MUITERIJ AAN BOORD DER “BOUNTY.”1

I.

Niet het minste tochtje, geen rimpeltje verstoort de oppervlakte der zee, terwijl geen enkele wolk, zoover het oog reikt, aan het uitspansel is te bespeuren. De schitterende sterrenbeelden van het zuidelijk halfrond teekenen zich met een onvergelijkelijke juistheid tegen den hemel af. De zeilen van de Bounty hangen slap langs de masten, het vaartuig is onbeweeglijk, en het schijnsel der maan dat verbleekt voor den dageraad die aanbreekt, verlicht het luchtruim met een onbeschrijfelijken glans.

De Bounty, een schip van twee honderd vijftien ton, bemand met zes en veertig koppen, had den 23n December, 1787 Spithead verlaten onder het kommando van kapitein Bligh, een ervaren, maar wat ruwe zeeman, die kapitein Cook op zijn laatste onderzoekingsreis vergezeld had.

De Bounty was belast met de speciale zending om den broodboom, die in den archipel van Taïti welig tiert, naar de Antilles over te brengen. Na een vertoef van zes maanden in de baai van Matavaï, had William Bligh een duizendtal dezer boomen geladen en na een kort oponthoud op de Vrienden-eilanden, den steven gewend naar de West-Indiën.

Meermalen had het wantrouwend en driftig karakter van den kapitein aanleiding gegeven tot onaangename tooneelen tusschen sommige zijner officieren en hem. Evenwel deed de rust die den 28n April, 1789 bij het opgaan der zon aan boord van de Bounty heerschte niets vermoeden van de ernstige gebeurtenissen die weldra zouden plaats hebben.

Werkelijk scheen alles kalm en bedaard te zijn, toen plotseling zich eene ongewone levendigheid op het vaartuig voordeed. Eenige matrozen spreken elkaar aan, wisselen zacht een paar woorden en verdwijnen daarna met langzame schreden.

Wordt de morgenwacht afgelost? Is er iets bijzonders aan boord voorgevallen?

»Vooral geen rumoer, mijne vrienden,” zei Fletcher Christian, de eerste stuurman van de Bounty. »Bob, hou je pistool gereed, maar schiet niet voordat ik ’t je beveel. En jij, Churchill, neem je bijl en verbreek het slot van de kajuit van den kapitein. En nog iets, denk er aan dat ik hem levend moet hebben!”

Gevolgd door een tiental matrozen, gewapend met sabels, hartsvangers en pistolen, sloop Christian tusschendeks; na vervolgens schildwachten voor de kajuit van Stewart en van Peter Heywood, den equipagemeester en den adelborst van de Bounty geplaatst te hebben, bleef hij staan voor de deur van den kapitein.

»Kom, jongens,” zei hij, »helpt een handje!”

De deur week onder een krachtige drukking en de matrozen drongen in de kajuit door.

Verrast door de duisternis en misschien denkende aan de verantwoordelijkheid hunner daden, aarzelden zij een oogenblik.

»Holla! wat is er? Wie heeft het hart?....” riep de kapitein, uit zijn kooi springende.

»Hou je mond, Bligh!” antwoordde Churchill. »Zwijg, en probeer niet weerstand te bieden, of ik steek je een prop in den mond!”

»Je hoeft je niet aan te kleeden,” voegde Bob er bij. “Je zult er altijd nog goed genoeg uitzien, als je aan de bezaansmast hangt!”

»Bind hem de handen op den rug, Churchill,” zei Christian, »en hijsch hem op het dek!”

»Als men maar weet hoe met hem om te springen, is de verschrikkelijkste kapitein nog al zoo bar niet,” merkte John Smith, de philosoof der bende op.

Daarna klom de stoet, onverschillig of ze de nog slapende matrozen van de laatste wacht wakker maakten of niet, de trap weder op en verschenen ze weer op het dek.

Het was een formeele opstand. Van al de officieren aan boord was Young, een der adelborsten, de eenige, die gemeene zaak met de muitelingen gemaakt had.

Wat de equipage betreft, de weifelaars moesten voor het oogenblik toegeven, terwijl de anderen, ongewapend, zonder hoofd, toeschouwers bleven van het treurspel dat onder hunne oogen zou afgespeeld worden.

»Officieren en matrozen,” zeide hij met vaste stem. Bladz. 206.

»Officieren en matrozen,” zeide hij met vaste stem. Bladz. 206.

Allen waren in stilte op het dek geschaard; zij keken naar hun kapitein die, half naakt, met opgeheven hoofde voorwaarts trad te midden van die mannen die gewoon waren om voor hem te beven.

»Bligh,” zei Christian ruw, »je bent van je kommandement ontzet.”

»Ik ken je het recht niet toe....” antwoordde de kapitein.

»Laat ons geen tijd in nuttelooze protestaties verliezen,” riep Christian uit, die Bligh in de rede viel. »’k Spreek op ’t oogenblik uit naam van de geheele equipage der Bounty. We hadden nauwlijks Engeland verlaten of we hadden ons reeds over je beleedigende vermoedens, je brutale handelingen te beklagen. Als ik zeg wij, dan meen ik daarmee zoowel de officieren als de matrozen. Niet alleen konden we ons nooit rechtvaardigen, maar je verwierpt onze klachten met minachting! Zijn we dan honden om alle oogenblikken gehoond te worden? Kanaljes, roovers, leugenaars, dieven! Je had geen uitdrukking die grof genoeg, geen beleediging die gemeen genoeg voor ons was! Men zou geen mensch moeten zijn om een dergelijk bestaan langer te verdragen! En ik, ik je landgenoot, ik die je familie ken, ik die al twee reizen onder je bevelen gemaakt heb, ben ik door je gespaard geworden? Heb je me niet gisteren nog beschuldigd je eenige armzalige vruchten ontstolen te hebben? En de bemanning! Voor niets, in de boeien! Voor een bagatel, vier en twintig met het eindje! Welnu, loontje komt om zijn boontje! Je bent te mild voor ons geweest, Bligh! Nu is ’t onze beurt! Al die beleedigingen, die onrechtvaardigheden, die onzinnige beschuldigingen, die zedelijke en lichamelijke pijnigingen, waarmee je je equipage anderhalf jaar lang overladen hebt, zullen we je betaald zetten, en met woeker! Kapitein! allen, die je beleedigd hebt, hebben je veroordeeld.—Is het niet zoo, kameraden?”

