Na op deze wijze zijn beroep verdedigd te hebben, ging de kapitein naar bed, terwijl ik naar het salon terugkeerde om de tafel af te nemen en alles op te bergen.
Vervolgens ging ik naar de keuken, waar Domingo (dit was de naam van den ouden neger) en Signora Leonarda mij met het souper wachtten, Hoewel ik niet den minsten eetlust had, ging ik toch bij hen zitten. Ik kon echter geen hapje door mijn keel krijgen en daar ik er erg bedroefd en terneergeslagen uitzag, begonnen deze twee oudjes mij te troosten, echter op een wijze, die beter geschikt was om mij wanhopig te maken, dan om mijn smart te verlichten. “Waarom ben je zoo bedroefd, mijn jongen?” zei de oude vrouw. “Je moest je eerder verheugen hier te zijn. Je bent nog jong en onervaren en zoudt spoedig in de wereld verloren zijn geweest; gij zoudt er vast en zeker losbandige jongelieden hebben aangetroffen, die je tot allerlei uitspattingen zouden verleiden, terwijl je onschuld hier in veilige haven is.” “Leonarda heeft gelijk,” zeide de oude neger met een zware stem, “en men zou er nog bij kunnen voegen, dat er slechts moeiten en smarten in de wereld zijn. Je moogt den hemel wel danken dat je zoo ineens verlost bent van al die gevaren en ellenden der wereld.”
Ik duldde dit gesprek zonder eenige tegenspraak, daar het toch niets zou gebaat hebben mij er boos om te maken. Zelfs geloof ik, dat zij om mij gelachen zouden hebben als ik kwaad was geworden. Eindelijk ging Domingo, na goed gegeten te hebben, naar zijn stal en Leonarda nam een lamp en leidde mij naar een soort gewelfde kelder, die dienst deed als kerkhof voor de overleden roovers, die hun natuurlijken dood stierven en waar ik een soort krib zag, die meer op een doodkist geleek dan op een bed, “Dit is nu jou kamer, mijn beste jongen,” zei zij mij met de hand onder de kin streelend; “de jongen die hier vóór jou diende, heeft er zijn heele leven in gehuisd en ligt er nu ook nog begraven. Hij is in den bloei van zijn jeugd gestorven, maar jij moet verstandiger zijn en zijn voorbeeld niet volgen.” Toen gaf zij mij de lamp en keerde weer naar haar keuken terug. Ik zette de lamp op den grond en wierp mij op het bed, niet zoozeer om te rusten als wel om mijzelf geheel aan mijn overpeinzingen over te geven. “O, mijn God,” zei ik, “is er een lot zoo droevig als het mijne? Men verlangt van mij dat ik afstand zal doen van het zonnelicht en alsof het nog niet genoeg was op achttienjarigen leeftijd levend begraven te worden, vernedert men mij nog tot het dienen van roovers en moet ik ’s nachts bij de dooden verblijven!” Bij deze gedachten, die mij vreeselijk mistroostig schenen en het inderdaad ook waren, begon ik hevig te snikken. Ik vloekte den inval van mijn oom om mij naar Salamanca te sturen en verweet mijzelf bevreesd te zijn geweest voor het gerecht van Cacabelos; ik wilde dat ik op ’t oogenblik erdoor ondervraagd werd. Maar bedenkende dat al dat gejammer niets baatte, begon ik over middelen te peinzen om te ontvluchten en ik begon mijzelf moed in te spreken, zeggende: “Is het dan volstrekt onmogelijk van hier te ontvluchten? De roovers slapen en de oude keukenmeid en de neger zullen ook spoedig in diepe rust zijn. Zou ik nu met behulp van deze lamp den uitgang niet kunnen vinden, waarlangs ze mij binnenbrachten? Intusschen ben ik misschien niet sterk genoeg om alleen het valluik op te lichten, maar komaan ik kan het probeeren, dan heb ik mij ten minste niets te verwijten. Mijn wanhoop zal mij kracht geven en misschien slaag ik er in.”
Ik vormde dus een groot plan. Toen ik meende dat Leonarda en Domingo sliepen, stond ik stilletjes op, nam de lamp en verliet het onderaardsche hol, terwijl ik mij aan alle heiligen van het Paradijs aanbeval. Eerst na veel moeite gelukte het mij, den weg te vinden in dit doolhof van gangen, maar ik kwam eindelijk toch aan den stal en aan den weg, dien ik zocht. Langzaam ging ik vooruit naar het valluik, terwijl mijn hart van vreugde en vrees tegelijk heftig kloppen. Halverwege de gang echter, stuitte ik op een ijzeren hek, dat stevig gesloten was en waarvan de staven zóó dicht bij elkaar waren, dat men nauwelijks de hand er doorheen kon steken. Ik had dit beletsel niet gezien bij het binnenkomen omdat het hek toen open was. Intusschen beproefde ik de stangen, bekeek het slot nauwkeurig, trachtte het zelfs te forceeren, toen ik plotseling eenige krachtige slagen tusschen mijn schouders ontving. Ik gaf een luiden gil zoodat het onderaardsch gewelf ervan weergalmde, en mij omdraaiende zag ik den ouden neger, die in de eene hand een dievenlantaarn had en in de andere een bullepees, waarmee hij mij had geslagen. “Arme kleine schelm,” zei hij, “wou je ontvluchten? Je behoeft er niet aan te denken mij te verschalken, want ik had je heel goed gehoord. Je dacht zeker het ijzeren hek open te vinden, is ’t niet? Maar ge kunt er van opaan, dat het voortaan altijd gesloten is. Wanneer wij hier iemand tegen zijn zin houden, moet hij geslepener zijn dan gij om ons te ontsnappen.”
