Het was niet tegen te spreken—elke seconde vergrootte den afstand tusschen hen en het hemellichaam, dat zij niet hadden mogen betreden, maar slechts van verre waarnemen. Ook de stand van het projectiel was veranderd: het wendde nu de punt naar de Maan, den bodem naar de Aarde.
Deze verandering wekte Barbicane’s verbazing. Indien het projectiel zich om de Maan moest bewegen in een elliptische baan, moest immers het zwaarste gedeelte naar de Maan gericht blijven, zooals met de Maan ten opzichte van de Aarde het geval is?
Bij nauwkeurige waarneming van de baan, die het projectiel thans beschreef, moest blijken, dat zij gelijk was aan die der uitreis. Het projectiel beschreef dus een zeer verlengde ellips, die zich waarschijnlijk uitstrekte tot het boven beschreven nulpunt, waar de aantrekking der Aarde en die der Maan tegen elkander juist opwegen.
Tot die overtuiging kwam Barbicane ook door zijn waarnemingen; zijn vrienden waren van hetzelfde gevoelen.
»En als wij dat punt hebben bereikt, wat zal er dan van ons worden?” vroeg Michel Ardan.
Barbicane verklaarde het niet te weten.
»Maar wat denkt gij er van?”
»Van tweeën één: òf, de snelheid zal ontoereikend zijn, en dan blijven wij ten eeuwigen dage op dat nulpunt hangen; òf, de snelheid zal groot genoeg zijn, en dan moeten wij maar verder onze elliptische baan om de Maan gaan beschrijven.”
»Zit er niets anders op?”
»Kunnen wij er niets aan doen?”
»Niets. Werk eens tegen het onmogelijke.”
»Wat? Onmogelijk, en dat voor een Franschman en twee Amerikanen!”
Op dezen uitval van Michel Ardan antwoordde Barbicane bedaard: »En wat zoudt gij dan wel willen doen?”
»Kunnen wij geen baas zijn over de beweging die ons drijft?”
»Hoe wilt gij dat?”
»Wel,” sprak Michel Ardan, »haar wijzigen, haar dwingen om ons te brengen waar wij zijn willen.”
»Hoe?”
»Dat is mijn zaak niet. Maar als de artilleristen geen meester zijn over hun stukken, zijn zij geen artilleristen meer. Indien het projectiel den kanonnier bevelen geeft, moet men den kanonnier op het stuk laden. Dat zijn nu de geleerde mannen, die geen raad weten, na mij eerst te hebben verleid...”
»Verleid!” riepen Barbicane en Nicholl uit; »verleid? Wat meen je daarmeê?”
»Zwijgt maar,” hernam Michel Ardan. »Ik beklaag er mij niet over, want ik doe een prettig reisje. Maar mij dunkt toch, dat wij al het mogelijke doen moesten om ergens neer te komen, al is het dan op de Maan.”
»Niets liever dan dat,” sprak Barbicane, »maar ’t ontbreekt ons aan middelen.”
»Kunnen wij dan de richting van het projectiel niet wijzigen?”
»Neen.”
»Of onze vaart verminderen?”
»Ook niet.”
»Ballast uitwerpen?”
»Wij hebben geen ballast, en het uitwerpen zou onze vaart verminderen.”
»Versnellen, meent gij.”
»Geen van beiden,” verbeterde Barbicane, »want bedenk, wij bevinden ons in de ledige hemelruimte.”
»Dan rest ons slechts éen zaak,” hernam Michel Ardan.
»En die is?”
»Ontbijten,” zei deze.
Zoo gezegd, zoo gedaan—en een fijne flesch ontkurkt.
Daarna hervatten zij hun waarnemingen. De uitgeworpen voorwerpen bleven op onveranderden afstand van het projectiel zweven. Van de Aarde was op dat oogenblik niets te zien. De Maan daarentegen schitterde in vollen glans te midden van ontelbare sterren. De voorwerpen op haar oppervlakte begonnen door den afstand onduidelijker te worden; de Tycho prijkte als een zon op de prachtige schijf.
nu werden zij flauw van de hitte. Bladz. 195.
Barbicane kon door geen hulpmiddel de snelheid hunner bewegingen bepalen; maar volgens wiskundige wetten moest ze gelijkmatig afnemen.
En inderdaad, aangenomen dat het projectiel een baan om de Maan ging beschrijven, dan moest die baan noodwendig een elliptische zijn. De wetenschap wijst dit uit. Geen enkel lichaam, dat zich wentelt rondom een middelpunt van aantrekking, maakt daarop uitzondering. Al de loopbanen, die in de hemelruimte worden beschreven, zijn ellipsen: die der wachters om hun hoofdplaneten, die der planeten om de zon, die van de zon om Halcyon, indien ten minste de sterrenkunde gelijk heeft in haar meening, dat die ster in het Zevengesternte het middelpunt is rondom hetwelk zich onze zon en met haar een ontelbaar sterrenheir beweegt. En waarom zou dan het projectiel der Gun-club een uitzondering maken op dien algemeenen regel?
In de elliptische loopbaan staat het aantrekkend lichaam altijd in een der brandpunten. Het hemellichaam dat omloopt, ’t zij dan een wachter om een hoofdplaneet, ’t zij een planeet om een zon, bevindt zich niet altijd op denzelfden afstand van het middelpunt der aantrekking, in het eerste geval de hoofdplaneet, in het laatste de zon. Wanneer de Aarde haar naasten stand ten opzichte der zon heeft, heet dit dat zij in haar perihelium is; daarentegen in haar aphelium, wanneer zij het verst van de zon staat. De Maan heet in haar naasten stand ten opzichte van de Aarde in haar perigeüm, in haar apogeüm het verst van ons te staan. Indien men dus deze sterrenkundige uitdrukkingen zou willen overbrengen op de standen van het projectiel, indien het zich in een elliptische loopbaan om de Maan beweegt, ware dit het verst van de Maan in zijn aposelenium, in zijn naasten stand bij haar in zijn periselenium.
In den laatsten stand moest het projectiel zijn grootste, in den eersten zijn kleinste snelheid hebben. Nu bewoog het zich op dat oogenblik klaarblijkelijk naar zijn aposelenium, zoodat Barbicane volle recht had te oordeelen, dat hun snelheid afnemende was, om, wanneer dat aposelenium eenmaal zou bereikt zijn, met toenemende snelheid naar het naaste punt bij de Maan, het periselenium, terug te keeren. En indien nu het aposelenium-punt samenviel met het meermalen door ons genoemde nulpunt—waar de aantrekking van de Aarde tegen die der Maan juist opweegt—zou de snelheid van het projectiel afdalen tot nul.
Barbicane onderzocht de gevolgen dier verschillende standen en dacht er over na, op welke wijze er partij van zou te trekken zijn, toen zijn gedachten werden afgeleid door een luiden kreet van Michel Ardan.
»Men moet toch zeggen, dat wij uilskuikens zijn!”
»Tegenspreken zal ik dit niet,” antwoordde hem Barbicane, »maar waarom?”
»Omdat wij een zeer eenvoudig middel hebben om de snelheid, met welke wij ons van de Maan verwijderen, te verminderen, en wij maken er geen gebruik van.”
»En wat is dat middel dan?”
»Niets anders dan gebruik te maken van de terugstootende kracht die wij in onze vuurpijlen bezitten.”
»Wèl aangemerkt,” zei Nicholl.
»’t Is waar, wij hebben van die kracht nog geen gebruik gemaakt, maar wij zullen het doen,” merkte Barbicane aan.
»Wanneer?” vroeg Michel Ardan.