»Ja, ja, ter dood!” riepen de meeste matrozen, hun kapitein bedreigende.

»Kapitein Bligh,” hernam Christian, “eenigen hadden er van gesproken om je aan een eind touw tusschen hemel en water op te hijschen. Anderen stelden voor je met het eindje zoolang te geeselen, tot je er dood bij neerviel. Ik weet wat beters. Je bent overigens niet de eenige schuldige hier. Zij die altijd getrouw je bevelen hebben opgevolgd, hoe wreed ze ook waren, zouden wanhopig zijn onder mijn kommando over te gaan. Zij hebben verdiend je te vergezellen overal waar de wind je voeren zal.—Laat de sloep in zee!”

Een afkeurend gemor deed zich bij deze laatste woorden van Christian hooren, die er zich evenwel niet om scheen te bekommeren. Kapitein Bligh, die door deze bedreigingen niet uit het veld geslagen was, maakte van een oogenblik van stilte gebruik om het woord te nemen.

»Officieren en matrozen,” zeide hij met vaste stem, »in mijne hoedanigheid als officier van de koninklijke marine, kommandant van de Bounty, protesteer ik tegen de behandeling die je me wilt doen ondergaan. Hebt ge je te beklagen over de wijze waarop ik mijn kommando gevoerd heb, dan kan je me voor een krijgsraad roepen. Maar je hebt stellig niet gedacht aan het gewicht van de daad die je op het punt staat te volvoeren. Denkt er aan dat de hand aan je kapitein te slaan, een daad is die je in verzet doet komen tegen de bestaande wetten, een daad is die je allen terugkeer naar je vaderland onmogelijk maakt, een daad eindelijk die je blootstelt om als zeeroovers behandeld te worden! Vroeg of laat wacht je een schandelijke dood, de dood van verraders en oproerlingen! In den naam van de eer en de gehoorzaamheid die je me gezworen hebt, sommeer ik je tot je plicht terug te keeren!”

»We weten volkomen waaraan we ons blootstellen,” antwoordde Churchill.

»Genoeg, genoeg!” schreeuwde de equipage, gereed om tot gewelddadigheid over te gaan.

»Nu, goed,” zei Bligh, »als je dan een slachtoffer wilt, laat ik het dan zijn, maar ik alleen! Diegenen mijner kameraden, die je evenals mij veroordeelt, hebben slechts mijne bevelen uitgevoerd!”

De stem van den kapitein verloor zich in een koor van verwenschingen en hij moest het opgeven om die meedoogenloos geworden harten te vermurwen.

Gedurende dien tijd werden beschikkingen genomen om de bevelen van Christian ten uitvoer te brengen.

Intusschen was er een vrij hevig geschil gerezen tusschen den eersten stuurman en verscheidene oproerlingen die kapitein Bligh en zijne metgezellen aan hun lot wilden overlaten zonder wapenen, zonder brood of ander voedsel.

Eenigen,—en dit was ook de meening van Churchill,—vonden dat het aantal van hen die het schip moesten verlaten, niet groot genoeg was. Men moest zich, zeide hij, ontdoen van allen die, al hadden zij niet rechtstreeks aan het komplot deelgenomen, toch niet veilig waren. Zij die slechts tevreden waren met de zaken zooals zij zich voordeden, waren niet te vertrouwen. Wat hem aangaat, zijn rug smartte nog van de zweepslagen die hij gekregen had omdat hij op Taïti gedeserteerd was. Het beste en het snelste middel om hem te genezen was, hem dadelijk aan den kommandant over te leveren!—Hij zou zich wel weten te wreken, en met eigen hand!

»Hayward! Hallett!” riep Christian, zich tot twee officieren richtende, zonder op de woorden van Churchill te letten, »klimt af in de sloep.”

»Wat heb ik je gedaan, Christian, om me zoo te behandelen?” zei Hayward. »’t Schijnt dat je mijn dood wilt!’

»Kom, kom, geen tegenspartelingen! Gehoorzaam, of...! ...Fryer, scheep je ook in!”

Doch in plaats van zich naar de sloep te begeven, naderden deze officieren kapitein Bligh, terwijl Fryer, die de stoutmoedigste scheen, hem het volgende toefluisterde:

»Kommandant, wilt u beproeven om het schip te hernemen? We hebben wel is waar geen wapens, maar als we de muitelingen onverhoeds aanvallen, zullen ze geen weerstand bieden. Wat kan ’t ons schelen, al worden er eenigen van ons gedood! We kunnen een coup wagen! Wat dunkt u?”

En werkelijk maakten de officieren zich gereed om zich op de muitelingen te werpen die bezig waren om de sloep uit haar davids te tillen, toen Churchill, wien dit onderhoud, hoe kort ook, niet ontgaan was, hen met eenige goed gewapende mannen omsingelde en hen met geweld deed scheep gaan.

»Millward, Muspratt, Birket, en jelui daar,” zei Christian, zich tot eenige matrozen wendende die geen deel aan den opstand genomen hadden, »gaat tusschendeks, en zoekt uit wat je ’t liefst meeneemt! Je vergezelt kapitein Bligh. Jij, Morrison, bewaak me daar die snaken eens! Purcell, je kunt je timmermanskist meenemen.”

Twee masten met de zeilen, eenige spijkers, een zaag, een half stuk zeildoek, vier kleine vaatjes, honderd vijf en twintig liters water inhoudende, honderd vijftig pond beschuit, twee en dertig pond pekelspek, zes flesschen wijn, zes flesschen rum, de likeurkelder van den kapitein, was alles wat zij mochten medenemen. Men wierp hun daarenboven twee of drie oude sabels toe, maar men weigerde hun vuurwapenen van welken aard ook.

»Waar zijn toch Heywood en Stewart?” zei Bligh, toen hij zich in de sloep bevond. »Hebben die me ook verraden?”

