjes van Arsenia en van Florimonde zich onder uitbundig gelach met elkaar onderhielden, terwijl hare meesteressen boven waren met onze heeren.

De komst van twee heeren, die juist goed gesoupeerd hadden, kon niet anders dan aangenaam zijn voor de beide soubrettes, maar stel u mijn verbazing voor toen ik in een van die beide dienstmeisjes mijne weduwe ontdekte, mijne aanbiddelijke weduwe, die ik voor een gravin of een markiezin hield. Zij was niet minder verbaasd haar don Cesar de Ribera veranderd te zien in den lakei van een saletjonker. Wij keken elkaar echter aan zonder een van beiden verlegen te worden, integendeel barstten wij beiden in lachen uit. Toen wij eindelijk uitgelachen waren, nam Laura—zoo heette zij—mij ter zijde terwijl Clarino met zijn schoone sprak en zei op gedempten toon, terwijl zij mij de hand gaf: “Ziehier mijn hand, Signor don Cesar; laten wij inplaats van elkaar wederzijds verwijten te doen elkaar ons compliment maken, mijn vriend! Gij hebt je rol meesterlijk gespeeld en ik heb mij van de mijne ook niet slecht gekweten. Gij zult tenminste moeten bekennen dat gij mij gehouden hebt voor een van die lieve adellijke dames, die er een genoegen in hebben een gewaagd stukje uit te halen.”—“Dat is zeer zeker waar,” antwoordde ik, “maar wie ge ook zijn moogt, mijn koningin, ik ben niet van gevoelens veranderd al ziet gij mij onder andere gedaante voor je. Ik smeek je mijn diensten te aanvaarden en laat de kamerbediende van don Mathias voltooien wat don Cesar zoo gelukkig is begonnen.”—“Wel,” antwoordde zij, “ik mag je nog liever in je ware gedaante als anders. Gij zijt een man wat ik als vrouw ben, dat is de grootste lof dien ik je kan geven. Ik neem je dan ook op onder het getal mijner aanbidders en wij hebben dan de tusschenkomst van die oude vrouw niet meer noodig; gij kunt mij hier vrij komen bezoeken. Wij dames van het theater leven zonder dwang en midden tusschen de heeren.” Daarbij bleef het, daar wij niet alleen waren. Het gesprek werd algemeen, levendig en opgewekt en vol duidelijke dubbelzinnigheden. Vooral het kamermeisje van Arsenia, mijn beminnelijke Laura, blonk uit en deed veel meer geest dan deugd blijken. Van hun kant hoorden wij onze heeren zeer dikwijls luid lachen met de tooneelspeelsters, wat deed veronderstellen dat ook zij zich nogal vermaakten. Als men al het moois had opgeschreven, dat dien nacht bij Arsenia werd gesproken, zou men, geloof ik, een zeer leerzaam boek voor de jeugd hebben.

HOOFDSTUK VI

Het onderhoud van eenige heeren over de komedianten van het tooneelgezelschap van den prins.

Dien dag kreeg mijn meester bij zijn ontwaken een briefje van don Alexo Segiar waarin deze hem vroeg bij hem te komen. Wij begaven ons naar hem toe en troffen hem in gezelschap van den markies de Zenette en nog een anderen jongen edelman, die er netjes uitzag en dien ik nog nooit had gezien. Hij werd aan mijn meester voorgesteld door don Segiar als don Pompeio de Castro, een bloedverwant van don Segar. “Hij is bijna van zijn prilste jeugd af aan het hof van Polen. Gisterenavond kwam hij te Madrid en hij gaat morgen weer naar Warschau terug. Hij blijft slechts één dag bij mij en ik wil van dien kostbaren tijd van zijn verblijf profiteeren. Om hem dat verblijf ten mijnent zoo aangenaam mogelijk te maken, heb ik gemeend u en de markies de Zenette hier te moeten laten komen.” Vervolgens omhelsden mijn meester en de bloedverwant van don Alexo elkaar en maakten elkaar een menigte complimenten. Ik was zeer tevreden over hetgeen don Pompeio zeide; hij scheen mij zeer verstandig en schrander.

Wij bleven eten bij don Segiar en de heeren bleven na den maaltijd spelen totdat het theater zou beginnen. Daarna gingen zij gezamenlijk naar het Prinsentheater om de opvoering bij te wonen van een nieuw treurspel, getiteld: “De koningin van Carthiago”. Toen het stuk afgeloopen was, kwamen zij soupeeren ter zelfder plaatse waar zij gedineerd hadden en natuurlijk liep het gesprek in het eerst over het stuk dat zij gezien hadden en daarna over de spelers. “Wat het stuk betreft,” zei don Mathias, “vind ik dat het niet veel bijzonders is: ik vind er de figuur van Alexo nog treuriger dan in de Alcade. Maar wat de uitvoering betreft, deze was meesterlijk. Wat denkt gij er van don Pompeio? Gij schijnt het niet met mij eens te zijn.” “Mijne heeren,” antwoordde de edelman, “ik heb u daareven zoo geestdriftig gezien over de acteurs en vooral over de actrices, dat ik u bijna niet durf bekennen dat ik eene geheele andere meening ben toegedaan dan gij.” “Dat is dan maar goed ook,” zei don Alexo schertsenderwijs, “want uw beoordeeling zou hier al zeer slecht worden ontvangen. Gij moet onze actrices wel respecteeren in aanmerking genomen haar grooten roep van bekwaamheid. Dagelijks drinken wij met hen en wij staan er voor in, dat zij volmaakt zijn; als men het van ons zou verlangen zouden wij volgaarne certificaten van haar geven.” “Ik twijfel hieraan geen oogenblik”, antwoordde zijn bloedverwant, “gij zoudt zelfs certificaten geven van haren levenswandel en hare zeden, zoozeer schijnt gij goede vrienden van haar te zijn.”

