De markiezin de Chaves was een weduwe van vijfendertig jaar, schoon, groot en welgemaakt. Ze had een inkomen van tienduizend dukaten en geen kinderen. Nooit heb ik een ernstiger vrouw gezien en nooit een, die minder sprak. Dat nam echter niet weg, dat ze voor de geestigste dame van Madrid doorging. Misschien had het groote aantal gewichtige personen en vooral letterkundigen, dat haar bezocht er toe bij gedragen, om haar die reputatie te verschaffen, meer dan haar eigen verdienste, maar dat kan ik niet uitmaken. Ik zal er mij toe bepalen te zeggen, dat zij den naam had van bijzonder begaafd te zijn en dat haar huis in de stad bij voorkeur genoemd werd: Bureau voor Geestelijk Werk.
Dagelijks werden er dramatische gedichten gelezen; het komische genre was uitgesloten. Een comedie en een roman waren er niet in tel, maar een ode en een sonnet gingen er door voor de hoogste uiting van den menschelijken geest. Het kwam echter wel eens voor, dat het groote publiek de stukken uitfloot, die men hier had toegejuicht.
Ik was zaalchef in dit huis, d. w. z. dat mijn betrekking hierin bestond, om alles voor de ontvangst van gezelschappen in gereedheid te brengen. Als ik de zetels had gerangschikt, ging ik in de deur van de zaal staan, om de bezoekers aan te kondigen. Den eersten dag beschreef de chef van de pages, die toevallig met mij in de zijkamer was, mij de gasten op aangename wijze. Het ontbrak dien man, die André Molina heette, niet aan geest. Het eerst kwam er een bisschop. Toen hij binnen was, zei Molina: “Die prelaat is een vermakelijk man, hij heeft wel eenigen invloed aan het hof, maar wil iedereen overtuigen dat die zeer groot is. Hij biedt iedereen zijn diensten aan, maar helpt niemand.” Een oogenblik later verscheen de zoon van een grande. “Die mijnheer,” zei Molina, “is ook een origineel; dikwijls komt hij in een huis, om over een zaak van gewicht te spreken en hij verlaat het weer, zonder eraan te hebben gedacht. Maar,” ging hij voort, toen hij twee dames zag naderen, “hier zijn dona Angela Penafiel en dona Margarita de Montalvan. Die twee dames lijken niets op elkaar. Dona Margarita wil voor een wijsgeer doorgaan, dona Angela speelt de geleerde niet, hoewel zij zeer ontwikkeld is. Haar uitdrukkingen zijn altijd nobel en natuurlijk.” “Dat is zeer beminnelijk,” zei ik, “maar het andere past eigenlijk niet bij het schoone geslacht.” “Niet geheel,” antwoordde hij glimlachend, “maar mevrouw de markiezin, onze meesteres, heeft ook soms wijsgeerige grillen. Wat zal er vandaag weer een discussie zijn! ’t Is maar te hopen, dat de godsdienst er niet wordt bijgehaald!”
Toen hij dit gezegd had, zagen wij een man binnenkomen met een zeer ernstig uiterlijk. Molina spaarde hem niet, bij de beschrijving, die hij van hem gaf. “Dit,” zei hij, “is een van die ernstige geesten, die voor een groot genie willen doorgaan, door steeds te zwijgen of door een paar zinnetjes van Seneca op te zeggen en die eigenlijk groote stommelingen zijn als men ze goed beschouwt.” Vervolgens kwam er een heer, goed gebouwd en met een Grieksch profiel. Ik vroeg wie het was. “Dat is een dramatisch dichter,” zei Molina, “hij heeft honderd duizend verzen in zijn leven gemaakt, die hem nog geen vijf stuivers hebben opgebracht; maar daarentegen heeft hij met zes regels proza gemaakt, dat hij behoorlijk kan wonen.”
Ik wilde mij juist eens laten meedeelen hoe het mogelijk is om met zoo weinig inspanning een fortuin te krijgen, toen ik een groot lawaai op de trap hoorde. “Daar heb je professor Campanoria”1 riep Molina. “Hij kondigt altijd zichzelf aan, doordat hij aan de deur al hard begint te praten en dat doet hij nog, als hij het huis weer uitgaat.” Inderdaad weerklonk alles van de harde stem van den professor, die eindelijk de antichambre binnenkwam met een zijner vrienden, die gedurende het heele bezoek geen mond opendeed. “Mijnheer Campanoria,” zei ik tegen Molina, “is blijkbaar een groote geest.” “Ja,” antwoordde mijn chef, “het is een man, die gevat kan antwoorden en zijn zinnen mooi vormen. Hij is vermakelijk, maar behalve, dat hij een onbarmhartige kletskous is, zegt hij voortdurend hetzelfde en ik geloof, dat meer zijn komieke manieren dan de innerlijke waarde van zijn gezegden de verdienste ervan zijn.”
Er kwamen nog andere personen, die mij werden beschreven. Ook onze meesteres vergat hij niet. De beschrijving van haar beviel mij nogal. “Ze heeft geen lastig humeur, ondanks de philosophie, en men heeft, als men bij haar in betrekking is, niet veel grillen te verdragen. Zij is een verstandige, redelijke vrouw en heeft geen hartstochten. Ze heeft geen lust in spelen, ook niet in galante avonturen; ze houdt alleen van conversatie. Voor de meeste dames zou een leven als het hare te vervelend zijn.” Eenige dagen later echter begon ik te vermoeden, dat de markiezin de liefde niet zoo vijandig gezind was als Molina had gezegd en ik zal meedeelen welken grond ik had voor mijn vermoeden. Op een ochtend, terwijl zij bezig was met haar toilet, meldde zich een klein gebocheld mannetje aan van ongeveer veertig jaar met een onaangenaam uiterlijk. Hij zei me, dat hij mevrouw de markiezin wilde spreken. Ik vroeg hem namens wien hij kwam. “Namens mij zelf,” antwoordde hij trotsch. “Zeg, dat ik de heer ben, over wien ze gisteren met dona Anna de Velasco heeft gesproken.” Ik liet hem binnen en ging mijn meesteres zeggen, dat hij er was. De markiezin deed een uitroep van vreugde en zei, dat ze hem zou ontvangen. Zij bepaalde zich er niet toe, om hem vriendelijk te ontvangen, de meisjes moesten de kamer verlaten en ze bleef alleen met den kleinen bochel. Wij lachten om dat mooie tête-à-tête, dat ongeveer een uur duurde, waarna mijn meesteres afscheid van hem nam en daarbij in alles toonde, dat zij zeer tevreden over hem was.
