Ortiz, hare metgezellen en ik verlieten de zaal na dit verhaal te hebben aangehoord en lieten Aurora met Elvira alleen. Zij bleven het overige gedeelte van den dag bij elkaar, verveelden zich niet en toen wij den volgenden dag vertrokken, kostte het scheiden haar evenveel, of zij oude vriendinnen waren. Eindelijk kwamen wij zonder ongeval te Salamanca aan. Wij huurden er een geheel gemeubeld huis en juffrouw Ortiz nam zooals was overeengekomen den naam aan van Kimena de Guzmann. Zij was te lang dienstbaar geweest om geen goede actrice te zijn. Op zekeren morgen ging zij met Aurora, eene kamenier en een knecht naar het pension, waar Pocheco gewoonlijk logeerde. Zij vroeg kamers te huur, betaalde vooruit en zei, dat deze bestemd waren voor een harer neven, die van Tolledo kwam om te studeeren.
Toen zij terug waren, liet de schoone Aurora geen tijd verloren gaan om zich als heer te verkleeden. Zij bedekte haar zwarte haar met een blonde pruik, verfde zich de wenkbrauwen in dezelfde kleur en werkte zoo handig, dat zij zeer wel voor een jongen man kon doorgaan. Zij bewoog zich gemakkelijk en vrij en met uitzondering van haar gelaat, dat iets te mooi was voor een man, verraadde niets haar vermomming. De kamenier, die als page dienst moest doen, verkleedde zich ook en wij waren ook over haar tevreden; want behalve dat zij niet een van de mooisten was had zij iets brutaals in haar uiterlijk, wat zeer goed in haar rol paste. ’s Middags waren de beide actrices gereed om ten tooneele te verschijnen en wij reden naar het pension met alle benoodigde kleedingstukken.
De waardin Bernarda Ramirez geheeten, ontving ons voorkomend en wij werden het spoedig met haar eens over den prijs en vroegen haar of zij reeds meer pensiongasten had. “Op ’t oogenblik niet,” antwoordde zij, “ik zou er genoeg hebben, als ik iedereen in mijn huis wilde nemen, ik wil echter alleen jongelieden. Ik verwacht er van avond een, die uit Madrid komt om zijn studiën te voltooien. Het is don Louis de Pacheco, hoogstens twintig jaar oud. Indien gij hem niet persoonlijk kent, hebt gij misschien van hem hooren spreken.” “Neen,” zei Aurora, “ik weet, dat hij van goede familie is maar verder niets en waar ik hier met hem moet wonen, zou ik gaarne iets meer over hem vernemen.” “Seigneur,” antwoordde de waardin, “het is een schitterend figuur. Hij is bijna zoo jong als u. Samen zult gij een goed paar vormen. Bij den heiligen Jacobus, ik zal mij kunnen beroemen ten mijnen huize de twee knapste jonge edellieden uit Spanje te hebben.” “Heeft deze don Louis,” vroeg mijne meesteres, “hier dan geen veroveringen gemaakt?” “O, zeker, zooveel als hij maar wil. Hij heeft o.a. tusschen ons gezegd, een dame bekoord, die jong en schoon is; zij heet Isabella. Het is de dochter van een ouden doctor in de rechten. Zij is zoo verliefd, dat zij er het verstand nog eens door zal verliezen.” “En zeg mij,” vroeg Aurora haastig, “is hij ook op haar verliefd?” “Hij hield van haar,” antwoordde Bernarda Ramirez, “voor zijn vertrek naar Madrid, maar ik weet niet of hij haar nog bemint want hij loopt van vrouw tot vrouw, zooals alle jonge edellieden dat gewoon zijn.” De goede weduwe had ternauwernood uitgesproken of wij hoorden geraas voor de deur. Wij keken door het raam en zagen twee mannen van hunne paarden afstijgen. Het was don Louis Pacheco, die met een kamerdienaar van Madrid kwam. De oude vrouw verliet ons om hem te ontvangen en mijne meesteres maakte zich gereed de rol van don Felix te gaan spelen. Don Louis kwam gelaarsd en gespoord in ons vertrek. “Ik verneem,” zeide hij, terwijl hij Aurora groette, “dat een jonge edelman uit Toledo ook in dit hotel is afgestapt, mag ik hem daarover mijn vreugde betuigen?” Terwijl mijne meesteres hem op haar beurt een compliment maakte kon Pacheco niet nalaten te zeggen, dat hij nog nooit een edelman had gezien, die zoo mooi en goedgevormd was. Na allerlei beleefdheden, ging don Louis naar zijn eigen appartementen.
Terwijl hij zijn sporen liet afdoen en van kleeding verwisselde, ontmoette een soort van page, welke hem zocht om hem een briefje te geven, bij toeval Aurora op de trap. Hij hield haar voor don Louis en gaf haar het briefje. “Hier, seigneur,” zei hij, “ofschoon ik seigneur Pacheco niet ken, behoef ik niet te twijfelen, dat gij het zijt.” “Neen, vriend,” antwoordde mijne meesteres met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, “gij doet uw boodschappen goed. Gij hebt goed geraden dat ik don Louis Pacheco ben.” De page verdween en Aurora zich met ons verwijderend, las: “Ik verneem dat gij te Salamanca zijt. Met welk een vreugde heb ik deze tijding ontvangen, ik dacht er gek van te worden. Maar bemint gij Isabella nog? Haast u haar te verzekeren dat gij niet veranderd zijt. Ik denk dat zij van pleizier zal sterven als zij u trouw terugvindt.”
“Dat briefje is hartstochtelijk; daar speekt een innige liefde uit. Deze dame is een mededingster, waarvoor ik op mijn hoede moet zijn. Ik moet don Louis van haar losmaken en zorgen, dat hij haar niet terug ziet. Het is niet gemakkelijk, maar ik wanhoop niet dit resultaat te bereiken.” Mijn meesteres ging zitten peinzen en zei een oogenblik daarna: “Ik beloof je, dat ze in minder dan vier en twintig uur gebrouilleerd zijn.” Nadat Pacheco een weinig uitgerust was, kwam hij ons opzoeken en begon met Aurora te praten. “Seigneur” zei hij schertsend, “ik geloof, dat de echtgenooten en minnaars zich over uw komst te Salamanca niet behoeven te verheugen: gij zult ze in onrust brengen. Ik voor mij beef nu reeds voor mijne veroveringen.” “Luister,” zei mijne meesteres, “uwe vrees is niet misplaatst. Don Felix de Mendoza is niet weinig te duchten, dat verzeker ik u en ik weet nu al, dat de vrouwen hier niet ongevoelig zijn.” “Hebt gij daarvoor reeds een bewijs?” “Een duidelijk bewijs,” antwoordde de dochter van don Vincent, “ik ben hier voor een maand ook geweest n.l. acht dagen en, in vertrouwen gezegd, heb ik de dochter van een ouden dokter in de rechten het hoofd op hol gemaakt.”
