HOOFDSTUK XII

Op welke onaangename wijze Gil Blas en de dame werden gestoord.

Na dit verhaal barstte donna Mencia in tranen uit. Verre van haar te willen troosten door gesprekken in den geest van Seneca, liet ik haar den vrijen loop geven aan haar verdriet; ik schreide zelf ook, zoo natuurlijk is het dat men meegevoelt met de ongelukkigen en vooral met eene bedroefde schoone. Ik wilde haar juist vragen welke houding zij dacht aan te nemen in den toestand, waarin zij zich bevond en wellicht zou ze mij daarover hebben geraadpleegd, indien ons onderhoud niet ware onderbroken; we hoorden in het logement zooveel leven, dat dit onwillekeurig onze aandacht trok.

Dit gerucht werd veroorzaakt door de komst van den baljuw, gevolgd door twee gerechtsdienaars en verscheidene boogschutters. Ze traden de kamer binnen, waar wij ons bevonden. Een jongeman, die hen vergezelde, kwam het eerst op mij toe en begon van nabij mijn kleeding te monsteren. Hij had niet veel tijd noodig haar te bekijken. “Bij Sint Jacob!” riep hij uit, “ziedaar mijn wambuis; het is even gemakkelijk te herkennen als mijn paard. Gij kunt dien vent op mijn woord gevangen nemen; ik ben er niet bang voor mij aan een herstelling van zijn eer bloot te stellen; ik ben er van overtuigd, dat het een der roovers is, die hier een onbekende schuilplaats hebben.”

Bij dit gesprek, waardoor ik vernam dat die jonge man de bestolen edelman was, van wien ik ongelukkigerwijze de geheele plunje aan had, bleef ik verstomd, verlegen en uit het veld geslagen staan. De baljuw, die door zijn ambt uit mijn verlegenheid eerder eene slechte gevolgtrekking moest afleiden dan een goede, vond dat de beschuldiging niet zonder grond was; en veronderstellende, dat de dame eene medeplichtige kon zijn, liet hij ons beiden afzonderlijk gevangen zetten. Die rechter was niet een dergenen, die schrik aanjagen door hun uiterlijk: hij zag er zacht en lachend uit. God weet, of hij daarom beter was! Zoodra ik in de gevangenis zat, kwam hij er ook met zijn twee fretten, d. w. z. zijn gerechtdienaars; zij kwamen met een vroolijk gezicht binnen als hadden zij er een voorgevoel van, dat zij goede zaken gingen doen. Zij vergaten hun goede gewoonte niet en begonnen met me te fouilleeren. Wat een buitenkansje voor die heeren; zij hadden misschien nog nooit zoo ’n goeden slag geslagen. Bij elke handvol geldstukken, die ze te voorschijn haalden, zag ik hun oogen van vreugde schitteren. Vooral de baljuw scheen buiten zichzelf. “Mijn jongen,” zij hij tot me op een toon vol zachtzinnigheid, “wij doen onzen plicht; maar vrees niet, indien ge niet schuldig zijt, zal men u geen kwaad doen,” Ondertusschen ledigden ze zachtjesaan al mijn zakken en namen me zelfs af, wat de roovers me gelaten hadden, nl. de veertig dukaten van mijn oom. Maar daar bleef het niet bij: hun gretige, onvermoeide handen betastten me van het hoofd tot de voeten; ze draaiden mij naar alle kanten en ontkleedden me geheel om te zien of ik geen geld onder mijn hemd had zitten. Ik geloof, dat ze me graag mijn buik hadden geopend om te zien of daar niets meer in was. Nadat ze zich zoo goed van hun taak gekweten hadden, ondervroeg de baljuw mij. Ik vertelde onomwonden alles wat mij was overkomen. Hij liet mijn verklaring opschrijven; daarna vertrok hij met zijn lieden en mijn geld en liet me spiernaakt op het stroo achter.

“O menschenleven!” riep ik uit, toen ik me alleen en in dien toestand zag, “wat zijt ge vervuld van vreemde avonturen en teleurstellingen! Van dat ik uit Oviédo ben gegaan, ondervind ik slechts tegenspoeden: nauwelijks ben ik aan het eene gevaar ontsnapt of ik val in een ander. Toen ik in deze stad kwam, dacht ik niet, dat ik zoo spoedig kennis met den baljuw zou maken.” Terwijl ik deze nuttelooze beschouwingen hield, deed ik dat vervloekt wambuis en de rest der kleeding, die me zooveel ongeluk had gebracht, weer aan; daarna zei ik tot mezelf om me moed in te spreken: “Kom, Gil Blas, wees ferm, denk er aan, dat na dezen tijd er wellicht een gelukkiger aanbreekt. Past het je wel in een gewone gevangenis te gaan wanhopen, na zoo ’n pijnlijke proef van geduld te hebben doorstaan in dat hol? Maar, helaas!” hernam ik droevig, “ik vergis me. Hoe zou ik hier kunnen uitkomen? Men heeft er me juist alle middelen toe ontnomen, daar een gevangene zonder geld, gelijk is aan een vogel, wiens vleugels men heeft afgeknipt.”

Inplaats van den patrijs en het konijntje, die ik aan het spit had laten braden, bracht men mij een klein bruin brood met een kruik water, en men liet mij in mijn cel mijn leed verkroppen. Ik bleef er volle veertien dagen zonder iemand te zien, dan mijn cipier, die mij elken morgen mijn provisie kwam vernieuwen. Zoodra ik hem zag, begon ik tegen hem te spreken, ik trachtte een gesprek met hem te beginnen om me een beetje uit mijne verveling op te wekken; maar dat personnage gaf geen antwoord op al wat ik tot hem zei; ’t was me niet mogelijk een enkel woord uit hem te krijgen; zelfs kwam en ging hij meestal weer zonder mij aan te zien. Den 16den dag kwam de baljuw en zei tot me: “Eindelijk, mijn vriend, zijn je rampen ten einde, ge kunt u verheugen; ik kom je een aangename tijding mededeelen! Ik heb de dame, die bij je was, naar Bargos laten brengen; voor haar vertrek heb ik haar ondervraagd en haar antwoorden zijn in je voordeel. Gij zult vandaag vrijgelaten worden, tenminste als de muilezeldrijver met wien ge van Pennaflor naar Cacabelos zijt gekomen, zooals ge me hebt gezegd, uwe verklaring bevestigt. Hij is in Astorga, ik hem om hem gestuurd en verwacht hem elk oogenblik; indien hij uw verhaal als waar verklaart, herkrijgt gij dadelijk uw vrijheid.”

