VIERDE BOEK

HOOFDSTUK I

Daar Gil Blas zich niet kan gewennen aan de zeden der tooneelspelers, verlaat hij den dienst van Arsenia en vindt een fatsoenlijker huis.

Een restje eer en godsdienst, dat ik nog overgehouden had te midden van de zoo verdorven zeden, deed mij besluiten niet alleen Arsenia te verlaten, maar zelfs alle gemeenschap met Laura af te breken, hoewel ik niet ophield haar te beminnen, ofschoon ik wel wist, dat zij mij duizend maal bedrogen had. Gelukkig hij, die aldus kan profiteeren van de verstandige oogenblikken, welke het genot, waaraan hij zich al te zeer overgeeft, komen verontrusten. Op zekeren morgen pakte ik mijn biezen zonder af te rekenen met Arsenia, die mij trouwens bijna niets schuldig was en zonder afscheid te nemen van Laura. De hemel beloonde mij al dadelijk voor deze goede daad. Ik ontmoette den intendant van wijlen mijn meester, don Mathias, en deze vroeg mij, toen hij mij herkende, waar ik thans was. Ik vertelde hem, dat ik Arsenia verlaten had om mijn onschuld te redden. De intendant prees mijn onbedorvenheid, alsof hij zelf ook zoo dacht, en zeide, dat hij mij een voordeelige betrekking wilde bezorgen, daar ik een jongmensch was met veel eergevoel. Hij kwam zijn belofte na en van dien dag af kwam ik bij don Vincent de Guzmann.

Ik had geen beter huis kunnen vinden. Don Vincent was een zeer rijk man, die sedert verscheidene jaren gelukkig leefde zonder proces en zonder vrouw. Deze laatste hadden de geneesheeren weggenomen, door haar te willen bevrijden van een hoest, die zij nog lang had kunnen houden, als zij hunne geneesmiddelen niet had genomen. Inplaats van aan hertrouwen te denken, wijdde hij zich geheel aan de opvoeding van Aurora, zijn eenige dochter, die destijds twintig jaar oud was en kon doorgaan voor een volmaakt persoontje: aan een buitengewone schoonheid paarde zij uitstekende vermogens. Haar vader had weinig verstand, maar bezat het talent zijn zaken goed te beheeren. Hij had een gebrek, dat men aan oude heeren moet vergeven; hij hield van praten en wel voornamelijk over veldslagen en oorlogen. Wanneer men in zijn bijzijn dit thema aanroerde, kwam hij op zijn stokpaardje en de toehoorders konden zich gelukkig achten wanneer zij er met het relaas van twee belegeringen en drie veldslagen afkwamen. En daar hij twee derden van zijn leven in dienst had doorgebracht, was hij onuitputtelijk in herinneringen van verschillende feiten, welke ik met even groote gretigheid aanhoorde als waarmede zij verteld werden. Overigens heb ik nog nooit een heer gezien met zulk een goed karakter, altijd het zelfde humeur, nooit koppig of grillig, ik bewonderde zulks in een man van stand. Er waren verscheidene bedienden en drie vrouwen van Aurora. Ik zag weldra dat de intendant van don Mathias mij een goeden post had bezorgd, en ik wilde er blijven. Ik begon het terrein te verkennen, bestudeerde de gewoonten van den een zoowel als van den ander. Ik regelde mijn gedrag daarnaar en kwam zoodoende in de gunst van mijn meester zoowel als van de dienaren.

Ik was reeds een maand bij don Vincent, toen ik meende te bespeuren, dat zijne dochter meer opmerkzaamheid schonk aan mij dan aan de overige bedienden. Telkens als zij mij aanzag, meende ik in haar oogen een soort welgevallen op te merken, dat er niet in was wanneer zij de overigen aankeek. Indien ik niet had omgegaan met tooneelspeelsters, zou ik nooit op het denkbeeld zijn gekomen mij te verbeelden dat Aurora aan mij dacht, maar ik was bij deze dames, waarvan zelfs de voornaamste niet kieskeurig zijn, een weinig verwend. Wie weet, redeneerde ik, of mijne meesteres niet is als een van die dames van stand, die er somtijds een bijzondere neiging op na houden. Maar, voegde ik er een oogenblik later aan toe, ik kan het niet aannemen. Zij is niet een van die Messalina’s, die de trots van hun geboorte afschuddend, onwaardig haar blikken neerslaan tot in het stof, en zonder blozen zich onteeren: zij is eerder eene dier deugdzame maar teedere meisjes, die tevreden met de grenzen, welke haar deugd aan haar teederheid voorschrijft, er niets in zien een zedigen hartstocht zelve te voeden en bij anderen te veroorzaken, die even aangenaam als ongevaarlijk is.

Aldus oordeelde ik over mijne meesteres, zonder precies te weten waaraan ik mij moest houden. Evenwel als zij mij zag, liet zij niet na mij toe te lachen en hare blijdschap te betuigen. Zoo kwam het, dat ik dacht dat Aurora zeer tevreden was over mijne deugden en ik beschouwde mij slechts als een dier gelukkigen voor wie de liefde de onderhoorigheid zoo veraangenaamt. Om eenigermate het goede, dat mijn gesternte mij wilde verschaffen, waardig te zijn, begon ik meer zorg aan mijn persoon te besteden dan tot dusverre het geval was. Het eerste wat ik ’s morgens deed, was mij kappen en parfumeeren om niet en négligé te zijn als ik voor mijne meesteres moest verschijnen en zoo besteedde ik aan linnen, pommade en essences al het geld dat ik bezat. Door deze oplettendheden en door wat ik nog meer deed om mij te behagen, vleide ik mij, dat mijn geluk niet verre meer was. Onder de vrouwen van Aurora was er eene, die Ortis heette. Het was eene oude heks, die reeds langer dan 20 jaar bij don Vincent diende. Zij had zijne dochter opgevoed en vervulde nog de betrekking, maar zonder de lasten daarvan te dragen. Integendeel: waar zij vroeger het doen en laten van Aurora aan den dag had gebracht, deed zij thans alle mogelijke moeite om het te verbergen. Zij bezat het volkomen vertrouwen van Aurora. Op zekeren avond zei juffrouw Ortis tegen mij, toen wij alleen waren, dat indien ik verstandig en bescheiden was, ik mij om twaalf uur in den tuin moest bevinden, waar men mij dingen zou mededeelen, welke ik gaarne zou willen hooren. Ik antwoordde de duenna, terwijl ik haar de hand drukte, dat ik niet zou mankeeren. Ik twijfelde niet of ik had bij de dochter van don Vincent teedere gevoelens opgewekt en ik voelde een vreugde, welke ik ternauwernood kon verbergen. Wat viel mij de tijd lang tot aan het avondeten en daarna tot het naar bed gaan van mijn meester.

Het scheen mij toe alsof alles dien avond buitengewoon lang duurde. Tot overmaat van ramp begon don Vincent, eenmaal in zijn vertrekken, over zijn veldslagen in Portugal, waarmede hij mij reeds dikwijls had gekweld. Maar wat hij nog nooit gedaan en voor dezen avond bewaard had, hij noemde mij alle officieren, die zich hadden onderscheiden; hij vertelde mij zelfs hun heldendaden.

Het kostte mij heel wat om tot het einde te luisteren. Eindelijk hield hij echter op en ging slapen waarna ik naar mijn kamertje ging waar mijn bed stond en van waar men langs een wenteltrap in den tuin kon komen. Ik wreef mijn geheele lichaam met pommade in, nam een schoon hemd na het te hebben geparfumeerd en toen ik niets had vergeten, waardoor ik meende mijne meesteres aangenaam te kunnen zijn, ging ik naar het rendez-vous.

Ik vond Ortis niet. Ik dacht dat zij het wachten moede, weer naar hare kamer was gegaan. Ik was woedend op don Vincent en terwijl ik zijn campagnes vervloekte hoorde ik het tien uur slaan. Ik dacht, dat de klok in de war was, en dat het zeker reeds tegen één uur liep. Ik vergiste mij evenwel want een goed kwartier later hoorde ik een andere klok ook tien uur slaan. Goed, zei ik in mijzelf, ik heb nog twee uur tijd. Men zal zich tenminste niet over mijn gebrek aan nauwgezetheid beklagen. Ik zal hier maar op en neer blijven loopen en de rol overdenken welke ik moet spelen; deze is nieuw voor mij. Ik weet hoe men het aanlegt met grisetten en tooneelspeelsters. Gij behandelt haar familiair en gij stort u ongegeneerd in het avontuur; bij iemand van stand is een ander optreden vereischt. Het is naar mijne meening noodig, dat de minnaar beleefd, welwillend, teeder en eerbiedig is, zonder evenwel bedeesd te zijn. In plaats van zijn geluk te willen verhaasten door bruusk optreden, moet hij het hebben in een oogenblik van zwakheid. Aldus redeneerde ik en ik besloot deze gedragslijn ten opzichte van Aurora te volgen. Ik stelde mij voor binnen weinig tijd het genoegen te smaken mij aan de voeten van deze dame te werpen en haar duizend hartstochtelijke woorden toe te voegen. Ik herinnerde mij alle plaatsen uit onze tooneelstukken, waarvan ik mij in ons onderhoud zou kunnen bedienen. Ik dacht ze goed te pas te kunnen brengen en hoopte dat ik evenals sommige tooneelspeelsters van mijne kennis zou doorgaan voor geestig, ofschoon ik slechts een goed geheugen had. Aldus kortte ik mij den tijd en eindelijk sloeg het middernacht. Eenige oogenblikken daarna verscheen even stipt, maar minder ongeduldig juffrouw Ortis. “Sinjeur Gil Blas,” zei ze, “hoe lang is u hier reeds?” “Twee uur”. “Zoo werkelijk,” zei zij lachend, “u is wel op tijd, het is een genoegen u ’s nachts een rendez-vous te geven. Inderdaad,” voegde zij er ernstig bij, “kunt gij het geluk, dat ik u ga meedeelen niet te duur betalen. Mijne meesteres wil een particulier onderhoud met u hebben en gelastte mij u bij haar te brengen. Meer zeg ik niet, het overige is een geheim, dat gij uit haar eigen mond zult vernemen. Volg mij, ik zal u voorgaan.” Bij deze woorden nam de duenna mij bij de hand en leidde mij door eene kleine deur in de kamer harer meesteres.

HOOFDSTUK II

Hoe Aurora Gil Blas ontving en welk onderhoud zij samen hadden.

