1 Uit het Verslag der Belgische Spelling-Commissie blz. 35 vlg., blijkt, dat het verschil in de uitspraak van dezelfde woorden op verschillende plaatsen in België vooral niet geringer is dan in Noord-Nederland.

2 Voor het Sanskrit en Gothisch is die stelling geene bloote hypothese, tot wier erkenning men alleen door gevolgtrekkingen gedwongen wordt. In de eerstgenoemde taal komen wel twee letterteekens voor, die thans als e en o worden uitgesproken, doch uit alles blijkt ten klaarste, dat e vroeger ai en o vroeger au geweest is; zie Bopp, Vergleichende Grammatik. § 2. Reeds eene vergelijking der letterteekens voor âi = aai en âu = aau met die voor ê = ai en ô = au leert dit duidelijk.

In het Gothisch komen insgelijks twee letterteekens voor, die op ε en Ω gelijken, en daarom in Latijnsch letterschrift door e en o voorgesteld worden, maar deze stemmen niet overeen met de e’s en o’s in de overige Germaansche talen: aan het eerste, ofschoon het een langen i-klank voorstelde, beantwoordt onze lange â in daad, jaar, slaap; en de Friesche ie in died, jier, sliep; aan het tweede onze oe in boek, goed, stoel; terwijl bovendien blijkt, dat die klanken uit tweeklanken, meestal uit ia en ua, soms ook uit ai en au samengesmolten zijn.

Dat ook het Oudnoordsch aanvankelijk geene e’s noch o’s bezat, blijkt uit de zoogenaamde Helsingrunen, in welk alphabet geene andere klinkers dan a, i en u voorkomen; zie U. W. Dieterich, Runen-sprachschatz, blz. X.

Er zijn wel is waar schrijvers, die beweren, dat Ulfila door ai en au onze e- en o-klanken heeft voorgesteld. Zij gronden dat beweren op de wijze, waarop hij in Grieksche woorden ε en ο heeft weergegeven. Dit heeft echter niet verhinderd, dat Grimm, dien iedereen wel voor den grootsten kenner der Germaansche talen zal houden, steeds is voortgegaan ai en au als ware tweeklanken te beschouwen. In het vorige jaar is door F. Dietrich in een afzonderlijk werkje, Die Aussprache des Gothischen, aangetoond, dat ai en au ook nog lang na Ulfila echte tweeklanken waren, en door niet-Gothen als zoodanig werden gehoord en opgevat; dat de Gothen de vreemde eigennamen naar hunnen tongval wijzigden, en dat het aannemen van ai = ε en au = ο toch volstrekt niet toereikend is om hunne spelling van de Grieksche woorden te verklaren.

Eene vergelijking van de Gothische schrijfwijze met de gelijktijdige van het Grieksch en Latijn geeft de tegenstrijdigste uitkomsten, en bevestigt slechts, wat door deskundigen erkend wordt, namelijk, dat de uitspraak en spelling der beide laatstgenoemde talen in het Gothische tijdperk tamelijk onzeker en verward was. Indien men deze spelling tot maatstaf van die van het Gothisch wilde aannemen, zou men tot het ongerijmde besluit moeten komen, dat goth. a te gelijker tijd als α, ε en au,—i als ι, ε, ει, η, υ en χ,—u als ου, ο, ω enz. klonk.

Het onregelmatige gebruik der klinkers en tweeklanken, waaraan men zooveel gewicht hecht, bestond alleen bij woorden uit het Grieksch en Latijn overgenomen, inzonderheid bij eigennamen; daarentegen kan men in de spelling van het Gothisch zelf, inzonderheid ten opzichte van de klinkers, eene regelmaat opmerken, die verwonderlijk mag heeten, als men bedenkt dat de Gothen kennelijk geheel naar de uitspraak, en niet naar grammatische regels, te werk gingen.

3 In een geheel ander geval verkeeren de woorden met tweeklanken op u, als blauw, eeuw, ruw, nieuw, rouw, enz. Daarbij gaat men geheel regelmatig te werk, en schrijft men de w zoowel in de onverbogene als in de verbogen vormen: blauwblauwe enz., en niet zonder reden. In slechts weinige woorden, misschien slechts in één: leeuw, lat. leo, is de w een overgangsletter en van lateren oorsprong; vermoedelijk in alle andere maakt zij een wezenlijk bestanddeel van de stamlettergreep uit, maar is niet, gelijk de j in drajen enz. slechts een achtervoegsel. Ook hoort men in de uitspraak nog iets van de w op het einde der lettergrepen, b. v. in uw, ruw, schuw, mouw, rouw, enz., die niet volkomen hetzelfde klinken als u, nu, kou en zou (verkortingen van koude en zoude, waarin de w niet behoort). Het een en ander verklaart, waarom de voorstanders der schrijfwijze baaien enz. ten opzichte van de w niet van de gewone spelling zijn afgeweken.