Zij hadden hem niet verraden, maar Christian had besloten hen aan boord te houden.

De kapitein werd toen een oogenblik door een gevoel van vergeeflijke ontmoediging en zwakheid overvallen, ’t welk echter niet lang duurde.

»Christian,” zeide hij, »ik geef je mijn woord van eer dat ik alles zal vergeten wat er gebeurd is, als je dat verfoeielijk plan opgeeft! ’k Bid je, denk toch eens aan mijn vrouw en kinderen! Wat zal er van de mijnen worden, als ik dood ben!”

»Als je een beetje eergevoel gehad hadt,” antwoordde Christian, »zou het nooit zoover gekomen zijn. Als je wat meer aan je eigen vrouw en kinderen en aan de vrouw en kinderen van de anderen gedacht hadt, zou je niet zoo hard en zoo onrechtvaardig voor ons allen geweest zijn!”

Ook de bootsman op zijn beurt, trachtte op het punt van scheep te gaan Christian tot andere gedachten te brengen, doch te vergeefs.

Terwijl de oproerlingen kapitein Bligh spottenderwijs vaarwel zeiden. Bladz. 210.

Terwijl de oproerlingen kapitein Bligh spottenderwijs vaarwel zeiden. Bladz. 210.

»’k Heb al veel te lang geleden,” antwoordde deze laatste bitter. »Je weet niet welke kwellingen ik gehad heb! Neen! dat kon geen dag meer duren en daarenboven weet je dat ik gedurende de geheele reis, ik, de eerste stuurman van dit vaartuig, als een hond behandeld ben! Toch wil ik, op het oogenblik me van kapitein Bligh te scheiden, dien ik waarschijnlijk nooit meer zien zal, uit medelijden hem niet alle hoop op redding benemen.—Smith! ga naar de kajuit van den kapitein, en haal hem zijne kleederen, zijn journaal en zijn portefeuille. Breng hem daarenboven mijn zeekaarten en mijn eigen sextant. Hij heeft dan eenige kans zijn metgezellen te redden en zich zelf te helpen!”

De bevelen van Christian werden ten uitvoer gebracht, doch niet zonder eenig verzet.

»En nu, Morrison, gooi het touw los,” beval de eerste stuurman, die nu kapitein geworden was, »en Gode aanbevolen!”

Terwijl de oproerlingen kapitein Bligh en zijne ongelukkige lotgenooten spottenderwijs een laatst vaarwel toeriepen, kon Christian, tegen de verschansing geleund, zijne oogen niet afhouden van de sloep, die zich verwijderde. Deze brave officier, wiens gedrag altijd flink en rond geweest was en daarom ten volle den lof verdiend had van al de kommandanten onder wie hij gediend had, was thans niets meer dan het hoofd eener bende zeeroovers. Het zou hem nooit meer vergund zijn zijne oude moeder, noch zijne verloofde, noch de kusten van het eiland Man, zijn vaderland weder te zien. Hij gevoelde zich verlaagd in zijn eigen oogen, onteerd in de oogen van iedereen! De kastijding volgde reeds op den misstap!


1 Wij meenen onzen lezers te moeten mededeelen dat dit verhaal geen verdichtsel is. Al de bijzonderheden er van zijn ontleend aan de maritieme jaarboeken van Groot-Brittannië. In het werkelijke leven ontmoeten wij somtijds zulke romaneske voorvallen, dat de meest dichterlijke verbeelding er niets meer zou kunnen bijvoegen.

II

De verlatenen.

De sloep die kapitein Bligh droeg, was met haar achttien passagiers, officieren en matrozen, behalve den wel is waar niet grooten voorraad, zoo zwaar geladen, dat zij nauwlijks vijftien duim boven het vlak der zee uitkwam. Een en twintig voet lang, zes voet breed, mocht zij volkomen geschikt zijn voor den dienst der Bounty, doch om zulk een talrijke equipage te bevatten, om zulk een lange reis te maken, was het moeielijk een ellendiger vaartuig te vinden.

De matrozen stelden evenwel het volste vertrouwen in de geestkracht en de bekwaamheid van kapitein Bligh en de officieren die zijn lot deelden en roeiden met kracht, zoodat de sloep snel de golven doorsneed.

Bligh had niet geaarzeld hoe te handelen. Men moest dadelijk trachten zoodra mogelijk het eiland Tofoa, het dichtste bij van de groep der Vrienden-eilanden, te bereiken. Slechts eenige dagen geleden hadden zij dit eiland verlaten en daar moest men dan een voorraad vruchten van den broodboom verzamelen, den voorraad water vernieuwen en van daar den koers naar Tonga-Tabou nemen. Daar zou men dan ongetwijfeld genoeg levensmiddelen kunnen innemen om den overtocht te maken naar de Hollandsche vestigingen van Timor, ingeval men uit vrees voor de inboorlingen, zich niet wilde ophouden in de ontelbare archipels die op den weg gezaaid liggen.

De eerste dag ging zonder eenig bijzonder voorval voorbij en de nacht viel juist toen men de kust van Tofoa ontdekte. Ongelukkig is het strand daar zoo rotsachtig, de kust zoo steil, dat men er ’s nachts niet kan landen. Men moest dus den dag afwachten.

Bligh wilde liefst, of het moest strikt noodzakelijk zijn, den voorraad in de sloep niet aanraken. Het eiland moest dus allen voeden. Dat scheen evenwel moeielijk te zullen zijn, want in het eerst ontmoetten zij, aan land zijnde, geen spoor van bewoners. Toch duurde het niet lang of er kwamen eenige opdagen; deze werden goed ontvangen, en brachten andere mede die hen van een weinig water en eenige kokosnoten voorzagen.

Bligh was in groote verlegenheid. Wat moesten zij den inboorlingen wel zeggen die bij de laatste landing der Bounty reeds handel met haar gedreven hadden? Het was vooral zaak hun de waarheid te verbergen, teneinde het aanzien niet in gevaar te brengen waarmede de vreemdelingen op die eilanden steeds waren ontvangen geworden.

