Na lange jaren de wapenen te hebben gedragen in dienst van de Spaansche monarchie, trok mijn vader, Blas de Santillano, zich terug in de stad waar hij geboren was; daar huwde hij een meisje uit den kleinen burgerstand, die haar eerste jeugd reeds achter den rug had, en tien maanden na hun huwelijk kwam ik ter wereld. Vervolgens gingen zij in Oviédo wonen, waar zij genoodzaakt waren eene betrekking te zoeken: mijn moeder werd kamenier en mijn vader koetsier. Daar zij niets anders bezaten dan hun loon, zou er waarschijnlijk van mijn opvoeding niet veel zijn terecht gekomen, indien ik in die stad niet een oom had gehad, die kanunnik was. Hij heette Gil Perez. Hij was de oudste broer van mijn moeder en mijn peet. Stel u voor een kleinen man van drie en ’n halven voet hoog, buitengewoon dik, met een hoofd dat wegzonk tusschen zijn schouders, dan weet ge hoe mijn oom er uit zag. Verder was het een patertje goedleven en hield hij van goeden sier maken, en zijne gemeente, die lang niet tot de kwaadste behoorde, verschafte hem daartoe de middelen.
In mijn kindsheid nam hij mij reeds tot zich en belastte hij zich met mijne opvoeding. Ik kwam hem zoo bevattelijk voor, dat hij besloot mijn verstand te ontwikkelen. Hij kocht een alfabet voor mij en begon zelf mij het lezen te leeren, iets wat niet minder nuttig was voor hemzelf dan voor mij; want door mij de letters te leeren, begon hij zelf weer eens te lezen, iets dat hij altijd sterk verwaarloosd had; en daar hij zich ernstig op de zaak toelegde, slaagde hij erin vlot zijn gebedenboek te lezen, wat hij tevoren nooit gedaan had. Hij had mij ook nog wel latijn willen leeren, dat was weer zooveel uitgespaard; maar helaas! de arme Gil Perez had er van zijn leven nooit meer dan de allereerste beginselen van geweten; misschien (want stellig wil ik dat niet beweren) was hij wel de domste kanunnik van het heele bisdom. Ook heb ik hooren zeggen dat hij zijn post niet gekregen had om zijn vroomheid; hij dankte deze uitsluitend aan de erkentelijkheid van eenige goede zusters, wier discrete helper hij was geweest en die er in geslaagd waren hem zonder examen in den priesterstand te doen opnemen.
Hij was dus genoodzaakt mij een meester te geven en zond mij naar dokter Godinez, die voor de bekwaamste man van Oviédo doorging. Ik trok zoo goed partij van zijne lessen, dat ik na een jaar of vijf, zes iets begon te begrijpen van de grieksche schrijvers en tamelijk veel van de latijnsche dichters. Ook legde ik mij toe op de logica, die mij leerde veel te argumenteeren. Ik was zoo verzot op een dispuut, dat ik de voorbijgangers aanhield, onverschillig of ik ze kende of niet, om hun mijn argumenten voor te leggen. Soms trof ik personen aan, die daar wel van gediend waren en dan had men ons eens moeten zien disputeeren! welke gebaren, wat een grimassen, wat een verdraaiingen! Onze oogen schitterden van woede en het schuim stond op onze monden; wij leken meer op bezetenen dan op philosofen.
In elk geval kreeg ik daardoor in de stad den naam van een geleerde. Mijn oom was daarover in de wolken, omdat hij dacht dat ik hem dan spoedig niet meer tot last zou zijn. “Gil Blas,” zeide hij mij eens, “de tijd van je jeugd is voorbij. Je bent zeventien jaar en een knappe jongen geworden; wij moeten er op bedacht zijn, dat je vooruit moet komen in de wereld. Ik vind dat je de universiteit van Salamanca moet bezoeken; met het verstand, dat ik in je zie, kan het niet missen of je zult er een goede betrekking vinden. Ik zal je een paar dukaten geven voor de reis, en mijn muilezel, die wel een stuk of tien, twaalf pistolen waard is; je kunt die in Salamanca verkoopen en het geld gebruiken voor je onderhoud totdat je eene betrekking hebt.”
Hij had mij niets aangenamers kunnen voorstellen, want ik brandde van verlangen om wat meer van de wereld te zien. Nochtans had ik genoeg kracht in mij om mijne vreugde te verbergen; en toen ik vertrekken moest, scheen ik zoo bedroefd een oom te moeten verlaten aan wien ik zoovele verplichtingen had, dat ik den goeden man zoo verteederde, dat hij mij meer geld gaf, dan hij gedaan zou hebben, had hij op den bodem van mijn ziel kunnen lezen. Voor mijn vertrek ging ik mijn vader en moeder omhelzen, die mij geene vermaningen spaarden. Zij smeekten mij vooral God te bidden voor mijn oom, als eerlijk mensch te leven, mij niet in kwade zaken te begeven, en vooral niet het goed van anderen te nemen. Na mij verschrikkelijk lang en vervelend te hebben toegesproken, gaven zij mij hun zegen, wat ook het eenige cadeau was dat ik van hen verwachtte. Dadelijk daarop besteeg ik mijn muilezel en trok uit de stad.
Daar was ik dus buiten Oviédo, op weg naar Pegnaflor, in het vrije veld meester van mijzelven, van een slechten ezel en van veertig goede dukaten, ongerekend eenige realen die ik van mijn zeer geachten oom gestolen had. Het eerste wat ik deed, was mijn ezel zijn gang te laten gaan, d. w. z. voetje voor voetje. Ik legde den teugel over zijn hals en de dukaten uit mijn zak halend, begon ik ze in mijn hoed te tellen en over te tellen. Ik was buiten mezelf van vreugde; nooit had ik zooveel geld gezien; ik werd niet moe het te bekijken en te bevoelen. Ik telde het misschien voor de twintigste maal, toen eensklaps mijn ezel midden op den weg bleef stilstaan met de ooren in den wind. Ik dacht dat iets hem aan het schrikken had gebracht, ik keek wat dat zijn kon en zag op den weg een omgekeerden hoed liggen, waarop een rozenkrans met dikke kralen lag, en hoorde tegelijkertijd een huilerige stem roepen: “Edele heer, heb medelijden met een armen kreupelen soldaat; werp als het u belieft een paar zilverstukken in dien hoed, in de andere wereld zult ge er voor beloond worden.” Ik keek naar den kant waar de stem vandaan kwam en zag aan den voet van een struik op een pas of twintig van mij af een soort soldaat, die op twee gekruisde stokken het uiteinde van een musket liet rusten, dat mij nog langer scheen dan een piek, en dat op mijn gelaat gericht was.