—Uwe Poolsche actrices zijn zeker veel beter,” zeide lachende de markies de Zenette.

“Ja zeker,” antwoordde don Pompeio, “zij zijn veel beter. Er zijn er ten minst bij die geen enkel gebrek hebben.” “En kunnen die dan op uwe getuigschriften rekenen?” “Ik heb in ’t geheel geen verbintenissen met haar,” antwoordde don Pompeio. “Ik neem geen deel aan haar zwelgpartijen en ik kan dus een onpartijdig oordeel vellen. Maar gelooft gij werkelijk een uitmuntenden tooneelspelerstroep te bezitten?” ging hij voort.

“Neen,” zei de markies, “dat geloof ik niet en ik wil dan ook slechts een klein getal van hen in bescherming nemen, de overigen zijn mij onverschillig. Zijt ge het er bijvoorbeeld niet mede eens, dat de actrice die voor Dido speelde bewonderenswaardig is? Heeft zij deze koningin niet voorgesteld met allen adeldom en bevalligheid die wij in haar veronderstellen? En hebt gij het niet bewonderd hoe zij den toeschouwer door haar kunst weet te boeien en hem alle hartstochten doet medegevoelen die zij vertolkt? Men kan gerust zeggen dat zij volmaakt is in alle moeilijkheden van de voordracht.”—“Ik ben het met u eens, dat zij iemand weet te treffen en te ontroeren: nooit had eenig tooneelspeelster meer gevoel en het is tevens een mooie verschijning maar toch heeft zij hare gebreken. Twee of drie dingen hebben mij in haar spel gehinderd. Als zij verbazing wil doen blijken dan rolt zij met hare oogen op een overdreven wijze wat zeker niet past voor een prinses. Voeg hierbij nog dat als zij hare van nature zachte stem uitzet, deze hare zachtheid verliest en snijdend wordt. Bovendien leek het mij dat zij in verschillende passages niet goed begreep wat zij zeide. Ik wil liever aannemen dat zij verstrooid was, dan te willen beweren dat zij niet genoeg talent heeft.”

“Zooals ik wel zie,” zei toen don Mathias, “zoudt gij geen al te grooten lof van onze tooneelspeelsters verspreiden.” “Ik bied u wel mijn verontschuldiging,” antwoordde don Pompeio. “Ik ontdek zeer veel talent bij hun vele fouten. Ik voeg hierbij zelfs dat ik genoten heb van de actrice, die voor volgelinge speelde in de tusschenbedrijven. Welk een natuurlijk spel! Met welk een gratie beweegt zij zich. Als zij een aardig gezegde debiteert, doet zij het met een schalkschen glimlach en zoo aanvallig dat men haar daarom ook zou prijzen. Men zou in haar kunnen afkeuren, dat zij soms te veel in vuur geraakt en dat zij de perken der vrijmoedigheid soms te buiten gaat, maar men mag niet alles verlangen. Wat ik echter graag zou zien is dat zij een slechte gewoonte aflegde. Dikwijls midden in een tragische of ernstige scène breekt zij de handeling af door een uitbundig gelach. Gij zult mij zeggen, dat de parterre haar ook in zulke oogenblikken applaudiseert en dat is gelukkig voor haar.”

“En wat denkt gij wel van de acteurs,” viel de markies hem in de rede, “die zullen het zeker wel heel hard te ontgelden hebben, daar gij de vrouwen niet eens spaart”.

“Neen,” antwoordde Pompeio, “ik heb eenige jonge acteurs gezien, die wel wat belooven en ik ben vooral zeer tevreden over dien dikken tooneelspeler, die de rol van Dido’s eersten minister heeft gespeeld. Hij draagt heel natuurlijk voor en zoo doet men het nu juist in Polen.” “Als ge tevreden zijt over hem,” zei Segiar, “dan moet ge toch zeker enthousiast geweest zijn over de personen van Aneas. Schijnt hij u geen groot tooneelspeler, is het geen origineel acteur?” “Zeer origineel,” antwoordde de ander, “hij geeft geluiden die zeer origineel zijn en zeer scherp tevens. Bijna altijd tegen de regels der kunst in brabbelt hij de zinnen waar het op aankomt en legt den klemtoon op de andere. Hij heeft mij werkelijk vermaakt en vooral in de passage waar hij aan zijn vertrouweling de woede mededeelt waarmede hij de prinses verliet; men zou smart niet komischer kunnen voorstellen.” “Neen maar nu nog mooier, mijn waarde heer,” antwoordde don Alexo, “gij zoudt ons haast doen gelooven dat men in Polen niet veel smaak heeft. Weet gij wel dat die acteur waarvan gij spreekt een zeldzaam genie is? Hebt gij dan het applaus niet gehoord? Dat bewijst toch, dunkt mij zoo, dat hij nog zoo heel slecht niet is.”

