“Jonge Christen! Dank den hemel voor uw gevangenschap. De liefde en de fortuin zullen die gelukkig voor u maken: de liefde, wanneer gij gevoelig zijt voor de bekoorlijkheden van een schoone vrouw en de fortuin, indien gij den moed hebt alle gevaren te trotseeren.”

Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of de brief kwam van de favorite; de stijl en de diamant zeiden mij dat. Behalve, dat ik van natuur niet beschroomd ben, deden de ijdelheid, om op een goeden voet te zijn met de maitresse van een grooten heer en meer nog de hoop, om van haar meer dan vier keer het bedrag van mijn losprijs te krijgen, mij besluiten dit avontuur te wagen, welke gevaren er ook aan verbonden zouden zijn. Ik ging voort met mijn werk, de middelen bepeinzend, waardoor ik in de vertrekken van Farrukhnar zou kunnen doordringen, of liever gezegd in afwachting, dat ze mij daartoe den weg zou openen, want ik begreep wel, dat ze het niet bij dien brief zou laten en dat zij meer dan de helft van de moeite zou doen. Ik werd niet bedrogen. Dezelfde eunuch kwam, na een uur, terug en zei: “Christen, ge hebt tijd gehad om na te denken; hebt gij den moed mij te volgen?” Ik antwoordde van ja. “Welnu!” hernam hij, “de Hemel behoede u! Morgenochtend zult ge mij zien. Houd u dan gereed om u te laten leiden.” Met die woorden vertrok hij. Den volgenden dag zag ik hem ’s morgens om acht uur. Hij gaf mij een wenk om bij hem te komen en leidde mij in een zaal, waar hij met een anderen eunuch een rol linnen van groote afmeting bracht, bestemd als decoratie voor een Arabisch stuk, dat de sultane voor den pacha instudeerde.

De twee eunuchen, die zagen, dat ik bereid was om alles te doen, wat men wilde, verloren geen tijd; ze rolden mij in het linnen, op gevaar af van mij te laten stikken, vatten het ieder aan een eind en namen mij op. Toen zij het weer afrolden, was ik in de slaapkamer van de favorite, die in lachen uitbarstte, toen ze mij te voorschijn zag komen. Hoe stoutmoedig ik ook van natuur was, toch was ik niet geheel zonder vrees, toen ik mij daar zoo opeens gebracht zag in het geheime vertrek van de vrouwen. De schoone dame scheen dat te merken en zei: “Jongeman, ge hebt niets te vreezen. Soliman is naar zijn landgoed, hij zal daar den geheelen dag blijven en dus kunnen wij ons vrij met elkaar onderhouden.”

Die woorden stelden mij gerust en ik was dadelijk weer geheel op mijn gemak. “Ik voelde mij dadelijk tot u aangetrokken,” vervolgde zij, “en ik zal de hardheid van uw slavernij verzachten. Ik geloof, dat gij de gevoelens, welke ik voor u opgevat heb, waardig zijt. Hoewel ge de kleederen van een slaaf draagt, hebt ge een edel en galant uiterlijk, dat mij zegt, dat ge geen persoon uit het gewone volk zijt. Spreek openhartig met mij en zeg me wie ge zijt. Er zijn wel gevangenen, die hun hooge afkomst verbergen, omdat ze denken dan goedkooper weder vrijgekocht te kunnen worden, maar bij mij behoeft ge niets voor te wenden; die voorzorg zou ik zelfs als een beleediging beschouwen, want ik beloof u de vrijheid.” Ik zei, dat ze goed gezien had en dat ik de zoon was van een grande van Spanje. Misschien sprak ik de waarheid wel; zij althans geloofde het, drukte er hare vreugde over uit, dat haar oogen haar niet hadden bedrogen en gaf mij de verzekering, dat wij dikwijls zouden samen zijn. Zelden heb ik een aardiger vrouw ontmoet. Ze sprak verschillende talen en het Spaansch zeer goed. Toen ze meende, dat het tijd was om te scheiden, kroop ik op haar bevel in een groote teenen mand, ze bedekte mij met stukken zijde, die ze zelf bewerkt had en riep de twee slaven weer, die mij wegbrachten, als een cadeau, dat de favorite aan den pacha zendt en dat heilig is voor ieder.

Wij vonden nog andere gelegenheden om elkaar te spreken en spoedig boezemde deze bekoorlijke vrouw mij een even groote liefde in, als zij voor mij had. Onze verstandhouding bleef zes maanden geheim, hoewel het zeer moeilijk is, om, in een harem, zooiets lang verborgen te houden. Op een goeden dag keerde de fortuin ons den rug toe. Ik was binnengesmokkeld in een draak, die in een comediestuk moest worden gebruikt, toen Soliman, die, naar ik meende uit de stad was, zoo plotseling naar haar kamer kwam, dat de oude vertrouwde slavin, die altijd op wacht stond, nauwelijks tijd vond om ons te waarschuwen. Ik had nog minder den tijd om mij te verbergen.

Het eerste wat de pacha zag, was ik; hij scheen zeer verwonderd en zijn oogen flikkerden van toorn. Ik beschouwde mijzelf als iemand wiens laatste oogenblik is aangebroken. Wat Farrukhnar betreft, ook zij was zeer verschrikt, maar inplaats van haar schuld te bekennen en vergiffenis te vragen, zei ze: “Heer, verwaardig u mij aan te hooren, voor ge uw vonnis uitspreekt. De schijn is tegen mij: ik beken, dat ik dien jongen gevangene bij mij heb laten brengen, op de wijze alsof ik een geliefde ontving en toch ben ik u in geen enkel opzicht ontrouw geworden, de groote profeet is mijn getuige. Ik heb getracht dezen christen-slaaf afvallig te maken en hem over te halen de geloovigen te volgen. Zooals ik wel verwachtte, heb ik tegenstand bij hem gevonden, maar ik heb dien overwonnen en hij heeft zich bereid verklaard onzen godsdienst te omhelzen en Mahomedaan te willen worden.”

Ik voelde wel, dat ik eigenlijk verplicht was om dit tegen te spreken, maar, bevende voor het lot van de vrouw, die mij beminde en voor dat van mijzelf, zweeg ik en de pacha leidde daaruit af, dat zij de waarheid had gesproken. “Ik wil gelooven,” zei hij, “dat ge mij niet bedrogen hebt en dat de lust om een werk te doen, dat welgevallig is in de oogen van den profeet, u tot deze onvoorzichtigheid heeft geleid. Ik vergeef u die, mits deze jonge gevangene dadelijk den tulband aanneemt.” Er werd een Mohammedaansch priester geroepen en men kleedde mij als een Turk. Ik liet alles toe, zonder mij te verzetten.