Ik bemerkte dat don Louis bij deze woorden schrok. “Mag ik zonder onbescheiden te zijn, vragen hoe deze dame heet?” “Hoe, onbescheiden, waarom zou ik er een geheim van maken?” riep de valsche don Felix uit. “Denkt ge, dat ik kiescher ben dan andere edellieden van mijn leeftijd? Beoordeel mij niet zoo onrechtvaardig. Tusschen ons gezegd verdient zij zooveel kieschheid niet. Het is een burgerdame. Gij weet wel, dat een man van stand zich niet ernstig met zulk een vlinder ophoudt en dat hij gelooft, dat hij haar een eer bewijst door haar te onteeren. De naam van de dame in quaestie is Isabella.” “En heet misschien de dokter,” vroeg Pacheco ongeduldig, “Murcia de la Lhana?” “Juist,” antwoordde mijne meesteres. “Ziehier een brief welke ik juist heb ontvangen en waaruit gij zult zien, dat zij het goed met mij meent.” Don Louis keek naar het schrift en dat herkennend, keek hij strak voor zich. “Wat zie ik,” vervolgde Aurora verwonderd, “gij verandert van kleur. Ik geloof heusch, dat gij belang in dit persoontje stelt. Ach waarom heb ik zoo openhartig tot u gesproken?”
“Ik ben er u dankbaar voor,” antwoordde don Louis met een gevoel van spijt vermengd met toorn. “De ontrouwe, wispelturige! Don Felix, wat ben ik u niet verschuldigd? Gij bevrijdt mij van een dwaling waarin ik anders misschien nog lang had verkeerd. Ik dacht bemind te worden, wat zeg ik, bemind? ik dacht aangebeden te worden door Isabella. Ik droeg het schepsel eenige achting toe en nu zie ik, dat het slechts eene coquette is, alleen mijn verachting waardig.” “Ik begrijp uw woede,” zei Aurora, eveneens verontwaardigd. “De dochter van een dokter in de rechten moest tevreden zijn wanneer zij een zoo beminnelijk heer als gij tot minnaar had. Ik kan haar onstandvastigheid niet verontschuldigen en wel verre van prijs te stellen op de voorkeur die zij mij schenkt, wil ik voortaan niets meer van haar goedheid weten.” “Ik voor mij,” zei Pacheco, “wil haar nooit meer zien; dat is de eenige wraak die ik kan nemen.” “Gij hebt gelijk,” riep de valsche Mendoza uit; “om haar te doen weten, hoezeer wij haar verachten moeten wij haar beiden een beleedigenden brief schrijven, in antwoord op haar schrijven. Maar alvorens tot dit uiterste over te gaan, moet gij uw hart raadplegen, opdat gij nooit berouw krijgt met haar gebroken te hebben.” “Neen maar,” antwoordde don Louis, “deze zwakheid zal ik niet hebben en om de ondankbare te straffen, zullen wij doen wat gij voorstelt.”
Dadelijk ging ik papier en inkt halen, en zij begonnen beiden zeer vriendelijke briefjes voor de dochter Murcia de la Lhana samen te stellen. Pacheco vooral kon geen woorden naar zijn zin vinden om zijn gevoelens uit te drukken en hij verscheurde vijf of zes brieven omdat zij hem niet kras genoeg voorkwamen. Eindelijk had hij er een waarover hij met recht tevreden was. Deze luidde aldus: “Leer uzelf kennen, mijne koningin, en wees niet zoo ijdel te gelooven, dat ik u bemin. Er is een andere verdienste noodig dan de uwe om mij te binden. Gij zijt alleen geschikt om tot amusement te dienen voor de jongste studenten van de universiteit”. Het briefje van Aurora was niet minder beleedigend en toen zij gereed was, deed zij beide in enveloppen en zei: “Hier Gil Blas, zorg dat Isabella dat nog heden ontvangt. Heb je me begrepen?” vroeg ze knipoogend. Ik begreep haar en zei: “Ja, seigneur, ik zal doen zooals u verlangt”.
Ik ging dadelijk weg en dacht bij mijzelf: “Komaan mijnheer Gil Blas, gij wordt op de proef gesteld. Laat nu eens zien, mijn vriend, dat gij genoeg geest hebt, om een rol te spelen, die dat eischt. Seigneur Felix heeft u een teeken gegeven. Hij wil dat ik alleen het briefje van don Louis weg breng, dat beteekent dit knipoogje, niets is duidelijker.” Overtuigd, dat ik mij niet vergiste, maakte ik het pakket los en haalde den brief van Pacheco er uit, die ik vervolgens naar Murcia bracht. Aan de deur vond ik den kleinen knaap, die naar het hotel was gekomen met het schrijven van Isabella en ik vroeg hem: “Broeder, zijt gij niet de bediende van de dochter van mijnheer den dokter Murcia?” Hij antwoordde, dat het zoo was met een gezicht, waarop te lezen stond, dat hij gewend was galante briefjes te bezorgen en ze te ontvangen. “Gij ziet er zoo betrouwbaar uit, dat ik u durf vragen dit briefje aan uw meesteres te brengen.”
De knaap vroeg mij van wien ik kwam en ik had den naam van don Louis Pacheco niet genoemd, of hij zei: “Wil mij volgen, ik moet u bij Isabella brengen, die u wil spreken.” Ik werd in een vertrek gelaten en kort daarop verscheen de senora. Ik werd getroffen door de schoonheid van haar gelaat; nooit zag ik fijnere trekken. Zij had een kinderlijk uiterlijk, maar dat belette niet, dat zij reeds bijna dertig jaar zonder leiband had geloopen. “Vriend,” zei ze lachend, “zijt gij bij don Louis in dienst?” Ik antwoordde dat ik sedert drie weken zijn kamerdienaar was. Vervolgens gaf ik haar het briefje. Zij las het twee of drie maal alsof zij haar oogen niet vertrouwde. Zij had dan ook alles behalve zulk een antwoord verwacht. Zij richtte haar blik omhoog beet op haar lippen en eenige oogenblikken was haar hartepijn op haar gelaat te lezen. Plotseling vroeg zij mij: “Zeg eens vriend, is don Louis gek geworden na onze scheiding? Ik begrijp er anders niets van. Vertel mij waarom hij zoo beleefd schrijft. Is hij door den duivel bezeten? Als hij met mij wilde breken, behoefde hij’t toch niet aldus te doen?”
