INLEIDING TOT DE SAGE VAN DEN LEEUWENRIDDER.

Ornamentale leeuw.

Over den oorsprong dezer legende, gelijk over dien van zoovele andere Arthur-verhalen, valt niets met zekerheid te zeggen. De eerste vorm, onder welken wij haar kennen, is een Fransch gedicht: “Yvain” uit de tweede helft der 12e eeuw (waarschijnlijk uit de jaren 1172–’73), geschreven door den beroemden dichter Chrétien de Troies. In tegenstelling met zijne andere gedichten, wordt in zijn “Yvain” geen “livre” of “conte” genoemd, waaraan hij verklaart de stof voor zijn werk te hebben ontleend; volgens Prof. Foerster, den bewerker der bekende uitgave van Chrétien’s werken, behoeven wij daar ook niet verder naar te zoeken. In de oogen van dezen geleerde is “Yvain” eene vrije schepping van den grooten hofdichter, die het verhaal opbouwde uit eenige bestaande legenden en overleveringen, die oorspronkelijk geheel los van elkander waren en waarop wij later terug hopen te komen.

De naam van Chrétien de Troies heeft voor hen, die de Arthur-sage in haar groei en ontwikkeling hebben gadegeslagen en haar op prijs stellen, een vertrouwden klank! Men moge lang twisten over de meerdere of mindere oorspronkelijkheid zijner gedichten, zijne beteekenis voor de letterkundige en vooral voor de artistieke ontwikkeling der oude Arthur-verhalen wordt er niet minder belangrijk om. Hij en niemand anders heeft er een toon van hoofsche beschaving in aangebracht en meer nog, hij heeft de karakters, die er in beschreven worden, voor ons ontleed tot in de fijnste zielkundige schakeeringen, zoodat de beschrijvingen van het gevoelsleven zijner helden en heldinnen, van de aandoeningen, die hunne zielen doorkruisten, een belangrijk aandeel vragen van de belangstelling, die wij voor hunne levensgeschiedenis gevoelen.

Meer nog heeft de Fransche dichter ons gegeven: hij maakte van het hof van koning Arthur—en wie was deze anders dan de vorst van een overwonnen volksstam, die door de vreemde heerschers was teruggedrongen tot in de verste hoeken van zijn rijk—het schitterendste hof der Christenheid, waar de dapperste ridders vertoefden, waar een pracht en praal heerschten als aan geen ander. Als zoodanig zien wij het beschreven in de werken der velen, die na Chrétien dit onderwerp hebben behandeld; als zoodanig leeft het daarom in onze verbeelding, maar wij mogen niet vergeten, aan wien wij deze voorstelling te danken hebben.

Aan dit hof, rijk aan al het schoons, dat eene weelderige verbeelding en een romantische geest het konden schenken brengt Chrétien de ridders, wier namen hij met dien van Arthur verbonden heeft, en wier lotgevallen in belangrijkheid veelal uitsteken boven die van hun vorst. Arthur wordt het middelpunt, dat hen allen te zamen houdt. Zijn eigen persoon geraakt echter daardoor eenigszins op den achtergrond, daar onze belangstelling nu eens door dezen, dan weer door genen onder zijne ridders wordt opgeëischt.

Als laatste en belangrijkste bestanddeel, door Chrétien in de Arthur-romans aangebracht, noemen wij het begrip der liefde, of beter gezegd der hoofsche liefde, de “Amour courtois”, zooals die in de 12e eeuw in Frankrijk werd verheerlijkt. Om te begrijpen, hoezeer onze dichter doordrongen moet zijn geweest van wat deze kunst—want liefhebben werd in dien tijd tot eene kunst opgedreven—van hare discipelen eischte, behoeven we ons slechts te herinneren, dat hij geleefd heeft aan de hoven van Vlaanderen en Champagne, welke de brandpunten waren van het letterkundig leven in die dagen en waar de beroemde “Cours d’amour” gehouden werden.

