De eerste vorm, waaronder deze sage hare intrede heeft gedaan in de Middeleeuwsche letterkunde, was een gedicht van Chrétien de Troies. Omstreeks het jaar 1160 schreef deze zijn “Erec”, dat als het oudste bestaande dichtwerk van zijne hand voor ons bewaard is gebleven. De dichter zegt als bron te hebben gebruikt een “conte d’aventure”, dus een verhaal, dat hem bij monde van een reizend zanger of speelman ter oore was gekomen. Op deze “estoire” beroept hij zich eenige malen, maar toch moeten wij aannemen, dat de sage in hoofdzaak eene oorspronkelijke schepping van den dichter is geweest, al mag hij er hier en daar eene episode uit een reeds bestaand verhaal doorheen geweven hebben.
Van het werk van Chrétien de Troies werden in de Middeleeuwen drie dichterlijke bewerkingen gemaakt. Als eerste dient genoemd het Middel-Hoogduitsche gedicht: “Erec”, geschreven in de 13e eeuw door Hartmann von Aue, denzelfden dichter, die ook Chrétien’s “Yvain” vertaalde.1 Terwijl Hartmann zich in laatstgenoemde bewerking slechts enkele kleine wijzigingen veroorlooft, vertoont zijn “Erec” daarentegen groote oorspronkelijkheid in de behandeling van het Fransche gegeven. Dit wordt door Prof. W. Foerster, den bekenden uitgever van Chrétien’s gedichten, hierdoor verklaard, dat Hartmann bij de bewerking van “Yvain” niet geheel naar zijn eigen wil heeft gewerkt, maar om de een of andere reden zich heeft moeten schikken naar den wensch van een vriend of beschermheer, die een getrouwer beeld van het Fransche gedicht verlangde, dan de dichter indertijd van “Erec” had gegeven.
Als tweede bewerking noemen wij de Noorsche “Erex-saga”, die dagteekent uit de 14e eeuw en die behoort tot den kring van Noorsche vertalingen, welke vervaardigd werden op last van Eufemia, gemalin van koning Haakon, in het begin der 14e eeuw.
In “Germania” XVI, bld. 382–414, vinden wij eene studie van E. Kölbing, waarin voor de eerste maal de verhouding tusschen het Noorsche gedicht en dat van Chrétien nauwkeurig onderzocht wordt. De schrijver komt dan tot de slotsom, dat de Erex-saga over ’t algemeen als eene getrouwe navolging van het Fransche dichtwerk kan worden beschouwd. Op sommige plaatsen evenwel stemt de loop der gebeurtenissen niet overeen met die in Chrétien’s vertelling, maar wel met die in Hartmann’s werk. Daaruit wil Kölbing afleiden, dat de Erex-saga en het Duitsche gedicht weliswaar op Chrétien’s werk berusten, maar dat voor deze beide vertalingen een ander handschrift gebruikt werd dan hetgeen men thans gewoonlijk voor de kennismaking met den Franschen “Erec” benut.
Behalve de beide genoemde bewerkingen treffen wij de geschiedenis van Erec en Enide ook aan onder de verhalen van den Mabinogion, de reeds meermalen genoemde Keltische sagenverzameling, welke eveneens eene bewerking van “Yvain” bevat. Onze sage verschijnt in de bekende Engelsche vertaling van Lady Charlotte Guest onder den titel “Geraint, the Son of Erbin.” De naam Geraint heeft een bekenden klank in de oude letterkunde van Wallis, hij komt voor in de Triaden, waar de drager een beroemd zeeheld is, zelfs vinden wij melding van een heilige van dien naam.
Evenals bij de beide andere verhalen2 uit den Mabinogion, welke overeenstemmen met gedichten van Chrétien de Troies, bestaat ook in het geval van de Erec-sage bij de geleerden verschil van meening omtrent de verhouding tusschen de vertelling, zooals zij in den Mabinogion voorkomt en het overeenstemmende Fransche gedicht.
