Nog niet lang was het ontbijt weggeruimd, of onze drie vrienden geraakten ongevoelig, naar ’t scheen, onder den indruk der ledige hemelruimte om hen heen. Ook zij gevoelden iets ledigs. In een enge ruimte besloten en niets te doen hebbende, waren Barbicane en Nicholl ineens in een gansch andere wereld verplaatst dan die bedrijvigheid, waaraan de voorzitter der Gun-club in de laatste maanden zoo gewoon geworden was en die te zeer in het gestel van den kapitein lag om haar ineens te verloochenen. Ook had het iets onbegrijpelijk vervelends, dat zij geen de minste beweging bemerkten. Het was zonder de geringste afwisseling: de maan boven, de zon onder hen. Het eenige waaraan dan nog een weinig verandering te zien was, bestond in het grooter worden der maanschijf—een gevolg en een blijk tevens van hun beweging in de richting naar de Maan.
Maar bij Michel Ardan kwam er nog iets bij. Hij twijfelde wel niet aan den goeden uitslag der onderneming, maar zijn levendigheid als Franschman begon hem toch met vragen te kwellen, waarvan den volgenden dag, 3 December, de uitroep een blijk was: »Wat is het toch ellendig, dat ik zulk een sukkelaar in de wiskunde ben!”
»Waarom?” vroeg Barbicane.
»Omdat ik nu onmogelijk raden kan hoe de geleerden der sterrenwacht te Cambridge hebben kunnen berekenen met welke snelheid het projectiel uit de Columbiad moest vliegen om op de Maan terecht te komen.”
»’t Is toch zeer eenvoudig,” antwoordde Barbicane.
»Kunt gij het mij dan zeggen?”
»Zeggen—ja; maar of ge het begrijpen zoudt?”
»Ben ik dan zoo dom?”
Dat niet, maar, ziet ge, daartoe behoort algebra.”
»Wat is dat voor een ding?”
»Dat is geen ding, maar een wetenschap, die zulke dingen leert berekenen. Dit geschiedt door de integraal-rekening.”
»Ik heb de eer niet, die dame te kennen,” zei Michel Ardan met een buiging. »Wees zoo goed mij aan haar te presenteeren.”
»De integraal-rekening,” antwoordde Barbicane zeer ernstig, »is het tegendeel van de differentiaal-rekening.”
»Zeer verplicht.” Bij dit woord boog Michel Ardan nogmaals.
»Door die berekening zoekt men eindige grootheden, tusschen welke het verschil bekend is.”
Barbicane nam een stuk papier en potlood. »Stel,” zoo begon hij, »den afstand tusschen het middelpunt der Aarde en dat der Maan = d, den straal der aarde = r, de massa der aarde = m, de massa der maan = m, de snelheid verkregen door een lichaam dat na éene seconde vallens op de aarde valt = g, de kracht....”
»Ik dank u zeer, mijn beste vriend, maar mijn geheugen kan al die »gelijken” niet onthouden. Mijn hoofd staat er van in brand. Mag ik u verzoeken ter zake zelve te komen?”
»Wij zijn juist bezig. Rekent gij het uit, kapitein?” vroeg Barbicane, Nicholl druk aan het cijferen ziende.
»Ja,” zei deze kortaf.
Na een poos drukte hij het potlood tegen zijn voorhoofd en zei langzaam, als tot zich zelven: »ja, zoo kom ik uit. Drie maal 5 is 15, driemaal 8 = 24.... De snelheid, die dus ons projectiel moest hebben om buiten het overwicht van de zwaartekracht der aarde te geraken en bijgevolg de maan te kunnen bereiken is....”
»Elf duizend yard in de eerste seconde,” viel Barbicane in.
»Met uw verlof 11001,” antwoordde Nicholl.
»Onmogelijk!” riep Barbicane met een gebaar van afgrijzen uit.
»Wat scheelt er aan?” vroeg Michel Ardan.
»Wat er aan scheelt? Op vermindering van de eigenlijke snelheid door den tegenstand der lucht en de daardoor veroorzaakte wrijving is niet gerekend; de eigenlijke snelheid moet zijn 16575 meter,” antwoordde Nicholl.
»En de sterrenwacht te Cambridge verklaarde dat een aanvankelijke snelheid van 11000 meter in de seconde toereikend was! Wij zijn met die snelheid vertrokken.”
»Welnu?”
»Welnu? Die snelheid zal ontoereikend zijn.”
»’t Is wel.”
»Dan komen wij er niet.”
»Te drommels!”
»Zelfs niet halfweg, en bovendien, vallen wij dan op de Aarde terug.”
De vrienden stonden als door den bliksem getroffen? Wie had zulk een misrekening verwacht? Barbicane wilde het niet gelooven: Nicholl herhaalde zijn becijferingen. De formule was juist, de berekening kwam uit. Hij zag alles nog eens na. Michel Ardan verklaarde kort en goed, dat hij twintig pistolen gaf om op de sterrenwacht te Cambridge neder te komen en den heelen toren met al de cijferaars te verpletteren.”
»De zon!” riep Michel Ardan uit. Bladz. 122.
Nicholl merkte op, dat er nog geen reden was tot moedeloosheid.
Hij was van oordeel, dat, daar zij nu 32 uren onderweg waren, de grootste helft moest zijn afgelegd, zoodat alle vrees voor terugvallen noodeloos was. Barbicane mat met zijn werktuigen den hoek onder welken zich de Aarde vertoonde, en leidde daaruit af, dat zij reeds ruim 50.000 mijlen hadden afgelegd; zij waren dus het punt voorbij, waar het projectiel had moeten ophouden voort te schieten.
De anderen stemden daarmede in, en allen begrepen nu te kunnen gaan ontbijten, hetgeen geschiedde.
Nadat zij zich, dank zij de uitmuntende wijze waarop Michel Ardan het hofmeesterschap waarnam, het voorgezette goed hadden laten smaken, zouden ook de honden hun deel krijgen. Maar—treurige ontdekking? Wachter was dood.
»Wat nu?” vroeg Barbicane. »Wij kunnen het lijk hier niet houden, en hoe komen wij er af?”
»Er zit niets anders op,” meende Nicholl, »dan het scharnier van een der kijkglazen even open te doen en den dooden hond in de hemelruimte weg te werpen.”
»Wij zullen wel moeten,” merkte Barbicane aan, »maar—zeer voorzichtig?”
»Waarom?” vroeg Michel Ardan.
»Om twee redenen. Vooreerst, dat wij met onze lucht in het projectiel zuinig moeten zijn en daarom niets mag ontsnappen. En ten tweede, omdat de koude van buiten geen tijd mag hebben om binnen ons vertrekje te sluipen, want dan bevriezen wij in een oogenblik.”
»Zou het dan daarbuiten zoo koud zijn?” vroeg Michel Ardan.
