257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag: tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?
Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.
a) Door tusschenletters worden hier verstaan alle medeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan. Beginletters noemen wij alle medeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden; sluitletters alle medeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. de g in dagen, de r en b in arbeid, de r, t en s in koortsen tusschenletters: in strandt zijn s, t en r begin-, n, d en t sluitletters.
b) Onder afgeleide woorden begrijpen wij hier ook de zoogenaamde middelwoorden, ook wel onechte stammen geheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen van afgeleide woorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v. gezond, hagel e.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij op middelwoorden te zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.
258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:
259. I. Wanneer in niet samengestelde woorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. in dra-gen, e-ten, ho-pen, u-ren, za-lig, wa-sem enz.
De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééne a en u, dikwijls ook van eene e en o, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen in draag-en, eet-en, hoop-en, uur-en, zaal-ig, waas-em enz., evenzeer als in draag, eet, hoop, uur, zaal, waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden als heb-ben, had-den, zon-nig, ken-ner enz., die onnoodig zou wezen, indien in heb-en, had-en, zon-ig, ken-er enz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak in dàg—dágen, bevèl—bevélen, slòt—slóten, en door den overgang der f en s van woorden als brief, buis, lees, lief enz. in de v en z van brie-ven, bui-zen, le-zer, lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.
260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschte d in bevrij(d)en, belij(d)en, vlie(d)en, wij(d)en, na(d)er (van na) e.a.; de k in bijker en kooiker van bij en (eenden)kooi; de woorden weldoe(n)er, opzie(n)er, voorgan(g)er, voorstan(d)er, van doe-n, zie-n, gaa-n, staa-n; de flauwe j, die in zee-en, thee-en gehoord wordt; de als j klinkende i in koei-en, vlooi-en (van koe en vloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegen leiband, scheikunde, gelui, zijweg, van leiden, scheiden, luiden, zijde; leelijk van leed, kwalijk van kwaad, schielijk van schier toonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.
261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, die niet samengesteld zijn noch afgeleid door middel van een achtervoegsel, dat gelijk -de, -ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. in bul-ten, hel-den, kas-ten, mel-ken, bul-tig.
Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spelling naal-den, paar-den, vaar-dig, huur-der enz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden als hànden, hèlden, hìnden, hònden, hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers in kat-ten, bel-len, min-naar, kop-pig enz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.
Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang der f en s tot v en z in woorden als kalf—kalven, erf—erven, baars—baarzen, els—elzen, zalf—zalven, hals—halzen enz.
262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenletters ng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsof ng slechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. De ng is, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturale n, die in den-ken en zin-ken gehoord wordt, met de g in haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Fransche g, als in grand, guerre enz.). Moge al de uitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat de g bijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Stelde ng inderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en § 260, ta-ngen, ze-ngen, to-ngen enz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóór ng een helderen klinker aan, gelijk de á é, ó in tá-kel, zé-gel, bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als in tàk, zèg, dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat de n en g niet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwens ng laat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijze ta-ngen enz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegen ding-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in § 260 omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen, di-ngen en ding-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleen din-gen is met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.
a) Vreest men nochtans door het scheiden der n en g (han-gen) de bekende verkeerde uitspraak in de hand te werken, dan vermijde men in het schrift het afbreken der zoodanige woorden, hetgeen zonder groot bezwaar geschieden kan. Vangen, vanger, brengen, brenger zijn geen langer woorden dan langst, vangst, op-brengst, waarbij geene scheiding mogelijk is.
b) Dezelfde opmerking geldt nog meer bij de woorden kachel, echo, richel, tichel enz., waarin niemand de regelmatige verdubbeling der ch wil, ofschoon de eerste lettergreep als gesloten moet beschouwd worden. Men scheide bij deze woorden de lettergrepen liever niet; dan bestaat er geen gevaar, dat men de eerste verkeerd zal uitspreken. De ch bij de eerste lettergreep te voegen en lach-en, lich-aam af te breken, is volgens regel I slechts een tweede vergrijp tegen ons taaleigen, dat eigenlijk de spelling lach-chen enz. zou eischen. Het zou eene nieuwe taalfout zijn, aan eene bestaande toegevoegd.