Deze woorden verheugden mij, want ik dacht van nu af buiten gevaar te zijn. Ik bedankte den rechter voor de korte en goede rechtvaardiging die hij mij wilde laten wedervaren; ternauwernood had ik uitgesproken of de muilezeldrijver trad binnen vergezeld van twee boogschutters. Ik herkende hem dadelijk; maar die beul van een muilezeldrijver, die ongetwijfeld mijn valies met den geheelen inhoud had verkocht, en die vreesde genoodzaakt te zijn het geld, dat hij ervoor ontvangen had, terug te moeten geven indien hij toegaf mij te herkennen, zei brutaalweg dat hij niet wist wie ik was en dat hij me nooit gezien had.

“O! schelm,” riep ik uit, “beken liever dat je mijn armzalige kleeding hebt verkocht en vertel de waarheid. Kijk me goed aan, ik een der jongelieden, die ge bedreigdet met een gerechtelijk onderzoek in de buurt van Cacabelos en die ge zoo angstig maakte.” De drijver antwoordde op kouden toon, dat ik van een voorval sprak, dat hij in ’t geheel niet kende en daar hij tot het einde toe volhield dat ik hem onbekend was, werd mijn bevrijding tot een volgenden keer uitgesteld. “Mijn beste jongen,” zei de baljuw, “ge ziet wel dat de ezeldrijver uwe verklaring niet bevestigt; ik kan je dus, hoe graag ook, nog niet in vrijheid stellen.”

Er bleef dus niets anders over dan mij met nieuwen moed te wapenen, nogmaals te vasten met water en brood en den stilzwijgenden cipier weer te zien. Wanneer ik eraan dacht, dat ik me niet uit de klauwen der justitie kon redden, hoewel ik niet de minste misdaad had begaan, dan bracht die gedachte me tot wanhoop en betreurde ik het roovershol. Ik zei tot mezelf: “Goed beschouwd, had ik het daar minder onaangenaam dan hier; ik at en dronk er goed van met de roovers, onderhield me prettig met hen en leefde in de zoete hoop op ontvluchting; terwijl ik hier niettegenstaande mijn onschuld, misschien al gelukkig zal zijn als ik hieruit kom om naar de galeien te gaan.”

HOOFDSTUK XIII

Door welk toeval Gil Blas eindelijk de gevangenis verlaat en waar hij heengaat.

Terwijl ik mijn dagen met dergelijke vroolijke gedachten doorbracht, werden mijn avonturen zooals ik die in het verslag had verteld, door de geheele stad bekend. Verscheidene personen wilde me uit louter nieuwsgierigheid zien; de een na den ander kwam voor een klein venstertje staan, dat het licht in mijn cel doorliet, en als ze me zoo eenigen tijd hadden begluurd, gingen zij weer weg. Ik was over die nieuwsgierigheid verstomd; van dat ik gevangen was gezet, had ik nooit iemand aan dat venster zien verschijnen, dat op een plaats uitzag, waar stilte en verschrikking heerschten. Daarom begreep ik, dat ik opzien baarde in de stad; maar ik wist niet of ik er een goed of een kwaad teeken in moest zien.

Een van hen, dien ik het eerst te zien kreeg, was de kleine zanger van Monteviédo, die net als ik de ondervraging gevreesd had en de vlucht had genomen. Ik herkende hem en hij ontveinsde niet mij te kennen. Wij groetten elkaar en begonnen een lang gesprek. Ik was genoodzaakt een nieuw verslag van mijne avonturen te geven, wat twee uitwerkingen op den geest van mijn toehoorders had: ik deed hen lachen en ik wekte hun medelijden op. Van zijn kant vertelde de zanger mij alles wat er in het logement van Cacabelos was voorgevallen tusschen den ezeldrijver en de jonge vrouw, nadat een panische schrik er ons van had verwijderd; in één woord, hij vertelde me alles, wat ik hierboven beschreven heb. Nadat hij afscheid van mij had genomen, beloofde hij mij zonder verwijl voor mijne bevrijding te zullen werken. Al de menschen, die daar op dat oogenblik aanwezig waren, betuigden mij toen hun medelijden en verzekerden me zelfs, dat ze zich met den kleinen zanger zouden vereenigen en al hun best zouden doen om mij mijn vrijheid terug te bezorgen.

Inderdaad hielden zij woord. Zij spraken te mijnen gunste bij den baljuw, die niet meer twijfelend aan mijn onschuld, vooral nadat de zanger alles verteld had wat hij wist, drie weken later mijn cel binnentrad. “Gil Blas,” zeide hij, “ik zou je nog hier kunnen houden als ik een slecht rechter was; maar ik wil de zaak niet rekken: ga, ge zijt vrij; ge kunt weggaan wanneer ge wilt. Maar,” ging hij voort, “indien men je naar het bosch bracht waar het roovershol ligt, zou je het dan niet kunnen vinden?” “Neen, mijnheer,” antwoordde ik, “want ik ben er slechts ’s avonds ingekomen en ik heb het vóór het aanbreken van den dag verlaten.” Daarop vertrok de rechter, zeggende dat hij den portier zou gelasten mij de deuren te ontsluiten. Werkelijk trad een oogenblik later de cipier binnen met een van de cipiersknechten, die een pak linnen droeg.

Met ernstig gelaat en zonder me een woord te zeggen ontdeden ze mij van mijn wambuis en broek, die bijna nog nieuw en van fijn laken waren en nadat ze mij een oude plunje in de plaats ervan hadden aangetrokken, zetten ze mij bij de schouders buiten de deur.