Werkelijk scheen ze genoegen te hebben gevonden in het onderhoud met hem, want ze zei me ’s avonds: “Gil Blas, als hij terugkomt, laat hem dan in mijn kamer, zoo mogelijk zonder dat iemand het merkt.” Ik moet bekennen, dat dit bevel vreemde vermoedens bij mij opwekte, maar ik volgde het op en toen de kleine man terugkwam (het was twee dagen later), bracht ik hem langs een geheime trap in de kamer van de dame. Dat deed ik twee of drie malen en ik besloot daaruit, dat de markiezin grillige neigingen had, of dat de bochel misschien een tusschenpersoon was.
“Neen,” zei ik bij mijzelf, “als mijn meesteres een welgebouwd man liefheeft, dan had ik het haar vergeven, maar als ze het met dien aap eens is, dan heeft ze in het geheel geen smaak!” Wat oordeelde ik verkeerd over de patrones! De kleine bochel hield zich met magische kunsten bezig, men had hem bij de markiezin geprezen en daar ze belang stelde in dergelijke kwakzalverij, had ze eenige malen een particuliere séance met hem. ’t Was een schelm, die leefde ten koste van de lichtgeloovige personen en men zei, dat hij verschillende adellijke dames onder zijn clientèle had.
1 Campanoria = klokkenspel.
Ik was zes maanden bij de markiezin de Chaves en mijn betrekking beviel mij zeer goed. Maar het lot wilde niet, dat ik een langer verblijf zou hebben ten huize van die dame en zelfs niet te Madrid. Ziehier het avontuur, dat mij noodzaakte weg te gaan.
Onder de vrouwelijke bedienden van de markiezin was er een, die Porcia heette. Behalve, dat ze schoon was, had ze zulk een goed karakter, dat ik mij aan haar hechtte zonder te weten, dat ik een medeminnaar had. De secretaris van de markiezin, een trotsche en jaloersche man, had eveneens een goed oog op haar geslagen. Hij besloot mij uit te dagen en gaf mij op een ochtend rendez-vous. Daar hij een kleine man was, die mij nauwelijks tot aan de schouders reikte, zag ik in hem geen zeer gevaarlijken tegenstander. Met vertrouwen begaf ik mij naar de plaats, waar hij mij geroepen had. Ik rekende op een gemakkelijke overwinning en meende, dat Porcia mij dat als een verdienste zou aanrekenen, maar de uitkomst beantwoordde niet aan mijne verwachtingen. De kleine secretaris, die twee of drie jaar schermles had gehad, ontwapende mij als een kind en terwijl hij mij de punt van zijn degen voorhield, zei hij: “Bereid u er op voor, om een doodelijken steek te ontvangen, of geef mij uw woord van eer, dat ge heden van de markiezin de Chaves zult vertrekken en dat ge niet meer aan Porcia zult denken.”
Gaarne gaf ik hem die belofte en ik hield haar zonder tegenzin, want ik zag er tegenop, om, na overwonnen te zijn, weer onder het personeel te verschijnen en voor al om de schoone Helena te ontmoeten, die het voorwerp was van dezen strijd. Ik keerde alleen naar huis terug, om mijn geld en goed mede te nemen en ging denzelfden dag met een welvoorziene beurs op weg naar Toledo. Hoewel ik mij niet had verbonden om Madrid te verlaten, oordeelde ik het beter om tenminste voor eenige jaren te verdwijnen. Ik vormde het besluit, om Spanje door te trekken van de eene stad naar de andere. “Het geld, dat ik heb,” zei ik bij mijzelf, “zal mij ver brengen; ik zal het niet noodeloos uitgeven en wanneer het op zal zijn, ga ik weer een betrekking zoeken. Een jonge man als ik, zal wel een plaats vinden, wanneer hij er lust in heeft die te zoeken.”
Vooral verlangde ik om Toledo te zien. Na drie dagen kwam ik er aan. Ik ging in een goed hotel, waar ik doorging voor een voornaam heer door mijn nette kleeren en manieren. Het hing slechts van mij af, om kennis te maken met mooie vrouwen, die in de buurt woonden; maar dat gaat gewoonlijk met groote uitgaven gepaard en dit temperde mijn verlangen. Na al het bezienswaardige van Toledo bezocht te hebben, vertrok ik ’s morgens vroeg. Ik nam den weg naar Cuença om vandaar naar Aragon te gaan. Den tweeden dag van mijn reis ging ik een hotel binnen, dat zich aan den weg bevond. Ik was er nauwelijks, of er kwam een troep dienaren van den heiligen Hermandad. Die heeren vroegen wijn, begonnen te drinken en beschreven het signalement van een jongen man, tegen wien ze een bevelschrift tot gevangenneming hadden. Een van hen zei, dat hij niet ouder was dan drie en twintig jaar met een adelaarsneus, lang, zwart haar, een flink figuur en op een bruin paard reed.
