161. De tweede onzekerheid bij het schrijven van samengestelde woorden betreft den vorm van het eerste lid, die uit de uitspraak niet altijd duidelijk blijkt, hetgeen bij vele tot verschil in spelling aanleiding geeft. Zoo schrijven b.v. sommigen pereboom en tarwebrood, anderen perenboom en tarwenbrood. De Leer der Spelling moet hier uitspraak doen.
De onzekerheid spruit uit verschillende oorzaken voort; het is van belang die te kennen. Ook bij dit onderzoek is het noodig het onderscheid in het oog te houden tusschen de eigenlijke samenstellingen en de samenkoppelingen, van welke echter, gelijk reeds is aangemerkt, sommige later voor oor en oog in eigenlijke samenstellingen zijn overgegaan; vergelijk § 135 en 139. Deze verandering van vorm en nog andere redenen, die straks ter sprake komen, maken ook het onderscheiden van oudere en jongere samenstellingen noodzakelijk.
De letters, ten opzichte waarvan onzekerheid en verschil bestaat, noemt men verbindingsklanken of verbindingsletters. Beginnen wij met te onderzoeken, wat men er door te verstaan heeft, welke letters zoo te noemen zijn.
162. De woordstammen, d.i. de woorden, van alle buigingsuitgangen ontdaan, waren in den oudsten toestand der Indo-Germaansche talen tweeërlei: vocalisch, uitgaande op een der korte klinkers a, i en u (oe); of consonantisch, eindigende op eene n, voorafgegaan door eene korte a, of door eene lange î of û (goth. ei of ô). Bij het vormen van eigenlijke samenstellingen werd het eerste lid oorspronkelijk, indien het een vocalischen stam had, in zijn onveranderden stamvorm voor het tweede lid gevoegd; was het consonantisch, dan werd de n afgeworpen, en de voorafgaande lange klinker verkort. Dientengevolge eindigde het eerste lid der eigenlijke samenstellingen op weinige uitzonderingen na—kennelijk alle onregelmatigheden—steeds op een der korte klinkers a, i of u (oe). Daar nu deze klinkers een deel van het eerste lid uitmaken, kon er toen bij eigenlijke samenstellingen geene sprake zijn van opzettelijk ter verbinding ingevoegde letters.
Uit deze waarneming vloeit nog iets voort. Indien het eerste lid in zulke composita voorkwam in zijn stamvorm, zonder eenig teeken dat eene betrekking aanduidde, dan is het zeker, dat men oorspronkelijk bij het samenstellen volstrekt niet dacht aan de verhouding van het eerste lid tot het tweede, maar het aan den hoorder overliet zich die verhouding daarbij te denken.
163. Het begrip van samenkoppeling sluit reeds uit zich zelf het aanwezig zijn van verbindingsklanken uit. Eene koppeling bestaat in het aaneenhechten van twee, soms van meer woorden, die in de rede op elkander volgen; daarom komt het eerste lid natuurlijk niet in zijn stamvorm voor, maar, zoo het een verbuigbaar woord is, in een vorm waarin het in de rede zelfstandig kan optreden; een naamwoord derhalve in een naamval van het enkel- of meervoud, een werkwoord in de onbepaalde of in de gebiedende wijs. Zoo heeft b.v. het woord God in godsdienst den vorm van den 2den, in godebehaaglijk dien van den 3den, in godverheerlijkend dien van den 4den naamval, omdat die woorden vereenigingen zijn van de uitdrukkingen Gods dienst, Gode behaaglijk, God verheerlijkend. Het werkwoord spelen staat in spelevaren in de onbepaalde wijs, doch met onderdrukte n, omdat dit woord eene verbinding is van spelen varen (verg. lezen leeren); in vergeet-mij-nietje staat vergeten in de gebiedende wijs.