De verlegenheid, die ik gevoelde mij zoo slecht gekleed te zien, verminderde de vreugde, die gevangenen gewoonlijk ondervinden als ze zich pas weer vrij gevoelen. Ik had lust dadelijk de stad te verlaten om me te onttrekken aan het kijken der menschen, wier blikken ik met moeite doorstond. Maar mijn dankbaarheid had de overhand op mijn verlegenheid, ik ging den kleinen zanger, wien ik zooveel verschuldigd was, mijn dank betuigen. Toen hij mij zag, kon hij zich niet weerhouden te lachen. “Wat ziet ge er uit!” riep hij, “ik herkende je in deze kleeding niet dadelijk; zooals ik zie, heeft de justitie je op alle manieren er van langs gegeven.” “Ik beklaag me niet over de justitie, die is heel billijk, ik wilde alleen maar dat haar dienaren eerlijke lieden waren; ze hadden me minstens mijn kleeding moeten laten, die ik, dunkt me, niet slecht betaald heb,” “Dat stem ik toe,” hernam hij, “maar men zal u tegenwerpen, dat dit formaliteiten zijn, die men moet in acht nemen. Of denkt ge soms, dat het paard aan zijn eersten meester is teruggegeven? Geen denken aan, hoor, op het oogenblik staat het in de stallen van den griffier, daar geplaatst als bewijsstuk van den diefstal; ik denk niet dat die arme edelman er zelfs den staartriem van krijgt. Maar laten we over wat anders praten. Wat is uw plan, wat denk je nu te doen?” “Ik heb zin,” antwoordde ik, “den weg naar Burgos in te slaan en de dame op te zoeken die ik bevrijd heb; zij zal me wat geld geven, waarvoor ik een nieuwen rok kan koopen, vervolgens naar Salamanka gaan, om te zien voordeel uit mijn Latijn te trekken. Wat me hindert is, dat ik nog niet in Burgos ben, ik moet onderweg ook eten en ge zult wel begrijpen dat men het schraal heeft als men zonder geld reist.” “Dat geloof ik best,” antwoordde hij “en ik bied u mijn beurs aan, ze is wel wat plat, maar ge weet dat een zanger geen bisschop is.” Tegelijkertijd bracht hij haar te voorschijn, en gaf ze mij zoo gul, dat ik niet schroomde haar aan te nemen zooals ze was. Ik bedankte hem alsof hij me al het goud ter wereld had gegeven, en bood hem duizendmaal mijn diensten aan, waar het nooit toe is gekomen.

Daarna verliet ik hem en de stad zonder de andere menschen, die mijne invrijheidstelling hadden bewerkt, te gaan opzoeken; ik vergenoegde mij er mee hen en mezelf duizend zegeningen toe te wenschen,

De kleine zanger had gelijk gehad zijn beurs niet erg gevuld te noemen; ik vond er weinig geldstukken in, en dan nog wat voor geldstukken, slechts kleingeld! Gelukkig was ik reeds twee maanden gewend aan een sober leven, zoodat me nog twee realen restten toen ik aan de burcht Ponte-de-Abula kwam, niet ver van Burgos verwijderd. Ik hield hier even stil om naar tijding van dona Mencia te vragen. Ik ging een logementje binnen, waarvan de eigenares een klein, droog, vlug vrouwtje was. Ik zag dadelijk aan het grimmige gezicht dat ze trok, dat mijn plunje in ’t geheel niet in haar smaak viel, iets, wat ik haar graag vergaf. Ik ging aan een tafel zitten, at brood en kaas en dronk enkele teugen van een afschuwelijken wijn, dien men mij had voorgezet. Gedurende dezen maaltijd, die nogal overeenstemde met mijne kleeding, wilde ik een gesprek beginnen met de waardin, die me door een minachtend gezicht deed verstaan, dat ze niets op mijn onderhoud gesteld was. Ik verzocht haar mij te zeggen of zij den markies de la Guardia (die de man was van dona Mencia, zooals deze mij verteld had) kende; of het kasteel van den markies ver van de burcht af was, en vooral of ze wist, wat er van de markiezin, zijne vrouw, terecht kon zijn gekomen. “U vraagt heel wat!” antwoordde zij mij trotsch. Maar hoewel met tegenzin, vertelde ze me toch, dat het kasteel, waarvan ik sprak, slechts een kleine mijl van Ponte-de-Abula verwijderd was.

Nadat ik gegeten en gedronken had en de nacht inviel, beduidde ik haar, dat ik moe begon te worden en vroeg haar een kamer, “Voor jou een kamer!” antwoordde de eigenares met een blik vol minachting; “ik heb geen kamers voor lieden, die hun avondmaal met brood en kaas doen. Al mijn bedden zijn besproken, want ik verwacht aanzienlijke heeren, die hier vanavond moeten komen logeeren. Het eenige, wat ik voor je kan doen, is je een plaats in mijn schuur geven; dat zal, denk ik, wel niet de eerste keer zijn, dat ge op stroo slaapt....” Zij wist niet, hoe juist ze de waarheid daar zei. Ik antwoordde niet op haar toespraak en bepaalde er mij bij, stilletjes den stroozolder op te zoeken, waar ik spoedig in slaap viel als een oververmoeid man.

HOOFDSTUK XIV

Hoe dona Mencia hem in Burgos ontving.

Den volgenden morgen was ik vroeg uit de veeren. Ik ging met de eigenares afrekenen, die reeds op was en die me wat minder trotsch en beter gehumeurd scheen dan den vorigen avond, wat ik toeschreef aan de aanwezigheid van drie dappere dienaren van den heiligen Hermandad, die zich met haar op zeer vrije wijze onderhielden. Zij hadden in het logement geslapen; en dit waren ongetwijfeld de aanzienlijke heeren, voor wie al de bedden vrij waren gehouden.

Ik vroeg in het gehucht den weg naar het kasteel, dat ik wilde gaan opzoeken. Bij toeval richtte ik mij tot een man van het karakter van mijn gastheer te Pegnaflor. Hij stelde er zich niet mee tevreden op de vraag die ik hem deed, te antwoorden, maar hij vertelde me nog, dat don Ambrosio, echtgenoot van dona Mencia, drie maanden geleden gestorven was en dat de markiezin zich in een klooster te Burgos, dat hij mij noemde, had teruggetrokken. Dadelijk begaf ik mij naar die stad, in plaats van den weg naar het kasteel te vervolgen, zooals ik eerst van plan was en ik snelde allereerst naar het klooster, waarin dona Mencia woonde. Ik verzocht de sleutelbewaarster aan die dame te zeggen, dat een jonge man, die pas uit de gevangenis van Astorga ontslagen was, haar wenschte te spreken. Oogenblikkelijk ging de oppaster mijn verzoek overbrengen. Een oogenblik later kwam ze weer terug en liet me een spreekkamer binnengaan, waar ik nog niet lang was of ik zag achter de traliën de weduwe van don Ambrosio in zwaren rouw verschijnen.

