Dertiende hoofdstuk.

Het gieten.

Acht maanden waren verloopen nadat de eerste spade op Stone’s-Hill in den grond gestoken was. Er was veel in dien tijd gedaan.

Op 600 yard afstand van den kuil verhieven zich in het rond 1200 smeltovens, ieder 6 voet breed, op een onderlingen afstand van een voet of drie. De kring, door deze ovens gevormd, was omtrent 3600 meter lang. Al die ovens waren naar hetzelfde model gebouwd en hadden een hoogen vierkanten schoorsteen. Maston had er verbazend veel schik in; het herinnerde hem de monumenten te Washington; naar zijn oordeel was er nooit, zelfs niet in Griekenland, iets zoo schoons geweest.

De lezer herinnert zich zeker, dat de commissie in haar derde zitting besloten had, de Columbiad van ijzer te gieten, als zijnde daartoe het allergeschiktste metaal.

Maar indien het ijzer slechts éenmaal tot een massa gesmolten is, komen de allicht verschillende ijzersoorten niet volkomen goed dooreen en wordt het geen zuivere specie; daarom bewerkstelligt men bij voorkeur een tweede gieting, opdat de ijzermassa goed doorgemengd zij en alle vreemde bestanddeelen verwijderd worden.

Daarom was ook het voor de Columbiad bestemde ijzer, eer het naar Tampa-Town werd afgezonden, in de hoogovens der firma Goldspring naar eisch in puddelovens met kool en cilicium onder sterke hitte behandeld; eerst daarna werd het naar Stone’s Hill vervoerd. Maar het gold hier bij de 70 millioen kilo, en het zou te duur uitkomen die met den spoortrein te verzenden; het ijzer zou daardoor tot den dubbelen prijs gestegen zijn. Het scheen dus verkieslijker, het in gegoten baren ijzer te New-York in schepen te laden. Daartoe had men niet minder noodig dan 68 bodems van 1000 ton—een vloot, die den 3den Mei de reede van New-York verliet en den 10den voor Tampa-Town ankerde. Vandaar werd het ijzer over den Stone’s Hill-spoorweg vervoerd en was omstreeks half Mei ter plaatse zijner bestemming.

Men begrijpt lichtelijk, dat het van 1200 ovens niet te veel gevergd was op denzelfden tijd deze 60.000 ton ijzer te smelten. Elke oven kon zeer ruim 50.000 kilo metaal bevatten, men had ze gebouwd naar het model van die, welke voor het gieten van het kanon Rodman dienden. Zij waren in allen deele geschikt voor het doel en leverden de beste waarborgen voor het goed gelukken der gieting.

Daags nadat het metsel- en het graafwerk voltooid waren, liet Barbicane aan den binnenvorm beginnen. In het midden van den kuil moest een cylinder komen van 900 voet hoogte en 9 voet dikte, juist de grootte van de ziel der Columbiad. Deze cylinder was vervaardigd uit een mengsel van leemaarde en zand, onder bijvoeging van hooi en stroo. De ruimte tusschen dezen vorm en het metselwerk moest worden gevuld door het gesmolten ijzer, ter dikte alzoo van 6 voet.

Om dezen cylinder in evenwicht te houden, moest hij vastgezet worden met ijzeren ankers, van afstand tot afstand naar het muurwerk schietende; deze ankers zouden bij het gieten tusschen de gesmolten gietmassa geraken; maar dat hinderde niets.

»Dat gietfeest zal een schoone plechtigheid zijn,” sprak Maston tot zijn vriend Barbicane.

»Voorzeker,” antwoordde deze, »maar geen publiek feest.”

»Hoe?” vroeg Maston, »zult gij de hekken in de afpaling niet voor iedereen openzetten?”

»Ik zal er wel op passen, Maston; het gieten van de Columbiad is een moeilijk, om niet te zeggen gevaarlijk werk; ik wil het liever met de deuren dicht doen. Als het projectiel wegvliegt, mag men feestvieren zooveel men wil, maar nu niet.”

De voorzitter had gelijk; het werk kon onvoorziene gevaren opleveren, het verhelpen waarvan een groote toevloed aanschouwers licht hinderen zou. Men moest vrij blijven in alle bewegingen. Niemand werd dus binnen de omheining toegelaten, met uitzondering van een commissie uit de leden der Gun-club, daartoe overgekomen. Zij bestond uit den vroolijken Bilsby, Tom Hunter, kolonel Blomsberry, majoor Elphiston, generaal Morgan en nog eenige anderen. Maston had zich belast met de taak om hen te geleiden en alles te laten zien: magazijnen, werkplaatsen, machines, ja al de 1200 ovens, den eenen na den anderen. Juist op den middag moest het gieten aanvangen; den vorigen dag was elke oven gevuld met 50.000 kilo ijzer aan baren; de noodige zorg voor den vrijen luchtstroom was gedragen. Sedert den morgen braakten de 1200 schoorsteenen hun vlam en rook; de grond trilde van doffe schuddingen.

De hitte werd weldra ondraaglijk binnen den kring der ovens, waarvan het trekken een gerommel als van den donder deed hooren, dat gevoegd bij het fluiten van vele luchtkokers, die zuurstof naar de geweldige vuren joegen, een helsche harmonie vormde.

Zou het gieten hoop op goeden uitslag geven, dan moest het met snelheid geschieden. Op het teeken van een kanonschot moest iedere oven zich openen en het vloeibaar metaal volkomen in den kuil uitstorten.

»voor Tampa-Town” Bladz. 51.

»voor Tampa-Town” Bladz. 51.

Toen alle beschikkingen genomen waren, verbeidden hoofden en werklieden het beslissend oogenblik met ongeduld, tevens niet zonder een zekere mate van ontroering. Er was niemand meer binnen de omheining en iedere onderbaas-gieter was op zijn post bij de gietgaten.

Barbicane en zijn ambtgenooten stonden op een nabij geplaatste tribune. Vóór hen stond een geladen kanon, gereed om los te branden op een teeken van den ingenieur.