Op mijn geschreeuw waren twee of drie van de roovers wakker geworden en opgesprongen. En denkende, dat het de dienaren van den heiligen Hermandad waren, die hen overvielen, riepen ze in allerijl hun kameraden. In minder dan geen tijd waren allen op de been, grepen hun degens en karabijnen en snelden naar de plaats waar Domingo en ik stonden. Toen zij echter de reden van het gerucht vernamen, maakte hun onrust plaats voor uitbundig gelach. “Hoe nu, Gil Blas,” zei een van hen, “je bent nauwelijks een paar uur bij ons en wil je ons nu reeds verlaten? Gij schijnt wel een vreeselijken afkeer te hebben van afzondering en ge moet er maar nooit aan denken Karthuizer monnik te worden. Ga nu maar gauw slapen, voor dezen keer komt ge er af met de slagen, die Domingo je gegeven heeft, maar als je ’t ooit in den zin krijgt weer zoo iets te probeeren, kun je er staat op maken dat we je levend villen.” Hierop ging hij heen en ook de andere roovers trokken zich in hun kamers terug, nog hartelijk lachende over mijn poging tot ontsnappen. Ook de oude neger keerde zeer voldaan naar den stal terug en ik ging weer naar mijn kerkhof, waar ik den nacht verder met zuchten en huilen doorbracht.
Ik dacht de eerste dagen van verdriet te zullen sterven. Ik leidde een treurig bestaan, maar gelukkig vermaande mijn goede genius mij voortaan te veinzen. Ik deed dus juist of ik minder bedroefd was en begon te lachen en te zingen, hoewel ik er in ’t minst niet den lust toe had. Ik huichelde echter zoo goed, dat Leonarda en Domingo erdoor verschalkt werden en dachten dat de gevangen vogel aan zijn kooi wende. Ook de roovers dachten hetzelfde daar ik mij zeer opgewekt toonde als ik hen bediende en mij in hun gesprekken mengde door een of andere aardigheid te tappen als er gelegenheid toe was. Mijn vrijmoedigheid, verre van hun te vervelen, vermaakte hen zeer, “Gil Blas,” zei de kapitein mij op een avond toen ik weer vroolijk was, “gij doet zeer verstandig door die zwaarmoedigheid te bannen; ik houd veel van je opgewektheid en je grappen. Men kent iemand niet terstond op het eerste gezicht en ik had je waarlijk niet zoo geestig en vroolijk gedacht als ge nu blijkt te zijn.”
Ook de anderen prezen mij om het hardst en spoorden mij aan zoo voort te gaan met hen vroolijk tegemoet te komen; ten slotte schenen zij mij toe zoo tevreden over mij te zijn dat ik, gebruik makende van hun goede stemming, hen aldus toesprak: “Veroorlooft mij, mijne heeren, dat ik u den bodem van mijn ziel blootleg. Sedert ik hier ben gevoel ik mij een geheel ander mensch dan vroeger. Gij hebt mij verlost van de vooroordeelen van mijn opvoeding en ik heb onmerkbaar mij uwe zienswijze eigen gemaakt. Ik gevoel veel lust in uw beroep en ik sterf bijna van verlangen om een van de uwen te zijn en alle gevaren van uwe tochten te deelen.” Het geheele gezelschap juichte deze toespraak toe. Men prees mijn goeden wil; daarna werd er met algemeene stemmen besloten, dat men mij nog eenigen tijd hen zou laten bedienen om mijne roeping op de proef te stellen en dat men mij vervolgens de plaats zou geven die ik vroeg en die men niet kon weigeren aan een jongmensch, dat toonde zulk een goeden wil te hebben.
Ik moest dus voortgaan met mijn rol van huichelaar en mijn ambt van schenker nog eenigen tijd uit te oefenen. Ik leed natuurlijk vreeselijk onder dien toestand want ik verlangde slechts roover te worden om uit te kunnen gaan zooals zij en vleide mij ook met de hoop, dat ik hen vroeg of laat zou kunnen ontsnappen. Deze hoop hield den moed er bij mij in, doch het wachten viel mij ontzettend lang en meermalen trachtte ik Domingo te verschalken. Hiertoe was echter geen kans want hij was veel te waakzaam; geen honderd Orpheussen zouden dezen Cerberus hebben bekoord. Bovendien was ik steeds bang ontdekt te worden zoodat ik niet al het mogelijke deed om hem te bedriegen. Hij hield mij voortdurend in het oog en ik moest veel te voorzichtig zijn om mijzelf niet te verraden. Ik wachtte dus den tijd af waarop de roovers mij bij hun troep zouden inlijven en ik wachtte er met zooveel ongeduld op alsof het mijne benoeming tot een hoog ambt gold.
Gelukkig brak dat gelukkige oogenblik na zes maanden aan. Kapitein Rolando sprak op zekeren avond tot de roovers: “Kameraden, wij moeten het aan Gil Blas gegeven woord gestand doen. Die knaap bevalt mij, hij schijnt mij geschikt onze voetstappen te drukken en ik geloof dat wij er een flink medelid van zullen maken. Wij moesten hem morgen met ons medenemen om lauweren te verwerven op onze tochten. Wij moeten zorgen hem tot onzen eigen roem op te voeden.” De roovers waren het allen eens met hun kapitein; en om te toonen, dat ze mij reeds als een der hunnen beschouwden, behoefde ik van dit oogenblik af hen niet meer te bedienen. Zij herstelden juffrouw Leonarda in de betrekking, die men haar ontnomen had om er mij mee te belasten. Ze lieten mij van mijn kleeding ontdoen, die uit een eenvoudige, versleten priesterrok bestond, en ze tooiden me met de achtergelaten kleederen van een edelman, kort tevoren bestolen. Na dit alles hield ik mij gereed voor mijn eersten veldtocht.
’t Was op het einde van een Septembernacht, dat ik met de roovers het onderaardsche gewelf verliet. Ik was evenals zij gewapend met een karabijn, twee pistolen, een zwaard en een bajonet en ik bereed een vrij goed paard, dat men aan denzelfden edelman ontnomen had, wiens kleeren ik aan had. Ik had zóó lang in de duisternis geleefd, dat de aanbrekende dag me in den beginne verblindde; maar langzamerhand begonnen mijn oogen zich aan het daglicht te gewennen. We gingen langs Pont-Ferrada, en legden ons in hinderlaag in een klein bosch, dat aan den grooten weg naar Léon grensde en in een gedeelte waar wij zonder zelf gezien te worden, alle voorbijgangers konden bespieden. Daar wachtten we tot het fortuin ons een goeden slag te slaan gaf, toen wij eensklaps een geestelijke van de orde der Dominikanen bemerkten, die, tegen de gewoonte dier goede paters in, een slechten muilezel bereed. “God zij geprezen,” riep de kapitein lachende, “daar is het meesterstuk voor Gil Blas. Hij moet dien monnik berooven; nu zullen we eens zien hoe hij er dat afbrengt.” Alle roovers oordeelden, dat ongetwijfeld deze zending mij toekwam en maanden mij aan er mij goed van te kwijten. “Heeren,” zei ik tot hen, “gij zult tevreden zijn; ik zal dien priester zóó berooven tot hij zoo naakt is als mijn hand en ik zal u zijn muilezel hier brengen.”