»Vroeger,” zei Barbicane, »meende men dat de temperatuur der hemelruimte zeer laag was. Bij thermometerhoogte berekend, kwam men tot millioenen graden beneden nul. Fourier, een landgenoot van onzen vriend Michel Ardan, heeft de wetenschap van dit uiterste teruggebracht. Volgens hem staat de temperatuur der hemelruimte niet beneden de 60°, en dit is omtrent zooals in de poolstreken, op Melville-eiland of het fort Reliance, waar de honderddeelige thermometer ook omtrent 56° onder nul staat.”
»’t Is dus de vraag of Fourier zich niet vergist heeft. Bedrieg ik mij niet, dan heeft een andere Franschman, Pouillet de temperatuur der ruimte bepaald op 160° onder nul. Wij zullen zien wat er van is.”
»Nu niet,” antwoordde Barbicane, »want de zonnestralen vallen rechtstreeks op onzen thermometer en zouden dien veeleer doen rijzen. Maar als wij op de maan zijn, hebben wij gedurende den daar heerschenden veertiendaagschen nacht overvloedig gelegenheid om te onderzoeken, want de wachter onzer aarde zweeft in de ledige hemelruimte. Ofschoon ledig, ondergaat die ruimte toch trillingen, blijkens het licht, en deze moeten een snelheid hebben van millioenen meters in de seconde.”
»Dat zijn cijfers die gij kunt noemen, maar van welke een eenvoudig mensch niets begrijpt. Zoo is het ook met de planeten. Als gij mij vertelt, dat Uranus 66 maal grooter is dan de Aarde, Jupiter 3100 maal, de Zon anderhalf millioen maal, dan zijn dat holle woorden. Maak het liever aanschouwelijk, zeg: de zon is een bol van 2 voet doorsnede, dan is Jupiter een oranjeappel, Uranus een kers, de aarde een erwt, enz. dan verstaat men u.”
Na dezen uitval van Michel Ardan tegen de geleerden met hunne millioenen en billioenen en trillioenen, werd Wachter begraven; hetwelk eenvoudig hierin bestond, dat men hem in de hemelruimte wierp, gelijk de zeelieden een lijk over boord zetten.
Dit deed men volgens den raad van Barbicane met alle mogelijke voorzichtigheid, want er mocht geen aasje lucht te loor gaan. Alles geschiedde dan ook, dank zij mede de kracht der veren en de goede werking der scharnieren, zoo vlug, dat men er niet het minste letsel van had. Barbicane nam daaruit aanleiding om voor te stellen, dat men zich op diezelfde wijze van alle overtolligheden zou ontdoen.
Den 4den December bleek aan den chronometer, dat het op Stone’s Hill 5 uur in den morgen was toen de vrienden ontwaakten, na 54 uren reis. Naar den tijd gerekend, waren zij slechts 5 uren 20 minuten over de helft van hun verblijf in het projectiel; maar naar den afstand was bijna 7/10 der reis afgelegd—een gevolg van het regelmatig afnemen hunner snelheid.
Toen zij door het benedenste glas naar de Aarde keken, scheen hun deze niet meer dan een duistere vlek, te midden der zonnestralen. Van sikkel of aschgrauw licht was niets meer te bespeuren. Den volgenden middernacht was de aarde Nieuw, de maan Vol. Boven hen scheen deze meer en meer te naderen, als om hen te bestemder ure te ontvangen. Overigens niets dan de zwarte achtergrond der ruimte, bezaaid met sterren, die zich langzaam schenen te bewegen. Van betrekkelijke grootte waren zij niet merkbaar veranderd. Zon en sterren hadden hetzelfde voorkomen als van de aarde gezien. De Maan was aanmerkelijk grooter; maar de kijkers van onze reizigers waren niet krachtig genoeg om gelegenheid te geven tot bruikbare waarnemingen of iets aangaande haar oppervlakte te doen kennen.
Aan gesprek ontbrak het hun niet. De maan was het voorname onderwerp van hun gekout. Ieder zei er het zijne van; Barbicane en Nicholl altijd in ernst. Michel Ardan altijd luchtig en kluchtig. Het projectiel, de richting, de snelheid, de ongevallen die zouden kunnen plaats hebben, de voorzorgen te nemen bij het nederdalen op de Maan—dat alles leverde onuitputtelijke stof.
Een voorbeeld. Michel Ardan wilde weten wat er op loopen zou, indien het projectiel eens plotseling in zijn vaart was gestuit, terwijl het zijn eerste snelheid nog had.
»Maar ik begrijp niet waardoor het projectiel zou hebben kunnen gestuit worden,” zei Barbicane.
»’t Is maar een onderstelling,” antwoordde Michel Ardan.
»Een onmogelijke,” meende Barbicane, »namelijk indien de snelheid zelf niet weggevallen ware. Maar die snelheid moest langzamerhand afnemen en zou niet plotseling gestuit zijn.”
»Aangenomen dat het projectiel tegen een of ander lichaam in de hemelruimte stuitte.”
»Welk?”
»Den grooten vuurbol dien wij ontmoet hebben.”
Nicholl meende, dat in dit geval het projectiel in duizend stukken zou gesprongen zijn.
»Wij zouden levend verbrand zijn,” voegde Barbicane er ernstig bij.
»Verbrand,” sprak Michel Ardan, »’t is jammer; dat zou mooi zijn geweest om te zien.”
»En gij zoudt het gezien hebben,” antwoordde Barbicane. »Men weet nu, dat warmte niets anders is dan een wijziging van beweging. Wanneer men water verhit, dat wil zeggen: wanneer men warmtestof bij water voegt, beteekent dit, dat men beweging geeft aan de stofdeeltjes waaruit het water bestaat.”
»Zeer fraai!” merkte Michel Ardan aan.
»Niet alleen fraai, maar ook juist, mijn vriend, want dit verklaart alle warmteverschijnselen. De warmte is niets dan een beweging der stofdeeltjes, een eenvoudige slingering dier deeltjes. Wanneer men in een plank een gat boort, wordt de boor verhit: waardoor? Door beweging. Waarom smeert men de assen van rij- en voertuigen? Om te beletten dat zij te zeer verhit worden.”
»Als ik het dan wel begrijp,” sprak Michel Ardan met gemaakten ernst, »hoe komt het dan dat ik moet stilhouden, wanneer ik lang geloopen heb en dat het zweet mij van het voorhoofd druipt? Eenvoudig omdat mijn beweging in warmte is veranderd.”
Mijn kop staat er van in brand. Bladz. 128.
Barbicane liet zich door dezen kwinkslag niet van zijn stuk brengen. Hij ging voort: »In geval van een botsing zou ons projectiel, bij de verandering van beweging in warmte, door dien hevigen schok dermate zijn verhit geworden, dat het geheel gesmolten, ja verdampt ware.”