Ik luisterde, zonder veel aandacht aan hunne woorden te schenken, want deze boezemden mij weinig belang in. Na een oogenblik verliet ik het hotel en vervolgde mijn weg. Nog geen kwart mijl had ik afgelegd, toen ik een jongen man ontmoette, zeer flink gebouwd en die op een kastanjebruin paard reed. “Dat is bepaald de man, dien de politieagenten zoeken,” zei ik bij mezelf, “ik zal hem helpen.” “Mijnheer,” zei ik, “sta mij toe u te vragen, of ge niet betrokken zijt in een zaak van eer.” Zonder mij te antwoorden keek de jonge man mij aan, hij scheen verbaasd over mijn vraag. Ik verzekerde hem, dat het niet uit nieuwsgierigheid was, dat ik die woorden tot hem had gericht. Hij werd daarvan overtuigd, toen ik hem meedeelde wat ik in het hotel had gehoord. “Edelmoedige onbekende,” zei hij, “ik kan niet ontkennen, dat ik reden heb om te vermoeden, dat men mij zoekt, dus zal ik een anderen weg inslaan, om hun te ontkomen.” “Mijn meening is,” zei ik, “dat we een plaats moeten zoeken, waar ge veilig zijt en waar we ook het onweer kunnen afwachten, dat dreigende is.” We zagen een laan, die ons naar den voet van een berg voerde, waar we het verblijf van een kluizenaar ontdekten. Het was een groote en diepe grot, die de tijd in den berg gemaakt had. Menschenhanden hadden er een af dak aan gebouwd van stukken rots en schelpen, het geheel met gras begroeid. De omgeving was bezaaid met welriekende bloemen en vlak bij de grot ontsprong een beekje. Voor de opening stond een oude man, met een witten baard, geleund op een stok; in zijn andere hand hield hij een rozenkrans van minstens 20 tientallen kralen. “Vader,” zei ik tot hem, “wij vragen u een schuilplaats voor het onweer, dat ons dreigt.” “Komt mijne kinderen,” zei hij, na mij opmerkzaam te hebben aangezien; “deze kluizenaarswoning staat voor u open en ge kunt er blijven zoolang ge wilt. Ook voor uw paard is er plaats.” Wij volgden den grijsaard.
Nauwelijks waren wij binnen, of de regen viel bij stroomen en er klonken verschrikkelijke donderslagen. De kluizenaar viel op de knieën voor een heiligenbeeld en wij volgden zijn voorbeeld. Het onweer bedaarde intusschen en wij stonden op, maar daar het nog regende en het al laat was, zei de oude man: “Kinderen, ik raad u aan, om niet meer op weg te gaan, tenzij het dringend noodig mocht zijn.” Wij zeiden hem, dat dit niet het geval was en dat we gaarne bij hem zouden overnachten, indien we hem daarmee geen last aandeden. “Mij doet ge geen last aan,” antwoordde hij; “ge moet alleen u zelf beklagen, omdat ik u geen betere slaapplaats en niet dan een zeer sober avondmaal kan aanbieden.”
De heilige man liet ons daarna aan een tafel plaats nemen en bood ons eenige knollen aan, met een stuk brood en een kruik water. “Dit is mijn gewone maaltijd,” zei hij, “terwille van u zal ik er heden iets ongewoons aan toevoegen;” hij haalde een stuk kaas en legde een paar handen noten op de tafel. De jonge man, die geen eetlust scheen te hebben, deed het eten weinig eer aan. “Ik merk,” zei de kluizenaar, “dat gij gewoon zijt aan betere tafels aan te zitten dan de mijne, of liever, dat uw natuurlijke smaak bedorven is. Ik heb, als gij, in de wereld geleefd. De fijnste gerechten waren mij niet goed genoeg; maar sinds ik in de eenzaamheid leef, heeft mijn smaak alle zuiverheid teruggekregen. Ik lust nu alleen wortelen, vruchten, melk; in één woord wat het voedsel uitmaakte van onze eerste vaderen.”
Terwijl hij zoo sprak, verviel de jonge man in een diep gepeins. De kluizenaar merkte het. “Mijn zoon,” zei hij, “uw geest is gedrukt, open uw hart voor mij. Het is niet uit nieuwsgierigheid, dat ik dit vraag, het is alleen medelijden, dat mij beweegt. Ik ben op een leeftijd om raad te geven en gij verkeert in een toestand, dat ge daaraan behoefte hebt.” “Ja vader,” antwoordde hij zuchtend, “gij hebt gelijk en ik geloof, dat ik geen gevaar loop, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk.” De jonge man begon te vertellen.
Ik zal u niets verbergen, vader, noch mijn metgezel, die mij zoo edelmoedig heeft geholpen. Ziehier mijn afkomst. Ik kom van Madrid. Een officier van de Duitsche garde, genaamd baron von Steinbach, merkte, toen hij op een avond thuiskwam, aan den voet van de trap een pak wit linnen. Hij nam het op en bracht het in de kamer van zijn vrouw, waar hij zag, dat het een pasgeboren kind was, zeer zindelijk gekleed, met een briefje, waarin men verzekerde, dat het aan voorname lieden behoorde, die zich eens kenbaar zouden maken en men voegde er aan toe, dat het kind gedoopt was en Alphonse heette. Ik ben dat ongelukkige kind en dat is alles wat ik weet. Mijn moeder ken ik niet, ik weet niet of zij mij te vondeling heeft gelegd om een ongeoorloofde liefdesbetrekking te verbergen, of, dat ze verleid is en genoodzaakt werd mij te verloochenen.
Hoe het zij, de baron en zijn vrouw waren getroffen door mijn lot en daar ze geen kinderen hadden, besloten ze mij op te voeden onder den naam van Alphonse. Naarmate ik ouder werd, voelden zij zich meer tot mij aangetrokken. Ze besteedden al hun zorg aan mijn opvoeding en, inplaats van ongeduldig te verlangen naar den tijd, dat mijn ouders zich bekend zouden maken, scheen het wel of ze wenschten, dat het geheim van mijn geboorte nooit zou worden opgehelderd. Zoodra ik in staat was de wapenen te dragen, liet de baron mij in dienst gaan en om mij aan te sporen gelegenheden te zoeken om roem te behalen, zeide hij, dat deze loopbaan openstond voor iedereen en dat mijn naam des te roemrijker zou worden, daar ik het alleen aan mijzelf te danken zou hebben. Ik ging te Madrid voor zijn zoon door en had zelf ook geloofd dat te zijn, tot hij mij van mijn geboorte had gesproken. Deze ontdekking deed mij veel pijn en ik beken, dat ik er nog niet zonder schaamte aan kan denken.
