Zoo bang waren we te laat te zullen komen, dat we vliegensvlug naar het huis holden. De deur vonden we gesloten en we klopten daarom aan. Een meisje van tien jaar, dat de huishoudster niettegenstaande de kwaadsprekerij voor haar nichtje liet doorgaan, deed ons open, en toen we haar vroegen of we den kanunnik konden spreken, kwam juffrouw Jacinta te voorschijn. Zij was een dame van reeds twijfelachtigen leeftijd, maar nog mooi en ik bewonderde vooral de frischheid van haar gelaatskleur. Zij droeg een lange japon van een zeer slechte kwaliteit stof, met een breeden leeren gordel, aan den eenen kant hing een bos sleutels en aan den anderen een rozenkrans van dikke kralen.
“Ik heb vernomen,” begon mijn metgezel, “dat de kanunnik een eerlijken netten jongen noodig heeft en ik kom er hem een aanbieden, waarover ik hoop dat hij tevreden zal zijn.” Bij die woorden richtte de huishoudster haar oogen op mij en keek me strak aan; en daar ze mijn borduursel niet in overeenstemming kon brengen met de bewering van Fabricius, vroeg ze of ik het dan was, die naar de vacante plaats dong. “Ja,” antwoordde haar de zoon van Nunez, “dat is die jonge man. Zooals ge hem daar ziet heeft hij zooveel tegenspoeden ondervonden, dat hij genoodzaakt is in betrekking te gaan”, en een zachten zoetsappigen toon aanslaande, ging hij verder: “maar hij zal zich troosten over zijn ongeluk, als hij ’t geluk heeft in dit huis te kunnen dienen en in de nabijheid van de deugdzame Jacinta te leven, die waardig is de huishoudster van den opperkerkvoogd van Indië te zijn.” Bij die woorden hield de oude scheinheilige op met mij te bestudeeren om beter het galante jongmensch op te nemen, dat tot haar sprak, en gefrappeerd door zijn haar niet onbekende trekken, zei ze:
“Ik heb een vaag idee u reeds meer gezien te hebben; help me dat eens ophelderen.”—“Kuische Jacinta, ik ben er zeer door vereerd, dat ik uw aandacht getrokken heb. Ik ben reeds twee keer hier in huis geweest met mijn meester, den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het hospitaal,” “Ah, juist, nu herinner ik het mij en weet ik weer wie gij zijt. En daar ge bij den heer Ordonnez behoort, zult ge wel een goede, eerlijke jongen zijn. Uw betrekking strekt u tot eer en die jonge man zou geen betere aanbeveler kunnen hebben dan u. Kom”, vervolgde zij, “ik zal u met den heer Sédillo laten praten.”
Wij volgden juffrouw Jacinta en zagen den ouden podagrist in een leuningstoel gedoken, met een kussen onder zijn hoofd, kussens onder zijn armen en met zijn voeten op een groot donzen rustbed. Wij naderden hem zonder buigingen te sparen, en Fabricius steeds nog het woord voerende, stelde zich niet tevreden met alles te herhalen, wat hij aan de huishoudster gezegd had, maar begon mijn verdiensten te prijzen en hield vooral stil bij de eer, die ik bij den dokter Godinez behaald had met mijn redetwisten over philosophie, als ware het noodig een groot philosoof te zijn om knecht van een kanunnik te worden. Maar door den grooten lof, dien hij mij toezwaaide, verblindde hij toch de oogen van den domheer, die ook ziende dat ik juffrouw Jacinta niet ongevallig was, tot mijn aanbeveler zei: “Mijn vriend, ik zal hem, dien ge mij aanbeveelt in dienst nemen; hij lijkt me nog al en ik heb een goed denkbeeld van zijn zeden, daar hij mij door een knecht van den heer Ordonnez is voorgesteld.”
Zoodra Fabricius zag, dat ik was aangenomen, maakte hij een diepe buiging voor den kanunnik, een nog diepere voor de huishoudster en trok zich toen zeer voldaan terug, na me nog zacht te hebben toegefluisterd dat we elkaar zouden terugzien en dat ik daar maar moest blijven. Nadat hij weg was, vroeg de domheer mij hoe ik heette, waarom ik mijn land verlaten had en noodzaakte mij zoodoende door zijn vragen in het bijzijn van juffrouw Jacinta mijn geschiedenis te vertellen. Ik vermaakte hen beiden vooral met het verhaal van mijn laatste avontuur. Camilla en don Raphaël brachten hem zoo aan het lachen dat het bijna het leven aan den ouden podagrist koste; terwijl hij uit alle macht lachte, overviel hem zoo’n zware hoestbui, dat ik dacht dat hij zou stikken. Hij had zijn testament nog niet gemaakt, dus denk eens of de huishoudster ontsteld was! Ik zag haar beven, geheel van streek te hulp snellen naar den ouden man en hem het voorhoofd wrijven en op den rug slaan, alles beginnende wat men doet om kinderen die hoesten bij te staan. Het was echter maar een valsch alarm; de grijsaard hield op met hoesten en zijn gouvernante met hem te plagen. Ik wilde toen mijn verhaal eindigen, maar juffrouw Jacinta, die een tweeden aanval vreesde, verzette zich daartegen. Zij bracht mij zelfs buiten de kamer van den kanunnik in een kleedkamer, waar tusschen verschillende andere kleedingstukken de rok van mijn voorganger hing. Zij deed mij hem er uit nemen en hing de mijne er voor in de plaats die ik graag wilde bewaren in de hoop, dat hij me later weer van dienst zou kunnen zijn. Daarna gingen wij beiden het eten klaarmaken.
Ik bleek niet onbekend te zijn met de kunst van koken. ’t Is waar, ik had het gelukkig wat geleerd bij Leonarda, die voor een goede kookster zou kunnen doorgaan maar ze was niet te vergelijken bij juffrouw Jacinta. Deze overtrof misschien zelfs den kok van den aartsbisschop van Toledo. Zij muntte in alles uit. Men vond haar kreeftensoep overheerlijk, zoo goed als zij het sap der verschillende vleezen wist te kiezen en te vermengen; en haar gehakt wist zij zoo te kruiden dat het een genot voor den smaak was. Toen het middagmaal gereed was, gingen we terug naar de kamer van den kanunnik en terwijl ik de tafel dekte, schoof de huishoudster den grijsaard een servet onder den kin en hechtte het op zijn schouders vast. Een oogenblik later diende ik een soep op, die men aan den lastigsten directeur van Madrid had kunnen voorzetten, en daarna twee voorgerechten, die den zinnelijken smaak van een onderkoning zouden geprikkeld hebben, indien juffrouw Jacinta er niet de kruiderijen zoo in gespaard had uit angst dat deze het podagra van den domheer zou verergeren. Op het gezicht van dezen goeden schotel toonde mijn oude meester, dien ik verlamd aan alle ledematen dacht, dat hij nog niet volkomen het gebruik van zijn armen had verloren. Hij bediende zich van die ledematen om zich van hoofd- en andere kussens te ontdoen en hield zich toen vroolijk gereed om met eten te beginnen. Hoewel zijn hand beefde, weigerde ze toch niet haar dienst; hij deed haar nog al los heen en weer gaan, maar toch zóó, dat de helft van hetgeen hij naar zijn mond bracht op het tafelkleed en het servet terecht kwam.
Toen hij genoeg van de kreeftesoep had, nam ik deze weg en bracht een patrijs, geflankeerd door twee gebraden kwartels, die juffrouw Jacinta voor hem stuk sneed. Zij droeg ook zorg hem van tijd tot tijd groote slokken versneden wijn te laten drinken uit een grooten diepen kroes van zilver, dien ze hem voorhield als aan een kind van 15 maanden. Hij viel met grooten eetlust op de voorgerechten aan en bewees niet minder eer aan de fijne vogeltjes. Toen hij zich goed had volgestopt, deed de kwezel hem zijn servet af en gaf hem weer zijn noodige kussens; daarna lieten wij hem in zijn leuningstoel zoetjes de rust genieten, die men gewoonlijk na het middagmaal neemt, en ruimden de tafel af, waarna we op onzen beurt gingen eten.