“Wees welkom,” zeide zij vriendelijk tot mij. “Vier dagen geleden heb ik aan iemand in Astorga geschreven, waarin ik hem verzocht u in mijn naam te gaan opzoeken en u te zeggen, dat ik u dringend verzocht mij bij het verlaten van de gevangenis te komen opzoeken. Ik twijfelde er niet aan, dat ge spoedig in vrijheid zoudt worden gesteld; alles wat ik den baljuw te uwen gunste had verteld, was genoeg daarvoor. Men had mij dan ook verteld, dat ge reeds in vrijheid gesteld waart, maar dat men niet wist wat er verder van u was geworden. Ik vreesde u niet meer terug te zullen zien en van het genoegen beroofd te worden u mijn dank te kunnen betuigen, wat me zeer zou hebben gespeten. Troost u,” voegde zij er aan toe, ziende hoe beschaamd ik was zoo slecht gekleed onder haar oogen te komen, “bedroef u niet over den toestand, waarin ik u zie. Na den gewichtigen dienst, dien ge me hebt bewezen, zou ik wel de ondankbaarste van alle vrouwen moeten zijn, als ik niets voor u deed. Ik wil u uit den slechten toestand helpen, waarin ge u bevindt; ik moet het en kan het. Ik bezit meer dan genoeg om mijn schuld aan u af te doen zonder mij te behoeven bekrimpen.”

“Gij kent,” vervolgde zij, “mijne lotgevallen tot op den dag dat wij samen gevangen genomen zijn; ik zal u vertellen wat mij sedert overkomen is. Toen de baljuw van Astorga mij naar Burgos had doen geleiden, na een getrouw verslag van mijne geschiedenis te hebben vernomen, begaf ik mij naar het kasteel van don Ambrosio. Mijn terugkeer veroorzaakte buitengewone verrassing, doch men zeide mij dat ik te laat kwam. De markies, als door den bliksem getroffen door mijn vlucht, was ziek geworden en de doktoren wanhoopten aan zijn behoud. Ik trad zijn kamer binnen en wierp mij bij zijn bed neder, badende in tranen en het hart vol smart. “Wat brengt u hier,” zeide hij, “komt gij uw werk aanschouwen? Is het u niet voldoende mij het leven ontnomen te hebben? Zijt gij niet tevreden voor gij mij hebt zien sterven?” “Heer,” antwoordde ik, “Inès heeft u zeker gezegd dat ik met mijn eersten man ben gevlucht en zonder het treurige ongeval, dat mij hem heeft doen verliezen, zoudt gij mij nimmer hebben weergezien.” Ik vertelde hem toen, dat don Alvares door de dieven gedood was en dat men mij had opgesloten. Ik vertelde hem al het overige en toen ik had uitgesproken, nam don Ambrosio mijn hand en zeide teeder: “Nu is het genoeg, ik beklaag mij niet langer over u. Mag ik u eigenlijk wel iets verwijten? Gij vindt een geliefden echtgenoot terug, gij verlaat mij om hem te volgen, mag ik dat gedrag laken? Neen mevrouw, ik had ongelijk daarover te tobben. Ook heb ik niet gewild dat men u vervolgde, hoewel mijn dood het gevolg zal zijn van uw verlies voor mij. Ik eerbiedigde in uw ontvoerder zijn heilige rechten en zelfs de neiging die gij voor hem hadt, en door uw terugkeer herwint gij al mijn genegenheid. Ja, mijn waarde Mencia, uwe tegenwoordigheid overstelpt mij van vreugd, maar helaas zal ik er niet lang van genieten. Ik voel mijn einde naderen. Nauwelijks heb ik u weer, of ik moet u vaarwel zeggen.” Bij deze woorden voelde ik eene matelooze droefenis in mij opwellen. Don Alvares, dien ik aanbad, heeft mij nimmer tranen doen storten. Don Ambrosio stierf den volgenden morgen en ik bleef eigenares van de aanzienlijke goederen, die hij mij geschonken had bij ons huwelijk. Ik zal daar geen onwaardig gebruik van maken, hoe jong ik ook ben, zal men mij niet zien in de armen van een derden echtgenoot. Ik wil mijn dagen in een klooster eindigen en een weldoenster worden.”

Na dit gesprek haalde dona Mencia van onder haar japon een beurs te voorschijn, die ze mij ter hand stelde, zeggend: “Ziehier honderd dukaten, die ik u alvast geef om u te kunnen kleeden. Als die op zijn, kom me dan weer opzoeken, want ik ben niet van plan mijn dankbaarheid bij zoo weinig te laten.” Ik bedankte de dame duizendmaal en zwoer haar dat ik niet uit Burgos zou vertrekken zonder afscheid van haar te hebben genomen. Na dien eed, dien ik niet van plan was te breken, ging ik een logement zoeken. Het eerste het beste dat ik tegenkwam, ging ik binnen. Ik vroeg een kamer en om de slechte opinie, die mijn havelooze plunje kon opwekken, te voorkomen, vertelde ik den waard, dat ik, zooals hij me zag, toch best in staat was mijn onderkomen te betalen. Op die woorden antwoordde de waard, Majuelo geheeten en van nature een groot spotter, op kouden toon en terwijl hij me met een sluwe uitdrukking op zijn gezicht van boven tot beneden opnam, dat hij die verzekering mijnerzijds niet noodig had om overtuigd te zijn, dat ik een goede klant voor hem zou wezen; dat men door mijn kleeding heen iets edels in mij ontdekte en ten slotte dat hij er niet aan twijfelde of ik was een zeer welgesteld edelman. Ik zag heel goed, dat de plaaggeest me in het ootje nam; en om opeens een eind aan zijn aardigheden te maken, toonde ik hem mijn beurs. Ik telde mijn dukaten zelfs voor zijn oogen op een tafel en ik merkte, dat mijn specie hem er toe bracht wat gunstiger over mij te denken. Ik verzocht hem een kleermaker te laten komen.

“Beter is het een uitdrager te halen; hij kan u ineens een keuze van kleeren meebrengen, zoodat ge oogenblikkelijk gekleed zijt,” antwoordde hij. Ik vond dien raad zeer juist en besloot hem op te volgen, maar, daar de dag bijna ten einde was, stelde ik mijn inkoop uit tot den volgenden morgen en mijn gedachten waren slechts gericht op een goed avondmaal, om me schadeloos te stellen voor al de slechte maaltijden, die ik sinds het verlaten van het hol gekregen had.

HOOFDSTUK XV

Op welke wijze Gil Blas zich kleedde van het nieuwe geschenk, dat hij van de dame ontving en in welke equipage hij Burgos verliet.