Ik ging dienen in Nederland, maar de vrede werd korten tijd later gesloten en daar Spanje op dat oogenblik geen vijanden maar wel benijders had, ging ik terug naar Madrid, waar ik opnieuw door den baron en zijn vrouw met bewijzen van teederheid werd overladen. Ik was twee maanden terug, toen er op een morgen een kleine page in mijn kamer kwam, die mij een briefje gaf, dat ongeveer zóó luidde: “Ik ben niet leelijk en ook niet mismaakt en toch ziet ge mij vaak aan het venster, zonder dat ge tracht mij te naderen. Dat is weinig in overeenstemming met uw galant uiterlijk en ik ben er zoo door gebelgd, dat ik wel, om mij te wreken, u mijn liefde zou willen schenken”.
Na dit briefje te hebben gelezen, twijfelde ik er niet aan of het was van een weduwe, die Léonore heette, over ons huis woonde en als zeer koket bekend was. Ik ondervroeg den kleinen page, die eerst zijn geheim bewaren wilde, maar voor een dukaat spoedig mijn nieuwsgierigheid bevredigde. Hij belastte zich zelfs met een antwoord, waarin ik haar bekende, dat het misdadig van mij was en dat zij al half gewroken was.
Ik was niet ongevoelig voor de verovering, die ik op zulke wijze had gemaakt. Het overige gedeelte van dien dag ging ik niet uit en ik zorgde er voor aan mijn raam te staan om naar de dame te kijken, die niet verzuimde om aan het hare te komen, Den volgenden morgen liet ze mij door haar kleinen page vragen, of ik ’s nachts tusschen elf en twaalf uur in de straat wilde zijn; ik kon dan een onderhoud met haar hebben voor het venster van een benedenzaal. Hoewel ik niet zeer verliefd was op die al te toeschietelijke weduwe, liet ik haar weten, dat ik komen zou. Ik ging in het Prado wandelen tot het uur van onze samenkomst. Ik was nog niet op de plaats, toen een ruiter, die op een mooi paard reed, plotseling op den grond sprong, op mij toeliep en op korten toon zeide: “Mijnheer, zijt gij niet de zoon van baron von Steinbach?” “Ja,” antwoordde ik. “Dus zijt gij het, die vannacht een onderhoud met Léonore moet hebben aan haar venster? Ik heb haar brieven gezien en uw antwoorden; haar page heeft ze mij getoond en ik heb u van uw huis af tot hier gevolgd, om u te zeggen, dat ge een medeminnaar hebt. Ik geloof niet, dat het noodig is, om u meer te zeggen. Wij zijn hier op een geschikt terrein, laat ons vechten of beloof me, dat ge van Léonore zult afzien. Zeg mij, dat ge uw wenschen zult opofferen, of ik zal u dooden!” “U hadt,” zei ik, “moeten verzoeken inplaats van dreigen. Misschien had ik aan uw verzoek gevolg gegeven, maar uw dreigement vrees ik niet.”
“Welnu,” zei hij, na zijn paard te hebben vastgemaakt aan een boom, “laat ons dan vechten. Het voegt een persoon als ik ben niet om een man als u iets te vragen. De meesten van mijns gelijken zouden zich op een minder eervolle wijze hebben gewroken.” Ik voelde mij door die laatste woorden beleedigd en ziende, dat hij het reeds had gedaan, trok ook ik mijn degen. Wij vochten zoo geducht, dat de strijd spoedig geëindigd was. Hetzij, dat hij al te verwoed was, hetzij, dat ik behendiger was dan hij, ik bracht hem weldra een stoot toe, die doodelijk was. Ik zag hem wankelen en vallen. Aan niets anders denkende dan aan vluchten, besteeg ik zijn eigen paard en sloeg den weg in naar Toledo. Ik durfde niet bij baron von Steinbach terugkeeren, daar mijn avontuur ongetwijfeld hem verdriet zou doen en denkende aan het gevaar, waarin ik verkeerde, kon ik niet gauw genoeg Madrid verlaten.
Tot den volgenden morgen reed ik door, maar tegen den middag moest ik ophouden om mijn paard te laten rusten en de ondragelijke warmte te ontgaan. In een dorpsherberg rustte ik om daarna mijn weg weder voort te zetten. Reeds was ik in Illescas, op twee mijlen afstand van Toledo, toen ik, tegen middernacht, werd overvallen door een onweer, ongeveer gelijk aan dat van heden. Ik naderde de muren van een tuin, die niet ver van mij af lag. Een deur ging open, toen ik er tegen duwde en ik zag een huis met een balcon, waar ik onder ging staan om mij te beschutten. Terwijl ik daar zoo stond, nam ik de omgeving op en werd mijn oog getroffen door een groot licht in het huis. Ik besloot binnen te gaan en om nachtverblijf te vragen. De deur was open en daar ik niemand zag, liep ik de gangen door, die een marmeren vloer hadden en een fraaie lambriseering. waaruit ik opmaakte, dat ik bij een grooten mijnheer was. Doorloopende kwam ik in een salon, waarvan de deur eveneens openstond. Hier bleef ik staan en nog altijd zag noch hoorde ik iemand. Door een zijdeur had ik het gezicht in eenige ineenloopende kamers, waarvan alleen de laatste verlicht was, “Wat moet ik doen?” zei ik toen bij me zelf. “Teruggaan, of zal ik brutaal genoeg zijn, om door te gaan tot in die kamer?” Na eenige aarzeling besloot ik tot het laatste. De kamer, waarin het licht brandde, was keurig gemeubileerd. Er stond een ledikant, waarvan de gordijnen half geopend waren. Er lag iemand in en naderkomende zag ik, dat het een jonge dame was, die, niettegenstaande het onweer, rustig sliep. Haar trekken en teint waren buitengewoon schoon. Terwijl ik mij het genoegen gunde haar in stilte te aanschouwen, werd zij wakker.