Op deze wijze at nu onze kanunnik, die misschien een der grootste eters van het kapittel was, elken dag. Maar zijn souper was lichter; hij stelde zich dan tevreden met een kippetje of een konijn, met de een of andere vruchtencompôte. Ik leefde daar heerlijk in dat huis en ik leidde er een rustig leventje. Slechts een ding vond ik onpleizierig, nl. dat ik ’s nachts bij mijn meester moest waken en hem als een verpleger oppassen. Behalve een aandrang van urine, die hem noodzaakte zijn kamerpot tien keer per uur te vragen, was hij nog onderhevig aan zweten en wanneer dat hem overviel moest men hem een ander hemd aantrekken. Den tweeden nacht, dat ik bij hem was, zei hij opeens tot mij: “Gil Blas, ge zijt handig en ijverig; ik voorzie dat je me van veel dienst zult zijn. Ik wilde je dan ook alleen maar aanbevelen gewillig tegenover juffrouw Jacinta te zijn en gedwee alles te doen, wat ze je vraagt alsof ik het je zelf zou bevelen; ’t is een meisje, dat me al vijftien jaar bedient met een bijzonderen ijver; ze heeft zooveel zorg voor mij, dat ik er haar niet genoeg dankbaar voor kan zijn. Daarom ook, moet ik je bekennen, is zij mij dierbaarder dan mijn geheele familie. Om harentwille heb ik mijn neef, den zoon van mijn eigen zuster hier weggejaagd, en ik heb daaraan goed gedaan. Hij had in het geheel geen achting voor dat arme meisje en verre van recht te doen wedervaren aan haar oprechte toewijding voor mij, noemde de onbeschaamde haar een valsche femelaarster, want tegenwoordig schijnt de deugd slechts schijnheiligheid aan de jongelieden. Den hemel zij dank, heb ik me van dien deugniet ontslagen. Ik verkies de genegenheid, die men mij betoont, boven de rechten van het bloed, en ik laat me slechts innemen door de goedheid, die men mij bewijst.”—“Gij hebt gelijk mijnheer,” antwoordde ik, “de dankbaarheid moet meer kracht over ons hebben dan de wetten der natuur.”—“Ongetwijfeld en mijn testament zal wel toonen, dat ik me al heel weinig om mijn bloedverwanten bekommer. Mijn huishoudster zal er een goed deel van hebben en gij zult er niet in vergeten worden, indien ge voortgaat met mij te bedienen zooals ge begonnen zijt. De knecht, dien ik gisteren de deur heb gewezen, heeft door eigen schuld een goed legaat verloren. Indien die kerel mij niet door zijn gedrag genoodzaakt had hem zijn ontslag te geven, dan zou ik hem rijk hebben gemaakt; maar hij was een hoogmoedige, die geen respect toonde voor juffrouw Jacinta, een luiaard, die bang voor moeite was. Hij bleef niet graag waken en het was voor hem een vermoeienis de nachten door te brengen met me bij te staan.” “De ongelukkige,” riep ik uit als had de geest van Fabricius mij geïnspireerd, “hij verdiende niet bij zoo’n fatsoenlijk man als u te wezen. Een jongen, die het geluk heeft u toe te behooren, moet een onvermoeiden ijver bezitten; hij moet zich zijn plicht tot een genoegen maken en niet denken dat hij genoeg werkt, zelfs al zweet hij water en bloed voor u.”
Ik merkte, dat die woorden den kanunnik zeer bevielen. Niet minder tevreden was hij met de verzekering, die ik hem gaf, dat ik steeds onderworpen zou zijn aan den wil van juffrouw Jacinta. Daar ik dus wilde doorgaan voor een dienaar, wien de vermoeienis nooit kon afmatten, deed ik mijn dienst met de meeste nauwkeurigheid. Ik kon echter niet nalaten dat alles heel onaangenaam te vinden; en zonder het legaat, waarop mijn hoop gevestigd was, zou ik spoedig genoeg hebben gehad van mijne betrekking en zou ik het niet hebben kunnen volhouden; wel is waar rustte ik overdag eenige uren, want de huishoudster, wie ik recht moet laten wedervaren, had veel oplettendheden voor mij, hetgeen men moet toeschrijven aan de zorgvuldigheid, waarmee ik trachtte haar gunst te winnen door voorkomende en eerbiedige manieren tegenover haar. Wanneer ik met haar en haar nicht die Inesilla heette, aan tafel was, wisselde ik de borden en schonk hen in; ik had een buitengewone attentie voor haar. Daardoor drong ik mij in hun vriendschap in. Op zekeren dag dat juffrouw Jacinta was uitgegaan voor de noodige provisie, was ik alleen met Inesilla en begon een gesprek met haar. Ik vroeg haar of haar vader en moeder nog leefden, waarop zij mij antwoordde: “O, neen, ze zijn al heel, heel lang dood, want mijn tante zegt het en ik heb ze nooit gezien.” Ik geloofde heilig wat het kleine meisje mij zei, hoewel haar antwoord niet zeer duidelijk was, en ik bracht haar zoo goed aan het praten, dat ze meer vertelde dan ik weten wilde. Zij vertelde me, of liever ik begreep door haar naïve gezegden, dat haar tante een goeden vriend had, die ook bij een ouden kanunnik was, waar hij de wereldlijke zaken van administreerde en dat die gelukkige bedienden erop rekenden de nalatenschap hunner meesters te vereenigen door een huwelijk, waarvan ze nu reeds de genietingen smaakten. Ik heb reeds gezegd dat juffrouw Jacinta, hoewel niet jong meer, nog zooveel frischheid bezat. ’t Is waar dat zij niets spaarde om die te behouden; behalve, dat ze elken morgen een lavement nam, gebruikte ze elken avond bij het slapen gaan een aftreksel van zoethout. Daarbij sliep ze den geheelen nacht heel rustig, terwijl ik bij mijn meester waakte. Maar wat misschien nog meer bijdroeg tot haar frissche gelaatskleur, was, zooals Inesilla mij vertelde, een fontenel, die ze aan ieder been had.
Gedurende drie maanden diende ik dan kanunnik Sédillo zonder te klagen over de slechte nachten, die ik in zijn dienst doorbracht. Na verloop van dien tijd werd hij ziek, de koorts kwam op, en met de pijn, die deze hem veroorzaakte, verergerde ook zijn podagra. Voor de eerste maal in zijn lang leven, nam hij zijn toevlucht tot de geneesheeren. Hij ontbood dokter Sangrado, die door geheel Valladolid als een Hippocrates werd aangezien. Juffrouw Jacinta had liever gezien, dat de kanunnik begonnen was met zijn testament, te maken en sprak er zelfs over, maar behalve dat hij zich nog niet zoo dicht bij zijn einde dacht, was hij in eenige dingen bijzonder stijfhoofdig. Ik ging dus dokter Sangrado halen en bracht hem thuis. ’t Was een groote, magere, bleeke man, die meer dan veertig jaar praktiseerde. Deze wijze man zag er ernstig uit; hij overwoog zijn redeneeringen en gaf een edelen zin aan zijn uitdrukkingen. Zijn redeneeringen leken wiskundig en zijn denkbeelden heel zonderling.
