Boerin uit Algarvië.
We zijn in de hoofdstad van Algarvië, hoofdstad met het vreedzaam aanzien van klein stadje, dat zeker aan haar haven het te danken heeft, dat Silves er door onttroond is, de oude hoofdstad der provincie. De geschiedenis van Faro is nog al belangwekkend, en het oude slot heeft menig gevecht bijgewoond. Als het geheele land, behoorde Faro eerst aan de Mooren, die het in de 13de eeuw moesten ontruimen, in den tijd van de regeering van Alphonsus III, den populairen “koning der armen”. Op het eind der 16de eeuw, den ongelukstijd in de jaarboeken van Portugal, toen Filips II van Spanje over het land regeerde, ondervond de plaats den invloed van de onderdrukking. De beroemde nederlaag van de onoverwinnelijke vloot, die de vernietiging der zeemacht had na zich gesleept, gaf de stad onverdedigd over aan de invallen der Engelschen, die er in 1596 groote verwoestingen aanrichtten. Dat verleden is nu gelukkig niet meer dan een verre herinnering, en de rustige hoofdstad wordt bewoond door een bevolking van visschers en landbouwers.
Van het station bereikt men in enkele minuten een sierlijken en koelen tuin. De dichtbijzijnde haven is nogal levendig, en de vischmarkt geeft de gelegenheid, enkele typen van de kustbevolking beter te leeren kennen.
Aan zee ligt eerst een lange strook moerassig en onbebouwd land. Het is namelijk in het algemeen het geval, dat de weelderige en mooie plantengroei plotseling op eenigen afstand van de kust ophoudt en plaats maakt voor hard en kort moerasgras. De stad is in een halven cirkel gebouwd rondom de markt; de straten zijn druk, maar de bouwwerken van weinig beteekenis. Toch maakt de kathedraal uit den tijd der Renaissance, gelegen bij het bisschoppelijk paleis op een plein, waar men komt door een oud gewelf van het vroegere kasteel, een nogal schilderachtigen indruk met haar massieven toren en de onvoltooide campanila. Wat de Karmelieterkerk aangaat, aan de andere zij van de stad, men zou het gebouw, als het niet de beide rococo-torens had, door een balustrade verbonden, voor een of ander stijlloos ding kunnen houden voor onbestemd gebruik.
Deze nacht in Portugal heeft bij ons de herinnering nagelaten aan een hotel, dat op een haar geleek op de hotels op Corsica; slechts enkele kamers, eenvoudig maar netjes gemeubeld, op de een of andere verdieping van een huis; gewitte muren, witte, wat ruwe lakens, een bescheiden, goedige waard. Maar wat waren die bedden hard! En wat een stijfheid den volgenden morgen! Maar men gewent aan alles, zelfs aan portugeesche bedden, en men troost zich met de gedachte, dat ze bij warm weer inderdaad nog prettiger zijn dan de zachte, veeren bedden in sommige hoeken van Frankrijk, waar men neerzinkt in een bed van onaangename klamheid.
Het is warm in Faro en gelijkmatig, waarom de stad gekozen is als herstellingsoord bij verschillende ziekten; maar wij herhalen, deze geheele kust, die de uitgezochtste plaatsen zou aanbieden voor winterstations, is in den vreemde totaal onbekend. Als we er hebben bijgevoegd, dat Faro zetel is van een bisschop, en dat men er een heerlijk gebak eet, een specialiteit van de stad, gemaakt van droge vijgen met amandelen, geloof ik wel, dat er niets meer te zeggen valt van Faro. Trouwens men moet hier niet komen zoeken naar monumenten van bouwkunst of naar iets karakteristieks in zake de gebouwen. Al het genoegen van de reis en de vreugde voor de oogen zijn gelegen in het landschap; die kleine stadjes, zoo onbeteekenend, doen u behagelijk aan door het kader, waarin ze liggen, de helderheid van den hemel, de vroolijke en reeds warme Aprilzon en de pracht van het groen.
Het in Algarvië meest gebruikte voertuig.
De spoorweg door Algarvië brengt u door een zijlijn, die bij Tunes de hoofdlijn van Lissabon verlaat, naar Portimao en zal nog worden voortgezet naar Lagos. Die beide steden verdienen een bezoek om haar schilderachtige ligging en omdat beide de punten van uitgang zijn voor uitstapjes naar Monchique (Portimao) en kaap Sint Vincent (Lagos).
Na eenig oponthoud te Silves, dat mooi is gelegen op een heuvel bij de rivier, met de sierlijke kathedraal van de ruïne van de vestingwerken, maar zeer vervallen van haar vroegere grootheid, bereikt men in minder dan een half uur Portimao. Het station is op eenigen afstand van de stad gelegen, op den linkeroever van de gelijknamige rivier. Den toegang tot de stad geeft een houten brug van bijna tweehonderd meter lengte, van waar men een prachtig panorama geniet. Rechts lachende heuvelen, het bekoorlijke dal, waarin de rivier vloeit en aan den horizon de lijn van den Serra de Monchique; links de witte stad, een zeer drukke haven, waar talrijke visschersschepen voor anker liggen, en de rivier, die als een breed estuarium den oceaan bereikt.
Evenals te Tavira en te Lagos ligt een tuin vol bloemen aan de haven. In de schaduw van palmen zien wij naar den tegenoverliggenden oever, waar het dorp Ferrugado in het zonlicht glanst, terwijl men in het dichtbij zijn de hotel een smakelijk maal bereidt, waaraan wij geneigd zijn, groote eer te bewijzen. Krachtige soep, versche baktong, schapevleesch met rijst, malsche biefstuk, eieren in den dop, kaas en verschillende vruchten, koffie zonder cichorei, dat lijkt al heel weinig op het onsmakelijke eten, dat men ons had voorspeld! Tusschen twee haakjes, waarom worden de eieren altijd gepresenteerd op het laatst vóór het dessert, en waarom is een eierdopje een onbekend iets? De Portugees breekt zijn ei in een glas, klopt het, mengt er vaak suiker en melk doorheen en drinkt het mengsel; ik twijfel niet, of het zal wel lekker zijn, maar de bereiding is niet uitlokkend. Wij geven de voorkeur aan onze manier: een dik sneedje brood, waar het kruim in het midden uit is weggesneden, houdt het ei in positie en zoo krijgen we een geïmproviseerd eierdopje. Maar daar een ei alle dagen op het menu voorkomt, daar men dus alle dagen hetzelfde werk moet doen, om een primitieve bergplaats ervoor te maken, die het ei in verticalen stand houdt, zullen wij de volgende maal, als we weer in Portugal komen, eierdopjes meenemen.