Stel u haar schrik voor, toen zij in haar kamer, midden in den nacht een man zag dien ze niet kende. Ze rilde en uitte een kreet van angst. Ik deed al mijn best om haar gerust te stellen, viel op mijn knie en zei: “Mevrouw, vrees niets; ik kom hier niet om eenig kwaad te doen.” Ze was zoo verschrikt, dat ze niet wilde luisteren naar mijne verdere woorden. Ze riep haar dienstboden en haar jongere zuster, die zij onder haar hoede had, maar daar niemand haar antwoord gaf, nam ze een japon, die aan het eind van het bed lag, schoot die haastig aan en liep al roepende de kamers door. Niet anders verwachtte ik, dan dat het geheele personeel zou komen aansnellen en dat het voor mij wel eens kwaad zou kunnen afloopen, maar gelukkig voor mij, liet men haar roepen, Ten laatste kwam er een oude bediende aansnellen, maar wanneer die haar eenige hulp was, dan had ik weinig te vreezen. Door zijn tegenwoordigheid echter eenigszins gerustgesteld, vroeg ze mij op trotschen toon wie ik was en waarom ik de vrijmoedigheid had gehad in haar huis door te dringen. Ik begon mij te rechtvaardigen en ik vertelde haar, dat de deur had opengestaan. Daarop riep ze: “Hemel! Welk een verdenking komt er bij me op!”
Terwijl ze dit zei, nam ze een kandelaar van de tafel en begon weer al de kamers door te loopen, roepende, dat haar zuster en al hare dienstboden met al hun goed vertrokken waren. Daarop kwam zij bij mij terug en zei: “Waarom huichelt ge nu ook nog na het verraad? ’t Is niet bij toeval, dat ge hier zijt binnengekomen, ge behoort tot het gevolg van Ferdinand de Leijva en hebt deel aan zijn misdaad. Maar hoop niet om te ontsnappen; er blijft mij nog hulp genoeg over om u gevangen te houden,” “Mevrouw,” zei ik, “verwar mij niet met uw vijanden. Ik ken don Fernand de Leijva niet; ik weet zelfs niet wie gij zijt. Ik ben een ongelukkige, die door een eerezaak verplicht is Madrid te verlaten en ik zweer u bij alles wat heilig is, dat ik hier niet zou zijn gekomen, wanneer het onweer mij niet had overvallen. Oordeel dus gunstiger over mij; inplaats van medeplichtig te zijn aan een misdaad jegens u, ben ik eerder bereid u te wreken.” Die laatste woorden schenen haar gerust te stellen, zij keek mij niet meer zoo vijandig aan en begon te schreien. Die tranen wekten mijn medelijden voor haar op en mijn woede tegen hen, die haar kwaad hadden aangedaan. Ik riep uit: “Zeg mij wat ik doen moet! Moet ik don Fernand zoeken en hem het hart doorboren? Beveel mij slechts.”
Mijn geestdrift scheen haar aangenaam te verrassen en droogde haar tranen. “Mijnheer,” zei ze, “vergeef mij de verdenking, waartoe ik werd gebracht door den toestand, waarin ik mij bevind. Edele onbekende, vergeef Séraphine hare dwaling! Ik weiger uw hulp niet, al vraag ik u niet om den dood van don Fernand. De zaak is deze: don Fernand is verliefd op mijn zuster Julia, die hij bij toeval in Toledo heeft gezien, waar wij gewoonlijk wonen. Het is drie maanden geleden, dat hij haar hand heeft gevraagd aan mijn vader, graaf de Polan. Maar deze weigerde, omdat er een oude veete tusschen onze geslachten bestaat. Mijn zuster is nog geen vijftien jaar, zij zal zwak genoeg zijn geweest om den raad te volgen van mijn dienstboden, die zeker door don Fernand zijn omgekocht en deze, wetende dat wij alleen waren in dit landhuis, heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om Julia op te lichten. Ik zou zoo graag willen weten, waarheen ze gegaan zijn, dan kunnen mijn vader en mijn broeder, die de twee laatste maanden in Madrid zijn, hunne maatregelen nemen. Indien u de moeite zoudt willen doen in de omgeving van Toledo een onderzoek in te stellen, dan zoudt u mijn familie zeer verplichten.” Ze scheen er niet aan te denken, dat de taak, welke zij mij opdroeg, slechts paste voor iemand, die trachten moest om Castilië zoo spoedig mogelijk te verlaten. Hoe zou zij er ook aan gedacht hebben? Ik vergat het zelf ook, gelukkig als ik was, dat ik de beminnelijkste vrouw, die ik ooit had gezien, van dienst kon zijn. Met vreugde nam ik dus haar opdracht aan en beloofde alles in het werk te stellen om mij daarvan behoorlijk te kwijten. Ik wachtte den dag niet af om met mijn onderzoekingen te beginnen, verzocht Séraphine nogmaals vergiffenis voor den schrik, welken ik haar had berokkend en verzekerde haar, dat ze zoo spoedig mogelijk bericht van mij zou ontvangen. Onderweg dacht ik na over de gevoelens, welke Séraphine bij mij had opgewekt, ik meende, dat zij mijn ontluikende liefde moest hebben bespeurd en dat ze die misschien niet zonder genoegen had gadegeslagen. Wanneer ik haar berichten omtrent haar zuster kon brengen en de zaak liep voor haar naar wensch af, dan stelde ik mij voor, dat ik daar alle eer van zou hebben.” Hier brak Don Alphonse zijn verhaal af en zei tegen den ouden kluizenaar: “Ik vraag u vergiffenis, mijn vader, dat ik zoo uitwijd over omstandigheden, die u ongetwijfeld vervelen zullen.” “Neen, mijn zoon,” antwoordde de hermiet, “het verveelt mij niet. Ik ben verheugd te weten hoeveel gij van de jonge dame houdt, waarvan gij spreekt. Daarnaar zal ik mijn raadgevingen regelen.”