Na mijn meester nauwkeurig te hebben gadegeslagen, zei hij op dokterstoon: “Het komt er hier op aan een fout van begane transpiratie te hulp te komen, Anderen in mijn plaats zouden zonder twijfel geneesmiddelen voorschrijven als zouten, op de urine werkende, of vluchtige drankjes die voor het meerendeel zwavel en kwik bevatten, maar die afdrijvende- en transpireermiddelen zijn zeer schadelijk en uitgevonden door kwakzalvers; al die chemische preparaten lijken me toe zeer slecht te zijn. Ik gebruik eenvoudiger en zekerder middelen. Aan welk voedsel zijt gij gewend?” vervolgde hij. “Ik gebruik gewoonlijk kreeftensoep en sappige vleezen”, antwoordde de kanunnik. “Kreeftensoep en sappige vleezen,” riep de dokter verbaasd uit. “O, dan ben ik waarlijk niet meer verwonderd, dat ge ziek zijt geworden. Heerlijke gerechten zijn genotrijke vergiften, het zijn valstrikken die de zinnelijkheid den menschen spreidt om hun ondergang des te stelliger te bewerken. Gij zult van die smakelijke spijzen moeten afzien; de flauwste zijn de beste voor de gezondheid. Daar het bloed smakeloos is, wil ik dat het voedsel daarmee overeenstemt. En drinkt gij wijn?” “Ja, versneden wijn,” antwoordde de kanunnik, “O! versneden, zooveel ge maar wilt,” hernam de geneesheer, “wat een ongeregelde levenswijze! Dat is een verschrikkelijke leefregel. Gij zoudt reeds lang dood hebben moeten zijn. Hoe oud zijt ge?” “Ik ga mijn negen-en-zestigste in,” antwoordde de kanunnik. “Juist, een te vroege ouderdom is altijd de vrucht van de onmatigheid. Indien ge slechts altijd water gedronken had, en u tevreden gesteld met eenvoudig voedsel, zooals gekookte appelen of boonen en erwten, dan zoudt ge nu niet van het pootje te lijden hebben en zouden al uw ledematen nog gemakkelijk hun diensten verrichten. Toch wanhoop ik er niet aan, u weer op de been te helpen, indien ge tenminste mijn bevelen opvolgt.” Hoe groot een fijnproever de domheer ook was, beloofde hij toch stipte gehoorzaamheid.
Toen liet Sangrado mij een chirurgijn halen en liet om te beginnen mijn meester zesmaal flink aderlaten om aan het transpireeren tegemoet te komen. Daarna zei hij tot den chirurg: “Meester Maarten Onez, kom over drie uur terug om dezelfde hoeveelheid te laten en begin morgen opnieuw. ’t Is een vergissing te denken, dat het bloed noodig is om te leven; men kan een zieke niet genoeg aderlaten. Daar hij tot geen enkele beweging in staat is en hij niets te doen heeft dan alleen niet te sterven, heeft hij niet meer bloed noodig dan een ingeslapen mensch. Bij beiden bestaat het leven nog slechts in den polsslag en de ademhaling.” De goede kanunnik, die zich verbeeldde, dat zoo ’n groot geneesheer geen drogredenen kon vertellen, liet zich zonder tegenstand maar aderlaten. Nadat de dokter verschillende en flinke aderlatingen geboden had, schreef hij ook nog voor, dat men den kanunnik veel warm water moest laten drinken, verzekerende dat water, overvloedig gedronken, kon doorgaan voor het werkelijke middel tegen allerlei ziekten. Vervolgens ging hij weg, terwijl hij juffrouw Jacinta en mij vol vertrouwen meedeelde, dat hij voor het leven van den kanunnik instond indien men hem behandelde zooals hij had voorgeschreven. De huishoudster, die wellicht anders over zijn methode van behandeling oordeelde dan hijzelf, verzette zich niet tegen een nauwkeurige opvolging van zijn voorschriften.
Inderdaad zetten we dadelijk water te warmen en daar de dokter ons bevolen had hem op geenerlei wijze te sparen, lieten we den eersten keer mijn meester twee of drie pinten achter elkaar uitdrinken. Een uur later begonnen we opnieuw en herhaalden dit van tijd tot tijd, zoodat we in zijn maag een zondvloed van water goten. Aan den anderen kant hielp de chirurg ons door de hoeveelheid bloed, die hij hem aftapte en zoo brachten wij in minder dan twee dagen den kanunnik op het uiterste.
Toen ik dien goeden kanunnik, die het niet langer kon uithouden, nog een groot glas van het heilmiddel wilde toedienen, zei hij met zwakke stem: “Houd op Gil Blas, geef me niet meer, mijn jongen. Ik zie wel, dat ik sterven moet; niettegenstaande het heil van het water en hoewel er ternauwernood nog een druppel bloed in mij is overgebleven, gevoel ik mij niets beter; hetgeen bewijst dat de knapste geneesheer ter wereld mijn dagen niet zou kunnen verlengen, als het noodlottig einde daar is. Ik moet me dus gereed houden naar de andere wereld te verhuizen; ga een notaris halen, want ik wil mijn testament maken.” Bij die laatste woorden die mij bijster bedroefden, zooals iedere erfgenaam in een dergelijk geval pleegt te doen en terwijl ik niets liet blijken van het genoegen, waarmee ik dadelijk, de boodschap, die hij mij opgaf, wilde ten uitvoer brengen, zei ik: “Maar mijnheer, ge zijt Goddank nog niet zoo ver, dat ge niet meer er bovenop zult komen.”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde hij, “’t is gedaan met me; ik voel dat de podagra weer opkomt en de dood nadert; haast u te gaan, waarheen ik u gezegd heb.” Ik zag inderdaad dat hij zienderoogen veranderde; de zaak leek me zoo dringend, dat ik vlug ging doen wat hij bevolen had, juffrouw Jacinta bij hem latende, die meer nog dan ik, bevreesd was, dat hij zou sterven zonder testament te hebben gemaakt. Ik trad het huis van den eersten notaris dien men mij aanwees binnen, vond hem thuis en zei: “Mijnheer, de kanunnik Sédillo, mijn meester, gaat zijn einde tegemoet; hij wenscht zijn laatsten wil te doen neerschrijven; er is geen oogenblik te verliezen.” De notaris was een kleine vroolijke grijsaard, die graag gekheid maakte; hij vroeg mij welke dokter den kanunnik bezocht. Ik antwoordde dat het dokter Sangrado was. Bij dien naam nam hij haastig zijn mantel en hoed en riep uit: “Groote God, laten we dan vlug vertrekken; want die dokter is zoo gezwind dat hij zijn zieken niet eens den tijd geeft den notaris te laten roepen. Die man heeft me al wat testamenten mis laten loopen.”
Zoo pratende haastte hij zich met mij mee te gaan en terwijl wij beiden snel voortstapten om er aan te komen vóór den dood, zeide ik hem: “Mijnheer, gij weet dat een stervende dikwijls zijn geheugen kwijt is; als mijn meester mij soms mocht vergeten, wees dan zoo goed hem aan mijn ijver te herinneren”.—“Dat wil ik wel doen, mijn jongen,” antwoordde de notaris, “gij kunt op mij rekenen. Ik zal hem zelfs aansporen je wat van beteekenis te geven.” Toen wij zijn kamer binnen kwamen, was de kanunnik nog geheel bij kennis. Juffrouw Jacinta was bij hem, met het gelaat badende in krokodillentranen. Zij had haar rol al gespeeld om den goeden man te bewegen haar veel na te laten. Wij lieten den notaris alleen met mijn meester en zij en ik gingen samen in de voorkamer, waar wij den chirurgijn vonden, dien de dokter had gezonden voor eene nieuwe en laatste aderlating. Wij hielden hem tegen. “Meester Martin”, zeide de huishoudster, “gij kunt thans niet binnengaan. Hij is bezig zijn laatsten wil aan een notaris op te geven; gij kunt hem op uw gemak aderlaten als hij zijn testament gemaakt heeft.”
Wij waren doodsbang, de kwezel en ik, dat de kanunnik stierf onder het testament maken, maar gelukkig werd de akte, waar wij ons bezorgd om maakten, voltooid. Wij zagen den notaris weggaan, die in ’t voorbijgaan, me op den schouder klopte en glimlachend zei: “Gil Blas is niet vergeten.” Bij die woorden kwam een heerlijk gevoel van blijdschap over me en ik was er mijn meester zoo dankbaar voor, dat hij aan mij gedacht had, dat ik bij mezelf de belofte aflegde voor hem na zijn dood tot God te bidden; welken dood zich niet lang wachten deed, want daar de chirurg hem nogmaals had adergelaten, stierf de arme grijsaard, die reeds al genoeg verzwakt was, bijna op hetzelfde oogenblik. Terwijl hij den laatsten adem uitblies, verscheen de dokter, die, niettegenstaande zijn gewoonte het einde van de zieken te verhaasten, nu toch gek stond te kijken. Maar verre van den dood des kanunniks toe te schrijven aan het drinken en aderlaten, ging hij weg, en zei op koelen toon, dat men hem niet genoeg bloed had afgetapt en niet genoeg warm water had laten drinken. De uitvoerder van de hoogere medicijnkunst, ik wil zeggen de chirurg, ziende dat men zijn diensten niet meer noodig had, volgde dokter Sangrado, de een zoowel als de ander zeggende, dat ze van den eersten dag af den kanunnik ten doode hadden opgeschreven. Werkelijk vergisten ze zich haast nooit, als ze een dergelijk oordeel uitspraken.
