Ik bleef eenige dagen bij den jongen barbier. Vervolgens sloot ik mij aan bij een koopman uit Ségovia, die met vier muilezels koopwaren naar Valladolid had gebracht en nu na gedane zaken huiswaarts keerde. Wij maakten onderweg kennis met elkaar en hij had zoo’n schik in mij, dat hij mij met alle geweld bij zich te logeeren wilde houden toen wij te Ségovia aankwamen. Ik bleef twee dagen zijn gast en toen ik mij gereed maakte naar Madrid te vertrekken met een muilezeldrijver, belastte hij mij met een brief, dien ik persoonlijk aan zijn adres moest bezorgen, maar hij zeide niet dat het een aanbevelingsbrief was. Ik vergat niet hem te brengen bij Signor Mathes Melendez, een lakenkoopman, die bij de Zonnepoort woonde op den hoek van de Bahutierstraat. Nauwelijks had hij kennis genomen van den inhoud of hij zeide zeer hoffelijk: “Signor Gil Blas, mijn handelsvriend Pedro Palacio, schrijft mij zooveel goeds van u en beveelt je zoo warm bij mij aan, dat ik niet kan nalaten je een verblijf bij mij aan te bieden. Bovendien vraagt hij mij om te zien naar een goede betrekking en gaarne voldoe ik aan zijn verlangen. Ik geloof trouwens, dat het mij niet moeilijk zal vallen je goed geplaatst te krijgen.” Ik nam het aanbod van Melendez met blijdschap aan, maar ik was hem niet lang tot overlast. Na een week zei hij tot mij, dat hij over mij had gesproken met een van zijn kennissen, die een kamerdienaar noodig had en dat die post mij naar alle waarschijnlijkheid niet zou ontgaan. Juist kwam deze binnen en Melendez zeide, mij aanwijzend: “Mijnheer, dit is de jonge man waarvan ik u gesproken heb. Het is een eerlijke jongen van goede zeden; ik sta voor hem in als voor mij zelven.” De edelman keek mij doordringend aan, zeide dat mijn gezicht hem beviel en dat hij mij in zijn dienst nam. “Hij heeft mij slechts te volgen,” voegde hij er bij, “ik zal hem zeggen wat hij te doen heeft.” Bij deze woorden zeide hij den koopman goeden dag en nam mij mede naar de drukke straat, vlak bij de kerk van St. Filippus. Wij traden een vrij mooi huis binnen, waarvan hij een vleugel bewoonde; wij gingen een trap van vijf of zes treden op en traden in een kamer met twee breede deuren, die hij opendeed, en waarvan de eerste in het midden een getralied venster had. Door deze kamer gingen wij in een andere, waar een bed en andere meubelen stonden, alles eerder netjes dan rijk.
Had mijn nieuwe meester mij bij Melendez goed bekeken, zoo beschouwde ik hem thans op mijn beurt met veel attentie. Hij was ruim vijftig jaar, koel en ernstig; hij scheen mij zachtaardig van karakter en mijn oordeel over hem was niet slecht. Hij deed mij verscheidene vragen en tevreden over mijne antwoorden, zeide hij: “Gil Blas, ik geloof dat ge een degelijke jongen zijt, het doet me genoegen dat je in mijn dienst bent getreden. Van jouw kant zal je over je betrekking tevreden zijn. Ik zal je zes realen daags geven, waarmee je zelf voor je voedsel en onderhoud moet borgen, behalve de kleine voordeelen, die gij bij mij zult hebben. Overigens ben ik niet lastig, ik eet in de stad. Gij behoeft alleen ’s morgens mijn kleeren af te borstelen, de rest van den dag zijt ge vrij. Alleen sta ik er op dat je ’s avonds vroeg naar bed gaat en mij aan de deur opwacht; dat is alles wat ik van je verlang.” Daarop gaf hij mij zes realen. Wij gingen vervolgens beiden weer uit en zelf sloot hij de deur en nam de sleutels mee. “Volg mij niet, mijn vriend,” zeide hij, “ga waar je wilt, maar als ik vanavond thuis kom, dan moet ik je op de stoep vinden.” Bij deze woorden verliet hij mij en ik was mijn eigen meester.
“Waarachtig, Gil Blas,” zei ik tot mijzelf, “je zoudt geen beteren meester kunnen vinden! Je ontmoet een man, die je om ’s morgens zijn kleeren af te borstelen en zijn kamer te doen zes realen per dag geeft, met vrijheid te gaan wandelen en je te vermaken als een schooljongen in de vacantie. Prettiger betrekking is niet te bedenken.” Ik verwonderde mij niet meer, dat ik lust had gehad naar Madrid te gaan; ik had zeker een voorgevoel van het geluk dat mij daar wachtte.
Ik vond dit nieuwe leven heel aangenaam. En nog vermakelijker was, dat ik den naam van mijn meester niet eens wist. Melendez wist hem niet eens. Hij kende hem als een heer, die af en toe in zijn winkel kwam en wien hij dan wel eens laken verkocht. Onze buren konden mijne nieuwsgierigheid ook al niet bevredigen. Zij zeiden mij, dat hij bij niemand in de buurt aan huis kwam en eenigen, gewoon allerlei gevolgtrekkingen te maken, besloten daaruit dat men niet gunstig over hem kon oordeelen. Men ging zelfs verder; men verdacht hem een spion te zijn van den koning van Portugal en men waarschuwde mij mijne maatregelen daarvoor te nemen. Deze raad hinderde mij; ik bedacht, dat ik dan wel kans had kennis te maken met de gevangenissen van Madrid, die me niet geriefelijker voorkwamen dan de andere. Mijn onschuld was geen reden tot gerustheid; wat mij al overkomen was, had mij een heilige vrees ingeboezemd voor alles wat justitie was. Ik had tweemaal ondervonden dat, al liet zij onschuldigen niet sterven, zij door de zonderlinge wijze waarop zij de wetten der gastvrijheid toepaste, het altijd treurig is met haar in aanraking te komen.