Op dit gezicht, dat mij deed beven voor het welzijn der kerk, bleef ik staan, drukte mijn dukaten stevig tegen mijn borst, nam er een paar realen van en terwijl ik den hoed, die bestemd was om de aalmoezen van de bevreesde geloovigen in ontvangst te nemen, naderde, wierp ik ze er één voor één in, om den soldaat duidelijk te toonen, dat ik er erg royaal mee was. Hij was dan ook zeer voldaan over mijn edelmoedigheid en gaf mij zooveel zegeningen als ik schoppen gaf aan mijn muilezel om snel van hem af te komen. Het vervloekte beest stoorde zich er echter niet aan en ging geen stap vlugger; de langdurige gewoonte voetje voor voetje te gaan met mijn oom had hem het galoppeeren geheel doen verleeren.
Ik beschouwde dit als een niet al te best voorteeken voor mijn reis, want ik bedacht dat ik nog lang niet in Salamanca was en dat ik dus nog wel slechtere ontmoetingen zou kunnen hebben. Het leek mij dan ook zeer onvoorzichtig van mijn oom, dat hij mij niet onder de hoede van een muilezeldrijver had gesteld. Hij had dit zeker moeten doen, maar hij had bij zichzelf gedacht dat de reis hem minder zou kosten als hij mij den muilezel gaf en hieraan had hij meer gedacht dan aan het gevaar dat ik misschien op reis zou kunnen loopen. Ik besloot dan ook als ik het geluk mocht hebben Pegnaflor te bereiken, mijn muilezel daar te verkoopen en met een muilezeldrijver naar Astorga te gaan en vandaar naar Salamanca. Hoewel ik nooit van Oviédo was weggeweest, kende ik toch zeer goed de namen der steden die ik passeeren moest, daar ik mij daarvan vóór mijn vertrek op de hoogte had gesteld.
Ik kwam goed en wel te Pegnaflor en hield stil voor een herberg, die er nogal goed uitzag. Nauwelijks was ik afgestapt of de herbergier kwam mij zeer netjes ontvangen, nam zelf mijn valies op zijn schouder en bracht mij naar een kamer, terwijl een van de knechts intusschen mijn muilezel op stal bracht. De herbergier, een zekere Andreas Corcuelo, was de grootste kletskous van heel Asturie en vertelde even graag zijn eigen zaken als hij begeerig was die van anderen te hooren. Hij vertelde mij zonder de minste noodzakelijkheid dan ook al heel spoedig dat hij lang als sergeant gediend had in dienst van den koning en dat hij nu vijftien maanden den dienst had verlaten en getrouwd was met een meisje uit Castropol, die er wel een beetje bazig uitzag, doch uitstekend voor zijn zaak was. Verder vertelde hij mij nog een menigte andere dingen, die mij in ’t minst niet interesseerden en vroeg mij daarna, meenende daartoe nu het volste recht te hebben, vanwaar ik kwam, waar ik heenging en wie ik was.
Hierop moest ik nu punt voor punt antwoorden, omdat hij iedere vraag zeer gewichtig deed. Hij vroeg mij zoo onderdanig zijne nieuwsgierigheid te willen verontschuldigen, dat ik zijne weetgierigheid wel moest tevreden stellen. Hierdoor geraakte ik in een lang gesprek met hem, vertelde hem mijn plan om den muilezel te verkoopen en waarom ik dat doen wilde. Ik vertelde hem, dat ik met een muilezeldrijver verder wilde gaan, iets wat hij dadelijk zeer goed keurde, mij er op wijzende aan hoeveel gevaren ik nog bloot stond en mij allerlei vreeselijk treurige geschiedenissen van reizigers verhalende. Ik dacht, dat er geen eind aan zijn vertellingen zou komen, maar toch hield hij eindelijk op, mij zeggende, dat, als ik den muilezel wilde verkoopen, hij een eerlijken paardenkooper kende, die hem wel van mij zou willen koopen. Ik zeide hem, dat ik gaarne met dien man kennis zou willen maken en hij ging hem terstond voor mij halen.
Hij kwam spoedig met den man terug, stelde hem aan mij voor en prees vooral zeer zijn eerlijkheid. Wij gingen daarna met ons drieën naar de binnenplaats en mijn muilezel werd voorgebracht. Men liet het dier voor den paardenkooper op en neer draven en deze monsterde het beest van top tot teen. Hij begon met er zeer veel slechts van te zeggen. Ik moest toegeven, dat men er niet veel goeds van kon vertellen, maar al ware hij van den paus geweest, dan zou hij er nog iets op hebben aangemerkt. Hij verklaarde, dat hij alle mogelijke gebreken had, en om mij beter te overtuigen bevestigde hij dit ook tegen den waard, die ongetwijfeld er zijn goede redenen voor had het te beamen. “Wel”, zei daarop de paardenkooper, “hoeveel moet je voor dat beest hebben?” Na den lof dien hij ervan had gezongen en na de bevestiging van Corcuela, dien ik voor een eerlijk man en deskundige hield, zou ik geneigd zijn geweest het dier voor niets te geven. Ik antwoordde daarom, dat ik het geheel aan hem overliet, dat hij het beest dus maar moest schatten en dat ik mij bij die schatting zou neerleggen. Hij antwoordde daarop dat, als ik zijn geweten er bij haalde, ik hem in zijn zwak tastte. Inplaats van echter den prijs te verhoogen tot tien of twaalf pistolen, schaamde hij zich niet mij drie dukaten te bieden, die ik zoo verheugd aannam alsof ik nog bij dien handel had gewonnen.