“Neen, neen,” zei Rolando, “dat is de moeite niet waard; breng ons slechts de beurs van Zijne Eerwaarde; dat is alles wat we van je eischen.”
“Ik zal dus,” hernam ik, “onder de oogen mijner meesters mijn proefstuk leveren; ik hoop, dat ze mij met hun goedkeuring zullen vereeren.”
Daarop verliet ik het bosch en stuurde op den geestelijke af, den hemel smeekende mij de daad te vergeven, die ik ging verrichten, want ik was nog niet lang genoeg bij de roovers om dit zonder tegenzin te bedrijven. Ik had op dat oogenblik wel graag willen ontsnappen, maar het meerendeel der roovers was nog beter bereden dan ik; als ze mij hadden zien vluchten zouden ze mij dadelijk achtervolgd hebben en spoedig ingehaald of misschien zouden ze hun karabijnen op mij gelost hebben, waarbij ik me zeer slecht zou hebben bevonden. Zoo’n roekeloosheid mocht ik dus niet wagen; ik ging naar den pater toe en vroeg hem zijn beurs, terwijl ik den loop van mijn pistool voor zijn neus hield. Dadelijk bleef hij staan en nam me van het hoofd tot de voeten op, hij was niet erg geschrokken, maar voegde mij toe: “Mijn kind, gij zijt nog erg jong; je begint reeds vroeg een slecht bedrijf uit te oefenen.”
“Pater”, antwoordde ik, “hoe slecht het ook moge zijn, zou ik willen het reeds vroeger te zijn begonnen.”
“O mijn zoon,” hernam de goede geestelijke, die zich wel wachtte de eigenlijke beteekenis mijner woorden te begrijpen, “wat zegt gij? welk een verblindheid! laat ik u eens duidelijk den ongelukkigen toestand uitleggen.... ”
“O, pater,” hernam ik haastig, “geen zedepreeken als het u belieft, ik kom hier niet om sermoenen aan te hooren; daar is het trouwens niet om begonnen: ik wil geld.”—“Geld?” vroeg hij verwonderd; “gij schijnt een slecht oordeel te hebben van de Spaansche weldadigheid als gij meent, dat menschen van mijn stand geld noodig hebben om door Spanje te reizen. Bedrieg u niet. Men ontvangt ons overal vriendelijk; men herbergt en voedt ons, en men vraagt slechts gebeden in ruil. Daarom hebben wij nooit geld bij ons; wij geven ons over aan de Voorzienigheid.” “O, neen,” viel ik hem in de rede, daar geeft ge u niet aan over; ge hebt altijd van die lieve goudstukjes bij u om nog zekerder van de Voorzienigheid te zijn. Maar, mijn vader,” ging ik verder, “laat ons eindigen, mijn kameraden, die daar in het bosch zijn, worden ongeduldig; gooi dadelijk uw beurs op den grond, of ik dood u.”
Bij deze dreigende woorden, scheen de geestelijke toch voor zijn leven bevreesd te zijn. “Wacht”, zij hij, “ik zal je tevreden stellen als het dan toch eenmaal moet. Ik zie wel, dat bij jullie de welsprekendheid nutteloos is.” Dit zeggende trok hij van onder zijn kleed een groote kemelsleeren beurs te voorschijn, die hij op den grond liet vallen. Daarop zei ik hem, dat hij zijn weg kon vervolgen, wat hij mij niet tweemaal zeggen liet. Hij drukte de flanken van zijn muilezel die mijn oordeel over hem, (want ik vond hem niet beter dan die van mijn oom) logenstrafte door eensklaps een goeden draf er in te zetten. Terwijl hij zich verwijderde, steeg ik af; ik raapte de beurs op, die mij heel zwaar leek, daarna steeg ik weer op en bereikte snel het bosch, waar de roovers me met ongeduld wachtten om me te feliciteeren, alsof de overwinning die ik behaald had, mij veel had gekost. Ternauwernood lieten ze mij den tijd van het paard af te komen, zóó haastten zij zich mij te omhelzen, “Goed, Gil Blas,” zei Rolando, “gij hebt daar iets buitengewoons verricht. Ik heb je gedurende je tocht voortdurend gade geslagen, ik heb op je houding gelet; ik voorspel je, dat je een uitstekende straatroover zult worden, of ik weet er niets meer van.” De luitenant en de anderen juichten deze voorspelling toe en verzekerden mij, dat ik haar zeker een of anderen dag tot waarheid zou maken. Ik bedankte hen voor de goede opinie, die ze van mij hadden en beloofde hun alles te doen om deze te handhaven.
Nadat zij mij te meer hadden geprezen waar ik het minder verdiende kwam het hun opeens in den zin den buit te bezichtigen, waarmede ik was terug gekeerd. “Laten we eens zien, wat er in de beurs van den geestelijke is,” zeiden zij. “Zij zal wel goed gevuld zijn,” vervolgde een hunner, “want die goede paters reizen niet als pelgrims,” De kapitein wikkelde de beurs los, opende haar en haalde er twee of drie handenvol kleine koperen medailles uit, waartusschem eenige scapuliers. Op het gezicht van zulk een vreemdsoortigen buit, barstten de roovers in een onbedaarlijk gelach uit.
“Lieve God”, riep de luitenant uit, “wij zijn wel veel verplicht aan Gil Blas, die als proefstuk een zoo heilzamen roof voor ons heeft gedaan.” Deze aardigheid wekte andere op van hetzelfde allooi. De booswichten begonnen zich over dit onderwerp vroolijk te maken. Meer dan één pijl schoten ze af, die ik hier niet kan herhalen, maar die ten volle de laagheid hunner zeden kenmerkte. Ik alleen lachte niet. ’t Is waar, dat die spotters mij er den lust toe benamen, door zich ten mijnen koste te vermaken. Ieder gaf me een steek en de kapitein voegde me toe: “Mijn hemel, Gil Blas, ik raad je in gemoede je niet meer met monniken in te laten; zij zijn te slim, te sluw voor jou”.