“Madame,” antwoordde ik, een oprecht gezicht zettend, “mijn meester heeft bepaald ongelijk, maar in zeker opzicht werd hij hiertoe gedwongen. Indien u mij belooft de zaak geheim te houden, zal ik u de zaak uitleggen.” “Ik beloof het u,” viel zij mij in de rede. “Vrees niet, dat ik u in moeilijkheden zal brengen. Spreek maar vrij uit.” “Even vóór de bezorging van uw briefje is er eene dame gekomen, welke naar Senor Pacheco vroeg en eenigen tijd later hoorde ik haar zeggen: “gij belooft mij haar niet weder te zien en om mij tevreden te stellen zult gij haar een brief schrijven, welke ik u zal dicteeren.” Don Louis heeft gedaan, wat zij verlangde en zoo ziet gij, madame, dat de brief het werk is van een mededingster en dat denhalve mijn meester zoo schuldig niet is.”—“O hemel,” riep zij uit, “hij is ’t nog meer dan ik eerst dacht. Zijn ontrouw doet mij meer pijn dan de beleedigende woorden, welke hij heeft geschreven. Maar laat hij zich gerust aan zijn nieuwe liefde wijden, zeg hem, dat hij mij niet behoefde te beleedigen om mij te verplichten het veld te ruimen voor eene mededingster en dat ik te zeer een ontrouw minnaar veracht om nog lust te hebben hem terug te roepen.” Hierna verliet ik het huis van de Murcia de la Lhana, zeer tevreden over mij zelf. In mijn hotel aangekomen, vond ik de heeren Mendoza en Pacheco, samen aan het souper en pratend alsof zij elkander jaren gekend hadden. Aurora bemerkte aan mijn tevreden gezicht, dat ik mij niet slecht gekweten had van mijn opdracht. “Wel Gil Blas,” zei ze, “vertel ons eens hoe gij gevaren zijt.” Ik vertelde, dat Isabella na de beide brieven gelezen te hebben in lachen was uitgebarsten, zeggende: “Op mijn woord, de brieven hebben een fraaien stijl, ik moet bekennen, dat anderen minder geestig schrijven.” “Zij redt zich er goed uit,” riep mijn meesteres uit, “het is bepaald een coquette van het ergste slag.”—“Wat mij betreft,” zei don Louis, “herken ik Isabella niet en moet zij tijdens mijne afwezigheid wel zeer veranderd zijn.”—“Ik had haar ook anders beoordeeld,” antwoordde Aurora. “Maar er zijn vrouwen, die kunnen doen zooals zij willen. Ik heb er een bemind en ik ben er lang de dupe van geweest. Gil Blas zal het u zeggen, dat zij ieder met een trouw gezicht wist te bedotten.”—“Het is waar,” zei ik, mij in het gesprek mengend, “zij was een gewikste; ik zou er zelf zijn ingeloopen.” Mendoza en Pacheco lachten, dat zij schaterden toen zij mij aldus hoorden spreken en inplaats van geraakt te zijn, dat ik mij in het gesprek mengde, richtten zij dikwijls het woord tot mij om zich over mijn antwoorden te vermaken. Wij spraken over veinzende vrouwen en het resultaat was, dat Isabella eene echte coquette was en bleef. Don Louis zwoer, haar niet weer te willen zien; don Felix zwoer op zijn beurt, dat hij haar steeds zou verachten. Daarna sloten zij vriendschap en spraken af nooit iets voor elkaar verborgen te houden. Eindelijk scheidden zij en ieder begaf zich naar zijn appartementen, waar ik Aurora een juist verslag gaf van het onderhoud met de dochter des dokters, ik vergat geen enkele bijzonderheid, ja ik dikte ze nog ietwat aan, zoodat mijne meesteres in de wolken was. “Waarde Gil Blas,” zei ze, “ik ben verrukt over uw slimheid. Wanneer men het ongeluk heeft een hartstocht te koesteren, welke ons verplicht listen te baat te nemen, is het een voordeel iemand in dienst te hebben, die zoo gevat is als gij. Moed, mijn vriend, wij hebben nu een mededingster uit den weg geruimd, die ons kon schaden; dat is geen slecht begin. Maar waar gelieven somtijds plotseling op een besluit terugkomen, ben ik van plan het avontuur te verhaasten en morgen reeds Aurora de Guzmann ten tooneele te voeren.” Ik juichte dit denkbeeld toe en seigneur don Felix met zijn page alleen latend, ging ik naar het vertrek waar mijn bed stond.
De twee nieuwe vrienden kwamen den volgenden morgen bij elkaar en begonnen met omhelzingen, waaraan Aurora zich moest onderwerpen om haar rol van Don Felix goed te spelen. Daarna gingen zij samen in de stad wandelen en ik vergezelde hen niet Chilindron, den knecht van don Louis. Bij de universiteit bleven wij staan kijken naar eenige kennisgevingen omtrent boeken, die aan de deur waren aangeplakt. Verscheidene personen vermaakten zich met ze te lezen en ik bemerkte onder hen een klein mannetje, dat over deze werken zijn oordeel uitsprak. Ik bemerkte, dat men met alle aandacht naar hem luisterde, en te zelfder tijd zag ik, dat hij meende waard te zijn, dat men naar hem luisterde. Hij scheen ijdel en was beslist in zijn spreken als alle kleine mannetjes. “Deze nieuwe vertaling van Horatius,” zei hij, “welke gij met zoo groote letters vindt aangekondigd, is een werk in proza, saamgesteld door een oud schrijver van het college. Het is een boek, dat door de scholieren zeer wordt geroemd, zij alleen hebben vier edities verslonden. Maar geen eerlijk man heeft er een exemplaar van gekocht.” Zijn oordeel over de andere boeken was niet veel gunstiger: zonder genade keurde hij ze allen af. Oogenschijnlijk was hij zelf schrijver. Ik had hem gaarne tot het einde aangehoord, maar ik moest don Louis en don Felix volgen, daar deze even weinig belang stelden in zijn rede als in de boeken zelf en hem en de universiteit den rug toedraaiden. Wij kwamen tegen het uur van het diner aan ons hotel. Aan tafel bracht mijne meesteres behendig het gesprek op hare familie. “Mijn vader,” zei ze, “was de jongste zoon uit het huis van Mendoza en vestigde zich te Toledo; mijne moeder is eene eigen zuster van dona Kimena de Guzmann, die eenige dagen geleden te Salamanca is gekomen voor zaken met haar nicht, Aurora, eenige dochter van don Vincent de Guzmann, dien gij misschien hebt gekend.”—“Neen,” antwoordde don Louis, “maar ik heb dikwijls over hem en zijne dochter Aurora hooren spreken. Moet ik gelooven hetgeen men van deze jonge dame vertelt? Men verzekert dat niets haar verstand en schoonheid evenaart.”—“Wat haar verstand betreft,” antwoordde don Felix, “daar ontbreekt het haar niet aan, maar zoo bijzonder mooi is zij niet, men vindt dat wij veel op elkander gelijken.”—“Als dat zoo is,” riep Pacheco uit, “dan draagt zij haar reputatie met eere. Uw trekken zijn regelmatig, uw gelaat is mooi, werkelijk ik zou haar wel eens willen zien.”—“Ik wil uwe nieuwsgierigheid wel bevredigen,” antwoordde de valsche Mendoza, “en nog wel dezen dag. Na het diner zullen wij naar mijne tante gaan.” Daarna sprak mijne meesteres plotseling over iets anders. ’sMiddags nam ik mijne maatregelen en waarschuwde de duenna met het oog op de komende dingen. IJlings keerde ik terug om don Felix te vergezellen, die seigneur don Louis aan zijne tante zou voorstellen. Nauwelijks waren wij daar gekomen, of de tante kwam ons tegemoet met een: “Stil, stil, gij zult mijne nicht wakker maken, zij heeft sedert gisteren een verschrikkelijke migraine, die juist een beetje over is, en nu slaapt het arme kind gelukkig sedert een kwartier.” “Dat spijt mij zeer,” zei Mendoza, “ik had gehoopt mijne nicht te zien, ik had mijn vriend Pacheco gaarne met haar in kennis willen brengen.”—“O, dat heeft zulk een haast niet,” zei Ortiz glimlachend, “stel ’t maar tot morgen uit.” De heeren vertrokken daarop spoedig.