»Als het er de tijd toe zal zijn. Vergeet niet, mijne vrienden, dat in den tegenwoordigen stand van het projectiel onze vuurpijlen ons wel eens van de Maan zouden kunnen verwijderen in plaats van haar te naderen. Ons projectiel toch heeft op dit oogenblik nog een schuinschen stand ten opzichte der maanschijf. En de bedoeling is immers op de Maan voet aan wal te zetten?”
»Zeer zeker,” antwoordde Michel Ardan.
»Geduld dan. Door een werking, die ik niet weet te verklaren, maar die niettemin bestaat, heeft ons projectiel neiging om zijn bodem naar de zijde der Aarde te richten. Zeer waarschijnlijk zal op het nulpunt de top des kegels lijnrecht naar de Maan gekeerd zijn. Wij hebben eenigen grond om te hopen, dat onze snelheid dan nul zal wezen. Dan is het oogenblik daar om te handelen, en misschien kunnen wij door de kracht onzer vuurpijlen een rechtstreekschen val naar de oppervlakte der maanschijf teweegbrengen.”
»Bravo!” riep Michel Ardan uit.
»Wij hebben dat niet gedaan, en ook niet kunnen doen, toen wij de eerste maal op dat punt der gelijke aantrekking van Maan en Aarde waren, omdat toen het projectiel nog een te groote snelheid had.”
»Goed geredeneerd,” sprak Nicholl.
»Wij moeten dus geduld oefenen,” hernam Barbicane. »Wij zullen onzerzijds alles doen wat in ons vermogen is, en dan durf ik wel hopen, dat wij na zoovele teleurstellingen toch ons oogmerk zullen bereiken.”
Deze verklaring lokte bij Michel Ardan een menigte luide toejuichingen uit. En geen van hen drieën dacht er op dat oogenblik aan, dat zij nog zooeven met algemeene stemmen tot het besluit waren gekomen: Neen! De Maan is niet bewoond! Neen! de Maan is waarschijnlijk niet bewoonbaar! En toch—zij gingen al het mogelijke beproeven om haar te bereiken!
Eén vraag moest nog worden beantwoord: op welk oogenblik zij dat belangrijk punt van gelijke aantrekking zouden bereikt hebben. Dáármee zouden zij hun laatste kaart uitspelen.
Ten einde dat oogenblik op eenige seconden na te berekenen, behoefde Barbicane slechts zijn aanteekeningen te raadplegen en zijn verschillende hoogtemetingen op de onderscheiden maansbreedten na te gaan. Want de tijd tusschen het doorloopen van den afstand van het nulpunt tot de zuidpool moest gelijk zijn aan dien tusschen de noordpool en het nulpunt. De uren waren nauwkeurig aangeteekend, zoodat de berekening niet moeielijk was.
Barbicane vond, dat zij dit punt zouden bereiken in den nacht tusschen 7 en 8 December, te 1 uur. Op dit oogenblik was het 3 uur in den morgen van 7 December. Indien de beweging van het projectiel dus geen storing ondervond, moesten zij het bewuste punt na verloop van 22 uren bereiken.
De vuurwerken waren oorspronkelijk bestemd geweest om den val van het projectiel op de Maan te breken, en nu gingen onze waaghalzen ze gebruiken om dien val te bevorderen. Hoe het zij, zij waren gereed, en alleen het geschikte oogenblik moest worden afgewacht om ze te ontsteken.
»Daar wij nu toch niets te doen hebben,” zei Nicholl, »doe ik een voorstel.”
»En dat is?” vroeg Barbicane.
»Te gaan slapen.”
»Heb je van zijn leven!” riep Michel Ardan uit.
»In veertig uren hebben wij geen oog geloken,” sprak Nicholl. »Eenige uren slapens zullen ons goed doen.”
»Geen denken aan!” schreeuwde Michel Ardan.
»Even goede vrienden,” hernam Nicholl, »elk zijn meug, maar ik ga naar mijn mandje.”
Hij strekte zich uit op een divan en ’t duurde niet lang of Nicholl sliep dat hij snorkte.
»Die Nicholl is toch zoo dom niet,” sprak Barbicane een weinig later, »ik ga zijn voorbeeld volgen.”
En eenige minuten daarna accompagneerde zijn snorken in den bastoon den baryton-snork van Nicholl.
Niet lang was Michel Ardan alleen, of hij mompelde in zichzelf: »die lui zijn nog zoo gek niet.”
En tegelijk strekte hij zijn lange beenen uit, legde zijn lange armen onder het hoofd en sliep insgelijks in.
Maar hun slaap kon noch langdurig, noch gerust zijn. Er ging te veel om in den geest van die drie mannen, en eenige uren later, tegen 7 uur in den morgen, waren alle drie gelijktijdig op de been.
Het projectiel verwijderde zich nog altijd van de Maan; van lieverlede keerde het haar steeds meer zijn punt toe. Op zich zelf was dit verschijnsel nog wel onverklaarbaar, maar het kwam gelukkig juist in de plannen van Barbicane van pas.
Nog 17 uren, en het oogenblik van handelen zou gekomen zijn.
»neiging om zijn bodem naar de zijde der Aarde te richten.” Bladz. 203.
Die dag duurde hun een eeuw. Hoe stoutmoedig de drie mannen ook waren, toch klopte hun het hart bij de gedachte aan het naderen van het beslissend oogenblik, waarin blijken zou, of zij toch nog op de Maan zouden terecht komen, dan wel of zij tot een voortdurend rondzweven in een onveranderlijke loopbaan om de Maan zouden veroordeeld zijn. Zij telden dan ook de uren, die nimmer schenen te zullen eindigen; Barbicane en Nicholl verdiept in hunne berekeningen, Michel Ardan heen en weder stappende, zooveel de enge ruimte dit toeliet, terwijl hij van tijd tot tijd een ongeduldigen blik wierp op de Maan.
Nu en dan vlogen gedachten aan de Aarde met snelheid door hun hoofd. Zij zagen in verbeelding hunne vrienden uit de Gun-club terug, vooral Maston, met wien zij het meest bevriend waren. Op dat oogenblik zou de ijverige secretaris der club ongetwijfeld op zijn post op het Rotsgebergte wezen. Indien hij het projectiel op den spiegel van zijn reusachtigen telescoop ontwaarde, wat zou hij dan wel denken? Eerst had hij het projectiel achter de zuidpool der Maan zien verdwijnen, en nu kwam het weder te voorschijn van achter de noordpool! Was het dan de wachter van een wachter geworden? Had hij, Maston, dat nieuwe hemellichaam in het leven geroepen? En was dit nu de ontknooping van de grootsche onderneming?....
Intusschen verliep de dag zonder dat er iets bijzonders voorviel. Het werd middernacht, middernacht namelijk op hun chronometers, want dat daar in de hemelruimte van dag of nacht geen sprake is, behoeven wij niet te herhalen.
De 8ste December dan was daar. Nog een uur, en het bewuste nulpunt was bereikt. Hoe zou het dan met de snelheid van het projectiel gesteld zijn? Zij wisten het niet te berekenen, zelfs niet te gissen. Maar in een opzicht kon de berekening van Barbicane niet falen: te 1 uur moest en zou het nulpunt bereikt zijn en alle snelheid van het projectiel hebben opgehouden.
Doch er was nog een verschijnsel, waardoor met volkomen zekerheid werd aangewezen, dat zij het punt hadden bereikt waar de aantrekking der Aarde volmaakt even sterk was als die der Maan, Dat gold niet alleen het projectiel, maar ook hen zelven en al wat om hen was—niets zou meer eenige zwaarte hebben. Dit zonderling verschijnsel, waarover Barbicane en zijn vrienden den vorigen keer zoo verbaasd hadden gestaan, moest dan weder plaats grijpen. En dat was het ware oogenblik om te handelen.
