De 1ste December was aangebroken. Een gewichtige dag, want ging het stuk dien avond niet af, en wel te 10 u. 46 min. 40 sec, dan zouden ruim 18 jaren verloopen eer de maan denzelfden stand had, tegelijk in haar naaste punt en in het toppunt.
Het was heerlijk weder, en schoon de winter voor de deur stond, verlichtte de heldere zon de Aarde, die eerlang zou worden verlaten door drie harer bewoners.
Reeds in den vroegen morgen bedekte een onafzienbare menigte den geheelen omtrek. Ieder kwartier bracht de spoortrein andere nieuwsgierigen; ja men meent, dat op dien merkwaardigen dag 9 millioen toeschouwers den grond van Florida betraden.
Reeds sedert een maand waren zij bij duizenden toegestroomd; zij kampeerden rondom Stone’s Hill en legden er de grondslagen van een stad, later Ardan Town genaamd. Allerlei natiën waren er vertegenwoordigd, allerlei talen werden er gesproken, allerlei kleederdrachten gezien. ’t Waren mannen, vrouwen en kinderen, rijken en armen, in juweelen en lompen, millionnairs en bedelaars. Van alles werd er gegeten en gedronken; menigeen was blijde de maag te kunnen vullen met wat maar eenigszins eetbaar was. Aan kieskeurigheid viel niet te denken.
Het was avond geworden, het sloeg zeven uur. De maan rees statig boven de kimmen. Zij was er prompt op haar tijd. Millioenen jubelkreten begroetten haar.
Daar verschenen de drie koene reizigers. Een nieuw gejubel, zoodat hooren en zien verging. Als door een electrischen stroom ontstoken, hieven de ontelbare scharen tegelijk het Amerikaansche volkslied aan.
Een commissie uit de Gun-club, benevens commissiën uit de Europeesche sterrenwachten begeleidden deze helden van den dag. Barbicane gaf bedaard en koel zijn laatste bevelen. Nicholl stapte met afgemeten tred, de lippen gesloten, de handen op den rug gekruist. Michel Ardan in reiskleederen, met lederen laarspijpen, een reistaschje op zijde, een sigaar in den mond, maakte zich met de ellebogen door de volksmenigte baan.
Het werd tien uur. Het oogenblik van instappen was daar. Eenige minuten waren noodig om in het stuk af te dalen, de sluitplaat vast te schroeven, de stellingen weg te nemen.
Barbicane had zijn chronometers op 1/10 seconde gelijk gezet met dien van den ingenieur Murchison, die de electrische vonk zou ontsteken, zoodat de reizigers het juiste oogenblik konden nagaan waarop zij in de lucht zou worden geschoten.
Michel Ardan rangschikte alles. Bladz. 99.
Het oogenblik des afscheids was daar. Het was een treffend tooneel. Zelfs Michel Ardan was, in weerwil zijner koortsachtige vroolijkheid diep ontroerd. Maston pinkte van onder zijn uitgedroogde oogleden een oude traan weg, zeker voor deze gelegenheid bewaard. Ze viel op het hoofd van zijn waarden voorzitter.
»Als ik eens meêging, het is nog tijd!”
»Onmogelijk, mijn oude Maston!” zei Barbicane.
Eenige minuten later waren de drie mannen binnen het projectiel. Zij hadden de sluitplaat aangeschroefd, en de mond van de Columbiad wendde zich vrij en onbelemmerd naar den hemel.
Nicholl, Barbicane en Michel Ardan waren voor goed in hun metalen gevangenis ingekerkerd.
Wie schildert de ontzettende ontroering, die toen door de verzamelde scharen voer?
De maan gleed statig aan den donkeren hemel. Zij stond in het sterrenbeeld de Tweelingen en was gevorderd tot halverwege den horizon en het zenith. Zij werd begluurd, gelijk het wild door den jager, eer hij losbrandt.
Een sombere stilte woog als lood op dit geheele tooneel. Men durfde nauwelijks ademhalen. Alle blikken zochten den mond van de Columbiad.
Murchison had geen oog van zijn chronometer af. Nog 40 seconden—elke seconde duurde een eeuw.
Na 23 seconden verhieven zich kreten.
»Vijfendertig, zesendertig, zevenendertig, achtendertig, negenendertig, veertig! Vuur!!!”
Murchison drukte op den knop, de vonk vloog door de lading.
Een vreeselijke slag, donderde in de atmosfeer—geen menschelijke taal is in staat het uit te drukken. Een allerverschrikkelijkste vuurgloed deed den grond sidderen, als braakte een vulkaan zijn vlammen uit. De aarde werd opgeheven; slechts aan weinigen gelukte het, in dat oogenblik van schrik het projectiel glorierijk tusschen vlammen en damp opwaarts te zien snellen.
In het oogenblik toen de vlam van het ontplofte schietkatoen als een onmetelijke pluim ten hemel steeg, werd in geheel Florida voor een onberekenbaar kort oogenblik de nacht in helderen dag veranderd. Zelfs in den Atlantischen oceaan werd het lichtverschijnsel waargenomen en in meer dan éen scheepsjournaal aangeteekend.
Het afgaan van de Columbiad werd vergezeld door een wezenlijke aardbeving. Florida schudde tot in zijn ingewanden. Het gas van het schietkatoen, door de hitte uitgezet, verdrong met onvergelijkbaar geweld de luchtlagen, en deze kunstmatige orkaan, honderdmaal sneller dan de natuurlijke, vloog als een hoos door het luchtruim.
Niemand bleef op zijn beenen: mannen, vrouwen, kinderen werden neergeworpen als koren door den storm. Velen werden gewond; Maston, die de onvoorzichtigheid had gehad te dicht bij te komen, werd opgenomen en verscheiden meters achteruit geworpen; hij draaide als een kogel boven de hoofden zijner medeburgers. Ruim 300.000 personen werden op een oogenblik doof.
De luchtpersing wierp tenten en loodsen omver, ontwortelde boomen, ja vernielde te Tampa-Town een honderdtal huizen, benevens de St. Maria-kerk en de nieuwgebouwde beurs. Onderscheidene schepen werden tegen elkander geslagen; van een tiental aan de havenkade vastgemeerde werden de kettingen als katoendraden doorgebroken.
Tot zelfs buiten de grenzen der Vereenigde Staten liet de schok zich voelen. Diep in den Atlantischen oceaan werd hij door westenwinden merkbaar. Een onverwacht noodweer teisterde het eskader van den admiraal Fitz-Roy; onderscheidene schepen werden er door aangegrepen, zonder tijd te hebben zich te bergen; zij sloegen om, onder anderen de Childe Harold van Liverpool, welk ongeluk aanleiding gaf tot zeer ernstige vertoogen van de zijde van Engeland.