4 Wij gevoelen geen berouw over onze keus, sedert een ijverig voorstander der gch leert, dat men de beide letters, de g zoowel als de ch, moet laten hooren, en overeenkomstig den aard der g den keelklank zachtelijk laten aanvangen, om dan allengs tot ch te verscherpen (Tijdspiegel van Juni 1863): iets dat niet mogelijk is zonder een hoogst onwelluidenden klank voort te brengen. Bij de spelling met de enkele ch zal niemand tot zulk eene uitspraak vervallen; wij meenen dus met recht hier den Regel der Welluidendheid te hebben doen gelden.—De bewering van dien zelfden recensent, dat de woorden als lachen enz., met de enkele ch geschreven, niet te spellen zijn, heeft ons zeer bevreemd. In de vorige eeuw zou dat schijnbaar ongetwijfeld indruk hebben gemaakt, en misschien ook voor ons reden genoeg geweest zijn om de gch te behouden. Thans zal ieder, die behoorlijk spellen kan, die de zoogenaamde klankmethode kent, in die bewering niets meer dan eene drogreden zien. Hij weet, dat men thans bij het spellen, gelijk de aard der zaak medebrengt, iedere letter met dien klank noemt, dien hij in het woord heeft, en spreekt, als hij b.v. bèdstédē spelt, de drie e’s op drie verschillende wijzen uit: è, é en ē. Hij zal dus dienovereenkomstig l, à, ch, ē, n zeggen, en zoodoende ook zonder g den juisten klank treffen, evengoed als hij d, à, g, dag zegt, en niet d, á, g, hetgeen daag zou opleveren. Wat geschiedt, kan geschieden.

5 Het bevreemdt ons, dat een geacht beoordeelaar dit punt betwist. Wij willen gaarne erkennen, dat de uitspraak Háárlĕm en Arnhĕm in de volkstaal wel gehoord wordt; doch in de beschaafde uitspraak wordt zeer zeker Haarlèm en Arnhèm gezegd. In den laatsten naam klinkt de è wel iets flauwer dan in den eersten, maar het blijft toch altijd eene è en daalt niet tot eene geheel toonlooze e. Zoo spreekt men ook wel degelijk van den Hààrlèmmer Hout, niet van den Hààrlë̆mer Hout.

6 Omtrent de spelling van het hier behandelde woord heeft de Redactie lang gewankeld. In de eerste uitgave (§ 96) gaf zij de voorkeur aan juffrouw, in de tweede (§ 110) aan jufvrouw, en nu in de derde keert zij tot juffrouw terug. De reden was eenvoudig gelegen in verschil van gevoelen tusschen de beide redacteurs, die, hoe eenstemmig ook in bijna alle vraagstukken, het omtrent dit punt nooit eens hebben kunnen worden. In de eerste uitgave was mijne overtuiging aangenomen; in de tweede had ik aan den aandrang van Te Winkel moeten toegeven, op grond dat wij van het beginsel uitgingen, in de bestaande spelling geene verandering te maken dan bij volstrekte noodzakelijkheid, terwijl die noodzakelijkheid niet bleek zoolang de beide redacteurs het niet eens waren. Thans echter, nu ik bij herhaalde overweging mijne vroegere opvatting nog altijd als de ware beschouw, en mijne tegenwoordige mederedacteuren, Dr. Verwijs en Dr. Cosijn, eenstemmig met mij denken, heb ik niet geaarzeld de vroegere uitspraak der Redactie te herstellen en de spelling met ff voorgoed aan te nemen.

M. D. V.

7 Men noemt de t doorgaans eene tandletter. Wanneer men echter bedenkt, dat tot het uitspreken eene sluiting der mondbuis door middel van de tong vereischt wordt, dan zal men de benaming tongletter in het algemeen, en voor dit geval in het bijzonder, gepaster achten.

8 Zoo vindt men b.v. »van Gods halven” in Maerlant’s Spieg. Hist. III, 7, 25, 76; »van minen halven” in Serrure’s Vad. Mus. I, 310, vs. 70; waar het enkelvoud ongetwijfeld te verkiezen zou zijn.

9 Zie Hildebrand, Deutsches Wörterbuch, op Kraut, en Beckering Vinckers in Taal- en Letterb. III. 125 vlgg.

10 Wij onthouden ons vooralsnog van het vaststellen van regels, die de spelling betreffen van woorden, uit talen ontleend, die een ander letterschrift hebben, gelijk b.v. de Oostersche. Dit onderwerp toch vereischt een afzonderlijk onderzoek, des te moeilijker, doordien de vorm, welken zoodanige woorden bij ons hebben aangenomen, gedeeltelijk ook afhangt van het kanaal, waardoor zij tot ons gekomen zijn. Met woorden, uit het Grieksch ontleend, is het eenigszins anders gelegen: zie beneden, § 245.

11 De nadenkende lezer zal inzien, dal de schrijfwijze lachen, lichaam enz., die de Redactie ter bevordering der welluidendheid, dus om de uitspraak, heeft aangenomen, zich in een geheel ander geval bevindt. Die spelling verzaakt zeker den erkenden regel, dat medeklinkers met zich zelve verdubbeld worden; doch die regel is niet door ons, maar door het algemeen Gebruik ter zijde gezet. Niemand wil het regelmatige lachchen, lichchaam, evenmin zij die lagchen, als zij die lachen voorstaan. Wij moesten uit die twee gebrekkige en onregelmatige spellingen kiezen, en lieten den Regel der Welluidendheid beslissen, omdat andere zwegen.