“Gedurende twee dagen zocht ik, zonder mij eenige rust te gunnen, maar welke moeite ik mij ook gaf, mijn pogingen hadden geen resultaat; het was mij niet mogelijk een spoor te ontdekken. Zeer teleurgesteld keerde ik naar Séraphine terug, die, naar ik meende, in groote onrust zou verkeeren. Maar ik vond haar veel kalmer dan ik mij voorgesteld had. Zij deelde mij mee, dat ze gelukkiger geweest was dan ik, dat ze wist wat er met haar zuster was gebeurd. Ze had een brief van don Fernand ontvangen, waarin hij haar meedeelde, dat hij Julia in het geheim gehuwd en naar een klooster in Toledo gebracht had. Séraphine zei me, dat ze hoopte, dat de zaak in der minne zou worden geschikt en dat een huwelijk, in het openbaar gevierd, spoedig een eind zou maken aan de veete tusschen de twee huizen. Den brief van don Fernand had ze opgezonden naar haar vader.
Nadat ze mij op de hoogte had gebracht van het lot van haar zuster, sprak ze over de vermoeienissen, die ze mij bezorgd had en van het gevaar, waaraan ze mij onnadenkend had blootgesteld, door mij te verzoeken iemand te gaan vervolgen, terwijl ik zelf de vlucht moest nemen. Met de meest vriendelijke woorden verontschuldigde zij zich daarover. Daar ik behoefte aan rust had, bracht zij mij naar den salon, waar wij beiden gingen zitten. Zij had een japon van wit linnen met zwarte strepen en een hoedje van dezelfde stof met zwarte veeren, wat mij deed denken, dat zij misschien weduwe was. Maar zij zag er zoo jong uit, dat ik niet wist wat ik er van moest denken.
Was ik nieuwsgierig om iets naders omtrent haar te weten, ze scheen ook in mij belang te stellen. Ze verzocht mij mijn naam te noemen en zei, dat naar mijn uiterlijk en naar de ridderlijke wijze, waarop ik haar geholpen had, te oordeelen, ik iemand zijn moest van aanzienlijken huize. Haar vraag maakte mij verlegen, ik moet bekennen, dat ik mij minder schaamde om te liegen dan om de waarheid te zeggen, dus antwoordde ik haar dat ik een zoon was van baron von Steinbach. Daarop moest ik haar nog eens uitvoerig vertellen, waarom ik Madrid had verlaten. Ze beloofde mij, dat haar vader en haar broeder, don Gaspard, mij ongetwijfeld zouden helpen. “Dat is al het minste bewijs van dankbaarheid, dat ik een edelman kan geven, die voor mij zijn leven in de waagschaal heeft gesteld.” Ik maakte geen bezwaar om haar alle omstandigheden van mijn duel te vertellen, zij gaf den edelman, dien ik gedood had, ongelijk en beloofde, dat haar heele familie mij bij zou staan.
Daarna bevredigde zij ook mijn nieuwsgierigheid. “Het is drie jaar geleden,” zei ze, “dat mijn vader mij deed huwen met don Diego de Lara en ik ben sinds vijftien maanden weduwe.” “Mevrouw,” vroeg ik, “welk ongeluk heeft uw echtgenoot zoo spoedig van u weggenomen?” “Ik zal het u zeggen,” zei ze, “dank zij het vertrouwen, dat ge ook mij hebt geschonken.
Don Diego de Lara was een knappe man, maar hoewel hij mij zeer liefhad, alles deed om mij het leven aangenaam te maken en vele goede hoedanigheden bezat, kon hij er niet in slagen mijn hart te winnen. Liefde is niet altijd een gevolg van groote dankbaarheid. Soms bekoort ons iemand op het eerste gezicht. Al zijn betuigingen van teederheid waren mij onverschillig, ik beschuldigde mijzelf van ondankbaarheid en vond dat ik zeer te beklagen was.
Ongelukkig voor hem en voor mij, scheen het wel, dat hij mij in de ziel kon lezen. Hij gevoelde zich ongelukkig door mijn koelheid. Hij wist wel, dat hij geen medeminnaar had, want toen hij mij huwde, was ik eerst zestien jaar en door mijn dienstboden vernam hij, dat nog nooit een man mijn bijzondere aandacht had getrokken. Het vermoeide mij om hem steeds over zijn liefde te hooren spreken en ik zei hem, dat het voor zijn rust en de mijne beter zou zijn om alles maar aan den tijd over te laten. Een jaar verliep er, zonder dat hij zag, dat ik vorderde. Toen verloor hij zijn geduld. Voorgevende dat hij een gewichtige zending voor het hof moest vervullen, ging hij naar Nederland, nam daar vrijwillig dienst en vond weldra in de gevaren van den oorlog wat hij zocht, d. w. z. het einde van zijn leven.”
Nadat de dame mij dit verhaal had gedaan, spraken wij nog eenigen tijd over het vreemde karakter van haar man. Wij werden gestoord door de komst van een bediende, die een brief bracht van den graaf de Polan. Ze vroeg mij verlof dien te openen en ik merkte, dat zij onder het lezen bleek werd en begon te beven. Na hem geheel te hebben gelezen, zuchtte ze diep en begon te weenen. Het was, of ik een voorgevoel had van den slag, die mij dreigde; ik was zeer ontsteld. “Mevrouw,” zei ik, “mag ik vragen, welke ongelukkige tijding die brief bevat?” Ze reikte mij hem over en zei op treurigen toon: “Lees zelf, mijnheer, wat mijn vader mij schrijft; gij zijt er helaas maar al te zeer zelf bij betrokken.”
Bij die woorden, welke mij deden huiveren, nam ik den brief en las: “Don Gaspard, uw broer, heeft gisteren in het Padro gevochten. Hij ontving een degenstoot, waaraan hij heden gestorven is en stervende heeft hij meegedeeld, dat hij gedood is door den zoon van baron von Steinbach. Ongelukkigerwijze is de dader ontsnapt. Hij heeft de vlucht genomen, maar op welke plaats hij zich ook moge verbergen, ik zal niets onbeproefd laten om hem te ontdekken. Ik zal schrijven aan eenige gouverneurs, die hem zullen aanhouden, wanneer hij zich in steden van hun district vertoont en ik zal door andere brieven den weg voor hem trachten af te sluiten, indien hij soms verder wil gaan.”