Zelfs zegt men—maar hiervoor is geen andere waarborg dan het verhaal van eenige inlanders—dat aan de westkust van Afrika een half uur na het schot een dof geluid als van onder de zee zou gehoord zijn.
Doch wij keeren naar Florida terug. Na het eerste oogenblik van ontsteltenis verhief zich uit aller mond, ook te midden van het klagen en kermen der gekwetsten, de juichtoon: »Leve Ardan! Leve Barbicane! Leve Nicholl!” Ontelbaren staken den neus in de lucht en zetten kijker of lorgnet voor het oog, om het projectiel na te staren. Maar vruchteloos. Men kon er niets van zien en vergenoegde zich met de telegrammen van Long’s piek af te wachten. De directeur der sterrenwacht te Cambridge was op zijn post in het Rotsgebergte, en aan dien bekwamen en ervaren sterrenkundige waren de waarnemingen toevertrouwd.
Maar het publiek werd zwaar beproefd door iets dat niet voorzien, en toch gemakkelijk te begrijpen was.
Het weder, tot dusver zoo schoon, veranderde plotseling; de lucht werd geheel en al bewolkt. Het kon ook wel niet anders na de geweldige verplaatsing der luchtlagen tengevolge van het ontploffen van 200,000 kilo schietkatoen. Heeft men, tengevolge van de luchtpersing, na zware veld- of zeeslagen meermalen het weder zien veranderen, dan was na een zoo verschrikkelijken schok wel niets anders te verwachten.
Den volgenden dag—een ondoordringbaar dikke nevel tusschen den hemel en de aarde; en ongelukkigerwijze hing dit gordijn ook boven het Rotsgebergte. Uit allerlei oorden regende het klachten. Maar de natuur stoorde er zich niet aan; nu—hadden de menschen den dampkring in de war gebracht, dan moesten zij het nu zelven bezuren.
Dien geheelen eersten dag trachtte iedereen door het grauwe wolkenkleed heen te boren, maar vruchteloos! En al was de lucht helder geworden, dan nog zou het projectiel niet te zien zijn geweest, want tengevolge van de aswenteling der aarde stond het boven de hoofden der tegenvoeters.
Het werd nacht, maar de maan vertoonde zich even weinig aan den hemel als de zon het overdag had gedaan, zoodat alle waarneming onmogelijk was. Hetzelfde was, blijkens telegram, ook op Long’s piek het geval.
Indien intusschen de proef geslaagd was, moesten de reizigers, op 1 December ’s avonds te 10 u. 46 min. 40 sec. weggeschoten, den 4den te middernacht op de maan landen. Tot dat tijdstip moest men geduld oefenen, terwijl het ook zeer moeielijk zou zijn een betrekkelijk zoo klein voorwerp waar te nemen, zoolang het onderweg was.
Den 4den December kon de kans bestaan des avonds van 8 tot 12 uur het projectiel te volgen, daar het zich toen als een zwart vlekje op de heldere maanschijf moest vertoonen. Maar de lucht bleef onverbiddelijk bewolkt, zoodat het publiek in woede geraakte en de maan allerlei scheldwoorden toesnauwde.
Maston was wanhopig; hij besloot naar Long’s piek te reizen om zelf te zien. Hij twijfelde niet of zijn vrienden hadden het doel hunner reis bereikt. Trouwens men had niet gehoord dat het projectiel ergens op aarde was neergekomen, en Maston dacht er niet eens aan, dat het gemakkelijk in den oceaan kon gevallen zijn, die toch den aardbol voor ¾ bedekt.
Den 5den, hetzelfde weder. De groote telescopen der Oude wereld, die van Herschel, Rosse, Foucault, waren op de maan gericht, daar het weder in Europa allergunstigst was. Maar de werktuigen waren te zwak voor eenige afdoende waarneming.
Den 6den, hetzelfde weder. Sint Nicolaas bracht wel lekkers voor de kinderen, maar geen helder weer voor de groote menschen. Men begon te vragen of niets aan het weder zou kunnen gedaan worden.
Den 7den eenige hoop, maar ’t duurde niet lang: toen de avond viel, dikke, dikke, dikke lucht.
»Vuur!!!” Bladz. 102.
’t Werd erg. Den 11den ’s morgens 9 u. 11 min. was het Laatste kwartier. Dan werd de stand der maan van dien aard, dat geen helder weder meer helpen zou. Zij zou hoe langer zoo meer afnemen en ten laatste Nieuw worden; zij zou tegelijk met de zon op- en ondergaan, maar de stralen van deze moesten beletten, iets van de maanschijf te zien. Er zat dus niets anders op dan te wachten tot 3 Januari, 44 min. na den middag, om bij Volle maan de waarnemingen te hervatten.
De dagbladen maakten er zich zoo goed mogelijk af en vermaanden het publiek tot engelengeduld.
Den 8sten, geen verandering in den toestand.
Den 9den geen verandering. Algemeen gemor.
Den 10den geen verandering, dan alleen in het hoofd van den secretaris Maston, daar de brave man op het punt scheen het verstand te verliezen, dat hij onder zijn kunstschedel van getah-pertja nog altijd had behouden.
Den 11den zwaar onweder, gevolgd door heldere lucht in den avond. Er kwam....
In den nacht vloog, met de snelheid van een bliksemstraal, door middel van al de telegraafdraden der Aarde, het navolgend bericht van de sterrenwacht op het Rotsgebergte.
Long’s Piek 12 December.
Aan de Sterrenwacht te Cambridge.
»Het projectiel, afgeschoten door de Columbiad op Stone’s Hill, is den 12den December, ’s avonds te 8 uur 47 min. gezien bij het laatste kwartier der maan.
»Het projectiel heeft de maan niet bereikt; het is er nabij gekomen, nabij genoeg om onder de aantrekkingskracht der maan te geraken.
»De rechtlijnige beweging is veranderd in een kringvormige, zoodat het projectiel een elliptische baan om de Maan beschrijft en een wachter is geworden van den wachter der Aarde.
»De elementen van dit nieuwe hemellichaam kunnen nog niet worden opgegeven. Men kent noch zijn snelheid in de loopbaan, noch die van de aswenteling. De afstand van de oppervlakte der Maan kan voorloopig op 4,500 mijlen worden geschat.
»Twee onderstellingen kunnen zich voordoen en een verandering in den staat van zaken veroorzaken:
»òf, de aantrekking der Maan zal de omwentelingssnelheid overwinnen, zoodat het projectiel toch op de Maan nederkomt.
»òf, het projectiel zal tot aan het einde der eeuwen rondom de Maan blijven zweven.