Zoodra we zagen dat onze meester gestorven was, begonnen juffrouw Jacinta, Inesilla en ik een concert van treurgalmen, die door de geheele buurt weerklonken. Vooral de kwezel, die het meest reden had verheugd te zijn, slaakte zulke klagende kreten, alsof ze de zwaarst getroffen persoon ter wereld was. In een oogwenk was de kamer gevuld met lieden, die minder door medelijden dan door nieuwsgierigheid daarheen waren gekomen. Niet zoodra kreeg de familie van den overledene lucht van zijn dood of ze kwamen het huis overvallen en lieten overal alles verzegelen. Zij vonden de huishoudster zoo bedroefd, dat ze eerst dachten, dat de kanunnik geen testament had gemaakt, maar tot hun spijt vernamen ze weldra, dat er wel degelijk een was, voorzien van alle noodige formaliteiten. Toen men het kwam openen en zij zagen dat de erflater zijn beste bezittingen aan juffrouw Jacinta had vermaakt, deden zij de uitvaartgebeden ter zijner gedachtenis in minder lofwaardige termen. Zij gaven tegelijkertijd op de kwezel af en maakten ook nog even gewag van mij. Nu, ik moet bekennen, dat ik dit wel verdiende. De kanunnik, God hebbe zijn ziel, had, om mij mijn geheele leven aan hem te doen denken, op deze wijze zich omtrent mij in een artikel van zijn testament uitgelaten: “Idem, daar Gil Blas een jongen is, die al iets van litteratuur afweet, laat ik hem, om zijn wijsgeerige opvoeding te voltooien, mijn bibliotheek na, al mijn boeken en mijn manuscripten, zonder eenige uitzondering.”
Ik wist niet waar die zoogenaamde bibliotheek wel kon zijn; ik had niet gemerkt, dat er een in huis was. Ik wist alleen, dat er eenige papieren met vijf of zes deelen op twee dennenhouten plankjes in het kabinet van mijn meester stonden. Dat was mijn legaat! En de boeken konden me nog niet eens van groot nut zijn, want de een had den titel van: “De volmaakte kok”; de ander handelde over de slechte spijsvertering en de wijzen waarop die te genezen was, terwijl de andere de vier deelen van het brevier vormden, half door de wormen verteerd. Wat de manuscripten betreft, het meest interessante behelsde al de stukken van een proces, dat de kanunnik vroeger voor zijn domheerschap had gevoerd. Na mijn legaat nauwkeuriger te hebben bekeken, dan het verdiende, gaf ik het aan de familie, die er mij zoo om benijd had. Ik gaf hun zelfs het kleed terug, dat ik gedragen had en nam het mijne terug, terwijl ik de vrucht mijner verdiensten tot mijn loon bepekte.
Juffrouw Jacinta had behalve de sommen die haar nagelaten waren, nog mooie buitenkansjes gehad, die zij met behulp van haar goeden vriend gedurende de ziekte van onzen meester in veiligheid had gebracht.
Ik besloot een man te gaan opzoeken, tot wien zich het meerendeel der lakeien wendden, die op straat staan en dan uit zijn register een nieuwe betrekking te zoeken, maar toen ik juist de doodloopende straat waarin hij woonde, wilde binnen gaan, ontmoette ik dokter Sangrado, die ik niet meer gezien had sinds den dag van het sterven mijns meesters en ik nam de vrijheid hem te groeten. Hij herkende me oogenblikkelijk, hoewel ik van kleeding verwisseld had en terwijl hij eenige blijdschap toonde mij te zien, zei hij: “Zoo, mijn jongen, zijt gij daar, ik dacht straks juist aan je. Ik heb een goeden jongen noodig om me te dienen, en ik dacht dat gij wel de aangewezen persoon voor mij zoudt zijn, als gij zou kunnen lezen en schrijven,”—“Mijnheer, wat dat aangaat ben ik wat u verlangt, want ik kan het een zoowel als het ander,” antwoordde ik. “Als dat zoo is, zijt gij de man, dien ik noodig heb,” hernam hij. “Kom bij mij, gij zult er slechts aangenaam bezig zijn en ik zal u met voorkomendheid behandelen. Ik zal u geen loon geven; maar het zal u aan niets ontbreken. Ik zal zorg dragen je goed te onderhouden en ik zal je de groote kunst leeren alle ziekten te genezen. In één woord, ge zult meer mijn leerling dan mijn bediende zijn.”
Ik nam het voorstel van den dokter aan in de hoop, dat ik onder een zoo bekwaam meester, mij in de geneeskunde beroemd zou kunnen maken. Hij nam me dadelijk met zich mee om me in de betrekking, waarvoor hij mij bestemde, te installeeren; en die betrekking bestond in het opschrijven van den naam en de woonplaats van al de zieken, die hem lieten halen, terwijl hij de stad in was. Tot dat doel was er een register in huis, waarin een oude meid, die hij als eenige dienstbode hield, de adressen opteekende; maar behalve, dat zij de kunst der spelling niet verstond, schreef ze zoo slecht, dat men meestentijds haar schrift niet ontcijferen kon. Hij belastte mij met de zorg dat boek bij te houden, dat men zeer juist een sterfteboek zou kunnen noemen, daar de lieden, wier namen ik opnam, bijna allen stierven. Ik schreef er om zoo te zeggen alle menschen in op, die naar de andere wereld wilden vertrekken, zooals een kommies op een bureau van openbare vervoermiddelen de namen opschrijft van hen, die plaatsen reserveeren. Ik had dikwijls de pen in de hand, daar er in dien tijd geen een dokter in Valladolid was, die zoo goed stond aangeschreven als dokter Sangrado. Hij was in de gunst van het publiek gekomen door een schoonschijnende woordenkeus, vergezeld van een indrukwekkend voorkomen en ook door eenige gelukkige behandelingen, die hem meer hadden aangebracht dan zij verdienden.
Het ontbrak hem niet aan praktijk, dus ook niet aan welvaart. Toch nam hij het er daarom niet beter van; men leefde bij hem zeer sober. Wij aten gewoonlijk niets anders dan erwten, boonen, gebraden appelen en kaas. Hij zei dat die spijzen het beste voor de maag waren, als zijnde de meest geschikte voor de opname, dat wil zeggen om gemakkelijker verteerd te worden. Niettegenstaande hij ze gemakkelijk te verteren vond, wilde hij niet, dat we er ons genoegen aan aten, waarin hij zich zeker heel redelijk betoonde. Maar indien hij aan de dienstbode en mij verbood veel te eten, stond hij ons als belooning toe zooveel water te drinken als wij maar wilden. Verre van ons daarin te beperken, zei hij ons dikwijls: Drink maar, kinderen; de gezondheid bestaat in het soepele en de vochtigheid der organen. Drink ruimschoots water; dat is een algemeen oplossingsmiddel, het water doet alle zouten smelten. Gaat de stroom van het bloed langzamer, dan wordt hij daardoor sneller; is hij te snel, dan vertraagt het die onstuimigheid.” Onze dokter geloofde zoo vast aan dit alles, dat hij zelf, hoewel van gevorderden leeftijd, nooit iets anders dan water dronk. Hij betitelde den ouderdom als een natuurlijke tering, die ons uitdroogt en verteert en bij die definitie beklaagde hij de onwetendheid van hen, die de wijn de melk der grijsaards noemen. Hij hield vol dat de wijn het gestel verslijt en ondermijnt en zei zeer welsprekend, dat die doodelijke vloeistof voor hen, evenals voor allen, een verraderlijke vriend en een bedriegelijk genoegen is.
