Vrachtboot voor portwijn op de Douro.

Vrachtboot voor portwijn op de Douro.

Van Foz-Tua gaat een zijlijn naar Mirandella langs allerlei kronkelpaden, die aan zwitsersche landschappen doen denken, door het dal der Tua, en bereikt dan in een geheelen dag de oude stad Braganza. Daar is men ver van alles en allen verwijderd; men is er vergeten, verloren, dood. Te Braganza waait en sneeuwt het; alles geeft er den indruk, dat men in een land op andere breedte is beland, hoewel het hooge plateau den Serra da Nogueira laag doet schijnen, ofschoon de berg 1318 meter hoog is. De stad is op een heuvel gebouwd, die er geheel door bedekt wordt als door een muts, waarboven de oude toren opsteekt van het fort met de door den tijd verweerde muren. Overigens geen enkel belangrijk monument; niets, dat de voorbijreizenden terughoudt, zoo niet het spoorwegboekje dat doet, dat veel te weinig treinen opgeeft.

Als men Foz-Tua voorbij is, wordt het landschap meer open, levendiger ook en bloemrijker, vooral van Regoa af. Dan ziet men niet anders dan oranjebomen, druiven, citroen- en amandelboomen in massa over de hoogten verspreid, als tapijten over de minder steile hellingen van de Douro-oevers. De weg kronkelt steeds langs de rivier, die glinstert in het licht, terwijl er langzaam de booten over glijden, beladen met vaten. Want wij zijn het Paiz do Vinho, het land van den wijn van het rijke Kanaän, waar men den beroemden portwijn oogst.

Tezelfdertijd dat de wijn een bron van rijkdom is, is hij ook een der uitgezochtste van alle portugeesche wijnen, die portwijn, die alle wijnen der wereld overtreft. In werkelijkheid is het ook maar gelukkig, dat hij zoo lekker is, want Portugal, dat zooveel wijn voortbrengt, is in zake verscheidenheid van wijnen wel zeer ver verwijderd van den rijkdom van Frankrijk. De wijn van Algarvië, die van Collares bij Cintra, die aan onzen Bordeaux doet denken, de “vinho verde” of groene wijn van het Noorden, de portwijn, die alle verschillen in sterkte en kunnen daardoor onderscheiden worden, maar de smaak en geur zijn zoo wat gelijk; het bouquet van den een vindt men in den ander terug.

Bovendien is alleen de portwijn uitstekend, en de Portugeezen zijn de eersten, om dat toe te geven, want van de Minho tot de Guadiana blijft de flesch portwijn een tractatie overdag en bij avond, zonder eenige mededinging te behoeven te vreezen. De echte portwijn is mooi goudgeel, naar het bruine trekkend. Er wordt geen rooden portwijn gemaakt, nog minder die soort, die zwart is als een drankje, en die onder dien naam verkocht wordt aan gentlemen en cockneys in Londen.

Oporto met de hooge Dom-Luizbrug.

Oporto met de hooge Dom-Luizbrug.

Iedereen kent den smaak van port wijn, die veel heeft van dien van madera. Maar men is in het buitenland nooit zeker, dat men den echten drinkt, of men moet hem laten komen door bemiddeling van een dier groote maatschappijen, die te Oporto zoo goed als een monopolie hebben. De prijzen verschillen naar den leeftijd; men kan hebben van jongen datum, die vierhonderd of vijfhonderd reis de flesch kost, dus een gulden of een en een kwart gulden. De wijn van 1815 gaat voor ouden portwijn door, die het edelst is en het fijnst van smaak en hij is dientengevolge het duurst. Er is echte en valsche 1815-port, ongelijk van prijs, als men de prijslijst op de wijnkaart van het Grand Hotel de Porto mag gelooven. De beminnelijke oprechtheid van de mededeeling zal den zwartgalligste ontwapenen, want er staat, dat de Porto secco van 1815 vijf francs kost en de Porto legitimo van 1815 vijftig francs. Er is dus geen bedrog in het spel.

Men presenteert u in Portugal portwijn als bij ons bier, limonade of thee, bij iedereen, naar aanleiding van de meest verschillende omstandigheden, meestal met kleine gebakjes, die bros en lekker zijn, wat samen een allersmakelijkst proefje is. Maar wee hem, wien het is beschoren, veel gasten te zien en veel menschen te ontmoeten; de glazen port volgen de glazen port op, met ter afwisseling nog de portwijn bij de maaltijden, zoodat op enkele avonden in het te zware hoofd nachtmerries verschijnen, die een dans van glazen port brengen, zoodra het dag is weer gevolgd door nieuwe glazen port uit de werkelijkheid.

Maar in ieder geval moet ik erkennen dat hij uitgezocht is, en dat op een afstand gezien, als eenmaal de digestie is afgeloopen en het brein weer opgefrischt is, de herinnering er aan een heerlijke blijft, als aan een geurig misbruik, waaraan men ten slotte het grootste en natuurlijkste genoegen heeft gehad.

Te Oporto beproeft men champagne te bereiden, of ten minste de portwijnen te versnijden tot iets als champagne. De uitkomst is tot hier toe niet zeer schitterend, omdat de verkregen wijnen niet licht genoeg zijn, en een zware en sterke champagne is onzin.

Nadat men het Paiz do Vinho door is, verlaat de spoorlijn de Douro en bereikt Oporto langs Renafiel, door een golvend landschap, dat goed bebouwd is, maar er eentonig uitziet na het lange en bekoorlijke dal.