Zeggen dat zij door het vaartuig ’t welk in volle zee was gebleven, waren uitgezonden om voorraad op te doen? Onmogelijk, daar de Bounty niet zichtbaar was, zelfs van de toppen der heuvels niet! Zeggen dat zij schipbreuk hadden geleden en dat de inboorlingen in hen de eenige overlevenden der schipbreukelingen zagen? dit was nog de waarschijnlijkste fabel. Misschien zoude deze haar met medelijden vervullen en er hen toe brengen den voorraad der sloep te voltooien. Bligh bleef aan dit laatste besluit vasthouden, hoe gevaarlijk ook en waarschuwde allen opdat men het algemeen eens was betreffende deze fabel.

Bij het hooren van dit verhaal, gaven de inboorlingen geen bewijzen van vreugde, noch teekenen van verdriet. Alleen was er groote verwondering op hun gelaat te lezen en wat zij overigens dachten, was onmogelijk te raden.

Den 2n Mei was het aantal inboorlingen die van de andere deelen des eilands waren samengestroomd, waarlijk onrustbarend en weldra merkte Bligh op dat zij vijandige plannen hadden. Eenige beproefden zelfs de sloep op het strand te slepen en lieten dit voornemen eerst varen bij de nadrukkelijke vertogen van den kapitein, die hen met zijn hartsvanger in ontzag moest houden. Gedurende dien tijd, kwamen eenige zijner manschappen, die Bligh had uitgezonden, met eenige gallons water terug.

Het was meer dan tijd dit ongastvrije oord te verlaten. Bij het ondergaan der zon was alles gereed, maar het was niet gemakkelijk de sloep te bereiken. Het strand was bezaaid met inboorlingen die steenen tegen elkander aansloegen en ze gereed hielden om te werpen. De sloep moest zich dus op eenige vademen van het strand verwijderd houden en slechts dan aanlanden, als de mannen gereed waren zich in te schepen.

De Engelschen waren nu ernstig ongerust over de vijandige neigingen der inboorlingen; zij klommen weder naar het strand af, te midden van tweehonderd inboorlingen, die slechts op een teeken wachtten om zich op hen te werpen. Evenwel waren allen gelukkig in de sloep gekomen, toen een der matrozen, Bancroft genaamd, op het noodlottig idée kwam naar het strand terug te keeren om ’t een of andere voorwerp te zoeken dat hij er had achtergelaten. Binnen een seconde werd de onvoorzichtige door de inboorlingen omringd en door steenen gedood, zonder dat zijne metgezellen, die geen enkel vuurwapen bezaten, hem konden te hulp komen. Doch ook zij zelven werden op dat oogenblik aangegrepen en met een hagel van steenen begroet.

»Komt, jongens,” riep Bligh, »aan de riemen en flink doorgeroeid!”

De inboorlingen begaven zich toen in zee en deden opnieuw een hagelbui van keien op de sloep regenen. Verscheidene mannen werden gekwetst. Maar Hayward, raapte een steen op die in de sloep gevallen was, mikte op een van de aanvallers en raakte hem midden op het voorhoofd. De inboorling viel omver, een doordringenden schreeuw gevende, die beantwoord werd door de hoera’s der Engelschen. Hun ongelukkige kameraad was gewroken.

Intusschen staken verscheidene prauwen van het strand af en zetten hen achterna. Deze vervolging kon slechts met een gevecht eindigen, waarvan de uitslag misschien niet gelukkig geweest ware, toen de equipagemeester een goeden inval kreeg. Niet wetende dat hij Hippomenes in zijne worsteling met Atalantes navolgde, ontdeed hij zich van zijn boezeroen en wierp het in zee. De inboorlingen lieten hun prooi los en hielden zich op om zich van het boezeroen meester te maken, waardoor de sloep om den hoek der baai heen kon varen.

Middelerwijl was nu de nacht geheel aangebroken en gaven de inboorlingen ontmoedigd, de vervolging van de sloep op.

Deze eerste poging om ergens aan land te komen was al te ongelukkig tegengeloopen om opnieuw te beproeven; dit was althans de raad van kapitein Bligh.

De golven werden zoo hoog. Bladz. 214.

De golven werden zoo hoog. Bladz. 214.

»Wij moeten nu een besluit nemen,” zeide hij. »Ik ben er zeker van dat wat op Tofoa is voorgevallen, zich op Tonga-Tabou en overal waar we zouden willen aanlanden, zal herhalen. Met ons klein getal, zonder vuurwapenen, zullen we geheel aan de genade der inboorlingen zijn overgeleverd. Zonder voorwerpen om te ruilen, kunnen we geen levensmiddelen koopen, en ’t is ons onmogelijk ze ons met geweld te verschaffen. Wij zijn dus alleen aan onze hulpmiddelen overgelaten. Nu weet je evengoed als ik, vrienden, hoe ellendig die zijn! Maar is het niet beter er ons mee te vergenoegen dan bij elke landing het leven van verscheidene onzer te wagen? En toch wil ik u het verschrikkelijke van onzen toestand niet ontveinzen. Om Timor te bereiken, moeten we nagenoeg twaalfhonderd mijlen afleggen en zult ge u moeten vergenoegen met een ons beschuit per dag en een kwart pint water! Tegen dien prijs alleen is er nog redding mogelijk en op die voorwaarde dan nog dat ik de meest mogelijke gehoorzaamheid bij u zal ontmoeten. Antwoordt me zonder omwegen, ronduit, vindt ge goed de onderneming te wagen? Zweert ge mijne bevelen na te komen, welke ze ook zijn mogen? Belooft ge zonder morren u aan al deze ontberingen te onderwerpen?”

»Ja, ja, we zweren het!” riepen als uit één mond de metgezellen van Bligh uit.

»Mijne vrienden,” hernam de kapitein, »ook moeten we onze wederzijdsche tekortkomingen, onze antipathiën en onzen haat vergeten, in een woord onzen persoonlijken afkeer opofferen aan het algemeen belang, dat alleen ons moet leiden!”

»We beloven het.”

»Als je je woord houdt,” voegde Bligh er bij, »en desnoods zal ik je er toe noodzaken, sta ik voor je redding in.”

De weg was toen naar ’t O.-N.-O. De wind, die vrij sterk was, ging in den avond van 4 Mei in storm over. De golven werden zoo hoog, dat de boot somtijds geheel tusschen haar wegdook en scheen zich niet weder te kunnen verheffen. Het gevaar nam elk oogenblik toe. Doornat en koud, hadden de ongelukkigen om zich wat op te wekken, niets dan een kop thee met wat rum en het vierde van een half verrotte vrucht van den broodboom.

Den dag daarop en de volgende dagen, kwam er geen verandering in den toestand. De boot ging tusschen ontelbare eilanden door, waarvan eenige prauwen afstaken.

Geschiedde dit om hen na te zetten of was het om eenige voorwerpen in ruil aan te bieden? In dezen twijfel zou het onvoorzichtig geweest zijn zich op te houden. Ook had de sloep, waarvan de zeilen door een goeden wind uitgezet waren, ze weldra ver achtergelaten.

Den 9n Mei, barstte er een vreeselijke storm los. Donder en bliksem volgden elkaar onophoudelijk op. De regen viel met een kracht waarvan de hevigste stormen onzer klimaten geen denkbeeld kunnen geven. Het was onmogelijk de kleederen te doen drogen. Bligh kwam toen op de gedachte ze in zeewater te dompelen en ze op die wijze met zout te laten doortrekken, teneinde de huid een weinig van de warmte terug te geven, die haar door den regen ontnomen was. Intusschen bespaarden die stortregens, die den kapitein en zijne metgezellen zooveel leed berokkenden, hun andere martelingen nog veel verschrikkelijker, de martelingen van den dorst namelijk, die eene onverdraaglijke hitte weldra zou hebben doen ontstaan.

Den 17n Mei, ’s morgens, werden na een vreeselijken storm, de klachten algemeen:

»Nooit zullen we de kracht hebben Nieuw-Holland te bereiken,” riepen de ongelukkigen uit. »Doornat van den regen, uitgeput van vermoeienis, zullen we nooit een oogenblik rust hebben! We zijn half dood van den honger en toch versterkt u onze rantsoenen niet, kapitein! Wat komt het er op aan dat onze levensmiddelen op raken. We kunnen bij onze aankomst op Nieuw-Holland ze immers gemakkelijk vernieuwen!”

»’k Moet weigeren,” antwoordde Bligh. »’t Zou met recht gekkenwerk wezen. Wat! we hebben nog slechts den afstand afgelegd die ons van Australië scheidt, en je verliest nu den moed al! En geloof je bovendien gemakkelijk levensmiddelen te zullen vinden op de kust van Nieuw-Holland? Je schijnt het land en zijn bewoners niet te kennen!”

Bligh schilderde toen in breede trekken den aard van den bodem, de zeden der inboorlingen, het weinige vertrouwen dat men in een goede ontvangst moest stellen, allen zaken die hij op zijn reis met kapitein Cook had leeren kennen. Dezen keer nog, hoorden zijne ongelukkige lotgenooten hem aan en zwegen.

De volgende veertien dagen mocht men zich in heldere zonneschijn verheugen, die hun de gelegenheid aanbood om hunne kleederen op te drogen. Den 27n kwamen zij over de branding die de oostkust van Nieuw-Holland omgeeft. De zee was kalm achter deze koraalriffen en eenige groepen eilanden met exotischen plantengroei, verheugden hunne blikken.

Men ontscheepte zich en betrad de kust met de grootste voorzorgen. Men vond geen andere sporen van het verblijf der inboorlingen dan oude vuurplaatsen. Het was dus mogelijk een goeden nacht aan land door te brengen.

Doch men moest eten. Bij toeval ontdekte een der matrozen een oesterbank. Dat was een echte smulpartij.

Den volgenden dag vond Bligh in de sloep een vergrootglas, een vuurslag en zwavel. Hij was dus in staat zich vuur te verschaffen om het wild of de visch te braden.

Bligh kwam toen op het denkbeeld zijn equipage in drie afdeelingen te verdeelen: de eene moest alles in de boot in order brengen; de twee andere moesten op levensmiddelen uitgaan. Maar velen hunner beklaagden zich over deze taak en zagen liever van hun diner af dan zich in de wildernis te wagen.

Een van hen, heftiger of meer ontzenuwd dan zijne kameraden, ging zelfs zoo ver om aan den kapitein te zeggen:

»De een is niets beter dan de andere en ’k zie niet in waarom u altijd achter zoudt blijven om uit te rusten! Als u honger hebt, ga dan eten zoeken! Voor ’t geen u hier te doen hebt, zal ’k u wel vervangen!”

Bligh, die begreep dat deze geest van oproer in de geboorte moest gesmoord worden, greep een hartsvanger, wierp een ander voor de voeten van den oproermaker en riep hem toe:

»Verdedig je of ik steek je overhoop!”

Deze krachtige houding deed den oproerling dadelijk tot bedaren komen en het algemeene misnoegen kalmeeren.

Bij deze landing deed de equipage der sloep een ruimen voorraad op van oesters, kammosselen en zoet water.

Een weinig verder, in de straat van Endeavour, kwam een der troepen die op de jacht van schildpadden en van zeezwaluwen waren uitgezonden, met ledige handen terug; de andere troep bracht zes zeezwaluwen mede, maar deze zouden er veel meer gevangen hebben als niet een der jagers zoo koppig geweest was om van zijne kameraden af te gaan en deze vogels te verschrikken. Deze man bekende later dat hij zich van negen dezer vogels had meester gemaakt en ze rauw op de plaats zelve opgegeten had.

Zonder de levensmiddelen en het zoet water dat zij op de kust van Nieuw-Holland gevonden hadden, zouden Bligh en zijne kameraden ongetwijfeld omgekomen zijn. Overigens verkeerden allen in een beklagenswaardigen toestand, vermagerd, vervallen, uitgeput, niet veel meer dan lijken.

De reis in volle zee, om Timor te bereiken, was slechts de smartelijke herhaling van het lijden dat deze ongelukkigen reeds doorgestaan hadden alvorens de kusten van Nieuw-Holland te bereiken. Het vermogen om weerstand te bieden was evenwel bij allen zonder uitzondering, gebroken. Na eenige dagen, zwollen hunne beenen op. In dien toestand van buitengewone zwakte werden zij overvallen door een bijna voordurenden lust om te slapen. Dit waren de voorteekenen van een einde dat niet veraf meer kon zijn. Bligh, die dit opmerkte, deelde aan de meest verzwakten een dubbel rantsoen uit en trachtte hun een weinig hoop te geven.

Eindelijk kwam den 12n Juni ’s morgens, na een overtocht van drie duizend zes honderd achttien mijlen, in verschrikkelijke omstandigheden, de kust van Timor in ’t gezicht.

De ontvangst die de Engelschen te Coupang genoten, was buitengewoon gastvrij en deelnemend. Zij bleven er twee maanden om zich te herstellen. Nadat Bligh toen aldaar een kleinen schoener gekocht had, bereikte hij Batavia, alwaar hij zich voor Engeland inscheepte.

Men liet het anker vallen op de reede van Matavaï. Bladz. 218.

Men liet het anker vallen op de reede van Matavaï. Bladz. 218.

Den 14n Maart, 1790 liepen de verlatenen te Portsmouth binnen. Het verhaal van het lijden dat zij doorgestaan hadden wekte de algemeene deelneming en verontwaardiging van weldenkenden op. Bijna onmiddellijk ging de Admiraliteit over tot de uitrusting van het fregat de Pandora, van vier en twintig stukken en honderd zestig man en zond haar uit ter vervolging van de oproerlingen der Bounty.

Men zal zien wat er van hen geworden was.

III.

De oproerlingen.

Nadat kapitein Bligh in volle zee was achtergelaten, was de Bounty naar Taïti onder zeil gegaan. Dienzelfden dag, bereikte zij Toubouaï. De lachende aanblik van dat kleine eiland, omgeven door koraalriffen, noodigde Christian uit er te landen; maar de vijandige houding der bewoners was te dreigend, zoo dat van een landing werd afgezien.

Den 6n Juni 1789 liet men het anker vallen op de reede van Matavaï. Toen de bewoners van Taïti de Bounty herkenden, was hunne verrassing buitengewoon. De oproerlingen vonden daar de inboorlingen weder met wie zij bij eene voorgaande landing betrekkingen hadden aangeknoopt en zij vertelden hun een fabel, waaraan zij zorgden den naam te verbinden van kapitein Cook, die bij de bewoners van Taïti de beste herinnering had achtergelaten.

Den 29n Juni, vertrokken de oproerlingen weder naar Toubouaï en zochten zij een eiland op dat buiten den gewonen weg der vaartuigen gelegen was, waarvan de bodem vruchtbaar genoeg was om hen te voeden en waar zij in veiligheid konden leven. Zij dwaalden op die wijze rond van archipel naar archipel, onder het bedrijven van allerlei rooverijen en buitensporigheden, die het Christian maar zelden mocht gelukken te voorkomen.

Daarna, nogmaals uitgelokt door de vruchtbaarheid van Taïti, door de zachte en gemakkelijke zeden zijner bewoners, liepen zij opnieuw de baai van Matavaï binnen. Daar begaf zich het twee derde gedeelte der equipage onmiddellijk aan land. Maar dienzelfden avond had de Bounty het anker gelicht en was verdwenen, voordat de ontscheepte matrozen het voornemen van Christian om zonder hen te vertrekken hadden kunnen vermoeden.

Aan zich zelve overgelaten vestigden deze mannen zonder veel leedgevoel zich in verschillende districten van het eiland. De equipagemeester Stewart en de adelborst Peter Heywood, de twee officieren die Christian van de veroordeeling tegen Bligh uitgesproken, had uitgezonderd en huns ondanks had medegenomen, bleven te Matavaï bij den koning Tippao, wiens zuster Stewart weldra huwde. Morrison en Millward begaven zich naar het opperhoofd Peno, die hen goed ontving. Wat de andere matrozen betreft, zij drongen dieper op het eiland door en huwden al spoedig met inlandsche vrouwen.

Churchill en een razende krankzinnige, Thompson genaamd, werden, na allerlei misdaden bedreven te hebben, handgemeen met elkander. Churchill werd gedood in dezen strijd en Thompson door de inboorlingen gesteenigd. Op die wijze kwamen twee der oproerlingen om het leven die het grootste aandeel aan het oproer genomen hadden. De andere wisten zich integendeel door hun goed gedrag zeer bemind bij de bewoners van Taïti te maken.

Intusschen leefden Morrison en Millward steeds in het vooruitzicht eenmaal de straf voor hun misdrijf te ontvangen en konden daarom niet rustig blijven wonen op het eiland waar zij gemakkelijk konden ontdekt worden. Zij vatten dus het voornemen op een schoener te bouwen waarmede zij zouden beproeven Batavia te bereiken, teneinde zich te midden van de beschaafde wereld te verliezen. Het gelukte hun om met vier hunner lotgenooten, zonder andere gereedschappen dan die van den timmerman, een klein vaartuig te bouwen dat zij de Résolution noemden, en zij legden het vast in een baai achter een der kapen van Taïti, kaap Venus genaamd. Maar de volstrekte onmogelijkheid waarin zij zich bevonden zich zeilen te verschaffen, belette hen zee te kiezen.

Gedurende dien tijd, bebouwde, sterk in hun onschuld, Steward een tuin en verzamelde Peter Heywood de stof voor een woordenlijst, die voor de Engelsche zendelingen van groot nut was.

Achttien maanden waren intusschen verloopen toen, den 23n Maart, 1791, een schip kaap Venus omzeilde en in de baai Matavaï binnenliep. Het was de Pandora, door de Engelsche admiraliteit uitgezonden om de oproerlingen op te sporen.