Na mij zoo voordeelig van den muilezel ontdaan te hebben, bracht mijn waard mij bij een muilezeldrijver, die den volgenden dag naar Astorga vertrok. Deze man vertelde mij, dat hij voor dag en dauw ging vertrekken en dat hij zorg zou dragen mij te wekken. Wij werden het over den prijs van den muilezel en mijn voedsel eens en toen alles tusschen ons geregeld was, keerde ik terug naar de herberg met Corcuelo, die mij onderweg de geschiedenis van dien ezeldrijver begon te vertellen. Hij vertelde mij alles wat men in het stadje van dien man wist. Hij begon mij al tamelijk te vervelen met zijn onbelangrijk gepraat, toen gelukkig iemand hem in de rede kwam vallen. Deze man was vrij goed gekleed en sprak zeer beschaafd. Ik liet die twee dus samen achter en vervolgde mijn weg, zonder eraan te denken dat ik het onderwerp van hun gesprek werd.
Zoodra ik in de herberg kwam, bestelde ik mijn avondeten en daar het vastendag was, bracht men mij eieren. Terwijl men deze klaarmaakte, begon ik een gesprek met de waardin, die ik tot nu toe niet gezien had. Zij zag er nogal aardig uit en haar bewegingen waren zoo levendig, dat ik uit mijzelf wel de gevolgtrekking kon maken, dat de herberg goed beklant was, ook al had de waard mij dit niet gezegd. Toen de omelette klaar was, ging ik alleen aan een tafel zitten. Nauwelijks had ik het eerste hapje in den mond, of de waard kwam binnen, gevolgd door den man die hem op straat had staande gehouden. Hij was als ruiter gekleed, droeg een lang rapier en kon ongeveer dertig jaar zijn. Hij kwam haastig op mij toeloopen en sprak mij aldus aan: “Mijn waarde heer student, ik heb daareven gehoord, dat gij Gil Blas de Santillano zijt, het sieraad van Oviédo en de ster der philosophie! Zijt gij waarlijk die geleerde heldere geest, waarvan de roep zoo groot is hier in het land? Gij moet weten,” zoo richtte hij zich tot den waard en de waardin, “welk een schat gij herbergt, gij ziet in dezen jongeling het achtste wereldwonder.” Vervolgens kwam hij naar mij toe, omhelsde mij en riep uit: “Vergeef mij mijn vervoering, ik ben mij niet meer meester door de vreugde, die gij mij door uw tegenwoordigheid veroorzaakt.”
Ik kon hem niet terstond antwoorden, daar hij mij zoo vastgeklemd hield, dat ik bijna niet kon ademen. Toen ik eindelijk mijn hoofd vrij had, zei ik: “Ik dacht niet, mijnheer, dat mijn naam in Pegnaflor bekend was.”
“Hoe,” antwoordde hij, “niet bekend? wij houden boek van alle gewichtige personen twintig mijlen in het rond. Gij gaat hier door voor een wonderkind en ik twijfel er geenszins aan, of Spanje zal eens even trotsch op u zijn, als Griekenland op zijn wijzen.” Deze woorden werden gevolgd door een nieuwe omarming, die ik mij nog moest getroosten op gevaar af het lot van Antëus te ondergaan. Als ik maar wat meer ondervinding had gehad, zou ik niet het slachtoffer geworden zijn van deze vertooning en van dezen overdreven lof. Ik zou dan wel begrepen hebben, dat ik te doen had met een van die parasieten, die men in alle steden aantreft en die zich bij iederen vreemdeling weten in te dringen om op diens kosten hun buik te vullen; mijn jeugd en mijn gestreelde ijdelheid deden mij echter anders oordeelen. Ik beschouwde mijn vereerder als een hoogst eerlijk man en noodigde hem uit het souper met mij te gebruiken.
“Met zeer veel genoegen,” riep hij uit, “ik ben mijn goed gesternte zoo dankbaar, dat het mij den beroemden Gil Blas de Santillano heeft doen ontmoeten, dat ik natuurlijk zoolang mogelijk van mijn geluk hoop te genieten. Ik heb weliswaar niet veel trek, maar zal mij toch bij u neerzetten om u gezelschap te houden en ik zal dan een paar stukjes eten om u een genoegen te doen.”
Zoo sprekende ging mijn bewonderaar tegenover mij zitten, terwijl men een bord voor hem op tafel plaatste. Allereerst wierp hij zich op de omelet en dat met zulk een gulzigheid, alsof hij in geen drie dagen een stukje had gegeten. Te oordeelen naar de wijze waarop hij er mee omsprong, zag ik wel dat zij spoedig naar binnen gewerkt zou zijn. Ik bestelde een tweede die zoo snel werd gemaakt, dat men hem ons voorzette juist toen wij de eerste op hadden of beter gezegd toen mijn overbuur met eten ophield. Hij werkte al even handig met de tweede, doch vond toch nog tusschen het eten door den tijd mij allerlei lof toe te zwaaien, wat mij erg trotsch op mijn persoontje deed zijn. Intusschen dronk hij terdege, nu eens op mijne gezondheid dan weer op de gezondheid van mijne ouders, die hij gelukkig prees zulk een zoon te hebben. Tegelijkertijd schonk hij mijn glas dan vol en noodigde mij uit met hem te klinken. Ik voldeed hieraan en goed gebuid door zijn lof en den wijn, vroeg ik aan den waard of hij ons geen visch kon bezorgen, daar de omelette bijna half op was. Corcuelo, die zooals blijkt onder een hoedje speelde met den kwartjesvinder, antwoordde mij: “Ik heb nog een heerlijke forel maar zij is zeer duur en veel te lekker voor u.”—“Wat noemt gij te lekker?” zeide toen mijn vleier op verbaasden toon; “hoe komt ge daarbij. Niets is te goed voor mijnheer Gil Blas de Santillano die ten volle verdient als een vorst behandeld te worden”.