Ik raadpleegde Melendez, doch hij wist mij geen raad te geven. Ik besloot dus mijn meester na te gaan en hem te verlaten als hij werkelijk bleek een vijand van den staat te zijn; maar de voorzichtigheid en het aangename van mijn betrekking eischten dat ik zeer zeker van mijn zaak moest zijn. Ik begon dus zijn handelingen na te gaan en om hem op de proef te stellen, zeide ik op een avond onder het uitkleeden: “Mijnheer, ik weet niet hoe men zich tegen kwaadsprekendheid kan hoeden. De wereld is zoo slecht! Zoo hebben wij o. a. buren, die niet waard zijn dat de duivel ze haalt. Gij zult nooit raden hoe zij over ons spreken.” “En wat kunnen zij dan wel te zeggen hebben, mijn vriend?” vroeg mijn meester. “Ach mijnheer, de kwaadsprekendheid heeft waarlijk geen grens. Onze buren zeggen, dat wij gevaarlijke lieden zijn en de oplettendheid van het hof verdienen; in één woord: gij gaat door voor een spion van den koning van Portugal.” Bij deze woorden zag ik mijn meester scherp aan en merkte op, dat hij rilde; dat paste bij de beweringen van de buurt, daarna verviel hij in een droomerij, die ik niet gunstig uitlegde. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide mij tamelijk kalm: “Gil Blas, laat onze buren maar praten en onze rust door gebabbel niet verstoren.”
Daarop ging hij slapen en ik deed hetzelfde zonder te weten waaraan ik mij moest houden. Toen wij ons den volgenden dag gereed maakten uit te gaan, hoorden wij hard kloppen op de eerste deur van de trap. Mijn meester opende de andere en keek door het kleine getraliede venster. Hij zag een goed gekleeden man, die zeide: “Mijnheer, ik ben alguazil en ik kom u zeggen dat mijnheer de corregidor u wenscht te spreken.” “Wat wil hij van mij?” vroeg mijn meester. “Dat weet ik niet, mijnheer,” hernam de alguazil, “maar gij hoeft slechts naar hem toe te gaan om het direct te vernemen. “Mijn complimenten,” zeide mijn meester, “ik heb niets met hem uit te staan”; hierop sloot hij het venster van de deur en na eenigen tijd in gedachten op en neer te hebben geloopen, alsof dat hem veel te denken had gegeven, stopte hij mij mijne zes realen in de hand en zeide: “Gil Blas, mijn jongen, je kunt heengaan; ik ga niet zoo vroeg uit en heb je vanmorgen niet meer noodig.” Ik maakte hieruit op, dat hij bang was te worden gearresteerd en dat hij daarom in huis wilde blijven en om te weten te komen, of ik mij ook vergiste, verborg ik mij zoo, dat ik hem kon zien als hij zou uitgaan. Maar een uur later zag ik hem op straat, zoo zeker in zijn houding, dat ik er verbaasd van was. Ik liet mij echter niet van de wijs brengen en verbeeldde mij, dat hij slechts thuis was gebleven om alles wat hij aan goud en juweelen bezat, bij elkaar te nemen en dat hij nu waarschijnlijk maatregelen ging nemen om snel te kunnen vluchten. Ik had geen hoop hem weer te zien en ik twijfelde of ik ’s avonds wel naar zijn huis zou gaan, zoo zeker was ik, dat hij de stad zou verlaten om het hem dreigend gevaar te ontloopen. Nochtans mankeerde ik ’s avonds niet en tot mijn verrassing kwam mijn meester op den gewonen tijd thuis. Ik ging naar bed zonder de minste ongerustheid te doen blijken en stond den volgenden morgen kalm op.
Toen hij bezig was zich te kleeden, werd er eensklaps op de deur geklopt. Mijn meester keek door het kleine venster, herkende den alguazil van den vorigen dag en vroeg hem wat hij wilde. “Doe open,” antwoordde de alguazil, “de corregidor wil u spreken.” Bij dezen verschrikkelijken naam verstijfde het bloed in mijn aderen. Sedert ik in hun handen was geweest, had ik een duivelsche vrees voor die heeren en ik had wel honderd mijlen van Madrid willen zijn. Mijn meester was minder verschrikt dan ik; hij opende de deur en ontving den rechter eerbiedig. “Gij ziet, dat ik niet met veel gevolg kom,” zeide de corregidor, “ik wil de zaak afdoen zonder opzien te baren. Ondanks de slechte geruchten, die over u loopen, geloof ik dat men u eenigszins behoort te ontzien. Zeg mij hoe gij heet en wat gij in Madrid komt doen.” “Mijnheer,” antwoordde mijn meester, “ik kom uit Nieuw-Castilië en heet don Bernard de Castil Blazo. Mijn bezigheden zijn wandelen, den schouwburg bezoeken en ik verheug mij dagelijks in een aangenamen handel met enkele lieden.” “Gij hebt zeker een groot inkomen?” vroeg de rechter. “Neen, mijnheer, ik heb renten, noch landen, noch huizen.” “En waarvan leeft gij dan wel?” hernam de corregidor. “Dat zal ik u laten zien,” antwoordde don Bernard. Tegelijk trok hij een kleed weg, opende een deur, die ik nog niet bemerkt had, vervolgens daarachter weer een en liet den rechter binnen in een kabinet, waar een groote koffer stond geheel met goudstukken gevuld.
“Mijnheer,” zeide hij vervolgens, “gij weet dat de Spanjaarden vijanden zijn van werken; hoe groot de afschuw echter is, die zij van vermoeienis hebben, de mijne, ik verzeker het u, overtreft die nog ver; ik ben lui uit temperament en zoo lui, dat, als ik zou moeten werken om te leven, ik van honger zou sterven. Om dus te kunnen leven overeenkomstig mijn aard, om mijn goederen niet behoeven te besturen en nog meer om het zonder een intendant te kunnen doen, heb ik al mijn goed, dat uit verscheidene belangrijke erfenissen bestond, in contanten omgezet. In dien koffer zijn vijftig duizend dukaten. Dat is meer dan ik voor de rest van mijn dagen noodig heb, als ik langer dan een eeuw zou leven, daar ik er jaarlijks geen duizend uitgeef. Ik vrees dus de toekomst niet; ik houd weinig van pretmaken, ik speel alleen voor genoegen en ik heb genoeg van de vrouwen.”
“Wat zijt gij gelukkig!” zeide de corregidor toen. “Men verdenkt u wel zeer verkeerd een spion te zijn; zoo iets komt weinig met uw aard overeen. Ga voort te leven zooals gij doet, don Bernardo. Verre van u te willen verontrusten, zal ik uw verdediger zijn; ik vraag uw vriendschap en bied u mijn hand aan.” Hierop verliet de rechter don Bernard, die niet genoeg zijn erkentelijkheid kon toonen. Mijnerzijds maakte ik duizend buigingen om mijn meester te helpen, hoewel ik natuurlijk in het diepst mijner ziel alle verachting en afschuw voelde, die elk eerlijk man voor een alguazil heeft.