Het dorp Odiachre in Algarvië.
Nog een opmerking, die niet onbelangrijk is. Er was ons verteld van de keuken der Algarviërs, dat ze niet alleen niet aanlokkelijk was om de schotels, die ze leverde, maar dat ze weerzinwekkend was om de vele olie van twijfelachtige verschheid, die er systematisch werd gebruikt. Hoe is het mogelijk, zoo van een land te lasteren! Niet alleen waren alle spijzen met boter bereid, maar op tafel stond bij elken maaltijd een schaaltje met versche boter, uitstekend van smaak.
De badplaats Monchique aan den voet van den Serra.
Doch nu naar Portimao! Op twee kilometer van de stad, bereikt men langs een cornicheweg, die de kronkelingen der rivier volgt, het strand van den oceaan bij een plek, de Rocha genoemd, waar een zeebad is, dat pas beginnend zich te ontwikkelen, een goede toekomst tegemoet gaat. Een hotel met een klein casino en een zeker aantal villa’s liggen er op de rots. Als de verkeersmiddelen in beteren staat waren tusschen Lissabon en Portimao, zou zeker deze plaats snel vooruitgaan, want het is onmogelijk, een veiliger strand te vinden, met fijner zand, een mooier zee en een schilderachtiger uitzicht op rotsen.
Van Portimao brengt ons een goede rijweg in drie uren naar Lagos door een golvende landstreek, waar de plantengroei altijd prachtig is en de dorpen altijd wit zijn. De Serra de Monchique beheerscht het landschap voortdurend, terwijl het land geleidelijk afdaalt naar de zee.
Een koele wind tempert de hitte van de zon. Telkens komen wij op ezels boeren tegen; hun bruine tint, hun groote oogen, hun scherp geteekende trekken wij zen op de Mooren, van wie ze afstammen.
Evenals Portimao is Lagos gebouwd aan een rivier, waarvan de breede golf aan den mond een goede haven vormt voor de visschersbooten. Net als te Villa Real doet de geheele bevolking aan vischvangst, terwijl de vangst door tal van fabrieken wordt bewerkt. Dit zeestadje was vroeger van groot belang, zooals nog blijkt uit de vestingwerken, die nog goed bewaard zijn gebleven en van waar men een ruim panorama overziet. Tot de rotsen van de Rocha breidt de reede zich in onmetelijke wijdte uit, die veilige reede, die de engelsche vloot zoo goed kent, omdat zij er geregeld binnenloopt, hetgeen een bron van welvaart oplevert voor alle bewoners.
Het lief gelegen Silves.
De straten zijn ongewoon druk. Er is iets aardigs in die fontein aan het eind van de Portastraat bij de vischmarkt, waar vrouwen en kinderen met de kruik op de zijde rustend, om beurten water komen halen, waar karren met in rijen geschaarde waterkruiken staan te wachten, om uit de levende bron hun vloeibare lading in te nemen. Als de avond is gevallen, maakt elke huisvrouw op den drempel van haar huis op een draagbaar fornuis het maal voor het gezin klaar, want het is altijd warm in Lagos en er is niet op schoorsteenen gerekend bij den bouw der huizen; van huis tot huis wordt er gepraat en gelachen, ook om de kuiten der toeristen, wier korte broek de aandacht trekt.
De koninklijke weg zet zich nog voort van Lagos tot Villo do Bispo over een afstand van 28 kilometer ongeveer door de dorpen Espiche, Almadena, Budens en Figueira. Ongemerkt is het landschap veranderd; men bemerkt, dat men die uiterste punt van Europa nadert, die vaak door stormen wordt geteisterd en waar de altijd woelige zee tegen de hooge rotsen breekt. Tot Villo do Bispo houdt intusschen de plantengroei aan, en de cultures volgen elkaar op. Daar eindigt plotseling de weg, en kleine ezeltjes, met wonderlijk hooge zadels zijn de eenige vervoermiddelen.
Villo do Bispo ligt op de punt van een driehoek, omvattend het Sagres-schiereiland en waarvan de basis gevormd wordt door een lijn, die de punt van Sagres met kaap Sint Vincent verbindt. Welk een landschap! Op eenigen afstand van het dorp wordt de plantengroei al armoediger; geen boom, geen stuk bouwland, de zandige en rotsachtige grond levert eerst nog distels op, waarvan de roode en witte bloemen de vlakte bedekken, maar dan verdwijnt alle spoor van planten; alleen enkele salieplanten en wilde immortellen en bramen leggen een beetje kleur op den rosbruinen grond. Welk een triestheid! Wat een verlatenheid! Welk een leegte! Aan den rechterkant verrijst kaap Sint Vincent met haar hooge, donkere rotsen, waarvan het zwarte gesteente altijd door nevelen is omgeven. Een machtige vuurtoren wijst aan de talrijke schepen op zee deze kust aan, waar zooveel schipbreuken hebben plaats gehad. Van het uiterste eind der kaap, die zich meer dan honderd meter boven de schuimende zee bevindt, dwaalt het oog over den onbegrensden oceaan; ons oud Europa eindigt daar in een bepaald grootsch panorama. Men kan begrijpen dat de Ouden, toen ze het beschouwden, er den naam van Promontorium sacrum aan gaven, heilige plaats, voorgebergte, door godsdienstig ontzag gewijd aan den god der zeeën.
Vlak naast den vuurtoren ziet men ruïnen, die moeten hebben behoord aan een oud klooster, dat beroemd was en gewijd werd aan den H. Vincentius, vandaar de naam van de kaap. De legende wil, dat het lijk van den heilige, dat na zijn martelaarschap te Valencia in Spanje begraven was, later, in den tijd der invallen door de Mooren in het Iberisch schiereiland, door vrome handen was overgebracht naar de verre schuilplaats van het heilige voorgebergte. Tien raven vergezelden den stoet. Aan de kaap verlieten ze het lijk van den heilige niet, en toen een kapel, die het bevatte, gebouwd was, vestigden de vogels zich duurzaam op het dak. Dit is een zeer oude legende. Edrisi, een arabisch aardrijkskundige uit de 12de eeuw zinspeelt erop in deze woorden, die de kaap beschrijven, waaraan hij den naam geeft van de Ravenkerk: “De kerk heeft geen veranderingen ondergaan vanaf den tijd der eerste christenen... Zij is gebouwd op een kaap, die in zee ver vooruitspringt; op den top van het gebouw ziet men tien raven; niemand weet, waarom die er verblijf houden, en niemand heeft ze ooit zien wegvliegen. De priesters, die met den dienst zijn belast, zeggen, dat het wondervogels zijn”.