Ik was zeer voldaan, dat hij de laatste woorden van den waard boos opnam en hij voorkwam slechts mijn eigen aanmerking. Ik voelde mij beleedigd en zei trotsch tot Corcuelo: “Breng ons uw forel en bekommer je maar niet om de rest”. De waard, die niets liever wilde, ging haar klaarmaken en diende ’r spoedig op. Op het zien van dezen schotel zag ik een innige vreugde blinken in de oogen van den parasiet, die mij natuurlijk weer een groot genoegen wilde doen door op den visch aan te vallen zooals hij het op de eieren had gedaan. Ten slotte moest hij echter ophouden, daar hij tot aan zijn keel vol was. Na zijn genoegen te hebben gegeten en gedronken, wilde hij eindelijk een einde maken aan de comedie: “Mijnheer Gil Blas”, zei hij opstaande van tafel, “ik ben te zeer tevreden over uw goed onthaal om u niet voor mijn vertrek een goeden raad te geven, dien gij naar ’t mij schijnt wel noodig hebt. Pas in het vervolg op voor loftuitingen en wantrouw personen die gij niet kent. Gij zoudt nog anderen kunnen ontmoeten, die zich evenals ik zouden willen vermaken ten koste van uwe lichtgeloovigheid, en die de grap nog verder zouden kunnen drijven. Pas op, dat gij niet hun slachtoffer wordt en denk niet dat gij het achtste wereldwonder bent, al zeggen ze het nog zoo vaak.”
Hierop lachte hij mij in mijn gezicht uit en ging heen.
Zooals licht te begrijpen valt, was ik zeer uit mijn humeur over deze beetnemerij, meer dan ik ooit later door eenigen tegenspoed ben geweest. Ik kon het mezelf maar niet vergeven, dat ik mij zoo leelijk had laten beetnemen of beter gezegd dat mijn trots zoo vernederd was. “Wat” riep ik uit, “de schurk heeft dus met mij gespeeld en den waard eerst uitgehoord. Misschien ook verstaan zij elkaar in dit opzicht. Arme Gil Blas, je moet sterven van schaamte dat ge jezelf zoo leelijk hebt laten foppen en belachelijk maken. Zij gaan natuurlijk hiervan een heel verhaal maken dat zeker tot Oviédo zal doordringen en dat je daar ook in een mal daglicht zal plaatsen. Je ouders zullen er spijt van hebben een dwaas zulke goede lessen te hebben gegeven: inplaats van mij te vermanen niemand te bedriegen, hadden zij mij liever moeten waarschuwen mijzelf niet te laten bedriegen.” Heftig bewogen door deze kwellende gedachten, verteerd van spijt, ging ik naar mijn kamer en naar bed, maar ik kon niet slapen en nauwelijks had ik den slaap gevat of de muilezeldrijver liet mij zeggen, dat hij gereed was en slechts op mij wachtte om te vertrekken. Ik stond direct op en terwijl ik mij kleedde, kwam Corcuelo met de rekening waarop de forel vooral niet was vergeten; en niet alleen moest ik alles tot den laatsten cent toe betalen wat hij mij vroeg, maar bovendien rakelde hij het geval van den vorigen avond nog eens op toen ik hem voldaan had. Na het souper betaald te hebben dat mij zoo slecht was bekomen, ging ik met mijn valies naar den muilezeldrijver en wenschte den oplichter, den waard en de herberg naar den duivel.
Ik was niet alleen met den ezeldrijver; er waren twee kinderen van een familie te Pennaflor, een kleine straatzanger en een jonge burgerman van Astorga die met zijn vrouw, met wie hij juist te Verco getrouwd was, huiswaarts keerde. Wij maakten al spoedig kennis met elkaar en in minder dan geen tijd had ieder gezegd waar hij vandaan kwam en waar hij heenging. De jonggehuwde vrouw was zoo zwart en zoo weinig mooi dat ik er niet veel pleizier in had haar aan te kijken, maar haar jeugd en haar molligheid maakten blijkbaar wel indruk op den ezeldrijver, die besloot zijn best te doen om een wit voetje bij haar te krijgen. Den geheelen dag peinsde hij over een gunstig plan daarvoor en tegen den avond begon hij met de uitvoering ervan. Wij kwamen toen te Cacabelas, waar hij ons terstond bij de eerste herberg deed afstappen. Deze herberg lag buiten de stad en hij kende den waard als een bescheiden en inschikkelijk man. Hij bezorgde ons een afzonderlijke kamer, waar hij ons rustig het avondeten liet gebruiken. Aan het einde daarvan kwam hij echter woedend binnenstormen, roepende: “Voor den duivel, ik ben bestolen! Ik had honderd pistolen in een lederen zak en ik zal ze terugvinden. Ik ga op staanden voet naar den rechtercommissaris van deze wijk, die op dit punt geen scherts verstaat en die u allen zoolang zal ondervragen totdat de schuldige bekend heeft en het geld terug geeft!” Dit zeide hij op een zeer natuurlijk verontwaardigden toon, ging het vertrek uit en liet ons stom van verbazing achter.
Wij dachten hier niet aan een list omdat wij elkander nog niet voldoende kenden om voor elkaars eerlijkheid te kunnen instaan. Ik verdacht den kleinen straatzanger van de misdaad en deze dacht het waarschijnlijk van mij. Bovendien waren wij allemaal jeugdige dwazen. Wij kenden geen van allen de formaliteiten, die in zulk een geval in acht moeten worden genomen en wij geloofden dat wij allen gearresteerd zouden worden. Bevreesd vluchtten wij dan ook de kamer uit, sommigen de straat op, anderen den tuin in. Ieder zocht zijn heil in de vlucht en de jonge man uit Astorga, al even bevreesd door de gedachte aan het onderzoek, ging aan den haal zonder zich om zijne vrouw te bekommeren, evenals eertijds Eneas. De drijver die, zooals ik later vernam, hartstochtelijker van natuur was dan zijn beestjes, ging hierop zijn goed bedachte list aan de jonggetrouwde vrouw vertellen, zoodoende profiteerende van de hem gunstige gelegenheid. Deze Asturische Lucretia, niet erg ingenomen met de boeventronie van haar verleider, verzamelde al haar krachten, bood hardnekkig tegenstand en begon luidkeels te schreeuwen. De patrouille, die toevallig dicht bij de herberg was, waar overigens haar hulp wel meer ingeroepen werd, ging naar binnen en vroeg naar de oorzaak van dat hulpgeschreeuw. De waard, die in zijn keuken aan het zingen was en net deed of hij niets hoorde, was gedwongen den commandant en zijn mannen naar de kamer te brengen, waaruit de kreten kwamen. Juist op tijd, want de Asturische kon niet langer tegenstand bieden. De commandant, een ruw man, zag nauwelijks wat er gaande was, of hij gaf de verliefden drijver eenige slagen met zijn hellebaard, hem daarbij uitscheldend in woorden, die het schaamtegevoel zeker niet minder kwetsten dan de handeling zelve, welke hem deze woorden in den mond legde. Maar dat was nog niet alles, hij greep den schuldige en bracht hem voor den rechter tegelijk met de aanklaagster, die, niettegenstaande haar gehavende kleeding, zelve straf voor deze aanranding wilde gaan vragen. De rechter hoorde haar aan en na haar nauwlettend te hebben gadegeslagen, oordeelde hij, dat de beschuldigde geen genade kon erlangen. Hij deed hem op staanden voet ontkleeden en in hare tegenwoordigheid geeselen; verder beval hij, dat indien de man van de Asturische vrouw den volgenden morgen niet terug zou zijn, twee boogschutters haar naar Astorga zouden brengen op kosten van den beschuldigde.