Eenige minuten voor het middaguur begonnen de eerste droppeltjes metaal uit te sijpelen; de ontvangbakken raakten langzamerhand gevuld, en toen het ijzer volkomen vloeibaar was, hield men het eenige oogenblikken in rust, teneinde het verwijderen van vreemde omstandigheden gemakkelijker te maken.

Het sloeg twaalf uur. Een kanonschot liet zich hooren, en 1200 gietmonden gingen tegelijk open, en 1200 slangen van vuur kronkelden in gloeiende bochten naar den kuil. Aan den rand gekomen, stortten zij zich met een vreeselijk geraas 900 voet in de diepte. Het was een ontzettend, maar prachtig schouwspel. De grond beefde, terwijl de gloeiende vuurstroomen, onder het hemelwaarts krullen van dikke rookwolken, zich in den afgrond stortten met donderend geraas en de vochtdeelen uit den kuil in gloeiende dampen zich verhieven. Zij rolden en krulden en stegen tot 500 voet hoogte. Men zou uit de verte het trotsche schouwspel aanstarende, hebben gemeend, dat plotseling een vulkaan uit het midden van Florida was opgerezen; en toch was het daar noch vulkaan-uitbarsting, noch hoos, noch onweder, noch strijd der elementen, noch een der vreeslijke verschijnselen, zooals de natuur kan teweegbrengen. Neen! de mensch alleen heeft ze doen ontstaan, die roodachtige dampen, die reusachtige vlammen als van een vulkaan, die trillingen van den grond, welke aan een aardbeving deden denken, dat ontzettende gedruisch van orkanen en onweders; het was de hand des menschen, die een Niagara van gloeiend ijzer deed stroomen in een kuil, door dezelfde hand gegraven.

Veertiende hoofdstuk.

De Columbiad.

Of de gieting gelukt was? Men kon het slechts gissen. Doch alles deed het beste denken, daar de vorm al het gesmolten metaal had opgenomen. Hoe het zij, het zou nog lang onmogelijk blijven er iets zekers van te zeggen.

»verhieven zich 1200 smeltovens.” Bladz. 51.

»verhieven zich 1200 smeltovens.” Bladz. 51.

En inderdaad, majoor Rodman moest wel twee weken wachten alvorens zijn kanon van 80,000 kilo bekoeld was. En hoe lang zou het dan wel duren eer men de Columbiad kon ontblooten? ’t Was moeilijk te berekenen.

Het bestuur der Gun-club werd gedurende dien tijd op een harde proef gesteld. Maar men kon er niets aan doen. Twee weken na het gieten steeg nog een dikke rook opwaarts en de grond brandde onder de voeten, tot wel 200 passen van Stone’s Hill.

De dagen verliepen tot weken, maar er was geen middel om den geweldigen cylinder te bekoelen. Men kon er zelfs onmogelijk bij komen. Wachten was al wat er op zat.

»Daar hebben we nu den 10den Augustus,” zei Maston op zekeren morgen. »Nog een kleine vier maanden, en het is December. De binnenvorm moet nog worden weggenomen, de ziel klaar gemaakt, het stuk geladen.... Wij komen niet klaar! Men kan er nog niet eens bij! Zal dat ding dan nimmer bekoelen? Dat zou toch wat te zeggen zijn.”

’t Gelukte niet den ongeduldigen secretaris tot bedaren te krijgen. Barbicane zei niets, maar dit zwijgen toonde, dat hij inwendig het land had. Hij was in de macht van iemand tegen wien hij niets vermocht—den tijd; het valt hard zich machteloos te voelen.

Toch duidde de dagelijksche waarneming een zekere verandering in den aard van den grond aan. Omstreeks half Augustus begonnen de dampen aanmerkelijk te verminderen. Eenige dagen later was het slechts de onbeduidende adem van het monster in zijn steenen kist. Langzamerhand bedaarden de aardschuddingen; de hitte werd minder; de stoutmoedigsten durfden naderbij komen....

»Eindelijk!” kon de voorzitter uitroepen.

Denzelfden dag werd het werk hervat. Men ging onmiddellijk over tot het uitnemen van den binnenvorm, teneinde de ziel van het stuk te ledigen; allerlei werktuigen werden ter hand genomen om het kanon uit te boren. Gemakkelijk ging dat niet, want leem en zand waren door de hitte zeer hard geworden, maar de machines deden haar plicht en de heete massa werd met zooveel zorg weggebracht, dat den 3den September van den geheelen vorm niets meer te zien of te vinden was.

Daarop begon dadelijk het afdraaien en eenige weken later was de binnenwand der reusachtige buis volmaakt rond, terwijl de ziel van het stuk zoo glad was als een spiegel.

Den 22sten September, nog geen jaar na het voorstel van Barbicane, stond het kanon tot laden gereed. Men behoefde naar niets meer te wachten dan naar de maan, maar men wist dat deze er wel op haar tijd zou zijn.

Den 6den October schreef diensvolgens Barbicane in zijn boeken 2000 dollar ten laste van kapitein Nicholl, die er—zoo meent men—een ziekte van haalde. Doch hem restten nog drie weddenschappen, van 3, 4, en 5000 dollar, en hoewel hij de eerste twee, samen ten bedrage van 3000 dollar kwijt was, stond zijn kans nog niet zoo kwaad. Toch werd hij wel wat bang.

»dat de stad moest worden uitgelegd.” Bladz. 58.

»dat de stad moest worden uitgelegd.” Bladz. 58.

De blijdschap van Maston kende geen grenzen en ’t scheelde niet veel of hij was in de Columbiad gevallen, toen hij een blik in den mond wilde werpen. Zonder den rechterarm van Blomsberry, dien de waardige kolonel gelukkig nog behouden had, zou de secretaris der Gun-club zijn dood in de diepte van het stuk gevonden hebben.