Niettegenstaande die geleerde theorieën kreeg ik na acht dagen in dat huis te zijn geweest een hevigen buikloop en ik begon heftige maagpijnen te gevoelen, die ik de brutaliteit had aan het algemeene oplossingsmiddel toe te schrijven en aan het slechte voedsel, dat ik daar gebruikte. Ik beklaagde er mij bij mijn meester over, in de hoop dat hij een beetje van zijn regime zou afwijken en mij wat wijn bij mijn maaltijden zou geven, maar hij was een te groot vijand van deze vloeistof om me dat toe te staan, en zei: “Indien ge eenmaal de gewoonte van het waterdrinken hebt, zult ge er de uitnemende werking van op prijs stellen; trouwens als ge eenigszins een afkeer van zuiver water hebt, zijn er onschuldige hulpmiddelen om de maag tegen het flauwe van dien waterdrank bestand te doen zijn. De salie, bijvoorbeeld, en de prij geven het een verrukkelijken smaak en indien ge ze nog heerlijker wilt imaken, behoeft ge er slechts anjelierbloesems-, rozemarijn- of klaprozen-aftreksel door te doen.”
Al prees hij water ook nog zoo en al wilde hij mij in de geheimen inwijden er heerlijke brouwsels mee samen te stellen, ik dronk voortaan zoo matig, dat hij op een goeden dag dit bemerkende, zeide: “O, waarlijk, Gil Blas, ik verwonder er me niet over, dat gij geen volmaakte gezondheid bezit; ge drinkt niet genoeg, beste vrind. Wanneer het water in kleine hoeveelheden genomen wordt, dient het slechts om de galdeelen te ontwikkelen en hun werkzaamheid te verhoogen, inplaats dat ze verdronken worden in een overvloedige verdunning. Denk niet, beste jongen, dat deze overvloed van het water verzwakt of je maag zal verkoelen; laat verre van u dien panischen schrik, dien het vele drinken u misschien inboezemt. Ik sta je daarvoor borg, en indien ge mij niet goed genoeg acht om daarvoor in te staan, zal zelfs Celcius het doen. Dat latijnsche orakel heeft een bewonderenswaardigen lof van het water verkondigd; daarbij zegt hij in duidelijke bewoordingen, dat zij, die om wijn te drinken zich verontschuldigen met zwakte van hun maag, een blijkbare onrechtvaardigheid tegen dat lichaamsdeel verkondigen en slechts zoeken hun zinnelijkheid te verbergen.”
Daar het mij niet zou gepast hebben mij stijfhoofdig te toonen bij het betreden der medische loopbaan, deed ik maar of ik ervan overtuigd was, dat hij gelijk had; ik zal zelfs bekennen, dat ik hem werkelijk geloofde. Ik ging dus voort met water drinken, op verantwoordelijkheid van Celsius, of liever ik begon mijn gal te verdrinken door zooveel mogelijk van dien drank naar binnen te werken en hoewel ik mij van dag tot dag benauwder gevoelde, behaalde het vooroordeel de overwinning over de ondervinding.
Men ziet dus wel dat ik een gelukkigen aanleg had om dokter te worden. Toch kon ik niet altijd aan de hevigheid mijner pijnen weerstand bieden, die zoo verergerden, dat ik eindelijk het besluit opvatte bij dokter Sangrado weg te gaan. Doch hij belastte mij met een nieuwen werkkring, die me van gevoelens deed veranderen. Op zekeren dag zei hij tot mij: “Luister, ik ben geenszins een van die harde ondankbare meesters, die hun dienaren oud laten worden in dienstbaarheid zonder hen te beloonen. Ik ben tevreden over je en houd van je; en zonder te wachten tot ge me langeren tijd gediend hebt, heb ik het besluit genomen van heden af je fortuin te maken; ik wil je aanstonds het fijne ontdekken van de gezondheidsleer, die ik reeds gedurende zooveel jaren uitoefen. Andere dokters laten de kennis baseeren op duizende lastige wetenschappen en ik stel me voor je dien langen weg te bekorten en je de moeite te besparen van het bestudeeren der natuur-, pharmacie- kruid- en ontleedkunde. Weet dan, mijn jongen, dat het eenige is: aderlaten en warm water laten drinken; dat is het geheim tot de genezing van alle ziekten ter wereld. Ja, dat eenvoudige geheim dat ik je ontdek, en dat de natuur, ondoordringbaar voor mijn collega’s niet aan mijn opmerkingsgave heeft kunnen onttrekken, is besloten in deze twee punten: aderlating en veelvuldig drinken. Ik heb je nu niets meer te leeren, je kent de geneeskunde nu grondig, en als je profiteert van de vrucht mijner vele ondervindingen, dan ben je eensklaps even geleerd als ik. Gij kunt me nu terzijde staan; ’s morgens zult ge ons register bijhouden en ’s middags een gedeelte van mijn patiënten bezoeken. Terwijl ik de zorgen op mij neem voor de voornamen en de geestelijken, zult gij voor mij de huizen bezoeken van den derden stand; en wanneer ge eenigen tijd voor mij zult gewerkt hebben, zal ik u bij mij als geneeskundige aannemen. Gil Blas, gij zijt geleerd voor ge dokter zijt, in tegenstelling met anderen die reeds lang geneesheer zijn, zelfs velen hun leven lang, voor ze geleerden zijn.”
Ik bedankte den dokter er voor, dat hij me zoo vlug geschikt had gemaakt hem tot plaatsvervanger te kunnen dienen; en om mijn dankbaarheid voor zijn goedheden te betoonen, verzekerde ik hem, dat ik mijn geheele leven zijn ideeën zou deelen, zelfs als ze geheel het tegengestelde waren van die van Hippocrates; die verzekering was echter niet geheel oprecht. Ik kon niet instemmen met zijn gevoelens over het water en ik nam me voor elken dag wijn te drinken als ik mijn zieken ging bezoeken. Ik hing voor den tweeden keer mijn geborduurden rok aan den kapstok om er een van mijn meester te dragen, die me het voorkomen van een dokter gaf. Daarna hield ik mij gereed dokter te gaan spelen ten koste van wien er het slachtoffer van werd. Ik begon met een gerechtsdienaar, die pleuris had; ik beval dat men hem zonder genade moest aderlaten en dat men hem het water niet spaarde. Daarna trad ik bij een koekbakker binnen, die van de podraga luide gillen slaakte. Hem, zoo min als de gerechtsdienaar, spaarde ik het bloed aftappen en beval, dat men hem van tijd tot tijd moest laten drinken. Ik ontving twaalf realen voor mijn voorschriften, wat me zooveel schik in mijn ambt deed krijgen, dat ik niets liever wenschte dan wonden en bulten. Toen ik het huis van den koekbakker verliet, ontmoette ik Fabricius, dien ik sedert den dood van Sédillo niet meer gezien had. Hij bekeek me geruimen tijd met verbazing en begon toen uit alle macht te schateren, met zijn handen zijn buik vasthoudende. Nu, er was wel reden voor, want ik had een mantel, die over den grond sleepte, en een wambuis en broek, die vier keer grooter waren dan ze moesten zijn. Ik kon best voor een zonderling, belachelijk type doorgaan. Ik liet hem maar schudden van het lachen, niet zonder in verzoeking te komen zijn voorbeeld te volgen; maar ik hield me in om het decorum in de straat te bewaren en beter de waardigheid van den geneesheer op te houden, die geen belachelijk dier is. Had mijn dwaas voorkomen den lachlust van Fabricius gewekt, zoo werd deze door mijn ernstig gezicht nog verdubbeld; en toen hij flink had uitgebruld, riep hij uit: “Groote God, Gil Blas, wat zie jij er heerlijk uit. Duivels, wie heeft jou zoo toegetakeld?”—“Zachtjes aan, beste vriend, zachtjes aan; heb eerbied voor een nieuwen Hippocrates! Verneem, dat ik de plaatsvervanger ben van dokter Sangrado, die de beroemdste geneesheer van Valladolid is! Ik woon sedert drie weken bij hem; en daar hij niet bij machte is alle zieken, die hem roepen, zelf op te zoeken, ga ik er een gedeelte van zien om hem wat te verlichten. Hij bezoekt de groote huizen en ik de kleine.”—“Zeer goed,” hernam Fabricius, “dat wil zeggen dat hij je het bloed der armen overlaat en hij zich dat der voorname lui voorbehoudt. Ik wensch je geluk met jou deel, beter is het met het volk te doen te hebben dan met de groote wereld. Leve de geneesheer der voorsteden! Zijn fouten komen minder aan het licht en zijn moorden worden minder ruchtbaar. Ja, beste jongen, je lot lijkt me waard benijd te worden en om als Alexander te spreken: indien ik Fabricius niet was, zou ik Gil Blas willen zijn.”