De Duitsche geleerden, onder aanvoering van Foerster, Zimmer en Golther houden vol, dat de drie bovenbedoelde verhalen in den Mabinogion wel degelijk te beschouwen zijn als vertalingen van Chrétien’s gedichten,3 Gaston Paris daarentegen tracht in Romania XX, 1891, bld. 148–166, aan te toonen, dat de schrijver van deze verhalen behalve Chrétien nog eene andere Fransche bron voor zijn werk gebruikt moet hebben.
Hoe het ook zij, de geschiedenis van Erec en Enide, zooals wij die in den Mabinogion aantreffen, maakt op den lezer een geheel anderen indruk dan het Fransche verhaal. Alles wat naar hoofsche sier en fijnere beschaving zweemt, heeft de schrijver van het proza-verhaal zorgvuldig ter zijde gelaten, ook zijn alle gevoelsuitingen en beschrijvingen uit de vertelling verdwenen. Zelfs het hoofdthema, dat in het Fransche gedicht bestaat in den strijd tusschen liefde en riddereer in het hart van den held, is hier geheel verschillend: Erec’s handelwijze wordt verklaard door een nieuw motief, dat der jaloezie, waarvan in het oorspronkelijke werk geen sprake is. Dit motief vinden wij terug in Alfred Tennyson’s vertolking van de Erec-sage, welke onder den titel van “Geraint and Enid” (in de uitgave van 1888 gesplitst in: “The Marriage of Geraint” en “Geraint and Enid”) deel uitmaakt van zijne Koningsidyllen. De geschiedenis wordt hier weergegeven, zooals wij haar vinden in het Mabinogion-verhaal, alleen het laatste avontuur: “de Vreugde van het Slot”, ontbreekt; in Tennyson’s gedicht keeren Erec en Enide na het gebeurde in het kasteel van Limors zonder verder oponthoud naar het hof van koning Arthur terug. Nu wordt dit laatste avontuur in het Mabinogion-verhaal ook eenigszins vaag en onduidelijk geteekend en schijnt daardoor, meer nog dan in het gedicht van Chrétien, los te staan van de rest der vertelling. Toch is dit slechts in schijn het geval en is het avontuur wel degelijk van beteekenis voor den samenhang van het geheel. Erec neemt er aan deel, onmiddellijk na zijne verzoening met Enide, als wilde de dichter ons een overtuigend bewijs leveren van de vrijheid van handelen, welke het nauwelijks herwonnen geluk den held moet blijven veroorloven en ook werkelijk veroorlooft.
Alvorens op de sage zelve nader in te gaan, dient hier nog melding gemaakt van de proza-bewerking, uit de 15e eeuw, vervaardigd in den kring van het Bourgondische hof in Vlaanderen. Ook het bestaan van eene bewerking uit dien kring is een punt van overeenkomst tusschen de Erec-sage en die van Yvain.
Niet alleen echter in de lotgevallen der beide sagen, ook in het wezen der legenden zelve, vertoonen deze twee verhalen groote overeenkomst. Beide behandelen hetzelfde gegeven: dat, wat Hartmann von Aue in zijne Erec-vertaling het “Verliegen” noemt, n.l.: de verwaarloozing der ridderplichten terwille van de liefde voor eene vrouw. Hoe het kwam, dat dit vraagstuk zoozeer de aandacht van den dichter trok, bespraken wij reeds in de Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
Volgens Gaston Paris bestond reeds in de 12e eeuw bij de Kelten in Wales de vrees voor eene te groote macht der vrouw in het leven van den ridder, die zoodoende uit liefde voor haar zijne plichten zou kunnen verzuimen. Indien deze bewering waarheid bevat, kan dus de Erec-sage, zooals Paris ons wil doen gelooven, ontstaan zijn in eene Keltische samenleving en door de Bretonsche zangers zijn overgebracht naar de Fransche hofwereld, waar zij de aandacht heeft getrokken van Chrétien de Troies, die het verhaal heeft aangepast aan de minder ruwe zeden van zijn tijd en er een gedicht van gemaakt heeft, met toevoeging van vele nieuwe bestanddeelen.