Don Louis bracht ons bij een zijner vrienden, die don Gabriel de Pedros heette. Wij bleven er den geheelen avond, soupeerden er en gingen eerst om twee uur ’s nachts naar huis. Toen wij halverwege waren gekomen, vonden wij twee mannen op straat liggen. Wij dachten, dat het ongelukkigen waren, die men vermoord had, en wij bleven staan om zoo mogelijk nog hulp te verleenen. Terwijl wij een onderzoek instelden, kwam de patrouille en de aanvoerder, denkend dat wij de moordenaars waren, liet ons door zijn lieden omsingelen. Gelukkig kreeg hij van ons een beteren indruk toen hij ons had hooren spreken en, voor zoover de nachtelijke duisternis het toeliet, ons gelaat had gezien. Zijn boogschutters bemoeiden zich nu met de door ons doodgewaande mannen en het bleek, dat het een groot losbol was met zijn knecht, beiden dronken als een kanon. “Mijne heeren,” riep een der mannen, “ik herken hem. Het is seigneur Guyomar, rector van onze universiteit, ondanks den toestand, waarin gij hem nu ziet, is hij een groot personage, een buitengewoon genie. Er is geen wijsgeer, dien hij niet afmaakt bij een strijdvraag, hij is welsprekend zonder weerga. Maar het is jammer, dat hij te veel van wijn, processen en meisjes houdt. Hij heeft bij zijn Isabella gesoupeerd, waar ongelukkigerwijs zijn begeleider even dronken geworden is als hij. Vóór de goede professor rector werd, gebeurde dit nogal eens vaak. Zoo ziet gij, dat eerbewijzen niet altijd de zeden veranderen.” Wij lieten de dronkaards in handen van de patrouille en gingen zoo spoedig mogelijk slapen.
Don Felix en don Louis stonden tegen den middag op en het eerste waarover zij het hadden, was Aurora. “Gil Blas,” zei mijn meester, “ga naar mijne tante dona Kimena en vraag haar of wij, seigneur Pacheco en ik, heden mijne nicht niet kunnen spreken.” Ik ging naar de duenna om met haar te overleggen en ik keerde naar de valsche Mendoza terug. “Seigneur,” zei ik, “uwe nicht is welvarend, zij verzocht mij te zeggen, dat uw bezoek haar zeer aangenaam zal zijn en dona Kimena vroeg mij seigneur Pacheco te verzekeren, dat hij steeds welkom zal zijn.” Ik bemerkte, dat deze laatste woorden don Louis veel genoegen deden. Mijn meesteres zag het ook en zag er een gelukkig voorteeken in. Tegen het diner kwam de kamerdienaar van dona Kimena en zei tot don Felix: “Seigneur, bij mevrouw uwe tante is een man uit Toledo geweest en heeft voor u dit briefje achtergelaten: “Indien gij nieuws wenscht te vernemen omtrent uw vader en andere belangrijke zaken, zult ge goed doen onmiddellijk, na ontvangst van dit schrijven, naar het Zwarte Paard te gaan, bij de universiteit.” “Ik ben te nieuwsgierig,” zei hij, “om niet aan de uitnoodiging gevolg te geven.”
“Pacheco,” zei hij, “wanneer ik binnen twee uur niet terug ben, kunt gij alleen naar mijn tante gaan, dan kom ik u daar na den middag wel opzoeken. Gij weet, wat Gil Blas u uit naam van dona Kimena gezegd heeft en ge kunt gerust er alleen heengaan.”
Inplaats van naar het Zwarte Paard te gaan, haastten wij ons naar juffrouw Ortiz. Aurora begon dadelijk met haar blonde pruik af te nemen, waschte en poetste aan haar wenkbrauwen, trok een japon aan en werd nu een echte brunette, zooals zij werkelijk was.
Haar vermomming was zoo goed gekozen, dat Aurora en don Felix werkelijk twee verschillende personen leken; het scheen zelfs, alsof zij veel grooter als vrouw dan als man was; het is waar, dat hare muiltjes met hunne hooge hakken daartoe niet weinig bijdroegen. Nadat zij aan haar bekoorlijkheid alle hulpmiddelen had toegevoegd, die de kunst daaraan kon verschaffen, wachtte zij don Louis met groote spanning, vermengd met vrees en hoop. Nu eens was zij vol vertrouwen in haar geestigheid en schoonheid, dan weer vreesde zij er een slecht gebruik van te zullen maken. Ortiz bereidde zich van haar kant ook zoo goed mogelijk voor om mijn meesteres te helpen. Daar Pacheco mij niet in dit huis moest zien, zou ik eerst tegen het einde van het bezoek verschijnen. Toen alles gereed was, verscheen don Louis. Hij werd zeer vriendelijk ontvangen en sprak twee of drie uur met Aurora, waarna ik binnenkwam en mij tot don Louis wendend, zei ik: “Seigneur, don Felix kan heden niet komen, hij verzoekt u hem te verontschuldigen, maar hij is in gezelschap van drie heeren uit Toledo en kon hen niet verlaten.” “O, die kleine losbol,” riep dona Kimena uit; “ongetwijfeld is hij aan de rol.”—“Neen mevrouw,” hernam ik, “hij onderhoudt zich met hen over ernstige zaken. Het speet hem zeer.” “O,” hernam mijn meesteres schertsend, “hij weet, dat ik ongesteld ben geweest en had een weinig meer haast kunnen betoonen om iemand te bezoeken, waarmede hij is geparenteerd; om hem te straffen wil ik hem in geen veertien dagen zien.”—“Ach, mevrouw,” zei don Louis, “wees niet zoo wreed, don Felix is genoeg te beklagen, dat hij u niet gezien heeft.”