164. Doch bestonden er oorspronkelijk geene verbindingsklanken, verschillende oorzaken hebben samengewerkt om hun bestaan eerst te onderstellen, en later werkelijk zulke letters in te voegen. Daar de woordstammen onveranderd natuurlijk alleen in samenstellingen voorkwamen, maar in de verbogen vormen, onder welke zij in de rede optraden, allerlei wijzigingen ondergingen, geraakte de natuur van de eindklinkers der stammen spoedig in vergetelheid, en begon men ze voor opzettelijk ingevoegde klanken, voor bloote verbindingsletters, aan te zien. Zij werden allengs zwakker uitgesproken, en gingen ten laatste in de toonlooze e over. Zoo ontstonden b.v. dageraad, nachtegaal, bruidegom van de stammen daga, nahta, bruthi. Wanneer men deze woorden vergelijkt met de later gevormde dagboek, nachtverblijf, bruidleidster, enz., dan krijgt de toonlooze e, ofschoon een deel van het eerste lid zijnde, het voorkomen van eene ingevoegde letter zonder beteekenis of reden van bestaan, van een blooten verbindingsklank. Haar aanwezen bewijst intusschen, dat de genoemde woorden tot de oudste samenstellingen behooren, uit den tijd, toen men de woordstammen daga, nahta en bruthi nog kende.
165. Even willekeurig schijnt de toonlooze e in vele samenstellingen, wier eerste lid vroeger op dezen thans afgesleten klinker eindigde, b.v. in wiegelied, harteleed, bruggegeld, ruggegraat, willekeur enz., van de verouderde vormen wiege, harte, brugge, rugge, wille.
166. Bij samenkoppelingen hebben andere oorzaken gewerkt om letters, die inderdaad tot het eerste lid behooren, als ingevoegd te doen beschouwen. De tweede naamval, die thans alleen in het enkelvoud van het manlijke en onzijdige geslacht een kenmerkenden uitgang heeft (-s, -es, -n of -en), nam voorheen ook bij zwakke vrouwelijke woorden, als vrouwe, kerke, eere, eene -n aan: der vrouwen, der kerken, der eeren. Het meervoud, dat thans in alle naamvallen op eene -n of eene -s eindigt, ging vroeger bij alle sterk verbogen woorden op -e uit (in den 3den naamval op -en): honde, geite, dinghe, of bij sommige onzijdige op -er: kinder, kalver. Het was dus natuurlijk, dat men, toen er geene vrouwelijke genitieven op -n, geene meervouden op -e of -er meer bestonden, de -n, -e of -er in woorden als vrouwenkleed, eerenprijs, paardeboonen, kinderkamer, raderwerk enz. voor ingevoegde letters aanzag.
Voorheen vormde men, naar het schijnt meest van werkwoorden, adjectieven op -el, als behaghel, krijgel, schamel, vergetel, vermetel, verstandel. Zij werden vooral in samenstellingen en afleidingen gebezigd, als in schamelheid, vergetelheid, vermetelheid. Was nu zulk een adjectief buiten gebruik geraakt en vergeten, dan kreeg -el in eene samenstelling het voorkomen van willekeurig ingevoegd te zijn, b.v. in schorselwoensdag, schortelkleed, schrikkeljaar, schrikkelmaand, troostelbier enz.
167. Toen men nu eenmaal van het bestaan van verbindingsklanken meende overtuigd te zijn, was het natuurlijk dat men bij het vormen van nieuwe composita, als op het gevoel af, naar bestaande modellen te werk ging en dikwijls geheel ten onrechte letters invoegde. Op die wijze ontstonden, naar het voorbeeld van koningsmoord, vaderlandsliefde, kindskind, de composita jongelingsvereeniging, belegeringswerken, vrijheidsliefde, dochtersman, waardoor de s in composita ook achter vrouwelijke substantieven allengs het teeken van den tweeden naamval werd; naar ganzemarkt, paardekooper, hoenderhok, waarin het eerste lid een meervoud voorstelde, ook andere waarbij men aan een enkelvoud dacht, als ganzepen, paardestaart, hoenderei; naar krijgsman, krijgstuig ook leidsman, scheidsmuur; naar schorteldoek, schrikkeljaar ook ringelduif, noteltere (noteboom).