“Dat bewijst niets,” antwoordde don Pompeio. “Mijne heeren, laten wij nu eens geen rekening houden met het applaus van de parterre; daar worden dikwijls zeer ten onrechte acteurs geapplaudiseerd. De parterre applaudiseert veel zeldzamer een waar kunstenaar dan een schijnkunstenaar, zooals Phedra het ons in een geestige fabel leert. Veroorloof mij dat ik u dit even vertel.

Alle inwoners van een stad waren vergaderd op een groot plein om pantomimes te zien spelen; onder de spelers was er een, dien men telkens applaudiseerde. Deze komiek wilde aan het eind van het stuk met een geheel nieuw tooneel sluiten. Hij verscheen geheel alleen op het tooneel boog, bedekte zijn hoofd met zijn mantel en begon zoo het geschreeuw van een speenvarken na te bootsen. Hij deed dit zoo meesterlijk dat men meende, dat hij er in werkelijkheid een onder zijn kleeren verborgen hield. Men zei hem zijn mantel uit te schudden, wat hij dan ook deed en toen er niets te voorschijn kwam, verdubbelden de toejuichingen van de menigte. Een boer, die onder de toeschouwers stond, ergerde zich aan deze uitingen van bewondering. “Mijne heeren,” riep hij uit, “gij hebt ongelijk met zoo in je schik te zijn over dezen grappenmaker; hij is in ’t geheel niet zoo’n goed acteur als gij wel gelooft. Ik kan veel beter een speenvarken nabootsen dan hij en als ge het niet gelooven wilt, kom dan morgen op hetzelfde uur hier terug.” Het volk kwam den volgenden dag in nog grooter getale en maakte zich natuurlijk gereed den boer uit te fluiten. De beide tegenstanders verschenen op het tooneel. De clown van den vorigen dag begon het eerst en werd nog uitbundiger toegejuicht dan de eerste maal. Toen was het de beurt van den boer, die zich daarop in zijn mantel wikkelde en een werkelijk speenvarken dat hij onder den arm hield aan de ooren begon te trekken, waarom het dier natuurlijk vreeselijk schreeuwde. Toch kenden de toeschouwers den prijs toe aan den acteur en overlaadden den boer met hun gefluit. Plotseling echter vertoonde deze aan de toeschouwers het levende speenvarken en zei: “Mijne heeren, gij fluit niet mij uit, maar het speenvarken zelf. Wat zijt gij kranige rechters!”

—“Mijn waarde vriend,” zei don Alexo, “je fabel is wel een beetje al te kras. Niettegenstaande uw speenvarken geven wij ons echter nog niet gewonnen. Laten wij maar over wat anders praten, want dit begint mij te vervelen. Gij vertrekt dus morgen, hoe graag ik u ook nog langer bij mij zou houden?”—“Ik zou graag nog langer blijven, maar dat kan niet; ik ben naar het Spaansche hof gekomen voor een staatszaak. Ik heb gisteren bij mijn aankomst den eersten minister gesproken; morgenochtend moet ik hem nogmaals bezoeken en even daarna moet ik naar Warschau terugkeeren.”

“Gij zijt dus Pool geworden,” hernam Segiar, “en volgens alle waarschijnlijkheid zult gij niet meer in Madrid komen wonen?” “Dat geloof ik ook niet,” hernam don Pompeio; “ik heb het geluk, dat de koning van Polen aan mij gehecht is en ik heb veel genoegen aan zijn hof; kunt gij echter gelooven dat hoe goed hij ook voor mij is, ik op het punt heb gestaan voor altijd zijn land te verlaten?” “Zoo en hoe kwam dat?” vroeg de markies. “Vertel ons dat eens.” “Zeer gaarne,” antwoordde don Pompeio, “het is tevens mijn eigen geschiedenis, die ik u ga vertellen.”

HOOFDSTUK VII

Geschiedenis van don Pompeyo de Castro.

“Don Alexio,” vervolgde hij, “weet dat ik bij het eind mijner jeugd de wapens wilde opnemen, en daar ons land rustig was, ging ik naar Polen, waaraan de Turken toen juist den oorlog hadden verklaard. Ik deed mij voorstellen aan den koning, die mij een plaats in zijn leger gaf. Ik was een jongste zoon van een der minst rijke edellieden van Spanje, wat mij noodzaakte uit te blinken door daden, die de aandacht van den generaal op mij zouden vestigen. Ik deed zoo goed mijn plicht, dat toen na een vrij langen oorlog de vrede gesloten werd, de koning mij op aanbeveling van den commandeerenden generaal een aanzienlijke rente uitkeerde. Gevoelig voor de edelmoedigheid van den monarch, verloor ik geene gelegenheid hem mijn erkentelijkheid te betuigen door mijne toewijding. Ik was altijd in zijne nabijheid en daardoor ging hij ongemerkt van mij houden en ontving ik nieuwe weldaden.

