De medeklinkers.

92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet men zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien, hoojen of hooyen spellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eene j, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. in jaar, jong, gelijk blijkt uit de vergelijking van vleier, vleijer met (een goed) hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aan bajert, dojer en oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong van zaaijen, draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad, draad, naad, dan zouden za-jen, dra-jen, na-jen, de ware vormen zijn; zoo ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan, boej en boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-en, en kooi-en, om goth. havi (hawi) en lat. cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandert d in i of in j? Heeft men ro-jen of rooi-en, van roden; do-jer of dooi-er, van doder; oojevaar of ooievaar, van oodevaar, te spellen? En welke letter moet schuijeren hebben, dat hetzelfde woord is als schuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.

De aangenomen spelling baaibaaijen, reireijen, hooihooijen druischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. dat kwaad eindigen zal op de d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op de g en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei, boei enz. Ware de j in de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogene baaij, reij, boeij, omdat deze woorden in het meervoud baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i de laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is ook een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben om bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken op i onregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkele j hebben voorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan in bajen, drajen, haajen, boejen, broejen, hoojen, loojen enz., maar niet in brejen, ejeren, lejen, rejen, bujen, brujen, kujeren, schujeren enz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die met i-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eene j, die er nooit in bestaan heeft: b.v. in dojer of dooijer (doder), kojen of kooijen (caveae), ojevaar of ooijevaar (oodevaar), rojen of rooijen (roden), leijen (lage), reijen (rege), schuijeren (schuiren, schuren). In sommige werkwoorden, als draaijen, naaijen, zaaijen, strooijen, tooijen, behoort de j werkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spelling drajen, najen, zajen, stroojen, toojen eischen; maar dan ook draaj, hij draajt, draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat de j in andere werkwoorden, b.v. in maaijen, breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkele j zoomin als met de i j mogelijk, dan blijft alleen die met de enkele i overig, hetzij men die door i of door y voorstelt. De j is eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van de i tot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwe j in zeeën, weeën, gedweeër, drieën, knieën, en in uitdrukkingen als: in boei en band, Mooi Antje enz. De j is, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als de b in hembd en de p in kompt; behoudt men haar, dan moeten ook deze b en p weder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkele i, en zulks te eer, omdat de spelling baaien, breien, boeien, buien enz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op -ig en -ing niet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid der j in die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijze baaien enz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewone i door de y, als zijnde ook eene i, te vervangen, en hooyen, samenvloeying, opruying enz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteeken y aan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewone i aan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken op i, te weten aai, ei, ooi, ui en oei, voorkomt, steeds met de gewone i, zonder inlassching eener j, wanneer zij verlengd worden; derhalve: aaien, baaien, beien, breien, hooien, kooien, buien, kruien, boeien, knoeien, maaier, draaier, eieren, Beiersch, dooier, mooier, kruier, opruier, boeier, knoeier, baaierd, ooievaar, opruiing, samenvloeiing enz., evenals bijen, rijen, vrijer enz.

In vreemde woorden, als bajonèt, sajèt, waar de klemtoon niet op de a valt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spelling baaionet, saaiet niet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.


93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op -lei en -hande. Sommigen schrijven tweederlei, tweederhande, driederlei, driederhande, anderen tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonder d? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.

De woorden op -lei en -hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, als één, twee, al, veel enz. met de zelfst. naamw. lei (ofr. ley) en hand, die beide vrouwelijk zijn, en hier soort of gesteldheid beteekenen. Eenerlei, eenerhande, allerlei, allerhande staat gelijk met van ééne soort of gesteldheid, van alle soorten of gesteldheden. Voorheen bezigde men ook goederhande voor van eene goede soort; en zoo ook goedertiere, quadertiere, allertiere, velertiere, menigertiere of -tieren, waarvan wij ons hedendaagsche goedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op -lei en -hande heeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op -halve en -wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeer allerlei, voor aller leien, als in het enkelvoud eenerlei; daarentegen eenerhande, met hand in den ouden meervoudsvorm op e, evengoed als velerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2den naamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op -er moeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft: eener-, geener-, eeniger-, meniger-, veler-, aller-, achter-, twintiger-, honderder-, duizenderlei en -hande enz.; doch onregelmatig vierder-, vijfder-, zesder-, zevender-, negender-, tienderlei en -hande enz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uit eenerlei, driederlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei, niet eersterlei, derderlei, achtsterlei, twintigsterlei, honderdsterlei enz. De ingeschoven d is trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijk r en n zijn. Bij vierderlei, zevenderlei, negenderlei, tienderlei enz. heeft hetzelfde plaats als bij zwaarder, duurder, hoorder, scheerder, diender, boender, spaanders enz., en bij vilder, helder, kelder, zolder enz. van villen, hel, cellarium, solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ook eenderlei, alderhande, waarin aan de d wel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte de d ook achter andere letters dan vloeiende, namelijk in vijfderlei, elfderlei, twaalfderlei en zesderlei heeft ingevoerd, hebben evenwel eenerlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei, duizenderlei enz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel: de achtervoegsels -lei en -hande treden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bij driederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder de d, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve: tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande.