Ik vond Aurora in nachtgewaad; dat deed mij genoegen. Ik groette haar zeer eerbiedig met alle bevalligheid waarover ik kon beschikken. Zij ontving mij met een lachend gelaat, liet mij naast haar plaats nemen en tot mijn onuitsprekelijk genoegen zond zij haar afgezant naar eene andere kamer om ons alleen te laten. Hierna sprak zij aldus:

“Gil Blas, gij hebt zeker wel bemerkt, dat ik u mag lijden en u bevoorrecht boven alle andere bedienden van mijn vader; en wanneer mijn blikken u nog niet genoeg hebben gezegd, zal de stap welken ik thans doe daaromtrent geen twijfel meer laten.”

Ik gaf haar geen tijd meer te zeggen. Als man meende ik aan haar kuischheid de moeite van eene nadere uitlegging te moeten besparen. Ik stond op en mij aan de voeten van Aurora werpende als een theaterheld voor zijne prinses, riep ik op declamatischen toon uit: O, mevrouw, heb ik goed gehoord, zou het mogelijk zijn dat Gil Blas, tot dusver de speelbal der fortuin, het geluk had u gevoelens van liefde in te boezemen?”—“Spreek niet zoo luid,” viel mijne meesteres mij lachend in de rede: “gij zult mijne vrouwen wekken, welke hiernaast slapen. Sta op, ga weer zitten en hoor mij aan zonder mij in de rede te vallen. Ja, Gil Blas,” zei ze weer ernstig wordend, “ik heb het goed met je voor en om te toewijzen dat ik je hoogacht zal ik je een geheim openbaren waarvan mijn levensrust afhangt.

Ik bemin een jongen schoonen ridder van goede geboorte. Hij heet don Louis Pacheco. Soms zie ik hem op de wandeling, maar heb hem nog nooit gesproken. Ik weet zelfs niet of hij goede of slechte eigenschappen bezit. En daarom heb ik iemand noodig, die zorgvuldig een en ander onderzoekt en mij een trouw rapport uitbrengt. En voor dat doel heb ik u uitgekozen en hoop, dat gij behendig en kiesch u van deze taak zult kwijten.”

Mijne meesteres hield op om te hooren wat ik daarop antwoordde. Ik was eerst een weinig onthutst over de verandering, maar herstelde mij en de teleurstelling overwinnend, welke steeds het gevolg is van misplaatste stoutmoedigheid, betuigde ik haar zooveel ijver dat, al kon ik niet meer verbergen, dat ik mij met een dwaze hoop gevleid had, zij ten minste wist, dat ik eene onbezonnenheid wist te herstellen. Ik vroeg haar twee dagen om over don Louis rapport uit te brengen. Hierna verscheen juffrouw Ortis weer, geroepen door hare meesteres, die mij in den tuin bracht en mij spottend toevoegde: “Bonsoir, Gil Blas; ik behoef u niet aan te sporen op tijd op de afgesproken plaats te zijn, ik ken al te goed uwe nauwgezetheid op dat punt.”

Ik keerde terug naar mijn kamer, niet zonder eenige spijt in mijne verwachting bedrogen te zijn. Ik wist mij echter te troosten met de gedachte, dat het beter is de vertrouwde te zijn van mijne meesteres dan haar minnaar. Ik overdacht dat dit mij iets zou kunnen aanbrengen, dat de “courtiers d’amour” gewoonlijk goed voor hunne moeite worden betaald en ik ging slapen, besloten om te doen wat Aurora van mij verlangde. Ik vertrok den volgenden dag en de woning van een heer als don Louis bleek niet moeilijk te vinden. Den tweeden dag van mijn onderzoek was ik zoo gelukkig iemand te ontmoeten dien ik kende en wij maakten een praatje. Op dat oogenblik ging een zijner vrienden voorbij, die vertelde door don Joseph Pacheco, vader van don Louis, te zijn weggejaagd omdat hij een vaatje wijn zou hebben opgedronken. Ik liet deze goede gelegenheid niet voorbijgaan en vernam alles wat ik wenschte te weten en ging opgeruimd naar huis, tevreden omdat ik mijn belofte aan mijne meesteres kon houden. Ik moest haar dien nacht rapport uitbrengen op dezelfde manier als den eersten keer. Ik was echter lang niet zoo ongeduldig en verre van mij te vervelen met het gebabbel van mijn ouden meester, bracht ik zelf het gesprek op zijn veldtochten. Eerst toen ik verscheidene klokken twaalf uur had hooren slaan, ging ik naar den tuin zonder mij te parfumeeren, of met pommade in te wrijven.

Ik vond de dienares aanwezig, die mij schertsend verweet, dat ik reeds van mijn ijver had ingeboet. Ik antwoordde niet en ik liet mij naar het vertrek van Aurora brengen, die mij terstond vroeg, of ik wat van don Louis wist te vertellen. “Ja, mevrouw,” antwoordde ik “allereerst diene, dat hij op ’t punt staat naar Salamanca terug te keeren om zijn studiën te voltooien. Naar men mij gezegd heeft, is het een jong edelman, een en al eergevoel en rechtschapenheid. Ook aan moed ontbreekt het hem, als Castiliaansch edelman, geenszins. Daarbij is hij geestig en heeft aangename manieren, maar wat u misschien minder zal bevallen, maar wat ik u toch moet zeggen is, dat hij te veel aardt naar de overige jonge edellieden; hij is tamelijk losbandig. Weet gij dat hij op zijn leeftijd reeds tot twee tooneelspeelsters in betrekking heeft gestaan?” “Wat vertelt gij mij daar?” vroeg Aurora. “Welke zeden! Maar ben je er wel zeker van?”—“O, ik twijfel er niet aan, mevrouw. Een bediende, die vanmorgen uit zijn dienst is ontslagen, heeft ’t mij verteld en bedienden zijn zeer oprecht, wanneer zij het hebben over de gebreken van hun meesters. Bovendien gaat hij om met don Alexio Segiar, don Antonio Centellès en don Fernando de Gamboa.” “Dat is genoeg, Gil Blas,” zei mijne meesteres zuchtend, “na uw verslag zal ik mijn onwaardige liefde bekampen. Ga,” vervolgde zij, mij een kleine beurs in de handen stoppend, “hier is iets voor uw moeite. Pas op, dat gij mijn geheim niet verraadt; denk er om, dat ik vertrouw op uwe stilzwijgendheid.”

Ik verzekerde mijne meesteres, dat ik de Harpocrates1 was van de vertrouwde bedienden en dat zij daaromtrent gerust kon zijn. Vervolgens vertrok ik, zeer nieuwsgierig naar den inhoud van de beurs. Ik vond er twintig pistolen in. Dadelijk dacht ik, dat Aurora ongetwijfeld meer zou hebben gegeven, indien ik haar eene aangename tijding had gebracht, waar zij reeds zoo goed voor een slecht bericht betaalde. Het speet mij, dat ik de achtenswaardige ambtenaren niet had nagedaan, die soms de waarheid in hun processen-verbaal een weinig aandikken. Nu had ik een liefdesverhouding in de geboorte gesmoord, welke mij zeer nuttig had kunnen zijn, wanneer ik niet zoo dwaas oprecht ware geweest. Ik had echter de troost, dat ik schadeloos gesteld was voor de onnoodige uitgaven aan pommade en parfumerie.


1 Dit was bij de Ouden de God van het stilzwijgen.

HOOFDSTUK III

Een groote verandering bij don Vincent, en het vreemde besluit, dat de liefde de schoone Aurora deed nemen.

Korten tijd na dit avontuur werd don Vincent ziek. Zelfs wanneer hij niet reeds op vergevorderden leeftijd was geweest, waren de ziekteverschijnselen toch al zoo hevig, dat een noodlottigen afloop was te vreezen. Men liet de beroemdste doktoren uit Madrid komen. De een heette dokter Andros, en de andere dokter Oguetos. Zij onderzochten den zieke en waren beide het er over eens, dat de gal ontstoken was; maar dat was ook het eenige waarover zij het eens waren. De een wilde, dat men den zieke van dit oogenblik af liet purgeeren en de ander was van meening, dat met purgeeren moest worden gewacht.“Het is noodig,” zei Andros, “te purgeeren voordat de gal eenig deel aantast.” Oguetos hield daarentegen staande, dat we moesten wachten tot de gal rijp was alvorens een purgeermiddel aan te wenden. “Maar uwe methode,” zei de ander, “is regelrecht in strijd met die van den prins der geneeskunde. Hippocrates beveelt aan bij de hevigste koortsen steeds te purgeeren en zegt dat purgeeren noodig is wanneer de gal “en orgasme” is, dat wil zeggen ontstoken.”—“O daarin bedriegt gij u,” antwoordde Oguetos. “Hippocrates verstaat niet onder het woord “orgasme” eene ontsteking, meer veeleer een vloeiing.”

Daarover begonnen onze dokters zich op te winden. De een haalde den griekschen tekst aan en noemde verscheidene schrijvers, die zijne meening waren toegedaan; de ander, op een latijnsche vertaling bouwend, sprak met nog grooter overtuiging. Wie te gelooven? Don Vincent wist het niet en daar hij een keus moest doen, gaf hij het vertrouwen aan hem, die de meeste zieken had behandeld, dat wil zeggen aan den oudste. Woedend trok Andros zich terug niet zonder tegenover zijn ouderen collega eenige spottende opmerkingen te maken over het orgasme. Oguetos had dus gezegevierd en de methode van dokter Sangrado toegedaan, begon hij met den zieke overvloedig ader te laten, liet daarna wachten met purgeeren tot de gal rijp was, doch de dood, welke ongetwijfeld vreesde, dat eene purgatie met zooveel zorg voorbereid, hem zijn prooi zou ontnemen, rukte mijn meester weg. Aldus was het einde van Seigneur don Vincent, die het leven verloor, omdat zijn geneesheer geen grieksch kende.

Na haar vader waardig te hebben begraven, nam Aurora het bestuur van zijne goederen over, ontsloeg eenige bedienden en trok zich terug op een kasteel aan de oevers van de Taag, tusschen Sacedon en Bicendia. Mij hield ze en ik volgde haar naar buiten. Ondanks het juiste verslag, dat ik haar gegeven had over don Louis, beminde zij nog steeds dezen jongen edelman of liever kon haar liefde niet overwinnen, en gaf zich er geheel aan over. “Gil Blas,” zei ze eens zuchtend, “ik kan don Louis niet vergeten; welke moeite ik ook doe om hem uit mijne gedachten te verbannen, komt hij er steeds in terug, niet zooals gij hem mij hebt geschilderd, maar zooals ik zou willen dat hij was, teeder, verliefd en soliede. Uwe hulp, waarde Gil Blas, heb ik dan ook meer noodig dan ooit. Ik moet je een plan ontvouwen, dat ge zeer zonderling zult vinden. Weet, dat ik zoo spoedig mogelijk naar Salamanca wil vertrekken. Daar ga ik mij als edelman verkleeden en onder den naam van don Felix kennis maken met Pacheco; ik zal trachten zijn vertrouwen en vriendschap te winnen en hem dikwijls spreken over mijn nicht Aurora de Guzmann. Misschien wenscht hij haar dan wel te zien. Wij zullen twee woningen hebben te Salamanca. In de eene ben ik don Felix, in de andere Aurora en nu eens als man verkleed, dan weer in mijne gewone kleeding, vlei ik mij hem te brengen, waar ik hem hebben wil. Ik erken gaarne, dat mijn plan zonderling is; maar mijn liefde brengt mij er toe.”