Om den zoon van den barbier Nunez te toonen, dat hij geen ongelijk had het geluk van mijn tegenwoordigen werkkring te roemen, liet ik hem de realen van den gerechtsdienaar en den koekbakker zien; daarna gingen we een herberg binnen om een partijtje te drinken. Men bracht ons vrij goeden wijn, die me nog beter toescheen door den grooten lust dien ik gevoelde er van te proeven. Ik dronk met lange teugen, en in weerwil van het Latijnsche orakel, hoe meer ik er van in mijn maag goot, hoe meer ik voelde, dat dit orgaan de onrechtvaardige behandeling, die ik het deed ondergaan, niet kwalijk nam. We bleven lang in de herberg plakken, en we vermaakten ons zeer ten koste onzer meesters, zooals dat de gewoonte is onder dienaren. Vervolgens, ziende dat de avond begon te vallen, scheidden wij, na wederzijds beloofd te hebben, dat we elkaar den volgenden middag weer op dezelfde plaats zouden ontmoeten.
Nauwelijks was ik op mijn kamer, of dokter Sangrado kwam binnen. Ik begon met hem te spreken over de zieken die ik gezien had en overhandigde hem acht realen van de twaalf, die ik verdiend had met recepten schrijven. “Slechts acht realen,” zei hij na ze geteld te hebben, “dat is niet veel voor twee visites, maar enfin, men moet alles aannemen.” Vervolgens nam hij zelf het leeuwendeel, namelijk zes realen en gaf er mij twee, zeggende: “Hier Gil Blas, nu kunt ge vast beginnen een spaarcentje te overleggen. Bovendien kom ik dit met je overeen, dat ge het vierde deel krijgt van alles wat ge mij aanbrengt. Gij zult zoodoende in minder dan geen tijd rijk wezen, want als het Gode behaagt zullen er dit jaar veel zieken zijn.”
Ik kon tevreden zijn met mijn deel, daar ik het plan had altijd vooraf het vierde gedeelte van mijn ontvangsten achter te houden en daarna nog het vierde deel van de rest kreeg, zoodat wiskundig berekend bijna de helft van de geheele ontvangst voor mij was. Dit maakte mij vol ijver voor de geneeskunde. Den volgenden dag zoodra ik gegeten had, trok ik mijn kleeren van plaatsvervangend geneesheer aan en ging op weg. Ik bezocht verschillende zieken, wier namen ik opgeschreven had, en ik behandelde ze allen volgens dezelfde wijze, hoewel zij verschillende ziekten hadden. Tot nog toe was alles goed gegaan en dank zij den hemel had niemand zich nog verzet tegen mijn voorschriften; maar hoe ervaren een geneesheer ook moge wezen, er zullen altijd lieden zijn, die hem benijden en zijn behandeling becritiseeren. Ik trad binnen bij een kruidenier, die een waterzuchtig zoon had. Ik trof hem in gezelschap van een kleinen, donkeren dokter, een zekeren Cuchillo, dien een bloedverwant had meegebracht om den zieke eens te zien. Ik groette iedereen zeer hoffelijk en in het bijzonder den man, dien men, naar ik oordeelde, had medegebracht om zijn raad te hooren. Hij groette zeer deftig en na mij eenige oogenblikken nauwkeurig te hebben gadegeslagen, zei hij zeer beleefd: “Mijn waarde collega, ik verzoek u mijne nieuwsgierigheid te verontschuldigen. Ik dacht alle geneesheeren van Valladolid te kennen, die natuurlijk mijn collega’s zijn, maar ik moet bekennen, dat uw gelaatstrekken mij onbekend zijn. Gij hebt u dus zeker pas sedert zeer korten tijd hier gevestigd.” Ik antwoordde dat ik nog maar pas in de praktijk was en dat ik nog slechts werkte onder toezicht van dokter Sangrado. “Ik mag u dan voorzeker gelukwenschen, dat gij de methode van zulk een groot man tot de uwe gemaakt hebt. Ik twijfel dan ook niet, of gij zult wel zeer ervaren zijn al schijnt gij nog zeer jong.” Hij zei dat op zoo’n natuurlijken toon, dat ik niet wist of hij het in ernst had gezegd of dat hij mij bespotte. Ik dacht er nog over na, wat ik hierop zou antwoorden, toen de kruidenier, gebruik makende van dezen tusschentijd, het woord nam: “Mijne heeren, ik ben overtuigd dat gij beiden de geneeskunde op uw duimpje kent; onderzoekt dus beiden mijn zoon en brengt uw oordeel uit wat wij moeten doen om hem te genezen.”
Hierop begon de kleine dokter den zieke nauwkeurig te onderzoeken en na mij alle symptonen van de ziekte gewezen en uitgelegd te hebben, vroeg hij mij hoe ik dacht dat de zieke behandeld moest worden. “Ik ben van oordeel,” antwoordde ik, “dat men hem elken dag een aderlating moet laten ondergaan en dat hij overvloedig warm water moet drinken.” Bij deze woorden zei de kleine dokter glimlachend op een boosaardigen toon: “En zijt gij van meening dat deze middelen den zieke het leven zullen redden?” “Twijfel er niet aan,” zei ik op beslisten toon, “gij zult den zieke zienderoogen zien genezen; die aderlatingen zullen dat effect teweeg brengen, omdat zij juist geschikt zijn voor al dergelijke ziekten. Vraag het maar eens aan dokter Sangrado!” “In dit opzicht,” hernam hij, “heeft Celcius groot ongelijk door te verzekeren, dat om waterzucht te genezen het zeer dienstig is den patiënt honger en dorst te doen lijden.” “O!” antwoordde ik, “Celcius is geenszins een orakel voor mij; hij heeft zich evenzeer vergist als anderen en soms kan ik mijzelven prijzen tegen zijne voorschriften te hebben gehandeld.” “Ik zie aan uw gesprek duidelijk,” antwoordde Cuchillo, “hoe dokter Sangrado zijn methode bij de jonge medici in zwang brengt. Aderlaten en drinken vormen zijne geheele geneesmethode en ik ben er niet verwonderd over, dat zoovele zieken onder zijne handen bezwijken.”
“Geen beleedigingen als het u blieft,” antwoordde ik hem kortaf; “iemand van uw beroep toont al heel weinig opvoeding door zulke verwijten te doen! Kom, kom, dokter, zonder aderlaten en drinkkuren van warm water worden er ook nog heel wat zieken naar de andere wereld gezonden. Gij zelf hebt er misschien meer naar den hemel gestuurd dan anderen. Als ge iets hebt tegen Sangrado, schrijf hem dan; hij zal niet op zijn antwoord laten wachten en wij zullen zien wie de lachers aan zijn zijde zal hebben.” “Wel voor den duivel!” antwoordde hij in woede, “kent gij dokter Cuchillo dan niet? Weet dan, dat ik niet met mij laat spotten, en dat ik in ’t minst niet bang ben voor Sangrado, die, niettegenstaande zijn ijdelheid en zijne verwaandheid, toch slechts een zonderling is.” Het gelaat van den kleinen dokter teekende een en al woede. Ik antwoordde hem op scherpen toon, hij niet minder en weldra gingen wij tot handtastelijkheden over. Wij gaven elkaar een paar vuistslagen en trokken elkaar de haren uit, doch spoedig kwamen de kruidenier en zijn zoon om ons te scheiden. Toen wij zoover waren, betaalden zij mij mijne visite en lieten mijn tegenstander, dien zij waarschijnlijk voor knapper hielden, bij zich blijven.