Na deze ceremonie verliet ik het serail, om onder den naam Sidy Hally een betrekking te gaan vervullen, die Soliman mij had gegeven. Ik zag de favorite niet weer, maar een van haar eunuchen kwam mij op zekeren dag bezoeken. Hij gaf mij edelsteenen ter waarde van een paar duizend gouden dukaten en een brief, waarin de sultane mij bedankte voor mijn edelmoedigheid. Door Mohammedaan te worden, had ik haar het leven gered. Door haar invloed kreeg ik ook spoedig een betere betrekking en in minder dan zes jaar was ik een der rijkste mannen van de stad Algiers.

Ge kunt u wel voorstellen welke grimassen ik trok, als ik deelnam aan de gebeden van de Muzelmannen in hunne moskeeën en aan de andere ceremoniën, welke hun godsdienst voorschrijft. Gaarne wilde ik weer tot onze oude kerk terugkeeren en daarom stelde ik mij voor, met de rijkdommen, welke ik verzameld had, naar Spanje of Italië te gaan. In afwachting daarvan, maakte ik mij het leven zoo aangenaam mogelijk. Ik woonde in een mooi huis, had prachtige tuinen, een groot aantal slaven en in mijn harem had ik zeer mooie vrouwen. Wat het gebruik van wijn betreft, dit is aan Mohammedanen verboden, maar de meesten drinken dien in het geheim. Ik dronk zooveel als ik lustte, zooals alle afvalligen doen. Met twee bekenden zat ik dikwijls ’s avonds en ’s nachts aan tafel. De een was een jood en de andere een Arabier. Ik was zeer familiaar met hen, daar ik meende, dat het eerlijke menschen waren. Op een avond noodigde ik hen uit, om bij mij te soupeeren. Er was dien dag een hond van mij gestorven, waaraan ik zeer gehecht was. Wij wieschten het lichaam en bestelden het ter aarde met alle ceremoniën, die bij de begrafenis van een geloovig Mohammedaan worden in acht genomen. Het gebeurde niet zoozeer om met den godsdienst te spotten, dan wel om ons, in een roes, te vermaken.

Maar die grap kwam mij duur te staan, zooals gij zult hooren. Den volgenden dag kwam er een man bij mij, die me zei: “Mijnheer Sidy Hally, een gewichtige zaak voert mij tot u. Mijnheer de kadi wenscht u te spreken, wees zoo goed dadelijk bij hem te komen.” “Zeg mij als ’t u belieft wat hij van mij wil?” vroeg ik. “Dat zal hij u zelf wel zeggen,” kreeg ik ten antwoord. “Het eenige dat ik u zeggen kan is, dat een Arabische koopman, die gisterenavond bij u gesoupeerd heeft, hem eenige mededeelingen heeft gedaan omtrent de begrafenis van een hond. Gij moet daarom vandaag bij hem verschijnen anders zult ge gerechtelijk vervolgd worden,” Toen hij weg was, dacht ik over die sommatie na. Waarom zou die Arabier mij dat geleverd hebben? Hij had in het geheel geen redenen, om zich over mij te beklagen. Den kadi kende ik als een man, streng voor het oog, maar in werkelijkheid niet zeer nauwgezet en voor alles een vrek. Ik deed tweehonderd goudstukken in een beurs en ging den rechter opzoeken. Hij liet mij in zijn kabinet komen en zei met een barsch gezicht: “Gij zijt een goddelooze, een heiligschenner, een verschrikkelijke man! Gij hebt een hond begraven als een Muzelman! Welk een profane handelwijze! Respecteert gij dan onze heiligste ceremoniën niet? En zijt ge alleen Mahomedaan geworden om onze godsdienstige gebruiken te bespotten?” “Mijnheer de kadi”, antwoordde ik, “de Arabier, die u mededeeling gedaan heeft van het gebeurde, die valsche vriend, is medeplichtig aan mijn misdaad, indien het er althans een is, om eer te bewijzen aan de stoffelijke overblijfselen van een trouw dier, dat duizende goede hoedanigheden bezat, dat veel hield van verdienstelijke mannen en zelfs stervende hun nog bewijzen van zijn vriendschap heeft willen geven. Het heeft een testament gemaakt, waarvan ik exécuteur ben. Aan den een zijn twintig kronen vermaakt, den ander dertig en ook u, mijnheer de kadi heeft hij niet vergeten, hier zijn tweehonderd goudstukken, die hij mij opgedragen heeft u ter hand te stellen. Dit zeggende, haalde ik mijn beurs te voorschijn. De kadi had onder het gesprek zijn streng uiterlijk verloren; hij kon niet nalaten om te lachen en, daar wij alleen waren, stak hij de beurs in zijn zak. “U kunt gaan, mijnheer Sidy Hally,” zei hij “en gij hebt goed gedaan door de laatste eer te bewijzen aan een dier, dat eerlijke menschen zoo wist te respecteeren.”

Zoo liep de zaak af en als ze mij niet wijzer maakte, ik werd er althans minder goed van vertrouwen door. Ik noodigde den Arabier niet meer bij mij uit en den jood ook niet. ’s Avonds dronk ik nu dikwijls met een jongeman uit Livorno, die Azarini heette en mijn slaaf was. Ik was over het algemeen zeer goed voor mijn slaven en deed niet als andere afvalligen, die hun christenslaven slechter behandelden dan de Turken zelf, zoodat velen niet eens naar de vrijheid verlangden, hoe aantrekkelijk die ook is voor menschen in slavernij.

Op zekeren dag keerden de schepen van den pacha terug met een goede vangst. Meer dan honderd slaven brachten ze mee van beide geslachten, opgelicht aan de kusten van Spanje, Soliman hield er maar een klein gedeelte van, de overigen werden verkocht. Ik ging naar de markt en kocht een Spaansch meisje van tien of twaalf jaar. Ze weende onophoudelijk en was wanhopig. Ik zei haar in het Spaansch, dat ze gerust moest zijn want dat ze een humanen meester zou krijgen, hoewel hij een tulband droeg. Het kleine meisje was zoo vervuld met haar verdriet, dat ze mij niet hoorde. Ze deed niets als zuchten, klagen over haar lot en nu en dan riep zij aandoenlijk: “O, moeder! waarom wil men ons scheiden!” en keek daarbij naar een vrouw van vijf en veertig of vijftig jaar, die in stilte wachtte tot zij verkocht zou worden. “Is dat uw moeder?” vroeg ik. Ze knikte en ik zei: “Welnu, ge kunt bij elkaar blijven,” Ik naderde de vrouw, om over haar te onderhandelen. Ik had haar gezicht nog niet gezien, of ik herkende, tot mijn groote aandoening, de trekken van Lucinde, “Gerechte hemel,” zei ik bij mijzelf, “dat is mijn moeder, ik kan er niet aan twijfelen!” Zij herkende mij niet. Na haar gekocht te hebben, bracht ik haar met haar dochter naar mijn huis, waar ik het genoegen hebben wilde haar te zeggen, wie ik was.