Wij bleven het grootste gedeelte van den dag in dat bosch zonder een enkelen reiziger te zien, die voor den geestelijke zou kunnen betalen. Eindelijk gingen wij er uit om naar het onderaardsche gewelf terug te keeren, onze heldendaden besprekende en het belachelijk geval, dat nog steeds het onderwerp van ons onderhoud uitmaakte, toen we in de verte een koets ontdekten met vier muilezels bespannen.
Het rijtuig kwam in flinken draf op ons af en werd begeleid door drie mannen te paard, die mij goed gewapend schenen en goed voorbereid ons te ontvangen indien we moedig genoeg waren hen aan te vallen. Rolando liet de troep stilhouden om daarover te beraadslagen en de uitslag was, dat tot den aanval werd besloten. Dadelijk stelde hij ons op, zooals hij dat goedvond en we gingen slagvaardig op de koets af. Niettegenstaande de toejuichingen die ik in het bosch had ontvangen, voelde ik mij geweldig beven en weldra werd mijn geheele lichaam zóó door koud zweet bedekt, dat ik me niets goeds voorspelde. Tot overmaat van geluk liep ik aan het hoofd der troep, tusschen den kapitein en den luitenant, die mij daar hadden geplaatst om mij maar dadelijk aan het vuur te gewennen. Rolando, die mijn angst bemerkte, keek me van terzijde aan, en zei op kwaden toon: “Luister, Gil Blas, denk er aan je plicht te doen, ik waarschuw je, als je terugwijkt jaag ik je een kogel door je hoofd.”
Ik was te zeer ervan overtuigd, dat hij zou doen wat hij zei, om die waarschuwing in den wind te slaan; daarom beval ik slechts mijn ziel aan God, daar ik nu den eenen kant niet minder had te vreezen dan den andere. Intusschen kwamen de koets en de ruiters al dichterbij; zij zagen welk soort lui wij waren, en daar zij ons plan aan onze houding raadden, hielden zij op geweerschotsafstand stil. Zij hadden evengoed als wij, karabijnen en pistolen bij zich. Terwijl zij zich gereed maakten ons het hoofd te bieden, stapte er uit de koets een welgemaakt, rijk gekleed man. Hij steeg op een los paard door een der ruiters bij den teugel gehouden en stelde zich aan het hoofd der anderen; tot wapen had hij slechts zijn zwaard en twee pistolen. Hoewel ze slechts vier tegen negen waren, want de koetsier bleef op den bok, gingen zij met een zekerheid vooruit, die mijn angst nog verergerde. Ik liet echter niet na, hoewel over alle leden bevend, mij gereed te houden tot vuren; maar om de dingen te vertellen, zooals ze zijn, moet ik bekennen, dat ik mijn oogen sloot en mijn hoofd afwendde, toen ik mijn karabijn afvuurde, zoodat de manier waarop ik aftrok, mij die daad niet op het geweten laadde.
Ik zal niet uitweiden over die handeling: hoewel ik er bij tegenwoordig was, zag ik niets en mijn angst, die mijn verbeelding benevelde, verborg mij het vreeselijke van het schouwspel zelve, dat mij schrik aanjoeg. Alles wat ik ervan weet, is, dat na een groot gerucht van geweervuur, ik mijn metgezellen luidkeels hoorde roepen: “Victorie! Victorie!” Bij dien uitroep verdween de verstijving, die zich van mijn zinnen had meester gemaakt, en zag ik de vier ruiters levenloos op het slagveld liggen. Van onze zijde hadden we slechts één doode; een onzer ruiters had een kogel in de rechterknieschijf gekregen. Ook de luitenant was gewond, doch slechts heel licht, daar de kogel slechts de huid had geschaafd.
Rolando rende eerst naar het portier van de koets, waarin eene dame was van vier- à vijfentwintig jaar, die hem heel mooi toescheen, niettegenstaande den treurigen toestand, waarin hij haar zag. Ze was tijdens het gevecht flauw gevallen en verkeerde nog in dien toestand. Terwijl hij er slechts aan dacht haar aan te kijken, dachten wij aan den buit. Wij begonnen met ons van de paarden der gestorven ruiters te verzekeren, want die dieren, door het geluid der schoten geschrokken, waren van den weg afgegaan na hun geleiders te hebben verloren. Wat de muilezels betreft, deze waren pal blijven staan, al had de koetsier gedurende het gevecht zijn zetel verlaten om zich te redden. Wij stegen af om ze uit te spannen en wij belastten ze met verschillende koffers, die we voor en achter de koets vonden vastgesjord. Daarna nam men op order van den kapitein, de dame, die nog niet tot zich zelve was gekomen en zette haar te paard, ondersteund door een roover, die een der sterksten was en het best bereden; toen namen wij de dame, de muilezels en de paarden mee en lieten de koets en de beroofde dooden op den weg liggen.
Het was reeds langer dan een uur donker toen we aan het gewelf kwamen. Allereerst brachten wij de dieren op stal, waar we genoodzaakt waren ze zelf aan de ruif vast te binden en ze te verzorgen, daar de oude neger reeds drie dagen het bed moest houden. Niet alleen dat het pootje hem hevig had aangegrepen, maar ook de rheumatiek had zich aan al zijn ledematen meegedeeld. Niets bleef hem over dan zijn tong, die hij dan ook gebruikte om zijn ongeduld door allerlei vloeken te kennen te geven. Wij lieten den ellendeling vloeken en schelden en gingen naar de keuken, waar we al onze aandacht wijdden aan de dame, die reeds omgeven scheen door de schaduwen des doods. Wij deden alles om haar uit haar bewusteloosheid te doen ontwaken en we hadden het geluk hierin te slagen. Maar toen ze weer bij kennis was en zich in de armen van verscheidene onbekende mannen bevond, voelde zij haar ongeluk en huiverde. Haar oogen drukten de hevigste smart en wanhoop uit en zij sloeg ze ten hemel als om zich daar te beklagen over de schandelijke daden, waarmee zij werd bedreigd; toen, plotseling overweldigd voor de verschrikkelijke beelden, viel zij opnieuw flauw en haar oogleden sloten zich, waarop de roovers dachten, dat de dood hun prooi ging ontrukken. De kapitein achtte het beter haar aan haar zelf over te laten inplaats van haar met nieuwe hulpbetuigingen te plagen en liet haar toen naar het bed van Leonarda dragen, waar hij haar op goed geluk alleen liet.