Na 23 September werd het terrein voor het publiek geopend en de toevloed van nieuwsgierigen was verbazend. Reisgelegenheden bij menigte werden in dienst gesteld en zoovelen stroomden van alle zijden naar Tampa-Town, dat de stad aanmerkelijk moest worden uitgelegd, straten bebouwd, kerken gesticht, scholen gevestigd—want geheele scharen waren voornemens in Florida te blijven totdat het groote werk geheel zou zijn afgeloopen. De nieuwstad van Tampa-Town kreeg den naam Moon-city, Maanwijk. Nu bleek het, dat Texas niet ten onrechte gekampt had om de eer, dat het kanon er zou worden gegoten en afgevuurd. Dat de spoorweg tusschen Tampa-Town en Stone’s Hill onophoudelijk bereden werd, spreekt van zelf.

Met dat al werd de nieuwsgierigheid der toegestroomde scharen, slechts ten deele bevredigd. Velen hadden gehoopt op het gieten, maar zij kregen niets dan rookwolken te zien. Dat was een groote teleurstelling; maar Barbicane had niemand bij dat werk willen toelaten. Dit gaf misnoegen, ontevredenheid, gepruttel: men schold op den voorzitter; men beschuldigde hem van aanmatiging: zijn handelwijze heette »weinig Amerikaansch.” Er ontstond bijna oproer rondom de afsluiting van Stone’s Hill. Barbicane was, gelijk men reeds weet, onwrikbaar op dit punt.

Maar toen de Columbiad geheel gereed was, kon het publiek niet langer geweerd worden; het zou niet hebben aangegaan de hekken dicht te houden, onvoorzichtig zelfs het algemeen verlangen teleur te stellen. Barbicane opende dus de afsluiting voor ieder die er in wilde—toch besloot zijn practische geest, geld te slaan uit de algemeene nieuwsgierigheid.

De Columbiad te zien was wel iets, maar de Amerikanen beschouwden het als toppunt van genot, in de diepte van den reusachtigen koker aftedalen. Geen nieuwsgierige of hij wilde zich vermeien aan dien tocht. Daarom waren toestellen boven den tromp geplaatst met een stoomkraan, ten einde die lieden te bevredigen, Het was een ware woede. Vrouwen, kinderen, grijsaards, alles achtte het plicht, tot de ingewanden van die geheimzinnige buis door te dringen. De prijs was 5 dollar per persoon, en ofschoon dit een hooge prijs was, leverde het in twee maanden aan de Gun-club niet minder dan 500,000 dollar op. ’t Is overtollig te zeggen, dat de leden der Gun-club de eersten waren; dat was ook billijk. Deze plechtigheid had den 25sten September plaats. Een staatsie-bak daalde af met Barbicane, Maston, majoor Elphiston, generaal Morgan, kolonel Blomsberry, den ingenieur Murchison en andere voorname leden der vermaarde club, tien in ’t geheel. Op den bodem was het nog zeer warm. Men had het nog te benauwd. Maar welk een dag! Welk een verrukking! Een tafel voor tien personen was aangericht op den steenen voet die de Columbiad droeg; zij was à giorno verlicht door een electrieke vlam. Keur van gerechten, als uit den hemel nederdalende, verschenen achtervolgens voor de gasten, terwijl de beste Fransche wijnen stroomden bij dit feestmaal, 900 voet beneden den grond.

Aan den feestdisch heerschte ongemeene vroolijkheid; er was een kruisvuur van toosten, men dronk op den aardbol, op zijn wachter, op de Gun-club, op de maan, op Selene, op Diana, op de nachtvorstin, op de blanke, op de kuische—op al wat de maan maar was en heette. Al die juichtonen, al die »Leve’s!” werden door de metalen wanden opwaarts gedragen, en de menigte, rondom Stone’s Hill geschaard, paarde haar kreten aan die der tien gasten.

Maston was zichzelven niet meester; hij schreeuwde meer dan hij gesticuleerde, en wat hij meer deed, eten of drinken, is een punt dat moeilijk was uit te maken. In allen gevalle—hij zou zijn plaats voor geen keizerrijk hebben afgestaan, »neen, al was het kanon op dit oogenblik afgevuurd en had het hem aan stukken en brokken naar de hemelruimte geslingerd.”

Vijftiende hoofdstuk.

Een telegram.

Het groote werk der Gun-club had, om zoo te zeggen, zijn beslag, en toch moesten nog twee maanden verloopen eer het projectiel naar de maan zou vliegen. Twee maanden—’t waren twee jaren voor het algemeen ongeduld? Tot dusver had men de kleinste bijzonderheden dagelijks medegedeeld in de dagbladen; men verslond ze met begeerlijke blikken, maar ’t stond te vreezen, dat daaraan een einde zou komen, en ieder duchtte, dat het oogenblik nabij was, waarin niets meer over de zaak te schrijven zou vallen.

Maar dat was niets; er kwam iets nieuws, en wel wat allerminst te verwachten was, zoo buitengewoon, zoo ongeloofelijk, zoo onwaarschijnlijk als het maar kon; iets dat de gansche wereld in spanning bracht.

Den 30sten September, te 3 uur 47 min., ontving de voorzitter der Gun-club een langs de Trans-Atlantische lijn overgeseind telegram.

Barbicane verscheurde den omslag las den inhoud, en hoeveel zelfbeheersching hij ook bezat, toch verbleekten zijn lippen en werden zijne oogen vochtig bij het lezen der volgende woorden:

Frankrijk Parijs.
30 September ’sm, 4 u.

Barbicane, Tampa, Florida.
Vereenigde Staten.

Neem voor projectiel cylinder met kegelpunt. Ik ga mee. Kom met stoomschip Atlanta.

Michel Ardan.

Juist twintig woorden.

Zestiende hoofdstuk.

Michel Ardan.