»De waarnemingen zullen dit eenmaal uitwijzen, maar tot hiertoe heeft de onderneming der Gun-club niets uitgewerkt dan ons zonnestelsel met een nieuw hemellichaam ter verrijken.
J. Belfast.”
Tal van vragen vloeiden voort uit dit onverwacht bericht; tal van geheimen werden aan de wetenschap ter ontraadseling voorgelegd. Zoo zou dan, dank zij den moed en de zelfopoffering van drie mannen, deze onderneming: een projectiel naar de maan af te schieten,—en hoe weinig beteekende dat!—tot onberekenbare gevolgen leiden. De reizigers, in den nieuwen wachter opgesloten, mochten dan hun doel niet bereikt hebben,—zij draaiden om de nachtvorstin, zoodat deze haar verborgenheden voor ’t eerst aan aardbewoners zou onthullen. De namen van Nicholl, Barbicane en Michel Ardan zouden dus voor altijd beroemd worden in de jaarboeken der sterrenkunde; want terwijl deze waaghalzen den kring der menschelijke kundigheden hadden willen verwijden, waren zij zelven in een kring van sterrenkundige beweging verplaatst.
Hoe het zij, het bericht van den directeur Belfast bracht door de geheele beschaafde wereld een indruk teweeg van verbazing en schrik. Zou men die moedige mannen te hulp kunnen komen? Neen voorzeker, want zij hadden zich begeven buiten de grenzen, aan wezens der Aarde gesteld. Luchtverversching hadden zij voor twee maanden, levensmiddelen voor een jaar. Maar dan?... De ongevoeligste harten klopten angstig bij deze vraag.
Eén man was er, die de zaak niet als hopeloos beschouwde—de secretaris Maston.
Hij verloor hen niet uit het oog. Hij verliet den kijker der Gun-club niet. Zoodra de Maan boven de kimmen kwam, was hij op zijn post, onophoudelijk turende naar de zilveren schijf, op of nabij welke hij het voorwerp hoopte te zien, dat zijn drie vrienden bevatte, en tot ieder, die het hooren wilde, uitte hij de hoop, dat de tijd eerlang zou aanbreken, waarop hij en zij elkander tijding konden toezenden. »Wetenschap en Kunst staat hun,” zei hij, »ten dienste, en daarmede kan men doen wat men wil. Gij zult eens zien hoe zij er zich uitredden.”
Met klokslag van tienen waren Barbicane, Michel Ardan en Nicholl in het projectiel gegaan; te 10 u. 46 min. 40 sec. zou de Columbiad worden afgeschoten; zij hadden bijgevolg 46 min. 40 sec. op het schietkatoenen kussen door te brengen. Van de buitenwereld waren zij afgesloten zoodra Nicholl de aluminium-plaat die op de opening paste, had vastgeschroefd. Het was stikdonker in hun verblijf.
»Nu moeten wij doen alsof wij thuis zijn,” meende Michel Ardan. »Laat dat maar aan mij over, ik weet wel hoe. Eerst wat licht! Voor den drommel, het gas is niet voor de mollen uitgevonden!”
Hij streek een lucifer tegen de zool zijner laars en bracht het vlammetje tegen den gasbek, gemeenschap hebbende met koolwaterstof, dat onder hooge drukking in dier voege was opgesloten, dat voor 144 uren, zes etmalen, vuur en licht voorhanden was.
Bij het gaslicht kon men zien hoe keurig het vertrekje er uitzag, de wand met zijde bekleed, met divans in het rond, alles net gerangschikt: wapenen, instrumenten, gereedschappen. Al het mogelijke was gedaan om de vermetele onderneming te doen slagen. Michel Ardan betuigde zeer tevreden te zijn.
»’t Is een gevangenis,” zei hij, »maar een reizende, en als ik den neus buiten het raam kon steken, zou ik er wel voor honderd jaar huur aan willen hebben. Ge lacht, Barbicane? Waar denkt ge aan? Dat dit kamertje uw graf wel zou kunnen zijn? Is het er niet mooi genoeg voor?”
Terwijl Michel Ardan aldus babbelde, hadden de anderen ook nog het een en ander te doen.
De chronometer van Nicholl wees tien uur twintig, toen de reizigers goed en wel binnen waren.
Uitwerking van het schot. Bladz. 103.
»Nog 27 min. blijven wij op de Aarde,” zei Barbicane, den chronometer raadplegend.
»Nog 26 minuten 40 seconden,” antwoordde Nicholl.
»Nu ja! maar wij hebben meer te doen dan over seconden te praten.”
»Zijn wij dan niet klaar?”
»Zeker, maar wij moeten nog eenige voorzorgen nemen tegen den eersten schok.”
»Wij hebben immers watervlakken met schutsels die aan stukken springen, om den schok te breken?
»Ik hoop er het beste van,” mompelde Barbicane.
»Hopen!” riep Michel Ardan uit. »Hopen? De grappenmaker is er niet eens zeker van!”
»Nog twintig,” merkte Nicholl aan.
»Zouden wij niet op ons hoofd gaan staan, zooals de clown in een paardenspel?” vroeg Michel Ardan.
Barbicane meende, dat het beter was op zijde te gaan liggen. »In allen geval geloof ik, dat het vrij om ’t even zal zijn, want wij zijn hier toch ingesloten.”
»Dertien minuten dertig seconden,” zei de kapitein.
Drie welgevulde matrassen behoorden tot den inventaris van het projectiel. Nicholl en Barbicane legden ze midden op de schijf, die den beweegbaren vloer uitmaakte. De reizigers zouden er zich op uitstrekken als het tijd van vertrekken was.
Ardan speelde inmiddels met de honden, aan wie hij de beteekenisvolle namen Diana en Wachter had gegeven.
»Het is 10 uur 37 minuten 6 seconden,” sprak Nicholl.
»Welnu, kapitein, dan hebt gij binnen een kwartier nog 9000 dollars aan den voorzitter te betalen; 4000 omdat de Columbiad niet springt; 5000 omdat het projectiel hooger dan 6 mijlen zal stijgen.”
»Ik bezit de dollars,” zei Nicholl, op zijn zak kloppende, »en doe niets liever dan betalen.”
»Ik zie, Nicholl, dat gij een man van orde zijt; ik heb dat nooit kunnen wezen; maar als ge mij niet kwalijk neemt, gij hebt daar weddenschappen aangegaan die u niet veel voordeel aanbrengen.”
»En waarom dat?” vroeg Nicholl.
»Wel, als gij de nu eerstvolgende wint, moet de Columbiad gesprongen zijn en het projectiel ook, maar dan is Barbicane er niet meer om u zijn verlies te betalen.”
»Mijn inzet is gedeponeerd bij de Bank te Baltimore,” zei Barbicane koeltjes, »en als Nicholl er niet meer is, kunnen zijn erfgenamen het geld opstrijken.”