263. III. Hetzelfde streven der taal, waarop de Regel der Gelijkvormigheid (§ 49) berust, namelijk om de duidelijkheid te bevorderen door in afgeleide en samengestelde woorden den vorm der deelen zooveel doenlijk ongeschonden te bewaren, openbaart zich ook bij de verdeeling der woorden in lettergrepen. Het duidelijkst ziet men zulks bij samenstellingen. Daarin toch blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort. Men scheidt aldus: eer-ambt, mein-eed, uit-een, haard-asch enz., en niet, gelijk de twee vorige grondbeginselen zouden medebrengen, ee-rambt, mei-need, ui-teen, haar-dasch enz.
Dat de taal het volstrekt zóó wil, blijkt uit de spelling kwab-aal, bedil-al, slok-op, al-om, veel-al, wel-eer, niet kwab-baal, bedil-lal, slok-kop, al-lom, ve-lal (naast ve-len), wel-leer enz.
a) Alleen en wanneer met verdubbelde l en n maken hier uitzonderingen. Die spelling bewijst, dat men deze woorden niet meer als samenstellingen van al en een, wan en eer herkent.
b) Ofschoon de gewone uitspraak door verkeerde toepassing van regel II vrij algemeen in aar-daker en aar-dappel de d, en in el-kander en mal-kander de k bij de volgende lettergreep voegt, zoo kan dit misbruik geene voldoende reden zijn om bij de genoemde woorden eene inbreuk op den regel te maken. Men breke daarom af: aard-aker, aard-appel, elk-ander, malk-ander (uit manlijk, d.i. ieder, en ander).
264. Hetzelfde beginsel openbaart zich, ofschoon minder regelmatig, bij de afgeleide woorden. Vooreerst worden dezulke, die gevormd zijn met (onscheidbare) voorvoegsels, als be-, ge-, her-, on- enz., welke eigenlijk samenstellingen zijn, geheel op de wijze der composita behandeld. Men scheidt aldus: be-dwelmen, ge-dragen, her-overen, on-eens, ont-erven, wan-orde; niet, gelijk de vorige grondbeginselen zouden vorderen: bèd-welmen, gèd-ragen, hé-roveren, ò-neens, on-terven, wá-norde; de uitspraak en de spelling bewijzen duidelijk het tegendeel.
Al onze voorvoegsels be-, er-, ge-, her-, on-, ont-, oor- en wan- zijn oorspronkelijk op zich zelve bestaande woorden geweest. De daarmede gevormde woorden zijn dus eigenlijk composita. Dat die voorvoegsels nu niet meer, althans niet onder dien vorm, als zelfstandige woorden gebezigd worden en eene veel algemeener beteekenis hebben aangenomen dan zij oorspronkelijk hadden, is de oorzaak, dat de Nederlandsche grammatica de daarmede gevormde woorden tot de afleidingen brengt. De Hoogduitsche taalkundigen beschouwen zulke woorden nog altijd als samenstellingen; en onze spelling bewijst, dat zij, wat den uiterlijken vorm ten minste betreft, nog steeds daartoe behooren.
265. Ook de woorden, door aanhechting der achtervoegsels -achtig, -haft, -haftig, -schap en -zaam gevormd, zijn oorspronkelijk composita, en volgen den regel der samengestelde woorden. Men scheidt aldus: aap-achtig, bok-achtig, snap-achtig, wit-achtig, held-haftig, partij-schap, voogdij-schap, moei-zaam. Dat de taal zulks eischt, blijkt zoowel uit de uitspraak als uit de spelling. Wilde zij hier de twee vorige beginselen gehuldigd hebben, zij zou a-pachtig, bok-kachtig, snap-pachtig, wit-tachtig uitspreken en schrijven.
De woorden op -aard zijn insgelijks samenstellingen (zie § 100) en moeten derhalve op dezelfde wijze behandeld worden. Wij breken daarom aldus af: bast-aard, dronk-aard, woest-aard, wreed-aard enz., niet bas-taard, dron-kaard, wree-daard enz.; en schrijven dienovereenkomstig: grijs-aard, laf-aard, niet grij-zaard, laf-faard. Alleen de onregelmatig, d.i. van werkwoorden gevormde grijnzaard en veinzaard kunnen niet anders dan als afleidingen beschouwd, gespeld en afgebroken worden (grijn-zaard, vein-zaard).