Indien dit bericht eenvoudig in een brief met de post ware aangekomen, zou er niets van zijn uitgelekt. Maar nu was het door de handen gegaan van Fransche, Iersche, Newfoundlandsche, Amerikaansche telegraafbeambten. Barbicane kon dus een tijding, die als een bliksemstraal uitschoot, onmogelijk verborgen houden. De voorzitter zou dit wel hebben gewenscht, want wat beduidde het? Het telegram kwam van een Franschman—misschien mystificatie? Had het schijn van waarheid, dat iemand op de wereld zoo roekeloos zou zijn om zelfs het denkbeeld van zulk eene reis in het hoofd te krijgen? En gesteld dat zoo iemand bestond, moest men hem dan niet eer in een gekkenhuis sluiten dan in een projectiel?

»er was een kruisvuur van toosten.” (Bladz. 59.)

»er was een kruisvuur van toosten.” (Bladz. 59.)

»’t Kan niet!—Ongeloofbaar!—Spotternij!—Ongerijmd!—Belachelijk!” Al die uitroepingen en nog vele anderen moesten dienen om den indruk te kennen te geven, dien dit telegram maakte, zoodra het, eenmaal door de gedienstigheid van verbaasde telegrafisten »in vertrouwen” verhaald, zich als loopend vuurtje, inderdaad, »als een bliksemstraal verspreid had.

Maston alleen zei: »Een diepe gedachte!”

»Zoo diep,” merkte de majoor aan, »dat men er zelfs niet aan denken kan haar voor den dag te halen.”

»En waarom niet?” vroeg de secretaris der Gun-club levendig en strijdvaardig. Maar hij vond geen partij.

De naam van Michel Ardan lag vooral te Tampa-Town op aller lippen. Men vroeg elkander: »Wie is die man? Bestaat hij?”

Toen Barbicane het denkbeeld opperde om een projectiel naar de maan te zenden, vond ieder die onderneming natuurlijk, uitvoerbaar, een zuivere zaak van artillerie. Maar dat een redelijk wezen in dat projectiel plaats wilde nemen en die onwaarschijnlijke reis beproeven,—dat was een dwaze inval, juist wat de Franschen zoo gaarne aangaande de Amerikanen zeggen: »een humbug.”

Hoe meer men er over dacht en praatte, des te meer kwam men er toe den geheelen Ardan en het geheele bericht uit te lachen. Doch daar waren er ook, die de zaak anders inzagen. Noemde men het een dwaasheid—hoe menigmaal was het niet gebeurd, dat heden waarheid bleek wat gisteren dolheid heette! Waarom zou die reis te avond of morgen niet eens kunnen gedaan worden?

Een andere vraag: Bestond die Michel Ardan inderdaad? Gewis, en zelfs was zijn naam in Amerika niet gansch onbekend. Michel Ardan, zoo heette een Europeaan, befaamd wegens zijn krasse ondernemingen. En dan nog: een telegram, de naam van het schip.... neen! dat alles kon geen verzinsel zijn.

Maar men wilde meer dan gissing en redeneering—men wilde zekerheid hebben. Dus, naar de woning van Barbicane; den voorzitter der onderneming!

Deze had zich over het telegram volstrekt niet uitgelaten. Hij wilde afwachten. Maar nu was er een oploop onder zijn ramen. Niet waar? Op hem rustten al de plichten van een hooggeplaatst persoon, en dus ook die om zich den volke te vertoonen.

Hij vertoonde zich. Een uit de menigte vroeg met ronde woorden: »Is de zich noemende Michel Ardan op reis naar Amerika, of niet?”

»Mijne heeren,” antwoordde Barbicane, »ik weet er niet meer van dan gij.”

»Gij moet het weten,” klonk het ongeduldig.

»De tijd zal het leeren,” sprak de voorzitter koeltjes.

»De tijd heeft het recht niet om een geheel land in het onzekere te houden,” antwoordde de spreker uit den hoop. »Hebt gij het plan van het projectiel veranderd naar het telegram?”

»Nog niet, mijne heeren; maar ge hebt gelijk, men moet weten waaraan zich te houden; de telegraaf, die deze geheele opschudding verwekt heeft, zal ons wel verder helpen.”

»Naar het telegraafkantoor!” riep de menigte.

Barbicane ging derwaarts vooruit en eenige minuten later was een telegram afgezonden aan den deken der makelaars te Liverpool, met verzoek om antwoord op deze vragen: »Is er een schip Atlanta? Wanneer heeft het Europa verlaten? Heeft het een Franschman Michel Ardan aan boord?”

Twee uren later ontving Barbicane een antwoord, dat niet den minsten twijfel overliet:

»Stoomschip Atlanta van Liverpool vertrokken 2 October naar Tampa-Town. Persoon met den naam Michel Ardan aan boord als passagier.”

De oogen van den voorzitter schitterden. Men hoorde hem mompelen: »Toch waar! En over veertien dagen is hij hier. Maar ’t is een gek, een waanzinnige. Ik zal nimmer toestaan....”

En toch schreef hij dienzelfden avond aan het huis Breadwill en Comp. om met het projectiel alles te staken tot nader order.

Den 20sten October, ’s morgens te 9 uur, zag men op de lichttorens van het Bahama-kanaal een dikken rook aan den horizon. Twee uren later wisselde een stoomjacht herkenningsteekenen en werd de naam der Atlanta naar Tampa-Town geseind. Te 4 uur was het stoomschip voor Espirito-Santo; te 5 liep het langs de reede van Hillisboro met vollen stoom; te 6 ankerde het voor Tampa-Town. Nauwelijks had het anker gevat of een sloep lag aan de Atlanta; Barbicane sprong aan boord en riep overluid: »Michel Ardan!”

»Present!” antwoordde iemand die aan de verschansing stond.

Met gekruiste armen, vragend oog en gesloten mond, keek Barbicane den passagier aan.

Het was een man van 42 jaar, lang, maar een weinig voorovergebogen, zooals de kariatiden die balken op het hoofd dragen. Zijn hoofd, bedekt met zwaar, borstelig haar, teekende vastheid van geest. Zijn gelaat was breed; onder den haviksneus prijkte een knevel, die wel iets had van dien eener kat; de mond was fijnbesneden. Voorts teekende zijn geheele persoonlijkheid kracht en vastheid, »eer gesmeed dan gegoten,” om een zijner technische uitdrukkingen over te nemen.