Toen ik mij eens onderscheidde in een stierengevecht, prees het geheele hof mij; en toen ik overladen met toejuichingen naar huis keerde, vond ik daar een briefje, waarin mij werd medegedeeld dat eene dame, wier verovering mij meer zou vleien, dan alle eer die mij dien dag bewezen was, mij wenschte te spreken, en dat ik slechts bij het aanbreken van den nacht naar een aangewezen plek hoefde te gaan. Deze brief deed mij veel genoegen en ik verbeeldde mij dat het een dame uit den eersten stand moest zijn, die mij dien brief schreef. Gij kunt dus begrijpen dat ik naar het rendez-vous ging. Een oude vrouw, die mij wachtte, bracht mij door een tuindeurtje in een groot huis, sloot mij op in een rijk gemeubeld kabinet en zeide: “Wacht hier dan ga ik mijn meesteres waarschuwen.” Ik bemerkte tal van kostbare zaken en dit versterkte mij ook in de meening, die ik van de dame had. En toen zij verscheen bevestigde zij dit ook door haar edele majestueuze houding. Nochtans was het niet, wat ik dacht.

“Mijnheer de ridder,” zeide zij, “na hetgeen ik gedaan heb zou het nutteloos zijn u te willen verbergen, dat ik teedere gevoelens voor u koester. Meer dan eens heb ik u gezien, ik heb naar u geinformeerd en het goeds, dat men mij van u gezegd heeft, heeft mij doen besluiten mijn neiging te volgen. Geloof echter niet de verovering te hebben gemaakt van een hoogheid; ik ben slechts de weduwe van een eenvoudig officier der koninklijke lijfwacht, maar wat uwe overwinning te roemrijker maakt, is dat ik u de voorkeur geef boven een der grootste edelen van het rijk. Prins Radziwil bemint mij en spaart niets om mij te behagen.”

Hoewel ik uit dit gesprek duidelijk zag, dat ik met een coquette vrouw te doen had, was mij dit avontuur toch zeer welkom. Dona Hortensia was nog in haar eerste jeugd en haar schoonheid verblindde mij. Bovendien bood men mij een hart aan, dat een prins geweigerd was: welk een triomf voor een Spaanschen ridder! Ik zeide haar alles wat een galant man zeggen kan en zij had reden voldaan te zijn over mijne vervoering. Zoo scheidden wij dus als de beste vrienden en kwamen overeen elkander dikwijls te zien. Ik liet dit dan ook niet na en ik werd ten slotte de Adonis van deze nieuwe Venus.

Maar de genoegens des levens zijn niet van eeuwigen duur. Welke maatregelen de dame ook nam om mijn mededinger onkundig te laten van onze samenkomsten, hij vernam het toch. Deze heer, die van nature zeer edelmoedig was doch trots, jaloersch en driftig, was erg verontwaardigd over mijne vermetelheid. De toorn en jaloezie verwarden zijn verstand en slechts zijn woede gehoorzamend, besloot hij zich op eene infame manier te wreken. Op een nacht, dat ik bij Hortensia was, wachtte hij mij op aan de tuindeur met al zijne lakeien, met stokken gewapend. Zoodra ik buiten kwam, liet hij mij grijpen en zeide: “Sla toe, laat die vermetele bezwijken onder uw slagen, zoo zal ik zijn onbeschoftheid straffen”. Hij had deze woorden niet uitgesproken of zij vielen mij allen tegelijk aan en sloegen mij zoo dat ik bewusteloos bleef liggen.

Bij het aanbreken van den dag gingen eenige menschen voorbij, die ziende dat ik nog ademhaalde, zoo menschlievend waren mij naar een chirurgijn te dragen. Bij geluk waren mijn wonden niet doodelijk en viel ik in handen van een bekwaam man, die mij in twee maanden volkomen genas. Daarna keerde ik aan het hof terug en nam mijn vorige bezigheden weder op, met dit verschil, dat ik niet meer naar Hortensia ging en zij van haar kant deed ook geen poging mij weer te zien, daar de prins haar tegen dezen prijs haar ontrouw had vergeven.