De kegelpunt van het projectiel was merkbaar naar de maanschijf gedraaid. Het voorwerp had nu een stand, waarop een drukking in de opwaartsche richting het naar de Maan moest drijven. En indien de eigen snelheid van het projectiel nu daar ter plaatse geheel had opgehouden, zou een schok in de richting naar de Maan, hoe gering dan ook, toereikend wezen om het naar dat hemellichaam heen te doen schieten.
»Nog 53 minuten,” zei Nicholl.
»Alles klaar!” antwoordde Michel Ardan, een wasje nabij den gasbek houdende.
»Opgepast!” riep Barbicane met het horloge in de hand.
Op dit oogenblik had de werking der zwaartekracht geheel opgehouden. De reizigers gevoelden het aan hen zelven. Zij waren wel zeer nabij het nulpunt, zoo zij er al niet waren....
»Eén uur!” zeide Barbicane.
Michel Ardan bracht het aangestoken wasje bij een toestel, die onmiddellijk gemeenschap had met de vuurpijlen. Daar er geen lucht was en dus geen leiding van het geluid, hoorden zij niets van de uitbarsting. Maar door het raampje zag Michel Ardan een lichtstreep, die echter aanstonds uitdoofde.
Het projectiel onderging een schok, die zich zeer duidelijk liet bemerken.
Met strakke blikken, zonder een woord te spreken, nauwelijks adem halende, zaten de drie vrienden—men zou in de grafstilte hun hart kunnen hooren kloppen.
»Vallen we?” vroeg eindelijk Michel Ardan.
»Neen,” antwoordde Nicholl, »want het projectiel heeft zich omgewend en zijn bodem naar de Maan gekeerd.”
Op dat oogenblik trad Barbicane van het raampje weg, keerde zich naar zijn vrienden en sprak doodsbleek met samengetrokken lippen: »Wij vallen!”
»Naar de Maan?” riep Michel Ardan.
»Naar de Aarde,” antwoordde Barbicane somber.
»Alle duivels!” schreeuwde Michel Ardan uit; maar met wijsgeerige bedaardheid voegde hij er bij: »In vredesnaam! Toen wij in het projectiel kropen, betwijfelden wij of het wel gemakkelijk zijn zou er uit te komen.”
Het was zoo—een vreeselijke val begon. De snelheid, die het projectiel nog had overgehouden, had het voorbij het nulpunt doen schieten. De uitbarsting der vuurwerken had het kunnen remmen. De snelheid, welke op de uitreis het projectiel voorbij het nulpunt had doen schieten, deed dat ook op den terugweg. Naar de wetten van beweging moest het gevaarte denzelfden weg terugloopen als het had afgelegd. Een vreeselijke val! Van een hoogte van 60,000 uren gaans! En daar was niets aan te doen; het projectiel moest onfeilbaar met dezelfde snelheid de Aarde bereiken waarop het uit het stuk geschoten was: 16,000 meter in de laatste seconde!
»Wij zijn verloren!” zei Nicholl koel.
»Welnu,” antwoordde Barbicane, »als wij sterven, kan men van onze reis van alles verzinnen. Wij kunnen er niets aan doen. Aan ons ligt het niet. De wereld moet dan maar met den dichter zeggen:
Rekent d’uitkomst niet, maar telt het doel alleen.
Nicholl en Michel Ardan bedekten hun gelaat met de handen.
»In Gods naam!” sprak Barbicane, de armen op de borst gekruist.
»Welnu, luitenant, hoe staat het met de peiling?”
»Ik geloof, mijnheer, dat de zaak ten einde loopt,” antwoordde luitenant Bronsfield. »Maar wie had verwacht zulk een diepte zoo nabij den wal te vinden, slechts honderd mijlen van de Amerikaansche kust?”
»’t Is diep, Bronsfield,” zei kapitein Blomsberry. »Hier ter plaatse moet een diepte zijn, zeker uitgehold door den Humboldt-stroom, die van de kust van Amerika tot aan straat Magelhaen loopt.”
»Die groote diepten,” merkte de luitenant aan, »zijn niet gunstig voor het leggen van telegraafkabels. Beter is een vlakke bodem, zooals tusschen Valencia en Newfoundland de Atlantische kabel heeft.”
»Daar hebt gij gelijk in, Bronsfield. Maar zeg eens, als ’t u blieft, waar zijn wij op dit oogenblik?”
»Mijnheer,” antwoordde de luitenant, »wij hebben zooeven 21,500 voet gepeild en nog geen grond, want dan zou de bol wel van zelf naar boven gekomen zijn.”
»Die toestel van Brook is toch een vernuftig uitgedacht ding!” zei kapitein Blomsberry. »Men kan er zeer nauwkeurig mee peilen.”
»Grond!” riep op dat oogenblik een der stuurlieden met de peiling belast.
»Als ik u vragen mag—welke diepte hebben we?” hernam de kapitein.
»Wij hebben 21,762 voet,” antwoordde de luitenant, het cijfer in zijn zakboekje opschrijvende.
»Goed,” sprak de kapitein, »ik zal het op de kaart aanteekenen. Laat nu de lijn inhalen. Dat duurt een heelen tijd. Intusschen zullen de machinisten stoom opmaken, dan kunnen wij weg, als gij klaar zijt. Het is vier glazen, en zoo gij er niet tegen hebt, luitenant, ga ik naar kooi.”
»Slaap lekker, mijnheer!” antwoordde Bronsfield, beleefd buigende.
De kapitein der Susquehanna, een flink zeeman, zoo goed als een, maar wat overbeleefd jegens zijn bemanning, ging naar zijn hut, nam een grogje van onberispelijke samenstelling en legde zich in zijn kooi, niet zonder zijn jongen geprezen te hebben over het opmaken van zijn kooigoed. Weldra lag hij in diepen slaap.
»Mij dunkt, ik zie hen.” Bladz. 211.
Het was dus 10 uur. De 11de December scheen met een prachtigen nacht te zullen eindigen.
De Susquehanna, een oorlogskorvet der Vereenigde Staten, met een stoommachine van 500 paardekracht, was belast met peilingen in den Grooten oceaan, ongeveer 100 mijlen van de Amerikaansche kust, onder keerkringsbreedte.
De wind was langzamerhand gaan liggen. Geen koel zuchtje blies over het water. De wimpel der korvet hing onbeweeglijk slap als een natte doek.
Kapitein Jonathan Blomsberry was een volle neef van den ons reeds bekenden kolonel, het ijverig lid der Gun-club, echtgenoot eener jonkvrouw Horschbidden, de tante van den kapitein en dochter van een groot koopman te Kentucky. Hij had geen gunstiger tijd kunnen kiezen om nauwkeurige peilingen te doen. Zijn korvet had zelfs niets ondervonden van het ongunstig weder, dat op het Rotsgebergte het waarnemen van het uitgeschoten projectiel had belet. Alles ging naar zijn zin en hij was er als goed Christen den Hemel dankbaar voor.
De peilingen der Susquehanna hadden ten doel onderzoek te doen naar den gunstigsten zeebodem tot het leggen van een telegraafkabel tusschen de Hawaï-eilanden en de Amerikaansche kust.
Het was een uitgebreid plan, uitgegaan van een aanzienlijke Maatschappij, welker directeur, de schrandere Cyrus Field, beweerde dat hij alle eilanden der Stille zee met een uitgestrekt net telegraafdraden zou verbinden—een onderneming, de geestkracht van Amerika waardig.