Stel u voor welk een ontsteltenis dat schrijven bij mij teweegbracht. Ik bleef eenige oogenblikken onbewegelijk en zonder kracht te hebben tot spreken. Wanhopig wierp ik mij aan de voeten van Séraphine, ik bood haar mijn degen aan en zei: “Mevrouw, bespaar het den graaf de Polan om mij te zoeken. Wreek zelf uw broeder en doodt mij met uw eigen hand. Steek toe.”
Zij werd bewogen en zei: “Heer, ik beminde Don Gaspard. Hoewel gij hem in een eerlijk gevecht gedood hebt en hij zijn ongeluk aan zichzelf te wijten had, zult gij wel begrijpen, dat ik de gevoelens van mijn vader deel. Ja, don Alphonse, van nu af ben ik uw vijandin, maar ik wil geen misbruik maken van een ongelukkig toeval, dat u bij mij heeft gebracht. Vordert de eer van mij, dat ik mij tegen u zal wapenen, ze verbiedt mij ook, mij op laffe wijze te wreken, De rechten van de gastvrijheid moeten ongeschonden blijven en ik wil den dienst, welken ge mij bewezen hebt, niet betalen met een moord. Vlucht, ontkom, als ge kunt, aan onze vervolging en aan de gestrengheid van de wetten. Redt u uit het gevaar, dat u dreigt,”
“Hoe mevrouw,” zei ik, “ge kunt u wreken en ge laat het over aan de wet, die misschien te kort zal schieten? Steek mij liever dood, ik verdien het niet, dat ge mij spaart. Wees niet zoo edelmoedig tegenover mij. Weet ge wie ik ben? Geheel Madrid houdt mij voor den zoon van baron von Steinbach en ik ben slechts een ongelukkige, dien hij, uit medelijden, heeft opgenomen. Ik weet zelfs niet, wie mijn ouders zijn.”
“Dat doet niets ter zake,” zei Séraphine, die bij mijn laatste woorden opnieuw smartelijk werd aangedaan; “al waart ge ook de minste van alle menschen, dan nog zou ik doen, wat de eer mij gebiedt.” “Welnu, mevrouw,” zei ik, “indien de dood van uw broeder niet genoeg is, om u mijn bloed te doen verlangen, dan zal ik uw haat opwekken door een nieuwe misdaad, waarvoor ge geen verontschuldiging zult hebben. Ik aanbid u, ik ben verblind door mijn liefde en niettegenstaande mijn ongelukkig lot, had ik de hoop gehad u eens toe te behooren. Ik was verliefd, of liever gezegd ijdel genoeg, om te durven hopen, dat de hemel mij nog eenmaal het geheim van mijn geboorte zou ontsluieren en dat ik u zonder te blozen mijn waren naam zou kunnen noemen. Na wat ik u nu gezegd heb, zult ge toch zeker wel niet meer aarzelen om mij te straffen.”
“Uw vermetele wensch,” antwoordde zij, “zou mij op een anderen tijd zeker beleedigd hebben, maar nu vergeef ik u, terwille van uw verdriet. Bovendien kan ik in den toestand, waarin ik verkeer, weinig aandacht aan uw woorden schenken. Nog eens, don Alphonse, verwijder u uit dit huis, dat gij met smart hebt overladen, ieder oogenblik, dat gij blijft, doet mijn verdriet toenemen.” Ik stond op en zei: “Ik zal gaan, maar denk niet, dat ik trachten zal een veilige schuilplaats te zoeken en een leven te redden, dat gij haat. Ik ga naar Toledo en zal mij aan mijn vervolgers overleveren.”
Met die woorden ging ik heen, steeg te paard en reed naar Toledo, waar ik acht dagen bleef en waar ik zoo weinig zorg nam om mij te verbergen, dat ik nog niet begrijpen kan, dat men mij niet gevangen genomen heeft. Want ik kan niet gelooven, dat de graaf de Polan, indien hij zijn maatregelen goed heeft genomen, zou kunnen vergeten, dat ik Toledo passeeren kon. Gisteren ging ik de stad uit, alsof de vrijheid mij verveelde en zonder een weg te kiezen, die meer veiligheid aanbood, ben ik hier gekomen in dit kluizenaarsverblijf, als een man, die niets heeft te vreezen. Nu weet ge mijn geschiedenis, vader, help mij met uw raad.”
Toen don Alphonse het treurig verhaal van zijn ongelukken verhaald had, zei de oude kluizenaar tot hem: “Mijn zoon, ge zijt wel onvoorzichtig geweest door zoo lang in Toledo te blijven. Ik beschouw met een ander oog dan gij al wat ge mij verteld hebt en uw liefde voor Séraphine schijnt mij een groote dwaasheid. Geloof mij, ge moet de jonge dame vergeten, die u nooit zal toebehooren. Wijk voor de hinderpalen, die u in den weg staan en laat u leiden door uw gesternte, dat u nog wel andere avonturen belooft. Zonder twijfel zult ge nog wel eens weer een jonge vrouw vinden, die een zelfden indruk op u maakt en wier broeder ge niet gedood hebt.”
Hij wilde verder spreken, toen wij een anderen kluizenaar zagen binnen komen, belast met een vollen zak. Hij had inkoopen gedaan in de stad Cuença, scheen jonger dan de eerste en had een dikken, rooden baard. “Wees welkom, broeder Antoni,” zei de oude, “welk nieuws brengt ge uit de stad?” “Nogal slecht nieuws,” zei de roode, en hij gaf hem een stuk papier; “deze brief zal u voldoende inlichten.” De grijsaard las met aandacht. “Goddank!” riep hij, “nu het geheim ontdekt is, moeten wij aan het werk. Laten wij nu maar van stijl veranderen, don Alphonse, ge ziet een man voor u, die eveneens heeft te strijden met de grillen van de fortuin. Men bericht mij uit Cuença, dat in een stad op een mijl afstand van hier, men mij zwart heeft gemaakt bij de justitie en dat men morgen alles in het werk zal stellen, om zich van mijn persoon te verzekeren. Maar ze zullen niets vinden! ’t Is niet de eerste maal, dat ik mij in dergelijke moeilijkheden bevind. Bijna altijd ben ik er goed afgekomen. Maar ik zal me nu in een andere gedaante vertoonen, waarin ik even weinig van een kluizenaar, als van een grijsaard zal hebben.”