Wij gingen toen naar het salon, waar een der roovers, die chirurg was geweest, de wonden van den luitenant en den ruiter onderzocht en ze met zalf insmeerde. Hierna wilde men zien wat er alzoo in de koffers was. Eenige waren met kant en linnengoed gevuld, andere met kleeren; maar de laatste die men opende, bevatte eenige zakken geld, wat den heeren belanghebbenden bijster beviel. Na dit onderzoek dekte de meid de tafel, schepte op en bediende. Wij praatten eerst over de groote overwinning, die we hadden behaald, waarop Rolando tot mij het woord richtte: “Beken, Gil Blas, dat je erg bang bent geweest.” Ik antwoordde dat ik dat graag wilde toestemmen, maar dat ik als een dolend ridder zou strijden als ik slechts twee of drie tochten had meegemaakt. Daarop nam het geheele gezelschap het voor mij op, zeggende, dat men het mij moest vergeven, dat de handeling zoo plotseling was geweest, en ik me nog niet zoo slecht van mijn taak had gekweten.
Vervolgens ging het gesprek over op de muilezels en paarden, welke we juist in het gewelf hadden meegevoerd. Er werd besloten, dat we den volgenden morgen nog vóór het aanbreken van den dag, allen naar Mansilla zouden gaan, waar men waarschijnlijk nog niet van onzen aanslag had hooren spreken, om daar de dieren te verkoopen. Na dit besluit genomen te hebben, zetten we ons avondeten voort; daarna gingen we weer naar de keuken om de dame te zien, die we nog in denzelfden toestand vonden, zoodat we dachten, dat zij den nacht niet zou halen. Niettegenstaande zij ternauwernood scheen te leven, waren er toch nog enkele roovers, die niet nalieten een wellustigen blik op haar te werpen en blijk gaven van een brutale begeerte, die zij stellig zouden voldaan hebben, indien niet Rolando er hen van had terug gehouden, door hen er op te wijzen, dat ze tenminste moesten wachten tot de dame bijkwam uit haar neerslachtige bewusteloosheid, die haar elk gevoel benam. Het respect, dat ze voor hun kapitein hadden, hield hun wulpschheid in bedwang; zonder dat zou niets de dame kunnen redden; zelfs haar dood zou misschien nog niet haar eer verzekerd hebben.
Wij lieten die ongelukkige vrouw in den toestand waarin ze was, terwijl Rolando zich tevreden stelde met Leonarda haar verzorging op te dragen, waarna ieder zich in zijne kamer terugtrok. Wat mij betreft, inplaats van in te slapen zoodra ik in bed lag, hield ik me voortdurend met het ongeluk der dame bezig. Ik twijfelde niet of zij was eene voorname persoonlijkheid, en dat deed mij haar lot nog treuriger schijnen. Ik stelde mij sidderend de verschrikkelijke dingen voor, die haar wachtten, en ik voelde er mij even hevig door getroffen alsof bloedverwantschap of vriendschap mij aan haar hadden verbonden.
Eindelijk, na haar lot beklaagd te hebben, droomde ik over de middelen om haar eer te beschermen tegen het gevaar waarmee deze werd bedreigd, en mij uit het hol te redden. Ik bedacht, dat de neger zich niet kon verroeren en dat sinds zijn ziekte, de keukenmeid den sleutel van het hek had. Deze gedachte prikkelde mijn verbeelding, en deed bij mij een plan rijzen, dat ik goed overdacht; daarna ondernam ik dadelijk de uitvoering ervan op de volgende wijze:
Ik veinsde kolieken te hebben, door eerst te klagen en te kermen; daarna begon ik te schreeuwen. De roovers ontwaakten en waren weldra bij me; ze vroegen wat me scheelde om zoo te schreeuwen, waarop ik hun antwoordde, dat ik een verschrikkelijke koliek had, en om hen beter te overtuigen, begon ik te tandenknarsen, grimassen te maken, ineen te krimpen en op een vreemde wijze me om en om te wentelen. Daarna hield ik me plotseling bedaard alsof mijn pijnen mij een oogenblik met rust lieten; een oogenblik later begon ik opnieuw in mijn armoedig bed te springen en mijn armen heen en weer te zwaaien. In één woord, ik speelde zóó goed komedie, dat de roovers, hoe slim ook, zich lieten foppen en werkelijk dachten, dat ik hevige krampen gevoelde. Maar daar ik mijn rol zoo goed speelde, werd ik op vreemde wijze gekweld; want van het oogenblik dat mijn liefdadige makkers zich verbeeldden dat ik leed, kwamen ze allen erbij en haastten zich mij eenige verlichting te brengen: de een brengt me een flesch brandewijn en laat er mij de helft van uitdrinken, een ander geeft me tegen mijn zin een lavement van zoete amandelolie en weer een ander gaat een doek warmen en komt hem dan heet op mijn buik leggen. Al riep ik ook om genade, zij schreven mijn kreten aan mijn koliek toe en gingen door me te doen lijden door werkelijke pijnen, om mij te ontdoen van een, die ik niet had. Eindelijk kon ik het niet meer uithouden, was genoodzaakt hun te zeggen, dat ik geen krampen meer voelde en dat ik hun smeekte mij alleen te laten. Zij hielden op mij met hun middeltjes te vermoeien en ik wachtte me wel mij nog meer te beklagen, uit angst nogmaals hun hulp te moeten ondergaan.
Dit tooneel duurde bijna drie uur.
Daarna maakten de roovers, ziende, dat de morgenstond niet meer ver was, zich gereed om naar Mansilla te gaan. Ik nam een nieuwe list te baat: ik wilde opstaan om hun te doen gelooven, dat ik grooten lust gevoelde mee te gaan: maar zij beletten mij dat, terwijl Rolando mij toevoegde: “Neen, neen, Gil Blas, blijf hier, mijn jongen, de koliek zou kunnen terugkomen. Je zult een volgenden keer met ons meegaan; voor vandaag moet je den heelen dag rust houden; je hebt het noodig.”