Geen wonder dus, dat Chrétien, als een rechtgeaard kind van zijn tijd, de hoofsche liefde in zijne werken verheerlijkte en haar maakte tot een kunstig weefsel van fijn uitgesponnen gewaarwordingen en aandoeningen, een teeder spel van wisselende stemmingen, waarbij de spelenden er behagen in schepten zich te wagen in een doolhof van grillen en gevoeligheden, waarin zij soms den weg dreigden kwijt te raken. Zij dienden de liefde door nachtelijke samenkomsten, door heimelijke blikken en listig verzonnen teekens, want meestal was het een verboden hartstocht, die hunne harten in vlam had gezet. Men ging in dien tijd zelfs zoover te beweren, dat de ware liefde onvereenigbaar was met den huwelijksband. Dat Chrétien deze inzichten niet geheel deelde, staat vast; hij verheerlijkt dan ook slechts in één enkel zijner bewaard gebleven gedichten: “Lancelot ou le Roman de la Charrette”1 de onwettige liefde en dit gedicht schreef hij op bevel van zijne meesteres, gravin Marie van Champagne.

Wat hem in het gezelschapsleven van zijn tijd het meest getroffen moet hebben is de strijd om de opperheerschappij tusschen liefde en eer in het leven van den ridder. Beide eischen van hem algeheele overgave; als een trouw volgeling van de wetten der hoofsche liefde, moet hij in een staat van voortdurende aanbidding verkeeren voor zijne “dame”, haar geheimste wenschen vervullen, nog vóór zij die uiting heeft gegeven en altijd op zijn post zijn om hare bevelen te gehoorzamen. Aan den anderen kant moet hij vóór alles zijne eer hoog houden en zich roem zien te verwerven door het verrichten van dappere daden. Hoe nu die beide verplichtingen met elkander te vereenigen? Ziedaar het vraagstuk, dat Chrétien zich stelde en waarvan hij ons in elk zijner gedichten eene verschillende keerzijde voor oogen houdt. In drie zijner werken: “Cligés”, “Lancelot” en “Yvain” (“Tristan”, een verloren gegaand jeugdwerk, worde hier als zoodanig buiten beschouwing gelaten) heerscht de liefde boven alle andere aandoeningen in het hart des ridders, de wil der vrouw bepaalt als hoogste wet al zijn doen en denken.

In “Cligés” ontvangt de held eene even groote genegenheid van de zijde der vrouw; ook zij heeft lief met haar gansche hart en zinnen. In “Lancelot” is die overeenstemming in de gevoelens der beiden reeds verbroken, daar vinden wij voor ’t eerst het beeld der aangebedene, die de liefde beschouwt als een spel, waarin zij haar grillen kan botvieren; waarin zij alles eischt en niets geeft. In “Yvain” vinden wij ten slotte het verzet van den man tegen de dwingelandij der liefde, maar het is een verzet, dat vruchteloos blijkt te zijn en hem na eindeloos lijden weer aan de voeten der geliefde terugbrengt. In dit opzicht is “Yvain” te beschouwen als een tegenhanger van “Erec”2 het eerste Arthur-gedicht van Chrétien’s hand, dat voor ons bewaard is gebleven. In “Erec” wint de eer het van de liefde, hoewel deze laatste reeds macht genoeg bezit om den held tot een tijdelijk niets doen te bewegen. Voor deze verheerlijking der liefde ten koste zijner ridderplichten moet Erec echter even zwaar boeten als Yvain, wanneer hij zich aan de tegenovergestelde fout schuldig maakt. In “Erec” is de heldin de trouwe gade, die zelve erkent, dat de eischen der riddereer machtiger zijn dan hare eigen rechten, in “Yvain” wordt haar gevoel van eigenwaarde bevredigd, wanneer zij haren echtgenoot boetvaardig voor zich ziet nederknielen en beseft, dat hij voortaan vóór alles haar zal dienen. Dat het karakter der vrouw moet lijden onder eene alles gevende en niets eischende aanbidding van de zijde des echtgenoots voelde Chrétien, fijn besnaard dichter als hij was, natuurlijk heel goed, daarom treffen ons in “Yvain” sommige regels, waaruit eene zekere geringschatting van de heldin spreekt. Hier en daar is zijn toon bitter en niet zonder ironische bijbedoeling weidt hij uit over den grooten, alles beheerschenden hartstocht van den held voor eene vrouw, die hem in den grond onwaardig is. Hiertoe had volgens hem de vrouwendienst geleid: het karakter der vrouw, die slechts hulde en aanbidding kreeg, was er armer, dat van den man, die slechts te geven had, was er rijker door geworden.