Aan de korvet Susquehanna waren de eerste peilingen toevertrouwd. In den nacht van 11 op 12 December bevond zij zich juist op 27° 7′ N. Br. en 41° 37′ W. L. van Washington.
Nadat kapitein Blomsberry naar kooi was gegaan, vertoefde luitenant Bronsfield met nog eenige andere officieren aan dek. De Volle Maan stond in heldere pracht aan den hemel. Maar al wapenden die zeeofficieren hunne oogen nog zoo goed, toch zagen zij geen spoor van het projectiel dat rondom de nachtvorstin zweefde. Wel zochten zij er naar; wel richtten zij hun kijkers naar de Maan; maar vergeefs.
»Zij zijn nu 10 dagen weg; wat mag wel van hen geworden zijn?” sprak luitenant Bronsfield.
»Zij zijn er toch gekomen,” antwoordde een jonge adelborst, »en zeker doen zij wat ieder vreemdeling in elk vreemd land doet als hij er komt—eens wandelen!”
»Omdat gij dat zegt, zal het wel waar zijn,” merkte luitenant Bronsfield aan.
»Dat zij er gekomen zijn, lijdt wel geen twijfel,” meende een ander officier. »Het projectiel heeft de Maan moeten bereiken juist toen zij vol was, dat is den 5den te middernacht. Wij hebben nu den 11den, dat zijn 6 dagen. In 6 etmalen, met voortdurend daglicht, heeft men tijd genoeg om het zich lekker te maken. Mij dunkt, ik zie hen, onze kloeke landgenooten, gekampeerd op den bodem eener vallei, aan den oever van een liefelijke maanbeek, nabij het door de vulkanische rotsblokken half stuk geslagen projectiel. Kapitein Nicholl begint zijn opmetingen, de voorzitter Barbicane is bezig met zijn reisverhaal in het net te schrijven en Michel Ardan parfumeert de eenzame maanvlakte met zijn potjes en fleschjes.”
»Zeker is het zoo; zeker, daar is geen twijfel aan!” riep de adelborst uit, zich van pret de handen wrijvende bij deze fraaie beschrijving.
»Ik wil het graag gelooven,” antwoordde luitenant Bronsfield, die in het geheel niet in deze verrukking deelde. »’t Is maar ongelukkig, dat wij nimmer tijding uit de Maan zullen krijgen.”
»Met uw verlof, luitenant,” vroeg de adelborst, »maar kan de voorzitter Barbicane niet schrijven?”
Een algemeene uitbarsting van lachen was het eenig antwoord.
»Geen brieven,” ging de opgewonden jonkman voort. »De postbeambten hebben er niets mee noodig.”
»De telegraafbeambten dan wel?” vroeg een der officieren spottend.
»Die ook niet,” zei de adelborst, die het niet wilde opgeven. »Maar het is zeer gemakkelijk, een gemeenschap met de Aarde te openen door middel van teekens.”
»En hoe dat dan?”
»Door middel van den telescoop van Longs piek. Gij weet hoe sterk hij de Maan aanhaalt, en gij weet ook, dat men er voorwerpen van 9 voet doorsnede op de Maan door zien kan. Welnu, laten onze maanmannen een reusachtig alphabet nemen! Zij moeten woorden schrijven van honderd meter, en op die wijze kunnen zij ons tijdingen toezenden.”
Een algemeen gejuich beantwoordde dezen voorslag van den adelborst, wien het waarlijk niet aan een levendige verbeelding ontbrak. Zelfs luitenant Bronsfield vond het denkbeeld niet onuitvoerlijk. Hij gaf toe, dat men ook een onmiddellijke gemeenschap met de Maan zou kunnen openen door middel van blinkende straalbundels, teruggekaatst door parabolische spiegels; deze stralen zouden, meende hij, even zichtbaar zijn op de oppervlakte van Venus of Mars, als de planeet Neptunus van de Aarde, namelijk met een sterken kijker. Hij eindigde met de mogelijkheid te opperen, dat lichtpunten, reeds meermalen op de naastbijstaande planeten waargenomen, zeer wel proeven zouden kunnen zijn, dáar genomen om gemeenschap met de Aarde te openen. Maar hij deed opmerken, dat al kon men op die wijze tijdingen van de Maan ontvangen, men er daarom nog geen heen kon zenden, tenzij de maanbewoners instrumenten tot hun beschikking hebben, geschikt om op hun beurt zulke waarnemingen in de verte te doen.
»Dat is zoo klaar als de dag,” zei een der officieren; »maar wat wij vooral wilden weten, is hetgeen onze drie landgenooten betreft, wat er van hen is geworden, wat zij er zien, wat zij er uitvoeren. Bovendien, indien de proef gelukt is, waaraan ik niet twijfel, zal men die herhalen. De Columbiad zit nog altijd vast in den grond van Florida. Het ligt dus alleen aan het projectiel en kruit, en telkenmale als de maan door het toppunt gaat, kan men haar een nieuwe lading bezoekers toezenden.”
»Dit is wel zeker,” zei luitenant Bronsfield er op, »dat Maston de allereerste zijn zal om van die reisgelegenheid gebruik te maken.”
»Als hij mij mee wil hebben,” riep de adelborst, »ben ik tot zijn dienst.”
»Och! aan liefhebbers zal het niet ontbreken,” antwoordde Bronsfield, »en als men hen laat begaan, zal het niet lang duren of de helft der aardbewoners is naar de Maan.”
Dit gesprek der zeeofficieren aan boord van de Susquehanna duurde tot ongeveer éen uur na middernacht. Het is niet te zeggen, welke verwonderlijke invallen, welke reusachtige plannen, welke gedrochtelijke beschouwingen al door deze stoutmoedige gasten werden uitgekraamd. Na de proefneming van Barbicane scheen voor de Amerikanen niets onmogelijk. Zij spraken er zelfs van, niet een commissie van geleerden, maar een geheele kolonie naar de Maan te zenden, benevens een leger met infanterie, artillerie en cavalerie, ten einde de maanwereld te veroveren.
Te éen uur, twee glazen in de hondewacht, was het inhalen der lijn nog niet gedaan. Er schoten nog 10,000 voet over, en dit eischte een arbeid van nog verscheiden uren. Ingevolge de orders van den commandant waren de vuren aan en was stoom opgemaakt. De Susquehanna was gereed om oogenblikkelijk te vertrekken.
Op dat oogenblik, 17 minuten over éenen, stond luitenant Bronsfield gereed om naar zijn hut te gaan, toen zijn aandacht werd getrokken door een onverwacht gesis in de verte.
Zijn kameraden en hij zelf dachten eerst, dat dit geluid veroorzaakt werd door ontsnappen van stoom, maar bij nader opmerken werden zij gewaar, dat het heel ver uit de lucht kwam.
Zij hadden den tijd niet er over te praten, want het gesis werd geweldig sterk, en zij zagen voor hun oogen een ontzettenden vuurbol, in gloed, door de snelheid zijner vlucht en door zijn wrijving tegen de luchtlagen.
Deze vurige klomp werd voor hun oogen al grooter en grooter; eindelijk stortte het gevaarte met een donderend geraas op den boegspriet der korvet; het tuig aan den boeg werd verbrijzeld en het onbekende voorwerp viel met een allervreeslijkst geplomp in zee. Eenige voeten meer achterwaarts, en de Susquehanna ware met man en muis vergaan!
stortte het gevaarte op den boegspriet. Bladz. 212.