Professor W. Foerster daarentegen is hieromtrent eene gansch andere meening toegedaan. Volgens hem zijn de begrippen van het “Verliegen”—alsook van de innige, echtelijke liefde tusschen held en heldin—zuiver Fransche bestanddeelen, die slechts door een Fransch dichter als Chrétien aan het verhaal kunnen zijn toegevoegd. Volgens hem waren deze beide voorstellingen den Kelten geheel vreemd, eene stelling welke derhalve in lijnrechte tegenspraak is met die van Paris. Wel vinden wij hetzelfde thema reeds vóór het ontstaan van “Erec” behandeld in den “Roman d’ Alexandre”, maar ook in de figuur van den Macedonischen held wordt het ideaal van een Fransch ridder uit dien tijd geteekend.4 Volgens Foerster dient dus aan Chrétien in de vervaardiging van zijn “Erec” de grootst mogelijke oorspronkelijkheid te worden toegekend.
Waar nu zooeven werd gezegd, dat de beide gedichten: “Erec” en “Yvain” gewijd zijn aan eene beschouwing van hetzelfde vraagstuk, zoo dient hier terstond te worden vastgesteld, dat de oplossing daarvan in het eerstgenoemde werk geheel verschillend is van die in het latere gedicht.
In “Erec” moet de liefde zich buigen voor de gemeenschapsplichten van den held. De vrouw is de teeder liefhebbende echtgenoote, wier wil onderworpen is aan dien van haren man. Erec is en blijft de meester. Wanneer hij inziet, hoezeer hij Enide heeft miskend, komt het niet bij hem op, zich voor haar te verootmoedigen; zelfs op het oogenblik, dat hij innig berouw gevoelt over zijn hardvochtig optreden, spreekt uit zijne woorden een zeker gevoel van meerderheid. Trots en heerschzucht zijn de hoofdtrekken van zijn karakter; wanneer Enide, die hij toch oprecht liefheeft, hem mededeelt, hoezeer men hem om zijne overgroote liefde voor haar bespot en veracht, weet zijn gekrenkte hoogmoed voor eene wijle alle gevoelens van liefde en teederheid uit zijn hart te verbannen en is hij zelfs in staat tot grove en onridderlijke handelwijzen. Daarom zijn wij ook de meening toegedaan van Myrrha Borodine, die in haar werk, getiteld: “La Femme dans l’Oeuvre de Chrétien de Troyes” betoogt, dat nòch het motief der jaloezie, dat door Gaston Paris5 en Ferdinand Lot6 wordt verdedigd, nòch dat der “mésalliance”, hetwelk in Hartmann’s vertaling meer naar voren wordt gebracht en dat ook door Foerster in de Inleiding tot zijne Erec-uitgave met klem wordt bepleit, aan Erec’s handelingen ten grondslag kunnen liggen. Volgens Myrrha Borodine zijn Erec’s houding tegenover Enide, zijn vertrek uit zijns vaders slot en zijn gedrag nadien, alleen te verklaren uit een gevoel van diep gekrenkten trots. Eerst wanneer de wonde, die Enide’s woorden hem geslagen hebben, geheeld is door de overtuiging, dat hij inderdaad de held gebleven is, die hij was, en dat hij nog in staat is een ieders eerbied, ook dien van zijne vrouw, op te wekken, wijkt de bitterheid uit zijn hart, om plaats te maken voor de zachtere gevoelens van liefde en vertrouwen.
In “Yvain” nu is, zooals wij gezien hebben,7 de oplossing van het vraagstuk eene gansch andere, men zou bijna zeggen, dat de slotsom, waartoe de dichter komt, juist tegenovergesteld is aan die in “Erec”. In “Yvain” zegeviert de vrouw en in haar de liefde over den trots van den man. Deze laatste poogt weliswaar zich los te maken van de banden, die hem aan de schoone Laudine gebonden houden, ten einde opnieuw zijn vroeger leven op te vatten, maar weldra ziet hij in, dat hij niet zonder zijne geliefde kan leven. Na een zwaren beproevingstijd keert hij tot haar terug, als een ootmoedig zondaar valt hij voor haar op de knieën en voortaan zal, zoo voelen wij, haar wil de wet zijn, waaraan hij zijn leven zal onderwerpen.