Zoo sprekende trok hij zijn pij uit, zette een pruik af maakte zijn langen baard los en zoo kreeg hij het uiterlijk van een man van 28 of 30 jaar. Broeder Antonio volgde zijn voorbeeld en wierp eveneens zijn vermomming weg. Stel u echter mijn verbazing voor, toen ik beter toeziende, in den ouden kluizenaar don Raphaël herkende en in broeder Antonio niemand anders dan zijn trouwe knecht, Ambrosius de Lamela. “Mijn hemel!” riep ik uit, “ben ik hier onder kennissen!” “Zooals ge ziet, mijnheer Gil Blas, ge vindt hier twee vrienden, die ge wel allerminst verwacht hadt te ontmoeten. Ik geef toe, dat ge wel eenige reden hebt om u over ons te beklagen, maar laten wij het verleden vergeten en dankbaar zijn, dat we weer bijeengekomen zijn, Ambrosio en ik bieden u onze diensten aan, die ge niet moet versmaden. Wij zijn niet kwaad, wij vallen niemand aan, wij vermoorden niemand; we beproeven alleen maar te leven ten koste van anderen en wanneer stelen een onrechtvaardige daad is, dan neemt de noodzakelijkheid ervan de onrechtvaardigheid weg. Voeg u bij ons en we zullen een zwervend leven leiden. Dat is een zeer aangenaam leven, wanneer men het voorzichtig doet. Men beleeft wel eens kwade avonturen, maar vindt dan later weer betere.”
Zich tot Alphonse wendende, zei hij: “We doen u hetzelfde voorstel en ik geloof niet, dat ge het verwerpen zult in den toestand, waarin ge u nu bevindt; want zonder nog te spreken van de zaak, welke u verplicht u te verbergen, hebt ge zonder twijfel niet veel geld?” “Neen, waarlijk niet,” bekende don Alphonse, “en dat maakt mijn zorg nog grooter.” “Welnu,” hernam don Raphaël, “verlaat ons niet. Ge kunt niets beters doen dan u bij ons aan te sluiten, het zal u aan niets ontbreken en wij zullen alle navorschingen van uw vijanden nutteloos maken. Wij kennen geheel Spanje, alle bosschen, alle bergen en weten, waar wij ons voor de brutaliteit van de justitie kunnen verbergen.” Don Alphonse dankte hen en daar hij werkelijk zonder geld en zonder eenige hulpbronnen was, besloot hij hen te vergezellen; ik deed dat ook, omdat ik dien jongen man, tot wien ik mij zeer voelde aangetrokken, niet wilde verlaten.
Toen wij overeengekomen waren niet van elkaar te scheiden, maakte het een punt van overweging uit, of wij dadelijk zouden vertrekken, of dat wij eerst eenige aandacht zouden schenken aan een uitmuntend wijntje, dat broeder Antonio den vorigen dag uit Cuença had meegebracht. Raphaël echter, die de meeste ervaring had, oordeelde het gewenscht om in de eerste plaats aan onze veiligheid te denken. Hij raadde aan, den geheelen nacht door te marcheeren, om een dicht bosch te bereiken, dat tusschen Villardesa en Almodavar lag, daar zouden wij halt houden en konden we gedurende den dag rusten. De twee ex-kluizenaars pakten hun kleeren en proviand samen en belastten daarmee het paard van Alphonse. Dat gebeurde met groote snelheid en wij verlieten het verblijf, de twee oude pijen, de witte en de roode baard, 2 krukjes, 1 tafel, een kapotte koffer, 2 oude rieten stoelen en het plaatje van den H. Pacome als een prooi voor de justitie achterlatende.
Wij liepen den geheelen nacht door en begonnen zeer moe te worden toen wij nog vóór zonsopgang ons doel bereikten. Op een grasveld, onder hooge en dichte boomen gingen wij zitten, het paard werd afgeladen om te kunnen grazen en uit broeder Antonio’s zak kwamen brood en eenige stukken gebraden vleesch en de wijnkruik ging rond.
Aan het einde van den maaltijd, zei don Raphaël tot don Alphonse: “Mijnheer, na het vertrouwen, dat ge mij hebt geschonken, is het niet meer dan billijk, dat ik u ook de geschiedenis van mijn leven vertel en met dezelfde oprechtheid als gij het gedaan hebt.” “Ge zult mij daarmee een genoegen doen.” “En mij niet minder!” riep ik uit. “Ik ben zeer nieuwsgierig om uw avonturen te vernemen en twijfel er niet aan, of ze zijn waard, dat men er naar luistert.” “Daar sta ik u voor in,” antwoordde Raphaël; “ik denk er aan ze op een goeden dag nog eens neer te schrijven. Dat zal een amusement voor me zijn als ik oud ben, want ik wil er een groot boekdeel van maken. Maar we zijn vermoeid, laten we dus eerst eenige uren rust nemen; terwijl wij slapen, kan Ambrosius waken, die kan dan na ons gaan slapen. Wel geloof ik, dat we hier veilig zijn, maar ’t is toch beter, dat er iemand wacht houdt.” Hij strekte zich op het gras uit. Don Alphonse deed hetzelfde en ik volgde hun voorbeeld, terwijl Lamela op schildwacht ging staan.
Don Alphonse hield zich, inplaats van te slapen, met zijn ongeluk bezig en ik kon geen oog sluiten. Don Raphaël sliep spoedig in, maar na een uur was hij weer wakker. Daar hij ons gereed vond om te luisteren, zei hij: “Vriend Ambrosius, ga nu van de zoete rust genieten.” “Neen, neen,” antwoordde Lamela, “ik heb geen lust om te gaan slapen. Hoewel ik al de voorvallen uit uw leven ken, zijn ze leerzaam genoeg voor personen van ons vak, om ze nog eens te hooren vertellen.” Don Raphaël begon daarop de geschiedenis van zijn leven.