Het plan van Aurora scheen mij onzinnig toe. Maar hoe onredelijk ik het ook mocht vinden, wachtte ik mij wel haar daarop te wijzen. Integendeel begon ik de pil te vergulden en ik wist te bewijzen, dat dit dwaze plan slechts een aangenaam, ongevaarlijk spelletje was. Ik weet niet meer wat ik zooal zeide; maar zij was ’t met mij eens; verliefde menschen zijn erg gemakkelijk wanneer men hunne dolzinnige verbeelding slechts vleit. Wij beschouwden dus deze gewaagde onderneming slechts als eene comedie, waarvan alleen de opvoering goed verzorgd moest worden. Wij kozen onze acteurs onder de bedienden en verdeelden vervolgens de rollen, wat zonder getwist of krakeel geschiedde, omdat wij geen beroepsacteurs waren. Besloten werd, dat juffrouw Ortiz de tante van Aurora zou zijn onder den naam van dona Kimena de Guzmann, dat men haar een bediende en een dienstmeisje zou geven; en dat Aurora, als edelman, mij tot kamerdienaar zou hebben en een der dienstmaagden, verkleed als page, om haar ter zijde te staan als kamenier. Na aldus alles geregeld te hebben, keerden wij naar Madrid terug, waar wij vernamen, dat don Louis er nog was, maar weldra naar Salamanca zou vertrekken. Wij laadden alle noodige kleeren in de diligence, mijne meesteres liet het toezicht op haar huis over aan haar zaakgelastigde en vervolgens vertrokken allen, die een rol in dit stuk hadden te spelen, met haar naar Salamanca. Wij waren reeds oud Castilië doorgereden, toen de as van onze karos brak. Het was tusschen Aula en Villaflor op 300 of 400 pas van een kasteel, dat aan den voet van een berg lag. Het werd nacht en wij zaten leelijk verlegen; gelukkig kwam er een boer voorbij, die ons uit de moeilijkheid redde. Hij vertelde ons, dat het kasteel vóór ons behoorde aan dona Elvira, weduwe van don Pedro de Pinares, en hij vertelde zooveel goeds van deze dame, dat mijne meesteres mij vooruit zond om nachtverblijf. Elvira logenstrafte het verhaal van den boer niet; weliswaar kwijtte ik mij van mijn opdracht op eene wijze, die haar zou hebben bewogen ons te ontvangen, zelfs wanneer zij niet de beleefdheid in eigen persoon ware geweest. Wij waren weldra op het kasteel, waar de weduwe van don Pedro ons aan de deur opwachtte. Ik zal de beleefdheidsfrasen, die gewisseld werden, stilzwijgend voorbijgaan. Alleen dient gezegd, dat Elvira eene oude dame was, die uitstekend de plichten der gastvrijheid verstond. Zij geleidde Aurora naar een prachtig appartement en wijdde haar aandacht daarna aan alles wat ons betrof. Toen het souper gereed was, liet zij in de kamer van Aurora opdienen, waar beiden aan tafel gingen. De weduwe van don Pedro was niet een dier personen, welke een maaltijd oneer aandoen door er droomerig of verdrietig bij te zitten. Zij was opgeruimd en wist uitstekend het gesprek gaande te houden. Zij wist zich uitstekend uit te drukken, ik bewonderde haar geestigheid en schoonen vorm, welken zij aan haar gedachten gaf. Aurora scheen er evenzeer door bekoord als ik. Zij sloten vriendschap en beloofden elkaar te zullen schrijven. Daar onze karos eerst den volgenden dag gerepareerd kon worden, zouden wij zoolang op het kasteel blijven. Wij werden op onze beurt onthaald en wij sliepen niet minder goed dan wij gedineerd hadden. Den volgenden dag vond mijne meesteres nieuwe aantrekkelijkheid in den omgang met Elvira. Zij dineerden in een groote zaal, waar verscheidene schilderijen hingen. Er was er een, waarvan de figuren uitstekend waren geteekend, maar het geheel bood een treurigen aanblik. Een doode edelman, achterover liggende, badende in zijn bloed, was erop geschilderd, tot in den dood was zijn blik nog dreigend. Naast hem op den grond lag een jonge dame in een andere houding met een degen in de borst te sterven, terwijl zij haar blik gevestigd hield op een jongen man, die doodelijk bedroefd scheen haar te moeten verliezen. De schilder had de schilderij verder voltooid met een persoon, welke mijn aandacht niet ontging. Het was een grijsaard met schoon gelaat, die diep geroerd over hetgeen hij zag, niet minder getroffen scheen dan de jonge man. De zielsbedroefde grijsaard scheen overstelpt van smart, terwijl bij den jongen man woede en droefheid om den voorrang streden. Alles was met zooveel nauwkeurigheid en vol uitdrukking geschilderd, dat wij niet konden nalaten er steeds naar te kijken. Op de vraag van mijne meesteres zei Elvira, dat deze schilderij eene trouwe voorstelling was van de ongelukken in hare familie. Het antwoord maakte de nieuwsgierigheid van Aurora gaande en de weduwe van don Pedro beloofde deze te bevredigen. Ortiz, haar beide kameraden en ik bleven op onze beurt ook na afloop van den maaltijd talmen. Onze meesteres wilde ons wegzenden, maar Elvira, die wel zag hoe wij van nieuwsgierigheid brandden, liet ons blijven, zeggende, dat de geschiedenis geen geheim was. Een oogenblik daarna begon zij aldus:

HOOFDSTUK IV

Het huwelijk uit wraak.

Roger, koning van Sicilië, had een broeder en eene zuster. Deze broeder, Monfroi, kwam tegen hem in opstand, waardoor het land in vuur en vlam werd gezet hij had echter het ongeluk twee veldslagen te verliezen en in handen des konings te vallen, die zich tevreden stelde als straf hem zijne vrijheid te ontnemen. Deze goedertierenheid deed Roger echter in de oogen van een gedeelte zijner onderdanen doorgaan voor een barbaar. Zij zeiden dat hij zijn broeder het leven slechts gelaten had om eene langzame en onmenschelijke wraak te genieten. Anderen, beter ingelicht, schreven de hardvochtige behandeling van Monfroi in de gevangenis toe aan zijn zuster Mathilda. Deze prinses had steeds den prins gehaat en hield niet op hem te kwellen, zoolang hij leefde. Zij leefde slechts kort, hetgeen als een gerechte straf werd beschouwd voor hare ontaarde gevoelens.

Monfroi liet twee zonen na; zij waren nog jong. Roger had wel lust zich van hen te ontdoen uit vrees dat zij, ouder geworden, het verlangen om hun vader te wreken, hen er toe zou brengen een partij aan te voeren, die niet genoeg onderdrukt was om nooit meer moeilijkheden te veroorzaken. Hij deelde zijn plan mee aan senator Leontio Siffredi, zijn minister, die het niet goedkeurde en om hem er af te brengen, zich met de opvoeding van Enrique, den oudste, belastte en hem aanraadde aan den connetable van Sicilië den jongsten zoon toe te vertrouwen, die don Pedro heette. Roger vond het goed, overtuigd, dat zijn neven door deze beide mannen zouden worden opgevoed in de onderworpenheid, welke zij hem verschuldigd waren. Zelf zorgde hij voor de opvoeding van zijne nicht Constance, eenige dochter van Mathilda en even oud als Enrique. Hij gaf haar dienstmaagden en leermeesters en spaarde geen kosten.

Leontio Siffredi had een kasteel binnen twee mijlen van Palermo in een bosch, Belmonte geheeten. Daar beijverde de minister zich om Enrique eenmaal de troon van Sicilië waardig te maken. Hij merkte allereerst in dezen prins zulke beminnelijke eigenschappen op, dat hij zich aan hem hechtte alsof hij geen kinderen had. Hij had evenwel twee dochters. De oudste, Blanche, een jaar ouder dan de prins, was een volmaakte schoonheid en de jongste, Portia, die bij hare geboorte den dood van hare moeder had veroorzaakt, lag nog in de wieg. Blanche en prins Enrique beminden elkaar, zoodra zij daartoe in staat waren, maar hadden geen gelegenheid zich samen te onderhouden. De prins wist er echter nu en dan iets op te vinden. En hij maakte zoo’n goed gebruik van die enkele kostbare oogenblikken, dat hij de dochter van Siffredi wist over te halen haar toestemming te geven voor de uitvoering van een door hem beraamd plan. Toevallig moest Leontio een reis ondernemen naar een der meest verwijderde provincies van het koninkrijk en tijdens zijne afwezigheid liet Enrique een gat maken in den muur van zijn vertrek, dat grensde aan de kamer van Blanche. Deze opening werd met een houten deur gesloten en deze was zoo kunstig gemaakt in de lambriseering, dat het niet te zien was. Een kundig architect maakte dit werk met even grooten ijver als discretie.

Door deze opening kwam de verliefde Enrique eenige malen in de kamer van zijne maitresse, maar maakte geen misbruik van hare goedheid. Indien zij al de onvoorzichtigheid had gehad hem te ontvangen, was dit alleen geschied op zijne verzekering, dat hij nooit meer zou eischen dan de onschuldigste liefdesbewijzen. Op een nacht vond hij haar zeer ongerust; zij had vernomen dat Roger zeer ziek was en dat hij Siffredi als grootkanselier van het rijk bij zich ontboden had om hem zijn laatste wilsbeschikking mee te deelen. Zij dacht zich haar lieven Enrique reeds op den troon en de angst hem in dezen hoogen rang te verliezen, veroorzaakte eene vreemde ontroering, zij had zelfs tranen in de oogen. “Gij weent mevrouw,” zei hij, “wat moet ik denken van de droefheid waaraan gij u overgeeft?”—“Seigneur,” antwoordde Blanche, “ik kan u mijn onrust niet verbergen, de koning uw oom zal weldra sterven en u zijn plaats nalaten. Wanneer ik bedenk, hoezeer uwe nieuwe grootheid u van mij gaat verwijderen, beken ik ongerust te zijn. Een monarch ziet de zaken uit een ander oogpunt dan een minnaar en dat, wat zijn verlangen uitmaakte, toen er nog een macht boven de zijne was, laat hem slechts koud op den troon. Misschien is het mijn verstand, of slechts een voorgevoel, maar het verontrust mij en mijn vertrouwen in uw goedheid kan deze onrust niet bedaren. Ik twijfel niet aan de standvastigheid uwer gevoelens; ik maak mij slechts ongerust over mijn geluk.”