Daar iedereen mijn avontuur kende en ik niet voor een lafaard doorging, verwonderde men zich mij zoo kalm te zien als ware ik niet beleedigd geworden, want ik zeide niet wat ik dacht en scheen geen wrok te gevoelen. Men wist niet wat te denken van deze ongevoeligheid. De koning wantrouwde mijn kalmte en dacht dat het slechts de stilte was die aan den storm voorafging en dat ik niet zou nalaten mij te wreken zoodra ik een gunstige gelegenheid zou vinden. Om te zien of dit zoo was, liet hij mij eens bij zich komen en zeide: “Don Pompeyo, ik weet welk ongeluk u is overkomen en ik moet bekennen dat uw kalmte mij verrast, gij verbergt zeker wat.” “Sire,” antwoordde ik, “ik weet niet wie me beleedigd heeft; ik ben des nachts aangevallen door onbekende personen; dat is een ongeluk waarover ik mij wel dien te troosten.” “Neen, neen,” hernam de koning, “ik wil geen dupe zijn van uwe voorwendsels, men heeft mij alles gezegd, Prins Radziwil heeft u doodelijk beleedigd. Gij zijt edelman en Spanjaard, ik weet waartoe die twee eigenschappen u verplichten; gij hebt besloten u te wreken. Deel mij in vertrouwen mede waartoe gij besloten hebt, ik wil het. Vrees niet uw vertrouwen te moeten berouwen.”

“Daar uwe majesteit het beveelt,” antwoordde ik, “moet ik hem mijne gevoelens bloot leggen. Ja heer, ik denk er aan mij te wreken. Gij weet welk een onwaardige behandeling hij mij heeft doen ondergaan. Ik zal den prins een dolk in de borst steken of hem neerschieten en vervolgens de wijk naar Spanje nemen. Ziedaar mijn plan.”

“Het is kras,” zei de koning, “doch ik kan het niet veroordeelen na de wreede behandeling die Radziwil u heeft aangedaan. Hij is de straf waard, die gij voor hem gereed houdt. Maar voer uw plan voorloopig nog niet uit; laat mij iets zoeken, dat u tevreden stelt en hem straft.”—“Heer,” riep ik treurig uit, “waarom hebt gij mij genoodzaakt mijn geheim te openbaren. Wat kan....—“Als ik niets vind dat u tevreden stelt,” viel hij mij in de rede, “dan kunt gij doen wat gij besloten hebt. Ik ben niet voornemens misbruik van uw vertrouwen te maken en zal uw eer niet verraden; wees daaromtrent gerust.”

Ik was tamelijk nieuwsgierig te weten hoe de koning deze zaak in der minne dacht te schikken; ziehier hoe hij dat ten uitvoer bracht. Hij onderhield mijn mededinger in het geheim. “Prins,” zeide hij, “gij hebt don Pompeyo de Castro beleedigd. Gij weet dat hij een man van aanzienlijke geboorte is, een ridder van wien ik houd en die mij goed gediend heeft. Gij zijt hem een voldoening schuldig.”—“Ik ben niet voornemens hem die te weigeren,” antwoordde de prins. “Als hij zich over mijn drift beklaagt, dan ben ik bereid hem met de wapens voldoening te geven.”—“Er is een ander eerherstel noodig,” hernam de koning, “een Spaansch edelman verstaat de eer te goed, om te willen vechten met een laffen sluipmoordenaar. Ik kan u niet anders noemen en gij zoudt de onwaardigheid van uw handelwijze niet anders kunnen uitwisschen dan door zelf uw vijand een stok aan te bieden en u bloot te stellen aan zijn slagen.”—“Mijn hemel!” riep mijn mededinger uit, “gij wilt, sire, dat een man van mijn rang zich verlage en vernedere, voor een eenvoudig ridder en dat hij zelfs stokslagen van dien man moet ontvangen!”—“Neen,” hernam de monarch, “ik zal don Pompeyo mij doen beloven dat hij u niet slaan zal. Vraag hem alleen vergiffenis voor uw heftigheid en bied hem den stok aan; dat is alles wat ik van u verlang.”—“Dan verwacht gij te veel van mij, sire,” viel Radziwil bruusk in de rede, “liever stel ik mij bloot aan de verborgen lagen die zijn wraakzucht voorbereidt.”—“Uwe dagen zijn mij kostbaar,” zeide de koning, “en ik wilde, dat deze zaak geen slechte gevolgen had. Om haar minder onaannemelijk voor u te maken, zal ik de eenige getuige zijn van die voldoening die ik u beveel den Spanjaard te geven.”

De koning moest al zijn overwicht aanwenden om van den prins te verkrijgen dat hij zulk een vernederenden stap deed. Hij slaagde er echter in en zond vervolgens om mij. Hij vertelde mij het onderhoud dat hij met mijn vijand had gehad en vroeg mij of ik tevreden zou zijn met de voldoening die zij beiden waren overeengekomen. Ik antwoordde van ja, en ik gaf mijn woord dat ik verre van mijn beleediger te zullen slaan, niet eens den stok zou aannemen. Toen dit aldus geregeld was, bevonden de prins en ik ons op zekeren dag bij den koning in zijn kabinet, dat hij achter ons sloot. “Radziwil,” zeide hij, “erken uw misslag en maak dat men u vergeven kan!” Mijn vijand bood toen zijn verontschuldigingen aan en bood mij een stok aan. “Don Pompeyo,” zeide nu de monarch tot mij, “neem den stok en laat mijn tegenwoordigheid u niet verhinderen uw vijand te slaan.”—“Neen heer,” antwoordde ik, “het is voldoende dat hij wil toelaten stokslagen te ontvangen: een beleedigde Spanjaard vraagt niet meer.”—“Welnu!” hernam de koning, “daar deze satisfactie u voldoende is, kunt gij thans beiden tot den regel overgaan. Meet uwe degens om dezen twist edel te beëindigen.” “Dat wensch ik uit alle macht,” riep de prins bruusk uit, “en dat alleen is in staat mij te troosten over den schandelijken stap, dien ik zooeven gedaan heb!”