Zij schertsten daarover eenigen tijd en vervolgens nam Pacheco afscheid. De schoone Aurora veranderde terstond van gedaante en werd weer edelman. Zij keerde zoo spoedig mogelijk naar het hotel terug. “Ik moet mij verontschuldigen, waarde vriend,” zei zij tegen don Louis, “dat ik niet bij mijne tante ben geweest, maar ik kon niet wegkomen van de personen, welke bij mij waren. Een troost is het echter voor mij, dat gij uwe nieuwsgierigheid hebt kunnen bevredigen. Welnu, wat denkt gij van mijne nicht, zeg het mij ronduit.”—“Ik ben verrukt over haar,” antwoordde Pacheco. “Gij hebt gelijk met te zeggen, dat gij op haar gelijkt. Ik heb nog nooit zulk eene treffende gelijkenis gezien, dezelfde gelaatsvorm, dezelfde oogen, dezelfde mond, dezelfde stem. Er is niettemin eenig onderscheid: Aurora is grooter dan gij, zij is bruin en gij zijt blond, gij zijt luchthartig, zij is ernstig, maar dat is alles waarin gij van elkander verschilt. Wat verstand betreft, geloof ik niet, dat een hemelsch wezen beter daarmee kan zijn toegerust. In één woord: zij is iemand van oneindige verdienste.”
Seigneur Pacheco sprak deze laatste woorden met zooveel vuur, dat Felix lachend antwoordde: “Vriend, het spijt mij u met dona Kimena in kennis te hebben gebracht en ge zult goed doen er niet meer heen te gaan, dat raad ik u aan voor uwe rust, Aurora de Guzmann zou u wel eens liefde kunnen gaan inboezemen....”
“Ik behoef haar niet meer te zien,” viel don Louis in, “om verliefd te worden, dat ben ik reeds.”—“Dat spijt mij voor u,” antwoordde Mendoza, “want gij zijt geen man om u aan een enkele vrouw te hechten en mijne nicht is geen Isabella, dat verzeker ik u. Zij zal geen minnaar willen hebben, die geen eerlijke trouwplannen koestert.”—“Trouwplannen! kan het anders met een meisje van haar stand? Gij beleedigt me door te denken dat ik een onedelen blik op haar zou kunnen werpen, gij moogt beter van mij denken, waarde Mendoza: helaas, ik zou de gelukkigste van alle mannen zijn wanneer zij mijn aanzoek aannam en haar lot aan het mijne wilde verbinden.”
“Als dat uwe bedoelingen zijn,” hernam don Felix, “wil ik u gaarne van dienst zijn. Ik zal morgen reeds trachten mijne tante voor uwe zaak te winnen daar zij veel invloed bij mijne nicht heeft.” Pacheco was hem buitengewoon dankbaar en wij bemerkten met vreugde, dat onze list zoo goed gelukte. Den volgenden dag wakkerden wij de liefde van don Louis nog door eene nieuwe vinding aan. Mijne meesteres kwam bij hem en vertelde, dat hij dona Kimena over hem had gesproken. “Ik had zeer veel moeite om haar gunstig voor u te stemmen. Zij was verbolgen op u. Ik weet niet wie u bij haar als een losbol heeft voorgesteld, maar vast staat, dat iemand u bij haar heeft zwart gemaakt; gelukkig heb ik u kunnen verdedigen en zoo den slechten indruk kunnen wegnemen, dien men haar van uw leven had gegeven.”
“Maar dat is nog niet alles,” vervolgde Aurora, “gij moet met mijne tante in mijn tegenwoordigheid een onderhoud hebben, dan zullen we ons verder van haar steun verzekeren.” Pacheco verlangde vol ongeduld naar dit gesprek met dona Kimena en den volgenden ochtend werd hij tevreden gesteld. De zoogenaamde Mendoza bracht hem bij juffrouw Ortiz en zij hadden een onderhoud, waarin don Louis blijk gaf in zeer korten tijd bijzonder verliefd te zijn geworden. De behendige Kimena veinsde zeer getroffen te zijn door zijn teederheid en beloofde alles in het werk te zullen stellen om haar nicht te bewegen hem te huwen. Pacheco wierp zich aan de voeten van zulk een goede tante om haar te bedanken voor haar vriendelijkheid. Don Felix vroeg daarop of zijn nicht reeds bij de hand was. “Neen,” antwoordde de duenna, “zij rust nog en gij kunt haar thans niet spreken, maar komt vanmiddag terug.” Dit antwoord was koren op den molen van don Louis, die den morgen verder zeer lang vond. Hij kwam thuis met Mendoza, die niet weinig genoot van de duidelijke verschijnselen eener echte liefde, die hij in den ander opmerkte.
Hij sprak slechts over Aurora en toen zij gegeten hadden, zei don Felix: “Ik krijg een idee. Ik zal even voor u bij mijne tante aanloopen en met mijn nicht persoonlijk spreken om zoo mogelijk te ontdekken hoe zij over u denkt.” Don Louis vond dit uitstekend; hij liet zijn vriend gaan en vertrok zelf een uur later. Mijne meesteres had zich dien tijd ten nutte gemaakt en was weder als vrouw gekleed, toen haar aanbidder verscheen. “Ik dacht,” zei deze, “hier don Felix te vinden.”—“Hij komt dadelijk,” antwoordde dona Kimena, “hij zit in mijn vertrek te schrijven.” Pacheco nam deze uitvlucht voor goede munt op, doch ondanks de aanwezigheid van zijne aangebedene bemerkte hij, dat de uren voorbijgingen zonder dat Mendoza verscheen en daar hij niet kon nalaten daarover eenige verwondering te laten blijken, begon Aurora plotseling te lachen en zei tegen don Louis: “Is het mogelijk dat gij niet het minste vermoeden hebt van het bedrog waarvan gij de dupe zijt? Een valsche blonde pruik en geverfde wenkbrauwen veranderen mij toch niet zoo, dat men zich daarin nog kan vergissen. Weet Pacheco, dat don Felix de Mendoza en Aurora de Guzmann slechts een en dezelfde zijn!”
Ze bepaalde zich er niet toe hem uit die dwaling te helpen; zij bekende hem het zwak, dat ze op hem had en alle stappen, welke zij gedaan had, om hem op het punt te brengen, waar ze hem hebben wilde. Don Louis was niet minder bekoord dan verrast door hetgeen hij zooeven gehoord had; hij wierp zich aan de voeten van mijn meesteres en zei haar met geestdrift: “Ah! schoone Aurora, kan ik werkelijk gelooven, dat ik de gelukkige sterveling ben, voor wien ge zooveel goedheid hebt gehad? Wat kan ik doen om u mijn erkentelijkheid te betuigen? Een liefde tot in eeuwigheid zou niet groot genoeg zijn om u dat te vergelden.” Die woorden werden gevolgd door duizenden andere teedere en hartstochtelijke uitdrukkingen, waarna de geliefden spraken over de maatregelen, welke ze hadden te nemen om tot de vervulling van hunne wenschen te geraken. Er werd besloten, dat wij allen dadelijk naar Madrid zouden vertrekken, waar wij onze comedie met een huwelijk zouden besluiten. Dat plan werd bijna met even groote snelheid uitgevoerd als het werd bedacht. Don Louis huwde veertien dagen later met mijne meesteres en hun bruiloft werd met vele luisterrijke feesten gevierd.