“Beminnelijke Blanche,” antwoordde de prins, “uwe vrees rechtvaardigt mijn gehechtheid aan uwe bekoorlijkheden, maar uw buitensporig wantrouwen beleedigt mijn liefde en als ik het zeggen mag, de achting welke gij mij verschuldigd zijt. Neen, neen, denk niet dat uw lot van het mijne kan worden gescheiden, geloof eerder, dat gij alleen altijd mijne vreugde en geluk zult uitmaken. Laat dus uwe ijdele vrees varen. Laat zij niet deze zoete uren vergallen.” “Ach Seigneur,” antwoordde Blanche, “zoodra gij gekroond zijt, kunnen uw onderdanen u vragen eene prinses te huwen, welk schitterend huwelijk nieuwe rijken bij de uwe voegt; en misschien komt gij hunne verwachtingen na, zelfs ten koste van uw innigste wenschen.” “En waarom,” hernam Enrique, “vormt gij u zelf zulk een droevig beeld van de toekomst en kwelt u zelf daarmee? Indien de hemel over mijn oom beschikt en mij meester van Sicilië maakt, zweer ik bij alles wat ons heilig is, dat ik mij aan u zal geven te Palermo in tegenwoordigheid van mijn gansche hof.”

Deze uitingen stelden de dochter van Siffredi een weinig gerust. Verder spraken zij over de ziekte des konings. Enrique liet zijn goed hart spreken; hij beklaagde zijn oom, ofschoon hij niet veel reden had om er getroffen door te zijn; de macht van het bloed deed hem den vorst beklagen, wiens dood hem een kroon zou bezorgen. Blanche kende nog niet alle ongelukken, welke haar bedreigden. De connetable van Sicilië, die eens voor gewichtige aangelegenheden op het kasteel van Belmonte was gekomen en haar ontmoet had terwijl zij uit het vertrek van haar vader kwam, was door hare schoonheid getroffen. Hij vroeg reeds den volgenden dag om haar hand aan Siffredi, die zijn aanzoek aannam; in deze dagen was echter de ziekte van Roger tusschenbeide gekomen, waardoor het huwelijk werd uitgesteld en Blanche had er nog niet over hooren spreken.

Op zekeren morgen, terwijl Enrique bezig was zich te kleeden, zag hij plotseling Leontio binnenkomen, gevolgd door Blanche. “Seigneur,” zei de kanselier, “de tijding welke ik u kom brengen, zal u bedroeven, maar de troost die haar vergezelt, zal uwe smart lenigen. De koning uw oom is gestorven en door zijn dood laat hij u zijn scepter na. Sicilië is onderworpen aan u. De grooten van het rijk wachten uwe orders te Palermo. Zij hebben mij ermee belast ze uit uwen mond te vernemen en ik kom, seigneur, met mijne dochter, u de eerste en oprechte eerbewijzen brengen, welke uwe nieuwe onderdanen u verschuldigd zijn.” De prins die wist, dat Roger al twee maanden aan een loopende ziekte leed, was niet verwonderd bij het hooren van deze tijding. Evenwel getroffen door de plotselinge verandering van positie, voelde hij duizend verschillende gewaarwordingen bij zich opkomen. Hij peinsde een oogenblik en sprak vervolgens: “Wijze Siffredi, ik beschouw u steeds als mijn vader. Het zal mij een eer zijn mij door u te laten raden en gij zult veeleer over Sicilië regeeren dan ik.” Na deze woorden ging hij naar een tafel, waarop schrijfgereedschap lag en een blank vel papier nemend schreef hij zijn naam onder aan de pagina. “Wat wilt gij doen Seigneur?” vroeg Siffredi. “U mijne erkentelijkheid en mijne achting betoonen,” antwoordde Enrique. Hij gaf daarop het papier aan Blanche en zei: “Ontvang, mevrouw, dit bewijs van mijn trouw en de macht die ik u geef.” Blanche nam het blozend aan en antwoordde: “Seigneur, ik ontving met eerbied de gunstbewijzen van mijn koning, maar ik ben afhankelijk van een vader, en gij zult goed vinden, dat ik hem het papier ter hand stel, om er het gebruik van te maken, dat zijn wijsheid hem zal ingeven.”

Zij gaf werkelijk de handteekening van Enrique aan haar vader. Deze bemerkte nu eerst wat tot dusver zijn aandacht was ontsnapt. Hij wachtte zich echter wel op de zaak in te gaan en zei: “Uwe majesteit zal mij niets te verwijten hebben. Ik zal er geen misbruik van maken.”—“Waarde Leontio, welk gebruik gij er ook van zoudt willen maken, ik zal mijne belofte nakomen. Maar kom,” vervolgde hij, “keer naar Palermo terug, laat de toebereidselen voor mijne kroning gereed maken en zeg aan mijne onderdanen, dat ik dra volg om van hen den eed van trouw te ontvangen en hun mijne genegenheid te betuigen”. De minister gehoorzaamde aan de bevelen van zijn nieuwen meester en ging met zijne dochter op weg naar Palermo.

Eenige uren na hen vertrok de prins ook uit Belmonte meer denkende aan zijn liefde dan aan zijn hoogen rang. Toen men hem de stad zag binnenkomen, juichte men hem toe; hij betrad onder gejuich van het volk het paleis, waar alles reeds gereed was voor de plechtigheid. Hij vond er prinses Constance in rouwkleederen. Zij scheen zeer onder den indruk van den dood van Roger. Op gepaste wijze condoleerden zij elkander wederkeerig met den dood van dezen vorst, maar Enrique deed dit met meer koelheid dan de prinses, daar zij ondanks de familie-onaangenaamheden dezen prins nooit had kunnen haten. Hij plaatste zich op de troon en de prinses ging naast hem zitten op een ietwat lageren stoel. De grooten des rijks namen hun plaats in, ieder volgens zijn rang. De plechtigheid begon en Leontio als grootkanselier en bewaarder van het testament las dit luide voor. In hoofdzaak bevatte dit geschrift, dat bij Roger’s kinderloos overlijden de oudste zoon van Montfroi tot zijn opvolger benoemd werd, op voorwaarde, dat hij prinses Constance zou huwen en dat, wanneer hij hare hand weigerde, de kroon van Sicilië zou toebehooren aan don Pedro zijn broeder, op dezelfde voorwaarden.

Deze woorden brachten voor Enrique eene verrassing en wel eene zeer onaangename, die er niet beter op werd toen Leontio na het geheele testament te hebben voorgelezen, tot de aanwezigen sprak: “Mijne heeren, toen ik de laatste wenschen van wijlen den koning aan onzen nieuwen vorst overbracht, stemde deze edelmoedige prins er in toe prinses Constance, zijn nicht, zijn hand aan te bieden.” Enrique wilde den kanselier in de rede vallen: “Leontio,” zei hij, “denk aan het papier van Blanche....” Maar Siffredi liet den vorst geen tijd eene verklaring te geven: “Seigneur”, zei hij, “zoo is het. De edelen van het koninkrijk,” vervolglde hij en toonde het papier, “zullen er uit lezen door uwe doorluchtige handteekening bekrachtigd, hoe groot de achting is, welke gij voor de prinses koestert, en den eerbied, welken gij de laatste wenschen van wijlen den koning, uw oom bewijst.”

Hierna las hij het papier voor, dat hij zelf had ingevuld. De nieuwe koning beloofde daarin onomwonden prinses Constance te zullen huwen volgens de bedoelingen van Roger. De zaal weerklonk van vreugdegejuich. “Leve onze grootmoedige koning Enrique,” riepen zij die tegenwoordig waren. Want bekend als men was met den tegenzin, welken deze prins voor de prinses getoond had, vreesde men niet zonder reden dat hij tegen deze bepaling van het testament in verzet zou komen en twist over het koninkrijk zou brengen; door deze verklaring waren zij echter gerustgesteld. De algemeene toejuichingen verscheurden echter het hart van den vorst.

Constance, die gedreven door eerzucht en door haar teedere gevoel wat meer dan eenig ander belang bij de zaak had, gebruikte dit oogenblik om den koning haar erkentelijkheid te betuigen. De vorst wist zich bijna niet goed te houden. Hij ontving de dankbetuiging van de prinses met zooveel onrust, hij was zoo verward, dat hij zelfs niet kon antwoorden, wat de welvoeglijkheid van hem eischte. Eindelijk, zich niet langer kunnende beheerschen, naderde hij Siffredi, wiens opdracht hem dicht bij den koning hield, en zei zacht: “Wat doet gij Leontio? Het papier dat ik uw dochter gaf, was hiervoor niet bestemd, gij verraadt....”

“Seigneur,” antwoordde Siffredi, “denk aan uwen roem. Indien gij de wenschen van wijlen uw oom niet nakomt, verliest gij de kroon van Sicilië.” Na deze woorden verwijderde hij zich uit de nabijheid des konings om een antwoord te voorkomen. Enrique voelde zich in groote verlegenheid. Hij was verbitterd op Siffredi, hij kon niet besluiten Blanche te verlaten en verdeeld tusschen haar en zijn roem, wist hij niet welke keuze hij moest doen. Eindelijk meende hij toch het middel gevonden te hebben om de dochter van Siffredi te behouden zonder van den troon afstand te doen. Hij deed alsof hij zich aan de wenschen van Roger onderwierp en nam zich voor onderwijl te Rome dispensatie aan te vragen van zijn huwelijk met zijn nicht, door zijn weldaden de grooten van het rijk voor zich te winnen, en op deze wijze zijn macht zoo goed te vestigen, dat men hem niet zou dwingen de voorwaarden van het testament na te komen.