»Gij zijt mannen van zaken,” viel Michel Ardan in; »ik bewonder u te meer naar ik u minder begrijpen kan.”
»Tien uur twee en veertig,” zei Nicholl.
»Nog vijf minuutjes,” liet Michel Ardan zich hooren, »en wij zijn opgesloten in een aluminiumdoos, op den bodem van een kanon van 900 voet! en onder die doos zijn opgestapeld 200,000 kilogram schietkatoen, zooveel kracht als 800,000 kilogram kruit. En vriend Murchison staat met zijn chronometer in de hand, zijn duim op den knop, gereed om ons de hemelruimte in te zenden!”
»Al genoeg, al genoeg!” zei Barbicane ernstig.
»Tien uur zesenveertig!” mompelde de kapitein.
Nog 40 seconden! Barbicane draaide het gas uit. Doodstil—men hoorde alleen het tikken van den chronometer....
Een hevige schok, ook maar éen—het projectiel was door 6 milliard liter gas, ontwikkeld door de ontploffing van het schietkatoen, de lucht ingeslingerd.
Wat was er gebeurd? Welke uitwerking had die geweldige knal gehad? Was de schranderheid der vervaardigers van het projectiel beloond? Waren die vier proppen, de waterkussens, de afgedeelde hokjes voldoende geweest om den schok te breken? Dat was de vraag, ook voor de duizenden toeschouwers. Zij vergaten het doel der reis, om alleen aan het lot der reizigers te denken. Hadden zij eens een kijkje in het projectiel kunnen nemen!...
Zij zouden niets gezien hebben, want het was er stikdonker. Maar de aluminium wanden hadden zich uitmuntend gehouden. Geen scheurtje, geen bultje!
Van binnen lag de boel alleen wat overhoop, doch dit beteekende niets. Dat zou zich wel schikken. De personen intusschen lagen voor dood op den grond.
Voor dood? of waarlijk dood? Gelukkig het eerste: eenige minuten later bewoog zich een arm, een hoofd: Michel Ardan lag op zijn knieën.
»Michel Ardan is compleet. Maar de anderen?”
Hij wilde zich oprichten; maar kon niet staan. Zijn hoofd suizebolde, zijn aangezet bloed maakte hem blind, hij was volkomen als iemand die dronken is.
»Precies alsof ik een paar flesschen champagne naar binnen heb geslagen!” mompelde hij. »Nicholl! Barbicane!”
Geen antwoord. Nog eens geroepen. Vruchteloos.
»Verduiveld! ’t Is alsof zij uit een vijfde verdieping op hun hoofd zijn gevallen.”
Langzamerhand kwam hij bij. Toen hij zoo ver was dat hij staan kon, nam hij een lucifer en stak den gasbek aan. De gastoestel had gelukkig niets geleden. Ware dit het geval geweest en gas ontsnapt, dan zou Michel Ardan, zoo hij het althans niet geroken had, met het aansteken van een lucifer een ontploffing hebben veroorzaakt, die het projectiel anders aanpakte dan de 200,000 kilogram schietkatoen.
Toen het licht brandde, zag Michel Ardan zijn reisgenooten voor dood liggen, Nicholl bovenop Barbicane.
Hij schudde Nicholl eens goed heen en weer, die, zoodra hij de oogen opsloeg, hem met zijn gewone koelbloedigheid de hand drukte.
»En Barbicane?” vroeg hij.
»Elk zijn beurt,” antwoordde Michel Ardan bedaard. »Ik ben met u begonnen omdat gij bovenop laagt. Nu is het Barbicane’s beurt.”
Met hun beiden legden zij den voorzitter der Gun-club op den divan. Barbicane had het meest van hun drieën geleden—men zag bloed. Maar ’t bleek, dat dit slechts uit een lichte wond aan den schouder kwam. Toch had hij eenigen tijd noodig om bij te komen.
»Nicholl, zijn wij onderweg?” was het eerste dat hij vroeg.
»Ja—zijn wij op reis?” herhaalde Michel Ardan.
»Of liggen wij nog stillekens op den Floridaschen grond?” vroeg Nicholl.
»Of op den bodem der golf van Mexico?” vroeg Michel Ardan.
»Och kom!” riep Barbicane uit.
Zij konden er niets van zeggen; of het projectiel stil lag of in beweging was, konden zij alleen weten door gemeenschap met de buitenwereld. Het was gissen, meer niet.
Zij luisterden—diepe stilte. Maar daar viel Barbicane’s oog op den thermometer. Nu voelde hij ook een groote hitte; 45° C. teekende het instrument.
»Nu zie ik het, wij snellen voort; deze hitte kan door niets veroorzaakt zijn dan door wrijving tegen de luchtlagen, ’t Zal spoedig beteren, als wij buiten den dampkring der aarde zijn; zoo heet als nu, zoo koud zal het dan wezen.”
»Wat?” vroeg Michel Ardan. »zouden wij zoo spoedig buiten de grenzen van den dampkring der Aarde zijn?”
»Zonder twijfel. Luister. Het is 10 uur 55 min. Wij zijn omtrent 10 minuten in de vaart. Als onze aanvankelijke snelheid niet was gebroken door de wrijving, zouden wij in 6 seconden buiten den dampkring geweest zijn.”
De directeur was op zijn post in het Rotsgebergte. Bladz. 103.
»En hoeveel rekent gij dan wel voor die wrijving?”
»Een derde. Indien wij een aanvankelijke snelheid van 11,000 meter in de seconde hebben gehad, zal zij bij ons verlaten van den dampkring tot 7332 meter zijn ingekrompen. In allen gevalle zijn wij reeds buiten den dampkring en....”
»En—dan is vriend Nicholl zijn beide laatste weddenschappen ook kwijt: 4000 dollar, omdat de Columbiad niet is gesprongen, en 5000 omdat het projectiel hooger is gestegen dan 6 mijlen. Ook op, Nicholl!”
»Eerst zeker zijn en dan betalen, ’t Is zeer goed mogelijk, dat Barbicane gelijk heeft en ik mijn 9000 dollar heb verloren. Maar er is nog één geval mogelijk, en als dat zoo was, is de weddenschap te niet.”
»Welk geval?” vroeg Barbicane levendig.
»Dat door de een of andere oorzaak het stuk niet afgeschoten is en wij nog goed en wel op den bodem van de Columbiad zitten.”
»Dat zou wat moois zijn!” riep Michel Ardan uit. »Hebben wij dan het schot niet gehad? Niet voor dood gelegen? En Barbicane’s schouder dan?”
»Draaf niet zoo door,” merkte Nicholl aan; »hebt gij het schot gehoord?”
»Neen.”
»En gij, Barbicane?”