Na dit avontuur beleefde ik bijna een tweede. Ik ging een grooten zanger bezoeken, die de koorts had. Zoodra ik hem van warm water sprak, toonde hij zoo ’n afkeer van dit middel, dat hij begon te vloeken, mij duizend beleedigingen naar het hoofd slingerde en zelfs dreigde mij het venster te zullen uitwerpen als ik niet drommels gauw wegging. Dit liet ik mij geen tweemaal zeggen, trok mij snel terug en daar ik geen lust had dien dag nog meer zieken te gaan bezoeken, ging ik naar de herberg, waar ik met Fabricius had afgesproken te komen. Deze laatste wachtte mij al. Daar wij in een stemming waren om te drinken, dronken wij een stevig glaasje en keerden later in een vroolijke stemming halfdronken naar onze meesters terug. Sangrado bemerkte mijn dronken toestand niet eens, daar ik hem met zooveel vuur de worsteling met den kleinen dokter vertelde, dat hij mijn levendige gebaren aanzag voor nawerkingen van mijn heftigen gemoedstoestand bij het gevecht. Bovendien interesseerde mijn verslag hem zeer, daar het hem persoonlijk gold en verontwaardigd tegen Cuchillo riep hij uit: “Gij hebt zeer goed gedaan, Gil Blas, door onze geneesmiddelen te verdedigen tegen dat dwergachtig gedrochtje van de geneeskundige faculteit. Dat wil tegen mij volhouden dat men waterzuchtigen geen water te drinken mag geven? Zoo’n waanwijze gek! En ik houd vol dat men hun het gebruik van water wel mag toestaan. Het water alleen kan allerlei gevallen van waterzucht genezen, evenals het alleen goed is voor rheumatiek en bloedarmoede. Het is ook bijzonder genezend in gevallen van koorts, die iemand het eene oogenbiik verbrandt en hem het volgende oogenblik doet rillen van kou en ’t heeft een wonderdadige kracht bij katarrhale aandoeningen. Deze meening lijkt jonge dokters zooals Cuchillo vreemd, maar zij is zeer goed te verdedigen en als die lieden logisch konden redeneeren, inplaats van mij uit te jouwen, zooals zij doen, zouden zij mijne methode bewonderen en mijn ijverigste collega’s worden.”
Hij zag dus in het geheel niet, dat ik gedronken had, zoozeer was hij in woede ontstoken, want om hem nog meer te verbitteren tegen den kleinen dokter, had ik in mijn rapport eenige gebeurtenissen vermeld, die ik maar op eigen houtje er bij verzon. Hij geloofde dan ook, dat ik smaak begon te krijgen in die water drankjes en zei: “Tot mijn genoegen zie ik, Gil Blas, dat je al niet zoo’n afkeer meer van water hebt, en dat ge het al drinkt als wijn. Dit verwondert mij echter niet in ’t minst, mijn waarde vriend, want ik wist van tevoren, dat je je wel aan dezen drank zoudt gewennen.” “Alles op zijn tijd, mijnheer,” antwoordde ik hem, “op ’t oogenblik bijvoorbeeld zou ik een vat wijn geven voor een glas water!” Dit antwoord beviel den dokter zeer, die dan ook deze gelegenheid niet liet voorbijgaan om alle voortreffelijke eigenschappen van het water nog eens op te sommen. Met ware geestdrift verkondigde hij den lof van het water. “Duizendmaal te verkiezen boven onze tegenwoordige kroegen waren de drinkhuizen der oudheid, waar men zijne gezondheid en zijn geld niet ging verkwisten door wijn te drinken, maar waar men gezellig bijeenkwam om zich te amuseeren met een glas warm water. Men kan niet voldoende de wijze voorzienigheid van die oude meesters van het publieke leven bewonderen, die overal publieke gelegenheden hadden laten oprichten, waar men aan allen warm water schonk en die den wijn lieten opbergen in de winkels van de apothekers om het gebruik ervan slechts toe te staan op voorschrift van een geneesheer. Welk een verheven wijsheid! Het is misschien nog een gevolg van die oude soberheid, de gouden eeuw waardig, dat er nog heden ten dage enkele lieden zijn, zooals gij en ik, die slechts water drinken en die gelooven zich te harden tegen alle kwalen en die te genezen, door slechts warm water te drinken, dat men gekookt heeft; want ik heb opgemerkt, dat gekookt water zwaarder op de maag ligt en moeilijker wordt verdragen.”
Terwijl hij zijne welsprekende redevoering hield, moest ik mij goedhouden om niet telkens in lachen uit te barsten. Ik wist mij echter te bedwingen en deelde natuurlijk ten volle het gevoel van den dokter. Ik keurde het gebruik van wijn ten zeerste af en beklaagde de menschen, die van zulk een noodlottigen drank hielden. Daarna nam ik, daar ik nog vreeselijken dorst had, een groot glas water en dronk het met groote teugen uit. “Kom mijnheer,” sprak ik, “laten wij beiden ons laven aan dezen heilzamen drank! Laten wij in uw huis weer zoo’n drinkgelegenheid van warm water herstellen, zooals de ouden die hadden.” Hij juichte deze woorden luid toe en vermaande mij wel meer dan een uur om toch nooit iets anders te drinken dan water. Ik beloofde hem, dat ik, om mij er aan te gewennen, elken avond een groote hoeveelheid water zou drinken en om mij beter mijn belofte te doen houden, beloofde ik mijzelf, dat ik voortaan elken avond naar het wijnhuis zou gaan.
Het onaangename voorval, dat ik gehad had bij den kruidenier, verhinderde mij niet mijn beroep verder uit te oefenen en van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aderlatingen en warm water voor te schrijven. Toen ik op een keer uit het huis kwam van een dichter, die aan waanzin leed, ontmoette ik een oude vrouw, die mij staande hield en mij vroeg of ik een dokter was. Ik antwoordde haar ja. “O,” zei zij toen, “als dat zoo is, smeek ik u om met mij naar huis te komen, mijn nichtje ligt sinds gisteren ziek en ik weet niet wat haar scheelt.” Ik volgde de oude vrouw naar haar huis en trad een tamelijk zindelijke kamer binnen, waar ik iemand te bed zag liggen, Ik kwam dichter bij om te zien en terstond troffen mij haar gelaatstrekken en na haar eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen, herkende ik in haar de avonturierster, die zoo goed de rol van Camilla gespeeld had. Zij herkende mij blijkbaar niet, misschien omdat zij te veel pijn leed, of omdat mijn dokterskleeding mij onkenbaar maakte. Ik nam haar arm om haar de pols te voelen en bemerkte toen mijn ring aan haren vinger. Ik was ten prooi aan een heftige gemoedsbeweging op het zien van dat voorwerp, waarop ik eigendomsrecht had, en ik had grooten lust een poging te doen om mij er meester van te maken. Ik hield mij echter in, bedenkende, dat onze vrouwen zeker zouden beginnen te schreeuwen en dat misschien don Raphaël of een ander verdediger van het schoone geslacht op dit geschreeuw zouden toeschieten. Ik bedacht dus bijtijds, dat het maar beter was te huichelen en er eens met Fabricius over te beraadslagen. Ondertusschen drong de oude vrouw mij haar te zeggen, waaraan hare nicht lijdende was. Ik was natuurlijk niet zoo dom te bekennen dat ik er niets van wist, maar speelde den geleerde in navolging van mijn meester, zei ik dat de ziekte daardoor ontstond, dat de zieke niet transpireerde; dat het daarom noodzakelijk was zoo spoedig mogelijk een aderlating te doen, omdat een aderlating een vervanging was van het natuurlijk transpireeren. Bovendien beval ik het drinken van warm water om geheel in de gewoonte te blijven.
Ik bekortte mijn bezoek zooveel als ik maar kon en ging naar den zoon van Nunez, dien ik ontmoette juist toen hij een boodschap voor zijn meester ging doen. Ik vertelde hem mijn nieuw avontuur en vroeg hem of hij het in dit geval gewenscht achtte Camilla door de politie te doen arresteeren. “Niet doen,” riep hij uit, “want dat zou al heel dom zijn, daar je dan je ring zeker niet terug zoudt krijgen. Die luidjes houden er niet van iets terug te geven. Denk maar eens aan de gevangenis te Astorga; hebt ge hun niet alles moeten laten, je paard, je geld, ja zelfs je kleeren? Neen, we moeten hier veel slimmer te werk gaan en ik zal wel een list vinden. Ik zal er eens over denken terwijl ik naar het hospitaal ga, waar ik voor mijn meester een paar woordjes te zeggen heb aan den provisiemeester. Ga jij intusschen naar onze kroeg en wacht mij daar. Zoo spoedig mogelijk kom ik bij je.”