Wat mij betreft, die misschien het bangst van allen was, ik liep het veld in, over bouwlanden en door heidestruiken, sprong over greppels en slooten, die op mijn weg lagen, en kwam eindelijk in een bosch aan. Ik wilde me juist tusschen dicht struikgewas verbergen, toen twee mannen te paard mij den weg versperden. “Werda”, riepen zij en daar ik door mijn schrik niet terstond kon antwoorden, kwamen zij op mij toe, hielden me ieder een pistool voor en eischten, dat ik zou zeggen wie ik was, waar ik vandaan kwam en wat ik in dit bosch wilde doen, waarschuwende niets voor hen te verbergen. Op deze wijze van ondervragen, die mij dezelfde scheen als het ondervragen van den rechter, waarop de muilezeldrijver ons getracteerd had, antwoordde ik, dat ik een jonge man was uit Oviédo en naar Salamanca reisde. Ik vertelde hem verder aan welk een schrik men ons had blootgesteld en dat ik uit vrees daarvoor op de vlucht was gegaan. Zij barstten in lachen uit op het hooren van mijn verhaal, dat mijn onnoozelheid duidelijk aan den dag legde en een van hen zei mij: “Wees gerust, vriendje, kom met ons mee en vrees niets, we zullen je in veiligheid brengen.” Bij deze woorden deed hij mij achter op het paard stijgen en wij drongen dieper het bosch in.
Ik wist niet, wat van deze ontmoeting te denken, doch stelde er mij geen kwaad van voor. “Als deze lieden dieven waren,” dacht ik bij mijzelf, “zouden ze mij bestolen en misschien vermoord hebben, ’t zullen dus een paar goede jongelieden zijn uit deze streek, die medelijden met mij hebben en mij naar hun huis brengen.” Ik verkeerde niet lang in het onzekere, want na een tijdje gereden te hebben, zonder dat er een woord gesproken werd, hielden we stil aan den voet van een heuvel en stegen af. “Hier wonen wij nu,” zei een van de ruiters, maar hoe ik ook keek, ik zag nergens een huis of hut of iets, dat op eene woning geleek. Intusschen opende een van de mannen een houten valluik, dat bedekt was met kreupelhout en dat den ingang van een lange onderaardsche, afdalende gang verborg. De paarden gingen hier uit eigen beweging in, alsof zij eraan gewend waren. De ruiters namen mij mee naar binnen en lieten het valluik door middel van daartoe aangebrachte touwen neer en zoo zat de waardige neef van oom Perez gevangen als een rat in een rattenval.
Ik zag nu met wat voor lieden ik te doen had en men kan begrijpen dat mijn vroegere vrees door deze kennismaking verdween om plaats te maken voor een veel grooteren angst. Ik vreesde mijn leven en mijn dukaten te zullen verliezen en beschouwde mijzelf al als een offerdier, dat men naar het altaar voert. Meer dood dan levend liep ik tusschen mijn geleiders, die, ziende dat ik beefde, mij tevergeefs trachtten gerust te stellen. Toen wij ongeveer tweehonderd pas gedaan hadden, steeds hoeken omslaande en naar beneden loopende, traden wij een soort van stal binnen, verlicht door twee aan het gewelf hangende lampen. Er lag een goede voorraad stroo en verscheidene tonnen gierst. Twintig paarden zouden hier best gestald kunnen worden, maar er waren slechts de twee paarden die wij medebrachten. Een oude neger, die er intusschen nog tamelijk krachtig uitzag, bond ze vast aan de ruif.
Wij verlieten daarop den stal en gingen naar een keuken, bijgelicht op onzen weg door eenige lampen, die juist genoeg licht gaven om het lugubere van deze plaatsen te laten zien. Een oude vrouw was bezig stukken vleesch waarschijnlijk bestemd voor het avondeten, in pannen te bakken. De keuken was behangen met het gewone keukengerei en dichtbij zag men een bergplaats ruim voorzien van allerlei voorraad. De keukenmeid was even over de zestig en in haar jeugd zeker erg blond geweest, want hoewel zij nu wit was, hadden hare haren toch nog eenige nuancen van de vorige kleur behouden. Haar gelaat was olijfkleurig, zij had een puntige opgewipte kin en erg invallende lippen; een groote arendsneus boog zich tot op haar mond en hare oogen waren rood met purperen glans.
“Hier brengen wij je een jongeling,” zei een van de ruiters tot deze schoone engel der duisternis en zich vervolgens tot mij wendende en ziende dat ik geheel bleek en ontdaan was van schrik, zeide hij: “Vriendje, je behoeft voor niets bang te zijn, er zal je geen leed hoegenaamd geschieden. Wij hadden een knechtje noodig om onze keukenmeid een beetje te helpen; wij hebben jou ontmoet en dat is een buitenkansje voor je. Gij komt hier in de plaats van een jongen, die voor veertien dagen gestorven is. Hij had een zeer zwak gestel, maar gij lijkt flinker en zult niet zoo gauw sterven. Weliswaar zult gij het daglicht niet meer zien, maar ter vergoeding daarvoor zal het je hier aan niets ontbreken. Gij zult je leven slijten met Leonarda, die een goede vrouw is en gij zult alles hebben wat je hartje begeert. Ik zal je eens laten zien, dat je hier niet bij arme lui bent.” Daarop nam hij een fakkel en gebood mij hem te volgen.