Van kaap Sint Vincent naar Sagres vormt de kust diepe baaien, in welker diepte de zee onophoudelijk tegen de rotsen klotst. Als het mogelijk is, wordt het land nog troosteloozer. Sagres is nu niet anders dan een armoedig dorpje, welks ruwe bevolking om het leven kampt met den dorren grond en die, om haar dorst te lesschen, niets heeft dan het hemelwater, dat opgevangen wordt in zoogenaamde marete’s, réservoirs in de open lucht, die zoo zijn ingericht, dat ze aan den voet der hellingen al het vocht opvangen, vallend in deze kuststreken. Het is een zwart, vuil water, maar de menschen stellen het op hoogen prijs.
Kaap Sagres is eerder een schiereiland dan een kaap. Dat schiereiland wordt afgesloten door oude, lage, massieve vestingwerken, in welker midden een poort door een bastion gekroond is. Het dorp is evenals de kust vol van herinneringen aan den infant Hendrik, die de plaats in 1419 zou hebben gesticht en er werven zou hebben aangelegd en scholen, met het doel, de zeevaart te ontwikkelen en de groote zeevaartkundige ontdekkingen. Men laat u zelfs in Sagres het huis zien, waar hij zou hebben gewoond en waar hij ook gestorven zou zijn; ook merkt men er een marmeren plaat op, die er in 1839 is geplaatst boven de binnenpoort van de plaats op bevel van koningin Dona Maria II, teneinde voor altijd de herinnering levendig te houden aan den grooten Infant. Maar hier raken wij aan een probleem, dat de portugeesche archaeologen lang heeft bezig gehouden en nog niet met rust laat, namelijk waar precies de plek is van die “Villa do Infante”.
Er zijn twee inrichtingen; de eene pleit energiek voor Sagres, en de andere, steunend op de termen van een charter van Dom Hendrik, gedateerd van 19 September 1450 en op verschillende andere bescheiden en getuigenissen, bestrijdt die meening en plaatst de stad van den Infant dichter bij kaap Sint Vincent, op de plek, die Beliche genoemd wordt. Na onderzoek van de stukken zouden wij geneigd zijn tot de laatste opvatting. Hoe het ook zij, het staat wel vast, dat op deze kust en binnen een bekenden kring van ongeveer een mijl de infant omstreeks 1460 een dorp heeft gesticht, waaraan hij zijn naam verleende. Dat dorp had ten doel, zoo zegt het charter, hulp en bijstand te verleenen aan de talrijke schepen, die door tegenwind gedwongen waren in deze streken een schuilplaats te zoeken, en waarvan de bemanningen dikwijls op deze kusten aan land werden geworpen. De gedenkplaat van 1839 spreekt bovendien van een beroemde school van cosmographie, van een sterrenkundig observatorium en van werven voor den bouw van oorlogsschepen. Het lijkt dus wel zeker, al blijft nog open de discussie over enkele vragen naar personen, tijden en plaatsen, dat de omgeving van kaap Sint Vincent in vervlogen eeuwen het tooneel is geweest van groote maritime werkzaamheid; dat energieke zeevaarders en misschien groote vloten van daar zijn vertrokken, om verre landen te ontdekken en onbekende streken te leeren kennen. Men gevoelt nog duidelijker dan anders de ijdelheid van de aardsche dingen en de onstandvastigheid van het werk der menschen, als men deze treurige en verlaten streken doorreist, nu de stroom der jaren alles heeft verplaatst en zooveel heeft vernield, na het eerst te hebben opgebouwd.
De ezeltjes hebben bij het verlaten van Sagres hun tragen gang hervat; de doodsche streek ontvangt het laatste licht van den stervenden dag; de nacht valt langzamerhand over de kust en geeft aan de hooge rotsen schimachtige gedaanten, terwijl de maan over de rustig geworden zee een reuzendraperie van zilver legt.
Van Algarvië hebben wij tot nu toe slechts de vlakten en het strand gezien; wij moeten nog, voor we Alemtejo onder handen nemen, doordringen in dien Serra de Monchique, dien men ons als schoon heeft beschreven en waarvan de sierlijke vormen een wonderprachtig belvedère schijnen, geplaatst door de natuur juist aan het begin van ons oud Europa.
De rijweg, die naar de badplaats Monchique voert, gaat van Portimao uit en loopt langs den stijgenden rechteroever der rivier. Het uitstapje, met de onvermijdelijke bestijging van la Foia, het hoogste punt van de bergketen, kan desnoods in een enkelen dag gebeuren; maar als men het onvergelijkelijke schouwspel van den zonsondergang wil genieten, is het te verkiezen, naar beneden te gaan, om te logeeren in het hotel van de badplaats Monchique, van waar men gemakkelijk den volgenden morgen in Portimao terug kan zijn op het uur van het ontbijt. Wij kunnen dit uitstapje niet hartelijk genoeg aanbevelen; het is niet ver en niet vermoeiend, noch kostbaar, ongeveer 2000 of 2500 reis, dus zes of zeven gulden, voor een rijtuig met twee paarden. Maar ook kan men den toerist niet ernstig genoeg waarschuwen voor een vergissing, waarvan hij noodzakelijk het slachtoffer moet worden, als hij zich toevertrouwt aan de aanwijzingen van den officieelen gids der portugeesche spoorwegen.
Men vindt inderdaad in de genoemde gidsen ten zuiden van Beja, op de lijn van Lissabon naar Villa Real de Santo Antonio, een station, dat antwoordt op den naam Saboia Monchique en dat, naar de kaart te oordeelen, vlak bij den Serra moet liggen. Dat is echter een grap en niets anders, of ja, het is meer, en die aanwijzing, die door niets gerechtvaardigd wordt, moest onmiddellijk verdwijnen, want zij stelt er den reiziger aan bloot, om te goeder trouw een allervervelendste vergissing te begaan. Het station Monchique ligt ongeveer vijf uren van het dorp van dien naam, en het is zoo goed als onmogelijk er te komen. Er is inderdaad geen weg, geen pad zelfs; noch paarden, noch rijtuigen, noch ezels kunnen er u brengen door den doolhof van heuvels en dalen. De rampzalige reiziger is genoodzaakt in dat verloren land te wachten op den volgenden trein, dat wil zeggen philosofisch stil te zitten van vijf uur ’s morgens tot twee uur in den namiddag, of van twee uur ’s middags tot twee uur ’s morgens. Hij zal dan leeren begrijpen, dat de kortste weg tusschen twee punten niet altijd de rechte lijn is, want om zijn doel op andere wijze te bereiken, zal hij nog bijna vier uur moeten sporen en drie uur per rijtuig afleggen, samen 90 kilometer.