“Mevrouw,” zei ik tegen Lucinde, “hoe is het mogelijk, dat mijn gezicht u niet treft. Ben ik door mijn tulband en mijn knevel zoo veranderd, dat ge uw zoon Raphaël niet herkent?” Mijn moeder beefde bij die woorden, keek mij goed aan en wij omhelsden elkaar teeder. Ik omhelsde ook het meisje, dat wel even weinig geweten zal hebben, dat ze een broer had, als ik wist, dat ik een zuster bezat. “Beken maar,” zei ik tegen mijn moeder, “dat ge in al uw comedie-stukken nooit een herkennings-scène hebt meegemaakt, die zoo treffend was als deze.” “Mijn zoon,” antwoordde zij zuchtend, “ik ben zeer blij u weer te vinden, maar er mengt zich smart in mijn vreugde. Helaas, hoe moet ik u weerzien! Mijn slavernij doet mij duizendmaal minder verdriet dan deze verfoeilijke kleeding....” “Wel mevrouw,” viel ik haar in de rede, “ik bewonder uw fijngevoeligheid; ik mag die wel zien in een actrice. Maar ge zijt wel veranderd, dat mijn gedaanteverwisseling u zoo treft; inplaats van zoo vertoornd te zijn op mijn tulband, moet ge mij maar beschouwen als een acteur, die een rol vervult in een Turksch stuk. Ik ben even weinig Muzelman als ik het in Spanje zou zijn en hecht nog altijd aan mijn godsdienst; als ge alle avonturen weet, die mij in dit land overkomen zijn, zult ge mij verontschuldigen. De liefde is oorzaak van mijn misdaad; ik heb aan dien god geofferd en lijk in dat opzicht een weinig op u. Maar het zal u misschien genoegen doen te vernemen, dat wij hier rijk en in overvloed kunnen leven, tot zich de gelegenheid zal aanbieden, om veilig naar Spanje terug te keeren. Herinner u het spreekwoord: “er is altijd een geluk bij een ongeluk”. “Mijn zoon,” zei Lucinde, “daar ge van plan zijt naar uw vaderland terug te keeren en het mohamedanisme af te zweren, ben ik heelemaal getroost. Dank zij den Hemel, zal ik uw zuster Beatrix veilig en wel naar Spanje kunnen terug brengen.” “Ja mevrouw,” riep ik uit, “dat kunt ge. Wij zullen alle drie terugkeeren naar onze overige familie, want ge zult in Spanje zeker nog wel andere bewijzen van uw vruchtbaarheid hebben?” “Neen,” zei mijn moeder, “ik heb maar twee kinderen en Beatrix is uit een wettig huwelijk geboren.” “En waarom,” vroeg ik, “hebt ge mijn kleine zuster dat voordeel geschonken boven mij? Hoe hebt ge er toe kunnen besluiten om te trouwen? Ik heb u in mijn jeugd wel honderd maal hooren zeggen, dat ge het van een mooie vrouw onvergeeflijk vond om te huwen.” “Andere tijden, andere zorgen, mijn zoon, de sterkste man verandert wel eens en zou dan een vrouw het niet doen? Ik zal u,” vervolgde zij, “mijn geschiedenis vertellen van uw vertrek uit Madrid af.” Daarna deed ze mij het volgende verhaal, dat ik nooit zal vergeten en dat ik u niet wil onthouden.

“Het is nu,” zoo begon zij, “ongeveer dertien jaar geleden, dat ge den jongen Léganez verliet. Omstreeks dien tijd zei de hertog de Medina Céli mij, dat hij een avond alleen met mij wilde soupeeren. Hij bepaalde den dag, hij kwam en ik beviel hem. Hij verzocht mij, om mij niet meer in te laten met andere heeren, indien ik dat soms deed. Ik beloofde het hem, in de hoop, dat hij het goed met mij zou maken. Daar ontbrak het niet aan, den volgenden dag reeds ontving ik prachtige cadeaux, die door vele andere werden gevolgd. Hoewel ik vreesde, dat ik hem niet lang zou kunnen boeien, daar hij met andere schoone vrouwen altijd spoedig had gebroken, scheen hij steeds nieuw genoegen in mijn gezelschap te vinden.

Het was reeds drie maanden, dat hij mij beminde en ik had alle hoop, dat zijn liefde nog wel van langeren duur zou zijn, toen ik op zekeren dag een uitnoodiging ontving van een vriendin, om mee te gaan naar een concert, waar de hertog en zijn vrouw ook waren. Toevallig kwamen wij dicht bij hen te zitten. De hertogin liet mij door een dame uit haar gevolg verzoeken, mij onmiddellijk te verwijderen. Ik gaf een brutaal antwoord terug en de hertogin beklaagde zich bij haar man, die zelf bij me kwam en zei: “Ga weg Lucinde; wanneer groote heeren zich hechten aan wezentjes zooals gij, dan moeten zij toch niet vergeten, dat, al beminnen wij haar meer dan onze vrouwen, wij de laatsten toch meer eeren en ge stelt u aan een onaangename behandeling bloot, indien ge het waagt u met haar op één lijn te stellen.”

Gelukkig sprak de hertog zoo zacht, dat hij door anderen niet gehoord werd. Beschaamd verliet ik de zaal en ik weende van spijt over deze beleediging. Tot overmaat van smart wisten denzelfden avond al de acteurs en actrices bij ons reeds, wat er was gebeurd. Men zou zeggen, dat er onder die lieden altijd een demon is, die er behagen in schept het ongeluk van anderen ruchtbaar te maken. Den hertog de Médina-Céli zag ik niet weer en ik hoorde eenige dagen later, dat een zangeres hem veroverd had.