94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men cht spellen? waar gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt, b.v. in klagt van klagen, met g, de overige met ch behooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is de g in sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in vliegen, wij zagen, wij tegen, aangetogen en andere, zoodat door vlugt, gezigt, togt enz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter, rigten, berigten, op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag, soort), tucht, tuchtigen (van tiën, toog enz.), (be)tichten, van (aan) tijgen, zouden evenzeer eene g vorderen als slagter, geslagt, togt enz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.

Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:

De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steeds onmiddellijk volgende t bevindt, welke tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch voorgesteld. Doch wanneer het woord eene g heeft, die, afwisselend, nu al dan niet onmiddellijk door de t wordt gevolgd, of wanneer deze tot de volgende lettergreep behoort, dan blijft de g onveranderd.

Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamde muta) reeds van oudsher onmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eene t gevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal in ch overging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. in stòtteren van stóóten, in verhèffen naast verhéven, plaats vindt. Zoo ontstonden gràft en gràcht van gráven; schàft en schàcht van scháven; echt van ehe; gìft (mnl. ook gìcht) van géven; plìcht van plégen; kòcht en bruilòft van kóópen en lóópen; gewrocht van worken; gezòcht, gerùcht en kluft van zóéken, róépen en klieven; vernuft voor vernumbt van vernemen, vernomen. Doch men zegt en schrijft: hij graaft, schaaft, geeft, pleegt, koopt, loopt, zoekt, roept, verneemt, niet hij gracht, schacht, gift of gicht, enz., omdat deze zelfde woorden de vormen graven, ik graaf, schaven, ik schaaf enz., zonder t, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wij laagte, leegte, hoogte, drukte, goedkoopte, diepte, niet lachte, lechte, hochte, druchte, goedkochte, dichte, alleen omdat de t, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgende e ontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking van luwte met lucht, ziekte met (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uit abt (mnl. abbet), dat niet in aft of acht is overgegaan; uit ambt (ambacht), niet aft, gelijk vernuft zou doen verwachten; uit kreeft en ooft (bij Kiliaan krevet en ovet), niet krecht en ocht; uit markt (lat. mercatus), niet marcht.

Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:

De g blijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eene g eindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van -te gevormd van bijvoegl. naamw. op g uitgaande.

Wij schrijven derhalve: dracht, jacht, klacht, macht, slachten (dooden), geslacht (en gemaal), plecht, plechtig, licht (niet zwaar), plicht, gewicht, gezicht, gedrocht, tocht, lucht, tucht, vlucht, zucht (diepe ademhaling) evenzeer met ch, als nacht, geslacht (familie), slachten (gelijken), echt, recht, licht(straal), lucht, vrucht enz. Daarentegen: hij draagt, jaagt, vraagt, legt, zegt, pleegt, weegt, droogt, zoogt, enz., en graagte, laagte, leegte, droogte, hoogte, menigte enz.

De verkorte eigennaam Aagt behoort ook de g te behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vorm Agatha vertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet als Acht wordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.