En nu wij toch op dit onderwerp zijn gekomen, laat ons nu dan zeer luid zeggen, dat die omweg onzin is. Monchique, een prachtig gelegen plaats, een middelpunt, als aangewezen voor een lustverblijf, dat warme, zeer geneeskrachtige bronnen heeft, moest daarheen de toegang niet op alle mogelijke manieren gemakkelijk zijn gemaakt? Zooals de toestand nu is, levert alleen Algarvië de bezoekers, zoodat feitelijk enkel die provincie er van profiteert. Is het dan zoo moeilijk, een weg van twintig kilometer aan te leggen, zelfs in een land met geaccidenteerd terrein, en er een automobieldienst in te stellen, zooals reeds met goed resultaat op veel plaatsen in Portugal werkt? Waarom neemt de staat niet het initiatief tot die onderneming, en waarom is er, als de staat zich onthoudt, niet een groep kapitalisten, die een zaak wil exploiteeren, waardoor Monchique minder dan tien uren van Lissabon zou zijn verwijderd, en die dus een schoone toekomst zou tegemoet gaan?
Nu dit gezegd is, keeren we tot ons onderwerp terug. Na de geheele bovenstad te zijn doorgegaan, verlaat de weg Portimao en daalt in het dal af. De boerenhoeven volgen elkaar op met hun wijngaarden en vruchtboomen. De grondeigendom is zeer verbrokkeld in deze streek. De boomgaarden hebben alle hun vruchtbaarheid te danken aan de noria’s, die er vlijtig werken aan de besproeiing. Zoo’n noria is een origineele pomp, gevormd door een primitief rad, op welks schoepen potten of kannen van aardewerk of tin zijn bevestigd of oude inmaakblikken en melkkannen, die elk op hun beurt het water scheppen uit het réservoir. Een ezel, die geresigneerd rond loopt in een cirkel, brengt het toestel in beweging.
De weg loopt over de rivier en gaat dan met een flauwe helling in het dal omhoog, dat nauwer wordt en in den Serra verdwijnt. De rivier, die tot beek wordt, kabbelt onder eucalyptusboomen; de hellingen worden steiler, de horizon wordt wijder en Caldas de Monchique verschijnt in een wonderlijk dichte massa groen.
De bergketen van Monchique heeft twee alles beheerschende toppen, den Foia van 903 meter en den Picota van 780 meter hoogte. Op de zuidelijke helling van den Picota liggen de baden of caldas van Monchique ter hoogte van 250 meter, en op zes kilometer afstands van de stad van denzelfden naam. De badplaats ligt aan den ingang van een ravijn, waar zes warme bronnen ontspringen; het badhuis bezit alle moderne hydrotherapeutische inrichtingen; de talrijke badkamers hebben ieder op de deur een aanwijzing in groote witte cijfers, hoeveel het abonnement kost, een prijs, die niet voor alle gelijk is. Van de bronnen is die van Sint Jan de voornaamste, waarvan de opbrengst in 24 uur 280.000 liter bedraagt; het water werkt vooral goed op aandoeningen van rheumatischen aard en huidziekten. Het aantal baders wisselt af tusschen zes- en zevenhonderd.
Behalve dat er veel stukken en documenten bestaan, die vaststellen, dat de warme baden van Monchique al sinds de eerste jaren van de portugeesche monarchie werden gebruikt, hebben ook de opgravingen uit den jongsten tijd een vrij groot aantal romeinsche munten aan het licht gebracht, en ook arabische, waardoor blijkt, dat de exploitatie al zeer oud moet zijn. Maar de wijze van exploitatie moet wel zeer veranderd wezen sedert den tijd, toen koning Johan II in 1394 er zijn waterzucht kwam genezen, en er is een groot verschil tusschen het algemeene bassin, dat men nu nog kan zien, en de nette kamertjes van 5000 reis.1
De ligging van de badplaats is verrukkelijk. Van het badhuis zelf is het uitzicht beperkt; maar wanneer men slechts vijftig meter is gestegen op de helling der bergen, door de lanen van een park vol bloeiende mimosa’s, kan men een heerlijk panorama genieten, dat telkens wijder en schooner wordt bij elke bocht van den weg. Op den voorgrond zware bosschen, waarin lichtgekleurde optrekjes zich in het groen verbergen. Verder daarachter een ware zee van bergen, die onmerkbaar dalen en waarin het spel van het licht zonderlinge tegenstellingen vormt; dan de breede gordel van den kustzoom van Algarvië, bestippeld met tal van dorpen, en eindelijk de zee, zich aan den horizon aansluitend bij het blauw des hemels.
Van de badplaats bereikt men in een uur het stadje Monchique, in de schaduw der kastanjes en acacia’s. Op de zonnige hoogvlakte, vruchtbaar gemaakt door vele bronnen, zijn overvloedige tuinen van oranjeboomen, en de tuinbouw levert er in het algemeen prachtige resultaten. Monchique voorziet Algarvië van de beste groenten, de heerlijkste vruchten, en het tuinbouwbedrijf is een bron van rijkdom voor het land. De waarde is meer dan vertienvoudigd in de laatste jaren; terreinen, die vroeger verkocht werden voor eenige honderden francs brengen nu 5000 francs en meer als koopsom op. De bevolking is toegenomen in rechte reden met den rijkdom; ze heeft zich in dertig jaren verdubbeld.
Kaap Sint-Vincent.
Het stadje is bekoorlijk met zijn Dos Chorocsplein, waar een honderdjarige eik staat, zijn straten, die den heuvel beklimmen, het kerkje met de eigenaardige, uit de hand bewerkte deur en de terrassen bij de woningen vol oranjebloesem en andere bloemen. Wij hebben reeds elders gesproken over de hartelijkheid van de ontvangst door den gemeenteraad, de overal ons toegestoken handen, de aanbiedingen van gastvrijheid, treffend van eenvoud en die openhartige blijdschap van menschen, die gelukkig zijn met een bezoek en dat niet verbergen.
En nu op weg, vlug op weg, om vóór zonsondergang het hoogste punt van den Serra te bereiken, den Foia. Een cavalcade van ezels is gauw klaar met het onvermijdelijke geroep en gelach, de dwaze vertooningen en nuttelooze aanmoedigingen. Arr burro!
Arr burro! Ondanks dien keelklank, die bedoelt, hen aan te zetten, nemen de kalme beesten een kalmen gang aan met een hardnekkigheid, een zacht verzet, dat misschien niet onpolitiek is. Van tijd tot tijd wappert de staart en de ooren gaan overeind staan, en het dier schijnt ons te willen zeggen: “Harder loopen? Dat zou ik u wel eens willen zien doen!”