Wanneer een dame van het tooneel het geluk heeft in den smaak te vallen, ontbreekt het haar nooit aan minnaars en de liefde van een groot heer, al duurt die ook maar drie dagen, geeft haar nieuwe waarde. Dus zag ik mij omringd door aanbidders, zoodra het in Madrid bekend werd, dat de hertog mij niet meer bezocht. Onder hen was er een, die mij met volharding het hof maakte. Hij zag er niet zeer beminnelijk uit, het was een dikke Duitscher, die tot het gevolg van den hertog d’Ossune behoorde; maar hij had in den dienst van zijn meester duizend pistolen weten bijeen te brengen en besteedde die om mij attenties te bewijzen. Hij heette Brutendorf. Zoolang hij veel geld voor mij uitgaf, ontving ik hem vriendelijk, toen het op was, bleef mijn deur voor hem gesloten. Dat verbitterde hem zeer, hij kwam in den schouwburg, terwijl de voorstelling aan den gang was en kwam bij mij, achter de coulissen, waar hij mij heftige verwijten deed; ik lachte hem in zijn gezicht uit en hij gaf mij een slag in het gezicht. Ik uitte een kreet, welke stoornis veroorzaakte op het tooneel en wilde mij bij den hertog, die met zijn vrouw in den schouwburg was, beklagen over deze Germaansche manieren van dien heer uit zijn gevolg. De hertog gelastte, dat de voorstelling zou worden vervolgd en dat hij daarna de partijen zou hooren. Later kwam ik dus bij hem, om op levendige wijze mededeeling te doen van den ondervonden smaad. Wat den Duitscher betreft, hij had slechts enkele woorden te zeggen, niet van berouw, maar om te verklaren, dat hij lust had om weer te beginnen. De hertog zei daarop tegen den Duitscher: “Brutendorf, ik ontsla u, niet omdat ge een actrice een slag in het gezicht hebt gegeven, maar omdat ge weinig eerbied betoond hebt voor uw meester, door in zijn tegenwoordigheid en die van de hertogin de voorstelling te verstoren.”

Die uitspraak verbitterde mij zeer. De Duitscher werd dus niet weggejaagd, omdat hij mij beleedigd had. Ik had mij verbeeld, dat een dergelijke beleediging van een actrice even streng gestraft zou worden als majesteitsschennis. Daardoor ervaarde ik, dat de groote wereld de acteurs niet verward met de rollen, welke zij op het tooneel vervullen. Ik kreeg een afkeer van het theater en besloot Madrid te verlaten. Als woonplaats koos ik Valencia en ik ging er incognito heen, met een waarde van twintig duizend ducaten, welke ik bezat aan geld en edelgesteente. Ik meende, dat die som voldoende was om de rest van mijn dagen een ingetogen leven te leiden. Te Valencia huurde ik een klein huis en nam voor mijn bediening een vrouw en een page, die mij niet kenden. Ik gaf mij uit voor de weduwe van een officier, had weinig conversatie en leidde een zoo geregeld leven, dat niemand in mij een gewezen actrice vermoedde. Maar hoe stil ik ook leefde, ik trok de aandacht van een edelman, die een kasteel had, dicht bij Paterna. Hij was een knappe man van omstreeks veertig jaar, maar had veel schulden, wat even dikwijls in Valencia als in andere plaatsen voorkomt. Daar ik hem beviel en hij vernomen had, dat ik vermogend was, verklaarde hij zich, bekoord door mijn schoonheid en deugd, bereid mij voor het altaar te geleiden. Ik vroeg drie dagen bedenktijd. Daar ik veel goeds van hem hoorde, besloot ik, hoewel de staat van zijn vermogen mij niet onbekend was, hem mijn hand te reiken.

Don Manuel de Xerica, zoo heette mijn echtgenoot, bracht mij op zijn kasteel, dat zeer antiek was en waarop hij niet weinig trotsch was. Hij beweerde, dat een van zijn voorvaderen het had laten bouwen en leidde daaruit af, dat er geen ouder huis in Spanje was. Hoeveel reden hij ook had om trotsch te zijn op zijn bezitting, deze geleek op sommige plaatsen wel op een ruïne. De helft van mijn geld werd gebruikt om het gebouw te herstellen en de andere helft diende ons om een schitterenden staat te voeren. Zoo werd ik dus een dame van een kasteel. Welk een verandering! Maar ik was een te goede actrice om niet schitterend mijn rang en stand op te houden. Ik deed zeer voornaam en in het dorp geloofde men, dat ik het was. Wat zouden ze een pleizier gehad hebben als ze geweten hadden, wie ik werkelijk was! De edellieden uit de omgeving zouden mij beleedigd en vernederd hebben en de boerenbevolking zou veel aan eerbied voor mij hebben verloren.

Er verliepen zes jaar, waarin ik zeer gelukkig met don Manuel leefde. Toen stierf hij, mij mijn zaken in een zeer ontredderden toestand en uw zuster Beatrix nalatende, die toen vier jaar was. Onze eenige bezitting was het kasteel en wij hadden verscheidene schuldeischers, waarvan de groote Bernard Astuto5 heette. Hij deed zijn naam alle eer aan en daar hij procureur was, begon hij ons dadelijk te vervolgen met al de kennis van iemand, die gewoon is om processen te voeren. In een onderhoud, dat ik met hem over deze zaken had, scheen ik hem te bekoren. Ik deed mijn uiterste best om zijn neiging aan te wakkeren en al spoedig zei me deze papierkrabber: “Mevrouw, ik ben altijd zoo door mijn vak in beslag genomen geweest, dat ik van liefde en galanterie niets afweet, maar indien u met mij wilt huwen, zal ik alle stukken voor het proces verbranden, en uw andere schuldeischers tevreden stellen. Gij zult dan de inkomsten van uw goed hebben en uw dochter den eigendom.” Het belang van Beatrix en van mij veroorloofde mij niet te twijfelen, ik nam zijn voorstel aan. De procureur hield zijn belofte, het kasteel was ons verzekerd en dit was misschien de eerste maal in zijn leven, dat deze man de belangen van een weduwe en een wees had gediend.

Ik werd dus procureursvrouw, zonder echter op te houden de Vrouwe van het dorp te zijn, maar mijn huwelijk vernederde mij in de oogen van den adel van Valencia. De aanzienlijke dames meenden, dat ik beneden mijn stand was getrouwd en wilden geen conversatie meer met mij hebben. In den aanvang hinderde mij dat zeer, maar spoedig troostte ik mij en werd opgenomen in de kringen, waarin de vrouwen van de collega’s van mijn man gewoon waren zich te bewegen. Ik maakte kennis met een griffiers- en twee procureursvrouwen, die een goed karakter hadden. Er was in haar manieren iets belachelijks, waarmee ik mij zeer vermaakte. Deze vrouwtjes vonden zichzelf heel bijzonder. Helaas, dacht ik dikwijls, als ik hen zag, zoo is de wereld. Iedereen denkt, dat hij meer is dan zijn buurman. Ik dacht vroeger, dat alleen de actrices zoo waren. Ik wilde, dat men deze burgerdames dwong de portretten van hun voorouders te bewaren. Op mijn woord, ze zouden ze niet in het volle licht ophangen.