»Ik ook niet. Hoe mag dat komen? Daar begrijp ik niets van. Het projectiel is in de vaart, dus zou men het schot hebben moeten hooren afgaan. Maar kom, wij willen eens onderzoeken hoe het er meê zit.”
De sluitklep van een der lichtglazen werd losgeschroefd; van een tweede, van een derde. Nu konden zij naar alle richtingen zien, voorwaarts, achterwaarts, zijwaarts.
Barbicane en zijn tochtgenooten legden een oog aan de glazen—stikdonker!
»Wij zijn in de hemelruimte!” riep de voorzitter der Gun-club uit. »Ziet maar eens de sterren.”
»Bravo!” riepen de beide anderen.
’t Was zoo: de dikke duisternis onder hen bewees, dat zij de aarde hadden verlaten, anders hadden zij het maanlicht op den grond moeten zien schijnen.
»Verloren,” zei Nicholl.
»Ik wensch u geluk,” antwoordde Ardan.
»Ziehier 9000 dollar,” zei de kapitein, de bankbiljetten uit zijn zak halend.
»Wilt gij een reçu?”
»Asjeblieft,” sprak Nicholl, »dat is ordelijker.”
Barbicane nam bedaard een blad uit zijn zakboekje; met potlood schreef en onderteekende hij de kwitantie en gaf haar aan den kapitein. Deze legde haar zorgvuldig in zijne brieventasch.
Het kijken door de lensglazen werd hervat. Aan alle zijden schitterden de sterren als fijne punten op een pikzwarten grond.
»Waar zit toch de Maan?” vroeg Ardan.
Barbicane merkte aan, dat men haar aan de drie zijden niet zien kon en dus de vierde lens moest opengeschroefd worden. Het geschiedde.
Maar wat zagen ze nu? Een zeer groote schijf, welker omvang zich niet liet bepalen. Naar de zijde der Aarde was zij hel verlicht. Men zou gezegd hebben, dat een kleine maan het licht der groote terugkaatste. Het voorwerp had een groote snelheid en scheen een kring om de Aarde te beschrijven, die de baan van het projectiel sneed, terwijl het tevens een omwenteling om zijn as beschreef.
»Wat is dat voor een ding?” vroeg Michel Ardan; »een ander projectiel?”
Barbicane gaf geen antwoord. De verschijning van dat hemellichaam verraste en beangstigde hem. Een botsing was mogelijk, en deze kon de treurigste gevolgen hebben, ’t zij het projectiel zijwaarts van zijn baan werd getrokken, ’t zij het onder de macht der aantrekking van dat hemellichaam geraakte.
De voorzitter was nog bezig over het een en ander na te denken, toen ten gevolge van een gezichtsbedrog het projectiel op de lichtende schijf scheen te vallen.
»Alle duivels!” schreeuwde Michel Ardan, »de beide treinen zullen op elkander botsen.
Instinctmatig waren de reizigers achteruit geweken. Zij waren hevig beangst; maar dat duurde niet lang, nauwelijks eenige seconden. Het hemellichaam schoot op eenige honderden meters voorbij het projectiel en verdween, niet zoozeer door de snelheid van zijn loop, als omdat het zich van de Maan af bewoog en dus door haar niet meer werd beschenen.
»Goede reis!” riep Michel Ardan uit. »Het heelal is waarachtig toch groot genoeg, dat er een arm schilderhuisje als het onze wel vrij doorheen kan zwieren! Moest zoo’n verwaand ding ons hier met een stoot komen bedreigen!”
»Ik weet wat het is,” zei Barbicane.
»Drommels, gij weet alles.”
»’t Is,” legde de voorzitter uit, »een eenvoudige vuurbol, maar een groote, door de aantrekkingskracht der Aarde tot haar wachter gemaakt.”
»Is ’t mogelijk!” riep Michel Ardan uit. »Heeft dan de Aarde twee manen, zooals de planeet Neptunus?”
»Zeker, mijn vriend, hoewel zij den naam heeft van er slechts éen te bezitten. Maar deze tweede maan is zoo klein en haar loop is zoo snel, dat de aardbewoners haar niet kunnen zien. Haar bestaan is door een Fransch sterrenkundige, Petit, uit de berekening harer elementen afgeleid. Volgens zijn waarnemingen moet die bol zijn omloop om de aarde volbrengen in 3 uur 20 minuten, wat een verbazende snelheid onderstelt.”
»Zijn alle sterrenkundigen het eens aangaande het bestaan van dien tweeden wachter der Aarde?” vroeg Nicholl.
»Neen,” antwoordde Barbicane, »maar indien zij als wij, hem hadden waargenomen, zouden zij er niet aan twijfelen. Als ik mij niet vergis, zal het ontmoeten van dat maantje ons een middel aan de hand geven om te bepalen wáár wij in de wijde wereld zijn.”
»Hoe dat?” vroeg Michel Ardan.
»Omdat men weet hoever die wachter van de Aarde verwijderd is: 8140 kilometers.”
»Dat kan wel,” meende Nicholl, op zijn chronometer ziende, »het is 11 uur, en wij hebben Florida 13 minuten geleden verlaten.”
»Pas 13 minuten?” vroeg Barbicane.
»Zeker,” antwoordde Nicholl, »en indien wij onze eerste snelheid van 11 kilometer hadden behouden, zouden wij reeds 143 kilometer ver zijn.”
»Dat is nu alles goed en wel, mijne vrienden,” sprak de voorzitter, »maar éen ding is nog niet opgehelderd: waarom wij den knal van het afgaan van het schot niet gehoord hebben.”
Daar niemand het kon zeggen, kwijnde het gesprek, zoodat de reizigers al den tijd hadden zich door een hunner glazen te verdiepen in het beschouwen van den onvergelijkelijk helderen glans der Maan, die als een platina spiegel boven hun hoofden schitterde, met al haar bergen, vlakten en dalen. De Aarde, die onder hun voeten wegweek, hadden zij reeds geheel vergeten. Kapitein Nicholl was de eerste die er hen aan deed denken.
»Zeker,” vond Michel Ardan, »wij moeten haar niet ondankbaar vergeten. Ik moet nog een kijkje van haar nemen eer zij verdwijnt.”
Barbicane verwijderde de boven beschreven schijf en ontschroefde het deksel van het glas in den bodem van het projectiel, zoodat zij door een lens van 15 centimeter dikte het gezicht naar buiten hadden.
»Daar staat de Aarde,” zei Barbicane.
»Dat ding? Die zilverkleurige afgeknipte nagel?”
»Wacht maar. Over een dag of vier is het Volle maan en bijgevolg Nieuwe aarde. Zij zal dan eenige dagen in dikke duisternis gehuld zijn.”
en stak den gasbek aan. Bladz. 112.