Heywood en Steward haastten zich aan boord te gaan, gaven hunne namen en hoedanigheden op en verhaalden dat zij volstrekt geen deel aan den opstand genomen hadden; maar men geloofde hen niet en zij werden dadelijk in boeien gesloten, evenals hunne metgezellen, zonder dat het minste onderzoek werd ingesteld. Met de grofste onmenschelijkheid behandeld, met ketenen beladen, bedreigd doodgeschoten te worden zoodra zij zich van de taal van Taïti bedienden om met elkander te spreken, werden zij opgesloten in een kooi van elf voet lang, die aan het uiteinde van het achterdek geplaatst was en door een liefhebber der mythologie met den naam van »doos van Pandora” bestempeld werd.

Den 19n Mei staken de Résolution, die van zeilen voorzien was, en de Pandora in zee. Drie maanden achtereen doorkruisten deze beide vaartuigen den Vrienden-archipel, alwaar men vermoedde dat Christian en de overige oproerlingen de wijk hadden kunnen nemen. De Résolution, die weinig diepgang had, bewees gedurende dezen kruistocht zelfs groote diensten: maar zij verdween in de streek van het eiland Chatam, en, hoewel de Pandora verscheidene dagen in ’t gezicht bleef, hoorde men nooit meer van haar spreken, evenmin als van de vijf zeelieden die haar bemanden.

De Pandora had met hare gevangenen den steven naar Europa gewend, toen zij in de Torris-straat tegen een koraalrif stootte en bijna onmiddellijk zonk met een en dertig matrozen en vier der opstandelingen.

De equipage en de gevangenen, die aan de schipbreuk ontsnapt waren, bereikten toen een zandig eilandje. Daar konden althans de officieren zich onder tenten beschutten; maar de opstandelingen, blootgesteld aan de loodrechte stralen der zon, moesten zich, ten einde een weinig verlichting te vinden, tot den hals toe, in het zand begraven.

De schipbreukelingen bleven eenige dagen op dit eilandje vertoeven; daarna bereikten allen Timor in de sloepen der Pandora terwijl intusschen de strenge bewaking over de oproerlingen geen oogenblik verzuimd werd, niettegenstaande de ernstige omstandigheden.

Na in de maand Juni 1792 in Engeland te zijn aangekomen, moesten de oproerlingen voor den krijgsraad verschijnen, gepresideerd door admiraal Hood. De debatten duurden zes dagen en eindigden met de vrijspraak van vier der beschuldigden en de ter dood veroordeeling der zes andere, wegens misdaad van desertie en ontvoering van het vaartuig dat aan hunne hoede was toevertrouwd. Vier der veroordeelden werden opgehangen aan boord van een oorlogsschip; de twee andere, Stewart en Peter Heywood, wier onschuld eindelijk erkend werd, kregen gratie.

Maar wat was er nu toch van de Bounty geworden? Had zij schipbreuk geleden met de laatste der oproerlingen? Het was onmogelijk het te weten te komen.

In 1814, vijf en twintig jaren na het tooneel waarmede dit verhaal begint, kruisten twee oorlogsschepen onder bevel van kapitein Staines in Australië. Zij bevonden zich ten zuiden van den archipel Dangereux, in het gezicht van een bergachtig en vulkanisch eiland, dat Carteret ontdekt had op zijn reis rondom de wereld, en waaraan hij den naam van Pitcairn gegeven had. Het was slechts een kegel, bijna zonder strand, die zich loodrecht boven de zee verhief en tot den top toe bedekt was met palm- en broodboombosschen. Nooit was dit eiland bezocht; het bevond zich op twaalfhonderd mijlen van Taïti, op 25° 4’ Z. B. en 180° 8’ W. L.; de omtrek bedroeg slechts vier en een half mijl en het was slechts anderhalf mijl lang, terwijl men er niets anders van wist dan ’t geen Carteret er van vermeld had.

John Adam was toen de laatste overlevende. Bladz. 223.

John Adam was toen de laatste overlevende. Bladz. 223.

Kapitein Staines besloot het te verkennen en er eene geschikte landingsplaats te zoeken.

Bij het naderen van de kust, was hij verrast er hutten, bebouwde akkers te zien en aan den oever twee inboorlingen, die, na een boot in zee gebracht te hebben en behendig door de branding gekomen te zijn, zich naar het vaartuig wendden. Maar zijne verbazing steeg ten top, toen hij zich in uitmuntend Engelsch met de volgende woorden hoorde aanspreken:

»Hei! jelui daar, gooi eens een touw op, om ons aan boord te hijschen!”

Nauwlijks waren de krachtige roeiers op het dek aangekomen of zij werden omringd door de verbaasde matrozen, die hen met vragen overlaadden waarop zij niet wisten wat te antwoorden. Voor den kommandant gebracht, werden zij geregeld ondervraagd.

»Wie zijt gij?”

»Ik heet Fletcher Christian en mijn kameraad, Young.”

Uit deze namen kon kapitein Staines, die er ver van af was om aan de overlevenden der Bounty te denken, niets bijzonders opmaken.

»Sedert wanneer zijt ge hier?”

»We zijn hier geboren.”

»Hoe oud zijt ge?”

»Ik ben vijf en twintig jaar,” antwoordde Christian, »en Young achttien.”

»Zijn je ouders door een schipbreuk op dit eiland geworpen?”

Toen legde Christian aan kapitein Staines de roerende bekentenis af die volgt en waarvan hier de voornaamste bijzonderheden voorkomen:

Na het verlaten van Taïti, alwaar hij een en twintig zijner kameraden achterliet, had Christian, die het reisverhaal van kapitein Carteret aan boord had, zich rechtstreeks naar het eiland Pitcairn gericht, waarvan de ligging hem beter voor het doel dat hij zich voorstelde, was toegeschenen. De equipage der Bounty bestond nog uit acht en twintig man. Het waren Christian, de adelborst Young en zes matrozen, waarvan drie met hunne vrouwen en een kind van tien maanden, behalve drie mannen en zes vrouwen, inboorlingen van Roubouaï.

De eerste zorg van Christian en zijne metgezellen, zoodra zij het eiland Pitcairn bereikt hadden, was geweest om de Bounty te vernietigen, teneinde niet ontdekt te worden. Wel is waar hadden zij zich daardoor de mogelijkheid afgesneden om het eiland te verlaten, maar de zorg voor hunne veiligheid vorderde het.