Inderdaad stijgt het pad verschrikkelijk en de ezels raken buiten adem. Na anderhalf uur ongeveer van geradbraakt worden op een zadel van een onmogelijke breedte, bereikten wij de obelisk op den top. Welk een prachtig tooneel! Geheel Algarvië en Beneden Alemtejo liggen aan onze voeten, als een aardrijkskundige reliefkaart; in het Zuiden van kaap Sint Vincent tot kaap Sainte Marie; in het Noorden tot de hoogten van Coïmbra en kaap Espichel breidt het land zich tot in het oneindige uit over wel twintig districten. Maar het glanspunt is de zee, waar de wijde ruimte vóór ons ligt. In het Westen gaat de zon onder, de golven stralen in goud, purper en oranje, en de gouden bol daalt langzaam in het water in een apotheose van stralen, een uiteenspatting van vonken. Toen het donker was, daalden wij naar beneden, naar Monchique, nu onder den indruk van het landschap bij maneschijn.
Zoo is dat zoo goed als vergeten Algarvië. Het land is het waard, dat men er veel dagen vertoeft, en wij betreuren het, dat ons de tijd maar schraal is toegemeten, de tijd, die snel voorbij is, en dat wij al van het mooie land afscheid moeten nemen.
Alemtejo is ook al belasterd, de provincie, die met Algarvië het Zuiden vormt in Portugal, en dus de streek van achterlijkheid en primitieve toestanden, naar men in het overige land denkt. Alemtejo beteekent “over de Taag”, met een ietsje van minachting. Men zou kunnen denken aan een mooie dame, die met een minachtend lachje zou spreken over een “zekere wereld”, een van die plaatsen, waar men geen goed gezelschap aantreft, en waarheen men zich slechts begeeft, om aalmoezen uit te deelen of kiezers op te scharrelen.
De kopermijn van Aljustrel in Alemtejo.
Laat ons eerlijk zijn. Alemtejo is vlak, zeer vlak over twee derden van zijn oppervlakte, met een vijfde geheel onbebouwd. Het is de provincie van bouwland en van groote domeinen, landgoederen, waar de portugeesche markiezen van Carabas niet in een enkelen dag hun bezittingen kunnen rondrijden. De hertog van Palmella is bijvoorbeeld een van die grondbezitters.
De indruk van eenzaamheid is des te sterker, daar de spoorweg zelden dicht langs de steden en dorpen gaat. Sommige stations liggen op twee of drie mijlen verwijderd van de plaatsen, waarbij ze behooren, met wegen, die uit den tijd der Westgothen stammen, om ze ermee te verbinden. Die uitgestrekte, dorre, schaduwlooze streken, zonder water en ver van de zee, zijn de warmste van het land, maar men kan er veel warmte verdragen, daar de lucht er niet vochtig is; 35 graden Celsius verdraagt men met gemak, soms 40 graden, terwijl aan de kust 25 of 30 graden iemand al doodop maken.
Dit geldt natuurlijk voor den zomer, want in den winter daalt de thermometer in den zonneschijn en bij de heldere lucht dikwijls tot 7 of 8 graden. Dan bibberen de reizigers in de derde klasse, die als in de open lucht reizen in wagens zonder glas in de vensters, en ze droomen van het tropenland bij het wapperen der gordijntjes. De nachten zijn trouwens nooit te warm, en de toeristen zullen goed doen, er aan te denken, dat alleen in de koudste maanden een mantel noodig is. In elk geval zijn de waggons eerste klasse even goed en even dicht als bij ons, zonder nog te spreken van het rijtuig met zijgang, dat tusschen Lissabon en Villa Real de Santo Antonio rijdt.
Dus in tegenstelling van Frankrijk is het Noorden van Portugal verheven boven het Zuiden, dat, het is waar, er geen roem op draagt het monopolie te hebben van de groote mannen, ministers, zangers, schrijvers, generalen, noch zelfs dat van de vele wijnen.
Bij den eersten aanblik begrijpt men den trots van het Noorden, maar als men beter toeziet, acht men dien toch oppervlakkig en ongegrond.
Vooreerst heeft de Portugees aan Alemtejo het witste brood te danken, dat hij eet, en de paarden krijgen van daar hun haver. Niet veel gouden appelen en weinig rozen, het is waar, maar graan en koren in overvloed, die dan toch een kracht zijn in het leven. De boerenhoeven zijn zoo groot en het bedrijf wordt zoo goed gedreven, dat men ze nergens zoo vindt dan misschien in Engeland en Hongarije. Het zijn groote ondernemingen, waar men een talrijk personeel onderhoudt, in ruime gebouwen, in aantal genoeg om aan een gehucht te doen denken.
Men moet aan de stations of in de steden de boeren en de herders zien, met hun zware gordels, hun breedgerande hoeden, hun korte, gegalonneerde buizen en hun wijde broeken, om een denkbeeld te krijgen van hun beteekenis en hun rijkdom. Daarbij zijn ze ook forsch en gebruind, stevig van bouw; ze dragen het hoofd hoog; hun baard is goed geschoren, hun kleeding onberispelijk, hun zindelijkheid tot bij het kleingeestige af. Of de heeren van het Noorden het goed vinden of niet, zulke boeren hebben al heel weinig van Zoeloes of Botokoeden, en ze hebben dat nog minder, als men in de gelegenheid is, hun welwillendheid en beleefdheid op de proef te stellen.
Alemtejo heeft nog meer in zijn grond, namelijk koper. Een rijke ader loopt er in door, van de spaansche mijnen van Tharsis en Rio Tinto. Santo Domingo en Aljustrel zijn de beide voornaamste mijnen der provincie.
De eerste, dichtbij de grens van Spanje, wedijvert met haar machtige buren en zendt haar product langs een eigen spoorweg naar Pomarao aan de Guadiana, waar de groote stoombooten ze laden voor Engeland. De exploitatie wordt aan de vrije lucht gedreven in een reusachtige uitgraving onder leiding van een engelsche maatschappij. Aljustrel behoort aan een belgische maatschappij en zendt haar koper vooral naar Duitschland. Zooals men ziet heeft de Portugees in dezen geen geest van initiatief getoond, hoewel hij anders niet zoo lui is, als de legende wil, en wel degelijk werkt en bouwt en oogst, en daarbij geen moeite spaart. Van die beide mijnen, waaruit men reeds voor honderden millioenen, misschien voor milliarden heeft getrokken, behoort de eene aan Engelschen, de andere aan Belgen, of met andere woorden, van die fortuinen blijft er in het land, dat ze voortbrengt, niet anders dan de loonen van de arbeiders en de uitgaven van het hoogere personeel. Al het overige gaat het land uit en gaat den buurman verrijken, hetzij in den vorm van dividenden, hetzij in dien van bestellingen van machines.