Drie maanden na dit huwelijk wilde mijn meesteres mijn diensten beloonen. Ze schonk mij honderd pistolen en zei: “Gil Blas, mijn vriend, ik jaag je niet weg, je kunt hier blijven zoolang als je wilt, maar een oom van mijn man, don Gonzale Pacheco, wil je als kamerdienaar hebben. Ik heb zoo gunstig over je gesproken, dat hij mij gezegd heeft, dat ik hem genoegen zou doen je aan hem over te doen. Het is een edelman van den ouden stempel, een man met een zeer nobel karakter; ge zult het goed bij hem hebben.”
Ik bedankte Aurora voor haar goedheid en, daar ze mij niet meer noodig had, nam ik de betrekking, welke mij werd aangeboden, te liever aan, omdat ik in de familie bleef. Op een goeden ochtend ging ik dus van de jonggehuwden naar don Gonzale. Hij was nog te bed, hoewel het bij den middag was. Toen ik zijn kamer binnenkwam, dronk hij een kop bouillon, dien een page hem bracht. De grijsaard had papillotten in zijn snor, bijna levenlooze oogen en een bleek, mager gelaat. Hij was een van die oude-jongeheeren, die in hun jeugd zwaar geleefd hebben en op een meer gevorderden leeftijd nog weinig wijzer zijn geworden. De ontvangst was aangenaam en hij zei me, dat, wanneer ik hem met evenveel ijver wilde dienen, als ik het zijn nicht gedaan had, ik het goed bij hem zou hebben. Na deze verzekering beloofde ik, dat ik hem dezelfde trouw zou bewijzen als aan zijn nicht en van dat oogenblik af aan nam hij mij in dienst.
Zoo had ik dus een nieuwen meester en God weet, wat voor man het was! Toen hij opstond, meende ik de opstanding van Lazarus te zien. Stel u een lichaam voor, zoo mager, dat men het naakt ziende, er best de theorie van het geraamte op had kunnen leeren. Hij had zulke dunne beenen, dat ze nog zeer mager schenen, nadat hij over elkaar drie of vier paar kousen had aangetrokken. Bovendien was die levende mummie asthmatisch en hoestte hij bij ieder woord, dat hem uit den mond kwam. Hij liet eerst chocolade komen, vroeg vervolgens papier en inkt, schreef een briefje, dat hij verzegelde en liet bezorgen door denzelfden page, die zijn bouillon had gebracht. Daarop zei hij tot me: “Mijn vriend, in ’t vervolg zal ik jou met mijn boodschappen belasten en bepaaldelijk die, welke dona Eufrasia betreffen. Die dame is een jeugdige persoon, die ik liefheb en die mij teeder bemint.”
Almachtig! zei ik bij mezelf; hoe kan men jonge menschen beletten zich te verbeelden, dat men hen liefheeft als die oude losbol denkt, dat men hem aanbidt? “Gil Blas,” vervolgde hij, “ik zal je heden al bij haar brengen; ik soupeer bijna iederen avond bij haar. Ge zult een zeer beminnelijke vrouw zien en bekoord worden door haar wijsheid en ingetogenheid. Zij lijkt volstrekt niet op die jonge onbezonnen wezens, die op het uiterlijk afgaan, maar heeft een rijpen geest; ze wil een man met gevoel en geeft boven de meest schitterende verschijningen, de voorkeur aan een man, die weet te beminnen.” Don Gonzale raakte niet uitgepraat over de voortreffelijkheden van zijn maîtresse, maar hij had een toehoorder, die moeilijk te overtuigen was. Na alles wat ik er al van gezien had bij tooneelspeelsters, geloofde ik niet van het geluk in de liefde van oude heeren. Ik deed echter maar, of ik alles voor goede munt aannam en prees zelfs den smaak van Eufrasia en zei, dat ze geen beminnelijker galant kon hebben. De goede man begreep niet, dat ik hem voor den gek hield, integendeel, zijn ijdelheid werd gestreeld door mijn woorden; ook nu bleek het weer, dat een vleier alles bij groote heeren kan wagen; ze slikken zelfs de meest overdreven complimentjes.
Nadat de oude heer geschreven had, trok hij met een tangetje een paar haren uit zijn baard, waschte zijn oogen, ooren en tanden en daarna verfde hij zijn snor, zijn wenkbrauwen en zijn haar. Hij had langer werk aan zijn toilet dan een oude dame, die het voortgaan van de jaren wil verbergen. Hij was juist klaar toen er een andere oude heer, een vriend van hem, binnenkwam, die graaf d’Asumar heette. Welk een verschil tusschen hen! Deze liet zijn grijze haren zien, leunde op een stok en scheen trotsch te zijn op zijn ouderdom, inplaats van jong te willen schijnen. “Mijnheer Pacheco,” zei hij bij het binnenkomen, “ik kom vragen of ik bij u kan dineeren.” “Wees welkom, graaf,” antwoordde mijn meester. Ze drukten elkaar de hand en begonnen in afwachting van het diner een gesprek. Het liep eerst over een stierengevecht, dat voor weinige dagen had plaats gehad. Evenals aan Nestor bood het aan de oude graafheden gelegenheid om het verleden te prijzen, zuchtend zei hij: “Helaas! de menschen van tegenwoordig zijn niet meer met die van vroeger te vergelijken; de pracht van de tournooien in mijn jeugd ziet men niet meer.” Ik lachte om de vooroordeelen van den ouden heer d’Asumar, die zich in dit opzicht niet tot de tournooien bepaalde; want toen hij aan tafel zat en men de mooiste perziken presenteerde, zei hij: “In mijn tijd waren de perziken grooter dan ze nu zijn; de natuur wordt van dag tot dag zwakker.” Lachend zei ik in me zelf, dat, ten tijde van Adam, de perziken dan wel buitengewoon groote afmetingen moesten hebben gehad.
De graaf d’Asumar bleef bijna tot den avond en zoodra hij weg was, zei mijn meester me hem te volgen. Wij gingen naar Eufrasia, die op honderd pas afstand van ons huis woonde. We vonden haar in een nette kamer, goed gekleed en hoewel ze minstens dertig jaar oud was, zag ze er als een minderjarige uit. Ze kon voor mooi doorgaan en ik bewonderde haar verstand. Ze was niet een van die kokette vrouwen, die door haar geest willen schitteren en vrij zijn in haar manieren, ze scheen zeer bescheiden. Ik was daar verbaasd over, omdat ik er niet bij bedacht, dat zulke schepsels zich weten te vormen naar het karakter van de rijke lieden en van de heeren, die in haar handen vallen. Willen die heeren opgewektheid, dan zijn ze levendig, houden ze van het ingetogene, dan zijn ze verstandig en deugdzaam. Ze zijn ware kameleons, die van kleur veranderen naar het humeur en den zin van de mannen, die haar naderen.