»Maar,” voegde Nicholl er bij, »wat zou dan wel gebeuren indien de aarde eens plotseling in haren omloop om de zon werd gestuit?”
»Zoo verhit,” antwoordde Barbicane, »dat alles in damp zou opgaan.”
Michel Ardan was van oordeel, dat deze wijze van een einde aan de wereld te maken al zeer eenvoudig was.
»En als de aarde op de zon viel?” vroeg Nicholl.
»Volgens de berekeningen,” antwoordde Barbicane, »zou die val een hitte ontwikkelen als van 1600 kolenbollen zoo groot als de aarde.”
»Een aardig buitenkansje aan warmte voor de zon,” verklaarde Michel Ardan, en ook voor Uranus en Neptunus, want daar moeten de lui wel sterven van koude.”
»Derhalve,” merkte Barbicane op, »geeft elke hevige beweging een verhooging van hitte. En dit leidt tot de onderstelling dat de hitte der zon wordt onderhouden door zwermen vuurbollen, die onophoudelijk op de zon vallen. Men heeft zelfs berekend....”
»Pas op,” liet Michel Ardan zich hooren, »daar komen de cijfers.”
Barbicane liet zich door dezen uitval niet uit den zadel lichten, maar ging voort: »Men heeft zelfs berekend, dat de schok door elken vuurbol op de zon veroorzaakt, een hitte moet voortbrengen, zooals een 4000 maal grootere hoeveelheid steenkolen geven zou.”
»En hoe groot is de hitte der zon?” vroeg Michel Ardan.
»Ze is gelijk aan die, welke zou worden ontwikkeld door een laag gloeiende kolen om de zon ter dikte van 27 kilometer.”
»En die hitte?”
»Die hitte zou ieder uur 2900 millioen kubiek myriameter water doen koken.”
»En toch verbrandt die hitte ons niet?”
»Neen, dewijl de dampkring der aarde 2/5 van de hitte der zon opslorpt. Overigens bedraagt de hoeveelheid zonnehitte die door de aarde wordt opgevangen, slechts een twee milliardste gedeelte der geheele uitstraling.”
»Ik zie wel,” antwoordde Michel Ardan, »dat alles in den haak is; de dampkring is een nuttige uitvinding, want zij geeft ons niet alleen gelegenheid om te ademen, maar belet ook dat wij aan de kook raken.”
»Jammer maar,” voegde Nicholl er bij, »dat het op de Maan zoo niet zijn zal.”
»Kom, kom,” zei Michel Ardan, »als er bewoners zijn, halen zij adem. Als zij er zijn, zullen zij wel voor drie man meer zuurstof te missen hebben, al was het in de diepten waar deze door de zwaarte zal zijn opeengehoopt. Welnu, wij zullen dan niet over de bergen klauteren; dat is alles!”
Michel Ardan stond op en bekeek de schitterende maanschijf.
»Verduiveld!” riep hij uit. »Wat moet het daar heet zijn!”
»En reken dan nog eens er bij,” liet Nicholl volgen, »dat de dag daar 360 uren duurt.”
»Daartegenover staat,” sprak Barbicane, »een nacht van gelijken duur, en daar de warmte door terugkaatsing wordt teruggegeven, moet de temperatuur gelijkstaan met die der hemelruimte.
»Een aardig landje!” sprak Michel Ardan. »Maar dat maakt niets uit! Ik wenschte maar dat ik er was. ’t Zal grappig zijn de Aarde tot wachter te hebben en als zij opgestaan is te kunnen zeggen: daar heb je Amerika, en daar Europa! En haar dan na te oogen als zij verdwijnt in de stralen der zon! Maar zeg eens, Barbicane, zien de maanbewoners ook eclipsen?”
»Ja,” was het antwoord, »zon-eclipsen wanneer de middelpunten van zon, aarde en maan zoo in een rechte lijn staan, dat de Aarde zich in het midden bevindt. Maar het zijn slechts ringvormige eclipsen, in welke de Aarde bij wijze van een vuurscherm vóór de zon geplaatst is, en slechts een klein gedeelte van de zonneschijf bedekt.”
»En waarom geen totale eclips?” vroeg Nicholl. »Strekt de schaduwkegel der Aarde zich dan niet uit voorbij de Maan?”
»Gewis, indien men de straalbuiging, veroorzaakt door den dampkring der aarde, buiten rekening laat. Neen, indien men die straalbuiging in aanmerking neemt. Stellen wij de horizontale parallaxis = p, de schijnbare halve middellijn = m....”
»Al genoeg van dat »stellen” en »gelijk!””
»In gewone menschentaal dan! schoon de middelbare afstand tusschen de maan en de aarde 60 stralen der aarde bedraagt, is de lengte van den schaduwkegel tengevolge der straalbreking beneden de 42 stralen. Daaruit volgt dus, dat tijdens een eclips de maan zich bevindt buiten den zuiveren schaduwkegel, en dat de zon haar tot zelfs de stralen van haar middelpunt toezend.”
»En waarom,” vroeg Michel Ardan niet zonder ruwheid in zijn toon, »is er dan eclips, als er geen zijn moet!”
»Alleen dewijl deze zonnestralen verzwakt zijn door de straalbreking, terwijl de dampkring der Aarde, door welken zij heen gaan er het grootste getal van uitdooft.”
»Dat gaat goed op,” vond Michel Ardan; »overigens zullen wij het wel zien als wij er zijn.”
»Zeg eens, Barbicane, gelooft gij dat de maan een oude komeet is!” Bij deze vraag voegde Nicholl nog de opmerking dat volgens getuigenis der Ouden de Arkadiërs beweerden, dat hunne voorouders de aarde hadden bewoond eer de maan haar wachter was geworden. Daarvan uitgaande, hebben sommige geleerden de Maan gehouden voor een voormalige komeet, welker loopbaan eenmaal zoo nabij de Aarde zal komen, dat de aantrekking van deze haar doet nedervallen.”
»Niets daarvan,” antwoordde Barbicane: »dit blijkt hieruit, dat de maan geen spoor heeft overgehouden van dat nevelomkleedsel waarin de kometen altijd gehuld zijn.”
»Maar zou,” vroeg Nicholl weder, »de maan, eer zij wachter der aarde geworden is, in het punt harer zonsnabijheid niet dicht genoeg voorbij de zon hebben kunnen vliegen om daar door uitdamping haar geheel nevelkleed achter te laten?”
»Dat zou kunnen, vriend Nicholl, maar waarschijnlijk is het niet.”
»Waarom niet?”
»Omdat .... ik weet het niet.”
»Met dat: ik weet het niet! zou men honderden boekdeelen kunnen vullen,” merkte Michel Ardan aan.
»Hoe laat is het?” vroeg Barbicane.
»Drie uur,” antwoordde Nicholl.
»Wat vliegt de tijd toch om,” merkte Michel Ardan op, »in het gesprek met zulke geleerden als gij zijt! Waarachtig, ik leer veel!”