Zoodra hij dit plan gevormd had, werd hij rustiger en zich naar Constance keerende, bevestigde hij wat de grootkanselier reeds had medegedeeld. Op het oogenblik echter, dat hij haar trouw zwoer, kwam Blanche binnen om op bevel haars vaders aan de prinses hare verknochtheid te betuigen en hoorde de woorden van Enrique. En daar Leontio bij haar geen twijfel wilde laten omtrent haar ongeluk, stelde hij haar aan Constance voor met de woorden: “Mijne dochter, betuig uwe koningin uwe hulde: wensch haar eene bloeiende regeering en een gelukkig huwelijk.” Deze verschrikkelijke slag deed de ongelukkige Blanche bijna hare bezinning verliezen. Tevergeefs trachtte zij hare smart te verbergen, beurtelings werd zij rood en bleek en haar geheele lichaam beefde. De prinses vermoedde echter niets: zij schreef haar onsamenhangende woorden toe aan verlegenheid van een meisje, dat opgevoed in een woestijn weinig gewend was aan het hof te verkeeren. De vorst begreep het echter wel beter. De wanhoop, die hij in haar oogen las, bracht hem van streek. Hij twijfelde niet of zij moest, oordeelend naar den schijn, hem voor trouweloos houden. Hij zou minder ongerust geweest zijn, indien hij haar had kunnen spreken, doch hoe moest hij het middel daarvoor vinden, nu geheel Sicilië als ’t ware het oog op hem gevestigd had. Overigens liet de wreede Siffredi hem geen kans. De minister, die in de harten van deze beide minnenden las en de ongelukken wilde voorkomen, die hun liefde over den staat kon veroorzaken, nam zijne dochter weldra mee naar Belmonte en besloot haar zoo spoedig mogelijk uit te huwelijken om meer dan één reden.

Toen zij thuis waren aangekomen, bracht hij haar in kennis met het verschrikkelijk lot, dat voor haar was weggelegd. Hij zei haar, dat hij den connetabel het ja-woord had gegeven. “Rechtvaardige hemel,” riep zij uit, door den schrik bevangen, “welke vreeselijke folteringen hebt gij voor de ongelukkige Blanche weggelegd?” Hierna viel zij buiten kennis in de armen van haar vader. Hoewel deze medelijden met haar had, veranderde zijn eerste besluit toch niet. Eindelijk kwam Blanche weer bij, meer door het groot verdriet dat zij had dan door het water dat Siffredi haar in het gelaat wierp en hare droevige oogen openende zag zij hem zich beijverende om haar te helpen.

“Seigneur,” zei zij met doffe stem, “ik schaam mij, dat ik u mijn zwakheid heb laten zien, maar de dood, welke spoedig een einde zal maken aan mijne kwellingen, zal u spoedig verlossen van eene ongelukkige dochter, welke over haar hart heeft beschikt zonder uwe voorkennis.” “Neen, lieve Blanche,” antwoordde Leontio, “gij zult niet sterven, en uw deugd zal haar macht over u herwinnen. Het aanzoek van den connetabel doet u alle eer; het is de beste partij in den Staat....” “Ik acht zijn persoon en zijn verdienste,” antwoordde Blanche, “maar seigneur, de koning had mij doen hopen....” Doch toen viel Siffredi haar op zijn beurt in de rede, “ik weet alles wat ge daarover zeggen wilt. Ik ben niet onbekend met uwe liefde voor dezen vorst, en ik zou haar in andere omstandigheden niet afkeuren, gij zoudt zelfs zien, dat ik mij zou beijveren u de hand te verzekeren van Enrique, wanneer het belang van zijn roem en dat van den staat hem niet noodzaakten met Constance te huwen. Op voorwaarde alleen, dat hij met deze prinses zou huwen, heeft de gestorven koning hem als opvolger aangewezen. Wilt gij, dat hij aan u de voorkeur geeft boven de kroon van Sicilië? Geloof, dat ik ook diep getroffen ben door den doodelijken slag, welke u is toegebracht. Maar waar wij niet tegen het noodlot kunnen strijden, moet gij moedig zijn; gij moet er een eer in stellen om niet aan het geheele koninkrijk te laten zien, dat gij een ijdele hoop gekoesterd hebt. Uwe toegenegenheid voor den koning zou zelfs aanleiding geven tot lasterpraatjes over u en het eenige middel om deze te voorkomen is te trouwen met den connetabel. Kortom, Blanche, er is niets meer aan te doen. De koning doet afstand van u voor een troon: hij trouwt met Constance. De connetable heeft mijn woord, kom dit na bid ik u; en als het noodig is om u ertoe te bewegen, dat ik van mijn gezag gebruik maak, dan beveel ik het u.”

Na deze woorden ging hij heen en liet haar aan haar gedachten over. Hij hoopte, dat na de redenen, welke hij had aangevoerd om haar deugd te sterken tegenover de neiging van haar hart, zij uit zich zelf zou besluiten de vrouw te worden van den connetable. Hij bedroog zich niet, maar wat kostte het de ongelukkige Blanche niet, dit besluit te nemen! De smart, dat haar voorgevoel over de ontrouw van Enrique verwezenlijkt was en dat zij gedwongen was, hem te verliezen en te worden overgeleverd aan een man, dien zij niet kon beminnen, veroorzaakte haar zulk nameloos wee, dat haar bestaan ondragelijk werd. “Indien mijn ongeluk vaststaat,” riep zij uit, “hoe kan ik er mij dan tegen verzetten zonder te sterven? Meedoogenloos noodlot, waarom hebt gij mij met de zoetste hoop gevleid, wanneer gij mij toch in een afgrond van rampen werpen moest? En gij trouwelooze minnaar, geeft je aan een ander, terwijl je mij eeuwige trouw hebt beloofd! Heb je dan zoo spoedig kunnen vergeten, wat je me gezworen hebt? Om je te straffen voor het feit, dat ge mij zoo wreed bedrogen hebt, geve de hemel, dat de echtelijke legerstede het tooneel worde van verdriet en niet van genot en dat de liefkoozingen van Constance uw trouweloosheid vergiftigen. Moge je huwelijk even afschuwelijk wonden als het mijne! Ja, verrader, ik zal den connetable huwen, dien ik niet bemin, om mijzelf te straffen, dat ik mijne genegenheid zoo slecht had geplaatst. Waar mijn godsdienst verbiedt de hand aan mijn leven te slaan, zie ik, dat de dagen die mij overblijven, in rouw en ellende voorbij zullen gaan. Als gij nog eenige liefde voor mij gevoelt, zal ik mij op je wreken door mij in de armen van een ander te werpen, en indien gij mij geheel hebt vergeten, zal Sicilië ten minste er zich op kunnen beroemen een vrouw te hebben voortgebracht, die zich zelf gestraft heeft omdat zij te lichtvaardig over haar hart had beschikt.”

In een dergelijken toestand bracht dit treurig slachtoffer van de liefde en den plicht den nacht door, voorafgaande aan haar huwelijk met den connetable. Siffredi, die haar den volgenden dag bereid vond aan zijne wenschen te voldoen, haastte zich van de gunstige gelegenheid te profiteeren. Hij liet den connetable den zelfden dag nog te Belmonte komen, en voltrok in het geheim het huwelijk in de kapel van het kasteel. Welk een dag voor Blanche! Het was nog niet genoeg een kroon te verliezen, afstand van een minnaar te doen en zich aan iemand te moeten geven dien zij haatte; doch zij moest daarbij nog hare gevoelens verbergen voor een echtgenoot, die een grooten hartstocht voor haar koesterde en van nature jaloersch was. Deze echtgenoot, blijde haar te bezitten, was steeds aan haar voeten. Hij liet haar zelfs niet den schralen troost in het geheim haar ongeluk te kunnen beweenen. Toen de nacht aanbrak, voelde de dochter van Leontio haar smart verdubbelen. Maar wat moest zij doen, toen hare vrouwen, na haar ontkleed te hebben, haar alleen lieten met den connetable? Hij vroeg eerbiedig naar de oorzaak van de bedruktheid, waarin zij scheen te verkeeren. Deze vraag bracht Blanche in verlegenheid en zij veinsde zich onwel te voelen. Eerst nam haar echtgenoot dit aan, maar lang bleef hij niet in deze dwaling. Daar hij werkelijk ongerust was over haar toestand, drong hij bij haar aan om naar bed te gaan, zij legde dit aandringen verkeerd uit en vormde zich daarvan zulk een wreed beeld, dat zij tenslotte in tranen uitbarstte. Welk een schouwspel voor een man, die meende zijn vurigst verlangen bereikt te hebben. Hij twijfelde niet langer of de ziekte van zijn vrouw was noodlottig voor zijne liefde. Ofschoon deze gedachte zijn toestand bijna even ellendig maakte als die van Blanche, had hij wilskracht genoeg om zijn vermoeden te verbergen. Hij verdubbelde zijn attenties en drong er bij haar op aan naar bed te gaan, haar verzekerend dat hij de rust, die zij noodig had, niet zou verstoren. Hij bood zelfs aan haar vrouwelijke bedienden te roepen, indien zij oordeelde dat die hulp haar verlichting kon brengen. Blanche, door deze belofte gerustgesteld, zei dat zij alleen rust noodig had om de zwakte, waarin zij zich bevond, te overwinnen. Hij deed, alsof hij haar geloofde. Zij gingen samen naar bed en brachten een nacht door, hemelsbreed verschillend van dien, welke de liefde geeft aan minnenden.

Terwijl de dochter van Siffredi zich overgaf aan haar smart, ging de connetable in zich zelf na, waardoor zijn huwelijk zoo noodlottig kon zijn. Hij begreep, dat hij een mededinger had, maar toen hij hem wilde ontdekken, kwam hij op geen enkel spoor. Hij wist alleen, dat hij de ongelukkigste van de mannen was. Hij had reeds twee derden van den nacht met overdenkingen doorgebracht, toen hij een gerucht hoorde. Hij was verrast te hooren hoe iemand zachtjes door de kamer liep. Hij meende zich te bedriegen, want hij herinnerde zich zelf de deur gesloten te hebben, nadat de vrouwelijke bedienden zich hadden verwijderd. Hij opende de gordijnen om zich met eigen oogen te overtuigen wat de oorzaak was van het geluid, dat hij hoorde: het licht op den schoorsteen was echter uitgegaan en weldra hoorde hij een zachte stem, die herhaaldelijk Blanche riep. Zijn jaloersche vermoedens kregen nu de overhand en daar zijn eer er mede gemoeid was en hem verplichtte op te staan om een beleediging te voorkomen of deze te wreken, nam hij zijn degen en liep naar de zijde vanwaar de stem kwam. Hij voelt een degen den zijne kruisen. Hij gaat vooruit, waarop de ander zich terugtrekt. Hij vervolgt, maar de ander wijkt achteruit. Hij zoekt hem, die tracht te vluchten in alle hoeken van de kamer voor zoover de duisternis het toelaat en vindt niets. Hij blijft staan, luistert en hoort niets meer. Het lijkt toovenarij. Hij denkt dat de belager van zijn eer door de deur gevlucht is, maar de grendel was er op als tevoren. Daar hij niets van dit avontuur begreep, riep hij zijn dichtstbijzijnde bedienden en terwijl hij hun de deur opende, bleef hij in de doorgang staan en was op zijn hoede om zijn tegenstander niet te laten ontsnappen. Op zijn herhaald geroep kwamen eenige dienaren met toortsen. Hij nam een kaars en stelde met ontblooten degen een onderzoek in. Hij vond echter niemand, noch eenig spoor, dat er iemand geweest was. Hij kon geen geheime deur ontdekken, noch eenige opening, waardoor men toegang had kunnen krijgen; hij kon echter nu niet blind blijven voor den omvang van zijn ongeluk. Van Blanche mocht hij geen opheldering verwachten, daar zij te groot belang er bij had de waarheid te verbergen. Hij besloot zijn hart bloot te leggen aan Leontio, nadat hij de dienaren had weggezonden, zeggende, dat hij eenig gerucht had gehoord, maar zich vergist had. Hij ontmoette zijn schoonvader, die op het lawaai uit zijn slaapvertrek was gekomen, en vertelde hem wat er was voorgevallen onder onmiskenbare teekenen van opgewondenheid en diepe smart.