Ik durfde niet langer aandringen uit vrees, dat men dan aan mijn verzoek zou voldoen; ik scheen dus alleen teleurgesteld niet van de partij te kunnen zijn, wat ik zoo natuurlijk deed, dat ze allen het hol verlieten zonder het minste vermoeden van mijn plan. Na hun vertrek, hield ik het volgende gesprek met mijzelf: “Zoo, Gil Blas, nu komt het er op aan door te zetten. Schep moed om te voltooien, wat ge zoo gelukkig zijt begonnen. Deze zaak schijnt me niet lastig toe: Domingo is niet in staat zich tegen je onderneming te verzetten en Leonarda kan je niet beletten haar uit te voeren. Vat deze gelegenheid aan om te ontsnappen, gij zult misschien nooit meer een gunstiger vinden.”
Deze overwegingen gaven me vertrouwen: ik stond op, nam mijn degen en mijne pistolen en ging eerst naar de keuken; maar alvorens er binnen te gaan, bleef ik staan om te luisteren, want ik hoorde Leonarda praten. Zij sprak tot de onbekende dame, die weer was bijgekomen, en die haar ongeluk ziende, wanhopig was geworden en schreide. “Ween maar, mijn kind, stort maar tranen en spaar je zuchten niet,” zei de oude tot haar. “Je ontsteltenis was gevaarlijk; maar nu is er niets meer te vreezen, nu je gehuild hebt. Je smart zal wel langzamerhand verdwijnen en ge zult u gewennen hier met die heeren te leven, die nette lieden zijn. Gij zult beter behandeld worden dan een prinses; zij zullen vol attenties voor je zijn en je elken dag hun genegenheid doen blijken. Veel vrouwen zouden in je plaats willen zijn.”
Ik gaf Leonarda geen tijd meer iets te zeggen, maar ik trad binnen, hield haar het pistool voor en dwong haar door bedreigingen den sleutel van het hek te geven. Zij was door mijn handelwijze ontsteld en daar zij, hoewel reeds op leeftijd, nog voldoende aan het leven was gehecht, durfde zij mij het gevraagde niet weigeren. Toen ik den sleutel in handen had, richtte ik het woord tot de bedroefde dame, en zei: “Mevrouw, de hemel heeft u een bevrijder gezonden, sta op en volg mij, ik zal u geleiden tot waar gij naar toe wilt gaan.” De dame had daar wel ooren naar en mijn woorden maakten zoo ’n indruk op haar, dat zij al haar moed bij elkaar raapte, opstond, zich aan mijn voeten wierp en me smeekte haar eer te beschermen. Ik hief haar op en verzekerde haar, dat ze op mij rekenen kon. Daarna nam ik een touw, dat ik in de keuken vond en met behulp van de dame bond ik Leonarda aan den voet van een zware tafel en dreigde met den dood, indien zij den minsten gil slaakten. De goede Leonarda, overtuigd dat ik woord zou houden als ze me durfde weerstreven, koos de partij van me te laten doen wat ik wilde. Ik stak een kaars aan en ging met de onbekende naar de kamer waar het goud en zilver lag. Ik stak zooveel geldstukken in mijn zakken, als deze slechts konden bevatten; en om de dame te noodzaken er ook van te nemen, overtuigde ik haar, dat ze slechts haar eigendom terugnam, wat ze dan ook zonder gewetenswroeging deed. Toen we een goeden voorraad hadden, gingen we naar den stal, waar ik alleen met geladen pistool binnentrad. Ik rekende er op, dat de oude neger, niettegenstaande pootje en rheumatiek, mij niet rustig mijn paard zou laten zadelen en optuigen en ik had het besluit genomen hem voor goed van zijn kwalen te genezen indien hij kwaad wilde, maar gelukkig was hij zoo afgemat van de pijnen, die hij had doorstaan en nog doorstond, dat ik mijn paard uit den stal haalde, zonder dat hij ’t zelfs scheen te bemerken. De dame wachtte mij aan de deur. Wij gingen snel de gang door, die uit het hol leidde, kwamen aan het hek, openden het en kwamen eindelijk aan het valluik. Wij hadden veel moeite het op te lichten, of liever, het verlangen ons te redden gaf ons kracht, en wij slaagden.
De dag brak reeds aan toen we uit dien afgrond waren. Wij wilden er zoo spoedig mogelijk vandaan en daartoe steeg ik te paard, de dame ging achter mij zitten en we sloegen in galop het eerste weggetje, dat we zagen, in; zoo waren wij weldra buiten het bosch. Wij kwamen op een open vlakte, die verschillende wegen doorsneed; wij namen er een op goed geluk. Ik stierf van angst, dat hij naar Mansilla zou leiden en we dan Rolando en zijn makkers zouden ontmoeten, wat best kon gebeuren. Gelukkig werd mijn vrees niet bewaarheid, want we kwamen aan de stad Astorga te twee uur ’s middags. Ik zag menschen, die ons met bijzondere aandacht gadesloegen, als ware ’t voor hen nieuw een vrouw te paard achter een man te zien zitten. Wij stapten af aan het eerste het beste hotel, waar ik allereerst een patrijs en een konijn aan het spit liet braden. Terwijl men mijn bestelling uitvoerde en ons middagmaal gereed maakte, geleidde ik de dame naar een kamer om wat met elkaar te praten, wat we onderweg niet hadden kunnen doen, daar we ons te veel hadden moeten haasten. Zij heette dona Mencia de Mosquera, betuigde mij haar dankbaarheid voor den dienst, dien ik haar had bewezen en zei mij, dat ze mij niet voor een metgezel der roovers kon houden, na de edelmoedige daad, waardoor ik haar van hen verlost had. Om haar die goede opinie over mij te doen behouden, vertelde ik haar mijne geschiedenis. Daardoor won ik haar vertrouwen en zij vertelde mij welke ongelukken haar getroffen hadden, zooals ik dit in het volgend hoofdstuk zal mededeelen.
Ik ben geboren in Valladolid en heet dona Mencia de Mosquera. Don Martin, mijn vader, werd in Portugal aan het hoofd van een regiment gedood. Hij liet mij zoo weinig na, dat ik, hoewel eenige dochter, een tamelijk arme partij was. Nochtans ontbrak het mij niet aan minnaars. Verscheidene van de aanzienlijkste edelen van Spanje vroegen mij ten huwelijk. Hij, die mijn aandacht trok, was don Alvares de Mello. Hij was werkelijk beter dan zijne mededingers. Bovendien had hij geest, was bescheiden, moedig en eerlijk. Ook kon hij doorgaan voor den meest galanten man ter wereld.