Men zette mij een flinke fricassée van schapenpootjes voor, die ik bijna geheel verorberde. Ik dronk naar evenredigheid en ging daarna slapen. Ik had een vrij goed bed en hoopte, dat spoedig een diepe slaap zich van mijn zinnen zou meester maken. Ik kon echter geen oog dicht doen; ik deed niets dan aan de kleeding denken, die ik nemen moest. “Wat moet ik doen,” zei ik tot mezelf, “zal ik mijn eerste plan volgen? Zal ik een priesterkleed koopen om in Salamanka een betrekking als onderwijzer te zoeken? Waarom me in een ambtsgewaad gestoken? Voel ik soms roeping me in den geestelijken staat te begeven? Word ik daar door mijn neiging toe gedreven? Neen, ik gevoel zelfs neigingen, die geheel het tegenovergestelde zijn van dat lot. Ik wil een zwaard dragen en zien mijn fortuin in de wereld te maken.”

Ik besloot tot de kleeding van een ridder, overtuigd dat ik onder dien vorm er wel in zou slagen een nette en winstgevende betrekking te krijgen. Met deze vleiende gedachte wachtte ik het aanbreken van den dag met groot ongeduld af, en nauwelijks zagen mijn oogen de eerste lichtstralen, of ik stond op. Ik maakte zooveel leven, dat ik allen die nog sliepen, wakker maakte. Ik riep de knechts, die nog te bed waren en die op mijn geroep met verwenschingen antwoordden. Toch waren ze genoodzaakt op te staan en ik gunde hun geen rust voor ze een uitdrager hadden laten komen. Ik zag er weldra een verschijnen. Hij werd door twee jongens gevolgd, die ieder een groot pak van groen linnen droegen. Hij groette me zeer beleefd en zei: “Heer ridder, ge kunt u gelukkig noemen dat men zich tot mij gewend heeft inplaats van tot een ander. Ik wil hier niet mijn collega’s in miscrediet brengen, God behoede dat ik in het minst hun reputatie schade wil doen! maar onder ons gezegd, er is onder hen niet een, die er een geweten op na houdt; ze zijn allen nog erger dan joden. Ik ben de eenige kleerkooper, die er een moraal op nahoudt. Ik bepaal me tot een bescheiden winst, ik ben tevreden met een pond inplaats van een stuiver.... ik wil zeggen een stuiver inplaats van een pond. Goddank oefen ik mijn beroep op eerlijke wijze uit.”

Na deze inleiding, die ik dom genoeg, woordelijk geloofde, zei de uitdrager tot zijn jongens de pakken open te maken. Men toonde me kleedingstukken van allerlei kleur. Hij liet er mij verschillende van effen kleur zien, die ik echter met minachting afwees, omdat ik ze te eenvoudig vond, maar ze lieten me er een passen, dat als voor mijn figuur gemaakt scheen, en dat me verblindde, hoewel het al een weinig versleten was. ’t Was een wambuis met opengesneden mouwen, een broek en een mantel, alles van blauw fluweel met goud bestikt. Ik bepaalde mijn keuze daarop en begon te onderhandelen. De uitdrager, ziende dat het mij beviel, zei dat ik een zeer gedistingeerden smaak had. “Bij God,” riep hij uit, “men ziet wel, dat u er verstand van hebt. Weet, dat dit kleed vervaardigd is voor een der grootste heeren van het koninkrijk en dat het nog geen drie keer is gedragen. Bekijk het eens, er bestaat geen mooier, en wat het borduursel betreft, zult ge moeten toestemmen, dat niets beter bewerkt kon zijn.” “Voor hoeveel wilt gij het verkoopen?” vroeg ik hem. “Voor zestig dukaten, waarvoor ik het reeds geweigerd heb te verkoopen, op mijn woord van eerlijk man.” Die zinsnede was overtuigend. Ik bood er hem vijf-en-veertig voor, hoewel het misschien nog niet de helft waard was. “Heer edelman, ik overvraag niet; ik vraag slechts ervoor, wat het waard is,” hernam hij op koelen toon. Daarna mij de kleedingstukken voorhoudende, die ik terzijde had gelegd, ging hij voort: “Ziehier, neem deze, die zal ik u goedkooper geven.” Dat wakkerde slechts de voorliefde aan voor dat, waarop ik afdong, en daar ik mij verbeeldde, dat hij niets zou willen afslaan, telde ik hem de zestig dukaten voor. Toen hij zag, dat ik ze zoo gemakkelijk afstond, had hij, geloof ik, niettegenstaande zijn moraliteitsgevoel, groote spijt niet meer te hebben gevraagd. Zeer tevreden echter, dat hij het pond voor den stuiver genomen had, ging hij weg met zijn twee jongens, die ik niet had vergeten.

Ik had dus een zeer netten mantel, wambuis en broek. Nu was het zaak aan de rest der kleeding te gaan denken, wat mij den geheelen morgen bezig hield; ik kocht linnengoed, een hoed, zijden kousen, schoenen en een zwaard, daarna kleedde ik me aan. Wat een genoegen voor mij, me zoo uitgedoscht te zien! Mijn oogen konden zich, om zoo te zeggen, niet genoeg verlustigen aan mijn opschik. Nooit heeft een pauw met meer welgevallen naar zijn vedertooi gekeken. Na dien dag maakte ik nog een tweede visite bij dona Mencia, die me zeer lief ontving. Zij bedankte mij nogmaals voor den dienst, dien ik haar had bewezen. Daarop volgden veel complimenten van weerszijden en me toen veel voorspoed wenschende, zei ze mij vaarwel en trok zich terug, zonder me iets anders te geven dan een ring van dertig pistolen, die ze mij verzocht als aandenken aan haar te bewaren.