Nadat don Bernard de Castil Blazo den corregidor tot op straat uitgeleide had gedaan, kwam hij vlug terug om zijn brandkast te sluiten en alle deuren, die er toegang toe gaven; vervolgens gingen wij beiden zeer tevredengesteld uit, hij omdat hij zulk een machtigen vriend had verworven en ik in de zekerheid van mijn zes realen daags. De lust om dit avontuur aan Melendez te vertellen, deed mij den weg naar zijn huis inslaan, maar toen ik er bijna was, bemerkte ik kapitein Rolando. Ik was buitengewoon verbaasd hem daar te zien en ik kon niet nalaten te sidderen. Hij herkende mij ook, wendde zich ernstig tot mij en geheel zijn air van meerderheid bewarende, beval hij mij hem te volgen. Bevend gehoorzaamde ik en dacht bij mij zelven: “Helaas, hij zal mij doen betalen voor wat ik hem geleverd heb. Misschien heeft hij hier in de stad wel een hol. Maar als ik zooiets ontdek, zal ik toonen, dat mijn beenen niet lam zijn.” Ik liep dus achter hem aan, nauwkeurig oplettend, waar hij heenging en besloten zoo hard als ik kon weg te loopen, als het mij verdacht ging lijken.
Rolando deed spoedig mijn vrees verdwijnen. Hij trad een bekende herberg binnen en ik volgde hem. Hij vroeg den besten wijn en zeide voor ons beiden een diner klaar te maken. Wij gingen intusschen een kamer binnen, waar wij alleen waren en waar hij mij aldus aansprak: “Gil Blas, gij zult wel verwonderd zijn hier uw ouden commandant te zien en nog meer wanneer ik je alles verteld zal hebben. Op den dag dat ik met de anderen naar Mansilla ging om de paarden en ezels te verkoopen, ontmoetten wij den zoon van den corregidor van Leon met vier welgewapende en bereden mannen achter zijn karos. Wij deden twee van zijn lieden in het zand bijten, de twee anderen vluchtten. De koetsier, die voor zijn meester vreesde, riep ons toen smeekend toe: “Och lieve heeren, dood toch in hemelsnaam niet den eenigen zoon van den corregidor van Leon.” Deze woorden verzachtten mijne kameraden niet, zij wakkerden integendeel hunne woede aan. “Mijne heeren,” zei een van hen, “laten wij den zoon van onzen grootsten vijand niet doen ontsnappen. Hoeveel mannen van ons beroep heeft zijn vader niet doen sterven. Laten wij hen wreken.” Ik hield hen echter tegen. “Houd op!” zeide ik, “waarom zullen wij noodeloos bloed vergieten? Laten wij ons tevreden stellen met zijn beurs. Daar hij geen weerstand biedt, zou het barbaarsch zijn hem te vermoorden. Bovendien is hij niet verantwoordelijk voor zijn vader, en zijn vader doet alleen zijn plicht als hij ons ter dood veroordeelt, evenals wij den onze doen door den reizigers hun goed af te nemen.”
Mijn tusschenkomst was niet zonder nut. Wij namen alleen zijn beurs en verkochten de paarden van de twee gedoode heeren met de andere. Den volgenden morgen waren wij niet weinig verrast den val leeg te vinden en nog meer toen wij Leonarda gebonden in de keuken vonden. Wij bewonderden je, zoo goed als je ons met je koliek bedot had en we vergaven het je om den goeden streek, dien je ons geleverd had.
Toen wij vijf dagen later het bosch ingingen, werden wij overvallen door drie afdeelingen boogschutters, die ons schenen op te wachten. Onze luitenant en twee anderen werden gedood en ik en twee van onze mannen zoo nauw omsingeld, dat we gevangen werden genomen. Terwijl wij naar Leon gebracht werden, ging men tevens onze schuilplaats vernielen, die op de volgende wijze ontdekt was. Op den morgen van je vlucht bemerkte een boer uit Luceno bij toeval het luik, dat je niet neergeslagen hadt. Hij vermoedde, dat dat onze schuilplaats was en ging naar Leon om zijne ontdekking aan den corregidor mee te deelen, wien dit des te meer genoegen deed nu zijn zoon door ons was bestolen. Deze rechter zond drie brigades uit om ons te vatten en de boer was hun gids.
Mijn aankomst in Léon was een groot schouwspel voor de inwoners. Als ik een gevangen generaal was geweest, dan had men niet harder kunnen loopen om mij te zien. “Daar is die beruchte kapitein,” riep men, “de schrik van onze buurt! Hij verdient gevierendeeld te worden evenals zijne kameraden.” Men bracht ons voor den corregidor, die begon met ons te beleedigen. “Wel, schurk,” zeide hij, “de hemel, die uwe misdaden moede is, levert u aan mijne rechtvaardigheid over.” “Mijnheer,” antwoordde ik, “al heb ik tal van misdaden begaan, dan heb ik toch niet den dood van uw eenigen zoon op mijn geweten; daarvoor behoort ge mij erkentelijk te zijn.” “Ellendeling,” riep hij uit, “met lieden van uw slag moet men oppassen edelmoedig te zijn! En al wilde ik u redden, dan zou mijn plicht het nog verbieden.” Daarop liet hij ons opsluiten in een hok, waar hij mijne kameraden niet lang liet smachten. Drie dagen later werden zij er uitgehaald om een tragische rol te spelen op het marktplein. Ik bleef drie volle weken in de gevangenis. Ik dacht, dat men mijn terechtstelling slechts uitstelde om ze des te verschrikkelijker te doen zijn en ik bereidde mij voor op een geheel nieuwe wijze te worden gedood, toen de corregidor mij bij zich liet brengen. “Hoor uw vonnis,” zeide hij, “gij zijt vrij. Zonder u zou mijn eenige zoon vermoord zijn. Als vader heb ik dien dienst willen erkennen en daar ik als rechter u niet kon vrijspreken, heb ik te uwen gunste naar het hof geschreven; ik heb genade voor u gevraagd en verkregen. Ga dus. Maar,” voegde hij erbij, “maak gebruik van deze gelukkige gebeurtenis. Keer in tot u zelven en verlaat voor altijd het rooversberoep.”