Wanneer wij ons de vraag stellen, welke van deze beide opvattingen zich het meest in de gunst des dichters kon verheugen, behoeven wij niet lang te aarzelen. Uit de wijze, waarop hij de karakters der beide heldinnen teekent, spreekt zoo duidelijk mogelijk zijne voorkeur voor de persoonlijkheid van Enide. Zij is in de oogen des dichters de ideale vrouw, teeder en zachtmoedig, maar met een ondergrond van kracht en rechtgeaarde fierheid, die tot uiting komen, wanneer zij in het kasteel van Limors hare eer bedreigd ziet.
Zooals reeds eerder vermeld werd, is “Erec” het eerste gedicht van Chrétien de Troies, dat voor ons in handschriften bewaard is gebleven. Het aantal dezer handschriften is zeven. Over den tijd van ontstaan is in het gedicht geenerlei aanwijzing te vinden, zelfs ontbreekt elke toespeling op tijdgenooten of gelijktijdige gebeurtenissen. Wij kunnen dus de plaats, welke “Erec” inneemt onder de dichtwerken van Chrétien, slechts vaststellen aan de hand van toespelingen daarop, voorkomende in zijne andere gedichten. Deze toespelingen zijn echter zóó duidelijk, dat er over dit punt geenerlei twijfel bestaat en wij “Erec” zonder aarzelen kunnen rangschikken tusschen den verloren geganen “Tristan” en “Cligés”. Dat het dichtwerk bij de tijdgenooten van den schrijver in den smaak is gevallen, staat vast; als bewijs daarvoor dienen de vele navolgingen van en toespelingen op de sage, welke wij in andere werken van dien tijd aantreffen. De naam van den held komt voor in verscheidene Arthurromans, zooals in: “Durmart”, “Fergus”, “Desconnus”, “Claris” etc. In andere ridderverhalen vinden wij zelfs geheele episodes uit onzen roman opgenomen, zoo komt het verhaal van den dwerg met zijne zweep voor in “Fergus”, “Meraugis”, “Meriaduc” en andere, de jacht op het witte hert wordt genoemd in “Fergus” en in “Raguidel”, de sperwer-episode in “Meraugis”, “Desconnus” en “Durmart”. Het avontuur van de Vreugde van het Hof8 vinden wij op plompe wijze nagebootst in “Meraugis” en in “Rigomer”.
De naam Erec vindt volgens professor Zimmer zijn oorsprong in het Germaansche Euric, volgens Gaston Paris daarentegen stamt hij af van het Bretonsche Weroc, een naam, welke gedragen werd door een der voornaamste Britsche hoofden, die zich in de 5e eeuw in Bretagne kwamen vestigen.
1 Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
2 Dit zijn: “The Lady of the Fountain” en “Peredur, the Son of Evrawc”, die in inhoud overeenkomen met Chrétien’s “Yvain” en “Conte del Graal”.
3 Deze stelling wordt voor “Erec” nader uitgewerkt in de Bonner dissertatie getiteld: “Das Verhältnis von Christian von Troyes’ Erec und Enide zu dem Mabinogio: Geraint ab Erbin” van Karl Othmer, Köln 1889. Volgens den schrijver van dit proefschrift blijkt de afhankelijkheid van het Mabinogion-verhaal vooral daaruit, dat daarin op twee plaatsen een duidelijk misverstaan van Chrétien’s tekst valt waar te nemen.
4 Eene nabootsing van het bovengenoemde thema wordt aangetroffen in den ridderroman “Floriant”.
5 Romania XX p. 148–166.
6 Romania XXVIII p. 335.
7 Zie Inleiding tot de Sage van den Leeuwenridder.
8 Over de beteekenis van deze episode zie de studie van Emmanuel Philipot, getiteld: “Un Episode d’Erec et Enide, La Joie de la Cour-Mabon l’Enchanteur” in Romania XXV, bldz. 258–294.