Porto of Oporto (o Porto, de haven) is met zijn bijna 200.000 inwoners de tweede stad van Portugal en de naijverige mededingster van Lissabon. Daarvoor zijn redenen en voorwendselen genoeg te vinden. Vooreerst is Oporto een stad, die werkt en voortbrengt, dat is niet te ontkennen, en nu zegt men er, dat te Lissabon het geld verkwist wordt, gewonnen in Oporto. Oporto is uit ieder oogpunt een belangrijk middelpunt en het beklaagt zich, dat het niet een daaraan evenredige plaats in de regeering des lands bekleedt. Lissabon bezit een uitmuntende haven, terwijl Oporto er over ontevreden is, dat het niet anders heeft dan zijn Douro, verbazend schilderachtig, maar bochtig, ondiep en moeilijk toegankelijk. In het kort kan men zeggen, dat terecht of ten onrechte Oporto de houding aanneemt van een jongeren broeder, die zijn ouderen broer critiseert en maar kwalijk zijn wensch kan verbergen, om des ouderen plaats in te nemen.

Karren te Oporto, door sterk gehoornde ossen getrokken.

Karren te Oporto, door sterk gehoornde ossen getrokken.

Ofschoon in het Noorden van Portugal gelegen, is Oporto als ons Zuiden, warm van temperament en meer revolutionnair, en als ooit het oproer uitbreekt, zal men eens kunnen zien, waartoe een noordelijk Zuiden in staat is. In dien tusschentijd vreest Oporto het oproer niet, en de republiek wordt er zoowat alle tien jaren uitgeroepen. Als de poging is spaak geloopen, heeft men ten minste de gelegenheid behouden, om weer opnieuw te beginnen. Als men denkt, dat het ooit gelukken zal, moeten alle ministers, alle prefecten, alle gouverneurs uit Oporto zijn, of Oporto zal weer tot opstanden besluiten ten gunste van de monarchie.

Met een enkel woord noemt men dat de oppositie voeren; welnu Porto is in de oppositie. Tot hoever die oppositie gerechtvaardigd is, daarover kan een vreemdeling moeilijk oordeelen. Het schijnt wel, dat Oporto een weinig te ver is gegaan in de laatste manifestatie tegen den President van den Raad, den heer Franco.

Ja, het parlementarisme werkt niet goed in Portugal; de dictatuur is inderdaad de tegenwoordige regeeringsvorm; men kan daarover spreken en betoogen en zich beklagen, maar de Portugeezen moesten op prijs stellen, dat er een energiek man aan het hoofd der zaken staat, die vast is van wil en wiens werk, evenals zijn minachting voor den tegenstand, dien hij uitlokt, hun een opstand kan besparen. Eén goed chirurg doet beter zijn werk dan driehonderd dokters, als hij met vaste hand optreedt en eerlijk is. Het besluit omtrent de ophooping van inkomens door onvervulde betrekkingen, is een eerste goede pil voor de kwalen van den staat.

Maar wij moeten afwachten; aan de vruchten zal men den boom herkennen.2 En de vreemdeling, die een slecht rechter is, heeft zich te bepalen tot toekijken en aanzien. Voor ons is het beter, ons tot het landschap te beperken, dat rondom Oporto prachtig is.

Er is misschien nergens in Europa een schooner panorama dan van de brug van Dom Luiz op den waterval van huizen en paleizen, die van den top der bergen naar de Douro rolt. De bochten der rivier, die om de vooruitspringende deelen der stad zich heen buigen en een natuurlijke haven voor de stad vormen, bieden de grootste verscheidenheid aan; ieder oogenblik heeft men weer een ander gezicht.

De uitzichttorens zijn overvloedig, om van al de schoone gezichten op Oporto te genieten; vooreerst de brug, van waar men stroomop en stroomaf ver kan zien en waar men zestig meter onder zich de zeilschepen en de wijnbooten kan zien voorbijvaren; dan het Kristallen Paleis, een soort van tentoonstellingsgebouw, waarbij een park met beroemde uitzichten; de toren des Clerigos eindelijk, een slanke, stoute klokketoren, waarvan men op het terras over alles heen kan kijken en een feeëriek schouwspel heeft, waarbij ook de oceaan zijn rol in het panorama op zich heeft genomen.

Natuurlijk is Oporto, dat op verscheiden heuvels is gebouwd, in het bezit van juist zulke klimmende en dalende straten als Lissabon; maar de oude wijken, die hier nooit door een aardbeving zijn verwoest, hebben iets meer karakteristieks. Men heeft er smalle, bochtige, hellende en donkere straatjes; winkels, zoo zwart, dat ze op rooversholen lijken; antidiluviaansche plaveisels, geheimzinnige doorgangen, lompen, die buiten hangen, en in het kort al, wat er bij een volkrijke buurt in een oude, groote stad behoort.

De betere wijken, zooals het Dom Pedroplein, middelpunt voor het verkeer, de San Antoniostraat, de Dos Clerigosstraat of de straat Santa Catharina zijn even druk als te Lissabon, met een meer eigen, plaatselijk karakter. De huizen, die bijna alle balkons en erkers hebben, zijn van uiteenloopende typen en vertoonen niet dat rechtlijnige in de plaatsing, dat de nieuwe wijken van de hoofdstad iets eentonigs geeft. Ook de menigte menschen op straat is er origineeler. Zoo loopen er alle vrouwen, en niet enkel de arme, blootsvoets; enkele dragen kleine houten muiltjes, waar de voet even uit te voorschijn komt en die aardig op het plaveisel klapperen. Op de groote feestdagen, als de klokken luiden, worden de mooie spullen omgehangen en den volke vertoond, en dan dragen de vrouwen op de borst, die in zijde is gestoken, enorme harten en kruisen van filigraangoud, waar de vrouwen van Minho en Douro dolveel van houden en die ze soms in heele kluwens aan hebben. Er zijn er, die ter waarde van 200 000 reis, dat is voor vijfhonderd hollandsche guldens aan zich dragen.

Alle vervoer te Oporto heeft plaats met karren met houten raderen, getrokken door ossen met reusachtige horens. Zulke verdedigingswerktuigen steken sterk af bij de tengere gestalte en de zachte oogen van de dieren die twee aan twee zijn verbonden door een juk, dat soms fraai gebeeldhouwd is. Met uitzondering van enkele fiacres en de trams ziet men in de straten van Oporto niet anders dan zulke karren met bijna geheel dichte raderen, die den Bijbelschen tijd of den tijd der Merovingers waard zouden zijn. Kolen, wijn, groenten, bagage, alles wordt vervoerd met de ossenkar, en het is alleraardigst, in de buurt der haven te gaan kijken naar de reeksen van karren, die in lange rijen staan te wachten achter een verwarde haag van reuzenhoorns, waarvan een enkele voldoende zou wezen, om vier menschen aan te spietsen.