Siffredi was verrast over het avontuur. Ofschoon het hem niet natuurlijk scheen, achtte hij het toch waarschijnlijk, en daar hij alles mogelijk achtte van de liefde des konings, werd hij hevig door die gedachte ontroerd. Maar verre van voedsel te geven aan de jaloersche vermoedens van zijn schoonzoon, stelde hij hem gerust met de verklaring, dat de stem, welke hij had meenen te hooren en den degen, welke den zijne had gekruist, niets anders konden zijn dan de spooksels van een door jaloerschheid verhitte verbeelding; dat het onmogelijk was voor iemand de kamer van zijn dochter binnen te komen, dat de smart, welke hij bij zijne vrouw had opgemerkt, misschien was veroorzaakt door eenige ongesteldheid; dat de eer niet verantwoordelijk moest gesteld worden voor veranderingen van het temperament; dat de verandering van een meisje, gewend in afzondering te leven, en die zich plotseling ziet gegeven aan een man, dien zij nog niet kende en dus niet kon beminnen, de oorzaak wel eens kon zijn van deze tranen en zuchten en de ongesteldheid waarover zij klaagde; dat de liefde in het hart van meisjes van edelen bloede slechts ontstond door den tijd en toewijding; dat hij hem aanmaande zijn ongerustheid te kalmeeren, zijn teederheid te verdubbelen om Blanche beter te stemmen en dat hij hem bad naar haar terug te keeren, overtuigd dat dit wantrouwen en die ongerustheid hare deugd beleedigden.

De connetable antwoordde niets op de argumenten van zijn schoonvader; hetzij dat hij begon te gelooven zich werkelijk vergist te hebben, hetzij dat hij het beter oordeelde te veinzen dan te trachten den grijsaard te overtuigen van een feit, dat zoo onwaarschijnlijk scheen. Hij keerde in het vertrek zijner vrouw terug, vleide zich naast haar neer en trachtte door den slaap zijn onrust te kalmeeren. Blanche van haar kant, de treurige Blanche, was evenmin bedaard. Zij had maar al te goed dezelfde geluiden als haar echtgenoot gehoord en zij kon een avontuur, waarvan zij het geheim en de redenen kende, niet voor een illusie houden. Zij verbaasde zich, dat Enrique in haar slaapvertrek trachtte door te dringen, nadat hij zoo plechtig zijn woord aan Constance had gegeven. Inplaats van zich over dezen stap te verheugen, beschouwde zij deze als een nieuwe beleediging en haar hart werd door oprechten toorn vervuld.

Terwijl de dochter van Siffredi in haar vooringenomenheid den jongen koning schuldiger dan alle mannen vond, wenschte deze ongelukkige vorst, meer dan ooit op haar verliefd, haar te spreken om zich vrij te pleiten van den schijn, die tegen hem was. Hij zou voor dit doel wel eerder te Belmonte gekomen zijn, maar de bezigheden, welke hij te verrichten had, lieten dat niet toe, en zoo kon hij zich eerst dezen nacht uit het paleis verwijderen. Hij kende te goed de omstreken van de plaats waar hij was opgevoed, om moeite te hebben met het vinden van een toegangsweg tot het kasteel van Siffredi, vooral waar hij nog den sleutel bezat van een geheime deur, die toegang verleende tot de tuinen. Hierlangs bereikte hij zijn vroeger appartement en vandaar betrad hij vervolgens de kamer van Blanche. Verbeeld u de verwondering van dezen vorst, toen hij er een man aantrof en een degen zich tegenover den zijne stelde. Het scheelde weinig, of hij had zich vergeten en op de plaats den vermetele gestraft, die zijn hand had durven op te heffen tegen zijn eigen koning, maar de gedachte, dat hij de dochter van Leontio voor alle gepraat moest bewaren, kalmeerde zijn toorn. Hij trok zich op dezelfde manier terug als hij gekomen was en gejaagder dan ooit sloeg hij den weg naar Palermo in. Eenige oogenblikken vóór het aanbreken van den dag kwam hij daar aan en sloot zich in zijn vertrekken op, te overspannen om te kunnen denken. Hij dacht slechts aan zijn terugkeer naar Belmonte. Zijn veiligheid, zijn eer en vooral zijn liefde stonden hem niet toe de opheldering van dit avontuur uit te stellen. Zoodra het dag was, liet hij zijn jachtrijtuig voorkomen en onder voorwendsel van dit vermaak, betrad hij het woud van Belmonte met eenige hovelingen. Eenigen tijd bleef hij jagen om zijn plannen te verbergen en toen hij zag, dat ieder ijverig de honden volgde, verwijderde hij zich en sloeg den weg naar het kasteel van Leontio in. Hij kende dien zeer goed en in zijn ongeduld zijn paard niet ontziende, had hij in weinig tijd de ruimte afgelegd, welke hem scheidde van het voorwerp zijner liefde. Hij zocht naar een geschikt voorwendsel om zich in het geheim een onderhoud met de dochter van Siffredi te verschaffen, toen hij een hoek omslaande, twee vrouwen opmerkte, dichtbij aan den voet van een boom gezeten. Hij twijfelde niet of deze vrouwen behoorden tot het kasteel en dit gezicht ontroerde hem, maar deze ontroering werd nog grooter, toen hij Blanche herkende, die bij het hooren van den galop het hoofd had omgewend. Zij was met Nise, een harer vrouwelijke bedienden, die zij kon vertrouwen, het kasteel ontvlucht om tenminste onbespied te kunnen weenen.

Hij vloog naar haar toe, wierp zich aan hare voeten en in haar oogen de sporen ziende van groote smart, riep hij verteederd: “Schoone Blanche, wees niet langer droevig. Volgens den schijn ben ik schuldig, ik beken het, maar wanneer gij zult vernemen het plan, dat ik voor u gevormd heb, zal hetgeen u nu een misdaad schijnt, een bewijs blijken van mijn onschuld en mijne groote liefde.” Door deze woorden meende Enrique haar te kunnen kalmeeren, maar het werd slechts erger. Zij wilde antwoorden, maar snikken smoorden haar stem. De prins was hierover zeer verwonderd en zei: “Hoe, mevrouw, kan ik uw verdriet niet lenigen? Door welk ongeluk heb ik uw vertrouwen verloren, ik, die mijn kroon in de waagschaal stel en zelfs mijn leven om mij aan u te wijden.”

De dochter van Leontio, zich beheerschend, zei hem: “Seigneur, uwe beloften zijn waardeloos. Voortaan kan niets mij meer aan u binden.”—“Ach, Blanche,” viel Enrique haar in de rede, “welke wreede woorden voegt gij mij toe! Wie kan u aan mijn liefde onttrekken, wie zal zich bloot willen stellen aan de woede eens konings, die geheel Sicilië in vuur zal zetten, liever dan de hoop op te geven u te bezitten.”—“Al uwe macht, Seigneur,” antwoordde langzaam de dochter van Siffredi, “wijkt voor de hinderpalen, die ons scheiden. Ik ben de vrouw van den connetable.” “De vrouw van den connetable!” riep de prins uit, eenige schreden teruggaande. Hij kon den volzin niet voleindigen. Door dezen onverwachten slag begaven zijn krachten hem. Hij liet zich vallen aan den voet van een boom, welke achter hem stond. Hij was bleek, ontdaan en slechts zijn oogen, welke hij op Blanche vestigde, zeiden haar hoe zeer het ongeluk hem trof. Zij keek hem aan en hij zag, dat hare gevoelens weinig van de zijne verschilden; en deze beide gelieven bewaarden onderling een verschrikkelijk stilzwijgen. Eindelijk was de prins een weinig bekomen, kon weder spreken en zei zuchtend tot Blanche: “Mevrouw wat hebt gij gedaan? Gij hebt mij ten verderve gebracht en gij zijt zelf ook verloren door uwe lichtgeloovigheid.”

Het griefde Blanche, dat de vorst haar verwijten scheen te doen, terwijl zij meende zeer gegronde redenen te hebben zich over hem te beklagen. “Hoe, Seigneur,” antwoordde zij, “verzwaart ge uw ontrouw nog door huichelarij! Zoudt gij willen, ondanks alles wat ik gehoord en gezien heb, dat ik u voor onschuldig hield? Neen Seigneur, ik beken u, dat ik daartoe niet in staat ben.”—“Evenwel, mevrouw,” antwoordde de koning, “hebben deze getuigen, die u zoo trouw schijnen, u misleid.” Zij zelf hebben geholpen om u te bedriegen en zoowaar gij de vrouw van den connetable zijt, ben ik onschuldig en trouw gebleven aan u.”—“En Seigneur,” hernam zij, “heb ik u niet tegenover Constance hooren bevestigen, dat gij haar uw hand en uw hart schenkt; hebt gij niet aan de rijksgrooten verklaard, dat gij de wenschen van den overleden vorst zoudt nakomen, en heeft de prinses niet de hulde van uwe nieuwe onderdanen ontvangen in de hoedanigheid van koningin en echtgenoote van prins Enrique? Waren mijne oogen dan betooverd? Zeg liever, trouwelooze, dat gij niet verwachtte, dat Blanche in uw hart het belang van een troon kon vergoeden en beken zonder te veinzen wat gij niet meer gevoelt of nooit gevoeld hebt, dat de kroon van Sicilië u veiliger toescheen met Constance dan met Blanche. Gij hebt gelijk, mijnheer, een schitterende troon was ik evenmin waard dan een prins als gij. Ik was te ijdel om het te gelooven, maar gij moest mij niet in deze dwaling gelaten hebben. Gij weet mijn ongerustheid, dat ik u zou verliezen. En waarom hebt gij mij gerust gesteld? Was het noodig mijn vrees te verdrijven? Ik zou eerder het noodlot dan u hebben aangeklaagd en gij zoudt tenminste mijn liefde hebben behouden, mijn hand zou nooit een ander dan gij verworven hebben. Thans is het niet het juiste oogenblik, om u te rechtvaardigen. Ik ben de vrouw van den connetabel en om mij een onderhoud, dat mijne eer zou bezoedelen, te besparen, moet gij dulden, seigneur, dat ik, zonder in eerbied voor u te kort te schieten, een vorst verlaat, dien ik niet langer mag aanhooren.”