Eenige dagen na ons huwelijk ontmoette hij op een afgelegen plaats don André de Baëza, die een van zijn mededingers was geweest. Zij kregen twist met elkander en vochten het uit met den degen. Dit kostte don André het leven; en daar deze de neef was van den vrederechter van Valladolid, een bruusk man en doodsvijand van het huis Mello, meende don Alvares niet spoedig genoeg de stad te kunnen verlaten. Hij kwam direct naar huis, waar hij mij vertelde wat er gebeurd was, terwijl er een paard werd gereed gemaakt. “Waarde Mencia,” zeide hij vervolgens, “wij moeten scheiden, dit is helaas noodzakelijk. Gij kent den vrederechter; laten wij ons nergens mede vleien, hij zal mij krachtig vervolgen.” Hij was zoo bedroefd, dat hij niets meer kon zeggen. Ik deed hem geld en edelsteenen medenemen, vervolgens omhelsde hij mij en een kwartier lang schreiden wij samen. Eindelijk kwam men zeggen dat het paard gereed was. Hij rukte zich van mij los, vertrok en liet mij achter in een onbeschrijfelijken toestand; ik zou gelukkig zijn geweest als ik van droefenis was gestorven, wat een leed en moeiten zou de dood mij bespaard hebben. Eenige uren later vernam de rechter zijn vlucht. Hij liet hem door de gerechtsdienaren van Valladolid vervolgen en spaarde niets om hem in handen te krijgen. Mijn echtgenoot wist echter veilig te ontkomen, zoodat de rechter zich genoodzaakt zag zijn wraak te beperken en zich tevreden te stellen met de goederen van den man, wiens bloed hij had gewild. Hij deed dit zoo goed, dat alles wat don Alvares bezat, verbeurd verklaard werd.
Ik bleef in een zeer treurigen toestand achter; en had nauwelijks genoeg om van te leven. Ik verminderde mijn leefwijze en hield slechts één dienstbode. Den geheelen dag weende ik om de afwezigheid van mijn dierbaren echtgenoot van wien ik geen enkele tijding ontving. Hij had mij toch beloofd bij ons droevig afscheid omtrent zijn lot te onderrichten, waar ter wereld zijn slecht gesternte hem ook leiden mocht. Zoo gingen zeven jaren voorbij zonder dat ik over hem hoorde spreken. De onzekerheid omtrent zijn lot maakte mij zeer droevig. Eindelijk hoorde ik, dat hij gevallen was bij een veldslag in het rijk van Fez. Een man die kort geleden uit Afrika teruggekeerd was, deelde mij dit mede, en verzekerde mij, dat hij don Alvares de Mello uitstekend gekend had. Hij had met hem in het Portugeesche leger gediend en hem zien vallen in den strijd. Dit verergerde slechts mijne droefheid en deed mij besluiten nimmer weder te huwen. In dien tijd kwam don Ambrosio Mesio Carillo, markies Guardia, in Valladolid. Hij was een van die oude heeren, die door hunne galante en beleefde manieren hun leeftijd doen vergeten en de vrouwen weten te behagen. Eens vertelde men hem bij toeval de geschiedenis van don Alvares en de beschrijving, die men hem van mij gaf maakte hem verlangend mij te zien. Om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, haalde hij een van mijne bloedverwanten over mij bij haar te noodigen. Hij was daar, zag mij en ik behaagde hem ondanks de droeve uitdrukking van mijn gelaat; doch wat zeg ik, ondanks? misschien was hij wel getroffen door mijn treurig en verlangend uitzien, die hem een bewijs van mijn trouw waren; mijne melancholie wekte misschien zijne liefde op. Ook zeide hij mij dikwijls dat hij mij als een wonder van standvastigheid beschouwde en zelfs dat hij het lot van mijn echtgenoot benijdde, hoe betreurenswaardig dit ook was. In een woord, hij was getroffen toen hij mij zag en behoefde mij geen twee maal te zien om te besluiten mij te trouwen.
Hij riep de bemiddeling in van mijn bloedverwante om mij zijn plan te doen aannemen. Zij trachtte mij te overreden, dat ik nu niet langer mijne bekoorlijkheden moest begraven, dat ik lang genoeg getreurd had over een man met wien ik slechts enkele oogenblikken vereenigd was geweest en dat ik partij moest trekken van de gelegenheid die zich aanbood, dan zou ik de gelukkigste vrouw ter wereld zijn. Hoe zij ook sprak over zijn edel karakter en zijn groote goederen, zij kon mij niet overtuigen, de weinige neiging of liever de tegenzin dien ik in een tweede huwelijk voelde, na al de ongelukken van het eerste, was het eenige dat mij terughield. Mijn bloedverwante betrok mijne geheele familie er in en mijne armoede, die dag aan dag nijpender werd, droeg er niet weinig toe bij om mijn tegenstand te doen overwinnen.
Eindelijk bezweek ik voor den aanhoudenden drang en huwde den markies van Guardia, die mij medenam naar een zeer mooi kasteel bij Burgos. Hij vatte voor mij een zeer hevige liefde op; in alles bespeurde ik den lust om mij te behagen, hij voorkwam mijne geringste wenschen. Nooit heeft een echtgenoot zooveel oplettendheid voor zijn vrouw gehad, nooit was een minnaar zooveel inschikkelijk voor zijn maitresse. Ware ik in staat geweest iemand lief te hebben na don Alvares dan zou ik hem hartstochtelijk hebben bemind. Ik kon zijn teederheid slechts vergelden met de reine gevoelens van erkentelijkheid.