Bij deze woorden sprong Michel Ardan bijna tegen de zoldering van het projectiel, zooals hij zeide om beter de maan te kunnen zien. De anderen zwegen een oogenblik.
Michel Ardan keek door een der zijraampjes en uitte een kreet van verbazing.
»Wat is er?” vroeg Barbicane.
De voorzitter der Gun-club naderde het glas ook en zag een soort van platten zak, die op eenige meters afstand nabij het projectiel zweefde. Dit voorwerp scheen even onbeweeglijk als het projectiel, zoodat het zich op gelijke wijze als dit bewoog.
»Wat is dat voor een ding?” herhaalde Michel Ardan. »Is het een lichaampje dat in de hemelruimte zweeft, maar nu door de aantrekking van ons projectiel genoodzaakt wordt bij ons te blijven en mede naar de maan te trekken?”
»Mij verbaast het,” antwoordde Nicholl, »dat de specifieke zwaarte van dat voorwerp het met ons gelijk doet blijven, hoewel die zeer zeker geringer is dan die van ons projectiel.”
»Nicholl,” zei Barbicane na een oogenblik peinzens, »wat het voor een ding is, weet ik niet; maar wel weet ik waarom het naast ons projectiel blijft.”
»op de sterrenwacht te Cambridge neder te komen.” (Bladz. 129.)
»Dewijl wij in de ledige hemelruimte zweven, mijn waarde kapitein, en in dat ledige de lichamen vallen of zich bewegen—wat hetzelfde is—met een gelijke snelheid, onafhankelijk van gewicht of gedaante. Het is de lucht, die, door haren tegenstand, het verschil in gewicht veroorzaakt. Wanneer gij in het luchtledige—door een luchtpomp—voorwerpen laat vallen, zult gij ze met dezelfde snelheid zien vallen, veertjes en stukjes lood. Dezelfde oorzaak heeft hier hetzelfde gevolg.”
»Dan zal”, voegde Nicholl er bij, »al wat wij buiten het projectiel werpen, ons op onze reis naar de maan blijven vergezellen.”
»Ezels die wij zijn!” riep Michel Ardan uit.
»Waartoe die vleiende benaming?” vroeg Barbicane.
»Omdat wij ons projectiel hadden moeten vullen met nuttige voorwerpen, boeken, instrumenten, gereedschappen en wat dies meer zij. Wij hadden dan alles overboord kunnen zetten, want alles zou ons toch hebben blijven vergezellen. Maar daar valt mij iets in. Waarom zouden wij geen uitstapje naar buiten kunnen doen? Wat zou het prettig wezen zoo in den wereldether te hangen, gelukkiger dan de vogel, die altijd met zijn vleugels moet slaan om niet op den grond te vallen!”
»Fraai bedacht!” zei Barbicane, »maar hoe maakt gij het met de ademhaling?”
»Ach! die beroerde lucht bederft alles!”
»Maar als er lucht was, Michel, zou uw dichtheid kleiner zijn dan die van het projectiel, en gij zoudt diensvolgens achterblijven.”
»Wij moeten dus binnen blijven?”
»Niet anders.”
»Ik geloof te zien wat dat ding is,” riep Michel Ardan uit. »Het is geen hemellichaam, geen stukje van een planeet, maar....”
»Nu maar....”
»’t Is niets anders dan onze ongelukkige hond!”
Inderdaad: dat misvormde, onherkenbare, ineengedrukte voorwerp was het stoffelijk overschot van Wachter!
Er had derhalve een verschijnsel plaats, dat, hoe zonderling ook schijnende, echter een zeer natuurlijke oorzaak had: dat ieder voorwerp, buiten het projectiel geworpen, denzelfden weg bleef houden alsof het er in gebleven ware. Dat was een onderwerp van levendig gesprek voor den geheelen avond. De reizigers geraakten bovendien reeds in grooter spanning naarmate zij meer naderden aan het doel hunner reis. Zij verwachtten onvoorziene verschijnselen, onbekende voorwerpen, maar verwonderen zou hen in hunne tegenwoordige stemming niets. Hun opgewekte verbeelding streefde het projectiel voorbij, welks snelheid aanmerkelijk verminderde zonder dat zij het bemerkten. Maar de maan werd telkens grooter in hun oog; ’t was als behoefden zij de hand maar uit te steken om haar te grijpen.
Den volgenden dag, 5 December, waren alle drie reeds ’s morgens te 5 uur bij de hand. Het moest, indien de berekeningen niet faalden, de laatste dag van hun tocht zijn. Dien avond, juist te middernacht, dus binnen 18 uren, juist op het oogenblik van Volle Maan, zouden zij die schitterende schijf bereiken. Middernacht—en het doel zou bereikt wezen van de buitengewoonste reis, in oude en nieuwe tijden gedaan. Zij begroetten de maanschijf met levendig gejuich.
Statig zette de Maan haar loop aan het uitspansel voort. Nog eenige graden, en zij zou het punt bereiken, waar het projectiel haar ontmoeten zou. Barbicane had berekend, dat zij zouden nederkomen op het noordelijk halfrond, juist waar de bergen schaarsch, maar de vlakten uitgestrekt zijn. Die omstandigheid was zeer gunstig, indien, gelijk zij dachten, de maanlucht alleen in de laagten opeengehoopt was.
»Overigens,” merkte Michel Ardan aan, »is een vlakte geschikter om neder te dalen dan een berg. Een maanbewoner zou het niet treffen, indien hij de Aarde bereikte op den Montblanc of het Himalaya-gebergte.”
»Bovendien,” meende kapitein Nicholl, »zal het projectiel in de vlakte beter stil blijven liggen. Aan een helling nederkomende, zou het gevaarte misschien naar beneden rollen als een sneeuwklomp, en daar wij geen eekhoorntjes zijn, kwamen wij er niet heelhuids af.”
Inderdaad, de uitslag der stoute onderneming scheen niet twijfelachtig. Er was echter één zaak, omtrent welke Barbicane niet recht op zijn gemak was; maar hij zweeg, om zijn vrienden niet te verontrusten.
De richting die het projectiel nam, naar het noorder halfrond der maan, bewees dat het een weinig van zijn baan was afgeweken. Wiskundig berekend moest men juist op het middelpunt der maanschijf aanlanden. Gebeurde dit niet, dan had er afwijking plaats. Waaruit was die ontstaan? Barbicane kon dat niet bepalen: hij hoopte alleen, dat de afwijking niet grooter zou zijn dan om hen op haar noordelijke helft te brengen. Hij verzweeg dus zijn bekommering en nam gedurig den stand der maan waar, ten einde de hoegrootheid der afwijking te bepalen. Immers, het zou verschrikkelijk zijn, indien het projectiel voorbij de maan vloog, om in de eindelooze hemelruimte te zweven.