Het is zonderling op te merken, hoe alles, wat voordeel kan opleveren, in handen is van vreemdelingen. De Portugees heeft geen ondernemingsgeest, of als hij die wel heeft, kan hij geen geld krijgen om hem te helpen. Er zijn weinig kapitalen, dat is zeker, maar het is vooral, dat die, welke er zijn, het rechte vertrouwen missen, en daardoor mislukt bijna elke nationale onderneming. Die soort van apathie vol vrees verklaart ook de ongeschiktheid van den Portugees voor bestuursfuncties. De wil, de vaste wil, die tot nauwlettende studie voert, die tot een beslist oordeel en tot snel besluiten leidt, ontbreekt bij den Portugees. En men moet vandaag leven, dat is waar, maar wat morgen aangaat, dat kunnen we dan wel zien! De haven van Lissabon, die door een fransche maatschappij aangelegd en geëxploiteerd is, kwam den 7den Mei j.l., bij het afloopen der concessie, onder een portugeesche directie. Niemand twijfelt er aan, of het loopt spaak, en op een goeden dag zal men moeten terugkeeren tot den ouden staat van zaken, zoo overtuigd is men, dat het nieuwe stelsel maar tijdelijk zal wezen.
Tevergeefs beproeft de regeering daartegen te reageeren. Te Santarem heeft zij een franschen practischen ingenieur laten komen voor de rectificatie van den alcohol. Er is een fabriek gebouwd met moderne machines voor meer dan 250 000 francs. Men wilde een nieuwe industrie in het leven roepen en leerlingen vormen. Maar de practicus in quaestie heeft noch een leerling, noch een klant gekregen, en hij is moeten vertrekken, toen zijn engagement was afgeloopen, de machines prachtig gepoetst achterlatend, die, als er weer eenige jaren zullen zijn verloopen, een goede voorraad oud roest zullen zijn.
De Koninklijke Spoorwegmaatschappij wordt bestuurd door een fransch ingenieur, aan wien ze haar ordelijken toestand en haar voorspoed te danken heeft; de trams te Lissabon loopen met geld en ijzer uit het buitenland: fransch is de groote brug van Santarem; belgisch de brug van Dom Luiz te Oporto, een der glories van die stad; engelsch, duitsch of fransch bijna alle scheepsgelegenheden... zoo is het met alles... Maar wij waren aan de mijnen; keeren we daarheen terug.
Ze zijn onderworpen aan de regelen van de fransche wet van 1810, dus wordt er onderscheid gemaakt tusschen den eigendom van de oppervlakte en van den ondergrond. Maar als de eigenaar van den ondergrond een put zou willen graven aan de oppervlakte, moet hij zich natuurlijk ook het bezit daarvan verzekeren. De eigenaar van de laatste kan zich daar niet tegen verweren, want er wordt spoedig tot onteigening overgegaan, maar dan met de verzachtende omstandigheid, dat de bezitter van den bovengrond het dubbele ontvangt van de geschatte waarde.
Men kan wel nagaan, dat de beide groote mijnen van Alemtejo een groote waarde vertegenwoordigen, in dezen tijd, nu het koper zoowel om de reëele waarde, als voor de speculatie zoozeer op prijs wordt gesteld. Met koortsachtige belangstelling wordt dat metaal gezocht en de opbrengsten zijn verbazend toegenomen.
De mijn van Aljustrel geeft aan 400 mijnwerkers arbeid, tegen een dagloon van 3.50 francs in vijf putten, en aan 1400 andere arbeiders tegen 2.50 francs per dag. Het syndicaat, zooals het bij ons te lande werkt, is er nog onbekend. Er bestaat alleen een coöperatie, in April 1907 gesticht voor de verschaffing van levensmiddelen en een hulpkas, die van Februari dagteekent. Daardoor heeft elke werkman tegen een storting van twee francs per maand recht op geneeskundige hulp, geneesmiddelen en verpleging in geval van ziekte.
Zoo de Aljustrelmijn interessant is uit het oogpunt van moderne exploitatie in Portugal, ze is dat nog meer uit een ander oogpunt, namelijk als vindplaats van zeer belangrijke overblijfselen van den arbeid der Romeinen.
Vipasca, dat thans bekend is onder den arabischen naam van Aljustrel, was een der belangrijkste kopermijnen en tevens waren er zilvermijnen in den romeinschen keizertijd. In 1876 ontdekte men onder de slakken en het puin van den mijnput van Algaras een bronzen plaat, O.78 meter hoog, O.52 meter breed en O.08 tot O.13 meter dik, waar een latijnsch opschrift op te lezen was.
Daar waren de oudheidkundigen klaar met hun lorgnetten.
Want inderdaad, hier was iets buitengewoons te lezen. Men kreeg nu niet, zoo dacht men te hooren, de voor de eeuwen vastgelegde edelmoedigheid van den een of anderen goedigen rijkaard, die een groote som offerde, om in de tijden van Hadrianus de leegloopers te vermaken, maar men zou het reglement van de mijn leeren kennen, en dus inzicht krijgen in het openbare of particuliere leven van de bevolking in den omtrek, die van de mijn leefde. Als er toen een Bond van den Arbeid had bestaan, wat zou die daar een ervaringswijsheid hebben kunnen opdoen! Welk een tribune voor zijn ontevredenheid! Wat zou de sabotage daar hebben kunnen uitwerken. Om de waarheid te zeggen, de vrijheid van handel en bedrijf zou gevaar hebben geloopen.
Maar het bleek, dat de tekst over eenvoudige dingen handelde. Na de bepalingen omtrent den honderdsten penning, te betalen bij iederen verkoop in het openbaar, en over het uitstel van drie dagen, waarna de kooper dubbel zal moeten betalen, bepaalt het geschrift bij voorbeeld, dat men zich alleen mag laten scheren en haarknippen door zijn slaaf, als men een vrije is, of door zijn medeslaaf, als men zelf onvrij is. Elke barbier, die van buiten komt tegen het bevel, moet boete betalen, verliest zijn gereedschap en moet de Vicus Vispascensis verlaten. De kleermakers, schoenmakers en dergelijke mogen slechts hun bedrijf uitoefenen onder stipt vastgestelde voorwaarden. De bestuurder der baden, die de zegeningen van een wekelijkschen rustdag niet mag kennen, moet dagelijks, ook des Zondags zijn vuur, zijn water, zijn stoom enz. gereed houden.