Op dit oogenblik kwam kapitein Blomsberry half gekleed te voorschijn, hij vloog naar de voorplecht, waar zijn officieren stonden.
»Met uw verlof, mijne heeren! wat is hier gebeurd?” vroeg hij.
De adelborst nam voor allen het woord en riep: »Commandant, zij zijn het; zij zijn teruggekomen!”
Er was een groote beweging aan boord van de Susquehanna. Officieren en matrozen vergaten het vreeslijk gevaar dat zij hadden geloopen, verbrijzeld en naar den zeebodem medegesleurd te worden. Zij dachten alleen aan het einde der hachelijke reis. Zoo kostte dan de stoutmoedige onderneming van ouden en lateren tijd het leven aan de waaghalzen die haar hadden beproefd.
»Zij zijn het; zij zijn terug!” had de jonge adelborst uitgeroepen, en allen hadden hem begrepen. Doch aangaande het lot der reizigers in het projectiel waren de gevoelens verdeeld.
»Zij zijn dood,” meende de een.
»Zij leven,” zei de ander. »Het water is diep, daardoor is hun val geheel gebroken.”
»Maar zij hebben geen lucht gehad,” merkte een derde aan; »zij hebben moeten stikken.”
»Verbrand!” liet zich een ander hooren. »Het projectiel was niets dan een gloeiende klomp, toen het zoo door de lucht schoot.”
»Dat doet er niet toe,” was de algemeene stem; »dood of levend, wij moeten hen zien op te halen.”
Inmiddels had kapitein Blomsberry zijn officieren om zich verzameld en »onder hun goedkeuring” hield hij scheepsraad. Er moest oogenblikkelijk gehandeld worden. Het noodigste was, het projectiel op te visschen—iets, dat wel zeer moeielijk, maar toch niet geheel onmogelijk was. Maar de korvet miste de noodige werktuigen, zoodat men besloot, naar de naaste haven te stoomen en daar de Gun-club kennis te geven van het neerkomen van het projectiel.
Dit besluit werd met eenparigheid van stemmen genomen; het kwam alleen aan op de keuze der haven. De naastbijgelegen kust bezat geene op die 27° breedte. Het dichtste waren zij nog bij Monterey, maar daar was geen telegraafkantoor, en de electrische draad alleen kon het groote nieuws snel genoeg verspreiden.
Eenige graden hooger opende zich de baai van San-Francisco. De hoofdstad van het goudland zou gemakkelijker hulpmiddelen bieden tot gemeenschap met het hart der Unie. In minder dan twee dagen kon de Susquehanna, met kracht doorstoomende, die haven van Californië bereiken. Dus—onverwijld onder stoom!
De vuren werden opgestookt. Er hingen nog wel een paar duizend vadem lijn overboord, maar wat het zwaarst was moest het zwaarst wegen. De commandant beval, altijd »met goedvinden zijner officieren,” de lijn te kappen.
»Wij zullen,” zei hij, »aan haar boveneinde een boei vastbinden, ten einde de plaats waar het projectiel in zee is gevallen, juist te weten.”
»Bovendien,” zei luitenant Bronsfield, »wij hebben een nauwkeurig bestek, 21° 7′ N. Br. en 41° 37′ W. L.”
»Zeer wel, mijnheer Bronsfield,” antwoordde de kapitein, »en met uw goedvinden, laat de lijn kappen.”
Een groote boei werd stevig aan het boveneinde der lijn vastgebonden, en daar deze duizenden voeten lang was, bestond er geen gevaar van merkbaar afwijken.
De kapitein, onderricht, dat alles kant en klaar was, liet den machinist bedanken voor zijn vaardigheid en gaf last om noordwest te sturen. De korvet wendde en stoomde met volle kracht naar de baai van San-Francisco. Het was zes glazen—drie uur in den morgen.
De afstand tot San-Francisco was een kleinigheid voor een zoo vlug stoomschip als de Susquehanna. Zij kon dien in 36 uren afleggen, zoodat zij den 14den December, ’s namiddags te 1 uur 27 minuten in de baai van de hoofdstad kon zijn.
Hooggespannen was de nieuwsgierigheid, toen het prachtig oorlogsschip daar met volle vaart in zijn ontredderden toestand kwam aanstoomen: zonder boegspriet, met gebroken fokkemast en gehavend touwwerk. Een menigte menschen stroomde naar de kade om de ontscheping af te wachten.
Zoodra de korvet geankerd was, begaven zich kapitein Blomsberry en luitenant Bronsfield in een sloep met 8 roeiers, die hen in een oogenblik aan wal brachten.
Zij sprongen van boord.
»Waar is het telegraafkantoor?” was hun eerste en eenige vraag; geen antwoord gaven zij op de ontelbare vragen die hun gedaan werden.
De havenmeester bracht hen zelf aan het telegraafkantoor, te midden van een menigte nieuwsgierigen.
Blomsberry en Bronsfield traden binnen, terwijl de menigte zich buiten de deur verdrong.
Eenige minuten later werd een gelijkluidend telegram aan vier adressen afgezonden, namelijk: 1) aan den secretaris van het marine-departement te Washington; 2) aan den tweeden voorzitter der Gun-club te Baltimore; 3) aan Maston, Long’s piek, Rotsgebergte; 4) aan den onderdirecteur der sterrenwacht te Cambridge, in Massachusetts.
Het telegram was van den volgenden inhoud:
Op 27° 7′ N. Br. en 41° 37′ W. L., 13 December, te 1 u. 27 min. ’s morgens, projectiel Columbiad in zee gevallen. Sein beschikkingen, Blomsberry, commandant der Susquehanna.”
Het duurde geen vijf minuten, of de geheele stad San-Francisco wist het nieuws. Vóór zes uur in den avond vernamen de verschillende Staten der Unie de groote gebeurtenis. En na middernacht was geheel Europa bekend met den uitslag der Amerikaansche proefneming.
Wij zullen ons niet wagen aan het beschrijven van den indruk, dien deze onverwachte ontknooping allerwege maakte.
Zoodra de secretaris van het marine-departement het telegram had ontvangen, telegrapheerde hij naar de Susquehanna, dat zij in de baai van San-Francisco wachten moest zonder haar vuren uit te dooven. Dag en nacht moest zij zich gereed houden om zee te kiezen.
De sterrenwacht te Cambridge hield een buitengewone vergadering, in welke, met de kalmte die het kenmerk is van geleerde lichamen, de zaak uit wetenschappelijk oogpunt werd in behandeling genomen.
Bij de Gun-club heerschte een groote beweging. Alle artilleristen waren bijeen. Juist las de tweede voorzitter Wilcome de tijding voor, bij welke Maston en Belfast berichtten, het projectiel in den reusachtigen kijker op Long’s piek te hebben waargenomen. Deze mededeeling meldde tevens, dat het projectiel, onder den invloed van de aantrekking der Maan, de wachter van een wachter in het zonnestelsel was geworden.
De lezer weet reeds wat er van de zaak was.
In den boezem der Gun-club vormden zich twee partijen, toen het telegram van Blomsberry was ontvangen en daarmede dat van Maston lijnrecht tegengesproken. Aan de eene zijde stonden diegenen, die den val van het projectiel, en derhalve de terugkomst der reizigers, voor waar hielden. Een andere partij hield zich aan de waarnemingen van Long’s piek, en verklaarde uit dien hoofde het telegram van Blomsberry voor een dwaling. In het oog der laatsten was het vermeende projectiel niets anders dan een vuurkogel, die in zijn val den steven der korvet had gehavend. Men kon tegen deze opvatting weinig zeggen, want de snelheid van het vallend voorwerp had een nauwkeurige waarneming zeer moeten bemoeielijken. De commandant en de officieren der Susquehanna hadden zich gewis te goeder trouw kunnen vergissen. Eén bijzonderheid sprak niettemin tot hun voordeel: dit namelijk, dat indien het projectiel op den aardbol gevallen was, het alleen op 27° noorderbreedte had kunnen neerkomen, en indien men den verloopen tijd benevens de aswenteling der aarde in rekening bracht—tusschen de 41° en 42° westerlengte.
hij had het evenwicht verloren. Bladz. 220.