Deze woorden troffen mij en ik ging naar Madrid in het besluit daar kalm te gaan leven. Ik vond mijn ouders gestorven en mijn erfenis in handen van een ouden bloedverwant, die mij er rekenschap van heeft gegeven, gelijk alle voogden doen. Ik heb niet meer dan drie duizend dukaten uit zijn handen kunnen krijgen, wat niet het vierde deel is van mijn goed. Maar wat kon ik er aan doen? Ik zou er niets mede winnen herrie te maken. Om de ledigheid te vermijden, heb ik een plaats van alguazil gekocht, welk beroep ik uitoefen alsof ik mijn geheele leven niets anders had gedaan. Maar het bevalt mij niet bijster; men moet al te voorzichtig en geheimzinnig te werk gaan; men kan er alleen stilletjes en schrander in bedriegen. Ik betreur mijn oude beroep. Ik beken dat hier meer zekerheid is, maar er is meer genoegen in het oude en ik houd van de vrijheid. Ik heb wel lust om me van mijn betrekking te ontdoen en op een mooien dag naar de bergen aan den oever van den Taag te gaan. Ik weet dat daar een schuilplaats is door een troep Cataloniërs bewoond. Als gij mee wilt gaan, zullen wij hun aantal vermeerderen. Wel, hebt gij lust mij te volgen?”
“Iedereen heeft zijn neigingen,” zeide ik tegen Rolando; “gij zijt geboren voor gewaagde ondernemingen en ik voor een kalm en rustig leven.” “Ik begrijp je,” viel hij mij in de rede, “de dame die gij hebt ontvoerd, heeft uw hart nog in bezit en ongetwijfeld leidt ge met haar dat kalme en rustige leven, waarvan gij zoo houdt. Beken maar, mijnheer Gil Blas, dat gij haar in haar meubelen hebt gezet en dat ge samen leeft van de pistolen, die gij van ons hebt meegenomen.”
Ik zeide hem dat hij het mis had en dat ik hem onder het eten de geschiedenis van de dame zou vertellen, wat ik dan ook deed. Na het maal kwam hij nog eens op de Cataloniërs terug. Maar toen hij zag, dat hij mij niet kon overhalen, veranderde hij eensklaps en op trotschen toon voegde hij mij toe: “Daar gij zoo laag zijt om de voorkeur te geven aan uw dienstbaren staat boven de eer deel uit te maken van een troep dappere mannen, zoo laat ik u over aan uwe neigingen. Maar onthoud wat ik u zeggen zal: Vergeet dat ge mij vandaag ontmoet hebt en spreek nooit over mij, want als ik hoor, dat gij mij in uw gesprek mengt.... gij kent mij en ik zeg niets meer.” Hierop riep hij den waard, betaalde en wij gingen heen.
Toen wij de kroeg uitgingen en afscheid van elkander namen, ging mijn meester voorbij. Hij zag mij en ik bemerkte, dat hij meer dan eens den kapitein aankeek. Ik meende dat het hem verbaasde mij met zoo iemand te ontmoeten. Zeker is het dat het voorkomen van Rolando niet in zijn gunst was. Hij was een zeer grooten man met een lang gezicht en een neus als een papegaai en hoewel hij er niet kwaad uitzag, maakte hij toch den indruk een schelm te zijn.
Ik had mij in mijne vermoedens niet vergist. Des avonds sprak don Bernard telkens over den man dien hij bij mij gezien had en hij zou graag alles beloofd hebben wat ik van hem had kunnen zeggen als ik had durven praten, “Gil Blas,” vroeg hij, “wie is die groote grijpvogel, met wien ik je gezien heb?” Ik antwoordde dat het een alguazil was en ik verbeeldde mij, dat hij daarmee tevreden was en het er bij zou laten, maar hij deed nog vele andere vragen en daar ik er door in de war geraakte daar ik mij de bedreigingen van Rolando herinnerde, brak hij eensklaps het gesprek af en ging naar bed. Toen ik den volgenden morgen mijn gewonen dienst had gedaan, gaf hij mij zes dukaten inplaats van zes realen en zeide: “Dit mijn vriend, geef ik je voor diensten, die je me tot heden bewezen hebt. Ga een andere betrekking zoeken, ik kan geen knecht gebruiken, die zulke mooie kennissen heeft.” Het viel mij in hem te zeggen dat ik dien alguazil kende uit den tijd dat ik dokter in Valladolid was en dat ik hem wel eens geneesmiddelen had voorgeschreven. “Zeer goed,” zei mijn meester, “dat is prachtig bedacht, maar dat had je mij gisteren moeten zeggen inplaats van in de war te raken.” “Mijnheer,” antwoordde ik, “ik dorst u dat niet te zeggen uit zuivere discretie!” “Mijn jongen, ik dacht niet dat je zoo geslepen was, ga nu heen, ik geef je je congé, een jongmensch dat met alguazils omgaat, is niet in mijn smaak.”
Ik ging dadelijk aan Melendez deze slechte tijding meedeelen, die om mij te troosten, beloofde mij in een beter huis te doen treden. Een paar dagen later zeide hij mij werkelijk:
“Gil Blas, mijn waarde vriend, ge hebt zeker niet gedroomd van het geluk dat ik je ga aankondigen. Gij zult het aangenaamste baantje van de wereld krijgen. Ik zal je brengen bij don Mathias de Silva. Deze Mathias de Silva is wat men noemt een saletjonker. De intendant van don Mathias, ging hij voort, is een intieme vriend van mij. Wij zullen hem een bezoek gaan brengen. Hij zal je zelf aan zijn heer voorstellen en gij kunt er op rekenen, dat hij je om mij pleizier te doen met veel égards zal behandelen.” Onderweg vertelde hij mij dat de intendant een man van niets was, die rijk was geworden van het geld van twee geruïneerde families, waarbij hij intendant was geweest. “Ik waarschuw je, dat hij verschrikkelijk ijdel is: hij ziet graag de andere bedienden voor hem buigen als knipmessen. Regel je dus daarnaar, Gil Blas, maak eerst het hof aan mijnheer Rodriguez, den intendant, en doe alles om hem te behagen. Zijn vriendschap zal je van veel nut zijn en als ge slim genoeg zijt om zijn vertrouwen te winnen, dan zou hij je nog wel eens een aardig beentje te kluiven kunnen geven. Hij heeft er zooveel! Don Mathias is een jongmensch, die alleen aan plezier denkt en die niet het minste weten wil van zijn eigen zaken. Welk een prachtig huis voor een intendant!”