266. Bij de woorden, kennelijk afgeleid door middel van ware achtervoegsels, die geheel uit medeklinkers bestaan of er mede beginnen, als: -d, -t, -s, -sch, -st, -de, -te, -se, -ster, gaat de taal volgens hetzelfde beginsel te werk: het grondwoord blijft in zijn geheel en het achtervoegsel wordt geheel afgescheiden. Bij de achtervoegsels, die uit slechts éénen medeklinker bestaan of met éénen medeklinker aanvangen, volgt dit reeds vanzelf uit de twee vorige regels (I en II.) In overeenstemming daarmede scheidt men aldus: klach-ten van klach-t, slach-ter, deug-den van deug-d, lood-sen van lood-s, lief-de, hoog-te, vre-de, vee-te, smid-se enz. Doch hetzelfde heeft insgelijks plaats bij die, welke uit twee medeklinkers bestaan of met twee beginnen, namelijk bij -st, -sch en het vervrouwelijkende -ster. Ook bij -sch, dat thans als eene enkele s luidt, geschiedt zulks in overeenstemming met regel I en II: vlee-schelijk, ei-schen, groot-sche. De gebruikelijke scheiding gedwee-ste, mee-ste, mooi-ste, fraai-ste, lui-ste, en naai-ster, brei-ster, vrij-ster, vlei-ster, is in strijd met regel II, die gedwees-te, naais-ter enz. eischen zou; maar zij bewijst ten klaarste, dat de taal ook de achtervoegsels, zooveel slechts doenlijk, in hun geheel laat en als de afzonderlijke deelen eener samenstelling behandelt. Hieruit volgt, dat men ook bang-ste, hard-ste, hoog-ste, en bak-ster, zang-ster zal moeten scheiden, waarin drie of vier tusschenletters voorkomen, omtrent welk geval de regels I en II zwijgen.—Alleen de woorden naas-te (overtreffende trap van na) en bes-te (voor betste) zijn uitzonderingen, die genoeg zijn gewettigd: de eerste door de spelling met de dubbele a, ter voorkoming van de uitspraak nàste; de tweede doordien de scheiding be-ste tot de uitspraak bé-ste aanleiding zou geven.
267. De taal zelve toont derhalve ook hier duidelijk, dat zij den vorm der deelen, waaruit de woorden bestaan, zooveel met de uitspraak overeen is te brengen, ongeschonden wil voor oogen stellen. Maar dan is ook de vraag opgelost, hoe men te handelen heeft met de t, p en s, die in sommige verkleinwoorden vóór -je en -ken (of -ke) ingelascht worden. Zij maken, wel is waar, geen onmisbaar bestanddeel dier achtervoegsels uit, maar zijn toch alleen om hunnentwil aanwezig; en zij behooren zeker niet tot het grondwoord, d.i. tot de voorgaande lettergreep. Het taaleigen brengt derhalve mede, dat men aldus verdeelt: stoel-tje, zoon-tje, boom-pje, bloem-pje, jong-ske(n), penning-ske(n), doek-ske(n), enz.
Dat men rationeel handelt en de duidelijkheid bevordert door zoodoende het grondwoord geheel af te zonderen, blijkt uit de vergelijking van oor-tje (klein oor) en oort-je (geldswaarde), van buur-tje (buurman) en buurt-je (kleine buurt), van vaâr-tje (vadertje) en vaart-je (kleine vaart), van zee-tje (kleine zee) en zeet-je (zitje).
In het Grieksch, en in navolging hiervan ook in het Latijn, pleegt men alleen die consonanten bij de volgende lettergreep te voegen, waarmede Grieksche woorden kunnen beginnen. Men zou geneigd kunnen zijn dit op onze taal toe te passen en op dien grond de verdeeling bloem-pje, jong-sken te verwerpen. Men bedenke echter, dat het Nederlandsch geen Grieksch is; dat alle woorden, die thans met sch beginnen, voorheen met sk aanvingen; en dat pj zich even gemakkelijk laat uitspreken als tj, blijkens Friesch pjuuk (piek, schaatsenrijdershaak,) naast tjalk, tjilpen enz. De uitspraak levert dus geen bezwaar op tegen de hier voorgeslagene wijze van verdeeling, zoodat de Regel der Gelijkvormigheid hier volle kracht kan hebben.