Ik bleef vrij beteuterd met mijn ring staan, want ik had op een veel aanzienlijker geschenk gerekend, zoodat ik, weinig tevreden over de edelmoedigheid der dame, mijn logement bereikte, steeds in gedachten verdiept, maar terwijl ik naar binnen ging, werd ik op den voet gevolgd door een man, die, zich plotseling van zijn mantel ontdoende, die hij tot over zijn neus getrokken had, me een grooten zak liet zien, dien hij onder zijn arm droeg. Bij de verschijning van dien zak, die er alleszins naar uitzag goed gevuld met specie te zijn, zette ik groote oogen op, evenals nog enkele menschen, die daar tegenwoordig waren; en ik dacht de stem van een engel te hooren, toen die man, den zak op tafel leggende, tot mij zei: “Heer Gil Blas, ziedaar wat mevrouw de markiezin u zendt.” Ik maakte diepe buigingen voor den brenger en overlaadde hem met beleefdheden; en zoodra hij het logement verlaten had, wierp ik mij op den zak, als een valk op zijn prooi en bracht hem naar mijn kamer. Ik opende hem zonder verwijl en vond er duizend dukaten in. Ik was bijna klaar met tellen, toen de waard, die de woorden van den brenger gehoord had, binnentrad om te weten wat er in dien zak was. Het gezicht van al dat geld op de tafel, trof hem hevig,

“Wat duivel! als daar maar geld ligt!” riep hij uit. Daarop vervolgde hij met een sluwen glimlach: “Gij moet toch maar goed partij van de vrouwen weten te trekken. Nauwelijks vierentwintig uur in Burgos, hebt gij reeds markiezinnen, die u schatplichtig zijn.”

Die redeneering viel wel in mijn smaak; ik voelde de verleiding Majuelo bij zijn vergissing te laten; ik voelde, dat het mij genoegen deed. ’t Verwondert me niet als jongelieden willen doorgaan voor mannen van een gelukkig gesternte. De onschuld mijner zeden behaalde echter de overwinning op mijn ijdelheid, zoodat ik mijn waard uit zijn waan bracht. Ik vertelde hem de geschiedenis van dona Mencia, waarnaar hij aandachtig luisterde. Daarna vertelde ik hem den stand van zaken en daar hij belang in mij scheen te stellen, verzocht ik hem mij met zijn raad ter zijde te willen staan. Hij dacht eenige oogenblikken na en zei toen op ernstigen toon: “Heer Gil Blas, ik gevoel me tot u aangetrokken en daar ge voldoende vertrouwen in mij stelt om openhartig met mij te spreken, zal ik u zonder vleierij vertellen, waar ik u geschikt voor acht. Gij schijnt mij geboren om aan het hof te verkeeren, ik raad u aan daarheen te gaan en u bij den een of anderen voornamen heer aan te sluiten; maar tracht u in zijn zaken te mengen of in zijn genoegens te deelen; anders zoudt ge uw tijd bij hem verbeuzelen. Ik ken de grooten: zij tellen niet den ijver en aanhankelijkheid van een eerlijk man; zij bemoeien zich slechts met de menschen, die ze noodig hebben. Gij hebt nu een hulpbron, gij zijt jong, welgemaakt en zelfs al hadt gij geen geestesgaven, dan zou dat meer dan voldoende zijn om het hoofd op hol te brengen van eene rijke weduwe of van eene mooie vrouw, die ongelukkig getrouwd is. Indien het waar is, dat de liefde mannen, die geld bezitten, ruïneert, dan helpt zij aan den anderen kant er boven op, die niets meer hebben. Ik zou u dus den raad geven naar Madrid te gaan; maar ge moet u daar niet zonder gevolg vertoonen. Daar, evenals overal, oordeelt men slechts naar den uitwendigen schijn en zult ge meer in tel zijn naarmate den zwier, dien men u ziet slaan. Ik zal u een bediende geven, een trouwen knecht, een braven jongen, in één woord een man van mijn hand. Koop twee muilezels, den een voor u, den andere voor hem, en vertrek dan zoo gauw mogelijk.”

Die raad was te zeer naar mijn zin, om hem niet op te volgen. Reeds den volgenden morgen kocht ik twee jonge muilezels en nam den bediende in dienst, dien men mij had aanbevolen. Hij was een jongen van dertig jaar, die er eenvoudig en vroom uitzag. Hij vertelde me, dat hij uit het koninkrijk Galicië was en dat hij Ambrosius de Lamela heette. Wat me vreemd leek, was, dat, inplaats van op andere bedienden te gelijken, die gewoonlijk zooveel loon willen hebben, deze zich er niet om bekommerde een hoog loon te verdienen; hij betuigde mij zelfs dat hij iemand was, die zich tevreden stelde met wat ik de goedheid wilde hebben hem te geven. Ik kocht ook laarzen en een valies om mijn linnengoed en mijn dukaten in weg te bergen. Daarna voldeed ik den logementhouder en vertrok den volgenden morgen eer de dag aanbrak uit Burgos om naar Madrid te gaan.

HOOFDSTUK XVI

Waarin wordt aangetoond, dat men niet te veel op de fortuin moet vertrouwen.

Den eersten dag overnachtten we in Duenas en wij kwamen den volgenden dag tegen vier uur ’s namiddags te Valladolid aan. Wij stapten aan een logement af, dat een der besten der stad scheen. Ik liet de zorg voor de muilezels aan mijn bediende over en ging naar boven naar een kamer, waar ik mijn valies door een jongen van het logement liet brengen. Daar ik me een weinig vermoeid gevoelde, wierp ik me op mijn bed zonder mij van mijn laarzen te ontdoen en ik viel ongemerkt in slaap. ’t Was bijna nacht toen ik ontwaakte: ik riep Ambrosius, die echter niet in het logement was, maar er toch weldra verscheen. Ik vroeg hem waar hij vandaan kwam, waarop hij me met een vroom gezicht antwoordde, dat hij uit de kerk kwam, waar hij den hemel was gaan dank zeggen, ons bewaard te hebben voor eenig ongeval van Burgos af tot Valladolid. Ik keurde die handelwijze goed; daarna gebood ik hem een kippetje voor mijn souper aan het spit te laten steken.

Terwijl ik hem dit bevel gaf, trad de waard mijn kamer binnen met een toorts in de hand. Hij verlichtte eene dame, die me eer schoon dan jong toescheen en die zeer rijk gekleed was.

Zij leunde op den arm van een ouden stalmeester, terwijl een kleine Moor haar sleep droeg. Ik was niet weinig verwonderd, toen die dame na eene diepe buiging mij vroeg of ik ook soms de heer Gil Blas de Santillano was. Nauwelijks had ik ja gezegd, of zij liet den arm van den stalmeester los om me te komen omhelzen met een vreugdebetoon, dat mijne verbazing verdubbelde. “De hemel zij dank voor dit avontuur,” riep zij uit. “U bent het, heer ridder, u bent het, dien ik zoek.”