Hoe het zij, met eenparigheid van stemmen werd in de Gun-club besloten, dat de leden Blomsberry, Bilby en majoor Elphiston onverwijld naar San-Francisco zouden vertrekken, ten einde middelen te beramen om het projectiel uit de diepte des oceaans op te visschen.
Deze ijverige mannen togen op reis zonder een oogenblik te verliezen; de spoorweg die weldra geheel midden-Amerika moet doorsnijden, bracht hen te St. Louis, waar vlugge diligences hen zouden opnemen.
Bijna op hetzelfde oogenblik, waarop de secretaris van het departement der marine en de onderdirecteur der sterrenwacht te Cambridge het telegram uit San-Francisco ontvingen, beleefde Maston het vreeslijkst oogenblik van zijn geheele leven, waarin hij misschien nog zekerder zijn leven had ingeschoten dan bij het springen van zijn vermaard kanon, en waarbij hij zeer zeker nog meer naam zou gemaakt hebben.
De lezer zal zich herinneren, dat de secretaris der Gun-club zich onmiddellijk na het afschieten der Columbiad naar zijn post in het Rotsgebergte, en bijna even snel als het projectiel had begeven. De geleerde directeur der sterrenwacht te Cambridge, mijnheer Belfast, vergezelde hem. Ter plaatse hunner bestemming aangekomen, hadden zij de noodige beschikkingen genomen en verlieten den mond van den reusachtigen telescoop niet.
Reeds is verhaald, dat deze groote kijker een spiegeltelescoop was, waar men van boven inzag. Hij was boven een refractor gekozen, opdat men zoo weinig mogelijk licht zou verliezen en het voorwerp waarop men het richtte, de meestmogelijke helderheid behouden. Ten gevolge dier inrichting plaatsten zich Belfast en Maston boven aan het instrument. Zij kwamen er langs een wenteltrap, een meesterstuk van lichtheid. Er aldus inziend, namen zij waar hetgeen de spiegel op den bodem der reusachtige buis van 280 voet lengte terugkaatste.
De twee waarnemers brachten dus al hun tijd door op den omgang aan den mond van den telescoop, grommende over het weder, dat de Maan aan hun gezicht onttrok en alle waarneming aan den hemel onmogelijk maakte.
Men stelle zich dan voor, hoe groot hun vreugde was, toen, na eenige dagen wachtens, in den nacht van 5 December, het voertuig dat hun vrienden bevatte, zich aan hun blikken vertoonde! Op die vreugde volgde een smartelijke teleurstelling, toen zij in vertrouwen op onvolledige waarnemingen hun eerste telegram overal lieten verspreiden, dat het projectiel een wachter van de Maan was geworden en zich in een onveranderlijke baan om haar bewoog.
Sedert dat oogenblik had het gevaarte zich niet meer aan hun oog vertoond; en dit was zeer natuurlijk, daar het zich toen bewoog boven de van ons afgekeerde zijde der Maan. Maar toen het weder op de voor ons zichtbare maanschijf moest te zien zijn, was er projectiel noch wat erop geleek te bespeuren! Men verbeelde zich het ongeduld van den opgewonden Maston en zijn geleerden metgezel, die niet minder ongeduldig was dan hij! Elk oogenblik van den nacht meenden zij het voertuig te zien, maar ’t geleek er niet naar! En dit gaf tusschen hen aanleiding tot gedurige kibbelarijen. Belfast beweerde: het projectiel was er niet, Maston hield stijf en sterk staande, dat het hem als vlak voor de oogen stond.
»’t Is het projectiel!” zie Maston nog eens.
»Neen, zeg ik u,” antwoordde Belfast. »Het is een sneeuwval die van een maanberg naar beneden rolt.”
»Welnu, morgen zullen wij het wel zien.”
»Wij zullen het nimmer meer zien; het is nu in de hemelruimte verdwenen.”
»Neen.”
»Ja.”
En in die oogenblikken, waarin de ja’s en neen’s ratelden als hagel, was de welbekende prikkelbaarheid van den secretaris der Gun-club een altijddurende kwelling voor Belfast.
Zulk een leven zou weldra onhoudbaar geworden zijn, maar een onverwacht voorval maakte een einde aan dat eeuwigdurend overhoopliggen.
In den nacht van 14 op 15 December waren de twee onvermoeide kampioenen bezig met het waarnemen der Maan. Maston schold naar gewoonte op den geleerden Belfast, die zijnerzijds ook geen troef verzaakte. De secretaris der Gun-club beweerde voor de duizendste maal, dat hij het projectiel zag, er zelfs bijvoegende, dat hij het gelaat van Michel Ardan voor een der kijkglaasjes had gezien. Hij bevestigde zijn verzekeringen met een reeks gebaren, die eenigszins verontrustend werden door het zwaaien met zijn haak.
Op dit oogenblik verscheen de bediende van Belfast op den omgang; het was 10 uur in den avond—de bediende overhandigde een telegram aan zijn meester. ’t Was van den commandant der Susquehanna.
Belfast brak den omslag open en slaakte een kreet.
Maston kuchte.
»Het projectiel?”
»Welnu?”
»Is op de aarde gevallen.”
Een nieuwe kreet, ditmaal een akelig gehuil!
Belfast keerde zich naar Maston. De ongelukkige had onvoorzichtig genoeg een weinig te veel over den rand van de telescoopbuis gehangen; hij had het evenwicht verloren en was er in gevallen! Een val van 280 voet, om op een harden spiegel terecht te komen! Belfast zag hem na met angstige blikken.
Maar, o geluk! Maston was met zijn haak aan een schoorijzer van de buis blijven hangen. Hij jammerde en gilde, maar hield zich toch vast.
Belfast riep om hulp. Er daagden menschen op; zij haalden touwen, die men om Maston wist te slaan, en met groote moeite trok men eindelijk den onvoorzichtigen secretaris der Gun-club uit den telescoop.
»’t Zou wat te zeggen zijn geweest,” was zijn eerste woord, »als ik den spiegel eens had gebroken!”
»Dan hadt gij hem kunnen betalen,” antwoordde Belfast droogjes.
»Waar is dat satansche projectiel gevallen?” vroeg Maston.
»In de stille zee.”
»Laat ons gaan.”
Een kwartier later daalden de beide sterrenkundigen af langs de helling van het Rotsgebergte, twee dagen later waren zij tegelijk met hun vrienden uit de Gun-club te San-Francisco, na onderweg vijf paarden doodgereden te hebben.
Elphiston, Blomsberry van de club en Bilsby hadden zich bij hun aankomst bij hen gevoegd.
»Wat nu?” riepen zij uit.
»Naar het projectiel visschen,” antwoordde Maston, »en wel hoe eer zoo beter.”