En zoo was het ook. De Aarde scheen een groote sikkel, blauwachtig van kleur door de weerkaatsing van den dampkring. Een lichte stip hier en daar in het donker gedeelte der schijf toonde hooge bergen; somwijlen werden die bergtoppen bedekt door dichte nevels, hetgeen met de maanbergen nimmer het geval is. Het donker gedeelte der aardschijf had een aschgrauw licht, maar minder duidelijk dan zooals wij de Maan zien. De reden daarvan is gemakkelijk te begrijpen. Het aschgrauwe licht op de Maan is een weerkaatsing van het op haar vallende en naar de Aarde terugkaatsende licht der nachtvorstin. En daar nu de Aarde ten gevolge van haar meerdere groote omtrent 13 maal meer licht afgeeft dan de Maan, volgt daaruit dat het licht, hetwelk de Maan aan de Aarde toezendt, ook zooveel zwakker zijn moet.
Opeens schoot een hoop vallende sterren hen voorbij. Honderden vuurbollen lieten vurige staarten achter. Van de Aarde gezien, is in dien tijd des jaars het aantal vallende sterren ook soms zeer aanzienlijk en men heeft er naar berekening tot 24,000 in een uur waargenomen. Michel Ardan echter verklaarde het verschijnsel anders. Naar zijn gevoelen staken de aardbewoners ter eere van drie hunner broeders een allerprachtigst vuurwerk af.
De drie gebroeders kregen vaak en besloten zich ter ruste te leggen. Nauwelijks echter hadden zij den slaap gevat, of Barbicane maakte de anderen wakker met een luiden schreeuw; »Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!”
»Wat?” riep Michel Ardan, het hoofd opheffende.
»Hoe het komt dat wij het stuk niet hebben hooren afgaan.”
»En dat is?” vroeg Nicholl.
»Omdat ons projectiel grooter snelheid had dan het geluid.”
Na deze doodeenvoudige verklaring te hebben vernomen, waren de drie vrienden in een diepen slaap gevallen. En waar zouden zij ook rustiger hebben kunnen sluimeren? Op aarde is het overal minder kalm, in de huizen der steden, in de hutten op het land; hier de koude, ginds de warmte; hier de menschen, daar het gedierte—van alles dat uit den slaap houdt. Zelfs in een ballon, ver van de onrust der Aarde, wordt men gekweld door het geplaag der verschillende luchtlagen. Maar zij, goed verzorgd in hun projectiel, zweefden te midden eener diepe stilte in de onbegrensde hemelruimte—waar kon men beter zijn?
De vrienden zouden dan ook misschien wel—wie weet hoe lang—geslapen hebben, indien zij niet door een ongewoon gedruisch waren gewekt geworden, toen het, in den morgen van 2 December 7 uur was, acht uren na hun vertrek.
»Wat is dat?” vroeg Barbicane.
»De honden,” zei Michel Ardan, zich de oogen uitwrijvende.
»Zij zullen honger hebben,” meende Nicholl.
»Drommels,” merkte Michel Ardan aan, »wij hebben de arme dieren vergeten.”
Zij zochten en vonden eindelijk den eenen hond onder een divan gekropen. Verschrikt en versuft door den schok, had hij zich in dien hoek verscholen, totdat de honger en de stem van zijn meester hem te voorschijn deed komen.
Het was de beminnelijke Diana, die bevende uit haar schuilhoek kwam kruipen. Michel Ardan lokte het dier tot zich met de zoetste woordjes.
»Kom Diaantje, kom mijn beestje! Kom Evaatje! Wie weet of je niet bestemd zijt de stammoeder te worden van een maanhondengeslacht. Kom hier bij den baas!”
De hond kroop naar Michel Ardan toe en jankte.
»Goed en wel!” sprak Barbicane, »ik zie Eva wel, maar waar is Adam?”
»Adam,” antwoordde Michel Ardan, »zal zoo heel ver niet zijn. We zullen hem roepen.”
»Kom Wachter... Wachter, Wachter! Pst!”
Maar Wachter liet zich niet zien. Diana bleef voortjanken. Bij onderzoek bleek, dat de hond niet gekwetst was; Michel Ardan gaf het dier een lekker kluifje.
Wachter was nergens te vinden. Zij zochten en zochten in hoeken en gaten; eindelijk vonden zij hem in een verscholen hoek, ergens boven in het projectiel. Het beest bevond zich kennelijk in een treurigen toestand.
»’t Ziet er niet naar uit, er maanhonden van te maken!” schertste Michel Ardan.
Voorzichtig namen zij den hond op. Zijn kop was tegen de zoldering geslagen en die slag scheen zoo goed als doodelijk te zijn geweest. Doch de vrienden beproefden hem op een kussen te leggen, waar het arme dier een diepen zucht slaakte.
»Wij zullen je goed verzorgen,” zei Michel Ardan. »Wij zijn verantwoordelijk voor je leven. Ik was liever een arm kwijt dan dat mijn arme Wachter een poot moest missen.”
Dit zeggende gaf hij den hond een kom water; het dier dronk gretig.
Daarop vestigden onze reizigers hun oogen op de aarde en de Maan. De aarde was een schijf met aschgrauw licht, aan de eene zijde een lichtende sikkel; de maan daarentegen was bijna geheel verlicht.
»Sakkerloot!” riep Michel Ardan, »het spijt me geweldig, dat wij niet vertrokken zijn bij Volle aarde, dat wil zeggen, toen onze aardbol tegenover de zon stond.”
»Waarom?” vroeg Nicholl.
»Omdat wij dan het licht anders zouden hebben zien vallen op onze vaste landen en onze zeeën. En dan zouden we ook de beide polen gezien hebben, tot welke het menschelijk oog nooit is doorgedrongen.”
»Ongetwijfeld,” antwoordde Barbicane, »maar als de Aarde Vol was geweest, zou de maan Nieuw geweest zijn en dus onzichtbaar. En dan is het toch beter dat het punt waarheen wij gaan verlicht is, dan dat van waar wij zijn vertrokken.”
»Gij hebt gelijk, Barbicane,” antwoordde kapitein Nicholl, »en bovendien—wanneer wij de maan bereikt hebben, zullen wij in de lange maannachten tijd in overvloed hebben om uit te zien naar dien wereldbol, waarop onze gelijken dooreen krioelen.”
»Onze gelijken!” riep Michel Ardan uit. »Onze gelijken—dat zijn zij nu niet meer dan de maanbewoners. Wij bewonen een wereld op ons eigen handje, het projectiel, en wij zijn met ons drieën! Ik ben zoo goed als Barbicane en Barbicane is zoo goed als Nicholl. Wij hebben met het geheele heelal niets meer te maken en zijn de eenige bewoners van dit poppenwereldje, totdat wij maanbewoners zullen worden.”