Don Gonzale had niet den smaak van de heeren, die een brutale schoonheid vragen; hij kon die niet uitstaan. Om hem aan te trekken moest een vrouw het uiterlijk van een Vestaalsche maagd hebben en Eufrasia regelde zich daarnaar; ze liet zien, dat men de beste comedianten niet altijd in de comedie vindt. Ik liet mijn meester bij zijn nimf en ging naar beneden, waar ik een oude huishoudster vond, in wie ik een soubrette, die kamenier was geweest van een tooneelspeelster, herkende; ook zij herkende mij. “Wel, mijnheer Gil Blas! U is dus bij Arsenia weg, zooals ik bij Constance?” “O zeker,” antwoordde ik, “al lang. Ik ben daarna in dienst geweest bij een jonkvrouw. Het leven van die menschen van den schouwburg is niet naar mijn smaak. Ik heb mijn ontslag genomen zonder de minste opheldering aan Arsenia te geven.” “Daar hebt ge goed aan gedaan,” zei de soubrette, die Béatrix heette. “Ik heb bijna op dezelfde wijze met Constance gedaan. Op een goeden ochtend zei ik, dat ik weg wilde, ze zei niets en we zijn gescheiden.”
“Het doet mij veel genoegen,” zei ik tegen haar, “dat wij elkaar in zulk een hoogst fatsoenlijk huis terugzien. Dona Eufrasia schijnt mij een uitstekende vrouw en ik geloof, dat zij een zeer goed karakter heeft.” “Daar bedriegt ge u niet in,” antwoordde zij mij, “ze is van goeden huize, wat men voldoende aan haar manieren kan zien en wat haar humeur betreft, kan ik u verzekeren, dat er niemand zachter en meer gelijkmoedig is. Ze is niet een van die lastige dames, die op alles aanmerkingen maken, die zonder ophouden schreeuwen, die haar personeel plagen en bij wie het dienen een hel is. Ik heb haar nog nooit hooren brommen; wanneer ik eens iets niet naar haar zin doe, zegt zij het me zonder kwaad te worden en nooit ontvalt haar een van die scherpe uitdrukkingen, waarmee sommige dames zoo vrijgevig zijn.”
“Mijn meester,” zei ik, “is ook zeer vriendelijk, hij behandelt mij familiaar, meer als zijnsgelijke dan als een lakei; in één woord, hij is de beste van alle menschen en wij zijn, in dit opzicht, u, zoowel als ik, heel wat beter geplaatst dan bij die comedianten.” “Duizend maal beter,” hernam Béatrix; “ik had een leven vol tumult en nu heb ik het stil. Er komt hier niemand anders dan don Gonzale. In mijn eenzaamheid zal ik niemand zien dan u en dat doet me genoegen. Ik heb al sinds lang zekere neiging voor u en ik heb dikwijls Laura benijd; maar eindelijk hoop ik niet minder gelukkig te zijn dan zij. Al bezit ik haar jeugd en schoonheid niet, ik ben daarentegen ook niet koket en wat niet genoeg te waardeeren is, ik ben trouw als een tortelduif.”
Daar de goede Béatrix een van die personen was, die verplicht zijn hare gunsten aan te bieden, omdat men haar die niet vraagt, was ik volstrekt niet van plan daarvan te profiteeren. Ik wilde dat echter niet laten blijken en was zelfs zoo beleefd met haar te spreken op een wijze, dat zij niet alle hoop verloor, dat ik haar eens zou liefhebben. Ik verbeeldde mij dus, dat ik een verovering had gemaakt, maar werd daarin bedrogen. De soubrette wilde mij niet alleen hebben om mijn mooie oogen, ze wilde mij gebruiken in het belang van haar meesteres, voor wie ze zulk een groote toewijding had, dat ze voor haar wel ik weet niet wien zou hebben omhelsd. Ik zag dat den volgenden morgen in, toen ik een briefje van mijn meester aan Eufrasia bracht. Deze dame ontving mij zoo vriendelijk mogelijk; ze zei me allerlei lievigheden en de oude huishoudster deed daaraan mee. De eene bewonderde mijn gezicht; de andere vond mij wijs en voorzichtig. Volgens haar bezat don Gonzale in mij een schat. In één woord, ze prezen me zóó, dat ik wantrouwend werd. Ik aanvaardde al die loftuitingen met de onnoozelheid van een dwaas, maar trachtte de beweegredenen te leeren kennen en door list tegenover list te stellen, slaagde ik erin het masker te doen oplichten.
“Hoor eens, Gil Blas,” zei Eufrasia, “het zal alleen van je zelf afhangen om je fortuin te maken. Sluit u bij ons aan, mijn vriend, Don Gonzale is oud en zijn gezondheid is zoo delicaat, dat de minste koorts met de hulp van een goeden dokter hem kan wegnemen. Laten wij de oogenblikken, die hem nog overblijven, goed gebruiken en trachten te bewerken, dat hij mij het beste van wat hij bezit, nalaat. Ik zal je er een goed aandeel van geven, dat beloof ik je en ge kunt op deze belofte evengoed vertrouwen alsof ik haar had gedaan voor alle notarissen in Madrid.” “Mevrouw,” antwoordde ik haar, “beschik over uw dienaar. U hebt mij maar te zeggen wat ik te doen heb en u zult tevreden zijn.” “Welnu!” antwoordde zij, “ge moet uw meester goed opnemen en mij op de hoogte houden van alles. Wanneer ge met u beiden zijt, verzuim dan niet om het gesprek op de vrouwen te brengen en maak dan van die gelegenheid een verstandig gebruik door hem veel goeds van mij te zeggen; houd hem zooveel met Eufrasia bezig als maar eenigszins mogelijk is. Dit is niet alles wat ik van u verlang. Ik draag u ook op, goed te letten op wat er in de familie Pacheco gebeurt. Als een van zijn verwanten veel werk maakt van don Gonzale en het op de erfenis gemunt heeft, waarschuw me dan; ik ken hen allen en heb al genoeg gedaan om hem een minder gunstig denkbeeld te geven van zijn neven en nichten.”
Ik vernam verder nog, dat zij hem kort geleden had bewogen om een landgoed te verkoopen, waarvan zij het geld had gekregen. Behalve dat zij iederen dag veel moois van hem kreeg, hoopte zij nu ook nog, dat hij haar in zijn testament niet zou vergeten. Ik deed alsof ik mij gaarne beschikbaar stelde voor hetgeen zij van mij verwachtte. Onderweg naar huis overwoog ik of ik er aan zou meedoen om mijn meester te bedriegen, of dat ik zou trachten hem los te maken van zijn maitresse. Dat laatste scheen mij beter dan het eerste en ik gevoelde meer lust om mijn plicht te doen, dan om hem te verraden. Bovendien had Eufrasia mij niets positiefs beloofd en dat was misschien de reden waarom ik trouw bleef. Ik besloot dus don Gonzale met ijver te dienen en was ervan overtuigd, dat het beter voor mij zou zijn, wanneer ik hem zijn ideaal kon ontnemen.
Om tot mijn doel te geraken, hield ik mij of ik Eufrasia diende. Ik maakte haar wijs, dat ik onophoudelijk tegen mijn meester over haar sprak en verzon daarover allerlei fabeltjes, die zij voor goede munt opnam. Zij geloofde mij onvoorwaardelijk. Om nog zekerder te zijn van mijn zaak, deed ik of ik verliefd was op Béatrix, die op haar leeftijd verrukt scheen, dat een jonge man haar het hof maakte en er blijkbaar niet om gaf of ik haar bedroog, mits ik het goed deed.