Er kwam nog een naspel bij deze vondst, toen in 1906 een nieuwe bronzen plaat werd opgegraven, die werkelijk de regels der concessie en der exploitatie van de mijn bevatte. Men leerde toen, dat de romeinsche wetgeving in dergelijke zaken zeer veel van de onze verschilde. Er werd toen een stuk grond gegeven aan diengene, die meende er metaal uit te kunnen halen; er werd hem niets gevraagd, maar hij moest graven, graven zonder uitstel het vastgestelde aantal putten, en deelen met den fiscus in gelijke deelen wat zijn exploitatie hem opbracht.
Het belang van den een was dus ook het belang van den ander, en de staat, die de beschikking had over onbeheerde gronden, had, hoe de zaak ook afliep, geen risico, en de concessionaris behoefde niemand uit zijn bezit te verwijderen. De beide platen bevinden zich op het oogenblik in het Museum te Lissabon.
Aljustrel heeft met zijn naam ook een arabisch voorkomen aangenomen, nog te herkennen in de lage huizen, wit en blauw geverfd, die langs de wegen staan, op de manier van de dorpen in Alemtejo. Alleen verheffen zich in den omtrek een paar heuvels, waarop met een zonderling geknars die windmolens draaien, waar Portugal het monopolie van heeft, en waarvan de wieken uitsluitend uit zeilen bestaan. Er is geen spoor meer over van het oude kasteel, dat in de 13de eeuw zijn muren boven Aljustrel verhief.
Alemtejo is een land vol geschiedenis. Wij hebben er zoo juist een bladzij van gelezen, in brons gegrift. Een andere, roemrijker pagina wordt daar dichtbij opgeroepen door den enkelen naam Ourique.
Ourique, een arm en onbeteekenend dorpje, verloren te midden der vlakte, is tegelijk het graf van de moorsche dynastie en de wieg van het koninkrijk.
Ten noorden van het dorp, op de plek tusschen Ourique en Castro Verde, genaamd Campo d’Ourique, verpletterde Alphonsus Henriquez, afstammeling van Hugo Capet, achterkleinzoon van den hertog van Bourgondië Robert, en zoon van Hendrik van Bourgondië, die het “graafschap” Portugal had ontvangen toen hij de dochter van den koning van Castilië trouwde, verpletterde, herhaal ik, die Alphonsus Henriquez in 1139 het muzelmansche leger, dat aangevoerd werd door vijf generaals en dat al de strijdkrachten van het koninkrijk Algarvië in zich vereenigde.
Dat was de genadeslag, aan den Islam toegebracht aan dezen kant van de Guadiana en die een eeuw later werd gevolgd door de overgave van Silves, de hoofdstad, waardoor geheel het grondgebied van de moorsche heerschappij werd bevrijd.
Men kan nagaan, dat zulk een heldendaad den weerklank van een donderslag had en den roem van Alphonsus ten top deed stijgen. Deze, die even handig als dapper was, liet, zegt men, te Lamego een vergadering bijeenkomen van vertegenwoordigers van alle klassen der bevolking. Hij zelf verscheen er met geen andere teekenen zijner waardigheid dan den grooten degen, dien hij te Ourique had gedragen. Hij werd levendig toegejuicht, waarna Lourenco Vigas, de procureur der vergadering, voorstelde, hem den titel van koning toe te kennen, wat vol geestdrift werd aangenomen. De aartsbisschop van Braga zette hem, zoo wordt erbij verteld, de gouden kroon op het hoofd, die door de westgothische koningen gegeven was aan de abdij van Lorvao. Alphonsus begon toen zijn regeering, en de portugeesche dynastie was gegrondvest.
Niets dan een bescheiden obelisk herinnert aan een gebeurtenis van zoo groot gewicht voor de monarchie, voor het portugeesche volk en voor de zegepraal van de arische beschaving. Maar het is een legende, en de geschiedschrijver Herculano is daaromtrent zeer sceptisch gestemd.
Als men Ourique en Aljustrel voorbij is, volgt de vlakte, steeds de vlakte, met velden waar het jonge koren golft tusschen grijze steenachtige plekken. Nu en dan glijden ons eucalyptus-boomen voorbij en teekenen hun ingescheurd gebladerte af op een lucht, die wel gemaakt schijnt van rose en blauwe pasteltinten. Die boomen moeten gezondmakend zijn, vijanden van miasmen; maar het zijn tevens sombere boomen, vooral als ze alleen staan, verlaten in wijde ruimten, die ze vullen met hun kruiderigen geur als van cypressen. Eindelijk vertoont zich op een kleine hoogte, maar van waar men een wijden horizon overziet, een stadje met een hoogen toren, dat is Beja.
Niets doet een fransch oog wonderlijker aan dan die eng begrensde stadjes, waar geen enkel huis uit de rij naar voren springt, waar geen boom wat leven brengt, zonder eenig détail dat het oog rust geeft van de eentonigheid der huizengroep. Het leven schijnt er uitgestorven en de vreugde eveneens. In Spanje zijn zulke dorpen regel, en men gewent eraan, maar in Portugal is alleen Beja zoo triest, gevend den indruk van eenzaamheid en geslotenheid. Ieder raadt het u dan ook af, als ge zegt, naar Beja te willen gaan en er een poosje te willen blijven. Inderdaad, als men er komt, is die lust u ook al vergaan; is men er eenmaal vandaan, dan ademt men vrijer. En toch, ja toch, als men die omgeving van onbegrensde ruimte maar tracht te vergeten, heeft Beja nog wel zijn eigen aantrekkelijkheid. Men hervindt er zijn keurig zindelijk Portugal, vol bloemen; het is als een openbare tuin, netjes geharkt, met overvloed van rozen en welriekende geuren, het is een acacialaan, waar de balsemroke der witte bloemen hangt, het is een kerkje met een sierlijke poort, het zijn witte straatjes, leeg en schoon, aan welker eind men altijd weer den toren van koning Denys te zien krijgt.
Beja’s reputatie staat en valt met dien vierkanten toren, die zeer hoog is en nog voorzien van resten van kanteelen en van schietgaten, en die van wit marmer is opgetrokken. Jammer genoeg, is hij leelijk ingesloten tusschen middelmatige gebouwtjes, die het aanzien afbreuk doen; maar als men op eenigen afstand van uit de vlakte ernaar ziet, wordt de toren hooger, beheerscht den omtrek, rijst als het ware uit zijn omhulling vrij omhoog. Hij waakt over Alemtejo. Als het helder weer is, wat dikwijls het geval is, kan men hem tien mijlen ver zien; men onderscheidt hem van af de hoogten van Monchique, op dertig mijlen afstands in vogelvlucht.