Na vier jaren werd Bernard Astuto ziek en stierf hij, zonder kinderen na te laten. Met het landgoed en het vermogen, dat hij mij naliet, was ik nu een rijke weduwe. Op dat gerucht kwam een Siciliaansche edelman, genaamd Colifichini, af. Hij was nog geen vijfentwintig jaar, welgemaakt, hoewel klein en ik moet bekennen, dat ik na het eerste onderhoud, dat ik met hem had, al smoorlijk verliefd op hem werd. Het liefst zouden wij maar dadelijk getrouwd zijn; dat kon echter niet, omdat de procureur pas dood was. Hoewel ik bijna tweemaal zoo oud was en de arme jongen zeer slecht bij kas, trouwden we toch spoedig en wij leefden bijna twee jaar op mijn kasteel, meer als een paar beminden, dan als getrouwde menschen. Ons geluk duurde helaas niet lang, een longontsteking nam mijn besten Colifichini weg.”

Hier viel ik mijn moeder in de rede. “Maar stierf uw derde man dan ook al? Het moet een gevaarlijk werk geweest zijn om met u te trouwen!” “Wat zal ik u zeggen, mijn zoon,” antwoordde ze mij. “Kan ik de dagen verlengen, die de Hemel heeft geteld? Twee van mijn echtgenooten heb ik oprecht betreurd, den procureur niet, daar ik hem slechts uit eigenbelang had gehuwd. Maar, om op Colifichini terug te komen, hij had nog een kleine bezitting bij Palermo, die ik erfde. Ik wilde die zelf gaan bezichtigen en scheepte mij met mijn dochter in naar Sicilië. Wij werden overvallen door de schepen van den pacha van Algiers en zeer gelukkig voor ons, heeft men ons naar de plaats gebracht, waar we door u werden gevonden.”

Zoo luidde de geschiedenis van mijn moeder. Ik gaf haar de mooiste kamers van mijn huis en de vrijheid om te leven, zooals ze wilde, wat haar zeer naar den zin was. Ze had het zich echter zoo tot een gewoonte gemaakt om te beminnen, dat ze niet buiten een minnaar of een man kon leven. Weldra trok een Griek, die Mohamedaan was geworden, Hally Pégelin, een bezoeker van ons huis, haar aandacht. Zij vatte voor hem nog meer liefde op, dan ze ooit voor Colifichini had gehad en daar ze er geroutineerd in was, om de mannen te behagen, vond ze ook het geheim om dezen Griek te bekoren. Ik deed alsof ik van die verstandhouding niets merkte en dacht aan niets anders, dan om naar Spanje terug te gaan. De pacha had mij al toegestaan om een schip te bemannen, om daarmee op zeeroof te gaan. Die zaak hield mij druk bezig en acht dagen voor ik klaar was, zei ik tegen mijn moeder, dat wij spoedig op reis zouden gaan en de plaats verlaten, welke zij verfoeide.

Mijn moeder verbleekte bij die woorden en zweeg. Ik was daardoor zeer onaangenaam getroffen. “Wat zie ik?” riep ik uit. “Hoe komt het, dat ge zulk een verschrikt gezicht zet? Het schijnt wel, dat ge bedroefd zijt inplaats van verheugd. Verlangt ge er dan niet naar, om weer naar Spanje terug te keeren?” “Neen, mijn zoon,” antwoorde ze mij, “ik heb daar te veel verdriet gehad.” “Wat een verandering!” riep ik uit. “Toen u hier in de stad kwam, was alles verfoeielijk, maar Hally Pégelin heeft uw stemming veranderd.” “Ik ontken niet,” zei ze, “dat ik hem bemin en tot mijn vierden man wil maken.” “Wat een plan!” riep ik met schrik, “u, een Muzelman trouwen! Vergeet ge dan, dat ge een christin zijt, of liever, zijt ge dat tot nu toe alleen maar in naam geweest?”

Wat ik ook deed, om haar van haar voornemen af te brengen, het was nutteloos; haar besluit stond vast. Ze bepaalde zich daartoe niet, ze wilde ook Béatrix meenemen. Ik verzette mij daartegen. “Maar ongelukkige, als niets u zelf van een onzinnige daad kan terughouden, sleep dan toch in geen geval een jong onschuldig wezen mee!” Lucinde ging weg en ik meende, dat een laatste straal van gezond verstand haar brein had verlicht. Wat kende ik mijn moeder slecht! Een paar dagen later zei een van mijn slaven mij, dat ik voorzichtig zijn moest en dat een gevangene van Pégelin hem in vertrouwen mededeelingen had gedaan, waarvan ik profijt kon trekken.

“Uw moeder is veranderd van godsdienst en, om zich op u te wreken, dat ge Béatrix niet hebt willen afstaan, heeft zij het plan gevormd, om den pacha van uw voorgenomen vlucht in kennis te stellen.” Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of Lucinde was er de vrouw naar, om te doen, wat de slaaf zei. Ik had tijd genoeg gehad om haar te leeren kennen en ik had gezien, dat zij, door het spelen in bloedige drama’s, vertrouwd geraakt was met de misdaad. Zij had mij heel goed levend kunnen laten verbranden en ik geloof niet, dat mijn dood haar meer getroffen zou hebben dan een van de gebeurtenissen op het tooneel.

Ik wilde den raad, dien men mij gegeven had, niet in den wind slaan, dus verhaastte ik mijn inscheping, mijn zuster Béatrix nam ik mee en behalve van mijn eigen slaven, slechts zooveel Turken als noodig was, om geen argwaan te wekken. Aan geld en edelsteenen had ik een waarde bij mij van zesduizend ducaten. Toen wij in volle zee waren, begonnen wij met ons van de Turken te verzekeren. Wij ketenden hen gemakkelijk, omdat mijn slaven sterker in aantal waren. Wij hadden een zeer gunstigen wind, bereikten spoedig de Italiaansche kust en ontscheepten ons in de haven van Livorno, waar een groot deel van de inwoners van de stad uitliep, om ons te zien landen. De vader van mijn slaaf Azarini bevond zich daaronder. Hij keek aandachtig naar al mijn gevangenen, die één voor één den voet aan wal zetten, maar hoewel hij de trekken van zijn zoon zocht, was hij er niet op voorbereid, dat hij hem terug zou zien. Welk een vreugde en omhelzingen volgden op de herkenning! Zoodra Azarini hem had verteld wie ik was en waarom ik in Livorno kwam, drong hij er zeer op aan, dat ik met mijn zuster bij hem zou komen logeeren. Ik verkocht mijn schip, gaf al mijn slaven de vrijheid en de Turken werden in de gevangenis bewaard, om tegen Christenslaven te worden uitgewisseld.

Bij de familie van Azarini ondervonden wij veel vriendschap en de zoon huwde later zelf met mijn zuster Béatrix, die geen slechte partij voor hem was, daar zij de dochter van een edelman was en het kasteel van Xerica bezat.