Ik verkeerde in dien gemoedstoestand, toen ik eens vanuit het raam mijner kamer in den tuin een soort van boer bemerkte, die mij oplettend aankeek. Ik dacht dat het een tuinjongen was en lette weinig op hem. Maar toen ik den volgenden morgen weer aan het venster ging zitten, zag ik hem op dezelfde plaats en hij scheen mij weder scherp aan te kijken. Dit trof mij. Op mijn beurt keek ik hem nauwlettend aan en na eenigen tijd meende ik de trekken van den ongelukkigen don Alvares te herkennen. Deze gelijkenis bracht in mijn zinnen een onbegrijpelijke verwarring en ik slaakte een luiden kreet. Gelukkig was ik toen alleen met Inès, de vrouw die het meeste mijn vertrouwde was. Ik zeide haar welk vermoeden mijn verstand verbijsterde. Zij lachte er slechts om en meende dat een lichte gelijkenis mij bedrogen had. “Stel u gerust, mevrouw, wat kan doen vermoeden dat hij hier is als boer, is het zelfs wel waarschijnlijk dat hij nog leeft? Om u gerust te stellen, zal ik in den tuin gaan en met dien man spreken en u dadelijk komen vertellen wie hij is.” Kort daarna kwam zij zeer ontroerd binnen en zeide: “Mevrouw, uw vermoeden is maar al te gegrond. Gij hebt don Alvares in eigen persoon gezien; hij heeft zich bekend gemaakt en vraagt u om een geheim onderhoud.”
Daar ik don Alvares dadelijk kon ontvangen aangezien de markies naar Burgos was, gelastte ik de dienstbode hem in mijn kamer te brengen langs een geheime trap. Bedenk hoe groot mijn ontroering was. Ik kon het gezicht van een mensch, die recht had mij te overstelpen met verwijten niet verdragen en viel flauw zoodra hij binnenkwam. Hij en Inès hielpen mij dadelijk en toen zij mij weder bijgebracht hadden, zei Alvares mij: “Mevrouw, stel u toch gerust, laat mijne tegenwoordigheid geene marteling zijn, ik ben niet voornemens u het minste leed te doen. Ik kom niet als vertoornd echtgenoot u rekenschap vragen van de eens gezworen trouw en uw tweede huwelijk als een misdaad aan te schrijven. Ik weet dat dit het werk is van uwe familie. Ook heeft men in Valladolid het gerucht van mijn dood verspreid en dit hebt ge met te meer grond kunnen gelooven daar geen enkele brief van mij u van het tegendeel overtuigd heeft. Ten slotte weet ik hoe gij sedert onze wreede scheiding geleefd hebt en dat de noodzakelijkheid, eerder dan de liefde u in de armen van den markies heeft geworpen.” “Mijnheer”, viel ik hem weenend in de rede, “waarom wilt gij uwe echtgenoote verontschuldigen, daar gij leeft is zij schuldig. Waarom ben ik niet meer in den ellendigen toestand van vroeger, ik zou dan tenminste in mijne ellende de troost hebben u weder te zien zonder te blozen.”
“Mijn waarde Mencia”, hernam don Alvares, “ik beklaag mij niet over u; en verre van u den schitterenden staat te verwijten, waarin ik u wedervind, zweer ik, dat ik er den hemel voor dank. Sedert den dag van mijn vertrek uit Valladolid, heb ik steeds de fortuin tegen mij gehad, mijn leven is een aaneenschakeling geweest van ongelukken en tot overmaat van ramp heb ik u nooit tijding kunnen zenden. Al te zeker van uwe liefde, stelde ik mij onophoudelijk den toestand voor, waarin mijne noodlottige teederheid u gebracht had; ik stelde mij donna Mencia voor in tranen; gij waart mijne grootste bekommering. Nochtans heb ik u na zeven jaren van lijden, u meer dan ooit beminnend, willen terugzien. Ik heb dezen lust niet kunnen bedwingen en ben vermomd naar Valladolid gegaan, op gevaar af herkend te worden. Daar heb ik alles vernomen. Maar geloof niet dat ik van plan ben uw geluk door mijne tegenwoordigheid hier te verstoren; ik eerbiedig uwe rust en nu ga ik verre van u de treurige dagen van mijn leven doorbrengen.”
“Neen, don Alvares, neen,” riep ik bij deze woorden uit, “de hemel heeft u niet voor niets hierheen gevoerd en ik zou eene tweede scheiding niet te boven komen; ik vertrek met u, alleen de dood kan ons scheiden.” “Geloof mij,” hernam hij, “blijf met don Ambrosis leven; maak u geen deelgenoot van mijne ongelukken; laat mij ze alleen dragen.”
Hij zeide mij nog vele dergelijke dingen, maar hoe meer hij zich van mijn geluk scheen te willen scheiden, hoe minder ik genegen was er in toe te stemmen. Toen hij mij vastbesloten zag hem te volgen, veranderde hij eensklaps. “Mevrouw”, zeide hij, “is het mogelijk dat gij mij nog genoeg bemint om de ellende te verkiezen boven den welstand van thans? Laat ons dan in Bétancos gaan wonen, in het rijk van Galicië, daar ben ik veilig. Al zijn mij al mijne goederen ontnomen, toch heb ik mijne vrienden nog niet verloren; er zijn nog getrouwen overgebleven die mij in staat hebben gesteld u te ontvoeren. Ik heb een karos laten komen naar Zamara, heb ezels en paarden gekocht en ben vergezeld van drie vastberaden Galiciërs. Laat ons van de afwezigheid van don Ambrosis profiteeren; ik zal de karos laten voorrijden en wij vertrekken onmiddellijk.” Ik stemde toe. Don Alvares snelde naar Zamara, kwam binnenkort terug met zijne drie ruiters en ontvoerde mij te midden mijner vrouwen, die niet wetend wat te denken van deze ontvoering, verschrikt vluchtten. Alleen Inès wist er alles van, doch zij weigerde haar lot aan het mijne te verbinden, daar zij een kamerdienaar van Don Ambrosius liefhad, wat wel bewijst dat de gehechtheid van onze getrouwste bedienden niet bestand is tegen de liefde.
Ik steeg dus met don Alvarez in den karos, nam alleen mijne kleederen mee en eenige juweelen, die ik voor mijn tweede huwelijk reeds bezat. Wij reisden twee dagen en nachten door om niet door Ambrosius en zijne lieden te worden achterhaald en ontmoetten niemand. Reeds waren wij geruster en hoopten dat de derde dag eveneens zoo zou voorbijgaan. Don Alvarez vertelde mij het treurig ongeval dat aanleiding had gegeven tot het gerucht van zijn dood en hoe hij na vijf jaren slavernij de vrijheid had herkregen, toen wij gisteren de dieven ontmoetten, waar gij bij waart. Hem met zijne lieden hebben zij gedood en om hem zijn de tranen, die ge mij ziet weenen.