De maan vertoonde reeds niet meer een platte schijf, maar duidelijk kon men haar bolle oppervlakte bespeuren. Indien de zon schuins op haar geschenen had, zouden de schaduwen der bergen duidelijk zichtbaar zijn geweest en de kraters der ringgebergten zich gemakkelijk hebben laten onderscheiden. Maar hoogten en laagten waren alleen aan de weerkaatsing van het licht kenbaar. Ter nauwernood zagen zij zelfs die donkere plekken, in welke de aardbewoners van oudsher overeenkomst hebben gezien met een menschelijk gelaat. En wat zij zagen, zij aanschouwden het met den begeerigen blik van verlangen, en toch tevens met een heimelijke vrees; waarvoor? dat wisten zij zelven niet.
Het projectiel had bijna geen gewicht meer. Het nam onophoudelijk af in zwaarte, en het moest eindelijk, als zij op het punt gekomen waren, waar de aantrekking der aarde op die der maan elkander juist opwegen, alle gewicht verliezen.
Hoe vervuld echter hun hoofden ook waren van de dingen die komen zouden, toch begreep Michel Ardan, dat ook de maag haar rechten had, en voor deze wenschte hij te zorgen door ’t gereed maken van een goed ontbijt. Het werd met smaak genuttigd en de reizigers versmaadden er een goed glas niet bij. Michel Ardan maakte de opmerking, dat op de maan, dank zij de hitte der zon, voorzeker de edelste wijnen moeten gewonnen worden—altoos indien er wijnbergen waren. Ten einde te kunnen vergelijken, had hij genoegzamen voorraad van de beste merken medegenomen.
De toestel van Reiset en Regnaut voorzag uitmuntend in de behoefte aan versche lucht. Maar hij moest ook in orde gehouden worden. Daarom onderzocht Michel Ardan elken morgen buizen en kranen, de hitte van het gas volgens den pyrometer regelende. Alles ging goed en de reizigers volgden het voorbeeld van Maston, die in het projectiel een eerbiedwaardigen buik had gekregen. ’t Was als zaten zij, gelijk jonge hanen, in het mesthok.
Nog altijd bleef het overblijfsel van Wachter onbeweeglijk in de ruimte naast het projectiel hangen, evenals de afgekloven beentjes en alle afval dien Michel Ardan buitengeworpen had.
»Verbeeld u eens,” zeide hij, »dat een onzer bezweken ware, dan zou zijn lijk daar ook zweven als beschuldiger van onze wel wat roekelooze onderneming!”
»Dat zou jammer geweest zijn,” meende Nicholl.
»Wat ik jammer vind,” antwoordde Michel Ardan, »is dat ik geen wandeling buiten ons kamertje doen kan. Wat zou het prettig zijn, zoo los en vrij in de hemelruimte rond te zweven en zich te baden in de zuivere zonnestralen! Als Barbicane er maar aan had gedacht, een drijftoestel en een luchtpomp mede te nemen, zou ik mij wel buiten gewaagd hebben.”
werd Wachter begraven. Bladz. 131.
Barbicane gaf hem te kennen, dat hij er weinig aan zou gehad hebben, want dat hij wegens de lucht in zijn lichaam onfeilbaar als een bom uiteengesprongen zou zijn. »Zoolang wij ons in de ledige hemelruimte bevinden, is er aan tochtjes buiten ons projectiel niet te denken,” voegde hij er bij.
Michel Ardan geloofde ook wel, dat het moeielijk was, maar het woord »onmogelijk” wilde er bij hem nooit uit.
Zij kwamen van het eene op het andere. De denkbeelden groeiden hun in het hoofd, gelijk in de lente de knoppen aan de takken. Zoo had Nicholl den inval te vragen: »Op de maan te komen, dat schijnt nu goed en wel te zullen gaan; maar hoe komen wij er van af?”
Daar wisten de anderen geen weg meê. ’t Was alsof niemand hunner daaraan tot dusver een oogenblik had gedacht.
»Om de waarheid te zeggen,” sprak Michel Ardan, »ik vind het wel wat voorbarig, te vragen hoe men uit een land weg komt, eer men er in is.”
»Ik zeg het niet om achteruit te krabbelen,” antwoordde Nicholl, »maar ik herhaal mijn vraag: hoe komen wij er van af?”
»Ik weet het niet,” sprak Barbicane doodbedaard.
»En ik,” voegde Michel Ardan er bij, »als ik geweten had hoe terug te gaan, zou ik niet vertrokken zijn.”
»Een fraai antwoord!” riep Nicholl uit.
»Ik ben het met Michel Ardan eens,” merkte Barbicane aan, »en voeg er bij, dat de vraag voor het oogenblik van geen belang is. Later, als wij meenen te moeten terugkeeren, zullen wij de vraag aan de orde stellen. Al is er geen Columbiad op de maan, ons projectiel hebben wij toch bij ons.”
»’t Is wat moois! Een kogel zonder geschut.”
»Het laatste kunnen wij altijd maken,” meende Barbicane. »Kruit—men kan het maken. De maan zal toch wel niet ontbloot zijn van metalen, van salpeter, van houtskool en zwavel. Bovendien hebben wij slechts de aantrekkingskracht der maan te overwinnen—slechts 8000 mijlen snelheid, om op de aarde terug te vallen door de eenvoudige wet van zwaarte.”
»’t Is wel geweest,” sprak Michel Ardan zeer opgewonden. »Geen gepraat meer over terugreis! Er is reeds te lang over gebabbeld. Maar nu eens over gemeenschap met onze oude broeders, de aardbewoners; dat zal zooveel bezwaar niet in hebben.”
»Hoe wilt ge dat dan doen?”
»Door middel van kogels, uit de vulkanen der maan geschoten.”
»Goed bedacht, Michel,” antwoordde Barbicane op een toon van vaste overtuiging. »Laplace heeft berekend, dat een kracht, vijfmaal grooter dan die onzer kanonnen, groot genoeg is om een kogel uit de maan te schieten. En elke vulkaan heeft die kracht ruim en breed.”
»Leven de vulkanen!” riep Michel Ardan uit. »Niets gemakkelijker dan zulke kogels, en zij kosten niets! En wat zullen wij de posterijen uitlachen! Maar—daar valt mij iets in.”
»Wat?”
»Een heerlijk denkbeeld! Waarom hebben wij geen metaaldraad aan ons projectiel gebonden? Dan zouden wij telegrammen met de Aarde hebben kunnen wisselen.”
»Een mooi ding!” zei Nicholl. »Rekent gij het gewicht van een draad van meer dan 50,000 geographische mijlen als niets?”
»Als niets? Dan moest de lading van de Columbiad verdriedubbeld zijn, desnoods verviervoudigd, vervijfvoudigd!” schreeuwde Michel Ardan, want zijn stem verhief zich meer en meer.