De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw. bracht, gebracht, mocht, van brengen en mogen, verkeeren in het geval, dat de ch eischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang -de (-te) de e verloren, ten gevolge waarvan de overblijvende t zich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten. Bracht en mocht staan voor brachte en mochte, en deze vormen voor bragde (of brengde) en moogde, gelijk de analogie van zengde, leegde en zoogde zou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischte d in t bewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde: hij bracht, mocht, gebracht, nevens hij en gij brengt, gij moogt. Evenzoo hij placht, oudtijds plach (plag), waarin de bijgevoegde t met de sluitletter g evenzeer is samengesmolten als in gedrocht voor gedrog.

Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis van plecht, plechtig, gedrocht, tucht, tuchtigen wordt niet opgehelderd door het verwijzen op plegen, (be)driegen en toog (van tiën); men verstaat het woord macht niet beter, als men weet, dat het van mogen komt, sedert dit de beteekenis van kunnen verloren heeft; en de kracht van het woord plicht wordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, dat plegen het grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bij de meeste andere woorden is de g niet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bij dragt, (de) jagt, klagt met g zal men misschien iets eerder aan dragen, jagen en klagen denken, dan wanneer men dracht enz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het) jacht, slachten en slachter, aangezicht, vluchten en zuchten samenhangen met jagen, slaan (sloeg), zien (zag), vliegen en zuigen, al spelt men die woorden ook met g; evenmin als hij bij boeten en schuit aan baten en schieten denkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook § 50.


95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet de ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet men kachel, kagchel of kachchel enz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, als g en ch, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleen lichaam uitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudige g of k door den invloed der volgende l tot ch verscherpt is; b.v. bochel van buigen, boog; tichel van tegel; kachel van kakel, bij Kiliaan kaeckel. Lichaam, uit lijk en haam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v. lich-haam te schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat in lich het woord lijk toch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenals haam, in deze samenstelling met eene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.

Wanneer de Redactie daarbij in aanmerking neemt, dat de verdubbeling door middel eener g bij de netste schrijvers steeds grooten weerzin heeft gevonden, en dat de spelling met eene enkele ch misschien leiden kan tot eene verfijning van den zoo harden keelklank, die door gch wordt vertegenwoordigd (vergel. § 61 en 62), dan meent zij aan die schrijfwijze de voorkeur te moeten geven en dus lichaam, kachel, richel te moeten spellen, ofschoon zij gaarne erkent, dat ook deze niet onberispelijk is. De regelmatigheid zou ongetwijfeld lichchaam, kachchel enz. vorderen; doch deze spelling ware thans eene ongehoorde nieuwigheid, die zeker niemands goedkeuring zou wegdragen. Er schoot dus niets anders over dan van de twee gebruikelijke schrijfwijzen de minst gebrekkige te kiezen, die dan ook het langst en algemeenst in gebruik is geweest4.

Voor de spelling met de enkele ch pleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, als Jochem, Kochem, Lochem, Mechelen, Vechel, Zwichem; die met echel, en vooral die met echo, welke woorden nooit met gch geschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namen Rachel en Michiel past er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkele ch aan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel: De ch wordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eener g verdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren: Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór de ch den onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamen Rachel en Michiel. Vergel. het opstel: De Spelling en het Lager Onderwijs, van den Heer J. A. van Dijk, in den Taalgids, VI, blz. 73 vlgg.


96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling der ch door middel van de g is die der s in wasschen, flesschen, visschen, mosschen of musschen, tusschen enz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet de s, maar de ch, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uit k ontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerst visk, mosk, en later inderdaad visch, mosch, d.i. met ch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervouden vis-ken, vis-chen, mus-ken, mus-chen gesloten, en werd de tweede s natuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eene s is overgebleven, is hare verdubbeling in vis-sen, mus-sen evenzeer noodig en regelmatig als in mos-sel, vroeger mos-chel. De dubbele s levert dan ook niet het minste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spelling vis-chen, mus-chen enz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke de ch in de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheele sch bij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uit Pa-schen, zij he-schen, kre-schen, gehe-schen, gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker, Paas-chen, hees-chen, krees-chen, gehees-chen en gekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de ééne s weg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalve wasschen, lesschen, wisschen, tusschen enz. schrijven met de dubbele s.


97. Bilderdijk’s spelling nogthands steunde op eene verkeerde afleiding: nochtans is samengesteld uit nog en dan (mnl. nochtan of nodan) met de adverbiale s, en heeft dus niets met thans of thands (te hande) te maken. Aan de invoering eener h en d in dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschen nochtans en nogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding van nog (daarenboven, tot nu toe) en noch (ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter in nochtans de voorkeur aan de ch te moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.