De vestiging der kleine kolonie was niet zonder moeielijkheden tot stand gekomen. En hoe kon het anders met menschen die alleen door een misdaad met elkander verbonden waren! Al zeer spoedig braken er bloedige twisten uit tusschen de inboorlingen van Taïti en de Engelschen. Ook waren er in 1794 nog slechts vier oproerlingen in leven. Christian was omgekomen door een messteek van een der inboorlingen die hij had medegebracht. Al de bewoners van Taïti waren vermoord.

Een van de Engelschen had het middel gevonden om uit den wortel eener inlandsche plant geestrijke dranken te vervaardigen; eindelijk geheel het slachtoffer van dronkenschap geworden, had hij zich in een aanval van delirium tremens, van den steilen rots-oever in de zee gestort.

Een ander had zich in een aanval van waanzin op Young en een van de matrozen, John Adams, geworpen die zich genoodzaakt zagen hem te dooden. In 1800 was Young in een hevigen aanval van asthma gestorven.

John Adams was toen de laatste overlevende van de equipage der oproerlingen.

Met verscheidene vrouwen en twintig kinderen, geboren uit het huwelijk zijner kameraden met vrouwen van Taïti, had zich het karakter van John Adams geheel gewijzigd. Hij was toen nog slechts zes en dertig jaar, maar sedert een aantal jaren had hij zooveel bloedige tooneelen van geweld bijgewoond en de menschelijke natuur van zulk eene droevige zijde leeren kennen, dat hij, na tot inkeer gekomen te zijn, zich geheel gebeterd had.

In de bibliotheek van de Bounty, die op het eiland bewaard bleef, bevonden zich een bijbel en verscheidene gebedeboeken. John Adams, die ze meermalen las, bekeerde zich, prentte de jeugdige bevolking die hem als een vader beschouwde, uitmuntende beginselen in en werd door de macht der omstandigheden, de wetgever, de hooge priester en zooveel als de koning van Pitcairn.

Evenwel had hij tot in 1814 in aanhoudende vrees geleefd. In 1755 hadden de vier overlevenden van de Bounty bij de nadering van een vaartuig, zich in de ongenaakbare bosschen schuil gehouden en waren niet naar de baai durven afkomen dan nadat het schip vertrokken was. Zij hadden denzelfden voorzichtigheidsmaatregel in acht genomen toen in 1818 een Amerikaansch kapitein zich op het eiland ontscheepte, alwaar hij zich van een chronometer en een kompas meester maakte, die hij aan de Engelsche admiraliteit deed toekomen; maar de admiraliteit bekreunde zich niet om deze overblijfselen van de Bounty. Nu vielen er in Europa in dit tijdperk wel andere zaken van veel meer gewicht voor om zich mede te bemoeien.

Dit was het verhaal aan kapitein Staines van de twee inboorlingen, Engelschen door hunne vaders, de een de zoon van Christian, de andere van Young, doch, toen Staines vroeg om John Adams te zien, weigerde deze zich aan boord te begeven, alvorens te weten hoe men hem behandelen zou.

Nadat de kommandant aan de beide jongelieden verzekerd had dat John Adams door verjaring vrij van vervolging was geworden, daar er sedert het oproer van de Bounty vijf en twintig jaren verloopen waren, ging hij aan land en werd hij ontvangen door eene bevolking van zes en veertig volwassenen en een groot aantal kinderen. Allen waren groot en sterk, met een duidelijk uitgedrukte Engelsche type; vooral de jonge meisjes waren verrassend schoon, terwijl hare zedigheid niet weinig strekte aan hare schoonheid een verleidelijk karakter mede te deelen.

De wetten waardoor deze kleine bevolking geregeerd werd, waren zeer eenvoudig. Op een register werd aangeteekend wat iedereen met zijn arbeid verdiend had. Geld was er onbekend; alle overeenkomsten werden door middel van ruilhandel gesloten, maar er was geen nijverheid, want de grondstoffen ontbraken. De eenige kleeding der eilanders bestond in breedgerande hoeden en gordels van lang gras. Vischvangst en akkerbouw maakten hunne voornaamste bezigheden uit. Er werden geen huwelijken gesloten dan met toestemming van Adams en niet dan nadat de man een stuk grond ontgonnen en bebouwd had dat groot genoeg was om in het onderhoud van zijn huisgezin te voorzien.

Nadat kapitein Staines zich omtrent alles betreffende dit merkwaardige eiland, verloren in de minst bezochte streken van de Stille Zuidzee, had laten inlichten, ging hij weder in zee en kwam in Europa terug.

Sedert heeft de eerwaardige John Adams zijne avontuurlijke loopbaan geëindigd. Hij is in 1829 gestorven, en is vervangen door den eerwaardigen George Nobbs die nog heden op het eiland de functies waarneemt van geestelijken herder, geneesheer en van onderwijzer.

In 1853 bedroeg het aantal afstammelingen van de oproerlingen der Bounty honderd zeventig personen. Sedert dien tijd is de bevolking steeds toegenomen en werd zij zelfs zoo talrijk dat zij drie jaren later voor een groot gedeelte moest verhuizen naar het eiland Norfolk, ’t welk tot dat tijdstip als verblijf voor convicts gediend had. Maar een gedeelte der geëmigreerden betreurde Pitcairn, alhoewel Norfolk viermaal grooter was, zijn bodem eene merkwaardige vruchtbaarheid bezat en de middelen van bestaan er oneindig gemakkelijker te verkrijgen waren. Na twee jaren verblijf keerden verscheidene huisgezinnen naar Pitcairn terug, alwaar zij zich in een voortdurenden welstand verheugen.

Zoodanig was dus de ontknooping van een avontuur dat op zulk eene treurige wijze begonnen was. In het begin, oproerlingen moordenaars, krankzinnigen en nu, onder den invloed van christelijke zeden en het onderwijs van een armen bekeerden matroos, is het eiland Pitcairn het vaderland geworden van eene vreedzame, gastvrije, gelukkige bevolking, bij welke de aartsvaderlijke zeden der eerste eeuwen worden wedergevonden.