»Er is maar een kleinigheid tegen uw plan,” merkte Barbicane aan: »ten gevolge van de aswenteling der Aarde zou uw draad zich om haar hebben gewonden als een touw om een kaapstander, en de draad zou ons ten laatste naar den grond teruggetrokken hebben.”
»Bij de negenendertig sterren der Unie!” riep Michel Ardan uit, »wat heb ik toch vandaag domme denkbeelden! ’t Is alsof ik Maston ben! Maar wat ik denk is dit: als wij niet op de Aarde terugkomen, zal Maston ons wel komen opzoeken.”
»Zeker zal hij komen,” zei Barbicane met zijn gewonen ernst, »want hij is een waardig en moedig vriend. En wat is er niet voor? Zit de Columbiad nog niet altijd in de Floridaschen grond? Hebben zij geen katoen en zwavelzuur om schietkatoen te maken? Zal de maan niet op haar tijd weder door het toppunt van Stone’s Hill gaan? Over 18 jaar en 11 dagen staat zij immers weder op dezelfde plaats?”
»Komen zullen zij!” juichte Michel Ardan; »Maston en Elphiston en Blomsberry en al de leden van de Gun-club, en wij zullen hen goed onthalen ook! En mettertijd komen er geregelde projectieltreinen tusschen de Maan en de Aarde! Leve Maston!”
Zeer waarschijnlijk is het, dat, indien Maston dien uitroep al niet hoorde, toch zijn ooren moesten tuiten. Wat zou hij dan doen? Ongetwijfeld in het Rotsgebergte op Longs-piek staan uitkijken naar het voor hem onzichtbaar projectiel, dat in de hemelruimte zweefde? Dacht hij aan zijn waarde vrienden, die waarde vrienden dachten ook aan hem, en onder den invloed eener buitengewone opgewondenheid wijdden zij hem hunne beste wenschen.
Maar vanwaar die met ieder oogenblik toenemende opgewondenheid bij de reizigers? Hun matigheid was boven alle bedenking. Moest die buitengewone prikkeling van het hersengestel worden toegeschreven aan de buitengewone omstandigheden in welke zij zich bevonden, aan hun naderen tot de nachtvorstin, het doel hunner reis en hunner wenschen of aan een geheimen invloed der Maan, die op hun zenuwgestel werkte? Hun gelaat werd zoo rood alsof zij een gloeienden oven hadden aangeblazen; hun ademhaling was versneld en hun longen bliezen als een smidsblaasbalg: hun oogen schitterden met een zonderling vuur; hun stem gaf vreemde geluiden: hun woorden schoten als uit de kurk van een champagneflesch, door het koolzuur uitgedreven; hun gebaren werden woest; voor zoover zij namelijk ruimte hadden om te gesticuleeren. En wat het zonderlingste was, zij zelven bemerkten niets van de hevige spanning waarin zij zich bevonden.
»En nu,” zei Nicholl barsch, »nu ik niet weet, of wij van de Maan zullen terugkeeren, wil ik weten wat wij er gaan doen.”
»Wat wij er gaan doen?” antwoordde Barbicane op den grond stampende, »dat weet ik niet.”
»Gij weet dat niet?” riep Michel Ardan met een soort van gehuil dat door het geheele projectiel drong.
»Neen, ik heb er zelfs geen vermoeden van,” antwoordde Barbicane den vrager nahuilende.
»Dan weet ik het wel!” stamelde Michel Ardan.
»Spreek op!” stotterde Nicholl.
»Ik zal spreken wanneer ik wil,” snauwde Michel Ardan hem toe.
»Gij moet het willen!” schreeuwde Barbicane met fonkelend oog en dreigende vuist. »Gij hebt ons in deze gevaarlijke reis gesleept, en wij willen weten waarom.”
»Ja!” voegde er de kapitein bij, »nu ik niet weet waarheen ik ga, wil ik weten waarom ik ga.”
»Waarom?” schreeuwde Michel Ardan, hoog opspringende, »waarom? Om bezit van de Maan te nemen in naam der Vereenigde Staten! Om een veertigsten Staat aan de negenendertig toe te voegen! Om de Maan te ontvangen, te bevolken, en er de voortbrengselen van kunst, nijverheid en wetenschap over te brengen! Om de maanbewoners te beschaven, als zij ten minste niet beschaafder zijn dan wij, en om een republiek van hen te maken, als zij er ten minste nog geen hebben.”
»En als er nu eens geen maanbewoners zijn,” merkte Nicholl aan, op wien de zonderlinge overspanning uitwerkte, dat zij een Jantje Contrarie van hem maakte.
»Wie zegt dat er geen maanbewoners zijn!” vroeg Michel Ardan op dreigenden toon.
»Ik!” krijschte Nicholl.
»Kapitein,” bracht Michel Ardan met dubbelslaande tong uit, »herhaal die beleediging niet, of ik verworg u.”
De twee kampioenen stonden op het punt elkander te lijf te gaan. Barbicane kwam tusschenbeiden. Hij zeide, hen scheidende:
»Stil ongelukkigen, als er geen maanbewoners zijn, behoeft ook over hen niet getwist te worden.”
was het lijk van Wachter. (Bladz. 138).
»De maan is ons!” riep Nicholl uit.
»Wij met ons drieën stichten er de republiek.”
»Ik ben het Congres!” snoefde Michel Ardan.
»En ik de Senaat!” schreeuwde Nicholl.
»En Barbicane president!” gilde Michel Ardan.
»Geen president door de natie benoemd,” merkte Barbicane aan.
»Welnu, dan een president benoemd door het Congres!” brulde Michel Ardan, »en ik, het Congres, benoem u met eenparige stem.”
»Leve president Barbicane!” was de kreet van Nicholl.
»Hip, hip, hip, hoera!” herhaalde de echo van Michel Ardan.
Daarop krijschten de president en de Senaat op afschuwelijke wijze het volkslied Yankee Doodle, terwijl het Congres even afschuwelijk de Marseillaise deed hooren.
Vervolgens begon een springen en stampen, dat misschien een dans moest verbeelden, maar sterke familietrekken vertoonde met volslagen dronkenschap. Diana jankte er bij op akelige wijs, terwijl een haan en een kip uit de hanebalken van het projectiel kwamen fladderen en hun gekakel voegden bij de rauwe kreten, die de reizigers uitstieten.
Eindelijk vielen zij, als verteerd door een inwendig vuur, wezenloos op den grond.
Wat was er gebeurd? Vanwaar die zonderlinge opgewondenheid, waarvan de gevolgen zoo treurig hadden kunnen zijn? Een eenvoudige onbezonnenheid van Michel Ardan, die gelukkig door Nicholl nog tijdig kon verholpen worden.
Na een flauwte van eenige minuten kwam de kapitein het eerst tot zichzelf.