Bij deze woorden vertrok hij vol woede en twee uren later liet hij mij weten dat hij mij op een afgelegen plek wachtte. Ik ging er heen en vond hem bereid goed van zich af te slaan. “Laten wij hier ons verschil uitmaken,” zei don Pompeyo. Hij viel eerst zeer levendig naar mij uit, maar ik had het geluk al zijn slagen te weren. Ik viel op mijn beurt uit; ik voelde dat ik te doen had met iemand die zich even goed wist te verdedigen als uit te vallen en ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als hij niet een verkeerden stap had gedaan bij het terugwijken en op zijn rug was gevallen. Ik hield dadelijk op en zeide hem op te staan. “Waarom spaart gij mij?” antwoordde hij, “uw medelijden beleedigt mij.”—“Ik wil geen gebruik maken van uw ongeluk, dat zou mijn roem benadeelen. Nogmaals: sta op en laat ons onzen strijd voortzetten.”

“Don Pompeyo,” zeide hij opstaand, “na deze edelmoedigheid staat de eer mij niet toe nog tegen u te vechten. Wat zou men van mij zeggen als ik u het hart doorboorde? Ik zou doorgaan voor een lafaard, als ik het leven ontnam van een man, die het mijne had kunnen nemen. Ik voel dat ik u erkentelijk moet wezen. Don Pompeyo,” vervolgde hij, “laat ons ophouden elkander te haten. Laat ons verder gaan en vrienden wezen.” “Goed,” riep ik uit, “ik neem met vreugde zulk een aangenaam voorstel aan. Ik bied u mijn oprechte vriendschap en om te beginnen u daar bewijzen van te geven, beloof ik u geen voet meer bij dona Hortensia in huis te zetten, als zij mij mocht willen weerzien.”—“Integendeel, ik sta u deze dame af; het is rechtvaardiger dat ik haar aan u overlaat, daar zij eene natuurlijke neiging voor u gevoelt.”—“Neen, neen,” wierp ik hem tegen, “gij bemint haar, de goedheid die zij mij zou bewijzen, zou u pijn doen; ik offer deze op aan uw rust.” “Al te edelmoedige Castiliaan,” hernam Radziwil, mij in zijne armen drukkend, “uwe gevoelens veroveren mij, welk een wroeging doen zij in mijn ziel ontstaan! Met welk een schande herinner ik mij de behandeling, die ik u heb aangedaan! In dit oogenblik schijnt de voldoening die ik u gegeven heb, mij al zeer gering toe. Ik wil die beleediging beter herstellen en om de laagheid ervan geheel uit te wisschen, bied ik u een van mijn nichten ten huwelijk over wier hand ik beschikken kan. Het is een rijke erfgename van 15 jaar en uitermate schoon.”

Ik maakte den prins toen alle complimenten passend bij de eer, in zijne familie te treden, en weinige dagen later trouwde ik zijn nicht. Sedert dien tijd, mijne heeren, leef ik aangenaam in Warschau; mijn echtgenoote bemint mij en ik ben nog op haar verliefd. Prins Radziwil geeft mij alle dagen nieuwe betuigingen van vriendschap en ik durf mij er op beroemen bij den koning van Polen een wit voetje te hebben. Het belang van de reis, die ik op zijn bevel naar Madrid doe, is een blijk van zijn achting.”

HOOFDSTUK VIII

Waarom Gil Blas een nieuwe betrekking moest zoeken.

Het was de geschiedenis van don Pompeyo, die de lakei van don Alexio en ik mede aanhoorden, hoewel men de voorzorg had genomen ons weg te zenden voor hij begon. Inplaats van heen te gaan, waren wij aan de deur blijven staan, die wij op een kier hadden gelaten en wij hadden geen woord verloren. Markies de Zenette en mijn meester omhelsden don Pompeyo, die vroeg ter ruste wilde gaan en lieten hem alleen met zijn bloedverwant.

Bij het ontwaken belastte don Mathias mij met een nieuwe opdracht. “Gil Blas,” zei hij, “neem papier en inkt om drie brieven te schrijven, die ik je zal dicteeren; ik maak je hierbij tot mijn secretaris.”—“Mooi zoo,” zei ik tot mij zelf, “dat geeft al meer werk. Als lakei volg ik mijn meester overal; als kamerdienaar moet ik hem kleeden en nu word ik nog zijn secretaris. Ik zal voortaan als een drievoudige Hecata drie personen tegelijk vertegenwoordigen.”—“Gij weet nog niets,” ging hij voort, “van mijn plan. Ziehier wat het is, maar wees bescheiden, want je leven hangt er van af. Daar ik soms menschen ontmoet, die hoog opgeven van hun gelukkig gesternte, wil ik, om hen den loef af te steken, valsche brieven van trouw in mijn zak hebben, die ik hun dan voorlezen zal. Dit zal mij een weinig verstrooiing geven en ik zal gelukkiger zijn dan zij, want zij zullen hun veroveringen overal rondbazuinen, maar er ook veel moeite voor hebben moeten doen, terwijl ik er niets voor gedaan zal hebben. Maar gij moet je handschrift verdraaien, opdat al die brieven niet van één hand zullen lijken.”