Bij deze woorden verwijderde zij zich met zooveel spoed, als de omstandigheden haar veroorloofden. “Blijf staan, mevrouw,” riep de vorst uit; “breng een vorst niet tot wanhoop, die eerder geneigd is een troon omver te werpen, dien ik, zooals ge mij verwijt, boven u zou hebben verkozen, dan aan de verwachtingen van zijne onderdanen te voldoen.”—“Deze nieuwe opoffering is thans onnoodig,” antwoordde Blanche. “Waar ik niet meer vrij ben, kan het mij weinig schelen of Sicilië in de asch wordt gelegd en aan wie gij uw hand schenkt. Hoewel ik zwak genoeg was, mijn hart te laten overrompelen, zal ik tenminste de kracht hebben die neiging te onderdrukken en aan den nieuwen koning van Sicilië toonen, dat de vrouw van den connetabel niet meer de minnares is van vorst Enrique.” Zoo sprekend, ging zij plotseling met Nisa naar binnen en de deur achter zich sluitend, liet zij den vorst overstelpt door smart achter. Hij kon zich niet herstellen van den slag, dien Blanche hem had toegebracht door de tijding van haar huwelijk. “Onrechtvaardige Blanche,” riep hij uit, “gij hebt de herinnering aan onze belofte vergeten. Ondanks mijn eeden en de uwe, zijn wij gescheiden. De gedachte, welke ik nog had gekoesterd uwe liefde te bezitten, was dus slechts ijdele waan. O wreede vrouw, wat kost het mij niet, dat ik u mijn liefde heb betoond!”

Vervolgens drong het beeld van het geluk van zijn medeminnaar zich op aan zijn geest met alle verschrikkingen der jaloezie; en deze hartstocht beheerschte hem eenige oogenblikken zoodanig, dat hij op het punt stond zich te wreken op den connetabel zoowel als op Siffredi. De rede kalmeerde echter langzamerhand de heftigheid van zijn toorn. De onmogelijkheid om Blanche af te brengen van de meening over zijn ontrouw, maakte hem wanhopig. Hij hoopte deze te kunnen wijzigen, wanneer hij nog eens met haar zou kunnen spreken. Om daartoe te geraken oordeelde hij het noodig den connetabel te verwijderen en hij besloot hem te laten arresteeren als verdacht van een samenzwering. Hij gaf daartoe bevel aan den kapitein van zijn lijfgarde, die naar Belmonte ging, zich bij het aanbreken van den nacht van zijn persoon verzekerde en hem naar het kasteel te Palermo voerde. Dit incident veroorzaakte te Belmonte groote opschudding. Siffredi vertrok terstond om bij den koning voor de onschuld van zijn schoonzoon in te staan en hem de noodlottige gevolgen onder het oog te brengen van zulk een willekeurige arrestatie. De vorst, voorbereid op dezen stap van den minister, en die zich minstens een ongestoord onderhoud met Blanche wilde verzekeren, alvorens den connetabel los te laten, had uitdrukkelijk bevolen, dat hij door niemand vóór den volgenden morgen wilde worden lastig gevallen. Maar Leontio stoorde zich niet aan dit bevel en trad het vertrek des konings binnen.

“Seigneur,” zei hij, “wanneer het een eerbiedig en trouw onderdaan veroorloofd is zich over zijn meester te beklagen, kom ik tot u met een klacht over uzelf. Welke misdaad heeft mijn schoonzoon begaan? Heeft Uwe Majesteit wel gedacht aan de eeuwige schande voor mijn familie en aan de gevolgen van eene arrestatie, die uw voornaamste staatsdienaren van u kunnen vervreemden?” “Ik heb zekere inlichtingen,” antwoordde de koning, “dat de connetabel een complot heeft gesmeed met den infant don Pedro.”—“Een complot?” viel de verbaasde Leontio hem in de rede. “Ach Seigneur, geloof het niet, men heeft u voorgelogen. Het verraad is nog nooit in de familie Siffredi binnengeslopen; en het is voor den connetabel voldoende, dat hij mijn schoonzoon is, om boven iedere verdenking te staan. De connetabel is onschuldig, maar geheime beweegredenen leidden u bij zijne arrestatie.”

“Waar gij zoo openlijk tot mij spreekt,” antwoordde de koning, “zal ik het ook doen. Gij beklaagt u over de gevangenhouding van den connetabel. En heb ik mij niet meer over uwe wreedheid te beklagen? Gij zijt het, barbaarsche Siffredi, die mij mijn gemoedsrust hebt ontnomen en er mij toe gebracht hebt door uwe heimelijke zorgen het lot van den meest gewonen sterveling te benijden. Want gij moet u niet vleien, dat ik mij aan uwe gedachtengang stoor. Tot mijn huwelijk met Constance werd tevergeefs besloten....”

“Hoe Seigneur,” riep Leontio ontroerd uit, “gij zoudt de prinses niet huwen na haar voor de oogen van uw volk met deze hoop te hebben gevleid?”—“Indien ik hunne verwachting teleurstel,” antwoordde de koning, “is dit slechts aan u zelf te wijten. Waarom hebt gij mij genoodzaakt haar iets te beloven, dat ik niet kan nakomen? Wie verplichtte u een brief, dien ik uwe dochter had gegeven, met den naam van Constance in te vullen? Gij waart niet onbekend met mijn plannen; waarom moest gij het hart van Blanche geweld aandoen door haar een man te laten huwen, dien zij niet beminde? En welk recht hebt gij op het mijne, dat gij er over durft te beschikken ten gunste van een prinses, welke ik haat. Zijt gij vergeten, dat zij de dochter van die wreede Mathilda is, die de rechten van het bloed en de menschelijkheid met voeten tredend, mijn vader liet omkomen in een hardvochtige gevangenschap? En nu zou ik haar huwen? Neen Siffredi, laat die hoop varen, eerder dan dit weerzinwekkend huwelijk, zult gij Sicilië in vlammen zien en zijn landouwen overstroomd van bloed.”

“Heb ik goed gehoord?” riep Leontio uit. “Och Seigneur wat voorspelt gij mij! Welke verschrikkelijke bedreigingen. Maar ik maak mij ten onrechte ongerust,” vervolgde hij, van toon veranderend. “Gij houdt te veel van uwe onderdanen, om hen zulk een treurig lot te berokkenen. Gij zult u niet door de liefde laten vervoeren, gij zult uwe deugden niet bezoedelen door te vervallen in de zwakheden van den gewonen mensch. Indien ik mijne dochter aan den connetabel heb gegeven, heb ik dat alleen gedaan, seigneur, om uwe majesteit een dapper onderdaan te bezorgen, die door zijn arm en het leger, waarover hij beschikt, uwe belangen kan voorstaan tegenover don Pedro. Ik heb gemeend door hem met zoo nauwe banden aan mijne familie te....” “En het zijn juist die banden,” riep vorst Enrique uit, “het zijn die vervloekte banden, welke mij verderven, wreede vriend, waarom hebt gij mij zulk een gevoeligen slag toegebracht? Had ik u opgedragen mijn belangen te behartigen ten koste van mijn hart? Waarom liet gij mij zelf niet daarvoor zorgen? Ontbreekt het mij aan moed om de onderdanen te onderwerpen, die zich tegen mij zouden willen verzetten? Ik zou den connetabel wel hebben weten te straffen als hij mij niet had gehoorzaamd. Ik weet, dat vorsten geen tyrannen mogen zijn, dat het geluk van hun volk hun eerste plicht is; maar moeten zij daarom de slaven zijn van hunne onderdanen? En op het oogenblik, dat de hemel hen uitkiest om te regeeren, verliezen zij dan het recht, dat de natuur aan alle menschen geeft, om zelf over hunne genegenheid te beschikken? Ach, indien zij niet als de minste stervelingen mogen genieten, neem dan deze souvereine macht terug, waarvan gij mij hebt willen verzekeren ten koste van mijn rust.”

“Gij moet niet vergeten, Seigneur,” antwoordde de minister, “dat wijlen de koning uw oom de troonsopvolging afhankelijk heeft gemaakt van het huwelijk met de prinses.” “En welk recht,” hernam Enrique, “had hij zelf anderen voorwaarden te stellen? Had hij deze onwaardige voorwaarden ontvangen van zijn broeder koning Karel, toen hij dezen opvolgde? Moest gij de zwakheid hebben u aan zulk eene onrechtvaardige voorwaarde te onderwerpen? Voor een grootkanselier zijt gij slecht op de hoogte van onze gebruiken. In één woord toen ik mijn hand aan Constance beloofde, was dit niet vrijwillig. Ik wil mijn belofte niet houden en indien don Pedro de hoop mocht koesteren om den troon te bestijgen, kan, opdat niet het volk wordt gewikkeld in een twist, die te veel bloed zou kosten, de degen beslissen wie van ons het waardigst is om te regeeren.” Leontio durfde niet verder aandringen en stelde zich tevreden hem op de knieën de vrijheid van zijn schoonzoon te vragen; deze verkreeg hij. “Ga,” zei de koning, “keer naar Belmonte terug, de connetabel zal u weldra volgen.” De minister vertrok en kwam te Belmonte aan, overtuigd dat zijn schoonzoon hem op de hielen volgde. Hij vergiste zich, Enrique wilde Blanche dien nacht spreken en met dit doel stelde hij de bevrijding van haar echtgenoot tot den volgenden morgen uit.

Intusschen gaf de connetabel zich aan bittere overpeinzingen over. Zijn arrestatie had hem de oogen geopend over de ware oorzaak van zijn ongeluk. Hij gaf zich geheel over aan zijn jaloezie; en zijn trouw verwenschend, die hem tot nu toe tot eer had gestrekt, dorstte hij slechts naar wraak. Daar hij zeer goed begreep, dat de koning dezen nacht niet zou laten voorbijgaan om Blanche op te zoeken, vroeg hij aan den gouverneur van Palermo hem vrij te laten, met het doel hen samen te verrassen, en gaf de verzekering, den volgenden morgen terug te komen. De gouverneur, die met hem bevriend was, ging er des te eerder toe over, daar hij wist dat Siffredi zijne invrijheidsstelling had bewerkt; zelfs liet hij hem een paard geven om naar Belmonte te rijden. Daar aangekomen, bond de connetabel zijn paard aan een boom, ging het park binnen door een deur, waarvan hij den sleutel bezat, en was zoo gelukkig het kasteel binnen te gaan zonder dat iemand hem zag. Hij bereikte de kamer van zijn vrouw en verborg zich in de antichambre, achter een tochtscherm. Hij was van plan vandaar alles te bespieden wat er gebeurde en dan plotseling de kamer van Blanche binnen te treden bij het minste gerucht, dat hij vernam. Hij zag Nisa weggaan, die hare meesteres verliet om naar het vertrekje te gaan waar zij sliep.