Maar de aantrekkelijkheid van Beja is eigenlijk intellectueel en moreel, in zoo ver men hier heeft het stadje met doodschheid en stilte, maar ook met bewaard gebleven oude gebruiken; het stadje, waar niemand komt, waar de vreemdeling niemand onrust of verderf brengt, waar het leven van oudtijds zijn gang is gegaan met zijn vormen en gewoontetjes, zonder dat er iemand om durft te glimlachen of van ancien régime durft te praten, waar men gezichten achter de gordijntjes vermoedt, die tersluiks eens naar buiten kijken.
Portugeesche windmolen.
In zoo’n plaatsje ziet men hier nog den heer des huizes, die vader en echtgenoot, heer en pacha is gebleven, zijn maaltijden in eenzaamheid gebruiken, terwijl het verdere gezin eerbiedig wacht, tot hij, door heen te gaan, aan de anderen vergunt, om op hun beurt te eten. Stellig doet zoo iets aan arabische gebruiken denken, net als andere dergelijke gewoonten, die nog in het Zuiden van Portugal gangbaar zijn. Zoo is het in huizen, waar de meester wel toestaat, dat de leden van het gezin met hem het maal gebruiken, toch nog de gewoonte, dat men na den maaltijd bij het opstaan de dame des huizes groet en kust, of althans haar de hand geeft. Dat doet men zelfs in Lissabon, in de beste kringen.
Het duidelijkste merk teeken, dat de Arabieren hebben achtergelaten, is echter de tegenwoordige plaats der vrouw in de samenleving. Het is waar, ze is niet meer opgesloten, noch gesluierd, maar de traditie leeft toch nog, despotisch en waakzaam, en men moet er rekening mee houden, als men over de Portugeesche een oordeel wil uitspreken, dat geen afkeuring is.
De vrouw neemt bijna geen deel aan het openbare leven, gaat zelden uit in de wereld en komt zoo weinig mogelijk op straat. Vandaar die soort van beschroomdheid, die gegeneerdheid, bijna zou men zeggen, onhandigheid, gaucherie, die men aan haar bespeurt, zoodra ze uit haar gewone doen is. Zij is, wat wij een huissloofje noemen inde volle beteekenis van het woord, ze heeft een zekere onverschilligheid en weinig gevoel voor sierlijkheid en verfijning. Een goed gekleede vrouw in den zin, dien wij, Franschen, daaraan hechten, is in Portugal een groote zeldzaamheid. Weelde doet daaraan niets af; als een dame die ten toon wil spreiden, en zoo zijn er natuurlijk, als ze wil worden opgemerkt, dan verschijnen dadelijk groote veeren, ingewikkelde toiletten, buitensporige juweelen, dat alles tegelijk, met pracht en staatsie, maar zonder oordeel en smaak. Nooit daarentegen van die kleine aardige vondsten, die eenvoudige, maar bevallige bij zonderheden aan het toilet, die overeenkomen met de gestalte en het gelaat van de draagster en met het effect, dat ze wil bereiken.
Zijn er hier geen nieuwere costuumnaaisters, of bestaan er hier geen dames, die deze te voorschijn roepen? Ik los de quaestie niet op. Een feit is het, dat de Portugeesche, door zich over het algemeen slecht te kleeden, zichzelve onrecht doet en, wat erger is, maakt, dat ook anderen haar onrecht aandoen, want er zijn bekoorlijke vrouwen onder de portugeesche, die in haar slecht zittende japonnen een beeldig figuur verbergen.
Zij hebben niet iets zoo gracelijks, zulke vurige oogen met fluweelen blik als haar buurvrouwen in Andaluzië, maar bij vele van haar zijn de proportiën schoon en de vormen heerlijk; doch niets van dat alles komt tot zijn recht, door die stelselmatige vlucht uit de wereld, die wel haar fouten en valschheden heeft, maar die ten minste ons leert, hoe men zich moet kleeden, loopen, gaan zitten, babbelen, de hand geven en glimlachen. Men mag gerust zeggen, dat ook de portugeesche vrouw allen geest van initiatief mist, onmisbaar om de zeer werkelijke hoedanigheden die ze bezit, naar waarde te doen schatten.
Het zittende leven brengt nog dit bezwaar mee, dat het de vrouwen spoedig dik maakt en haar, voordat de jaren het meebrengen, dat zware geven en dat forsche middel, dat oud maakt, te meer daar ze niet zeer groot zijn en forschheid niet best verdragen. Het gelaat wordt dan ook gevulder en het fijne ovaal van vroeger is spoedig niet meer dan een herinnering.
Het geestelijke leven staat met het physieke in verband. Met een groote vriendelijkheid en voorkomendheid gelukt het toch der Portugeesche niet, beminnelijk te zijn, misschien omdat ze niet ontwikkeld is, zeker ook om de afwezigheid van die kunst van zich te kleeden en daarbij den geest te verzorgen, zooals men dat het lichaam doet. Het moet erkend, dat niet alle Parisiennes Aphrodites zijn en dat de Madames de Sévigné niet zoo talrijk zijn, dat men ze alle dagen ontmoet; maar de illusie van een goed toilet en een aardig praatje is te Parijs er algemeen genoeg, om als regel te kunnen gelden. In Portugal zijn dat uitzonderingen. Bovendien ziet men er de vrouw in een toestand van ondergeschiktheid aan den man, die lastig veel aan den Moor doet denken. Hoe voorkomend de heeren ook zijn, ze zijn tegenover de dames ten hunnen huize nederbuigend en tevens uit de hoogte, iet of wat beschermend als een sultan, die een privilege heeft uitgegeven en wenscht, dat men dat niet vergeten zal.
Het spreekt vanzelf, dat deze indrukken vooral zijn verkregen aangaande de Portugeesche van de gewone kringen, en dat de meeste van de vrouwen uit de groote wereld en het hof die in zoo sterke mate niet maken. Die hebben de ervaring van de aristocratische en wereldsche kringen, welke op alle breedten al zoowat eenzelfden geest verwekken en gelijkheid van manieren; boven een zeker niveau heeft men ook hier Parijs met zijn gebabbel en zijn vermaken. Wat het toilet betreft, men moet, om volkomen eerlijk te blijven, met zijn geweten te rade gaan, of bovengenoemd voorbehoud wel mag worden gemaakt. De galanterie moet scheidsrechter wezen en zij maakt uit, dat er in het koninkrijk mogelijk een honderdtal vrouwen zijn, die niet alleen mooi zijn, dat zijn er duizenden, maar van verfijnde élégance en smaak, waardoor ze zich uitstekend kleeden. De verhoudingen zijn nu wel zoo gegeven, dat de portugeesche dames zich nu allen zullen herkennen....