98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert lang koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw, sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid, koninkje, woninkje, kettinkje en lankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijze koningrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden de g door de k te vervangen.


99. Het gebruik der tongletters d en t, wanneer zij door eene s worden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat der g en ch vóór eene t, waarover in § 94 is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij de s, nu althans, de grondvormen op d en t meer dan voorheen die op ch en g, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bij cht en gt. Oudtijds smolt de scherpe keelletter ch geheel weg in de volgende s, b.v. in as, das, vlas, was, mest, zes, wisselen, os, vos, uit achs, dachs enz.; de zachte keelletter g, die als de Fransche gu werd uitgesproken, werd tot k verscherpt in heks van hag, reeks van reghe, fluks van vlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. in dissel, hd. deichsel.

Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór de s staan. Ook deze smolten soms, b.v. in thans, volgens, bijkans enz. voor thands, volgends, bijkants, in de s weg; doch geenszins altijd, b.v. niet in bits, spits enz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v. spiets en spies van mnl. spiet; klits en klis van klit; lits en lis, ook luts en lus uitgesproken, van lat. licium; en in de volksspraak klussen, mussen enz. naast klutsen en mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort: maetselen werd wel is waar metselen, maar naast ketsen hield kaatsen stand; koorts en rots bleven, naast het vroegere kortse en rootse, de eenige gebruikelijke vormen; plaats, schaats, taats, koets, toets, zijn nooit tot plats, kots enz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij de t, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt men ds, waar de afleiding ts zou hebben doen verwachten, b.v. in guds, ridsen, ridsig.

Uit het een en ander blijkt, dat de woorden op ds en ts niet volkomen parallel loopen met die op gt en cht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in § 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde dat ch nog als tch (tsj), en c nog als ts luidde, met ts worden geschreven; te weten koets in de beide beteekenissen, toets, flits, rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche, roche, torche; plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon, façon. Daarentegen moet de fr. g, vroeger als dg (dzj) uitgesproken, bij ons ds worden, namelijk in loods (houten gebouw), fr. loge. De afleiding eischt stellig eene t in guts (holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) van goot; in ritsen, ritsig, verwant met wrijten, alsmede in gutsen, uit het oudere gussen vervormd met ingevoegde t. Ook is het thans verkieslijk aan knots de t van knotten te geven, nu knodde en knodden verouderd zijn. In ridselen, ofschoon misschien van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut meer, nu rijden niet langer in de beteekenis van beven gebruikt wordt. Voor de spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; en Kiliaan schreef reeds kotsen, Plantijn kotzen. Loods (persoon) en gids behooren volgens de afleiding eene d te hebben, als zijnde gevormd van looden en fr. guide. In smidse, van smid, kan de s in geen geval geacht worden de d verscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, als kaats, schaats, taats, schets, scherts, koorts enz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:

Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpe t; uitgezonderd in den 2den naamw. der woorden op d, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting van sch en s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide beteekenissen), gids en smidse.

Wij schrijven derhalve trots, schertsen, plaats, schaats, toorts enz.; maar Gods, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, kindsch, gindsch en ginds van gind(er), sinds van sed(ert).


100. De woorden op -aard en -erd leveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eene d. Het achtervoegsel -aard is oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord hard, dat oudtijds sterk beteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen als hard draven, loopen, werken. In samenstellingen beteekende het sterk als datgene, of ten aanzien van datgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v. Beranhard, Burchard, Everhard, Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf; Ecgehard, Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer; Meginhard, Reginhard, Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid; Sigihard, Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig de h, evenals -helm, -hilde, -haftig, en soms -hande, b.v. Anselmus, Willem, Machteld, deelachtig, en mnl. menigherande, voor Anshelmus, Wilhelm, Machthilde, deelhaftig, menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op -hard, mlat. hardus, ohd. -hart, oudtijds vormen op -art en -aert aantreft, die thans op -ard, -erd en -ert uitgaan. Zoo b.v. Athalhardus, Bernhardus, Burchardus, Everhardus, Folchardus, Gêrhardus, Meginhardus, Reginhardus enz., mnl. Adelaert, Bernaert, Burchaert, Everaert, Volcaert, Meinaert, Reinaert; thans Allard en Aldert, Bernard, Everard en Evert, Volkert, Meindert, Reindert. Daar de vormen op -hard, -hardus, ohd. hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op -ard, -aert en -erd alleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet -hard uit -erd.—In het Mhd. werden met -hart ook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, als lügehart, sterk in het liegen; naghart, knaaglustig; selphart, zelfzuchtig; slinchart, slokop; trügenhart, sterk in het bedriegen; vrîhart, ongebondene.