»In omtrent 24 uren,” merkte de kapitein aan.
»Dat wil zeggen?” vroeg Michel Ardan.
»Dat wil zeggen, dat het half negen is,” antwoordde Nicholl.
»Welnu,” zei Michel Ardan, »ik kan onmogelijk zelfs een schijn van reden vinden om niet oogenblikkelijk te ontbijten.”
En inderdaad, de bewoners van het nieuwe hemellichaampje konden er niet leven zonder eten, en hun maag ondervond op dat oogenblik de onweerstaanbare macht van den honger. Michel Ardan verklaarde zich als Franschman voor opperhofmeester, naar welke bediening niemand zich als mededinger opwierp. Het gas gaf hitte genoeg om de spijzen gereed te maken en de koffer met mondbehoeften leverde het benoodigde voor den eersten maaltijd.
Zij begonnen met uitmuntende soep, vervaardigd van Liebigkoekjes met beste Julienne. De Liebigjes waren gemaakt van het beste rundvee uit den Pampas. Zij waren, benevens de Julienne-groenten, begoten met kokend water, waartoe de gasbek zijn diensten had geleend. Op die soep volgde onberispelijke biefstuk, zoo malsch als ooit in de beste restauratie is opgedischt. Schoon die biefstuk onder de waterpers was geweest om gecondenseerd te worden, beweerde Michel Ardan met zijn levendige verbeelding, dat het bloed er nog uitliep.
Met hun beiden legden zij den voorzitter op den divan. Bladz. 112.
De groenten uit de bussen waren volgens zijn bewering nog verscher dan zoo van de groenvrouw, terwijl een kop thee met een dun boterhammetje op Amerikaansche wijs den maaltijd besloot. En dat de thee bijzonder geurig was, is niet te verwonderen; de keizer van Rusland had eenige kistjes van zijn eigen karavanenthee ter beschikking van de reizigers gesteld.
Eindelijk ontkurkte Michel Ardan een fijne flesch Bourgogne, »toevallig” in een hoekje gevonden. De drie vrienden dronken haar ledig op het welzijn van de Aarde en haren wachter.
En als rekende de zon het niet genoeg het hare te hebben gedaan door de druiven voor die flesch langs de heuvelen van Bourgondië te hebben gestoofd met haar stralen, bracht zij nog iets bij tot opluistering van dezen maaltijd. Het projectiel trad op dat oogenblik uit den schaduwkegel achter den aardbol, zoodat de stralen der zon onmiddellijk op den bodem van de aluminium woning vielen met den hoek, dien de baan der Maan maakt met die der Aarde.
»De zon!” riep Michel Ardan.
»Zeker,” antwoordde Barbicane doodbedaard, »ik verwachtte haar.”
»Maar,” merkte Michel Ardan op, »de schaduwkegel, dien de Aarde aan haar van de zon afgekeerde zijde achter zich werpt, strekt zich toch uit voorbij de Maan.”
»Ver zelfs, indien men de straalbreking van den dampkring der Aarde niet in rekening brengt,” onderrichtte Barbicane. »Maar wanneer de maan in die schaduw gedompeld is, heeft het verschijnsel plaats, dat de drie hemellichamen: zon, aarde en maan, in een rechte lijn staan. De punten waar de baan der Maan die der Aarde snijdt, heeten knoopen. Wanneer nu de maan in of zeer nabij een van haar knoopen staat, tijdens zij nieuw of Vol is, heeft er voor de aarde een eclips plaats, en wel een zon-eclips, indien de maan Nieuw is of tusschen de zon en de aarde staat; een maan-eclips indien de aarde tusschen de zon en de maan staat en de maan alzoo, gelijk men het noemt, Vol is. Indien wij tijdens een maaneclips vertrokken waren, zou onze geheele reis in de schaduw gebeurd zijn, en dat ware treurig.”
»Waarom?”
»Omdat, hoewel wij in de ledige hemelruimte zweven, ons projectiel, zich badende in de stralen der Zon, van haar licht en warmte ontvangt. Wij sparen daarmede gas uit, en dat is ons veel waard.”
Inderdaad—onder den invloed dezer stralen, niet verborgen of getemperd door eenigen dampkring, werd het projectiel zoo verwarmd en verlicht alsof het ineens van den winter in den zomer kwam. De maan van boven, de zon van onder—licht en warmte genoeg.
»Het gaat hier goed,” merkte Nicholl aan.
»’k Geloof het wel!” riep Michel Ardan uit. »Als wij maar een weinigje Aardsche aarde op ons aluminium planeetje konden uitstrooien, wed ik dat wij in 24 uren doperwten kweekten. Ik ben maar voor één ding bang: dat de wanden zullen gaan smelten.”
»Wees niet bezorgd, mijn waarde vriend,” stelde Barbicane hem gerust, »het projectiel heeft wel een andere hitte doorgestaan toen het door de lagen van den dampkring der Aarde schoot. Het zou mij zelfs niet verwonderen indien het zich aan de oogen der bewoners van Florida voordeed als een gloeiende bol.”
»Maar dan zal Maston denken, dat wij gebraden worden?”
»’t Verwondert mij genoeg, dat dit al niet lang gebeurd is,” meende Barbicane. »Het is een gevaar, dat wij verzuimd hebben te voorzien.”
»Ik was er wel bang voor,” antwoordde Nicholl droogjes.
»En gij hebt ons daar niets van gezegd, mijnheer de kapitein!” riep Michel Ardan uit.
Onder dit gesprek bracht Barbicane alles in het vertrekje zoo in orde alsof hij het nimmer dacht te verlaten. Men herinnert zich dat het op den bodem een oppervlakte had van 54 vierkante voeten. Daar het 12 voet binnenwerks hoog was, had men geen last van de instrumenten en andere voorwerpen. Alles had zijn plaats en was uit den weg. Ook het glas in den bodem was sterk genoeg om een zwaar voorwerp te dragen. Barbicane en zijn vrienden stonden er dan ook gerust op; maar de zon scheen er onmiddellijk op en dat gaf zonderlinge luchtverschijnselen.
Zij begonnen met het nazien van den waterhouder en de kist met levensmiddelen. Deze hadden niets geleden, zoo goed was alles verzorgd tegen den schok. Levensmiddelen waren er in overvloed: voor een jaar met hun drieën. Barbicane had zich willen voorbereiden op het geval, dat het projectiel eens op een volkomen onvruchtbaar gedeelte der maan zou terechtkomen. Groot behoefde evenwel, naar ’t scheen, de vrees daarvoor niet te zijn, want volgens de laatste waarnemingen heeft de maan een wel lagen, maar dikken dampkring, ten minste in de dalen, zoodat daar beken en bronnen niet konden ontbreken. En daar nu ook voor twee maanden water en brandewijn »aan boord” was, behoefden de reizigers vooreerst niet beducht te zijn dat zij aan het noodige gebrek zouden krijgen.