Ik nam dus papier, pen en inkt en zette mij neer om don Mathias te gehoorzamen, die mij allereerst het volgende minnebriefje dicteerde: “Gij zijt dezen nacht niet op de aangegeven plaats geweest. O, don Mathias, wat zult gij ter uwer verontschuldiging kunnen zeggen? Wat heb ik mij vergist en wat straft gij mij hevig voor mijn ijdelheid een oogenblik geloofd te hebben dat alle bezigheden en vermaken van de wereld moesten plaats maken voor het genot van dona Clara de Mendoce te zien!” Na dit briefje liet hij mij een ander schrijven van een vrouw, die een prins voor hem opofferde en ten slotte nog een derde, waarin een dame hem hare liefdesblijken beloofde als zij er op vertrouwen kon, dat hij bescheiden zou zijn. Hij was niet alleen tevreden met mij de brieven te laten schrijven, maar hij liet ze zelfs met namen onderteekenen van adellijke dames. Ik kon niet nalaten op te merken, dat ik dit zeer gewaagd vond, maar hij verzocht mij mijne raadgevingen te bewaren totdat hij er om zou vragen. Ik moest dus wel zwijgen en zijn bevelen uitvoeren. Toen dit afgeloopen was, stond hij op en ik hielp hem met het kleeden. Hij stak de brieven in zijn zak en ging uit. Ik volgde hem en wij gingen dineeren bij don Juan de Moncado, die dien dag vijf of zes van zijn vrienden onthaalde.

Men deed zich er flink te goed en de vreugde, die de beste gast is voor den maaltijd, regeerde er. Alle gasten droegen er toe bij de conversatie op te vroolijken, eenigen vertelde anecdoten, anderen geschiedenissen, waarvan zij zelven natuurlijk de helden waren. Mijn meester liet zoo’n mooie gelegenheid natuurlijk niet ongebruikt om met de brieven te geuren, die ik geschreven had. Hij las ze hardop voor en dat met zoo’n ernst, dat misschien alle gasten er de dupe van waren, behalve de secretaris en hij zelf. Onder de gasten, wie hij ze voorlas, was een zekere don Lopez de Valesco. Deze, een zeer ernstig man, lachte niet om de beweerde gelukkige liefdesavonturen, doch vroeg hem kalm, of de verovering van dona Clara hem veel moeite had gekost. “Bijna niets,” antwoordde don Mathias, “integendeel zij heeft alle mogelijke toenadering zelf gedaan”. Zij zag mij op de wandeling en ik behaagde haar terstond. Zij liet mij nagaan en onderzoeken wie ik was. Zij schreef mij toen en gaf mij rendez-vous bij zich aan huis op een uur in den nacht toen allen in huis sliepen.... Ik ben al te discreet om u de rest mede te deelen.”

Op het hooren van deze lakonieke toelichting verschoot signor de Valesco van kleur. Het was niet moeilijk te zien hoezeer hij belang stelde in de dame waarvan sprake was. “Al die brieven,” zei hij tot mijn meester, hem woedend aanziende, “zijn valsch en zeker niet het minst, die van dona Clara de Mendoce. In geheel Spanje is er geen zediger meisje dan zij. Sinds twee jaar doet een edelman, zeker niet uw mindere in geboorte en persoonlijke verdienste, alle moeite om zich door haar te doen beminnen. Hij heeft nog nauwelijks de kleinste gunst ontvangen, maar hij mag zich vleien dat als zij die gaf, ze slechts voor hem zouden zijn.”—“Welnu! wie zegt u het tegenovergestelde?” viel don Mathias hem schertsenderwijze in de rede. “Ik ben het geheel met u eens, dat zij een zeer deugdzaam meisje is. Ik van mijn kant ben een zeer oppassend mensch. Gij kunt er dus van overtuigd zijn, dat er niets oneerbaars tusschen ons beiden is gebeurd.”—“Dat is te erg,” riep don Lopez uit, “spot er niet langer mee. Je bent een gemeene lasteraar. Nooit heeft dona Clara je ’s nachts een rendez-vous gegeven. Ik mag niet dulden, dat gij haar goeden naam bekladt. Ik ben van mijn kant te bescheiden u de rest te zeggen.” Toen hij deze woorden zeide, brak hij de vriendschap af ten aanzien van het geheele gezelschap en trok zich terug op een wijze, die mij deed oordeelen, dat dit muisje nog wel eens een staartje kon hebben. Mijn meester, die dapper genoeg was voor een edelman van zijn karakter, minachtte de bedreigingen van don Lopez. “Wat een fat,” barstte hij in lachen uit. “De dolende ridders verdedigen de schoonheid van hun maitresse, maar hij wil de braafheid van zijn maitresse staande houden, wat mij nog zonderlinger voorkomt.”