Nadat ik eenigen tijd in Livorno had vertoefd, wilde ik Florence zien. De oude Azarini had mij vele aanbevelingsbrieven verschaft, ook voor vrienden, die hij aan het hof van den groothertog had. Ik voegde ook don voor mijn naam, zooals vele Spanjaarden zonder complimenten in het buitenland doen. Ik liet mij dus don Raphaël noemen en zocht slechts omgang met voorname heeren. Al spoedig werd ik aan den groothertog voorgesteld; uit gesprekken met andere hovelingen had ik afgeleid welk een man hij was en ik regelde mij daarnaar, zoodat ik hem beviel. Ik had o. a. opgemerkt, dat hij er veel van hield, om naar interessante verhalen en aardige invallen te luisteren. Door mijn ondervinding, kon ik nog al veel vertellen en ’s morgens zon ik altijd op verhalen, een mengeling van waarheid en verdichting, waarmee ik hem dan des middags vermaakte. Ter afwisseling maakte ik soms ook verzen, waarin ik hem bezong en ze hadden niet beter door hem kunnen worden ontvangen, al waren ze ook nog zoo goed geweest. Hoe het zij, de groothertog schepte zooveel behagen in mij, dat de andere hovelingen jaloersch werden en wenschten te weten, wie ik was. Ze slaagden daarin niet.

Op zekeren dag, toen ik weer een reisverhaal had gedaan, dat hem zeer had geboeid, zei hij mij: “Don Raphaël, ik gevoel voor u veel vriendschap en ik zal u daarvan een bewijs geven door u deelgenoot te maken van mijn geheimen. Ik moet u dan bekennen, dat ik verliefd ben op de vrouw van een mijner ministers. Dat is de beminnelijkste dame van mijn hof, maar tegelijkertijd de deugdzaamste. Ze gaat weinig uit en is zeer gehecht aan haar echtgenoot, die haar aanbidt. Die verovering is dus zeer moeilijk. Ik heb gelegenheid gevonden, om met haar zonder getuigen te spreken en zij kent mijne gevoelens. Ik vlei mij niet, dat ik haar liefde heb ingeboezemd, ze heeft mij geen enkele reden gegeven om die gelukkige gedachte te koesteren. Maar toch heb ik hoop, dat ik haar op den duur voor mij zal winnen door mijn standvastigheid en stilzwijgen.

De liefde, welke ik voor haar koester, is alleen aan haar bekend. Ik wil in deze zaak niet als souverein handelen, dat laat ik na ter wille van Mascarini, haar man, die mij met ijver en toewijding dient. Alles moet dus geheim blijven en ik heb u bestemd om de tolk van mijn gevoelens bij Lucretia te zijn. Ik twijfel er niet aan of ge zult u op uitstekende wijze van die taak kwijten. Knoop omgang aan met Mascarini, tracht zijn vriendschap te winnen en beproef het zoover te brengen, dat ge in zijn huis, vrij met zijn vrouw kunt spreken. Ziedaar wat ik van u verlang en ik ben er zeker van, dat ge het met kieschheid en discretie zult volbrengen.”

Ik beloofde den groothertog, dat ik al het mogelijke zou doen, om te beantwoorden aan het vertrouwen, dat hij in mij gesteld had en om zijn geluk te bevorderen. Het kostte mij niet veel moeite, om mij aangenaam te maken bij Mascarini. Het deed hem genoegen, dat zijn vriendschap gezocht werd door iemand, die door den vorst steeds met zekere onderscheiding werd behandeld en dus kwam hij mij tegemoet. Zijn huis stond voor mij open en ik kon met zijn vrouw zooveel spreken als ik wilde. Ik moet zeggen, dat hij weinig jaloersch was voor een Italiaan; hij vertrouwde op de deugd van Lucretia. Al spoedig begon ik met die dame over de liefde van den groothertog te spreken. Ze scheen niet verliefd op hem, maar haar ijdelheid werd gestreeld. Ze luisterde met genoegen toe, zonder te antwoorden. Ze was wel verstandig, maar bleef vrouw en kon niet ongevoelig blijven bij het denkbeeld, een souverein aan haar voeten te zien. De vorst kon dus hopen, dat Lucretia hem eenmaal zou toebehooren, maar een gebeurtenis, die hij het minst had verwacht, kwam zijn hoop vernietigen, zooals ge zult vernemen.

Ik was natuurlijk stoutmoedig in den omgang met vrouwen. Die gewoonte, het moge een goede of een slechte zijn, had ik mij eigen gemaakt bij de Turken. Lucretia was schoon. Ik vergat, dat ik een afgezant was en begon voor mijzelf te spreken. Inplaats van mij een vertoornd antwoord te geven, zei ze glimlachend: “Beken, don Raphaël, dat de groothertog een pleitbezorger van zijn zaak heeft, die zeer trouw en ijverig is. Ge dient hem met een kracht, welke niet genoeg geprezen kan worden.” “Mevrouw,” zei ik, “laten wij daar niet dieper op ingaan, ik laat mij leiden door mijn gevoel en ik zou niet de eerste vertrouweling van een vorst zijn, die in een liefdesaangelegenheid zijn meester bedroog.” “Dat kan wel,” zei Lucretia, “maar ik ben trotsch en geen ander dan een vorst zal mij naderen. Gedraag u dus daarnaar,” zei ze op ernstigen toon, “laten wij van dit onderwerp afstappen. Ik wil vergeten, wat ge hebt gezegd, op voorwaarde, dat zulke woorden u niet weer ontvallen, want dan zou het u berouwen.”

Maar die waarschuwing doofde mijn hartstocht niet voor de vrouw van Mascarini en ik was zelfs vermetel genoeg, om mij zekere vrijheden te willen veroorloven. Zij dreigde mij daarop, dat ze den groothertog mededeeling zou doen van mijn onbeschaamdheid en hem zou verzoeken, mij daarvoor te straffen, zooals ik verdiende.

Ik werd op mijn beurt kwaad. Mijn liefde veranderde in haat en ik besloot mij te wreken. Ik zocht haar man op en na hem een eed te hebben doen afleggen, dat hij mij niet zou verraden, deelde ik hem mee, welke verstandhouding er tusschen den groothertog en zijn vrouw bestond. Daarbij verzuimde ik niet, om de scène interessanter te maken, te doen voorkomen, of zij zeer verliefd was op haar aanbidder. De minister nam afdoende maatregelen, hij sloot zijn vrouw dadelijk op in een geheim vertrek en liet haar door een paar zeer vertrouwde personen bewaken. Terwijl het haar dus onmogelijk was, om berichten aan mijn meester te doen toekomen, zei ik met een bedroefd gezicht tot den vorst, dat hij maar niet meer aan Lucretia moest denken. Ik opperde de veronderstelling, dat de minister alles ontdekt had, hoewel ik mij steeds zeer behendig had gedragen, dat zijn vrouw misschien zelve alles aan hem had medegedeeld en dat ze zich nu, in overeenstemming met hem, had laten opsluiten, om haar deugd beter te beveiligen. De prins was zeer terneergeslagen door mijn mededeelingen en ik gevoelde berouw over wat er gebeurd was, maar een volgend oogenblik had ik weer een zekere kwaadaardige vreugde, bij de gedachte aan den toestand, waarin zich de trotsche vrouw bevond.