Maar nu nog de luchtverversching. Doch ook daaromtrent alle zekerheid. De toestel van Reiset en Regnaut tot het voortbrengen van zuurstof was voorzien van potasch-chloraat voor twee maanden. Noodwendig werd een zekere hoeveelheid gas verbruikt, want het moest de voortbrengende zelfstandigheid boven de 40° houden. Maar ook daarvan was voorraad genoeg. De toestel eischte slechts eenig toezicht, maar werkte overigens van zelf. Op die temperatuur gaf het potasch-chloraat, overgaande in chlorium van potasch, al zijn zuurstof af. En wat gaven 9 kilo potasch-chloraat? De 3½ kilo zuurstof, die dagelijks voor de bewoners van het projectiel noodig waren.
Maar ’t was niet genoeg de verbruikte zuurstof te vernieuwen, het koolzuur, door de uitademing ontstaan, moest ook onschadelijk gemaakt worden. Sedert een twaalftal uren nu was de lucht in het vertrekje tot dien trap met dit doodelijk gas bezwangerd, dat het zich reeds aan Diana’s ademhaling deed bemerken. Trouwens het koolzuur zakte—een verschijnsel dat ook in de befaamde Hondsgrot wordt waargenomen—naar den bodem: een gevolg van zijn zwaarte. De arme Diana, die zooveel lager bij den grond ademde, moest er dus eer last van hebben dan de mannen met hun opgerichte hoofden. Maar kapitein Nicholl haastte zich in deze ongelegenheid te voorzien. Hij plaatste op den bodem van het projectiel onderscheidene brand-potasch-houders, die hij eenigen tijd in werking bracht; deze zelfstandigheid, zeer gretig het koolzuur opnemende, zuiverde alzoo de lucht volkomen.
Thans was de beurt aan de instrumenten. De thermometers en barometers waren ongedeerd gebleven, behalve één thermometertje waarvan de buis gebroken was. Een uitmuntende ronde barometer werd aan den wand opgehangen. Natuurlijk kon hij niets teekenen dan de luchtdrukking in het projectiel. Maar hij teekende ook de hoeveelheid aanwezigen waterdamp. Op dat oogenblik wankelde de naald tusschen 765 en 760 millim.—»Schoon weder.”
Barbicane had ook eenige kompassen medegenomen; zij waren insgelijks volkomen in orde. Men begrijpt, dat onder de bestaande omstandigheden de naald werkeloos was. Trouwens, op den afstand dien het projectiel van de Aarde had, kon de magnetische pool geen merkbare werking uitoefenen op het kompas. Maar als deze kompassen eenmaal op de Maan waren overgebracht, zouden zij misschien merkwaardige verschijnselen vertoonen. In allen gevalle was het belangrijk na te gaan of de wachter der Aarde insgelijks aan den invloed van het magnetisme onderworpen was.
Een hoogtemeter tot het bepalen van de hoogte der maanbergen; een sextant om de zon schieten; een theodoliet voor hoekmetingen; kijkers, die vooral bij het naderen der maan veel dienst zouden bewijzen—al die instrumenten werden met zorg nagezien en goed gevonden, in weerwil van den stoot bij het afschieten van de Columbiad.
De Aarde scheen een groote sikkel. (Bladz. 116.)
Wat gereedschappen, houweelen en dergelijken betreft, Nicholl had er bijzonder veel werk van gemaakt; de zakjes met verschillende zaden, benevens de heesters die Michel Ardan in de maangronden dacht te planten, dat alles was op zijn plaats boven in het projectiel, waar de weelderige Franschman een soort van zolder had ingericht, dien hij met allerlei voorwerpen had opgevuld. Wat het zoo al was kon men niet nagaan, en hij zelf liet er zich niet over uit. Van tijd tot tijd klom hij langs krammen in den wand geslagen naar dat wijkplaatsje, om er te schikken en in eenige geheimzinnige doosjes te snuffelen, waarbij hij zoo valsch mogelijk een Fransch liedje zong.
Barbicane zag met welgevallen dat zijn vuurpijlen en andere vuurwerken niet beschadigd waren. Zij waren zwaar geladen en moesten den val breken van het projectiel, wanneer het, nadat de aantrekking der Aarde door die van de Maan zou vervangen zijn, op de laatste zou gaan vallen. Ondertusschen zou die val zes maal minder snelheid hebben dan die naar de oppervlakte der Aarde, daar de Maan zooveel minder stofhoeveelheid bezit.
Alles samengenomen, was er dus alle reden tot tevredenheid. Zij konden dan ook op hun gemak naar buiten gluren.
Geen verandering. Naar alle zijden sterren, en weder sterren, en niets dan sterren; alleen aan één kant de zon, aan den mond van een vurigen oven gelijk, zich zonder lichtkrans scherp afteekenend op den zwarten achtergrond des hemels. Aan den anderen kant de Maan, onbeweeglijk stil staande te spiegelen te midden van talrijke sterren. Voorts een vrij groote ronde vlek met een zilverachtige franje omzet; het was de Aarde. Hier en daar waren nevelachtige vlokken door de ruimte verspreid, en van het toppunt naar het voetpunt liep een onmetelijke ring, uit sterren als stofgoud bestaande, de melkweg, waarin de zon slechts een sterretje van de vierde grootte is.
Onze vrienden konden zich aan dit onbeschrijfelijk schoon schouwspel niet verzadigen. Welk een rijke stof tot opmerkingen! Welke onbekende gewaarwordingen wekte het in hun geest? Barbicane wilde zijn reisverhaal onder deze indrukken aanvangen; hij teekende van uur tot uur alles op wat hem ’t meest waardig scheen. Het ging alles met groote letters en in een stijl, die min of meer den koopman verried.
Inmiddels maakte Nicholl zijn berekeningen en cijferde met onbegrijpelijke vlugheid. Michel Ardan koutte, nu met Barbicane, die hem bijna niet antwoordde; dan met Nicholl, die hem niet verstond; op een anderen tijd met Diana, die hem niet begreep; eindelijk met zichzelven, die er zich bij verveelde. Maar hij was en bleef de levendige, praatzieke Franschman.
De dag, of liever—want de uitdrukking is niet nauwkeurig—een twaalftal uren, naar de Aarde gerekend, eindigde met een fijnen avondmaaltijd. De reizigers lieten zich dien wel smaken en eindigden met in slaap te vallen en zich in de hemelruimte met steeds afnemende snelheid te laten voortdrijven.