Bij deze inleiding kwam mij de parasiet van Pegnaflor in de gedachte en ik wilde juist de dame verdenken van eene ondernemende avonturierster te zijn, toen hetgeen zij mij verder vertelde, me gunstiger voor haar stemde. “Ik ben een nicht van dona Mencia de Mosquera,” vervolgde zij, “van haar die u zooveel verschuldigd is. Vanmorgen heb ik een brief van haar ontvangen, waarin ze mij vroeg, vernomen hebbende dat gij naar Madrid waart vertrokken, of ik u goed wilde onthalen, indien gij hier stilhield. Reeds twee uur zoek ik de geheele stad door, van logement tot logement, om naar de vreemdelingen te informeeren, die daar afgestapt zijn en naar de beschrijving, die uw hotelhouder gaf, heb ik gedacht, dat gij wel de bevrijder van mijn nicht zoudt kunnen wezen. En nu ik u gevonden heb, zal ik u toonen hoe gevoelig ik ben voor de diensten, die gij aan mijn familie en in het bijzonder mijn lieve nicht bewezen hebt. Van dit oogenblik af moet ge, indien gij het toestaat, bij mij komen logeeren, gij zult dan beter op uw gemak zijn dan hier.”

Ik wilde mij daartegen verzetten door de dame voor te werpen dat ik haar tot last zou kunnen zijn, maar het was niet mogelijk aan haar aandringen te ontkomen. Voor de deur van het logement stond een rijtuig voor ons klaar. Zijzelf zorgde ervoor, dat mijn valies erin werd gebracht, omdat er, zooals zij zeide, zooveel oplichters in Valladolid waren, hetgeen maar al te waar was. Eindelijk steeg ik in de koets met haar en met haar ouden stalmeester en ik liet me op die manier uit het logement halen tot groot misnoegen van den waard, die zich daardoor beroofd zag van de uitgaven, die ik, naar hij gerekend had, bij hem zou doen met de dame, den stalmeester en den kleinen Moor.

Nadat onze koets eenigen tijd had voortgereden, hield hij stil. Wij stegen er uit om een vrij groot huis binnen te gaan en gingen naar boven naar een appartement dat er netjes uitzag en verlicht werd door twintig of dertig kaarsen. Er waren daar verschillende bedienden, aan wie de dame vroeg of don Raphaël reeds was aangekomen, waarop het antwoord ontkennend luidde. Daarna zich tot mij richtende, sprak zij: “Heer Gil Blas, ik wacht mijn broeder, die vanavond terug moet komen van een kasteel, dat we twee mijlen hier vandaan bezitten. Wat een aangename verrassing zal het voor hem zijn als hij in zijn huis een man zal aantreffen, aan wien onze geheele familie zooveel verschuldigd is!” Op hetzelfde oogenblik dat zij die woorden sprak, hoorden we gerucht in huis en vernamen tegelijkertijd, dat dit veroorzaakt werd door de komst van don Raphaël. Die ridder verscheen spoedig voor ons. Ik zag een jongen man van schoone gestalte en gunstig uiterlijk. “Ik ben zeer blij met je terugkomst, lieve broer,” zei de dame tot hem, “ge zult mij kunnen helpen om den heer Gil Blas de Santillano op waardige wijze te ontvangen. Wij kunnen niet genoeg dankbaar zijn voor alles, wat hij voor dona Mencia, onze bloedverwante, gedaan heeft. Ziehier,” voegde zij er aan toe, hem een brief voorhoudende, “lees wat zij ons schrijft.” Don Raphaël opende het biljet en las hardop de volgende woorden: “Lieve Camilla, de heer Gil Blas de Santillano, die mijn eer en mijn leven gered heeft, is zoo juist op weg naar het hof vertrokken. Ongetwijfeld zal hij Valladolid passeeren. Ik bezweer u bij het bloed, en meer nog bij de vriendschap, die ons verbindt, hem hartelijk te ontvangen en eenigen tijd bij u te houden. Ik vlei me, dat ge aan mijn verzoek zult voldoen en dat mijn bevrijder bij u en bij don Raphaël, mijn neef, een goede gastvrijheid zal ondervinden. Uwe liefhebbende nicht Dona Mencia te Burgos.”

“Wat!” riep don Raphaël na de lezing van dezen brief uit, “dankt mijn nicht aan dezen ridder haar eer en leven? Den hemel zij geprezen voor deze gelukkige ontmoeting.” Dit zeggende naderde hij mij en mij in zijn armen sluitend, vervolgde hij: “Wat een geluk voor mij hier den edelman Gil Blas de Santillano te zien! ’t Was overbodig, dat onze nicht de markiezin ons aanbeval u goed te onthalen; zij had ons slechts behoeven te melden, dat gij Valladolid zoudt passeeren; dat was voldoende geweest. Wij weten zeer goed, mijn zuster Camilla en ik, hoe men met een man moet omgaan, die den grootsten dienst ter wereld bewezen heeft aan een lid uit onze familie, dat we het teederst beminnen.” Zoo goed mogelijk antwoordde ik op deze ontboezemingen, die nog door vele dergelijke gevolgd werden en door duizend omhelzingen werden afgebroken. Daarna bemerkende, dat ik mijn laarzen nog aan had, liet hij ze mij door zijn bedienden uittrekken.

Vervolgens begaven we ons naar een kamer, waar men gedekt had. Wij zetten ons aan tafel, de ridder, de dame en ik. Gedurende het souper zeiden zij mij nog herhaaldelijk vriendelijke dingen. Niet een woord kon ik zeggen, dat ze niet aanhaalden als een bewonderenswaardige geestigheid en men had de attentie moeten zien, die ze voor mij hadden om me van alle gerechten te bedienen. Don Raphaël dronk dikwijls op de gezondheid van dona Mencia. Ik volgde zijn voorbeeld; tusschenbeide leek het mij of Camilla, die met ons klonk, me veelbeteekenende blikken toewierp. Ik meende zelfs op te merken, of ze slechts geschikte oogenblikken daarvoor koos, alsof ze vreesde dat haar broeder het zou bemerken. Er was niet meer noodig om mij te overtuigen, dat de dame verliefd op mij was en ik vleide me van deze ontdekking te profiteeren voor zoolang ik tenminste in Valladolid bleef. Die hoop was oorzaak, dat ik zonder moeite aan hun verzoek gevolg gaf, eenige dagen bij hen te blijven. Zij bedankten mij voor mijne welwillendheid, en de vreugde, die Camilla betuigde, versterkte mij in mijn overtuiging, dat ze mij zeer naar haar zin vond.