Wat Lavater in dat gelaat zou hebben gelezen, moeten wij in het midden laten. Een gewoon mensch zag Michel Ardan in den eersten opslag aan voor iemand die durfde, maar ook welwillend was. Wat hem vooral kenmerkte was iets onrustigs, iets beweeglijks, zoodat hij ook aan boord van de Atlanta nu hier stond, dan daar zat en nooit op zijn plaats bleef. In éen woord, Michel Ardan was een dier zonderlingen, zooals de Schepper ze wel eens uit grilligheid voortbrengt, maar waarvan hij den gietvorm terstond verbrijzelt.

Inderdaad, de inwendige persoonlijkheid van Michel Ardan leverde een ruim veld aan den menschenkenner. Die opmerkelijke man had een voortdurende neiging tot het overdrevene, lang voordat hij, om taalkundig te spreken, den overtreffende trap had bereikt; ieder voorwerp teekende zich op het netvlies van zijn oog in bepaalde vormen af. Vandaar een stapel reusachtige denkbeelden; hij zag alles in het groot, derhalve de moeilijkheden en de menschen.

Overigens was hij een echte waterrot. Van aanleg een man der kunst, naar den geest iemand, die het niet met groote woorden afdeed, maar spijkers met koppen sloeg. In een twistgesprek liet hij zich noch aan logica, noch aan kunst van sluitredenen gelegen liggen; hij zou die nooit uitgevonden hebben, en toch was de slag steeds aan hem. Het was zijn lust, iedereen te overbluffen en met een sabelhouw zijn partij armen en beenen stuk te slaan.

Tot zijn liefhebberij behoorde ook dat hij zich een »heerlijke weetniet” noemde, evenals Shakespeare. Voor al wat »wetenschap” heet koesterde hij diepe verachting; »die lui”, zeide hij, »doen niets dan punten aanteekenen, terwijl wij zitten te spelen.” In ’t kort, hij was een Zigeuner uit het land van bergen en wonderen; avontuurlijk, maar geen avonturier; een koorddanser wien de meest halsbrekende toeren de liefste waren; een Phaëton die de kar der zon mende, een Icarus met waarlooze vleugels. Met opgeheven hoofd stortte hij zich in de dolste ondernemigen; hij schroomde niet zijn schepen achter zich te verbranden, en welke bokkesprongen hij ook maakte, altijd kwam hij, als de beste kat, op de pooten terecht.

»Onmogelijk,” was voor hem een onzinnig woord. Zonder aarzelen zette hij den kop tegen een muur. »Die waagt wint,” was zijn lijfspreuk.

Om geld bekommerde Michel Ardan zich volstrekt niet; op dat punt was hij een Danaïden-vat. Op belang zag hij nimmer; beschaving was beneden hem. Hij zou in staat geweest zijn zich zelven voor slaaf te verkoopen en het geld te besteden tot losprijs van een neger.

In Frankrijk, ja door geheel Europa was Michel Ardan bekend als de bonte hond. En kon het ook anders, waar hij de honderdtongige faam zoo in zijn dienst had? Hij leefde immers in een glazen huis en maakte immers het geheele menschdom tot zijn vertrouwde? Maar hij bezat ook een rijke verzameling vijanden, en daaronder nog al eenigen die hij had gewond, geranseld, zonder genade doodgeslagen, terwijl hij zonder blikken of blozen zich met zijn ellebogen ruim baan maakte door de menigte.

»die aan de verschansing stond.” Bladz. 63.

»die aan de verschansing stond.” Bladz. 63.

Toch was hij gansch niet onbemind, en als hij bij een zijner salti mortali den nek scheen te moeten breken, keek iedereen zijn bewegingen met angst na. Men wist immers wat waaghals hij was! Als iemand hem wilde tegenhouden en hem een ongeluk voorspelde, luidde zijn gewoon antwoord: »men wordt slechts door zijn eigen vlooien”—eigenlijk noemde hij een ander diertje—»gebeten.”

Zulk een man was de passagier op de Atlanta, altijd opgewonden, altijd opborrelend als het water in een ketel boven ’t vuur, altijd in spanning, niet over ’t geen hij in Amerika kwam doen—daar dacht hij niet eens aan—maar tengevolge van zijn koortsachtig gestel. Indien er ooit twee menschen van tegenovergestelde natuur bijeen zijn geweest, dan waren het de Franschman Michel Ardan en de Yankee Barbicane; en toch kwamen zij daarin overeen, dat beiden ondernemend, volhardend, stoutmoedig waren, elk op zijne wijs.

De voorzitter van de Gun-club kon zich niet lang verdiepen in het beschouwen van den man die hem naar den achtergrond kwam schuiven; want de menigte hief een levendig gejuich aan. Deze kreten van hoezee! en leve! werden zelfs zoo uitgelaten en de geestdrift uitte zich zoo op den man af, dat Michel Ardan, na een duizendtal handen te hebben gedrukt, op ’t gevaar af van zijn tien vingers te verspelen, genoodzaakt was de wijk te nemen naar zijn hut.

Barbicane volgde hem zonder een woord te spreken.

»Gij zijt Barbicane?” vroeg hem Michel Ardan, zoodra zij alleen waren, en op een toon alsof hij hem twintig jaar gekend had.

»Ja,” antwoordde de voorzitter der Gun-club.

»Welnu, goeden dag, Barbicane. Hoe maak je ’t? Goed? Zooveel te beter!”

»Gij zijt dus,” sprak Barbicane zonder eenige andere inleiding, »besloten om te gaan?”

»Bepaald.”

»Houdt niets u terug?”

»Niets. Hebt gij het projectiel laten maken volgens mijn telegram?”

»Ik wachtte op uw komst. Maar,” vroeg Barbicane andermaal, nu met aandrang, »hebt gij u wel bedacht?”

»Bedacht! Heb ik tijd tot bedenken? Ik vind gelegenheid om een reisje naar de maan te doen, ik maak daar gebruik van—dat is alles. Ik vind niet dat daarover zooveel te bedenken valt.”