Dientengevolge heeft men thans het volste recht om van verbindingsklanken te spreken; en, daar het niet altijd met zekerheid kan bepaald worden, of eene letter tot het voorste lid behoort, of slechts ingelascht is, zullen wij ook de wettig aanwezige onder den naam van verbindingsklanken of -letters begrijpen. Onder deze benamingen worden derhalve hier verstaan de letters -e, -n, -s, -el, -en en -er, voorkomende in het midden van samenstellingen, en niet behoorende tot den hedendaagschen stam van het eerste lid; dus b.v. de e in dageraad, de s in wolfsklauw, de lettergreep el in schorteldoek, en in menschenbloed, er in hoenderhok, omdat de stammen der eerste leden thans dag, wolf, schort, mensch, hoen luiden.
168. Moest het vermelde noodwendig de strekking hebben om den vorm onzer composita onzeker te maken, er kwam nog de bekende eigenaardigheid van het Nederlandsch bij, dat wij de n achter eene toonlooze e slechts zeer flauw uitspreken en soms geheel onderdrukken. Daarom kan het gehoor alleen niet meer beslissen, of men pere- of perenboom te schrijven heeft; daardoor hebben sommige infinitieven, b.v. ruilen in ruilebuiten, spelen in spelevaren, hunne n verloren. Dat onderdrukken had natuurlijk het meest plaats in dagelijksche woorden, die men vaker hoorde uitspreken, dan men ze geschreven zag. In het omgekeerde geval bleef de n bestaan. Dit ziet men onder andere aan het zeldzaam voorkomende eerenprijs (naam eener plant), dat men in de woordenboeken met eene n geschreven vindt, naast het meer gebruikelijke eereprijs, in den eigenlijken zin van het woord genomen.
169. Er is nog meer dat het bepalen van den vorm der composita moeilijk maakt. In de vroegste tijden reeds ging men, schijnbaar althans, met willekeur te werk, en vormde men, zonder eenig merkbaar onderscheid in de beteekenis te stellen, nu eens eigenlijke samenstellingen, dan eens koppelingen. De namen van de dagen der week leveren merkwaardige voorbeelden van die schijnbare regelloosheid op. Zondag, Maandag, Donderdag, Vrijdag, Zaterdag zijn eigenlijke samenstellingen, ofschoon het eerste lid, blijkens lat. dies Solis, Lunae enz., stellig in de betrekking van den genitief staat. Daarentegen zijn Dinsdag (Dies dach, dag van den god Die) en Woensdag (Wodans dach), meer overeenkomstig met de Latijnsche voorbeelden dies Martis en dies Mercurii, slechts koppelingen. Die ongelijkheid, ofschoon zij waarschijnlijk hare oorzaken heeft, laat zich thans niet meer verklaren. Men zal zulks moeten erkennen, als men bedenkt, dat men in het Middelnederlandsch zoowel Manendach, met den zwakken genitief van mane, als Maendach, Donresdach (Donderdag) naast Donredach en Vriendach of Vrijndach naast Vridach aantreft. Ook later ging men—voor ons verstand ten minste—niet regelmatiger te werk. Zoo geeft, om slechts iets te noemen, Kiliaan sonnenschijn op, als eene koppeling van schijn met den zwakken genitivus sonnen; maar daarentegen maenschijn, als eene echte samenstelling van maen en schijn.
170. Hier komt nog bij, dat de taal thans stellig naar andere beginselen te werk gaat en meer naar duidelijkheid streeft. Bepaaldelijk wil zij den vorm van het meervoud, waar het begrip het denkbeeld van een meervoud medebrengt, terwijl men zich oudtijds met den stamvorm vergenoegde. Dit blijkt b.v. uit de vergelijking van de nieuwere woorden beeldengalerij, krankzinnigengesticht, woordenboek enz. met de oudere beeldhouwer, weeshuis, woordboeck enz.
171. Uit deze waarnemingen, beschouwd in verband met het onderdrukken der n, volgt, dat men bij het verklaren en bepalen der verbindingsletters, althans in de bijzondere gevallen, weinig of geen licht kan vinden bij onze Ouden, omdat dezen, oogenschijnlijk ten minste, zonder regelmaat te werk gingen. Zoo laat zich b.v. niet uitmaken, of ons hedendaagsche zonneschijn en maneschijn samenstellingen zijn van zon en maan in hun verouderden vorm sonne en mane, dan wel koppelingen, bloote aanhechtingen van schijn aan de zwakke genitieven sonnen en manen, met dezelfde onderdrukking der n, die b.v. in spele(n)varen heeft plaats gehad.