De dochter van Siffredi, die zonder moeite de reden had geraden waarom haar echtgenoot was gevangen genomen, oordeelde terecht, dat hij dien nacht niet te Belmonte zou terugkeeren, ofschoon, zooals haar vader zei, de koning hem verzekerd had, dat hij weldra terug zou zijn; zij twijfelde niet of Enrique zou van de gelegenheid gebruik maken om haar te zien en vrij met haar te praten. Zij verwachtte dus den prins om hem een daad te verwijten, welke verschrikkelijke gevolgen voor haar kon hebben.

Werkelijk opende zich, eenigen tijd nadat Nisa vertrokken was, de wand en wierp de koning zich aan de voeten van Blanche. “Mevrouw,” zei hij haar, “veroordeel niet zonder mij te hooren. Indien ik den connetabel heb laten gevangen nemen, bedenk dan, dat dit het eenige middel was, dat mij overbleef om mij te rechtvaardigen. Deze list hebt gij trouwens u zelf te wijten. Waarom weigerde gij mij aan te hooren? Helaas, morgen zal uw echtgenoot vrij zijn en ik zal niet langer met u kunnen spreken. Luister dus voor de laatste maal naar mij. Indien uw verlies mijn lot beklagenswaard maakt, sta mij dan ten minste den schralen troost toe, u te zeggen, dat ik dit ongeluk niet door mijn ontrouw over u heb gebracht. Het kon niet anders, in de omstandigheden, waarin uw vader mij had geplaatst. Ik moest de prinses bedriegen in uw en mijn belang om u de kroon en de hand van uw minnaar te verzekeren. Ik wilde slagen, ik had reeds maatregelen genomen om deze verloving af te breken; maar gij hebt mijn werk vernietigd en van uwe lichtvaardigheid hebt gij twee harten, die door een volmaakte liefde verbonden hadden kunnen zijn, voor eeuwig in het ongeluk gestort.” Hij was zoo wanhopig aan het einde van dit gesprek, dat Blanche er door geroerd werd. Zij twijfelde niet langer aan zijn onschuld; eerst was zij er blij om en later werd haar smart des te heviger. “Ach seigneur,” zei zij tegen den vorst, “na de beschikking van het lot veroorzaakt gij mij nieuwe smart door mij te zeggen, dat gij niet schuldig zijt. Wat heb ik gedaan ongelukkige, mijn boosheid heeft mij overweldigd, ik dacht wreed verlaten te zijn en in mijn spijt heb ik de hand van den connetable aanvaard. Helaas terwijl ik u beschuldigde van bedrog, was ik het zelf die, te lichtgeloovige minnares, de banden doorsneed, welke ik gezworen had nimmer te zullen verbreken. Wreek u seigneur, op uw beurt. Haat de ondankbare Blanche. Vergeet....” “Is dat noodig mevrouw?” viel Enrique haar in de rede. “Gij moet het toch trachten te doen,” zei zuchtend de dochter van Siffredi. “Zoudt gij het zelf kunnen?” “Ik beloof het niet maar zal toch alles doen, om dat doel te bereiken,” antwoordde zij. “Ach, wreede vrouw,” zei de prins, “gij zult gemakkelijk Enrique vergeten, wanneer gij dit wilt.” “Maar wat wilt gij dan?” vroeg Blanche op vasten toon. “Denkt gij, dat ik kan toestaan, dat gij nog langer uwe zorgen aan mij wijdt? Neen seigneur, wanneer ik niet geboren ben om koningin te zijn, heeft de hemel mij toch ook niet bestemd om eene ongeoorloofde liefde te volgen. Mijn echtgenoot is, als gij seigneur, gesproten uit het edele huis van Anjou; en wanneer mijn gegeven woord mij niet reeds aan hem bond en uwe toenadering onverbiddelijk afwees, dan zou toch mijn eer zich daartegen verzetten. Ik verzoek u heen te gaan; wij moeten elkander niet meer zien.” “Welk een barbaarschheid,” riep de koning. “Ach Blanche, is het mogelijk, dat gij mij zoo hardvochtig behandelt? Is het dus niet genoeg, dat ik u moet denken in de armen van den connetabel maar gij wilt mij nog verbieden u te zien, de eenige troost welke mij overblijft?” “Ga heen,” antwoordde de dochter van Siffredi met tranen in de oogen, “hem te zien, die mij teeder heeft lief gehad, is mij een kwelling nu ik de hoop heb verloren hem ooit te bezitten. Adieu seigneur, vlucht, gij moet dat doen ter wille van uw roem en mijn goeden naam. Ik vraag het u ook ter wille van mijn rust; want ofschoon mijn deugd niet bezwijken zal voor de neigingen van mijn hart, veroorzaakt de herinnering aan uwe teederheid zulk een wreeden strijd, dat het mij te veel kost om er steeds weerstand aan te bieden.”

Zij uitte deze woorden met zooveel heftigheid, dat zij zonder er aan te denken een flambouw omstootte, die op een tafel achter haar stond. Deze ging uit onder het vallen. Blanche zocht ze op, ging naar het kamertje van Nisa door de antichambre en kwam weldra met licht terug. De koning zag haar niet of hij begon haar zijn liefde op te dringen. Bij het hooren van de stem van den vorst trad de connetabel met den degen in de hand het vertrek binnen, liep vol woede op Enrique toe, en riep uit: “Het is genoeg tyran, denk niet, dat ik laf genoeg ben om de beleediging te verduren, welke gij mijn eer hebt aangedaan.” “Ha verrader,” antwoordde de koning zich verdedigend opstellend, “verbeeld je niet ongestraft je plan te kunnen volvoeren.” Na deze woorden begonnen zij een gevecht dat te hevig was om lang te kunnen duren. De connetabel bedenkende, dat Siffredi en zijn dienaren te spoedig zouden komen aanloopen op de kreten van Blanche en zich tegen zijn wraak zouden verzetten, ontzag zich niet. Zijn woede maakte hem blind, hij berekende zoo slecht zijn uitvallen, dat hij zich zelf in den degen van zijn vijand wierp; deze ging hem in het lichaam tot aan het gevest en de koning hield op.

De dochter van Leontio, getroffen door den toestand waarin zij haar echtgenoot zag en den natuurlijken afkeer overwinnend dien zij voor hem koesterde, knielde en wilde hem helpen. Maar deze ongelukkige echtgenoot was te zeer op haar verbitterd, om zich te laten verteederen door de betuigingen van haar smart en medelijden. De dood, die hij voelde naderen, kon zijn jalouzie niet verminderen. Hij zag in de laatste oogenblikken slechts het geluk van zijn tegenstander en deze gedachte scheen hem zoo vreeselijk toe dat hij alles wat hem nog aan kracht overbleef verzamelend, zijn degen ophief en haar in den boezem van Blanche stootte, en uitriep: “Sterf trouwelooze echtgenoote, die zoo schromelijk de trouw hebt geschonden, die gij mij op het altaar hadt gezworen. En gij,” vervolgde hij, “Enrique, verheug u niet in uw lot. Gij zult u niet verheugen over mijn ongeluk, ik sterf tevreden.” Na deze woorden gaf hij den geest en zijn gelaat, bedekt door den schaduw des doods had nog iets fiers en verschrikkelijks. Dat van Blanche leverde een geheel anderen aanblik. Doodelijk getroffen was zij op het stervende lichaam van haar echtgenoot gevallen en het bloed van het ongelukkige slachtoffer vermengde zich met dat van den moordenaar, die zoo snel zijn wreed besluit had ten uitvoer gebracht, dat de koning hem niet had kunnen tegenhouden. De ongelukkige prins uitte een kreet toen hij Blanche zag vallen en wilde aan haar dezelfde zorgen wijden waarvoor zij zoo slecht beloond werd. Maar stervende zei zij: “Seigneur, uwe moeite is te vergeefs, ik ben het slachtoffer, dat het onverbiddelijk noodlot eischte. Moge nu zijn toorn gestild zijn en mijn lot bijdragen tot het geluk van uwe regeering.” Terwijl zij deze woorden sprak, kwam Leontio op het rumoer de kamer binnen en getroffen door wat hij zag, bleef hij onbeweeglijk staan. Blanche zag hem niet en vervolgde: “Vaarwel, prins, blijf aan mij denken, mijn liefde en mijn ongeluk verplichten u daartoe. Wees niet boos op mijn vader. Ontzie zijne ouderdom, zijn smart en doe recht wedervaren aan zijn ijver. Zeg hem vooral, dat ik onschuldig ben; dat verzoek ik u in de allereerste plaats. Adieu, mijn waarde Enrique.... ik sterf.... ontvang mijn laatste zucht....”

Bij deze woorden stierf zij. De koning bleef eenigen tijd zwijgen. Vervolgens zei hij tegen Siffredi die roerloos bleef staan: “Zie, Leontio, beschouw uw werk; zie het resultaat van uw heimelijke zorgen voor mijn welzijn.” De grijsaard antwoordde niet, zoozeer werd hij beheerscht door smart. Maar waarom zal ik datgene trachten te beschrijven, waarvoor geen woorden te vinden zijn?

De koning behield zijn geheele leven een teedere herinnering aan zijn geliefde. Hij kon niet besluiten met Constance te huwen. De infant don Pedro huwde met deze prinses en beiden lieten niets achterwege om de bepaling in het testament in vervulling te laten gaan, doch ten slotte moesten zij voor Enrique wijken, die zijn vijanden overwon. Wat Siffredi betreft, het verdriet zooveel ongeluk te hebben veroorzaakt deed hem het verblijf in zijn vaderland ondragelijk worden. Hij verliet Sicilië en ging met Porcia, zijn overgebleven dochter, naar Spanje, waar hij dit kasteel kocht. Hij leefde nog 15 jaar na den dood van Blanche en had voor zijn dood nog de troost dat Porcia huwde. Zij werd de echtgenoote van Jerome de Silin en ik ben de eenige vrucht uit dit huwelijk. Ziedaar, vervolgde de weduwe van don Pedro de Pinares, mijne familiegeschiedenis en een trouw verhaal van de ongelukken, die op deze schilderij worden voorgesteld, welke Leontio, mijn grootvader, liet vervaardigen om bij zijn nakomelingschap het aandenken aan dit noodlottig avontuur levendig te houden.”