Don Raphaël, ziende dat ik besloten had eenigen tijd bij hem door te brengen, stelde me voor mij mee te nemen naar zijn kasteel. Hij gaf er mij eene prachtige beschrijving van en spiegelde mij de genoegens voor, die hij beweerde mij te zullen laten genieten. “Nu eens zullen we op jacht gaan, dan weer ons met visschen bezig houden, en indien ge van wandelen houdt, hebben we daartoe heerlijke bosschen en tuinen,” begon hij en ging voort: “Trouwens we zullen prettig gezelschap hebben en ik hoop, dat ge u niet zult vervelen.” Ik nam zijn voorstel aan en er werd besloten dat we reeds den volgenden dag naar het mooie kasteel zouden gaan. Nadat we dit prettige plan gevormd hadden, stonden we van tafel op. Hij omhelsde mij en zei toen: “Heer Gil Blas, ik laat u nu aan mijn zuster over, want ik ga dadelijk de noodige bevelen geven en de lieden waarschuwen, die van de partij zullen zijn.” Bij deze woorden verliet hij de kamer en ik zette het gesprek voort met de dame, die door haar praten de teedere oogwenken, die ze mij had toegeworpen, niet logenstrafte. Zij maakte zich van mijn hand meester en mijn ring bekijkende, zei ze: “Gij hebt daar een vrij aardigen diamant, maar hij is wel klein. Hebt gij verstand van edelgesteenten?” Ik antwoordde van neen. “Dat spijt me,” hernam ze, “want ik had u willen vragen wat deze waard was.” Inmiddels toonde ze mij een grooten robijn aan haar vinger en toen ik dezen bekeek, zei ze: “Een oom van mij, die gouverneur is geweest op de bezittingen, die de Spanjaarden op de Philippijnen hebben, heeft me dezen steen geschonken. De juweliers van Valladolid schatten hem op driehonderd pistolen.”—“Dat geloof ik best, want ik vind hem prachtig,” antwoordde ik.—“Omdat hij u bevalt, wil ik een ruil met u doen.” Daarop nam ze mijn ring en deed den hare aan mijn pink. Na dien ruil, die mij een kiesche wijze van een geschenk geven toescheen, drukte Camilla mij de hand en keek me teeder aan, daarop plotseling de stilte verbrekende, wenschte ze mij eensklaps goeden nacht en trok zich heel verlegen terug, als was zij beschaamd om mij haar gevoelens te doen blijken.

Hoewel ik nog heel onnoozel op het punt van liefde was, begreep ik toch, dat die plotselinge verwarring zeer vleiend voor mij was en ik dacht er over, dat ik den tijd buiten niet slecht behoefde door te brengen. Vol van die vleiende gedachte en van den schitterenden stand van mijn zaken, sloot ik me op in mijn slaapkamer, na aan mijn bediende bevolen te hebben mij den volgenden morgen vroeg te wekken. Inplaats van aan slapen te denken, gaf ik me aan allerlei aangename gedachten over, die me geïnspireerd werden door mijn valies, dat op tafel lag en mijn robijn. “De hemel zij dank,” dacht ik, “indien ik ongelukkig ben geweest, dan ben ik het nu toch niet meer. Aan den eenen kant duizend dukaten en aan den anderen een ring van driehonderd pistolen, daarmee ben ik voor langen tijd onder dak. Majuelo heeft me niet overschat, dat zie ik wel; ik zal duizenden vrouwen in Madrid het hart doen verliezen, nu ik zoo gemakkelijk Camilla vervoerd heb.” De goedheden van die edelmoedige dame kwamen mij toen voor den geest, met al hun aantrekkelijkheid en bij voorbaat genoot ik reeds van de genoegens, die don Raphaël me op zijn landgoed zou bereiden. Doch niettegenstaande al die beelden van genot, kwam de slaap zijn vleugels over mij uitspreiden. Zoo gauw ik me onder zeil voelde gaan, kleedde ik me vlug uit en ging slapen.

Toen ik den volgenden morgen wakker werd, bemerkte ik, dat het al te laat was. Ik was heel verwonderd mijn knecht nog niet te zien verschijnen, zooals hij van mij bevel had gekregen. Maar ik dacht bij mezelf: mijn trouwe Ambrosius is naar de kerk gegaan of wel hij is vandaag erg lui. Maar weldra maakte die gedachte over hem plaats voor een meer ongunstige, want toen ik was opgestaan, zag ik mijn valies niet meer, zoodat ik hem ervan verdacht, het gedurende den nacht te hebben gestolen. Om mijn vermoedens tot klaarheid te brengen, deed ik mijn kamerdeur open en riep den schijnheilige verscheidene keeren. De stem van een ouden man antwoordde: “Wat wenscht gij, heer? Al uw lieden hebben vóór het aanbreken van den dag mijn huis verlaten.” “Wat zegt gij, uw huis, ben ik dan niet bij don Raphaël?” riep ik uit. “Ik weet niet wie die mijnheer is,” antwoordde de oude, “maar gij zijt in een gemeubileerd huis en ik ben de eigenaar ervan. Gisterenavond, een uur voor uw aankomst kwam de dame, die met u gesoupeerd heeft, hier om appartementen te bestellen voor een voornaam heer, die incognito reisde. Zij heeft me zelfs vooruit betaald.”

Toen begreep ik waar ik aan toe was. Ik wist nu wat ik moest denken van Camilla en don Raphaël en ik begreep, dat mijn knecht, die volkomen op de hoogte van mijn zaken was, mij aan die schurken had overgeleverd. Inplaats van dat treurig ongeval slechts aan mijzelf te wijten en er aan te denken, dat het mij niet zou zijn overkomen indien ik niet de domheid had begaan zonder reden alles aan Majuelo te vertellen, gaf ik de schuld aan het onschuldige lot en vervloekte honderd maal mijn planeet. De eigenaar van het hotel, wien ik het avontuur, dat hij misschien even goed kende als ik, vertelde, toonde zich met mijn lot begaan. Hij beklaagde me, en betuigde mij, dat het hem zoo’n leed deed, dat dit alles in zijn huis had plaats gevonden, maar ik geloof dat hem niet minder het deel in dien schurkenstreek toekwam, dan aan mijn gastheer in Burgos, aan wien ik later altijd de eer van die uitvinding heb toegeschreven.