De aftocht van Valesco, waartegen Moncado zich tevergeefs had trachten te verzetten, verstoorde geenszins de feestvreugde. De edellieden sloegen er niet veel acht op en gingen voort zich te vermaken en scheidden eerst bij het aanbreken van den dag. Ik was doodop van den slaap en ik dacht eens lekker te gaan slapen, maar ik rekende buiten den waard, of beter gezegd buiten den portier, die mij een uur later kwam wekken om te zeggen, dat er een jongen aan de deur op mij wachtte om mij te spreken. “Vervloekte portier,” riep ik geeuwende, “denk je er dan niet aan, dat ik pas te bed lig? Zeg aan dien jongen, dat ik slaap en dat hij maar later terug moet komen,”—“Hij wil u nu op dit oogenblik spreken en zegt, dat de zaak dringend is.”—Bij deze woorden stond ik op, trok alleen mijn broek en wambuis aan en ging al vloekende naar den jongen, die mij wachtte.—“Mijn vriend,” zei ik, “zeg mij nu maar drommels gauw welke dringende zaak mij het genoegen verschaft van je bezoek zoo vroeg in den morgen.”—“Ik heb een brief, dien ik aan don Mathias persoonlijk moet overhandigen en dien hij terstond moet lezen, daar hij voor hem van het hoogste gewicht is. Ik verzoek u dus mij in zijn kamer toe te laten.” Daar ik meende, dat het een belangrijke zaak was, ging ik mijn meester roepen.—“Pardon,” zei ik, “ik zou uw rust niet gestoord hebben, maar het betreft een zaak van gewicht.”—“Wat moet je van mij?” viel hij mij norsch in de rede.—“Mijnheer,” zei toen de jongen, die met mij was gekomen, “ik heb u een brief, te overhandigen van don Lopez de Valesco.” Don Mathias nam het briefje, opende het en na het gelezen te hebben, zei hij tot den bediende van don Lopez: “Mijn beste jongen, ik heb de gewoonte nooit voor twaalf uur op te staan, al bood men mij ook het grootste genoegen aan. Gij kunt dus begrijpen, dat ik niet veel lust gevoel om om zes uur des morgens op te staan om te duelleeren! Neen mijn waarde, ik heb mijn gezondheid te lief en houd te veel van mijn slaap om zulk een dwaasheid te begaan. Zeg aan je meester, dat als hij om half een nog op de aangewezen plaats kan komen, wij elkaar daar zullen ontmoeten.” Toen hij dit gezegd had, trok hij zijn dekens over zich heen en ging weer kalm slapen.

Tegen half twaalf stond hij op en kleedde zich aan; vervolgens ging hij uit en zeide dat ik hem niet behoefde te volgen. Ik was echter te nieuwsgierig om te weten hoe het zou afloopen, zoodat ik het toch deed. Ik volgde hem tot op het St. Jeromeplein, waar ik don Lopez de Valesco reeds zag wachten. Ik verborg mij om beiden te kunnen bespieden. Zij ontmoetten elkaar en weldra waren zij aan het vechten. Het gevecht duurde zeer lang, zij vielen beurtelings met veel kracht en behendigheid op elkaar aan. De overwinning bleef echter aan de zijde van don Lopez, die op een gegeven oogenblik mijn meester doorstak en zeer tevreden wegging nu hij zich zoo schitterend had gewroken. Ik liep naar den ongelukkigen don Mathias en vond hem buiten kennis en bijna levenloos ter aarde liggen. Dit schouwspel ontroerde mij en ik kon niet nalaten te weenen over zoo’n tragischen dood, waartoe ik zelf had medegewerkt. Niettegenstaande mijn smart, dacht ik toch aan wat er gedaan moest worden en wel allereerst aan mijzelf. Ik keerde terstond naar huis terug, maakte er een pakje van mijn kleeren en nam bij vergissing wat kleeren mede van mijn meester. Toen ik dat alles bij den barbier had gebracht, bij wien ook mijn bedelaarsplunje nog was, verspreidde ik het bericht van het treurig schouwspel, waarvan ik zoo juist getuige was geweest, in de stad. Ik vertelde het aan allen die het maar wilden hooren en allereerst aan don Gregorius Rodriguez. Hij was minder bedroefd dan wel ontstemd, omdat hij in verband met dit treurig einde allerlei maatregelen moest nemen, wat mij deed veronderstellen dat mijn meester zeker reeds bijna geruineerd was. Hij verzamelde de bedienden en beval hen hem te volgen naar het St. Jeromeplein. Wij namen don Mathias op, die nog leefde, maar drie uur later den laatsten adem uitblies.

Dit was het einde van don Mathias de Silva, die het gewaagd had valsche minnebriefjes te lezen op een ongeschikt oogenblik.