Toen wij ten huize van den intendant gekomen waren, vroegen wij signor Gregoris Rodriguez te spreken en men verwees ons naar zijn vertrekken, waar wij hem zouden kunnen vinden. Hij was er ook werkelijk in gezelschap van een soort boer, die een blauw linnen zak vol geld in de hand hield. De intendant, die er uitzag bleeker en geler dan een meisje dat het oude vrijstersleven moe is, kwam met uitgespreide armen op Melendez toe; de koopman spreidde ook zijn armen uit en zij omhelsden elkaar met meer aanstellerij dan natuurlijke vriendschap. Daarna kwam het gesprek op mij. Rodriguez nam mij van het hoofd tot de voeten nauwkeurig op en zei daarna, dat ik juist de persoon was dien don Mathias noodig had en dat hij zich gaarne ermede belastte mij aan dezen heer voor te stellen. Daarna deed Melendez uitkomen hoeveel belang hij in mij stelde en hij vroeg den intendant mij zijne protectie te geven. Vervolgens liet hij mij bij hem achter en nam na zeer veel complimenten afscheid. Toen hij vertrokken was zei Rodriguez tot mij: “Ik zal je naar mijn meester brengen als ik eerst dezen braven boer geholpen heb.” Hij wendde zich vervolgens tot den boer, nam hem zijn zak af en zei “Welnu Talego, we zullen eens zien of de vijfhonderd pistolen er zijn”. Hij telde zelve de geldstukken, vond ze accoord, gaf een kwitantie van het geld aan den boer en liet hem gaan. Daarna deed hij het geld weer in de zak en wendde zich tot mij met de woorden: “Nu kunnen wij naar mijn meester gaan; hij staat gewoonlijk tegen twaalf uur op en het is nu ongeveer één uur, zoodat hij wel bij de hand zal zijn.”
En werkelijk was don Mathias juist op. Hij was nog in zijn kamerjas en lag achterover in een langen stoel met een van zijn beenen over de leuning terwijl hij zich heen en weer wiegde bezig tabak fijn te maken. Hij sprak met een lakei die de rol van kamerbediende vervulde, gereed hem op zijn wenken te bedienen.
“Mijnheer,” zei de intendant, “hier stel ik u een jongmensch voor die de betrekking zou kunnen vervullen van hem, die u gisteren hebt weggejaagd. Melendez, een zaakwaarnemer, staat voor hem in; hij verzekert mij, dat het een verdienstelijke jongen is en ik geloof ook dat u wel tevreden over hem zult zijn.”—“Het is goed,” antwoordde de jonge edelman, “en daar gij hem bij mij brengt, neem ik hem zonder bedenken in mijn dienst. Ik benoem hem tot mijn kamerdienaar en daarmee heeft deze zaak afgedaan. En laat ons nu eens over andere dingen spreken, Rodriguez. Gij komt juist op tijd, want ik wilde je al laten roepen. Ik heb je een slechte tijding mede te deelen, mijn waarde Rodriguez. Ik heb vannacht zeer ongelukkig gespeeld; behalve de honderd pistolen, die ik bij mij had heb ik er nog tweehonderd bovendien verspeeld. Gij weet dat menschen zooals wij zulke schulden zonder uitstel moeten voldoen; wij zijn dat aan onze eer verplicht, terwijl wij het met de andere schulden niet zoo nauw nemen. Gij moet dus ergens tweehonderd pistolen zien te krijgen en ze aan de gravin de Pedrosa zenden”. “Mijnheer,” antwoordde de intendant, “dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Met uw welnemen, waar moet ik die som zoo ineens vandaan halen? Ik kan geen cent loskrijgen van uw pachters, hoe ik ze ook dreig. Toch moet ik uw knechts goed onderhouden en moet ik alles uitzuinigen om uwe uitgaven te bestrijden. Gelukkig ben ik er tot nog toe in geslaagd mij er door te slaan, maar ik weet niet meer tot welken heilige ik mij nog kan wenden, daar ik tot het uiterste gekomen ben”.—“Al dat gepraat helpt niet,” viel don Mathias hem in de rede, “en die verhalen vervelen mij maar. Zoudt gij misschien willen Rodriguez, dat ik mijn gedrag ging veranderen en dat ik zou gaan zorgen voor mijn bezittingen? Een mooie bezigheid voor een man als ik, die slechts voor zijn pleizier leeft!” “Geduld,” antwoordde de intendant, “en gij zult zien, dat zooals de zaken nu gaan gij spoedig hiervoor niet meer zult behoeven te zorgen.”—“Gij vermoeit mij,” hernam de jonge edelman knorrig, “gij martelt mij. Laat mij mijzelf ruineeren zonder dat ik het bemerk. Ik moet twee honderd pistolen hebben, hoor je, ik moet ze hebben”.—“Dan zal ik mijn toevlucht moeten nemen tot dien kleinen grijsaard die u al meer geld geleend heeft tegen hooge woekerrente”.—“Neem voor mijn part je toevlucht tot den duivel,” antwoordde Don Mathias; “als ik maar tweehonderd pistolen krijg kan mij de rest niet schelen.”
Toen hij dit op norschen, ontevreden toon gezegd had, ging de intendant heen en een voornaam jongeling, Antonio de Centellès, trad binnen. “Wat scheelt eraan mijn waarde,” zei hij tot mijn meester. “Gij ziet er zoo bedrukt uit, er ligt een waas van toorn over uw gelaat, Wie heeft je in zoo’n slechten luim gebracht? Ik zou haast durven wedden dat het die vlegel is, die daar juist weggaat.” “Ja,” antwoordde don Mathias, “het is mijn intendant. Elken keer als hij bij mij komt zegt hij mij dat ik van mijn kapitaal inteer ...” “Mijn waarde,” antwoordde don Antonio, “ik verkeer in hetzelfde geval. Ik heb een zaakwaarnemer die al even slecht te spreken is als jou intendant. Als de schurk mij eindelijk na herhaaldelijk bevel geld brengt, zou men haast zeggen dat hij het van zichzelf geeft.” Zij bleven zoo een tijdje in levendig gesprek toen zij gestoord werden door Gregorio Rodriguez, vergezeld van een kleinen grijsaard die bijna geen haar op zijn hoofd had. Don Antonio wilde vertrekken en zei: “Bonjour don Mathias, wij zien elkaar spoedig terug. Ik zal je maar alleen laten met deze heeren daar ge zeker een ernstige zaak met hen te behandelen hebt.”—“Welneen,” zei mijn meester, “blijf maar, jij bent niet te veel. Deze bescheiden grijsaard dien ge hier ziet, is een eerlijk man die mij geld leent tegen twintig procent.”—“Wat?” riep Centellès uit, “tegen twintig procent. Nu maar dan wensch ik je geluk dat ge in zoo goede handen zijt geraakt. Ik word niet zoo liefelijk behandeld. Ik koop geld tegen goud, want ik moet in den regel vijf en dertig procent betalen.”—“Wat een woekerrente,” riep toen de oude woekeraar vertoornd uit; “bedenken de schurken dan niet dat er nog een leven hiernamaals is? Nu verbaast het mij niet meer dat men zoo waarschuwt tegen geldschieters. Die woekerrente, die enkelen onder hen van hun geld nemen, kost ons onzen goeden naam. Als mijn collega’s zoo deden als ik, dan zou men ons niet uitjouwen want ik leen slechts om mijn evenmensch te helpen. O, als de tijden maar zoo waren als ik ze vroeger heb gekend, dan zou ik je mijn beurs leenen zonder rente te vragen en nu nog, hoe ellendig het er ook uitziet, ik heb haast nog gewetensbezwaar twintig procent te vragen. Maar men zou haast zeggen, dat het geld in de aarde verzwolgen is; men vindt haast geen geld meer en deze schaarschte noodzaakt mij wel mijn moraal wat te wijzigen.”