Uit de Duitsche talen ging hard in de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming der h, ital. -ardo, als in bastardo, codardo; fr. -ard, als in bâtard, couard, gaillard, grognard, pendard, richard, viliard; zie Diez, Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.

Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v. bastaert, cockaert, viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, als behaghelaert, bollaert, clappaert, dullaert, galghaert, gaepaert, grisaert (grijskop, zie Horae Belg. VI, 98), loyaert, moyaert enz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op -aert. Dat men de h, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, als bloodaard, dronkaard, gulzigaard, lafaard, veinsaard, wreedaard enz.; zelfs rijkaard, van het onschuldige rijk, wordt in slechten zin genomen; alleen grijsaard hield op een schimpnaam te zijn.

Het achtervoegsel -erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan -aert of -aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uit leperd, plomperd, stinkerd, die bij Kiliaan nog leepaerd, plompaerd, stinckaerd luiden; en uit grijzerd, dat bij latere dichters voorkomt. Kiliaan geeft naast luyaerd ook luyerdije op, hetwelk toont, dat de verandering van -aard in -erd aan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering van Everaert in Evert, en die van bastaard in basterd stelt de zaak buiten allen twijfel.

Sommigen zijn van gevoelen, dat -aard en -erd zouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel -er, waarachter men, ter versterking, eerst eene t zou gevoegd hebben, zoodat -ert ontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot -aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, als grijzen, laffen, rijken, snooden, met de beteekenis van grijs, laf, rijk, snood zijn; dat grijsaard, lafaard, rijkaard enz. personen aanduiden, die bestendig grijzen, laffen, rijken enz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanigheden van grijs enz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk -er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geene versterking, maar omgekeerd verzwakking. Juist het achtervoegsel -er levert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth. -areis, b.v. in laisareis (leeraar), wullareis (voller); het werd ohd. -arî, mhd. -ære, nhd. -er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in -ere, -er, en -re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook de a, en werd -are, -aer, of -ere, -eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. in gokelare, loghenare en loghenére, voghelare, persemére (woekeraar), enz., naast dienre, leerre, speelre, backere, wever enz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van -areis tot -arî, -are, -ere, -er en -re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij -dom, onl. -duom; bij -lijk, goth. -leiks, dat thans als lik wordt uitgesproken; en bij -aard zelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op -ard gevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als -erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van -er niet alleen -ert, maar zelfs -aart zou hebben gevormd.

Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve, dienre, leerre, sunder, in dienaar, leeraar, zondaar veranderd; daarbij had evenwel geene versterking van -er tot -aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling; -aar had nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op -er, als bijter, blaffer, woorden op -erd hebben gevormd, indien -erd niet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op -erd hebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan -er niet eigen is; zelfs lieverd en stouterd worden doorgaans schertsend gebezigd.

Is het zeker, dat -aard en -erd uit hard ontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding de d hebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud van bastaard toch luidt niet alleen bastaards; maar ook bastaarden, en daarnevens staat bastaardij; Kiliaan kent ook een werkw. luyaerden en de zelfst. naamw. luyerdije, van luyaerd, en mooyaerdije van mooyaerd. In Spanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is de d gewaarborgd door het meerv. Spanjaarden, naast Spanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat -aard en -erd niets anders zijn dan -er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op de d moeten vallen; de taal zelve leert door zwaarder, eerder, hoorder, duurder, gezagvoerder, dat zij, waar de r versterking behoeft, de d en niet de t wil gebezigd hebben.


101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of t in het zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig, aarden en ontaarden pleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen. Aart en aartig zijn germanismen, en niets meer.