Evenals in vele oude en niet ruim gebouwde steden, zijn er weinig groote tuinen in Oporto. Het Campo dos martyres da Patria en de Quinta das virtudes zijn met het square Dom Henriquez de meest geliefde wandelplaatsen.

Maar daarentegen biedt de stad een paar belangwekkende gebouwen. Dat, hetwelk het meest in het oog valt, is het bisschoppelijk paleis, dat aan de Douro staat en waarvan de groote trap monumentaal genoeg is om de aandacht te trekken. De aangrenzende kathedraal is eerst in romaanschen stijl opgetrokken, daarna is ze gothisch geworden, dan rococo, en dan van de eene restauratie in de andere vallend, is het de goedige, groote kerk geworden, met twee ver uiteenstaande torens, die men thans vóór zich ziet. Gelukkig is er nog het klooster met zijn bogen, die met kleurige azulejo’s zijn bezet.

Het is een echt portugeesche uitvinding, die bekleeding met vierkantjes van geëmailleerde steen (aan hollandsche tegels gelijk), waarbij voor de kleuren alleen wit en blauw worden gebruikt. Zonder twijfel hebben de Arabieren die soort van aardewerkfabricage ingevoerd, en de Spanjaarden brengen die nog in praktijk; maar de vondst was, dat er alleen van die twee meest frissche en nog wel hemelsche kleuren van het palet werd geprofiteerd, in plaats van alle tinten van den regenboog te gebruiken. En men moet aan de Portugeezen die eer toekennen. Zij hebben er buitendien in uitgemunt door de oneindige verscheidenheid der teekeningen, door de fraaie omlijsting en de edele compositie, zoodat sommige serieën van azulejo’s de belangwekkendheid en de schoonheid hebben van tapisseriewerk, dat tegelijk onverslijtbaar en onverkleurbaar is.

Van de moorsche bloemversiering en de arabeske is men tot geheele schilderijen overgegaan. Tooneelen uit bekende verhalen, met personen ter halve natuurlijke grootte, zijn erop te zien, tusschen smaakvolle guirlanden, die tot omlijsting dienen. Zoo voeren in het klooster van den H. Vincentius en in dat van Sé de Porto azuren ruiters in lapislandschappen hun toeren te paard uit, en brengen in de atmosfeer der witte gewelven iets zachts en liefkoozends, dat de dorre leegheid vult, zonder aan de verhoudingen te schaden.

De volmaaktste azulejo’s dateeren uit de 17e en 18e eeuw. Er worden tegenwoordig nog gemaakt, maar zoowel de samenstelling als de te donkere tinten van het blauw en de rechtlijnigheid der omtrekken doen die nieuwere tegels ver afstaan van de fantazie en den smaak der oude. Die van het hotel van Bussaco, die te nieuw zijn, wekken eerder de herinnering aan een badkamer, omdat ze niet ver genoeg zijn voortgezet en teveel het moderne realisme huldigen. Te Evora is er een kerk, die tot aan het gewelf met azulejo’s is versierd, waarvan wij reeds de bekoorlijkheid en de groote decoratieve waarde hebben geprezen.

In de straten zijn sommige gevels geheel bekleed met kleurig aardewerk, maar dat zijn dan geen azulejo’s; eerder een spiegelende versiering, die zeer zindelijk is en gemakkelijk rein te houden, maar zonder schoonheidspretentie.

Van de Sé-kathedraal gaan donkere straatjes, kronkelend als holle wegen, maar zonder geuren van buitenlucht, naar de Douro, of wel naar de haven. Men ziet dan van beneden de Dom Luizbrug en haar reuzenboog verloren in een netwerk van ijzer, zoo licht en los als kantwerk, waarop nog geborduurd moet worden.

Aan de overzijde van het water ligt de voorstad villa Nova de Gaia, vroeger de Portus Calle, de peetmoeder van Oporto eerst en van het koninkrijk later. Te Villa Nova dezelfde terrassen, dezelfde niveauverschillen als aan dezen kant. Er is van die oneffenheden van den grond gebruik gemaakt, om er de reuzenkelders in te maken, waar de portwijn van eiken leeftijd, ieder merk en elke hoedanigheid, in de duurzame gelijkmatige koelte der dikke gewelven wacht op het oogenblik, waarop hij zal worden ingescheept naar alle landen der wereld.

Er worden intusschen nog veel andere dingen ingescheept; vooreerst landbouwproducten uit den omtrek en dan veel leder, zijde en alles wat het nijvere Oporto voortbrengt, zonder nog te gewagen van de handschoenen en de juweelen.

De kaden der stad worden omzoomd door kleine winkeltjes, waar in een primitieve uitstalling tomaten schitteren of gouden oranjeappelen. Niets levendiger en vroolijker en kleurrijker dan deze oevers, waarboven zich de huizenzee verheft en die bespoeld worden door de Douro met haar zandig water, dat soms woelig en onstuimig wordt of met groot geweld de sneeuw afvoert, die het oude Castilië haar van de bergen toevoert of den overvloed der wateren van Tras os montes.

Vlak bij het water, waaraan hij zijn glorie te danken heeft, is geboren koning Hendrik, Dom Henrique, de groote infant, zoon van Johan I van Aviz, dien wij Hendrik den Zeevaarder noemen. Hij heeft nooit zelf gevaren of ten minste zeer weinig, maar hij heeft uitgerust en voorbereid en bevolen die groote ontdekkingsreizen, die de menschen geleid hebben naar de Kaap, naar Indië en naar Brazilië, waar de portugeesche vlag fier uitwoei. Een indrukwekkend monument is voor hem opgericht in den kleinen tuin, waar de Beurs te vinden is.

De Portuenses zijn zoo trotsch op hun Beurs, dat het jammer zou wezen, er niet over te spreken. Het is een modern gebouw, massief en zwaar, in dien “bankiersstijl” opgetrokken, waar onze tijd zijn eer in stelt. De trappen zijn vorstelijk en van prachtig soliede gesteente; het middenplein is ruim en licht; er zijn comfortabele kantoren, goed geparketteerde zalen voor vergaderingen, die zware houten lambrizeeringen hebben en stralen van electrisch licht; koningen en koninginnen, belasterd door leelijke portretten, hangen er aan de wanden in opzichtige lijsten. Maar het voornaamste, het heiligdom, de mihrab van dezen tempel voor den handel, is de moorsche zaal. Zij wordt u het laatst vertoond, als een apotheose, en er loopen koorden een eind van de wanden, die den profanen bezoeker beletten, het prachtig ingelegde midden van den vloer te ontheiligen. Helaas! De schreeuwende kleuren, het al te duidelijk zichtbare pleister, de gewone vensterglazen, de ongelijksoortige weelde der détails gelijken in het geheel niet op het Alhambra, dat men de pretensie heeft gehad, te willen navolgen. Het geheel zou beter passen bij een Casino van een drukke badplaats, dan voor een paleis, dat menschen van smaak moet bevredigen. Maar mogelijk was dat ook slechts de bedoeling, en als men er het symbool in heeft te zien van de millioenen, die Oporto aan een dergelijk paleis kan besteden, zal men moeten erkennen, dat inderdaad die zaal schatten gelds heeft moeten kosten.

Andere weelde! De kerk van den H. Franciscus, die dicht in de buurt is, met haar vieil or, haar prachtig uitgesneden altaarbladen en allerlei andere antiquiteiten, is op andere manier indrukwekkend. Zij is een wondermooi symbool van de ornamentale weelde, die de Portugeezen van ouds in hun kerken wisten ten toon te spreiden, zonder dat de goede smaak er door werd beleedigd, zonder tot de uitersten van kleur te vervallen, die in onze dagen zoo dikwijls de harmonie verstoren.

In de Das Floresstraat, de straat der juweliers, die de groote gouden harten verkoopen en de zware filigraankruisen, is de kerk Nossa Senhora da Misericordia, waar de sacristie een schilderij bevat, de Levensbron, dat zonder bewijs wordt toegeschreven aan Grao Vasco, den beroemdsten der oude portugeesche schilders.

Men heeft dezen kunstenaar op één lijn willen stellen met de gebroeders Van Eyck en Van der Weide. De authentieke schilderijen van zijn hand kunnen daarop het beste antwoord geven. Oudtijds, even goed als heden, hebben de portugeesche schilders de teekening te zeer verwaarloosd, dan dat zij op gelijken voet kunnen worden behandeld met de groote meesters, vooral met die uit de hollandsche school. Er is altijd bij hen iets onvoltooids, iets verwaarloosds, dat hun kracht van vinding benadeelt. Het lissabonsche museum geeft, wat de ouden betreft, en de versiering der Armeria voor die van heden, op dit punt bewijzen genoeg aan de hand. De officiëele portretten zijn van een flauwe en karakterlooze teekening, tenminste als men enkele weinige uitzondert, bijvoorbeeld dat van Dom Carlos van Souza Pinto, dat in het raadhuis te Oporto hangt.

De beeldhouwkunst komt wat beter voor den dag; maar het onderwerp zou ons te ver voeren. Laat ons alleen zeggen, dat de Portugees uitmunt in caricaturen, waarbij hij veel geest toont met een volmaaktheid van teekening, dat men er zich over verbaast die alleen in dat genre te vinden.

Langs de zee, tot op twee of drie mijlen van Oporto, vindt men een alleraardigst stadsgedeelte. Men kan er het schouwspel van de wijde zee genieten, die in schuim uiteenspat tegen de klippen. Van San Joao de Foz, aan de monding der Douro, tot Matosinhos is de weg, waar een tram langs rijdt, bezet met prachtige villa’s, waar badgasten wonen, zoodra maar de zomer in het land komt. Een bosch, dat zich er achter uitstrekt, geeft gelegenheid voor mooie wandelingen.

Aan het eind van die badplaats heeft men de haven van Leixoes aangelegd, een groot, kunstmatig bekken, ingesloten door twee pieren, waar de groote stoombooten aanleggen, die te veel diepgang hebben, om de rivier te kunnen invaren. De inrichting van die nieuwe haven wordt van dag tot dag verbeterd; er is bijvoorbeeld een inrichting tot ontsmetting ten gebruike van de passagiers, die uit warme landen komen, alles in de uiterste perfectie.

Niet heel ver van daar heeft het toeval ons tegenwoordig doen zijn bij het feest van Nossa Senhora da Hora, Onze Lieve Vrouwe van het uur. Dat uur is de verlossing voor jonge moeders. Die komen er vóór en na dien tijd bidden en danken. Het is er altijd vol van vrouwelijke pelgrims. De kleine kerk in het open veld schittert van het licht der kaarsen, door de vrouwen geofferd, door haar, die nog moeder moeten worden en door de slanke schoonen, die het uur reeds hebben doorgemaakt. Buiten zijn tenten van zeildoek, waar gedronken kan worden en waar kleine voorwerpjes van aardewerk worden verkocht, en eetwaren, vooral moten visch, die uit het heete vet worden gehaald. Zoowel geloovigen als ongeloovigen eten daar met den grootsten smaak hun visch, en als dan het uur heeft geslagen, namelijk het uur van vertrek, stort men zich op de trams, die midden door de feestdrukte rijden met een haast, waar onze metro eenig denkbeeld van geeft, als het kermis is te Neuilly.

Laat ons Oporto vaarwel zeggen met de mededeeling, dat de hotels er uitmuntend zijn, met uitzondering natuurlijk weer van de bedden, die door niets verzacht worden.

Als men den tocht naar het Noorden voortzet, door de provincie Minho, is men wel echt in den tuin van Portugal, buiten aanmerking gelaten, dat eigenlijk geheel Portugal een tuin is. Denk u het rijkste en groenste deel van Normandië, de fluweeligste weiden, de liefelijkste dalen, de weelderigste landbouwgewassen, de helderste stroomende wateren, en ge hebt een voorstelling van dit verrukkelijke land.

Zelfs de wijnstok, die elders een eentonig gezicht oplevert, is hier een element van eenvoudige versiering in virgiliaanschen trant. Boomen van allerlei soort staan langs de wegen, overschaduwen de melkerijen en wekken de verbazing over hun overvloedig gebladerte. Als men dan nader treedt, ziet men, dat de stam dubbel is, en dat een dikke wijnstok opklimt tegen den boom tot in de hoogste takken en er zich vasthecht. De bladeren mengelen zich in die mate door een, dat men niet kan zeggen, of een olm of een plataan misschien druiventrossen voortbrengt, dan of mogelijk de wijnstok zich tooit met olmen- of plataanbladeren.

Om het genot der reis nog te verhoogen, zijn de spoorwegwaggons in het Noorden gemakkelijk tot verfijning toe; de stations liggen in boschjes en zijn uiterst zindelijk naar portugeeschen trant. De kleur zelfs, waarnaar onze oogen van Latijnen zoo graag zoeken, is niet afwezig; daar zorgen de boeren voor. Allen hebben in de hand een soort van zak, die naar de behoefte meer of minder groot is, maar die altijd vervaardigd wordt van een kleurige stof, zoodat de menigten op de stationsperrons er niet zoo donker uitzien, zoo vuil en zoo weinig aantrekkelijk als op de meeste andere plaatsen. De een heeft een rooden zak, de ander een heldergelen, of een met oranje strepen of purperen lijnen, of wel met ruiten van een verblindend groen, waardoor een amusante bontheid ontstaat.

De strenge kathedraal van Braga.

De strenge kathedraal van Braga.

Als men eenmaal Santo Tirzo voorbij is, beroemd om zijn mooie vrouwen en zijn sieradiën, verandert het landschap. Er gaapt een kloof, waar een bergstroom in gromt; de zeer steile hellingen bestaan uit rotsblokken van graniet, waar dennen tusschen groeien; daarna wordt de kloof weer een ruim dal; de weg slingert zich door bosch, en men houdt stil bij Guimaraes.

Dat is een heel oude stad, waarboven de ruïnen oprijzen van het kasteel, waar Alphonsus, de eerste koning van Portugal werd geboren, de half fransche vorst, zoon van Hendrik van Bourgondië. Maar even goed als een stad uit de geschiedenis is het ook een stad, waar de legende zich mee heeft bemoeid. Was het niet hier, op dezelfde plek, waar de kerk van Nossa Senhora da Oliveira staat, dat de Westgoth Wamba er slechts in wilde toestemmen, de kroon aan te nemen, die hem werd aangeboden, als zijn wandelstok wortel zou schieten en zich met bladeren zou tooien? De ouden hebben dien nog gezien, den eerwaardigen ouden stok van olijvenhout binnen zijn rasterwerkje. Door onze twijfelzucht afgemaakt, is de wonderstok al lang verdwenen.

Te Guimaraes geeft alles den indruk van exotisme en oudheid. De vensters der huizen, die breed zijn en kunnen opschuiven, schijnen uit een hollandsche of engelsche stad afkomstig, terwijl het klooster van Santo Domingo een menigte oude beeldhouwwerken bevat, niet enkel romeinsche maar iberische, dus zoo oud, dat men er geen datum aan durft geven, en afkomstig uit Citania, waarvan de overblijfselen nog te vinden zijn op enkele mijlen afstands van Guimaraes. Men moet flink klimmen om er te komen, over geitenpaden, maar men wordt rijkelijk beloond voor zijn moeite. Vooreerst vindt men er niemand, want de Cook’s toeristen hebben een supreme minachting voor zulke afgelegen plaatsen; verder ziet men de heele provincie vóór zich liggen, in tien opeenvolgende plannen van bergen en dalen, waar al het blauw, waarover de schepping beschikt, in zijn verschillende tinten is vertegenwoordigd, vermengd met het teederste groen, dat men zich maar denken kan. De verspreide dorpen zijn niet te tellen in de dalen, die tot Penafiel op elkaar volgen, welke plaats men op twaalf mijlen afstands in een gaping ziet liggen.

Wat de ruïnen betreft, die zijn merkwaardig, maar niet uitgestrekt; het zijn muren in een vierkant of in een kring, nauwelijks boven den grond uitkomend en dan op de punt van de landtong de aanwijzing van kleine huizen en straten, nog herkenbaar aan het plaveisel. Geen enkel spoor van paleizen of belangrijke gebouwen; het weinige, dat aan kunst deed denken en dat men heeft kunnen vinden, is naar Guimaraes gebracht. Zeker waren de Iberiërs, die dit dorp hebben aangelegd, nog halve wilden, om er niet meer van te zeggen. Maar ze wisten in ieder geval wel een mooi plekje te kiezen.

De kerk van Batalha

De kerk van Batalha

Bij het naar beneden gaan hoorde ik een vreemd geluid, en ik bespeurde, dat het uit een kerkje kwam aan den voet van Citania. Het was Hemelsvaartsdag; het dorp was naar de mis, en ik trad binnen. Van mijn leven zal ik dat orkest niet vergeten, dat bestond uit een viool, een trombone en een clarinet. Het maakte een geweld van belang en was verschrikkelijk valsch, en het was bepaald een wonder, hoe zoo weinig instrumenten zoo oorverdoovend konden werken, dat de geloovigen, die uit volle borst zongen, er niet boven uit konden schreeuwen. Het was tegelijk helsch en naïef en belachelijk; maar de overtuiging en de ijver van die brave menschen maakten alles goed.

De mannen zaten vooraan bij het koor, en de vrouwen in een samengedrongen massa vulden de overige gedeelten van de kerk en lieten op den rug gezien haar hoofden bewonderen, gehuld in een eenvoudigen doek, in tweeën gevouwen en onder de kin vastgebonden. Nu waren die hoofddoeken ook een orkest, maar van warme en afwisselende tinten, waardoor men de cacophonie van het andere vergat. Voor het overige gaven alle aanwezigen de blijken van het vroomst geloof en ze bleven knielen op de steenen gedurende de geheele mis.

Bij de deur van de kerk stapte ik weer in het rijtuig en in een uur was ik te Braga, na gereden te hebben door het bescheiden zwavelbadplaatsje Caldas de Taïpas.

Het schoone klooster van Belem.

Het schoone klooster van Belem.

Braga is alweer een oude en eerbiedwaardige stad, de deken der steden van het koninkrijk in godsdienstige, politieke en sociale beteekenis. In de donkere kathedraal rust onze Hendrik van Bourgondië, waardoor tusschen de Portugeezen en ons nog een soort van neefschap bestaat. De aartsbisschop van Braga is primaat van Portugal en beweert het te zijn van het geheele iberische schiereiland, in spijt van Toledo, dat aan Braga het eigendomsrecht op den H. Johannes betwist, die de stichter moet geweest zijn van de beide bisdommen. De Spanjaarden hebben aan Braga het primaat-generaal toegekend, toen zij over Portugal heerschten, maar, eenmaal uit het land verdreven, kwamen ze op dat besluit terug en brachten op Toledo het primaat-generaal over, dat maar tijdelijk aan Braga heette geschonken te zijn. Tegenwoordig zijn er twee primaten, en niemand is jaloersch.

Braga was herhaaldelijk de hoofdstad; eerst in den nacht der tijden, daarna aan het begin der monarchie. Het is thans een welvarend, levendig stadje, waar men veel doet aan het bewerken van edelgesteenten, en waar de bevolking bijzonder vlijtig en vriendelijk is. De straten en de huizen hebben er hetzelfde noordelijke voorkomen als te Guimaraes, hetgeen verklaard wordt door de drukke aanraking met Holland in het verleden, in den tijd der reizen en der groote krachtsuitoefening van de vloot.

In Portugal is het in het Noorden en in het Zuiden al even heerlijk in de openbare tuinen; men ziet slechts bloemen en frisch groen, met die aardige manier, om overal klimplanten tegen de boomen te laten opklimmen, vooral veel rozen. Er zijn rozenpriëelen, randen van rozen en tot lanen van rozen, want de palmboomen worden overal omstrengeld tot in de hooge kronen door de edelste der bloemenkoninginnen.

Aan den Jardin Public van Braga komen de vensters uit van het voornaamste hôtel der stad. Er zouden openbare bals in de vertrekken kunnen worden gegeven, zoo ruim zijn ze. De behandeling is er uitstekend; er wordt lekker gegeten; maar aan deze kleine reclame moet een waarschuwing worden toegevoegd, namelijk aan de lusitanische hôteliers, dat ze zich eraan moeten gewennen de tarieven van de koetsiers, die in de buurt de bezoekers rondrijden, te kennen en eenvoudig op te geven; laat men ze desnoods in de vestibule ophangen. Op die manier zullen ze niet den schijn op zich laden, van door lange samensprekingen, als ze eenvoudig hebben te antwoorden, den prijs te laten afhangen van het voorkomen der gasten, hetgeen altijd een onpleizierigen indruk maakt. De maatregel zou buitendien heel natuurlijk wezen, daar de prijzen over het algemeen in Braga niet te hoog zijn.

Zou er ook niet iets op gevonden kunnen worden, dat men aan tafel een servet kreeg, die wat grooter was, en vorken en lepels, die ook wat minder microscopisch waren en dan ook nog suiker anders dan in poedervorm? Men krijgt geen stukje suiker te zien in Portugal, en lieve hemel, er zijn soms verbazende hoeveelheden suiker noodig, om een kop koffie zoet te maken.

De klassieke wandeling van Braga is de Bom Jezus, een soort van pelgrimstocht naar een kerk op een hoogte, een kleine mijl van de stad verwijderd. De weg erheen is als een pad uit een sprookje, een reeks van steenen treden, die twintigmaal in het rond loopen tusschen veel hekken en leuningen en balustrades en zuilen en die een wonderlijk boeiend effect bereiken.

Het koele water ruischt aan alle kanten tot rondom de zuilen, in welker binnenste het is opgevangen, om weer naar buiten te komen door gootjes. Bij elke schutting is er een koepeltje, waarin men met levensgroote beelden een tooneel uit het lijden van Jezus heeft voorgesteld. De muren van de gebouwtjes zijn beschilderd; echte planten groeien hier en daar, en zelfs heeft men in sommige van die nagemaakte landschappen bronnen aangebracht, die echt vloeien. Enkele der beelden hebben een merkwaardige uitdrukking; maar de meeste zijn van een gekunsteldheid, die ruw aandoet, zonder nog te spreken van de nieuwe kleuren, die het effect bederven.

Een andere mooie, maar zeer lange wandeling, die men van Braga uit kan doen, is die naar Caldas de Gerez, een badplaats op tien mijlen afstands in het gebergte, op de spaansche grens. Men gaat er heen ondanks de verre reis, want behalve de geneeskracht van het water heeft de plaats het voordeel, dat het dal diep en schoon is, te vergelijken met wat het allerbest is in onze Vogezen en onzen Jura. En daarginds klaagt men niet over de lengte van den weg, die een element is van oefening en vroolijkheid. Zoo komen in Juli de boeren uit Spanje naar Gerez en leggen de 22 kilometer al dansend af. Zooals zich laat denken, is het geen water, dat ze bij aankomst drinken.

Daarna keeren wij naar Braga terug, om Vianna de Castello te bereiken, een klein bekoorlijk havenstadje, beheerscht door een groenen berg, waar de Portugeezen, waardige zonen der Iberiërs, een hôtel hebben neergezet te midden der bosschen en met uitzicht op den Oceaan.

In het oude Lusitanië bestaat er naast het heldendicht van Camoëns een ander episch groot gedicht, dat de geschiedenis van het land in steen heeft geschreven, dat is de historie van Portugals kloosters, Alcobaça, Batalha, Thomar en Belem. Over het klooster van Batalha heeft de vicomte Jean de Condeixa een studie nagelaten, die ons de gelegenheid geeft aan zijn hand iets van dat klooster te vertellen.

Een andere Portugees, de heer Vieira Guimaraes, heeft een geschiedenis geboekt van de orde der Jezuïeten, tevens een lofspraak voor het klooster van Thomar. Sommige monumenten hebben de eer gehad, aanleiding te zijn geweest tot monographieën, die dikwijls te kort en te vluchtig zijn; van andere zijn slechts enkele steenen overgebleven, zooals die van Cellas, die nu in het museum te Coïmbra worden bewaard.

Het is te hopen, dat het volk en de regeering met groote zorg ervoor waken, dat die oude dingen bewaard blijven. Cellas is gesloopt; anderen kunnen verdwijnen, en het moet gezegd, tegelijk met de geschiedenis verdwijnt er in zoo’n geval ook rijkdom. Als ooit het land mocht beven onder politieke woelingen, die elders zooveel wonden hebben geslagen, zouden er redders moeten opstaan, die in stand hielden wat behouden bleef en het wilden redden zoo niet van den hamer des sloopers, dan toch voor vergetelheid en onverschilligheid, die even erg zijn.

Bij zulk een onderwerp als de kloosters van Portugal moet men wel geschiedenis geven, en om te beginnen gaan wij naar Alcobaça, waar we ons haast onder landgenooten voelen.

De stichting dier abdij is zoo goed als het begin van Portugal.

In de elfde eeuw was de graaf van Portus Calle of Oporto afhankelijk van het koninkrijk Castilië. De strijd tegen de Mooren woedde toen hevig, en werd gevoerd als een soort van kruistocht, waaraan men van overal kwam deelnemen. Toen kwam tegen het eind dier eeuw een fransch vorst, Hendrik, vierde zoon van den hertog Robert van Bourgondië, kleinzoon van den franschen koning en achterkleinzoon van Hugo Capet, zijn diensten aanbieden tegen de ongeloovigen. Hij werd goed ontvangen en het aanbod werd aangenomen, en hij was zoo dapper en zoo gelukkig in dien strijd, dat Alphonsus VI van Castilië hem uit dankbaarheid de hand schonk van zijn dochter Theresa en het graafschap Porto-Calle.

Hendrik van Bourgondië nam onmiddellijk bezit van zijn domein en vestigde zich op het kasteel van Guimaraes, waar een zoon werd geboren in 1110. Deze, Alphonsus, was de held van Ourique en de eerate koning van Portugal.

Wij hebben elders gesproken over de zegepraal en over den overwinnaar, die gekozen werd of zichzelven liet uitroepen tot koning van de nieuwe verovering. Het ging echter niet gemakkelijk. Vooreerst is de beroemde bijeenkomst te Lamego, waar hij tot koning zou zijn uitgeroepen, onder sterke verdenking van een legende te wezen, waaruit volgt, dat de kroning door den aartsbisschop van Braga met de kroon der Westgothen op zijn minst problematiek wordt.

In elk geval moet men bedenken, dat de koning van Castilië, welke verplichting hij ook moge gehad hebben tegenover den vader van Alphonsus, de verheffing van zijn vazal met leede oogen aanzag. Er rezen moeilijkheden, protesten, bedreigingen. Toen herinnerde Alphonsus, die uit kinderlijken eerbied den bijnaam van Henriquez had aangenomen, zich, dat hij aan de Bourgondiërs verwant was. Hij liet den grooten abt Bernard van Clairvaux zelven voor zich optreden, en deze wist van den paus gedaan te krijgen, dat het nieuwe koninkrijk erkend werd, en van toen af protesteerde niemand meer.

Daaruit volgde, dat Alphonsus I Henriquez, koning van Portugal, slechts wisselde van suzerein, maar zijn nieuwe heer was gemakkelijker te dienen dan den eerste. Inderdaad moest hij enkel jaarlijks een schatting van vijftig goudstukken storten aan de abdij van Clairvaux.

Het bleef daar niet bij; na de inneming van Santarem, veroverd op de Mooren, welke plaats had op 15 Maart 1475, besloot hij een abdij van de orde te stichten, waar Bourgondië hem de eerste geestelijken voor zou leveren.

Dat was Alcobaça.

De ligging is prachtig bij de samenkomst van twee dalen, dat van de Alcoa en dat van de Baca, waar de naam van is afgeleid. Van het station van Vallado komt men er, door de heldere Alcoa te volgen langs een kronkelenden weg van een kleine twee mijlen, die langzaam stijgt tusschen boschjes en groen en aan de dalen van Normandië doet denken. Men kan er ook heengaan langs den weg, die van Leiria over Batalha gaat over een met dennen beplant plateau.

Zoodra men is aangekomen op de markt van de kleine nette stad, ziet men eerst vóór zich de eindelooze gevels van het klooster, waar alle stijlen van de voorbijgegane eeuwen in schijnen te zijn vertegenwoordigd.

De muren, die hun rijen vensters vertoonen over een lengte van meer dan tweehonderd meter aan elke zijde van het vierkant, hebben niets karakteristieks. Er is iets onvoltooids in, dat niet aangenaam aandoet.

De kant, waar de kerk is gebouwd, is in beteren staat. Men heeft daar een trap van zestien treden, breed en massaal, leidend naar een ruim bordes. Het zou indrukwekkend kunnen zijn, als de kerk niet alles verdrukte onder haar onrustig rococo uiterlijk, met de opeenhooping van arabesken en luidruchtige versieringen. Een overladen voorgevel ontneemt aan de kerk alle harmonie. Meer dan elders is hier weer het rococo een der verschijningsvormen van het vandalisme, als een ziekte, die de lijnen wegdoezelt en de vormen doet verdwijnen.

Het inwendige van Alcobaça is niet beter. Er is schoon en oud gothisch werk, maar alles gaat schuil onder ongemotiveerde versieringen.

En nadat men heeft gedwaald door de vijftig duizend vierkante meters van de oppervlakte van het klooster, door de twee kilometer van de gangen, onder overweldigend groote schoorsteenen en eindelooze gewelven, keert men toch tot de kerk terug. Daar kan men een andere bladzijde geschiedenis lezen, vermengd met legende en liefde en gruweldaden.

Op de twee sarcophagen van wit marmer, die tegenover elkander zijn neergezet, en bijna gelijk zijn, rusten, de een op dreigende leeuwen, de ander op wonderlijke sfinxen gebeiteld, aan den eenen kant koning Peter en aan de andere zijde zijn vrouw, Ines de Castro.

En die beide namen roepen een gruwelijk drama voor den geest. Tegen het midden van de 14de eeuw huwde de infant Dom Pedro, zoon van koning Alphonsus IV, Constantia Manuel, dochter van den hertog van Penafiel. De jonge vrouw had met zich meegenomen haar nicht, Ines de Castro, die zoo schoon en trotsch was, dat men haar den bijnaam gaf van Collo de garza, dat is reigersnek. Dom Pedro werd verliefd op haar en huwde haar eenige maanden na den dood van zijn vrouw. De gebeurtenis had plaats te Braganza, vóór den bisschop van Guarda, maar als bijzonderheid werd later opgemerkt, dat toen men er de zekerheid van moest hebben, geen enkele getuige meer te vinden was, terwijl de vorst zelf zich niet meer den juisten datum herinnerde.

In het kort, het hof, dat den invloed van de schoone Ines moe was, wist koning Alphonsus IV te overtuigen, dat zij ter dood moest worden gebracht. Edellieden van goeden wille boden zich aan, om de vertraging en het schandaal van een geregelde procedure te ontgaan.

De koning begaf zich, toen dom Pedro op reis was naar Coïmbra, waar de prinses woonde met haar kinderen in het klooster Santa Clara. Hij begon met haar te overreden van haar gemaal afstand te doen, van den in de toekomst haar wachtenden troon, kortom van alles, er bij voegend dat, als zij niet toestemde, haar leven gevaar liep. Of zij zich trachtte te verdedigen, kan men zich voorstellen. Als men Camoëns mag gelooven, gelukte het haar na een lang en pijnlijk gesprek den koninklijken wil te doen buigen. Alphonsus IV, die genoeg van den tegenstand had, keerde terug, toen de hovelingen, wien deze ontknooping niet naar den zin was, tot daden overgingen en de ongelukkige vrouw met hun degens doorstaken. Men kan nog aan de Liefdebron, bij Coïmbra, de roode steenen zien, die, naar de legende wil, gekleurd zijn door het bloed van het slachtoffer.

De infant was woedend over den moord, maar wist zijn woede eerst te verbergen, tot hij, koning geworden, op ondubbelzinnige wijze zijn wrok koelde.

Voorzichtiglijk waren de moordenaars ten getale van drie, naar Castilië gevlucht. Koning Pedro liet er zich twee van uitleveren, de derde Pacheco had zich aan alle vervolging weten te onttrekken. De beide moordenaars werden naar Santarem gevoerd, dat toen residentie was. Er werd een schavot opgericht, en de moordenaars stierven er onder vreeselijke martelingen.

De groote portiek van het klooster te Belem.

De groote portiek van het klooster te Belem.

Het klooster Batalha dateert van 1385. De gekozen plaats valt niet te prijzen. Het hoekje in een dal schijnt eerder uitgezocht, omdat het gemakkelijk toegankelijk was en omdat men er veel water had, wat een gemak opleverde voor de monniken, dan om de gebouwen schoon te doen uitkomen. Toch is het een prachtig bouwwerk met smaakvolle versiering van beeldhouwwerk, als de fijnste kant. Het is een meesterwerk, dat aan de kerken van Milaan en Sevilla herinnert.

Wie Portugal bezoekt verzuimt evenmin een bezoek te brengen aan Thomar, weer een bedrijf uit de historie, ook die van de kunst. De toeristen gaan zelden naar Thomar, hoewel het maar enkele kilometers verwijderd is van Payalvo aan den spoorweg naar Oporto. Het was een oude vesting van de Tempelridders, die er een kapel hadden gebouwd naar het model van de moskee van Omar.

Dan wint Belem het in aantal bezoekers, het klooster dicht bij Lissabon, dat ter herinnering is opgericht aan de ontdekking van Indië en de reis van Vasco de Gama. Het is het beroemdste der portugeesche kloosters. De gevel kan ingedeeld worden in vijf deelen, alle van rijke gothische kunst. Rijkdom van sieraden is het hoofdkenmerk van het klooster te Belem; het lijkt meer op een overdadig weelderig paleis dan op een ernstig gebouw, maar prachtig blijft het.

Ook om de kloosters zou men meer naar Portugal moeten gaan. Het blijft onbegrijpelijk, dat het land niet veel drukker wordt bezocht. Goede verkeersmiddelen, de uitstekendste hôtels, schoone monumenten, een heerlijk klimaat, afwisselende landschappen, zon, bloemen en goede wijn, wat wil men meer!


1 Van die reis krijgt men, zooals de lezers van de reisbeschrijving van den heer Craandijk in onze nommers van 1 en 8 Februari nog hebben kunnen lezen, ongeveer 1000 voor een rijksdaalder, want een real is ongeveer een kwartcent; dus is een jaarabonnement voor een badkamertje in Monchique ƒ 12.50 van ons hollandsch geld.

2 Hoe tragisch klinkt dat na het gebeurde van 1 Februari. Vert.