De plaats, waar het gevaarte in de diepte der zee nederzonk, was nauwkeurig genoeg bekend, maar ’t ontbrak nog aan werktuigen en gereedschappen om het te bereiken en naar boven te brengen. Deze moesten eerst nog worden uitgevonden, vervolgens vervaardigd. De Amerikaansche ingenieurs konden met zulk een kleinigheid niet bemoeielijkt worden. Waren de dreggen eenmaal gereed en was er stoom opgemaakt, dan waren zij er zeker van, den puntkogel te zullen ophalen, in weerwil van zijn gewicht, waarvan hij trouwens in het water zooveel verloor als het gewicht bedroeg van het water dat hij verplaatste.
die voorzien waren van sterke spiegels. Bladz. 224.
Maar ’t was niet genoeg het projectiel op te hijschen. Men moest ook aan de reizigers denken. Niemand twijfelde eraan, of zij zouden nog wel in leven zijn.
»Ja,” herhaalde Maston onophoudelijk met het grootste zelfvertrouwen, »die kerels zijn bij de hand; zij kunnen niet als weerloozen gevallen zijn. Zij zijn levend, springlevend, maar wij moeten ons reppen om hen nog levend te krijgen. Over levensmiddelen en water bekommer ik mij niet. Daar hebben zij voorraad genoeg van. Maar de lucht, de lucht! Die zullen zij tekortkomen. Daarom haastje, repje!”
En men haastte en repte zich. Men maakte de Susquehanna gereed voor haar nieuwe bestemming. Haar krachtige machines werden ingericht om op de ophaalkettingen te werken, het aluminium-projectiel woog slechts een kleine 10,000 kilo, vrij wat minder dan de onderzeesche kabel, die in den Atlantischen oceaan werd gelegd onder dergelijke omstandigheden. De eenige moeielijkheid bestond dus daarin, dat men een projectiel van cylindervorm met kegelpunt moest ophalen, zonder dat men er aanvatsels of uitsteeksels aan had tot het vasthechten der kettingen.
Met het oog daarop liet de ingenieur Murchison, die zich ijlings naar San-Francisco had begeven, sterke dreggen aanbrengen, die den vorm hadden van tanden, welke het projectiel, als zij het eenmaal hadden vastgegrepen, niet weder zouden loslaten. Ook liet hij duikertoestellen maken, waarmee men veilig tot op den bodem der zee kon afdalen. Hij bracht ook aan boord van de Susquehanna toestellen voor ineengeperste lucht, zeer schrander bedacht en gemaakt. Het waren inderdaad kamertjes met glasruiten; door het water in afzonderlijke ruimte in te laten, konden deze tot op groote diepten neerzinken. Deze toestellen waren te San-Francisco voorhanden; zij hadden er gediend bij het leggen van een onderzeeschen dijk. En dat was zeer gelukkig, want tijd om ze te maken zou er niet zijn geweest.
Intusschen, in weerwil van de deugdelijkheid dier toestellen en in weerwil van de schranderheid dergenen die er zich van zouden bedienen, was de uitslag nog volstrekt zoo zeker niet, want het gold hier niets minder dan een zoo zwaar lichaam uit een diepte van 20,000 voet te voorschijn te halen! Voorts—wanneer zelfs het projectiel naar de oppervlakte der zee zou geheschen zijn, hoe zou het er met de drie reizigers uitzien? Hadden zij den schok weerstaan, dien 20,000 voet water misschien niet geheel hadden kunnen breken?
Doch praten en bedenkingen baten niet—er moesten onverwijld spijkers met koppen worden geslagen. Maston zweepte de werklieden dag en nacht voort. Hij was gereed, ’t zij om het duikerspak aan te trekken, ’t zij om de luchttoestellen te beproeven, ten einde zich te vergewissen van den toestand waarin zijn vrienden zich bevonden.
Wel zette men allen mogelijken spoed achter het vervaardigen der verschillende takels en andere toestellen; wel werd alles gedaan om de zaak in orde te krijgen; wel stelde de Regeering der Unie aanzienlijke geldsommen ter beschikking van de Gun-club—toch duurde het vijf lange dagen,—vijf eeuwen—eer de voorbereidende werkzaamheden voltooid waren. Gedurende dien tijd was de openbare meening tot het uiterste gespannen. Telegrammen vroegen uit alle wereldoorden hoe het er mee stond, en telegrammen seinden naar alle wereldoorden het antwoord. De redding van Barbicane, Nicholl en Michel Ardan werd nog meer de algemeene zaak der menschheid beschouwd als vroeger het gieten en afvuren van de Columbiad. Inzonderheid overal waar men ingeschreven had tot het dragen der kosten, liet men zich ijverig aan het lot der reizigers gelegen liggen.
Eindelijk werd alles aan boord van de Susquehanna gebracht, hijschkettingen, luchthouders, dreggen, windassen—kortom alles. Maston, de ingenieur Murchison en de afgevaardigden der Gun-club betrokken hunne hutten. Men was gereed om te vertrekken.
Den 21sten December ’s avonds te 8 uur, stak de korvet in zee. Het was vrij koud, met fraai weder en een matig koeltje blies uit het noord-oosten. De geheele bevolking van San-Francisco verdrong zich op de kade, verbaasd, verstomd—zij bewaarde haar juichkreten voor de terugkomst.
De stoom werd tot de hoogste drukking gebracht en de schroef der Susquehanna bracht de korvet met snelheid uit de baai.
’t Is nutteloos uit te weiden over de gesprekken aan boord tusschen de officieren, matrozen en passagiers. Allen hadden slechts éen gedachte. Aller hart klopte voor dezelfde zaak. Wat zouden Barbicane en zijn vrienden doen, terwijl men hun te hulp snelde! Wat was er van hen geworden? Waren zij in staat eenige stoutmoedige proeven te nemen ten einde hunne vrijheid te heroveren? Niemand kon daarvan iets zeggen. Blijkbaar waren al hun hulpmiddelen uitgeput. Meer dan 20,000 voet onder de oppervlakte van den oceaan lag hun kerker, en die metalen kerker spotte met alle mogelijke pogingen der gevangenen.
Den 23sten December, te 8 uur ’s morgens, moest de Susquehanna ter plaatse van het ongeluk zijn aangekomen. Men diende tot den middag te wachten om het bestek nauwkeurig te maken. De boei, aan de lijn vastgebonden, was niet in het gezicht.
Op den middag schoot kapitein Blomsberry de zon, geholpen door zijn officieren en in tegenwoordigheid der afgevaardigden van de Gun-club. Het was een oogenblik van angstige spanning. Toen haar stand bepaald was, bleek dat de Susquehanna zich eenige minuten ten westen bevond van het punt, waar het projectiel in de diepte was verdwenen.
De korvet moest dus den steven naar dat punt richten.
De boei werd 47 minuten na twaalven gezien. Zij lag in volmaakte orde en kon weinig afgedreven zijn.
»Eindelijk!” riep Maston uit.
»Beginnen wij nu?” vroeg kapitein Blomsberry.
»Zonder een seconde te verliezen,” antwoordde Maston.
Alle maatregelen werden genomen om de korvet zoo goed als onbeweeglijk te doen bijleggen.
Alvorens het grijpen van het projectiel te beproeven, wilde de ingenieur Murchison eerst onderzoeken in welken stand het op den bodem lag der zee. De luchttoestellen, daartoe bestemd, werden gevuld. Ze te hanteeren is niet zonder gevaar, want op de diepte van 20,000 voet en bij zulke geweldige drukking staan zij bloot aan breken en dit is een van de verschrikkelijkste gevolgen.
Maston, Blomsberry van de Gun-club en de ingenieur Murchison namen plaats in de duikerklok, van de luchttoestellen voorzien. De commandant bestuurde het werk, gereed om op het minste teeken zijn kettingen te vieren of aan te halen. De schroef was buiten werking gesteld en al de kracht der machines, overgebracht op den kaapstander, kon in een oogenblik de toestellen aan boord hijschen.