“Hoeveel hebt ge noodig?” ging hij voort zich tot mijn meester wendende.—“Ik moet tweehonderd pistolen hebben,” antwoordde don Mathias.—“Ik heb er hier vierhonderd in een zak,” hernam de woekeraar; “ik zal er u dus de helft van geven.” Dit zeggende haalde hij een blauw linnen zak van onder zijn mantel die mij dezelfde scheen als welke de boer Talego met vijfhonderd pistolen bij Rodriguez had gelaten. De grijsaard ledigde den zak, legde de geldstukken bij hoopjes op tafel en begon ze te tellen. Dit gezicht prikkelde het verlangen van mijn meester. “Mijn waarde Descomulgado,” zei hij tot den woekeraar, “ik bedenk daar iets, namelijk dat ik een groote dwaas ben. Ik leen slechts zooveel als noodig is om mijn schuld af te doen, zonder eraan te denken dat ik dan geen cent overhoud en ik zal je dus morgen weer een bezoek moeten brengen. Ik ben nu van plan alle vierhonderd pistolen van je te nemen om je de moeite te besparen morgen terug te komen.”—“Mijnheer”, antwoordde de grijsaard, “ik had een gedeelte van dit geld bestemd voor een goedhartigen bon-vivant die groote erfenissen heeft te wachten, welke hij zeer menschlievend gebruikt om kleine meisjes uit de wereld af te zonderen en hun woningen te meubileeren, maar daar u de geheele som noodig hebt, is zij ter uwer beschikking, als u mij slechts waarborgen kunt geven.”—“O, wat dat betreft,” viel Rodriguez in de rede, terwijl hij een papier uit zijn zak haalde, “gij zult de beste hebben. Dit papier heeft don Mathias slechts te teekenen en gij hebt het recht vijfhonderd pistolen te nemen van een van zijn pachters, zekeren Talego, een rijken landbouwer te Mondejar.” “Dat is voldoende,” antwoordde de woekeraar, “ge ziet wel dat ik niet lastig ben; als men mij slechts billijke voorstellen doet, neem ik ze zonder verdere tegenwerpingen aan.” Toen gaf de intendant een pen aan mijn meester, die zonder het biljet eerst te lezen onder het fluiten van een deuntje zijn naam er onder zette.
Toen dit afgeloopen was, zeide de grijsaard mijn meester vaarwel die hem hartelijk de hand drukte zeggende: “Tot weerziens mijn waarde, ik ben geheel tot uw dienst. Ik begrijp toch maar niet waarom men u voor een schurk aanziet, integendeel, lieden van uw soort zijn noodzakelijk voor den staat, gij zijt de troosters van duizenden kinderen van nette familie en de toevlucht van alle groote heeren wier uitgaven grooter zijn dan hun inkomsten.”—“Gij hebt gelijk,” riep Centellès uit; “de woekeraars zijn brave lieden die men niet voldoende kan achten en ik wil daarom ook dezen hartelijk vaarwel zeggen, vooral omdat hij tegen slechts twintig procent leent.” Dit zeggende ging hij naar den grijsaard toe om hem te omarmen en deze twee deftige heertjes duwden den woekeraar naar elkaar toe en vermaakte zich met hem, evenals twee kaatsers, die een bal slaan. En toen ze hem zoo een paar malen heen en weer hadden laten gaan, lieten zij hem uit met den intendant, die eerder die hartelijke omhelzingen had verdiend en nog wel wat bovendien.
Toen Rodriguez en zijn booze geest vertrokken waren, zond don Mathias door den lakei, die met mij in de kamer was, de helft van de pistolen aan gravin de Pedrosa en deed de overige in een lange beurs geborduurd met zijde en gouddraad en stak deze toen in zijn zak. Ten zeerste voldaan, dat hij nu weer geld had, zei hij op vroolijken toon tot don Antonio: “Wat zullen wij vandaag doen, laten we daar nu eens over spreken.”—“Ziezoo, nu spreek je nog eens als een verstandig mensch,” antwoordde Centellès, “welja laten we het daar eens over hebben.” Terwijl zij hierover aan het praten en overleggen waren kwamen twee andere heeren binnen. Het waren don Alexo Segior en don Ferdinand de Gamboa, beiden ongeveer van denzelfden leeftijd als mijn meester, namelijk zoowat acht en twintig jaar. Zij begonnen nu met hun vieren zeer levendig te spreken met veel gebaren alsof zij elkaar in geen tien jaar hadden gezien. Daarna zei Ferdinand die een echte lolmaker was tot don Mathias en don Antonio: “Mijne heeren, waar eet gij vandaag? Als ge nog geen plannen hebt zal ik jelui naar een herberg brengen waar men echten godenwijn drinkt. Ik heb er gedineerd en ik ben er dezen morgen tegen zes uur van thuis gekomen”.—“Had ik den nacht maar zoo verstandig doorgebracht, dan had ik mijn geld niet verloren”, zei don Mathias.
“Wat mij betreft,” zei Centellès, “ik heb mijzelf gisterenavond een nieuw genoegen verschaft, want ik houd veel van afwisseling. En men moet zijn genoegens wel eens varieeren wil men het leven aangenaam maken. Een van mijn vrienden nam mij mede naar een inner der belastingen, die voor den staat de zaken behartigt. Ik zag er veel weelde, goeden smaak en het maal leek mij bijzonder goed toebereid. Maar ik vond den heer des huizes van een belachelijkheid, die mij waarlijk vermaakte. De ontvanger, hoewel een echt burgermannetje, deed erg groot en zijn vrouw, hoewel vreeselijk leelijk, deed erg koket en vertelde allerlei gekruide moppen, terwijl er vier of vijf kinderen aan tafel zaten met hun gouverneur en ge kunt je een voorstelling maken hoe ik mij aan dat maal heb vermaakt!”