Hoewel hij pas twee uren geleden ontbeten had, gevoelde hij een verschrikkelijken honger, als ware hij eenige dagen lang zonder voedsel geweest. Alles was bij hem in de hoogste spanning geraakt, maag en hersenen.
Hij rees op en vroeg Michel Ardan om nog wat eten. Michel antwoordde niet. Nicholl wilde daarop thee zetten, en om vuur te hebben stak hij een lucifer aan.
Met verbazing zag hij de zwavel met een buitengewonen, verblindenden glans schitteren. De gasbek dien hij aanstak, gaf een vlam als electrisch licht.
Daar kwam iets op in het brein van Nicholl. Dat sterke licht, die zonderlinge uitwerkselen op hem en de beide anderen—hij begreep alles.
»De zuurstof!” riep hij uit.
Hij bekeek den luchttoestel; terstond bemerkte hij, dat de kraan een fellen stroom zuurstof liet ontsnappen. De luchtsoort, onbemerkbaar voor gezicht, smaak en reuk, onontbeerlijk voor het leven, maar gevaarlijk in onvermengden toestand, was door een achteloosheid van Michel Ardan losgelaten—hij had verzuimd de kraan toe te draaien.
Nicholl sloot haar oogenblikkelijk af en voorkwam nog tijdig den anders onvermijdelijken dood van hem en zijn vrienden.
Een uur later was de ademhaling van lieverlede tot haar gewonen toestand teruggekeerd; de bezwijmden kwamen bij, maar zij konden den roes niet, als dien van een stevig glas, uitslapen.
Toen Michel Ardan bekend werd met de schuld die hij aan het voorgevallene had, geraakte hij in ’t geheel niet van zijn stuk. Deze onverwachte roes brak de eentonigheid der reis. Terwijl hij werkte, waren vrij wat dwaasheden onder zijn invloed uitgekraamd, maar even spoedig vergeten als gesproken.
»Bovendien,” voegde de vroolijke Franschman er bij, »ik heb geen spijt, dat ik eens van die koppige lucht geproefd heb. Weet gij, vrienden, als er eens een zwaar werk te verrichten was, en men had dan zuurstofkamertjes, waar de vermoeide werklieden eenige uren konden gaan opleven! Denkt u eens vereenigingen, waar de lucht verzadigd is van deze bezielende vloeistof; tooneelen, waar de bestuurders haar op groote schaal nahouden,—welk een vuur! welk een geestdrift! En als men er dan eens een geheel volk volop van geven kon, wat zou alles vlotten! Van een uitgeputte natie zou men misschien een krachtig volk maken. Ik ken ten minste in ons verouderd Europa meer dan één staat, die van het openstaan der zuurstofkraan bekomen zou!”
Michel Ardan sprak met zooveel vuur, dat de kraan nog wel te veel scheen open te staan. Maar Barbicane deed met één woord zijn geestdrift bekoelen. »Alles goed en wel, mijn vriend,” sprak de voorzitter der Gun-club, »maar waar komen die haan en die kippen vandaan, die medegedaan hebben?”
»Die haan—die kippen?”
»Ja.”
Dat zij er waren, leed geen twijfel, want zij liepen nog te kakelen en te scharrelen.
»De stommelingen!” riep Michel Ardan; »de zuurstof heeft hun den kop op hol gebracht.”
»Maar wat moet gij met die beesten uitvoeren?” vroeg Barbicane.
»Wat anders dan op de Maan acclimateeren!”
»En waarom ze weggestopt?”
»Een eenvoudige grap, maar die verongelukt is. Ik wilde ze op de Maan loslaten, zonder er u een woord van te zeggen. Ik dacht: wat zal hij opzien als hij Aardsche kippen op de Maan vindt!”
»Uil die ge zijt! Gij hebt waarlijk geen zuurstof noodig om u op te winden! Gij zijt altijd wat wij geweest zijn onder den invloed van ’t openstaan der kraan!”
Michel Ardan slikte de pil en met hun drieën togen zij aan het opredderen van hun kamertje. De haan en zijn kippen werden weder in hun hok opgesloten. Maar dat leverde een nieuw, opmerkelijk verschijnsel.
Sedert hun vertrek van de Aarde was hun eigen gewicht, dat van het projectiel en der medegenomen voorwerpen voortdurend verminderd. Al konden zij deze afneming niet voor het projectiel bepalen, toch moest eenmaal het oogenblik komen dat het merkbaar werd voor henzelven en voor het medegenomene.
Het spreekt van zelf, dat een weegschaal die afneming niet zou hebben aangewezen, want het gewicht in de andere schaal zou evenzeer aan zwaarte hebben verloren als het gewogen voorwerp zelf; maar een weegwerktuig met een veer b. v., welker spanning onafhankelijk is van de aantrekking, zou het juiste bedrag der zwaartevermindering hebben doen kennen.
Men weet, dat de aantrekking, met andere woorden de zwaarte, evenredig is aan de stofhoeveelheid en in omgekeerde rede staat tot het vierkant van den afstand. Hieruit volgt, dat, indien de Aarde het eenige hemellichaam ware, het projectiel volgens de wet van Newton in zwaarte zou verminderd zijn, naarmate het zich verder van de Aarde verwijderde, maar zonder ooit die zwaarte geheel te verliezen, daar de aantrekking der Aarde op geen afstand immer geheel zou zijn vernietigd.
Maar in de bestaande omstandigheden moest er een oogenblik komen, waarop het projectiel volstrekt niet meer onderworpen zou zijn aan de wet der zwaarte, ongerekend de andere hemellichamen, welker aantrekkingskracht men kon aanmerken als niet bestaande.
»Zijn zij dronken.” Blz. 146.
De baan van het projectiel liep tusschen de Aarde en de Maan. Naarmate het zich van de aarde verwijderde, verminderde de aantrekking in evenredigheid van het vierkant van den afstand (d.i. op 6 maal grooteren afstand werd het 36maal minder door de aarde aangetrokken, op 10maal grooteren afstand 100maal minder enz.,): maar de aantrekking der Maan nam in dezelfde evenredigheid toe. Het projectiel moest dus eenmaal een punt bereiken, waar beide aantrekkingen tegen elkander opwogen, het punt waar dus het projectiel geen gewicht hoegenaamd had. Indien de stofhoeveelheid der Aarde even groot ware als die der Maan, zou dat punt juist even ver van beiden gelegen hebben. Maar daar de stofhoeveelheid van de Maan een bekend gedeelte van die der Aarde bedraagt, was gemakkelijk te berekenen, dat dit punt op 17/52 van den afstand tusschen de Aarde en haren wachter ligt, of: gemiddeld 465 geographische mijlen van de Maan, 31,338 van de Aarde.
Op dat punt moest een lichaam dat geen beginsel van snelheid of verplaatsing in zich zelve had, noodwendig eeuwig en onbeweeglijk blijven hangen, daar het door de Aarde en door de Maan met gelijke kracht werd aangetrokken en niets het naar een van die beiden deed neigen.