Wanneer wij bij onze prinsessen waren, mijn meester en ik, waren het twee schilderijen, verschillend, maar het onderwerp was gelijk.
Don Gonzale, droog en bleek, zooals ik hem heb geschilderd, had het uiterlijk van een zieltogende als hij zacht en teeder wilde kijken; en mijn dame nam, al naarmate ik verliefder werd, meer kinderlijke manieren aan. In alles was ze een kokette, die al minstens veertig jaren dienst had. Ze had haar opleiding gehad, in den dienst van die heldinnen der liefde, die, wanneer ze sterven, getracht hebben twee of drie opeenvolgende geslachten te bekoren.
Ik stelde mij er niet mee tevreden, om alle avonden met mijn meester naar Eufrasia te gaan, soms ging ik er op den dag alleen heen. Altijd verwachtte ik, dat ik, op een goeden dag, ergens in dat huis een jongen galant zou verborgen vinden; maar op welk uur ik ook kwam, ontmoeten deed ik niemand, noch man, noch vrouw van verdacht uiterlijk. Geen enkel spoor van ontrouw kon ik ontdekken, wat mij niet weinig verwonderde, want, hoewel Béatrix mij had verzekerd, dat hare meesteres geen enkel mannelijk bezoek ontving, kon ik mij toch niet voorstellen, dat een zoo knappe dame geheel trouw was aan don Gonzale. Het bleek me spoedig, dat ik niet verkeerd had geoordeeld; de schoone Eufrasia had zich, zoals gij weldra hooren zult, voorzien van een minnaar, die beter bij haar paste dan mijn meester, op wiens erfenis zij dusdoende geduldig kon wachten.
Op een ochtend bracht ik, als naar gewoonte, een briefje aan de prinses. Terwijl ik in haar kamer was, zag ik de voeten van een man, die achter een gordijn was verborgen. Ik wachtte mij er wel voor om te laten merken wat ik had gezien. Ik was verontwaardigd op Eufrasia, hoewel deze ontdekking mij niet verraste en mij persoonlijk niet aanging. Dat was de kroon op het werk van haar verraad! Liever had ik moeten lachen om dit avontuur en dat moeten beschouwen als een schadeloosstelling voor al de verveling in gezelschap van mijn meester. Maar ik meende met warmte te moeten opkomen in het belang van don Gonzale en ik deed hem getrouw verslag van hetgeen ik had gezien; en voegde er zelfs bij, dat Eufrasia getracht had mij om te koopen. Van alles, wat ze mij gezegd had, hield ik niets verborgen. Hij deed mij nog eenige vragen en de antwoorden moesten zijn twijfel geheel wegnemen. Niettegenstaande de kalmte, welke hij altijd bewaarde, was hij getroffen en een toornige trek op zijn gelaat scheen aan te kondigen, dat die vrouw hem niet ongestraft ontrouw was geworden.
”’t Is genoeg, Gil Blas,” zei hij, “ik ben zeer gevoelig voor de genegenheid, die ik zie, dat ge voor mij hebt en uw trouw bevalt mij zeer. Dadelijk ga ik naar Eufrasia. Ik zal haar verwijten, wat gebeurd is en met de ondankbare breken.” Bij die woorden ging hij werkelijk weg om haar op te zoeken en het bleef mij bespaard om met hem mee te gaan.
Zeer ongeduldig wachtte ik op de terugkomst van mijn meester. Ik twijfelde er niet aan, of hij zou bij zijn terugkomst voorgoed van haar gescheiden zijn. Bij die gedachte juichte ik over hetgeen ik gedaan had. Ik stelde mij het genoegen voor, dat de erfgenamen van don Gonzale zouden hebben, wanneer ze vernamen dat hun bloedverwant niet langer de speelbal was van een hartstocht, zoo strijdig met hun belangen. Ik vleide mij er mee, dat men mij zou houden voor den beste van alle kamerdienaars, die er anders meer op uit zijn om hun meesters in slecht gezelschap te brengen, dan ze er uit te halen. Maar deze prettige gedachten maakten voor anderen plaats. Mijn patroon kwam terug, “Mijn vriend,” zei hij mij, “ik heb zooeven een levendig onderhoud gehad met Eufrasia. Ik heb haar beschuldigd van ondankbaarheid en trouweloosheid, ik heb haar met verwijten overladen. Maar weet ge, wat ze mij geantwoord heeft? Dat ik verkeerd deed door naar knechts te luisteren. Zij houdt vol, dat ge een onwaarheid hebt meegedeeld; als men haar gelooven moet, zijt ge een bedrieger, een werktuig van mijn neven, terwille van wie gij niets onbeproefd laat om mij van haar te scheiden. Ik heb tranen in haar oogen gezien, echte tranen. Bij alles wat heilig is, heeft ze mij bezworen, dat ze je geen enkel voorstel heeft gedaan, dat ze niemand ontvangt. Béatrix, die mij een goede vrouw schijnt, niet in staat om te liegen, heeft mij dezelfde verzekering gegeven, zoodat, ondanks mijzelf, mijn toorn bedaard is.”
“Wat mijnheer!” viel ik hem in de rede, “twijfelt u aan mijn oprechtheid? Hebt u wantrouwen jegens mij?’ “Neen, mijn jongen,” antwoordde hij, “ik geloof niet, dat ge een werktuig zijt van mijn neven. Ik ben ervan overtuigd, dat ge alleen in mijn belang hebt meenen te handelen, maar schijn bedriegt. Misschien heb je niet werkelijk gezien wat ge gemeend hebt op te merken en in dat geval is je beschuldiging zeer onaangenaam voor Eufrasia! Hoe het zij, het is een vrouw, die ik niet laten kan te beminnen; dat is mijn lot. Zelfs moet ik haar het offer brengen, dat ze van mijn liefde eischt en dat offer is je ontslag te geven. Het spijt mij wel, mijn arme Gil Blas, dat verzeker ik je, maar ik kan niet anders. Wat je troosten zal, is, dat ik je niet zonder belooning zal wegsturen. Overigens zal ik je een plaats bezorgen bij een dame, met wie ik bevriend ben en waar ge het zeer goed zult hebben.”
Zoo zag ik dus mijn ijver zich tegen mijzelf keeren. Ik verwenschte Eufrasia en betreurde de zwakheid van don Gonzale. Om de pil voor mij te vergulden, gaf de goede oude man mij vijftig dukaten en den volgenden dag bracht hij mij bij de markiezin de Chaves, tegen wie hij, in mijn tegenwoordigheid, zeide, dat ik een jonge man was met niet anders dan goede hoedanigheden, dat hij van me hield en dat familieomstandigheden hem noopten mij weg te zenden; daarna verzocht hij haar mij in dienst te nemen. Zij nam mij onder haar bedienden op en zoo bevond ik mij plotseling in een nieuw huis.