Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.
73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54–64.
74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw, flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren.
75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der e’s en o’s in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten, menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen, personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam zoowel tonen als toonen zou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren, scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen, boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen.
Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong der e’s en o’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a, i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc. §§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onze e’s en o’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.
De verschillende oorsprong der e’s en o’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e’s en o’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i, a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange heldere of opene e’s en o’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken ai en au aan erkende scherplange e’s en o’s beantwoorden.
Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzer e’s en o’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de korte ò afwisselt, b.v. in stad—steden, vagen—vegen, gift—geven, nicht—neef, spel—spelen, gebed—gebeden; ik kom—zij komen, lot—loten; en waarom de scherplange e’s en o’s met de tweeklanken ei (ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken).
76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong der e’s en o’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:
De ware uitspraak der e’s en o’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.
Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e’s en o’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong der e’s en o’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en scherpe e’s en o’s als een last beschouwen.
Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e’s en o’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong der e’s en o’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.
Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e’s en o’s is gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong der e’s en o’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v.
77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren, daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong der e’s en o’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij, dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos, hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees, die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling -eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld van Bilderdijk te volgen.
Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -της, lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet, concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus, -ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -ητης, -etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete, complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen, oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen, heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop, anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.
78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe e’s en o’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u (oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e’s en o’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.
Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee, vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid, armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden, meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels -eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit, Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant.
De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.
79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.
Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus, hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere -heeden met twee e’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.
De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste twee e’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ĕre; daarin zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya); maar -ĕre heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee, maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren?
Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel, origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e’s en o’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs, patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit, quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis, fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel, nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk, abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement, lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e, als ceder, lat. cĕdrus.
Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch, Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.
Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.
Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e’s wil, en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.
80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:
beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren;
deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel (gedeelte), mv. deelen;
deemoedig;
deesem;
dwepen;
eega;
heep (soort van handbijl), mv. hepen;
keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel (lichaamsdeel);
keren (vegen);
kwee (vrucht);
meren (een schip vastleggen);
sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of voortgetrokken worden);
droog, droge, droger, drogen;
hoonen;
klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en verl. tijd van kluiven;
koozen, liefkoozen;
kroon, mv. kronen;
sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof (sukkelaarster), mv. sloven;
toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen) en toon (teen), mv. toonen;
vroolijk;
zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van wij zogen, verl. tijd van zuigen.
Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.
Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.
a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste: vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel), nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer, schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn.
Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne, naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan.
b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen enz. schrijven.
c. Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen van kloot en zweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd. sweif (staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spelling klooten en zweepen even wettig als kloten en zwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden als heeren en keeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daarom klooten en zweepen schrijven.
81. Ofschoon de spelling wereld, eigenlijk wer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk § 41. Wareld toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men ae in onze taal steeds als de voorstelling eener lange a heeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.
Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers te verwerpen.
82. Om de boven in § 79 ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en -iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op het einde der lettergreep komt, b.v. in motie-ven, substantie-ven, fabrie-ken, republie-ken, Israëlie-ten, Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van -ier en -ies in officie-ren, tuinie-ren, commie-zen, valie-zen. Daarentegen acht zij ie te zwaar, en daarom eene enkele i voldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, in mot-i-veeren, Jezu-ït-isme, fabr-ik-ant, muz-ik-ant, muz-ik-aal, republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.
83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoud oli-ën, trali-ën enz., van olie, tralie enz., dewijl ie in deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegen knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin de eerste, en reliquie-ën, genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën, spiën spelde, is daaraan toe te schrijven, dat ie, uit iu (ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, als ië, werd uitgesproken. Knie-en, spie-en zou toen derhalve geluid hebben als kní-e-en, spí-e-en. Thans echter is ie een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v. ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daarom knieën, spieën, evenals zeeën, tweeën; en zoo ook analogieën, harmonieën, melodieën, reliquieën en genieën, verschillend van geniën (géniën), meerv. van genius.
84. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch denzelfden helderen klank heeft als ie in -ief, -iek, -iet en -ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele i verreweg de voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, en i daarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel -uw in schaduw, zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met twee u’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.
Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste in be-hóúd, ge-lóóf, ver-driét, de laatste in já-ren, há-mel, há-mer, kó-ning, gróót-vader, hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. de e in aarde, onl. irtha, in hamer, ohd. hamar, in hemel, onl. himil; de u in Gorkum uit Goring-heim; de i in het achtervoegsel -ig, goth. -ag en -eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. in hatelijk, beminnelijk enz. voor haatlijk, beminlijk enz.
Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen in py-ra-mide, mag-ne-tiseeren, mo-ti-veeren, ge-o-graaf, no-tu-len, en de laatste in o-lie, me-nie, tra-lie, Janua-ri, Ju-li, afgo-disch, nieuwmo-disch, scha-duw, zwa-luw enz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.
Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.
85. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn (siin), de lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de enkele i werd vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die gelijkstond met de tweede a, e, o en u in jaar, eed, room en vuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ook vj, vij, viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge had j in strijd met § 47, a. twee verschillende waarden, die van vocaal in mijn (miin) en wijn (wiin), en die van consonant in jaer, joc. Toen in het Nnl. de lange i in de uitspraak gelijk werd aan den tweeklank ei, kwam de schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer door ii afgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voor ij of IJ in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j en den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm van ij en IJ onzes ondanks te behouden.
86. Volgens § 47, a. moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk, katholijk, fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den ei-klank hebben, eischt de eerste grondregel koliek, katholiek, fabriek enz.; zoo ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij, harmonij enz. te schrijven, omdat in die woorden op ie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd is. Zie § 40.
Zoo schrijve men ook koffie, lat. coffea, evenals men schrijft balie, falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz.
Nog sterker dan de spelling muzijk voor muziek enz. is af te keuren het gebruik van de ij in de plaats van de enkele korte i of y in tweeklanken als aij, eij, oij, uij, oeij, voor ay, ey, oy, uy, oy, of ai, ei enz. De ij heeft nooit als enkele i gegolden. Oudtijds had zij de waarde van ii, thans stelt zij een tweeklank voor, die als ei luidt; zoodat aij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf als a + ie, òf als a + ij (a + ei). Eene spelling met aij enz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemand Van der Kruis heet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen: Kruis, Cruys of Cruyss; doch Cruijs kon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dan kru-ij-s (kru-eis); ij voor y is dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. van r en l: cruij-s is even ongeschikt om den klank kruis te vertegenwoordigen als kluis of kruid zijn zou. Alleen de gewoonte van ij en y te verwarren maakt, dat kruijs minder ongerijmd schijnt.
87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii, Junii enz.), is de i-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voor dien ook in de spelling van den uitgang -ie, welke hier en daar nog als ië luidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruik Januari, Februari, Juni en Juli te schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.
88. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij in de woorden malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort van zaad), fr. carvi, onderscheiden van karwei (werk), fr. corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden de ij van sacristijn, fr. sacristain, ofschoon in sacristij (fr. sacristie) op hare plaats, voor ei moeten wijken. Derhalve malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje, sacristij.
Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet doezijn, maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnsche docenum wijst, en het woord op ééne lijn stelt met krijt, lat. creta; venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapete.
IJzen en ijselijk hebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth. agis, ohd. egiso luidde, en zouden uit dien hoofde, evenals zeil uit zegel, dweil uit dwegel enz., met ei behooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoord eis (vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap met ijs te denken, en aan eizen de bepaalde beteekenis te hechten van koud worden, van schrik verstijven. In de uitdrukking: het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op de kille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waar ij nog als i klinkt, zegt men izen en iselik; en bij Kiliaan, Coornhert en anderen treft men de beide spellingen, met ei en ij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spelling eizen, eiselijk niet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraak ijzen en ijselijk.
89. Op grond van § 47, a en e verwerpt de Redactie de spelling van by, my, hy, zy, dwingelandy, razerny enz. met y, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder, Styx, Egypte, reeds den gewonen i-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat de ij-klank in bij, mij, hij slechts uit eene korte, niet uit eene lange i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.
90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eene s aan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). Dus Maria’s, Hebe’s, Garibaldi’s, Cicero’s, echo’s; niet Mariaas, Hebees enz. Daar de verdubbeling der i niet meer in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Paniniis, Rubiniis kunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ook Mariaas, Hebees enz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel door aa, ee enz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie § 59, 61 en 62.
Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ook Bruining’s, of Bruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud van Bruining of van Bruinings bedoelt.
De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, als ga (samentr. van gade), ra, vla (vlade). De a heeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als in aas, baas, geraas. Daarom schrijven wij niet eega’s, ra’s, vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft: eegaas, raas, vlaas.
91. De Redactie spelt aar (korenaar), haar (hoofdhaar), meer (waterplas), door (van een ei), oor in oorsprong, oorzaak, niet air, hair, meir, doir, oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraak verworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever in air (ader), hair (voornw.), meir (telw.), doir (voorzets.) enz. de verlenging door i zou aanduiden. Daarentegen meent zij de spelling heir (legermacht) en oir (erfgenaam) boven die van heer en oor te moeten verkiezen; het eerste omdat heir de beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt dan heer; het laatste als verbastering van het Fransche hoir. De spelling oor zou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.