Met verbazing staarde Barbicane den man aan, die over zijn reisplan zoo losjes sprak als over een watertochtje op de rivier.

»Maar gij zult toch wel een reisplan hebben en middelen ter uitvoering?”

»Opperbest, mijn waarde Barbicane. Maar mag ik zoo vrij zijn u iets te doen opmerken. Ik verlang al mijn geschiedenis op een goeden dag aan heel de wereld te vertellen. Om nu herhalingen te voorkomen, moest gij intusschen uw vrienden, ook uw medeleden, de geheele stad, geheel Florida, geheel Amerika als gij wilt, bijeenroepen, en morgen zal ik bereid zijn mijn middelen te ontvouwen en te antwoorden op tegenwerpingen, welke ook.”

»Wees bedaard, ik zal ze gerust afwachten. Vindt ge dat goed?”

»Mij wel,” antwoordde Michel Ardan.

Daarop verliet de voorzitter de hut en deelde aan de volksmenigte het voorstel van den Franschman mede. Zijn woorden vonden levendige toejuiching.

Zoo werd ineens alle moeilijkheid afgesneden. Den volgenden dag kon iedereen op zijn gemak den Europeeschen held beschouwen. Toch wilden eenigen van de grootste heethoofden de Atlanta niet verlaten: zij bleven den nacht over aan boord. Maston had zijn haak zoo vast in den rand van den koekoek geslagen, dat bijna een kaapstander noodig was om er hem uit te trekken.

»’t Is een held! een held!” schreeuwde hij uit al zijn macht, »en wij zijn slechts oude wijven bij dien Europeaan!”

Nadat de voorzitter de bezoekers had verzocht zich te verwijderen, keerde hij naar de hut van den passagier terug en bleef er totdat het aan boord kwartier voor twaalf had geslagen. Toen scheidden de beide groote mannen met een handdruk en Barbicane zocht zijn legerstede op.

Zeventiende hoofdstuk.

Een volksvergadering.

Den volgenden morgen verscheen de dagvorstin later dan aan het ongeduld van het publiek lief was. Men vond haar lui voor een zon die zulk een feest moest beschijnen. Barbicane, beducht voor vragen die aan Michel Ardan onaangenaam konden zijn, had het getal toehoorders tot een klein getal begunstigden willen beperken, b.v. zijn medeleden. Maar men kon even goed de Niagara afdammen. Hij moest dus dat plan opgeven en zijn nieuwen vriend aan de openbaarheid prijs geven. De nieuwe zaal der beurs te Tampa-Town werd, hoe ruim ook, ontoereikend geoordeeld, want het liet zich aanzien, dat het een ontelbare menigte zijn zou.

Men koos dus een vlakte buiten de stad, alwaar tegen de zon, met behulp van de schepen in de havens en op de reede, zeilen werden uitgespannen bij wijze van een reusachtige tent, onder welke 300,000 personen plaats vonden. Een derde deel kon zien en hooren, een derde weinig zien en niets hooren; een derde zag niets en hoorde niets. En toch was dit laatste derde niet het achterlijkst in toejuichingen.

Te 2 uur verscheen Michel Ardan, vergezeld van de voornaamste leden der Gun-club. Hij ging gearmd tusschen Barbicane en Maston. Hij klom op een verhevenheid, en zoodra de oorverdoovende toejuichingen eenigszins tot bedaren waren gekomen, wenkte hij met de hand, verzocht stilte en begon in vloeiend Engelsch aldus:

»Mijne heeren! Hoe warm het ook is, moet ik toch eenige oogenblikken vragen om u de noodige inlichtingen te geven aangaande de plannen, die gij wel met uwe aandacht wilt verwaardigen. Ik ben noch geleerde noch redenaar, en ik zou er ook niet aan gedacht hebben in het openbaar te spreken, maar mijn vriend Barbicane heeft er mij toe uitgenoodigd. Luistert dus met uwe 600,000 ooren en verschoont het gebrekkige mijner voordracht.”

Uitbundige toejuichingen!

»Mijne heeren! Ieder mag zijn goed- of afkeuring te kennen geven. Dat is dus afgesproken.”

»Vergeet echter niet, dat gij te doen hebt met een weetniet, wiens onwetendheid zoo ver gaat, dat hij zelfs onbekend is met de moeilijkheden. Hij is dus van oordeel, dat het zeer eenvoudig en gemakkelijk is, plaats te nemen in een projectiel om naar de maan te reizen. Die reis moet vroeg of laat gedaan worden, en dat volgens de wet van vooruitgang. De mensch is begonnen op handen en voeten te loopen, daarna op twee beenen, toen met een kar te rijden, vervolgens met een koets, daarop met een diligence en eindelijk met een spoortrein. Welnu, het projectiel is het rijtuig der toekomst, en om de waarheid te zeggen, de planeten zijn niets dan projectielen, eenvoudige kogels, geschoten, door de hand des Scheppers. Maar om weder van ons vervoermiddel te spreken. Sommigen uwer hebben kunnen gelooven, dat de voorgenomen snelheid overdreven is. Dat is niet zoo: al de sterren overtreffen het in dit opzicht: de aarde zelve wentelt zich driemaal sneller om de zon. Ziehier eenige voorbeelden. Ik zal mij met uw verlof in geographische mijlen uitdrukken, want uw Amerikaansche maten zijn mij niet zoo bekend, en ik zou niet gaarne met mijn berekening in de war komen.

»Dat die mijlen tusschen de vijf kwartier en anderhalf uur gaans lang zijn, weet gij. Nu, van die mijlen legt Mercurius in zijn baan om de zon ieder uur ruim 24,000 af, dat is zooveel als een voetganger, dag en nacht onafgebroken doorstappende, in 3 jaren en omtrent 8 maanden zou afleggen. Dat doet Mercurius in één enkel uur. En is het dan om er zooveel beweging over te maken, en is het niet blijkbaar, dat dit alles na eenige jaren door nog grooter snelheden overtroffen zal worden, waarschijnlijk met behulp van het licht en de electriciteit?”