Indien de snelheid van het projectiel buiten rekening bleef, moest het dat punt bereiken met een snelheid = 0, daar het allen maatstaf van zwaarte miste, en zoo ook alles wat het bevatte.
Wat moest dan gebeuren? Drie gevallen deden zich voor.
1. Het projectiel kon nog eenige snelheid hebben behouden, genoeg om voorbij het nulpunt te schieten, in welk geval het op de Maan zou vallen tengevolge van het overwicht harer aantrekking boven die der Aarde.
2. Indien het projectiel geen genoegzame snelheid had om het nulpunt (aldus noemen wij het punt 47/52 van de Aarde en 5/52 van de Maan) te bereiken, zou het naar de Aarde terugvallen ten gevolge van de meerdere aantrekkingskracht der Aarde boven die der Maan.
3. Het projectiel kon een snelheid hebben juist groot genoeg om het nulpunt te bereiken, maar ontoereikend om het voorbij te streven; in dat geval zou het er altijd blijven hangen, even sterk door de Aarde als door de Maan aangetrokken, zooals de legende van Mohammeds doodkist verhaalt.
Barbicane legde dit alles aan zijne tochtgenooten uit. Het wekte ten hoogste hun aandacht. Maar hoe zouden zij te weten komen of het projectiel dat gewichtig punt bereikt had?
Alleen daardoor, dat noch zij, nog eenig voorwerp in het projectiel eenigermate zouden onderworpen blijken te zijn aan de wet der zwaarte.
Tot dusver hadden zij wel bemerkt, dat de werking dier wet van lieverlede afnam, maar zij hadden toch nog niet bespeurd dat zij geheel had opgehouden. Maar dien dag, tegen 11 uur in den voormiddag, had Nicholl een glas losgelaten, en zie, het viel niet, maar bleef in de lucht hangen.
»’t Is grappig,” was al wat Michel Ardan er over te zeggen had.
En terstond lieten verschillende voorwerpen, wapenen, flesschen enz. los van de plaats waar zij stonden. De hond bleef ook in de lucht hangen zonder het te bemerken.
Zij zelven bespeurden dat zij geen het minste gewicht meer hadden. Hunne voeten hielden geen grond meer. Zij waren als dronken lieden die zich niet op de been kunnen houden.
Stom van verbazing wisten zij er niets van te zeggen.
Barbicane was de eerste die het woord nam.
»Wij zijn er nog niet,” merkte hij aan; »als wij het nulpunt bereikt hebben, zal de aantrekking der Maan ons naar haar toe trekken.”
»Dan zullen wij met de voeten op de zoldering van het projectiel staan,” meende Michel Ardan.
»Neen,” antwoordde Barbicane, »daar het zwaartepunt van het projectiel naar den bodem ligt, zal het zich langzaam zoo omwenden, dat het achteruit naar de Maan schiet.”
»Dan wordt al ons boeltje onderstboven gegooid?”
»Toch niet,” sprak Nicholl; »het zal geheel en al onmerkbaar gaan.”
Michel Ardan vatte een flesch met drie glazen, die behoorlijk in de lucht bleven hangen. Zij dronken om het gewichtige nulpunt te salueeren.
Zoo duurde het omtrent een uur. De reizigers voelden, dat zij weder langzamerhand naar beneden werden getrokken, en Barbicane meende optemerken, dat de punt van het projectiel niet meer juist naar de Maan gericht was. De aantrekking der Maan had dus overwicht boven die der Aarde. Het vallen naar de Maan nam een aanvang, schoon nog onmerkbaar; het kon trouwens slechts ⅓ millimeter in de eerste seconde zijn. Maar naarmate hun afstand van de Maan verminderde, moest de snelheid van den val toenemen. Zooveel wisten zij nu: het doel was bereikt, stond ten minste bereikt te worden. Nicholl en Michel Ardan deelden hierover in Barbicane’s vreugde.
Michel Ardan vierde terstond weder den vrijen teugel aan zijn verbeelding en schetste met hooge ingenomenheid het aangename, gemakkelijke en onkostbare van den toestand der aardbewoners, indien zij niet of ten minste slechts uiterst weinig onderworpen waren aan de wet der algemeene zwaarte.
Barbicane oordeelde deze spelingen van het vernuft ernstiger wederlegging waardig, dan zij verdienden. Hij deed zijn vriend opmerken dat dan ook niets vast zou staan, dat de wateren van den oceaan door niets zouden gebreideld wezen en de lucht zelve in de hemelruimte zou vervliegen.
»Maar gij zult in zoover uw zin hebben,” voegde hij er bij, »dat als wij de Maan bereiken, gij op een wereldbol zult zijn, waar de zwaarte veel geringer is dan op de aarde—slechts 1/6.”
»En zullen wij dat bemerken?”
»Zeer zeker, daar 200 kilo slechts 30 kilo op de Maan wegen.
»En zal onze spierkracht ook zooveel geringer zijn?”
»In geenen deele. In plaats van een meter hoog te springen, zult gij het 18 voet doen.”
»En als alles dan naar evenredigheid is,” sprak Nicholl, »moeten de maanbewoners toch maar een voet lang zijn.”
»Dus wij Gullivers en zij Lilliputters!”
»Als gij zoo redeneert,” merkte Barbicane aan, »zouden wij op de groote planeten, Jupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus, daarentegen Lilliputtertjes wezen.”
»En op de Zon?”
»Indien men als waarheid mag aannemen hetgeen uit alle waarnemingen en berekeningen volgt, dat de dichtheid der zon viermalen geringer is dan die der aarde, is haar stofhoeveelheid 259,551 maal meer dan die der laatste en de aantrekking 27 maal grooter. Als dus alle evenredigheden zouden gelden, moeten de zonbewoners een paar honderd voet lang zijn.”
»Dan zou men een goed artillerie-park moeten hebben om zich tegen die kerels te verdedigen,” meende Nicholl.
Barbicane deed hem opmerken, dat onze kogels niet veel op de zon zouden uitrichten, daar zij eenige meters ver reeds op den grond zouden vallen. »De aantrekking,” merkte hij op, »is er zoo aanzienlijk, dat een voorwerp, op de aarde 70 kilo wegende, 1890 kilo op de zon zou halen. Uw hoed 10 kilo; kortom, als gij er kwaamt te vallen, zoudt gij niet kunnen opstaan, dewijl gij er ruim 2000 kilo wegen zoudt.”
»Voor ’t oogenblik,” voegde Michel Ardan er bij, »zullen we ons maar bij de Maan bepalen; daar zijn wij heele heeren, terwijl wij later de zon eens kunnen bezoeken, waar wij een kaapstander noodig zullen hebben om ons glas naar den mond te brengen.”