Hij bracht mij naar een kelder, waarin ik een groote menigte flesschen zag en aarden potten, alle goed gesloten en vol uitmuntenden wijn. Vervolgens leidde hij mij door verschillende vertrekken. In enkele ervan waren stukken linnen opgestapeld, in andere stukken zijde.
Verder zag ik heel veel goud en zilver en allerlei vaatwerk met wapens erop. Daarna bracht hij mij in een groot vertrek, dat verlicht werd door drie vensters van gedreven koper en dat toegang gaf tot verschillende andere kamers. Hier deed mijn geleider mij opnieuw allerlei vragen, hoe ik heette, waarom ik Oviédo verlaten had en meer van dien aard en toen ik ze alle beantwoord had, zeide hij tot mij: “Je bent een zondagskind, Gil Blas, dat je juist ons getroffen hebt, nu je toch uit je vaderstad waart vertrokken om eene goede betrekking te vinden. Ik heb het je al gezegd, gij zult hier een heerenleventje leiden in weelde en overvloed. Gij zult rollen door het goud en zilver. Bovendien zijt gij hier absoluut veilig, want dit hol is zóó verborgen, dat de speurhonden van de politie het wel nooit zullen ontdekken. Ik en mijn kameraden alleen kennen den toegang. Ik ben kapitein Rolando en aanvoerder van de geheele bende; de man dien gij bij mij hebt gezien, was een van de manschappen.”
Toen Rolando dit alles verteld had, verschenen er zes andere mannen in de zaal. Het was de luitenant met vijf manschappen, allen beladen met buit. Zij droegen twee groote draagkorven vol suiker, kaneel, peper, vijgen, amandelen en rozijnen.
De luitenant begon te spreken tot den kapitein en zeide hem, dat hij die manden met buit weggenomen had van een kruidenier van Benavente en dat hij diens muilezel ook gestolen had. Na aldus rekening en verantwoording van zijn tocht te hebben gegeven, werd de buit naar de provisiekamers gebracht. Daarna dacht men slechts aan vreugde en vermaak, men plaatste een groote tafel in het salon en zond mij naar de keuken, waar Leonarda mij op de hoogte bracht van wat ik te doen had. Ik boog voor de noodzakelijkheid, daar mijn noodlot het van mij eischte, begroef mijn smart diep in mijn binnenste en begon deze eerlijke, brave menschen te bedienen.
Ik bracht eerst het buffet in orde, plaatste er zilveren kopjes op en verscheidene flesschen van dien heerlijken wijn, dien Rolando zoo geprezen had. Vervolgens zette ik twee schotels ragoût klaar en terstond gingen de roovers aan tafel. Zij begonnen met een flinken eetlust te eten, terwijl ik achter hen bleef staan om hen te bedienen en wijn in te schenken. Ik deed dit zoo naar hun genoegen, dat zij mij allerlei complimentjes maakten, terwijl de kapitein hun mijne geschiedenis vertelde, wat hen blijkbaar zeer vermaakte. Vervolgens vertelde hij allerlei lof van mij, doch ik was voorgoed van ijdelheid genezen en ik hoorde het dan ook onverschillig aan. Toen begonnen zij mij allen te prijzen en zeiden dat ik geknipt was voor schenker en honderdmaal beter was dan mijn voorganger. En daar Senora Leonarda dat ambt na zijn dood had waargenomen, ontnamen zij haar van nu af die waardigheid om mij er mede te bekleeden. Zoo volgde ik deze oude Hebe op als een tweede Ganymedes.
Een groote schotel met wild, die na de ragoût werd opgediend, verzadigde verder de roovers, die onderwijl een stevig glaasje dronken en spoedig in een vroolijke stemming kwamen en veel lawaai maakten. Zij begonnen allen tegelijk te praten, deze vertelde een geschiedenis, gene tapte een ui, weer een ander schreeuwde of zong, zoodat men elkaar niet kon verstaan. Eindelijk had Rolando dit tooneel lang genoeg geduurd en met een stentorstem gebood hij het gezelschap stilte.