268. Reeds bij regel I is gebleken, dat de taal ten opzichte der achtervoegsels, die met een klinker beginnen, als -er, -ig, -ier enz., anders te werk gaat. Daar zij zooveel doenlijk zoekt te vermijden dat eene volgende lettergreep met een klinker begint, schroomt zij niet eene sluitletter van het grondwoord te scheiden en bij het suffix te voegen, b.v. verra-der, bin-der, tui-nier, toch-tig, zan-dig enz. Hier gelden dus regel I en II.
Woorden, wier etymologische vorm volstrekt onkenbaar geworden is, volgen de regels I en II; dus: we-reld, niet weer-eld, ofschoon uit weer en ald; lie-verd, niet lief-erd, ofschoon -erd hetzelfde woord is als -aard in grijsaard.
269. IV. Minder duidelijk verklaart zich de taal ten aanzien van het verdeelen der woorden, waarin drie of vier letters bijeen staan, en die niet rechtstreeks onder den voorgaanden regel vallen, omdat hunne etymologie bij het algemeen onbekend is, als: ambt, arts, koorts, toorts, ernst, hengst, erwt, schurft. Zij zijn deels oorspronkelijk vreemde woorden, als toorts (fr. torche), venster (lat. fenestra); deels afgeleide, als vor-st (van voor), worst (van wirren of werren, in de war brengen, en vroeger ook vermengen); ambt is eene samentrekkhig van ambacht. De vorm kan hier dus niet gevoeglijk als richtsnoer bij het afbreken dienen. Dit verhindert evenwel niet, dat er tamelijk goede regels te vinden zijn.—Vooreerst is het natuurlijk, dat men tot de volgende lettergreep geene letters brengen mag, die zich niet gezamenlijk aan het begin eener syllabe laten uitspreken, dus geene bt, ft, wt. Daaruit volgt, dat men amb-ten, schurf-tig, erw-ten afbreekt, niet am-bten, schur-ftig, er-wten, ofschoon de etymologie zulks eischen zou.—Bij artsen, ertsen, schertsen, koortsen, toortsen enz. kan men een oogenblik in twijfel staan omtrent de keus tusschen art-sen, koort-sen en ar-tsen, koor-tsen, daar de ts, blijkens de verouderde schrijfwijzen tsamen, tsestig, tseventig, tsidderen, zich aan het begin eener lettergreep wel laat uitspreken. Wanneer men echter bedenkt, dat de taal die woorden thans zonder t wil uitgesproken hebben, en daardoor niet onduidelijk te kennen geeft, dat zij ts voor niet welluidend houdt, dan zal men aan de verdeeling art-sen, schert-sen, koort-sen zonder aarzelen de voorkeur geven.—Onder de woorden met st, voorafgegaan door éénen of twee medeklinkers, als angst, korst enz., zijn er eenige met t, niet met st, gevormd. Zeker is zulks het geval met (wij) dorsten (durfden), waarschijnlijk ook met dorst; de meeste echter zijn stellig afleidingen met st, als angst, ernst, worst, die men derhalve volgens Regel III te behandelen heeft: ang-stig, ern-stig, wor-sten. Het is uit dien hoofde het raadzaamst, en zeker het gemakkelijkst, de weinige overige insgelijks op dezelfde wijze te verdeelen, al zou de etymologie ook het omgekeerde eischen; dus ven-ster, un-ster, glin-steren, heng-sten, hal-ster, bor-stel, dor-sten, evenzeer als dien-sten, gun-sten, kun-sten, win-sten, toekom-stig, van de bekende grondwoorden dienen, gunnen, kunnen, winnen, komen.
270. V. In vreemde woorden en eigennamen, als: ábrikoos, ágrimonie, Acropolis, Abraham, Acra, Adriaan, Aglaja, Atropos enz., waarin eene vaste letter (muta) door eene vloeiende (liquida) gevolgd wordt, gaat men, blijkens de uitspraak, naar het vreemde spraakgebruik te werk, en brengt men de beide medeklinkers tot de volgende lettergreep, zoodat men scheidt: a-brikoos, a-grimonie, A-braham enz.
Sommige dichters handelen evenzoo bij Nederlandsche woorden, wanneer zij om het metrum tusschen eene muta en eene liquida een toonloozen klinker uitstooten; b.v. bij a-dren voor aderen, vo-glen, ne-drig. Anderen schrijven aadren, vooglen, needrig, hetgeen de scheiding aad-ren, voog-len enz. onderstelt.