Welke waren nu de bronnen, waaruit de dichter geput heeft voor de samenstelling van zijn verhaal? Als eerste dient genoemd te worden de sage van de tooverbron, die in de plaatselijke legenden van verschillende landen veelvuldig voorkomt. Wij vinden haar het eerst genoemd in het Normandische gedicht: “Le Roman du Brut” van Wace, waar sprake is van de beroemde bron van Berenton, gelegen in het tooverwoud van Broceliande in Bretagne. Deze bron wordt de eigenschap toegekend, regen te veroorzaken, wanneer men een daarnaast gelegen steen met water bevochtigt. Met zekerheid kan gezegd worden, dat Chrétien zijn denkbeeld van eene tooverbron aan Wace heeft ontleend. Dat hij het verder met de geographie in zijn gedicht niet al te nauw neemt, blijkt uit het feit dat, hoewel het hof van koning Arthur in Engeland en de tooverbron in Bretagne is gelegen, er nergens sprake is van eene zeereis. Hiervan wordt geenerlei melding gemaakt bij de drie tochten van den held en evenmin bij die, welke Calogrenant en koning Arthur naar de bron ondernemen. Waarschijnlijk heeft Chrétien de sage van de wonderbron alleen willen benutten om zijn held en zijne heldin tot elkander te brengen. Immers, wanneer Iwein zijne jonge vrouw verlaat, om aan het hof terug te keeren, hooren wij niets meer over de bron en hare verdediging, tot Iwein haar opnieuw gebruikt om eene verzoening met Laudine tot stand te brengen.

De geschiedenis der heldin, haar huwelijk met den moordenaar van haren echtgenoot, ontleende de dichter aan eene algemeen verspreide overlevering, die van de gemakkelijk te troosten weduwe, welke haren oorsprong vindt in het bekende verhaal van de weduwe van Ephese. Hier dient opgemerkt, dat het karakter van Laudine in vele opzichten afwijkt van dat der oorspronkelijke heldin uit de geschiedenis. Ten slotte merken wij het bestaan eener derde sage op, die Chrétien zich bij de samenstelling van zijn gedicht van nutte heeft gemaakt, n.l. die van den leeuw van Androcles. De trouw van den leeuw doet de wankelbaarheid der menschelijke gevoelens dubbel sterk uitkomen. Deze drie sagen zijn door den dichter op meesterlijke wijze tezamengebracht en dooreen gevlochten. Alle drie werden zij dienstbaar gemaakt aan het hoofddoel van zijn werk: het aantoonen van de almacht der liefde, die boven alle andere gevoelens in het hart der menschen troont. Ook andere motieven werden door Chrétien gebruikt, maar deze kunnen hier worden weggelaten, als hebbende geene betrekking op de hoofdlijn van het verhaal.

Hoe zeer “Yvain” de algemeene belangstelling trok, blijkt ten eerste uit het feit, dat wij van het gedicht niet minder dan acht volledige handschriften bezitten en vervolgens uit het groot aantal vertalingen en bewerkingen, die er van bestaan. Ook blijkt uit de omstandigheid, dat we in andere gedichten en ook in de latere prozaromans veelvuldige toespelingen aantreffen op de geschiedenis van den Leeuwenridder, hoe veel gelezen en hoe geliefd deze sage in dien tijd was.

Onder de vertalingen van “Yvain” dient als eerste genoemd te worden, die van den Duitschen dichter Hartmann von Aue, denzelfden, die ook reeds een ander gedicht van Chrétien: “Erec”3 bij zijne landgenooten had ingeleid. Zijn “Iwein” toont echter in het karakter der heldin een aanmerkelijk verschil in opvatting met het Fransche werk. Of de wijzigingen, die door den Duitschen dichter zijn aangebracht in den aard en het wezen van Laudine, steeds in overeenstemming zijn met het oorspronkelijk karakter van het gedicht, blijft de vraag. Eene figuur moet beschouwd worden in de omlijsting van haren tijd en al moge het verleidelijk zijn, om haar naar onze wenschen te vervormen en haar te tooien met eigenschappen, die ons sympathiek zijn, toch blijft dit een gevaarlijk werk.

Ongeveer honderd jaar jonger dan Hartmann’s “Iwein” is de Noorsche prozabewerking van “Yvain”, die op hare beurt de bron werd voor een Zweedsch en Deensch gedicht. Het laatste werd onmiddellijk uit het Zweedsche gedicht vertaald.

Bovendien treffen wij de geschiedenis van den Leeuwenridder aan onder de verhalen van den “Mabinogion”4, eene verzameling Welsche verhalen, welke in 1849 door Lady Charlotte Guest in het Engelsch werden overgebracht. Drie dezer verhalen, waarvan het handschrift uit de 14e eeuw dagteekent, maar die waarschijnlijk van veel ouderen datum zijn, toonen in hun inhoud groote overeenkomst met drie gedichten van Chrétien de Troies, n.l. met “Erec”, “Yvain” en “Conte del Graal”.

Of inderdaad de drie Welsche verhalen navolgingen zijn van de Fransche gedichten, zooals Professor Foerster en met hem vele andere geleerden meenen te moeten veronderstellen—of dat in dit geval het Welsche prozaverhaal en het Fransche gedicht tot eene gemeenschappelijke bron terug te brengen zijn, zooals een aantal Fransche geleerden met Gaston Paris aan het hoofd, trachten te bewijzen, worde hier verder in het midden gelaten. Het verhaal, dat met onze sage overeenstemt is getiteld “The Lady of the Fountain” en verschilt in zooverre van het Fransche gedicht, dat de lotgevallen van den held er aanmerkelijk in bekort zijn; de verzoening tusschen hem en zijne jonge vrouw vindt reeds plaats, nadat hij Luned van den brandstapel heeft gered. Over de wijze, waarop deze verzoening tot stand komt, wordt daarbij met geen woord gerept.

Ten slotte dient genoemd de Middel-Engelsche bewerking van “Yvain”, getiteld “Ywain and Gawain”, welke in het begin der 14e eeuw in het Noorden van Engeland door een tot nu toe onbekend gebleven dichter geschreven werd. Wat het verhaal betreft, houdt het Middel-Engelsche gedicht zich nauwkeurig aan zijn oorspronkelijk, wij missen er echter geheel de fijne zielkundige beschouwingen, die het Fransche dichtwerk zoo bizonder aantrekkelijk maken. Daarentegen bezit het Engelsche gedicht een bekoorlijken eenvoud, die het gunstig doet afsteken bij de niet te loochenen gekunsteldheid van het Fransche. Ook in het karakter der hoofdpersonen, voornamelijk in dat der heldin, bespeuren wij eene merkbare verandering, die ten doel schijnt te hebben om haar meer in overeenstemming te brengen met den nieuwen kring van lezers, waarin de Engelsche dichter haar binnenleidt. Geen dezer bewerkingen overtreft echter over het geheel genomen het werk van den Franschen meester. Terecht wordt “Yvain” beschouwd als staande op het hoogtepunt der hoofsche epiek. Het verhaal der lotgevallen van den held en bovenal de beschrijving van zijn bitter berouw en zijne boetedoening houden onze aandacht gespannen als weinig andere verhalen en de wijze, waarop de dichter ons de gevoelens en den gedachtengang zijner hoofdpersonen kenbaar maakt, doet ons hem beschouwen als een meester op het gebied van zielkundig waarnemen en begrijpen.


1 Zie Inleiding tot de Sage van Lanceloet en Elaine.

2 Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.

3 Zie Inleiding tot de Sage van Erec en Enide.

4 Voor de verklaring van den naam “Mabinogion”, zie Algemeene Inleiding.