»bij wijze van een reusachtige tent.” Bladz. 68.

»bij wijze van een reusachtige tent.” Bladz. 68.

Niemand sprak het tegen.

»De tijd zal komen,” ging de spreker voort, »dat men reizen doet naar de maan, naar de planeten, naar de sterren, zooals men tegenwoordig van Liverpool naar New-York reist, gemakkelijk, snel en veilig. De tijd zal komen, dat de oceaan der ruimte even druk doorreisd wordt als de oceaan der Aarde, onze planeet. Afstand is slechts een betrekkelijk woord. Eenmaal wordt de afstand nul.”

De vergadering was gunstig ten aanzien van den Franschen held gestemd, maar deze leer scheen haar wat kras. Dat scheen Michel Ardan te begrijpen.

»Gij schijnt niet overtuigd. Welnu, laat ons zien. Weet gij hoeveel tijd een sneltrein noodig zou hebben om de maan te bereiken?”

»Driehonderd dagen, meer niet. Het is een afstand van nog geen 52,000 mijlen, maar wat maakt dat uit? Nog geen tienmaal de tocht om de aarde, en hoeveel reizigers en zeelieden hebben dien afstand al niet afgelegd! Bedenkt dus, dat ik slechts 97 uren onderweg ben. Gij meent misschien, dat de Maan ver van de Aarde is en dat men zich wel tweemaal mag bedenken eer men de reis waagt? Maar wat zoudt gij dan wel zeggen van een reis naar Neptunus, die 600 millioen mijlen van de zon af is? Verbeeldt u een spoorweg van hier naar die planeet, en dat een plaatskaartje 1 Amerikaansche cent per kilometer kost,—uiterst goedkoop!—dan zou nog een kapitaaltje van 45,000 millioen dollar noodig zijn om de reis te betalen.”

Deze manier van betoogen viel zeer in den smaak. Dat scheen Michel Ardan te bemerken; hij werd er te welbespraakter door.

»En wat is nog die afstand naar Neptunus bij dien der vaste sterren! Wij kunnen dien niet meer bij mijlen uitdrukken, maar ik zal u iets anders zeggen. Het licht legt in iedere seconde een afstand van ruim 41,000 mijlen of omtrent 55,000 uren gaans af. Het licht der zon komt dus in ruim 8 minuten tot ons. Welnu! datzelfde licht zou, om van ons tot de allernaaste vaste ster, de grootste in het sterrenbeeld Centaurus te komen, meer dan 3 jaren noodig hebben, Sirius 14, de Poolster 43 jaren. En deze zijn voor ons de naaste vaste sterren. Daar zijn er, van welke men met zekerheid weet, dat zij niet minder dan driehonderdmaal verder kunnen zijn, misschien duizendmaal. Daar kan men dus eerst van afstanden beginnen te spreken. Weet gij wat ik denk van de wereld, die begint op de zon en eindigt op Neptunus? Doodeenvoudig. Het zonnestelsel is een vast lichaam, een vaste zelfstandigheid, de planeten zijn enkel gescheiden door ruimtetjes, zooals de stofdeeltjes van het zwaarste metaal, zilver, ijzer of platina. Daarom heb ik recht te zeggen en herhaal het met de innigste overtuiging »afstand is een hol woord, afstand is een onding!”

»Bravo! Hoezee!” klonk het uit 300.000 monden.

»Afstand is een onding!” schreeuwde Maston boven allen uit.

»Mijn vrienden!” ging Michel Ardan voort, »ik houd dit vraagstuk voor afgedaan. Als ik u allen niet overtuigd heb, ligt het aan de beschroomdheid mijner voordracht en de zwakheid van mijn betoog, niet aan het twijfelachtige der zaak. Hoe het zij, ik herhaal het: de afstand tusschen de Maan en de Aarde is in wezenlijkheid onbeduidend en niet waard dat een denkende geest er zich om bekommert. Ik geloof dus niet te veel te zeggen, als ik beweer, dat men mettertijd projectiel-treinen hebben zal voor een gemakkelijke reis naar de Maan. Daarop zijn geen botsingen, geen stooten, geen derailleering te vreezen, en men zal het doel bereiken, zonder vermoeienis, met snelheid, in een rechte lijn. Geen 20 jaren duurt het, of de helft der aardbewoners heeft een bezoek aan de maanbewoners gebracht?”

»Hoezee! Leve Michel Ardan!” riepen allen, ook de minst overtuigden.

»Leve Barbicane!” antwoordde de redenaar bescheiden.

Deze uitroep werd met levendige toejuichingen begroet.

Barbicane, zeer voldaan over den gang der vergadering, vreesde toch nog steeds, dat zoodra de theoretische beschouwingen van Michel Ardan in practische antwoorden zouden moeten overgaan, de vragers het wel eens lastig konden maken. Ten einde dit te voorkomen, vroeg hij zijn nieuwen vriend, of hij dacht, dat de Maan en de planeten bewoonbaar zijn.

»Een moeilijke vraag,” heette het; »mijn waarde voorzitter, bedrieg ik mij echter niet, dan zijn mannen als Plutarchus, Swedenborg, Bernardin de St. Pierre, benevens vele anderen, van oordeel, dat uw vraag met ja moet beantwoord worden. Op het standpunt van natuurwetenschap zou ik mij aan hunne zijde scharen.

»Ik zou zeggen, dat hier op de aarde niets nutteloos bestaat en daarom denken, dat die andere werelden ook bewoonbaar zijn, of geweest zijn, of zullen zijn.”

»Uitmuntend!” hoorde men door de naastbijstaanden uitroepen, terwijl Barbicane er bij voegde: »Goed geredeneerd. Ik verander dus mijn vraag; niet of de maan en de planeten bewoonbaar, maar of zij bewoond zijn.”

»Ik voor mij ben daar zeker van,” antwoordde Michel Ardan.