“Mijne heeren,” zeide hij op bevelenden toon, “luister naar hetgeen ik u te zeggen heb. Inplaats van elkander doof te schreeuwen, zouden wij beter doen als verstandige menschen te praten. Er valt mij iets in. Zoolang wij elkander kennen, zijn wij nog nooit zoo nieuwsgierig geweest te vragen van welke familiën wij zijn en door welke lotgevallen wij ons beroep hebben gekozen. Het komt mij voor, dat dit wel de moeite waard is bekend te maken. Laten wij elkaar dus vermaken met dit te verhalen.” Met vele buigingen van vreugde begroetten de luitenant en de anderen dit voorstel, alsof zij iets moois te vertellen hadden, en de kapitein begon aldus:
“Mijne heeren, gij moet weten dat ik de eenige zoon ben van een rijk burger uit Madrid. De dag van mijn geboorte werd door de familie gevierd met onbeperkte vreugd. Mijn vader, die reeds bejaard was, was buitengewoon verheugd bij het zien van zijn erfgenaam en mijne moeder voedde mij zelf. Mijn grootvader van moederszijde leefde toen nog; het was een goedaardige grijsaard, die zich nergens meer mee bezighield als met zijn rozenkrans en het vertellen van zijn krijgsdaden, want hij had lang de wapenen gedragen en beroemde er zich dikwijls op, in het vuur te zijn geweest. Ongemerkt werd ik de afgod van deze drie menschen; onophoudelijk hadden ze mij in hun armen. Uit vrees dat de studie mij in de eerste jaren te veel zou vermoeien, liet men mij dien tijd doorbrengen met allerlei genoegens. Mijn vader zeide, dat kinderen zich eerst in den tijd dat hun verstand wat gerijpt is, ernstig aan iets moeten gaan wijden. In afwachting van die rijpheid, leerde ik lezen noch schrijven, maar daarom verkwistte ik mijn tijd toch niet. Mijn vader leerde mij honderd soorten van spelen. Ik was volleerd in kaartspel, kon de steenen werpen en mijn grootvader leerde mij liederen over de militaire expedities, die hij had medegemaakt. Elken dag zong hij mij dezelfde coupletten voor en wanneer hij drie maanden lang tien of twaalf verzen had herhaald, kon ik ze zonder fouten opzeggen en bewonderden mijne ouders mijn geheugen. Niet minder tevreden schenen zij over mijn verstand, als ik, profiteerend van de vrijheid die ik had om te zeggen wat ik wilde, een van hen in de rede viel, om tegen alles en allen in te praten. ‘Och, wat is het een lieve jongen!’ riep mijn vader dan uit, mij ontroerd aanziende. Mijne moeder overlaadde mij dan ook met liefkoozingen en mijn grootvader schreide van genoegen. Ook deed ik waar zij bij waren de onbeschaamdste dingen; zij vergaven mij alles, zij aanbaden mij. Intusschen was ik twaalf jaar geworden en had ik nog geen onderwijzer gehad. Men gaf mij er een; maar tegelijk ontving hij nauwkeurige bevelen mij te onderwijzen zonder hardhandigheid; men vergunde hem alleen mij af en toe te bedreigen om mij een beetje vrees in te boezemen. Deze vergunning was niet erg heilzaam, want òf ik lachte om de bedreigingen van mijn onderwijzer, òf ik ging met tranen in de oogen mijn leed klagen bij mijn moeder of mijn grootvader en maakte hen wijs dat hij mij erg mishandeld had. En al ontmaskerde de arme drommel mij ook, dan was hij er nog niet beter aan toe, maar ging door voor een woesteling, men geloofde mij toch altijd eerder dan hem. Zelfs schramde ik mijzelf eens; ik ging toen schreeuwen alsof ik vermoord werd; mijn moeder liep toe en joeg den meester onmiddellijk weg, hoewel hij den hemel tot getuige riep, dat hij mij niet had aangeraakt.
Zoo ontdeed ik mij van al mijne leeraren, totdat er een kwam, van de soort, die ik noodig had. Dat was een student van Alkala. Een uitmuntend mensch voor huisleeraar. Hij hield van vrouwen, het spel en de kroeg, in betere handen kon ik niet vallen. Hij begon eerst mijn verstand met zachtheid te bewerken, daarin slaagde hij en won daardoor het vertrouwen van mijn ouders, die mij aan hem overlieten. Zij hadden geen reden daarover berouw te hebben; vroegtijdig maakte hij mij volleerd in wereldkennis. Door mij mede te nemen naar alle plaatsen waar hij gaarne kwam, wekte hij zulk een leerlust bij mij op, dat ik op het latijn na, bijna een alwetend jongmensch werd. Zoodra hij zag dat ik zijn voorbeeld niet meer noodig had, ging hij zich ergens anders aanbieden.
Had ik in mijn kindsheid thuis erg vrij geleefd, zoo werd dit heel anders toen ik begon meester te worden over mijne daden. In den kring van het gezin nam ik de proef met mijne onbeschaamdheid. Ik bespotte elk oogenblik mijn vader en mijn moeder. Zij lachten slechts om mij; en hoe grievender ik hen beleedigde, hoe aangenamer zij het vonden, Intusschen gaf ik mij over aan allerlei uitspattingen met jongelieden van mijn slag en daar onze ouders niet genoeg geld gaven om zulk een heerlijk leven voort te zetten, stal elkeen thuis, wat hij krijgen kon en daar dit nog niet voldoende was, begonnen wij des nachts te stelen, wat niet weinig méer inbracht. Ongelukkig kreeg de politie er de lucht van. Zij wilde ons laten arresteeren, maar men waarschuwde ons voor dit booze plan, wij vluchtten en begonnen de groote wegen te exploiteeren. Van dien tijd af, mijne heeren, is God zoo genadig geweest, mij in mijn beroep oud te laten worden, ondanks de gevaren die er aan verbonden zijn.”
De kapitein zweeg en de luitenant nam het woord. “Mijne Heeren,” zeide hij, “eene opvoeding, die precies het tegenovergestelde was van die van signor Rolando, heeft het zelfde resultaat gehad. Mijn vader was slager in Toledo; met recht ging hij door voor den grootsten woesteling in de buurt en mijn moeder was niet zachter van aard. In mijn jeugd wedijverden zij als het ware in het afrossen van mij. De minste fout, die ik beging, werd door de ruwste straffen gevolgd. Al vroeg ik hen vergiffenis met tranen in de oogen en had ik berouw over hetgeen ik gedaan had, men vergaf mij niets en sloeg mij meestal zonder reden. Wanneer mijn vader mij sloeg, dan ging mijn moeder meedoen, inplaats van tusschenbeide te komen. Deze behandeling vervulde mij met zulk een afkeer van het ouderlijke huis, dat ik het verliet vóór ik veertien jaar was. Ik ging den weg naar Aragon op en trok al bedelende naar Saragossa; daar voegde ik mij bij een troep landloopers, die een tamelijk gelukkig leven leidden. Zij leerden mij voor blind doorgaan, mank te schijnen, op de beenen zweeren en gezwellen aan te brengen, enzoovoorts. Als tooneelspelers, die zich voorbereiden, maakten wij ons des morgens klaar verschillende karakters voor te stellen. Ieder betrok zijn post en na ons des avonds vereenigd te hebben, maakten wij ’s nachts pleizier ten koste van hen, die medelijden met ons hadden gehad. Nochtans verveelde ik mij bij deze lieden en wilde met eerlijker menschen leven; ik voegde mij bij eenige fortuinzoekers. Zij leerden mij goede slagen te doen, maar wij moesten spoedig Saragossa verlaten, omdat wij ongenoegen kregen met een rechter, die ons altijd beschermd had. Elk ging zijn eigen weg. Wat mij betreft, ik voelde in mij den lust tot gewaagd spel en voegde mij bij een troep moedige mannen, die de reizigers schatting lieten betalen en ik bevond mij zoo wel bij hunne manier van leven, dat ik sedert geen andere bezigheid heb willen zoeken. Ik ben mijne ouders dus zeer dankbaar, mijne heeren, dat zij mij zoo mishandeld hebben, want wanneer zij mij wat zachter hadden opgevoed, dan zou ik thans ongetwijfeld niet meer zijn dan een ongelukkige slager, inplaats waarvan ik de eer heb uw luitenant te zijn.”