—“En ik, mijne heeren,” zei don Alexo Segiar, “ik heb gesoupeerd bij een komediespeelster en wel bij Arsenia. Wij waren met ons zessen: Arsenia, Florimonde, met een van haar kokette vriendinnen, de markies de Zenette, don Juan van Moncade en mijn persoontje. Wij hebben den nacht doorgebracht met drinken en lol maken. Wat een heerlijke nacht was dat! Weliswaar zijn Arsenia en Florimonde geen groote genieën, maar zij hebben slag van brassen en fuiven wat veel goed maakt. Het zijn vroolijke, levenslustige schepseltjes en dat is per saldo meer waard dan zulke deftige eerbare vrouwen!”
De heertjes gingen zoo voort met praten, terwijl ik don Mathias hielp bij het kleeden. Toen hij gekleed was, gebood hij mij hem te volgen en al de saletjonkers gingen gezamenlijk naar de herberg, waarheen Ferdinand de Gamboa hen zou brengen. Ik liep achter hen aan met nog drie bedienden, want ieder van die heertjes hield er een lijfbediende op na. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat deze drie bedienden hun meesters nadeden en zich hetzelfde air gaven. Ik groette hen als hun nieuwe makker en zij groetten mij terug. Een van hen keek mij een poosje aan en zei toen: “Mijn vriend, ik zie aan uwen gang, dat gij nog nooit bij een jongen saletjonker hebt gediend.”—“Helaas neen,” antwoordde ik, “en ik ben pas heel kort hier in Madrid.”—“Dat merk ik,” antwoordde hij, “want gij ziet er nog echt als een boertje uit, schuchter en verlegen; er is iets houterigs in je bewegingen, maar dat is niet zoo heel erg, we zullen je gauw genoeg wat ontbolsterd hebben, daar ben ik niet bang voor.”—“Gij vleit mij zeker,” antwoordde ik.—“Neen,” hernam hij, “er is geen stommeling zoo groot, of wij kunnen er nog wat van maken, reken daar maar gerust op.”
Hij behoefde mij verder niets te zeggen om mij te doen begrijpen, dat ik een stel aardige snuiters tot makkers had en dat ik aan geen betere handen kon zijn toevertrouwd om een nette jongen te worden. Toen wij in de herberg aankwamen, vonden wij een gereedstaanden maaltijd, dank zij de voorzorg van don Ferdinand, die hem reeds ’s morgens besteld had. Onze meesters zetten zich aan tafel en wij maakten ons gereed hen te gaan bedienen. Wat onderhielden zij zich vroolijk met elkaar! Ik had er een waar genoegen in ze zoo te hooren. Hun karakter, hun gedachtenwisseling en hun uitdrukkingen vermaakten mij zeer. Wat een geestdrift! Wat een spitsvondigheden! Die heeren maakten op mij den indruk van een heel nieuw soort menschen. Toen zij aan het dessert gekomen waren, brachten wij hun een groote menigte flesschen van den besten Spaanschen wijn en lieten hen vervolgens alleen om ons naar een kleine eetzaal te begeven, waar men voor ons een maaltijd gereed had gezet.
Al heel spoedig ontdekte ik, dat mijn metgezellen nog veel verdienstelijker waren dan ik eerst had gedacht. Zij waren niet alleen niet tevreden hun meesters in manieren na te doen, maar bootsten zelfs hun spraak na en die oolijke snaken deden het zoo meesterlijk, dat het bijna hetzelfde was. Ik bewonderde hun vrije en ongedwongen manieren en ik werd nog meer getroffen door hun geestigheid, zoodat ik begon te wanhopen of ik ooit zoo’n beminnelijk persoon zou kunnen worden. De bediende van Don Fernando nam de honneurs aan den maaltijd waar, aangezien het ook zijn heer was, die de onze trakteerde en daar hij wilde, dat er niets aan ontbrak, riep hij den waard en zei: “Mijnheer de waard breng ons tien flesschen van je besten wijn en tel ze maar op bij die van onze heeren, zooals ge dat altijd doet.” “Met zeer veel genoegen,” antwoordde de waard, “maar denk er aan, mijnheer Gaspard, dat don Fernando mij al heel wat maaltjes schuldig is. Als ge eens een goed woordje voor mij kon doen om wat geld van hem los te krijgen....” “O!” viel hem de bediende in de rede, “maak je maar niet ongerust over wat hij u nog schuldig is, ik sta er je borg voor; de schulden van mijn meester zijn even goed als staven gouds. Het is maar jammer, dat eenige onbeschofte schuldeischers beslag hebben gelegd op onze inkomsten, maar morgen wordt dat beslag opgeheven en wij zullen je dan betalen zonder zelfs de rekening te zien, die gij ons overlegt.” De waard bracht ons, niettegenstaande het beslag, toch den wijn en wij dronken dien op in afwachting van de opheffing van het beslag. Gij hadt moeten zien hoe wij telkens weer op, elkaars gezondheid dronken, terwijl wij elkaar bij den naam van onze meesters noemden. De bediende van don Antonio noemde dien van Ferdinand Gamboa en de bediende van don Fernando noemde dien van don Antonio Centellès. Zij noemden mij Silva en wij werden zoo zoetjes aan bij het geven van die bijnamen dronken, juist als de heeren, die deze namen in werkelijkheid droegen.
Hoewel ik mij natuurlijk niet zoo verdienstelijk maakte als mijn medegasten, zeiden zij mij herhaaldelijk, dat zij zeer tevreden over mij waren.
“Silva,” zei een van de geslepenste onder hen, “wij zullen wat van je maken, mijn waarde, want ik zie, dat ge een genie in je verbergt, maar ge weet er geen partij van te trekken. De vrees je slecht uit te drukken is oorzaak dat ge niets op goed geluk durft zeggen en toch is het durven spreken de reden, dat op ’t oogenblik zeer velen zich tot groote geesten weten te verheffen. Wilt gij uitblinken, dan hebt ge je slechts te laten gaan en slechts alles te zeggen wat je maar in den mond komt; je onbesuisdheid zal doorgaan voor edele stoutmoedigheid. Al zou je ook honderd domheden debiteeren, als je maar een enkele geestigheid zegt, zal men je domheden vergeten. Men zal je gevatheid onthouden en men zal hoog opgeven van je verdienstelijkheid. Dat is het nu juist wat onze meesters ook doen en zoo moet ieder handelen, die de reputatie wil hebben van een buitengewoon schrandere kop te zijn.”