Te 1 uur 25 minuten na den middag werden de duikers nedergelaten; zij verdwenen onder den waterspiegel.
De belangstelling der officieren en matrozen verdeelde zich nu tusschen de gevangenen in het projectiel en de gevangenen in de duikerklok. De laatsten dachten niet aan zich zelven: zij keken met aandacht door de glaasjes naar het water dat zij doorkliefden.
De daling ging snel. Te 2 ure 17 minuten had de duikerklok den bodem der Stille zee bereikt. Maar zij zagen niets dan een zandgrond, zonder dieren, zonder planten. Bij het licht hunner lampen, die voorzien waren van sterke spiegels, konden zij de duistere waterlagen tot op vrij verren afstand overzien, maar van het projectiel ontdekten zij niet het minste spoor.
Het ongeduld dezer stoutmoedige duikers is niet te beschrijven. Daar hun toestel in electrische gemeenschap was met de korvet, gaven zij het afgesproken teeken, en de Susquehanna haalde hen eenige meters op, ten einde zich en daardoor ook hen wat te verplaatsen.
Aldus doorzochten zij den geheelen omtrek onder water, maar werden telkens misleid door gezichtsbedrog dat hun door het hart sneed. Hier een rots, daar een heuveltje, hielden zij voor het projectiel, maar gedurig ontdekten zij hun dwaling en zij werden wanhopend.
»Maar waar zijn zij toch? Waar zijn zij?” riep Maston.
Een sloep naderde. Bladz. 228.
En de arme man riep met luider stem: »Nicholl! Barbicane! Michel Ardan!” alsof zijn ongelukkige vrienden hem hadden kunnen hooren of antwoorden!
Hun zoeken werd voortgezet totdat de bedorven lucht in de klok de duikers noodzaakte het sein tot ophalen te geven.
Men begon daarmede tegen 6 uur in den avond en eerst te middernacht waren zij boven.
»Tot morgen!” zuchtte Maston, toen hij voet op de korvet zette.
»Ja,” zei Blomsberry.
»En dan op een andere plek.”
»Ja.”
Maston twijfelde nog niet aan den uitslag, maar de anderen, niet langer zoo opgewekt als de eerste uren, begrepen al de moeielijkheid der onderneming. Hetgeen hun te San-Francisco gemakkelijk toescheen, bleek hier, in volle zee, zoo goed als onuitvoerbaar. De kansen van slagen namen zeer sterk af, en van een gelukkig toeval alleen was het vinden van het projectiel te verwachten.
Den volgenden dag, 24 December, werd de onderneming hervat, in weerwil der teleurstelling van het vorig etmaal. De korvet verhaalde telkens na eenige minuten een weinig naar het westen, en de toestel, van versche lucht voorzien, nam dezelfde personen nogmaals op, om de diepten van den oceaan te doorzoeken.
De geheele dag verliep hiermee vruchteloos. De bedding der zee was een woestijn. De volgende dag gaf even weinig; ook de 26ste December niet.
Het was om wanhopig te worden. Men dacht aan niets dan aan de ongelukkigen die nu 26 dagen in het projectiel opgesloten zaten. Misschien werden zij in deze oogenblikken aangegrepen door de eerste aanvallen van verstikking, indien zij tot hiertoe waren ontsnapt aan de gevaren van hun val! De lucht was zeker uitgeput, en daarmede ongetwijfeld hun moed, hun geestkracht!
»De lucht—dat kan zijn,” zei Maston zeer beslist, »maar de geestkracht—nimmer!”
Den 28sten December, na nog twee dagen zoekens, was alle hoop vervlogen.
Het projectiel was immers een stofje in dezen onmetelijken oceaan! Men moest het opgeven.
Toch wilde Maston van geen opbreken hooren. Hij verkoos de plaats niet te verlaten zonder althans het graf zijner vrienden te hebben gevonden. Maar de commandant Blomsberry kon het niet langer volhouden; in spijt van al de vertoogen, door den secretaris der Gun-club ingebracht, gaf hij last om te vertrekken.
Den 29sten December, ’s morgens te 9 uur, zette de Susquehanna koers naar de baai van San-Francisco.
Het was 10 uur. De korvet stoomde met halve kracht, alsof zij noode de plaats verliet, toen de uitkijk in den mast naar omlaag riep: »een boei aan stuurboord!”
Een sneltrein-locomotief en een eerewagen. Bladz. 230.
De officieren wendden het oog in de aangewezen richting. Met hun kijkers zagen zij inderdaad een ton, zooals men ze in afgepeilde vaarwaters ziet liggen. Maar tot hun groote bevreemding ontwaarden zij er een vlag op. De boei stak een voet of vijf, zes boven het water uit en blonk in de stralen der zon, alsof zij met zilveren platen beslagen was.
De commandant Blomsberry, Maston en de afgevaardigden der Gun-club waren op rolpaarden geklommen en gluurden naar het op de watervlakte dobberend voorwerp.
Allen zagen in koortsachtige spanning uit. Niemand sprak een woord. Niemand durfde de gedachte uitspreken die allen door de ziel vloog.
De korvet was tot op ruim twee kabellengten genaderd.
Een siddering voer door aller leden.
Het was de Amerikaansche vlag!
Op dit oogenblik hoorden de schepelingen een vreeslijk gebrul. Het was Maston, die een gil uitstiet en voor dood op den grond stortte. Vergetende dat zijn rechterarm door een ijzeren haak vervangen was en dat een getah-pertja kapje zijn hersenen bedekte, had hij zich een geduchten slag toegebracht.
Men snelde op hem toe en hief hem op. Tot zich zelven gebracht riep hij uit: »Stommelingen die wij zijn! Drie- en viermaal apen! Ellendelingen! Ezels!”
»Maar wat is er dan toch?” riepen allen uit één mond.
»Wat er is?”....
»Maar spreek dan toch!”
»Wat er is? Dat het projectiel nóg geen 10,000 kilo weegt.”
»En wat zou dat?”
Dat het een watergewicht van 28 ton verplaatst en bijgevolg dat het drijven moet.
Onbeschrijfbaar is de nadruk, dien de waardige man op het woord »drijven” legde. En het was ook zoo! Allen, ja allen hadden zij de waterweegkundige wet vergeten, dat het projectiel, na door de kracht van den val tot in de diepte van den oceaan gedoken te zijn, onfeilbaar weder naar de oppervlakte moest rijzen. En nu dreef het zachtjes op den oceaan....
Sloepen werden gestreken; Maston en zijn vrienden sprongen er in. De spanning klom ten top. Aller harten klopten hoorbaar, terwijl de vletten naar het projectiel roeiden. Wat zou het bevatten? Levenden of dooden? Levenden, ja! Levenden, indien namelijk Barbicane en de anderen niet waren omgekomen nadat zij die vlag hadden geplant!
De diepste stilte heerschte in de sloepen. Alle inzittenden hielden den adem in. Hun vochtige oogen zagen niets meer. Een der venstertjes was open. Eenige stukjes glas, die in de sponning waren blijven zitten, bewezen dat het stukgestooten was. Dat venstertje bevond zich vijf voet boven den waterspiegel.
Een sloep naderde, die waarin Maston stond. Hij keek in de opening....
Op datzelfde oogenblik hoorden zij een heldere stem, ze was van Michel Ardan, overluid juichende: »Gesloten, Barbicane, hier blank en daar blank!”
Barbicane, Michel Ardan en Nicholl zaten domino te spelen.