“Mijne heeren,” zei nu een jonge dief, die tusschen den kapitein en den luitenant zat, “zonder verwaandheid mag ik zeggen dat de verhalen, die wij zooeven gehoord hebben, niet zoo ingewikkeld noch zoo zonderling zijn als het mijne; ik ben zeker, dat dit u zal bevallen. Ik dank het levenslicht aan eene boerin uit de buurt van Sevilla. Drie weken nadat zij mij ter wereld had gebracht (zij was jong, flink en een goede voedster), stelde men haar voor min te worden bij een voornaam kind, een eenigen zoon die pas in Sevilla geboren was. Mijne moeder nam het voorstel gaarne aan; zij ging het kind halen. Men vertrouwde het haar toe en eenige gelijkenis tusschen hem en mij vindende, vatte zij het plan op mij voor het voorname kind in de plaats te schuiven, in de hoop dat ik dezen goeden dienst te eeniger tijd wel zou erkennen. Mijn vader, die niet nauwgezetter was dan een ander boer, vond het goed, zoodat na van luiers te hebben verwisseld, de zoon van don Rodriges de Herrera onder mijn naam naar een andere min werd gezonden en mijne moeder mij voedde als de zijne.
Wat men ook zeggen moge over het instinkt en de kracht van het bloed, zoo slikten de ouders van den kleinen edelman toch gemakkelijk de verwisseling. Hun voornemen was een volmaakt edelman van mij te maken, maar ik deed mijne onderwijzeres weinig eer aan: ik had weinig lust in de oefeningen en nog minder smaak in de kennis die men mij wilde bijbrengen. Ik speelde veel liever met de lakeien, die ik steeds in den stal of in de keuken opzocht. Het spel was niet lang mijn overheerschende passie; reeds toen ik zeventien jaar was, verveelde ik mij elken dag. Ik viel ook alle vrouwen in huis lastig. Ik hechtte mij vooral aan een keukenmeid, die ik mijne eerste zorgen wel waard achtte. Dat was een groote boerenmeid, wier dikke wangen en omvangrijk middel mij zeer bevielen. Ik maakte haar met zoo weinig omslag het hof, dat don Rodriges het zelfs bemerkte. Hij berispte mij daar bitter over en verweet mij de laagheid mijner neigingen, en uit vrees dat het gezicht van het beminde wezen zijne berispingen te niet zouden doen, zette hij mijne prinses buiten de deur.
Dat mishaagde mij en ik besloot mij te wreken. Ik stal de juweelen van de vrouw van don Rodriges en na mijne schoone Helena te hebben opgezocht, die naar een waschvrouw in de buurt was gegaan, schaakte ik haar op klaarlichten dag, opdat iedereen ervan hooren zou. Ik ging verder, ik bracht haar naar haar land, waar ik haar plechtig trouwde, zoowel om Herrera nog meer te grieven als om aan deftige kinderen een mooi voorbeeld te geven. Drie maanden later hoorde ik, dat don Rodriges gestorven was. Dit liet mij niet onverschillig, want direct begaf ik mij naar Sevilla om mijn erfgoed op te eischen, maar daar vond ik alles veranderd. Mijne moeder was overleden en stervende had zij de indiscretie begaan alles te bekennen in tegenwoordigheid van den pastoor en andere getuigen. De zoon van don Rodriges had reeds mijn plaats, of liever de zijne, ingenomen en hij was met des te meer genoegen erkend, waar men ontevredener was over mij; toen ik dus niets meer van dien kant te hopen en geen pleizier meer in mijn dikke vrouw had, voegde ik mij bij eenige fortuinzoekers, met wie ik mijne strooptochten begon.”
Toen de jonge dief zijn geschiedenis verteld had, zeide een ander, dat hij de zoon van een koopman uit Burgos was; dat hij in zijn jeugd gedreven door eene vrome devotie, de soutane had aangenomen en in een zeer heilige orde was getreden. Nu begon men over andere dingen te spreken. Zij bespraken allerlei plannen voor een volgenden strooptocht en na het eindelijk over een bepaald plan te zijn eens geworden, stonden allen van tafel op en gingen ter ruste. Ieder van hen stak een kaars op en ging naar zijn eigen kamer, terwijl ik kapitein Rolando volgde om hem bij het ontkleeden behulpzaam te zijn. “Wel, Gil Blas,” zeide hij, “gij ziet nu hoe wij leven. Wij zijn altijd vroolijk en blij en haat en afgunst kennen wij niet; wij hebben nooit ruzie met elkaar en zijn onderling inniger verbonden dan kloosterlingen. Zooals ge dus ziet, zult ge hier een heerlijk leventje krijgen, want gij zult wel geen gewetensbezwaren hebben bij dieven te zijn. Ziet men eigenlijk wel iets anders dan dieven in de maatschappij? Neen, mijn beste jongen, alle menschen houden ervan zich het goed van anderen toe te eigenen; dit is allen ingeboren, alleen de wijzen waarop men het doet, verschillen. De veroveraars bijvoorbeeld nemen den grond van hun buren, voorname personen leenen geld en geven het niet terug. Bankiers, rentmeesters, wisselhandelaars, beambten, zoowel groote als kleine, zijn niet erg nauw van geweten. Wat de heeren van het gerecht aangaat, daarover spreek ik maar liever niet; het is maar al te goed bekend waartoe zij in staat zijn. Toch moet ik bekennen, dat zij menschelijker zijn dan wij, want wij ontnemen vaak het leven aan onschuldigen, terwijl zij vaak dat van een schuldige redden.”