Natuurlijk verlangde ik ten zeerste voor een genie door te gaan en het geheim, dat men mij openbaarde, leek mij zoo gemakkelijk, dat ik meende het in toepassing te moeten brengen. Ik nam er terstond de proef van en de wijn, dien ik gedronken had, deed die proef gelukkig slagen, d. w. z. dat ik er maar op los begon te praten en dat ik onder zeer veel dwaze dingen een paar geestigheden debiteerde, die zij zeer toejuichten. Dit eerste welslagen van mijn pogingen gaf mij vertrouwen, ik werd nog luidruchtiger om nog maar meer geestigheden te zeggen en het toeval hielp mij ook ditmaal.
“Welnu,” zei mij daarop een van mijn makkers, die mij op straat had toegesproken, “begint ge nu al niet te ontbolsteren? Je bent nog geen twee uur in ons gezelschap en je bent al een heel ander mensch en ge zult zoo elken dag zienderoogen veranderen. Zoo ziet ge nu wat het zeggen wil bij deftige meesters in dienst te zijn, dat ontwikkelt den geest; als men bij burgerlui in dienst is, bereikt men dit niet.”—“Neen, dat is vast en zeker,” antwoordde ik, “en ik zal mij in het vervolg dan ook alleen in dienst stellen van den adel.” “Dat is flink gesproken,” riep de bediende van don Fernando tusschen twee slokken wijn uit: “het komt de bourgeois niet toe genieën in dienst te hebben zooals wij zijn. Welaan mijne heeren, laten wij hier zweren dat wij nooit die schooiers zullen dienen; laten wij dit zweren bij den Styx!” Wij juichten hem luidkeels toe en met het glas in de hand, zwoeren wij dezen koddigen eed. Wij bleven zoolang aan tafel totdat het onze meesters behaagde heen te gaan. Het was middernacht, wat mijn kameraden als een buitengewone matigheid voorkwam. De heeren verlieten echter slechts de herberg om zich te begeven naar eene bekende cocotte, die in de wijk van het hofpersoneel woonde en wier woning dag en nacht open was voor de lieden die van vroolijkheid hielden. Het was een vrouw van vijf en dertig tot veertig jaar, nog schoon en onderhoudend en zoo geheel thuis in de kunst om te behagen, dat men zeide dat zij de laatste overblijfselen van haar schoonheid duurder verkocht dan hare eerste schoonheid. Er waren bij haar in huis altijd twee of drie andere eerste klas cocottes, die niet weinig bijdroegen tot den grooten toeloop van heeren, die men er zag. Na het eten speelden zij, daarna soupeerden zij en brachten den nacht door met drinken en zich vermaken. Onze meesters bleven er tot den volgenden morgen en wij eveneens zonder ons te vervelen; want terwijl zij met de maitressen waren, vermaakten wij ons met de dienstmeisjes. Eindelijk namen wij afscheid van elkaar bij het aanbreken van den dag en wij gingen rust nemen.
Toen mijn meester als gewoonlijk om twaalf uur opstond, kleedde hij zich aan en ging uit. Ik volgde hem natuurlijk en wij begaven ons naar don Antonio Centellès, bij wien wij een zekeren don Alvaro d’Ancuna aantroffen. Nadat de drie jonkers elkaar hadden begroet, zei Centellès tot mijn meester: “Verduiveld, don Mathias, je komt of je geroepen bent! Don Alvaro komt mij halen om naar een bourgeois te gaan, die een diner geeft aan markies de Zenette en aan don Juan de Moncado; gij moet van de partij zijn.”—“En hoe heet die bourgeois?” vroeg don Mathias.—“Hij heet Gregorio de Noriega,” antwoordde don Alvaro. “’t Is een eerste dwaas, die er pleizier in heeft al zijn bezittingen op te eten, die doet als een saletjonker en die voor een man van geest wil doorgaan tegen zijn stomme natuur in. Hij heeft mij gevraagd hem te leiden. Ik regeer hem, mijne heeren, en ik kan u verzekeren, dat ik hem een goed eindje op weg help. Zijn goederen zijn al danig aan het slinken.”—“Dat geloof ik best,” riep Centellès uit, “ik zie onzen bourgeois nog in het armenhuis belanden. Kom, don Mathias,” ging hij voort, “laten wij eens nader kennis met dien man maken en er het onze toe bijdragen om hem van zijn geld af te helpen.”
Centellès en mijn meester begaven zich met don Alvaro naar Gregorio de Noriega, Wij gingen er ook heen, zijn bediende Magicon en ik, blij, dat wij een vrijen maaltijd hadden en dat wij het onze konden bijdragen om den bourgeois te doen verarmen. De heer des huizes leek mij een groote ezel. Hij trachtte tevergeefs de manieren van de saletjonkers na te doen, maar ’t was een zeer slechte copie van een bijzonder goed origineel of, om mij beter uit te drukken: een domkop, die zich als een verstandig mensch wilde voordoen. Stel je zoo iemand voor te midden van vijf spotvogels, die zich ten doel hadden gesteld een loopje met hem te nemen en hem aan te zetten tot groote uitgaven.
“Mijne heeren,” zei don Alvaro na de eerste begroetingen, “ik stel u hier don Gregorio de Noriega als een der volmaaktste ridders voor. Hij bezit duizenden voortreffelijke eigenschappen. Gij moet weten dat hij een zeer schrander hoofd heeft. Gij kunt over alles met hem praten van de fijnste scherpzinnigste logica af tot op de spelling toe; hij is letterlijk van alles op de hoogte.”—“O, dat is al te vleiend gesproken,” viel de bourgeois hem in de rede, terwijl hij zeer ongracieus lachte. “Ik zou u deze beweringen kunnen retourneeren, Signor Alvaro. Gij zijt in waarheid wat men noemt een bron van alle mogelijke ontwikkeling en kennis.”—“Ik had niet de bedoeling mij zulk een geestigen lof te laten toezwaaien,” antwoordde don Alvaro; “maar geloof mij, heeren, Signor Gregorio zal vast en zeker naam maken in deze wereld.”
Deze ironische gesprekken volgden elkaar voortdurend op en de arme Gregorio werd van alle kanten aangevallen, want de saletjonkers maakten telkens grappen op hem, waarin de domkop de aanval op zich niet eens merkte; integendeel nam hij in vollen ernst op alles wat men van hem zeide en hij scheen zeer tevreden over zijn gasten; het leek zelfs, dat zij hem nog genoegen deden hem voor den gek te houden. Ook gedurende den maaltijd vermaakten zij zich met hem en vervolgens bleven zij er den geheelen nacht. Wij matigden ons in het drinken juist zooals onze meesters en wij waren zoo frisch als een hoentje toen wij den bourgeois verlieten.