Er verliepen echter meer dan drie volle uren voor hij kwam. Op het eerste gezicht herkende ik hem niet zoo gauw. Behalve, dat hij een ander pak aangetrokken en zijne haren gevlochten had, bedekte een kunstmatige knevel de helft van zijn gezicht. Hij droeg een grooten degen en werd gevolgd door vijf mannen, die er even barsch uitzagen met hun zware snorren en die elk een lang rapier op zij droegen. “Uw dienaren, Mijnheer Gil Blas, ziehier een nieuwbakken ridder met zijn dappere knechten, die van hetzelfde slag zijn. Wilt u ons bij de vrouw brengen, die uwen diamanten ring heeft gestolen en wij zullen zorgen dat u hem terug krijgt.” Toen Fabricius uitgesproken had, vloog ik hem om den hals, waarna hij mij zijn geheele krijgsplan uitlegde en ik verzekerde hem dat ik dit prachtig vond. Ik groette daarna de nagemaakte krijgsknechten. Het waren drie lakeien en twee kappersbedienden, die hij kende en die hij gevraagd had ervoor te willen spelen. Ik liet wijn brengen om de bende te tracteeren en wij begaven ons daarna bij het vallen van den avond naar Camilla. Wij klopten op de gesloten deur en de oude vrouw kwam opendoen. Zij verschrikte hevig toen zij de mannen zag die zij voor politiebeambten hield, welke niet met lieflijke bedoelingen bij haar huiszoeking kwamen doen. “Stel je gerust oudje,” zei Fabricius, “wij hebben hier slechts even wat te doen en dat zal gauw genoeg afgeloopen zijn want wij zijn altijd zeer gehaast”. Dit zeggende ging hij ons voor naar binnen, en wij kwamen in de ziekenkamer waarheen de oude vrouw ons den weg wees en ons voorlichtte met een kaars in een zilveren kandelaar. Ik nam de kaars en begaf mij naar het ledikant en toonde mijn gezicht aan Camilla: “Trouwelooze,” zei ik, “herken je den al te lichtgeloovigen Gil Blas niet, dien ge bedrogen hebt! Zoo, canaille, ontmoet ik je dan eindelijk na je lang tevergeefs gezocht te hebben. De rechter heeft mijn beschuldiging aangenomen en zendt deze gerechtsdienaren om je te arresteeren. Welnu mijnheer de officier,” zei ik tot Fabricius, “doe wat u gelast is.” “Het is niet noodig mij aan te sporen mijn plicht te doen,” antwoordde deze met vervaarlijke stem. “Ik herken die jonge dame daar, sedert tien jaar staat zij bij mij in het roode boekje. Sta op, schoone dame, en kleed je maar gauw aan. Ik zal je tot schildknaap dienen en je naar de stadsgevangenis brengen, als je er niets op tegen hebt.”
Ziende dat twee van de krijgsknechten zich gereed maakten haar beet te grijpen en uit het bed te trekken, ging Camilla uit zichzelf rechtop zitten, vouwde de handen en in smeekende houding mij aankijkende bad zij mij: “Mijnheer Gil Blas, heb medelijden met mij; ik bezweer u bij een reine moeder aan wie gij het leven dankt, dat ik eer ongelukkig dan schuldig ben. Gij zult ervan overtuigd worden als gij slechts naar mijne geschiedenis wil luisteren—“Neen jonge dame,” schreeuwde ik, “ik wil je volstrekt niet aanhooren. Ik weet maar al te goed dat ge prachtige romannetjes kunt maken.”—“Welnu dan, daar ge mij niet toestaat mijzelf te rechtvaardigen, zal ik u uwen ring teruggeven, maar maak mij niet ongelukkig.” Dit zeggende trok zij mijn ring van den vinger en gaf hem mij terug. Ik antwoordde echter, dat ik niet met den ring alleen tevreden was, maar dat ik ook de duizend dukaten terug moest hebben, die mij in het gemeentehuis waren ontstolen. “O mijnheer,” riep zij uit, “wat uwe dukaten aangaat, vraag die niet aan mij. De schurk van een Raphaël heeft ze meegenomen en ik heb hem na dien tijd niet meer gezien.”—“Wel mijn lieve jonge dame,” zei toen Fabricius, “zou je nu ook maar niet ineens erbij liegen, dat je er in het geheel niets van hebt gekregen? Zoo goedkoop kom je er echter bij ons niet van af. Alleen het feit, dat ge een medeplichtige van Don Raphaël zijt, is voldoende om u rekenschap te vragen van uw geheele vroegere leven. Je zult wel heel wat op je geweten hebben en in de gevangenis kun je dan op je gemak een volledige bekentenis afleggen. Ik zal ook dit oudje medenemen; ik geloof dat zij wel heel wat geschiedenisjes zal kunnen vertellen, die den rechter niet onverschillig zullen zijn.”
Op het hooren van deze woorden stelden de beide vrouwen alles in het werk om ons te verteederen en begonnen luidkeels te jammeren en te klagen. Terwijl de oude vrouw op haar knieën liggende nu eens het medelijden inriep van den alguazil, dan weer van de krijgsknechten, smeekte Camilla mij op hartroerende wijze haar uit de handen van de justitie te redden. Het was als het ware een tooneelspel. Ik deed alsof ik mij liet verteederen. “Mijnheer de officier,” zei ik tot den zoon van Nunez, “daar ik ten minste mijn ring terug heb, zal ik mij over het overige maar troosten. Ik verlang niet, dat men deze vrouw straffen zal, want ik wil den dood van den armen zondaar niet!”
“Wat nu?” antwoordde hij, “gij hebt nog medelijden, je zoudt zeker niet deugen voor rechter. Ik zal dan ook kalm mijn opdracht verder vervullen. De rechter heeft mij uitdrukkelijk gelast deze twee jonge dames in hechtenis te nemen daar hij een voorbeeld met hen wil stellen.”
“Komaan,” antwoordde ik, “geef nu een weinig gehoor aan mijn bede en neem uw plicht nu eens niet zoo nauwgezet op met het oog op de belooning die deze dames u zullen geven.”
—O! in dat geval verandert de zaak een beetje. Zoo iets helpt altijd beter dan de grootste welsprekendheid. Komaan, wat willen de dames mij zooal aanbieden?”
“Ik heb een parelsnoer en oorbellen van groote waarde,” zei Camilla.
“Ja, maar,” viel hij plotseling in de rede, “als die van de Philippijnen komen wil ik ze volstrekt niet hebben.”
“Gij kunt ze gerust aannemen,” hernam zij, “ik sta u ervoor in, dat ze prachtig zijn.” Zij liet daarop de oude vrouw een kistje brengen waaruit zij het collier en de oorbellen haalde en gaf ze over aan den alguazil. Hoewel hij net zooveel verstand had van edelgesteenten als ik, twijfelde hij geen oogenblik aan de echtheid van de diamanten oorbellen en de parelen. “Die kleinoodiën schijnen heel mooi te zijn,” zei hij na ze nauwkeurig te hebben bekeken, “en als men er dan nog den zilveren kandelaar bijtelt, dien Gil Blas vasthoudt, dan geloof ik dat men mijn getrouwheid wel aan het wankelen zou kunnen brengen.”
“Ik geloof niet,” zei ik tot Camilla, “dat ge om zoo ’n kleinigheid zulk een voordeelig accoordje zoudt willen misloopen,” en dit zeggende nam ik de kaars uit den kandelaar en gaf de eerste aan de oude vrouw en den laatste aan Fabricius. Hij liet het hierbij, misschien ook omdat hij niets meer in de kamer zag wat hem geschikt leek mede te nemen en zich tot de twee vrouwen wendende, zei hij: “Vaarwel dames, weest gerust, ik zal met den corregidor spreken en u onschuldig als lammetjes pleiten. Wij kunnen hem de zaken altijd zoo voorpraten, als wij dat zelf willen en wij geven hem alleen dan een getrouw verslag wanneer wij geen belang erbij hebben hem een valsch te geven.”