»Er is toch ook,” merkte een ander aan, »nog al wat tegen te zeggen. Op vele der hemellichamen moeten het dan gansch andere wezens zijn. Om nu alleen van de planeten te spreken, op Neptunus, ja op Saturnus moet reeds alles stijf bevriezen.”

»Het doet mij leed,” antwoordde Michel Ardan, »mijn geëerden bestrijder niet persoonlijk te kennen, maar ik zal toch trachten hem te antwoorden. Zijn bedenking heeft waarde, maar ik geloof haar evenzeer te kunnen wederleggen als andere bewijsgronden tegen de bewoonbaarheid der hemellichamen. Indien ik natuurkundige was, zou ik zeggen, dat zoo er minder warmstestof in werking is op de planeten nabij de zon, en meer op die welke ver van de zon zijn, dit eenvoudig verschijnsel voldoende is om het evenwicht te herstellen en de temperatuur op die planeten ook voor ons geschikt te maken. Indien ik dierkundige was, zou ik met vele beroemde geleerden zeggen, dat de natuur ons op deze Aarde voorbeelden oplevert van dieren, ook levende onder omstandigheden die men er ver van geschikt toe zou achten; dat visschen ademen in een middelstof, voor de andere dieren doodelijk; dat de amphibiën in het water en op het land beide leven op een oogenschijnlijk onverklaarbare wijze; dat sommige zeedieren er op een verbazende diepte rondkruipen, gedrukt door een zwaarte van water, die ons verpletteren zou, een drukking van 50 of 60 dampkringen; dat sommige waterdiertjes, ongevoelig voor hitte of koude, evenzeer worden aangetroffen in kokende bronnen als in het ijs der poolzeeën. In één woord, dat men aan de natuur een verscheidenheid in haar middelen moet toekennen, welke dikwijls onbegrijpelijk is, maar niettemin bestaat. Indien ik scheikundige was, zou ik aanvoeren, dat de meteoorsteenen, klaarblijkelijk buiten onzen aardbol gevormd, bij het scheikundig onderzoek koolstof hebben opgeleverd, een zelfstandigheid, die een organischen oorsprong bewijst, en dat zij dus, volgens de onderzoekingen van Reichenbach, mede tot het dierenrijk moeten gebracht worden. En eindelijk, indien ik godgeleerde was, zou ik zeggen, dat volgens den apostel Paulus de goddelijke openbaring zich niet bepaalt tot het menschdom, maar ook tot al de hemelsche werelden. Maar ik ben noch godgeleerde, noch scheikundige, noch dierkundige, noch natuurkundige. Bij mijn volslagen onkunde in de groote wetten, volgens welke het heelal bestuurd wordt, bepaal ik mij dus hierbij: of die werelden bewoond zijn weet ik niet, en omdat ik het niet weet, ga ik het zien!”

Kwam de bestrijder van Michel Ardan met andere bewijsgronden? Dat is onmogelijk te zeggen, want de oorverdoovende toejuichingen verhinderden alle gelegenheid tot spreken. Toen eindelijk de stilte genoegzaam hersteld was, voegde de redenaar er het volgende bij:

»mettertijd projectieltreinen naar de maan.” Bladz. 71.

»mettertijd projectieltreinen naar de maan.” Bladz. 71.

»Ik heb, mijn waarde Yankees, het onderwerp slechts even kunnen aanroeren en er zijn andere bewijzen in overvloed voor de bewoonbaarheid der werelden. Ik laat die liggen. Laat mij slechts één woord mogen zeggen. Hun die de bewoonbaarheid der planeten ontkennen, moet men antwoorden: gij kunt gelijk hebben, indien bewezen is, dat de Aarde de best mogelijke wereld is, maar dat is zij niet, wat Voltaire er ook van moge gezegd hebben. Zij heeft slechts één wachter, terwijl Jupiter, Saturnus, Uranus, en Neptunus er verscheidene hebben—een voorwaar niet verwerpelijk voordeel. Maar wat vooral onze Aarde onaangenaam maakt, is de helling van haar as op haar loopbaan. Vandaar de ongelijkheid van dagen en nachten; vandaar de kwellende afwisseling der jaargetijden. Op onzen ellendigen aardbol is het altijd te heet of te koud; men bevriest er in den winter en smelt er in den zomer; het is de planeet van verkoudheden en van bloedspuwingen, terwijl b. v. op Jupiter, wiens as zeer weinig helt, de bewoners, aangenomen dat zij er zijn, altijd een onveranderlijke temperatuur genieten; er is een gordel van lente, een gordel van zomer; een gordel van herfst en een gordel van winter—allen bestendig; iedere Jupiterbewoner kan het klimaat kiezen dat hem bevalt en er zich vestigen, dan is hij vrij van alle weersverandering. Gij zult ongetwijfeld deze voortreffelijkheid van Jupiter boven onze aarde toegeven, om nu niet te spreken van de jaren, die ieder een dozijn der onze duren. Bovendien is het in mijn oog niet twijfelachtig of de bewoners dier wereld zijn onder die gelukkige omstandigheden voortreffelijker wezens; de geleerden zijn er zeker geleerder, de kunstenaars bekwamer, de deugnieten draaglijker, de goeden beter.

»Helaas! wat ontbreekt onzen aardbol om dien toestand te bereiken? Een kleinigheid—niets dan dat de as der aarde wat rechter op haar loopbaan gezet wordt.”

»Welnu!” riep een zware stem; »laat ons dan met vereenigde krachten machines zien uit te denken om de as der aarde op te lichten!”

Een donderend geweld maakten op dat oogenblik de uitbundige toejuichingen van een voorstel, dat uit niemands mond kon komen dan van Maston. Hadden die Amerikanen slechts het door Archimedes verlangde steunpunt gehad, wie weet of zij niet een kraan hadden vervaardigd om de as der aarde eenige graden te verplaatsen! Maar zij hadden dat steunpunt niet, en dientengevolge bepaalde het lot van het voorstel zich daartoe, dat er een allergeweldigst lawaai gemaakt en de vergadering voor een kwartier werd geschorst.