Een tijd ging alles goed, toen de groothertog op zekeren dag, dat ik met vijf of zes andere hovelingen bij hem was, tot ons zei: “Op welke wijze, mijne heeren, oordeelt ge, dat men een man straft, die misbruik gemaakt heeft van het vertrouwen van zijn vorst en getracht heeft hem zijn maitresse te ontrooven?” De eene hoveling zei, dat men hem door vier paarden van elkaar moest laten scheuren, een ander wilde hem door stokslagen dood slaan en de derde, Italiaan, die het minst wreed was, dacht, dat men hem van een toren moest laten springen. De groothertog zei: “En don Raphaël, wat denkt hij ervan? Ik ben overtuigd, dat de Spanjaarden in zulke zaken niet minder streng oordeelen dan de Italianen.” Ik begreep wel, zooals ge kunt denken, dat Mascarini zijn eed niet had gehouden, of dat zijn vrouw een middel gevonden had, om den vorst mee te deelen, wat er was gebeurd. Hoe angstig ik ook was, ik antwoordde op vasten toon: “Heer, de Spanjaarden zijn edelmoediger in zulke zaken. Zij vergeven hunnen vertrouweling en doen door die goedheid in zijn ziel een eeuwige spijt ontstaan over het gebeurde.” “Welnu,” zei de vorst, “ik gevoel mij tot die edelmoedigheid in staat; ik vergeef den verrader; mijzelf maak ik er een verwijt van, dat ik mijn vertrouwen heb geschonken aan een man, dien ik niet kende en dien ik had moeten wantrouwen na alles, wat ik over hem had gehoord. Don Raphaël,” voegde hij eraan toe, “dit is de wijze, waarop ik mij op u wil wreken. Verlaat oogenblikkelijk mijn staten en kom mij niet weer onder de oogen.” Ik ging dadelijk heen, minder bedroefd door de ongenade, waarin ik gevallen was, dan verheugd, dat ik er zoo goedkoop afkwam.

Den volgenden dag ging ik scheep naar Barcelona, maar ik bleef daar niet lang, daar de lust mij bekroop, om Madrid, mijn geboorteplaats, weer te zien. Het grootste gedeelte van mijn geld had ik toen al uitgegeven. In Madrid ging ik toevallig logeeren in een hotel, waar ook een dame, die Camilla heette, haar intrek had. Hoewel zij meerderjarig was, was zij een zeer pikante verschijning, zooals ook de heer Gil Blas, die haar te Valladolid heeft gezien, zal kunnen getuigen. Zij had nog meer geest dan schoonheid en nooit had een avonturierster meer talent, om slachtoffers aan te trekken. Maar zij was niet een van die coquette vrouwen, die alleen maar aan haar voordeel denken; als zij een rijke mijnheer had afgezet, deelde zij den buit met den eersten armen drommel, dien zij aardig vond.

Wij beminden elkaar zoodra we kennis maakten en de overeenkomst van onze neigingen verbond ons zoo nauw, dat wij weldra in gemeenschap van goederen leefden. Om de waarheid te zeggen, bezaten wij niet veel en in korten tijd was dat weinige verbruikt. Wij hadden ongelukkigerwijs alleen aan ons genoegen gedacht, zonder het minste gebruik te maken van de gaven, welke wij hadden gekregen, om ten koste van anderen te leven. De armoede wekte ten slotte ons genie op, dat door het vermaak was verdoofd. “Mijn waarde Raphaël,” zei Camilla, “laat ons scheiden, onze trouw ruïneert ons. Gij kunt een rijke weduwe het hoofd op hol brengen en ik zal trachten een rijken ouden heer te bekoren. Indien wij voortgaan met elkaar trouw te blijven, loopen wij twee fortuinen mis.” “Schoone Camilla,” antwoordde ik, “gij voorkomt mij, ik wilde u hetzelfde voorstel doen. Laat ons trachten nuttige veroveringen te maken. Telkens, wanneer wij elkaar ontrouw zullen zijn, zal het een triomf voor ons wezen.”

Wij gingen aan het werk. Maar het schoot niet hard op. Camilla vond in het begin slechts fatterige heertjes, die geen cent bezaten en ik vrouwen, die liever ontvingen dan betaalden. Daar de liefde aan onze behoefte niet voldeed, namen wij onze toevlucht tot oplichterijen. Toen wij gevaar liepen met het gerecht in aanraking te komen, verwijderden wij ons in stilte en trokken naar Valladolid. Ik huurde een huis, dat ik met Camilla bewoonde, die ik voor mijn zuster liet doorgaan. Wij bestudeerden eerst het terrein, voor wij ons aan een onderneming waagden.

Op zekeren dag ontmoette ik op straat iemand, die mij beleefd groette. “Don Raphaël,” zeide hij, “herkent ge mij niet?” Ik antwoordde van neen; daarop zei hij: “ik heb u aan het hof van Toscane gezien, waar ik toen lijfwacht was van den groothertog. Sinds eenige maanden heb ik den dienst verlaten. Ik ben in Spanje gekomen met een Italiaan; wij wonen nu sinds drie weken te Valladolid, samen met een Spanjaard en een Franschman, die, ik moet het zeggen, zeer knappe jongelieden zijn. Wij leven van het werk van onze handen en verdienen veel. Indien ge u bij ons wilt aansluiten, zal het ons aangenaam zijn, u als confrater te begroeten, want gij hebt op mij altijd den indruk gemaakt van een galant man, die niet bang is en op de hoogte van ons vak.”

De openhartigheid van dien schelm wekte de mijne op. “Omdat ge zoo vrij met mij gesproken hebt,” zei ik, “zal ik dat met u ook doen. In uw vak ben ik werkelijk geen nieuweling en indien mijn bescheidenheid mij niet verbood u eenige van mijn verrichtingen te vertellen, zoudt ge zien, dat ge mij goed beoordeeld hebt; maar ik bepaal mij er toe, u mee te deelen, dat ik de plaats, welke ge mij wilt geven, zeer gaarne aanneem en dat ik u toonen zal, die niet onwaardig te zijn.”

Ik ging met hem mee, om kennis te maken met zijn kameraden en daar was het, dat ik voor de eerste maal den beroemden Ambrosius de Lamela ontmoette. De heeren ondervroegen mij over de wijze om zich vlug het goed van zijn naasten toe te eigenen. Ik toonde hun eenige handigheden, welke ze nog niet kenden en bewonderden. Daarop zei ik, dat het werk van de handen eigenlijk maar van minderen aard was en dat ik aan dat met den geest de voorkeur gaf. Als een staaltje, verhaalde ik het avontuur met Jéróme de Moyadas. Zij vonden mij een genie en benoemden mij tot hun aanvoerder. Indien wij vrouwelijke hulp noodig hadden, zouden wij ons bedienen van Camilla, die verrukkelijk alle rollen speelde.

In dien tijd ging onze confrater Ambrosius een reisje maken naar Frankrijk en daarvan terugkomende bezocht hij Burgos, waar een hotelhouder, die hem kende, hem een betrekking bezorgde bij den heer Gil Blas de Santillano. “Mijnheer,” vervolgde don Raphaël, zich tot mij wendende, “gij weet op welke wijze wij u te Valladolid van uw valies ontlastten. Ik twijfel er niet aan, of ge hebt vermoed, dat Ambrosius de hoofdaanlegger van dien diefstal was en daarin hebt ge u niet vergist. Maar ge weet het vervolg niet van dit avontuur. Ambrosius en ik stalen uw valies en, op onze muilezels gezeten, sloegen wij den weg in naar Madrid, zonder ons te bekommeren om Camilla en onze kameraden, die wel even verwonderd geweest zullen zijn als gij, ons den volgenden dag niet weer te zien.

Wij veranderden den tweeden dag van plan. Inplaats van naar Madrid te gaan, dat ik niet zonder reden had verlaten, gingen wij naar Toledo. Onze eerste zorg in die stad was, ons netjes te kleeden. Wij gaven ons uit voor Franschen, twee broeders, die voor hun genoegen op reis waren. Spoedig maakten wij met vele nette menschen kennis. Ik was zoo gewend voor een grooten mijnheer door te gaan, dat men het dadelijk geloofde en daar men gewoonlijk de menschen zand in de oogen strooit door veel geld uit te geven, begonnen wij feesten te geven, ter eere van de dames, die wij ontmoetten. Daaronder was er een, die ik nader wilde leeren kennen. Ik vond haar schooner dan Camilla en ook was zij jonger. Ik vernam, dat zij Violante heette en dat zij door haar man verwaarloosd werd. Ze nam weldra een groot gedeelte van mijn gedachten in beslag.

Zij bemerkte de verovering, die zij gemaakt had. Ik wilde haar troosten over de trouweloosheid van haar echtgenoot en zond haar ook verschillende brieven, die ze beantwoordde met de mededeeling, dat haar man gewoon was elken avond bij zijn maitresse te soupeeren. Het was duidelijk, wat dat bericht te beteekenen had en ik was ’s avonds aan haar venster, waar wij een lang en teeder onderhoud hadden. Bij het scheiden spraken wij af, dat ik de volgende avonden zou terugkomen. Deze ontmoetingen waren mij echter niet voldoende en ik wilde trachten op een andere plaats samen te komen. Van plan haar dit mee te deelen, zag ik ’s avonds in de straat een man, die mij nauwkeurig opnam. Het was, zooals later bleek, de echtgenoot van Violante, die vroeger dan gewoonlijk van zijn maitresse teruggekomen en iemand voor zijn huis ziende, argwaan kreeg. Ik kende dien heer niet en hij kende mij niet. Na eenig nadenken ging ik naar hem toe en zei: “Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, de straat eenigen tijd voor mij vrij te laten, ik ben gaarne tot wederdienst bereid.” Hij antwoordde mij, dat hij mij een zelfde verzoek wilde doen, hij moest twintig huizen verder zijn, waar een meisje woonde, dat hij liefhad, maar dat streng door haar broeder bewaakt werd. “Dan behoeven wij elkaar niet te storen,” merkte hij op, groette en ging weg.

Na eenigen tijd verscheen Violante op het balcon; ik drong er op aan, dat zij mij ergens een rendez-vous zou toestaan. Zij scheen daarop voorbereid geweest te zijn, want zij haalde een briefje uit haar zak en wierp mij dit toe. Nadat wij nog eenigen tijd gesproken hadden, ging zij weer naar binnen, want de tijd naderde, waarop haar man gewoon was thuis te komen.

Op korten afstand van het huis ontmoette ik den vreemdeling weer, die mij vroeg of ik tevreden was, waarop ik antwoordde, dat ik alle reden daartoe had. Hij vertelde mij daarop, dat ik dan gelukkiger was geweest dan hij; al dien tijd had hij tevergeefs voor het huis van zijn schoone heen en weer geloopen.

We bleven nog eenige oogenblikken in gesprek en spraken af, dat wij elkaar den volgenden morgen op de groote markt zouden ontmoeten.

Hij was daar op tijd en begon mij een lang verhaal te doen van zijn liefde, waardoor hij mijn vertrouwen uitlokte en ik hem alles omtrent Violante meedeelde; ook las ik hem het briefje voor, dat ik van haar had gekregen. Dit luidde:

“Morgen ga ik dineeren bij dona Inès. Ge weet, waar ze woont en in het huis van deze trouwe vriendin wil ik een samenkomst met u hebben. Ik kan u deze gunst, die gij waardig schijnt te zijn, niet langer weigeren.”

Hij wenschte mij geluk met mijn succes. Wat er verder gebeurde weet ik niet; maar nauwelijks was ik met Violante samen in het huis van dona Inès, of er werd hard aan de deur geklopt. Men vermoedde, dat het don Balthazar was en noodzaakte mij door een achterdeur te vluchten. Zeer ontevreden over den afloop van dit avontuur, liep ik ’s middags in de stad rond, toen ik den vreemdeling weer ontmoette, die mij vroeg of ik bij dona Inès gelukkige oogenblikken had doorgebracht; waarop ik hem mededeelde, wat er gebeurd was. Ik verzekerde hem echter, dat ik mij niet uit het veld zou laten slaan en dat ik ’s avonds weer voor het huis van mijn geliefde zou zijn, waarin ze mij zou binnen laten, indien het terrein vrij was. Echter gaf ik mijn voornemen te kennen, om twee of drie vertrouwde vrienden mee te nemen, die ons zouden behoeden voor een overrompeling. Mijn nieuwe vriend gaf mij daarin gelijk en bood zich zelf aan, ook zou hij nog een vertrouwden kennis meenemen, een ware Caesar, die veel van zulke avonturen hield. Zeer dankbaar voor die bereidwilligheid, nam ik het aanbod aan.

Daarop ging ik Lamela opzoeken, wien ik mijn wedervaren meedeelde. Hoewel ook hij wel een weinig verwonderd was over de groote bereidwilligheid van mijn nieuwen vriend, had hij evenmin achterdocht dan ik. Wij liepen met open oogen in den val. Voor een paar slimme vogels zooals wij, moet ik wel zeggen, dat dit eigenlijk onvergeeflijk was.