102. In rit, mv. ritten, bint, mv. binten, gebint, mv. gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoorden rijden en binden buiten twijfel eene d hebben. Ridden strijdt met de uitspraak, bindten en gebindten met alle regelmaat. De verscherping der d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en mits, nevens mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog koopvaardij; in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen; in klant, fr. chaland. Daarom ook beeltenis, verbintenis, evengoed als ontstentenis van het oude ontstanden (ontstaan d.i. ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzen beeldtenis en verbindtenis doen ten onrechte aan eene afleiding met -te denken.

Indien met, mits en rit eene t hebben, dan bestaat er geene afdoende reden voor medgezel en ridmeester met d, ofschoon met in het eerste woord het bijwoord mede is.


103. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door Bilderdijk en anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetsel and, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen in nog (adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling met d de beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wij dan, om consequent te blijven, ook de t in met zouden moeten vervangen door de d, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw. mede, pleiten. Het argument, dat het bijw. and de stam van het voornw. ander en het bijw. anders zou zijn, waardoor de beteekenis van andwoord, als het andere of tweede woord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.

Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor Antwerpen geene aanbeveling.


104. Men zegt en schrijft gewoonlijk admiraal, admiraliteit enz.; sommigen willen ammiraal, op grond dat de d slechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm: amirael of ammirael en admirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabische amir (emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat. admirari, fr. admirer; vanhier de vormen: admiralis, admirabilis, admiratus, admirant, admiraglio enz., die alle aan bewonderen doen denken. De d is dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud der d, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen. Admiraal is wel niet meer noch minder welluidend dan ammiraal of amiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woord amir en het Latijnsche achtervoegsel -alis behooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzent admiraal van admirari of admirer zal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde het admirabel, admirant of admiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch -aal is geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten der d (amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, doch amiraal is evenmin Arabisch als admiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.


105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de z voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat s thans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. in aassem, braassem, deessem, geessel, kruissen, kruissigen, IJssel, zeissen, Pruissen enz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen, oeffenen, schuiffelen, twijffelen, voor lafenis, rafelen enz. Zij is dan ook later door Siegenbeek zelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is brasem, geesel, IJsel, Pruisen enz. te blijven schrijven.


106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom ééne k, t en m voldoende in botteriken, monniken, perziken, kieviten, diemiten, Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De schrijfwijze botterikken, Gorkummer, staat gelijk met die van engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.

Het gezegde is natuurlijk niet toepasselijk op Arnhemmer, Haarlemmer enz., waarin de tweede lettergreep, hoewel zwak van toon, niet toonloos wordt uitgesproken, en de è, hoe kort ook, toch den scherpen e-klank behoudt5.


107. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord eene samenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans -igge-, soms ook wel -ege luidde, en meermalen ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in makerigge, vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook dievegge, evengoed als dieverij. Dat sommigen in dit woord de f laten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel der v kan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk § 58 en 66.


108. In zamen, zamenkomst, zamenspraak enz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging der z door de s. De z heeft daar de waarde van tz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoord zamen luidt, terwijl ook in gezamenlijk, inzamelen enz. de z duidelijk gehoord wordt, en dat men in zestig en zeventig de z van zes en zeven steeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven van samen, samenkomst enz. en daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele der s hebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang van Bilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukking te zamen toch werd de toonlooze e van te weggelaten, waardoor eerst tzamen ontstond. Dit had de verscherping van de z tot s ten gevolge: tsamen; eindelijk werd de t overtollig gerekend, en dit gaf samen.

Samen heeft dus de waarde van te zamen en verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoord zamen. De spelling met s is uit dien hoofde de ware, overal waar samen de bijwoordelijke uitdrukking te zamen vervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als in samenkomen, samenspreken, samenhangen, samenkomst, samenspraak, samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoord zamen vereischt wordt, als in gezamenlijk, bijeenzamelen, verzamelen, verzameling enz., en dus ook in opzamelen, niet opsamelen, hoewel de z daar ten gevolge van de werking der p vanzelve als s klinkt.

Evenmin zou de spelling te samen voor te zamen goed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar de s laat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaande t kan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonlooze e van te blijft; want men zegt te zoek, te zuinig, te zuur, te duur, te geef; niet te soek, te suinig, te suur, te tuur, te cheef. Te samen is derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan als te tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel. § 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel: