Ambrosius en ik verschenen ’s avonds, gewapend met goede rapieren en troffen de twee andere heeren op eenigen afstand van Violante’s huis aan. Don Balthazar stelde mij zijn zwager voor en zei: “Dit is de edelman, wiens dapperheid ik tegenover u geroemd heb. Ga nu naar uwe minnares en geniet zonder zorg van uw geluk.” Ik klopte en werd binnen gelaten. Op hetgeen achter mij gebeurde lette ik niet, ik liep door naar een zaal, waar de schoone dame mij wachtte. De twee verraders echter waren mij gevolgd en hadden de buitendeur zoo snel weer gesloten, dat Lamela alleen op straat bleef staan. Eenmaal in huis zijnde, riepen ze mij toe, dat ik verloren was, want dat zij don Balthazar en zijn zwager waren. Maar ge begrijpt wel, dat men met mij niet zoo gemakkelijk gewonnen spel had. Ik verweerde mij zoo heftig, dat zij misschien berouw kregen over deze wijze van wraak nemen. Ik had het geluk den echtgenoot te doorsteken, waarop de zwager de vlucht nam, door de buitendeur, welke was opengemaakt door Violante en de oude dienstbode, die mij had binnengelaten en met haar was weggesneld, zoodra zij zag, dat wij begonnen te vechten.

Met Lamela ging ik naar ons logement; wij namen mee, wat wij aan waarde bij ons hadden, bestegen onze muilezels en gingen ’s nachts nog de stad uit. We begrepen wel, dat deze zaak gevolgen kon hebben en dat men in Toledo nasporingen zou doen, die wij maar liever moesten ontvluchten.

Den volgenden dag waren wij in Villarubia. We bleven er om uit te rusten en tegen den avond kwam er een koopman uit Toledo aan, die met ons mee soupeerde en ons den tragischen dood van den echtgenoot van Violante vertelde. Hij deelde ons mee, dat men de schoone vrouw overal zocht en dat de rechter, die een bloedverwant van don Balthazar was, niets onbeproefd zou laten, om de moordenaars op te sporen.

Daar wij in dit gedeelte van het land dus niet veilig waren, besloten wij ons, langs een omweg, naar Aragon te begeven. In de bergen bij Cuença kende Ambrosius goed den weg. Hij was er zes jaren geleden ook geweest en had er toen een ouden kluizenaar ontmoet, die hem met veel liefde in zijn grot had opgenomen. Nu wij toch in de nabijheid waren, wilde hij dien ouden man gaan opzoeken. Ik bleef in de nabijheid op het mos uitrusten. Na een korten tijd kwam Lamela mij halen; ik volgde hem naar een grot, waar een grijsaard lag uitgestrekt, bleek en stervende. Met zachte stem zei hij:

“Wie ge ook moogt zijn, mijn broeders, leert van hetgeen zich nu aan uw blikken toont. Veertig jaar heb ik in de wereld geleefd en zestig jaar in de eenzaamheid. En op dit oogenbik schijnt mij den tijd, welken ik aan mijn genoegens heb gegeven lang en dien, welken ik aan boetedoening besteedde, kort. Helaas! ik vrees, dat het leven van den kluizenaar broeder Juan de zonden niet heeft schoon gewasschen van don Juan de Solis.”

Nauwelijks had hij die woorden uitgesproken, of hij gaf den geest. Wij waren zeer getroffen door zijn dood. Zelfs op de grootste vrijgeesten maken zulke oogenblikken indruk. Spoedig echter waren wij dit weer vergeten en wij begonnen den inventaris op te maken, waaraan wij, zooals ge wel zult hebben gezien, niet veel werk hadden, aan eetwaren vonden wij alleen een paar stukken hard brood en eenige noten.

Op tafel lag een stuk papier, gevouwen als een brief, waarin de oude man hem, die deze regels zou lezen, verzocht, na zijn overlijden, zijn rozenkrans en sandalen naar den bisschop van Cuença te brengen. Wat dezen ouden vader kon hebben bewogen die voorwerpen aan den geestelijke te willen schenken, konden wij niet raden.

Nadat wij een groot gat hadden gemaakt, om den kluizenaar te begraven, kwam Lamela op een aardigen inval. Hij stelde mij voor, dat ik mij zou verkleeden en voor broeder Juan spelen en dat hij broeder Ambrosius zou wezen. We waren dan zeker, dat men ons spoor niet zou vinden en hij had kennissen in Cuença, die ons wel verder zouden helpen. Ik juichte dat denkbeeld toe en den volgenden morgen vroeg ging Lamela op weg, hij verkocht onze muilezels te Toralva, kwam ’s avonds terug met levensmiddelen en valsche baarden en pijen om ons te vermommen.

Na drie dagen, waarin wij niemand zagen, kwamen er twee boeren, die brood, kaas en uien brachten. Het was halfdonker in ons verblijf en ik bootste de stem van vader Juan na, zoodat zij mij niet herkenden. Wel waren zij eenigszins verwonderd, nu twee personen te vinden, maar Lamela, die dat merkte, voorkwam hen. Hij zei, dat hij een kluizenaar was uit Aragon, maar zijn woning had verlaten, om den eerbiedwaardigen broeder Juan, die oud werd, gezelschap te blijven houden. De boeren prezen broeder Ambrosius om zijn hulpvaardigheid en waren er trotsch op, dat ze nu twee heilige mannen in hun streek hadden.

Lamela, die van de natuur een vroom gezicht had gekregen en de begaafdheid bezit om op het gemoed van christelijke zielen te werken, ging met een grooten bedelzak naar de stad Cuença, die iets minder dan een mijl ver lag, en deze kwam gevuld terug. “Maar ik heb nog andere dingen gedaan,” zei hij. “Ik heb een nimf ontmoet, Barbe, die ik vroeger bemind heb. Zij is zeer veranderd, evenals wij is zij devoot geworden en woont samen met drie andere schijnheilige zusters, die onder elkaar een prettig leven leiden. Zij herkende mij eerst niet en toen ik haar mijn naam noemde, drukte zij groote verwondering er over uit, mij in zulk een kleed te zien. “Door welk avontuur zijt gij kluizenaar geworden?” vroeg zij. Ik antwoordde, dat het verhaal een beetje te lang was om het dadelijk te doen, maar dat ik den volgenden dag haar nieuwsgierigheid zou bevredigen en dan broeder Juan zou meebrengen. Ze viel mij in de rede: “Wat? Broeder Juan, die goede kluizenaar, die dichtbij de stad woont? Hoe komt ge daarbij? Men zegt, dat hij wel honderd jaar oud is.” “’t is waar,” antwoordde ik, “maar sedert eenige dagen is hij veel jonger geworden, zooals ge zult zien.” Barbe, die wel begreep, dat er een geheim onder schuilde, zei, dat hij maar moest meekomen.

Den volgenden dag bezochten wij de vrome zusters, die ons met een goede tafel ontvingen. Wij ontdeden ons van onze vermomming, bleven bijna den geheelen nacht aan tafel, amuseerden ons uitstekend en keerden eerst tegen den morgen naar onze grot terug. Wij herhaalden dat bezoek dikwijls, maar er schijnt iets uitgelekt te zijn, althans de politie komt heden ons kluizenaarsverblijf met een bezoek vereeren, om zich van onze personen te verzekeren. Toen Lamela gisteren in Cuença was, ontmoette hij een van de zusters en deze zei hem: “Een vriendin van mij heeft me dezen brief geschreven, dien ik u door een bode wilde laten brengen. Toon hem aan broeder Juan en neem uwe maatregelen daarnaar.” Het is deze brief, heeren, door Lamela mij in uw bijzijn overhandigd, welke ons heeft doen besluiten, onze eenzame woning te verlaten.”


1 De Buena Garra = van den goeden greep. De Cordel = van het koord.

2 De Moyadas = van de bevochtiging.

3 De la Membrilla = van de zachte kweepeer.

4 Dit woord is samengesteld uit twee Perzische woorden, welke door de Turken zijn overgenomen en die men vertalen kan door beminnelijke coquetterie.

5 Astuto = geslepen.