172. Te midden echter van al die schijnbare onregelmatigheden straalt een beginsel door, dat thans nog geldt, te weten het streven naar welluidendheid, of liever, negatief gesproken, het zoeken om onwelluidende vormen te vermijden.
Ontegenzeglijk klinkt het samentreffen van sommige medeklinkers nagenoeg even onaangenaam, als zulks algemeen erkend wordt van de onmiddellijke opeenvolging van twee klinkers, waarvoor men zelfs opzettelijk een naam, hiatus, gaping, heeft uitgedacht. Sommige verbindingsletters hebben dan ook buiten tegenspraak geen ander doel, dan het vermijden van zulk een wanluidend samentreffen, en niet zelden strekt de e alleen om twee medeklinkers, de n om twee klinkers te scheiden.
173. Even zeker is het, dat buitengewoon lange samenstellingen onwelluidend zijn en daarom door de taal zooveel mogelijk vermeden worden. Dit blijkt duidelijk uit woorden als jongelingsvereeniging, vondelingshuis en dergelijke, voor jongelingenvereeniging, vondelingenhuis: vormen, die men niet gebruikt, omdat zij ééne lettergreep langer zijn, ofschoon zij door de analogie van boerenbedrijf, ziekenhuis enz. zouden gevorderd worden.
174. Van het tegenwoordige standpunt beschouwd, schijnt het alleszins wenschelijk dat er regels gesteld worden, die volstrekte regelmatigheid in de samenstellingen brengen, en waarbij men de beteekenis en de onderlinge verhouding der leden niet voorbijziet. Uit alles echter moet gebleken zijn, dat zulks geheel ondoenlijk is. Een aantal woorden uit vroegeren tijd, samengesteld naar thans onbekende beginselen, of schijnbaar tegen alle beginselen aan, hebben een vasten vorm gekregen, die nu niet meer te veranderen is, b.v. eierdop, eierschaal. Aan het stellen van algemeene regels, voor eene geheel consequente en tevens logisch juiste compositie, is derhalve niet te denken, dewijl zulks onvermijdelijk eene wijziging in den vorm van een zeer groot aantal woorden ten gevolge zou moeten hebben, die, zoo zij daardoor ook al niet geheel onkenbaar werden, dan toch een al te zonderlingen indruk maken zouden. Wien toch zou het niet bevreemden dagraad, bruidsgom en nachtgaal geschreven te vinden, ofschoon deze woorden in overeenstemming zouden zijn met dagboek, dagregister, dagreis enz., met bruidsdagen, bruidstranen, bruidsgift, bruidsgoed enz., en met nachtgewaad, nachtgoed, nachtkaars enz.
Logisch juist zijn de woorden ziekenhuis, oude-mannenhuis, invalidenhuis, kinderhuis (met het oude meervoud kinder); minder goed zijn weeshuis en duifhuis, hoewel te rechtvaardigen, als gevormd naar de oorspronkelijke wijze van samenstellen; geheel onverdedigbaar is daarentegen vondelingshuis. Doch wie zou zijne goedkeuring willen hechten aan een regel, die voorschreef met strikt logische juistheid kinderenhuis, vondelingenhuis, weezenhuis te schrijven, en duifhuis door duivenhuis te vervangen, ten einde het met duivenhok en duiventil in overeenstemming te brengen?
175. Is het stellen van algemeen geldige regels voor het vormen van composita volstrekt onmogelijk, het is gelukkig ook niet noodig. De Spelling heeft alleen te bepalen, hoe de gesproken woorden, haar door de Etymologie of het Gebruik kant en klaar geleverd, behooren geschreven te worden. Zij behoeft zich dus slechts te bemoeien met die samenstellingen, wier vorm niet duidelijk uit de uitspraak blijkt, en waarvan dientengevolge verschillende schrijfwijzen bestaan.
176. Doch ook zóó genomen heeft de zaak nog vele bezwaren in. Het aantal der onzekere vormen is groot en bestaat uit verschillende soorten; en daarnevens bevinden zich verscheidene woorden, tot dezelfde soorten behoorende, die steeds onveranderlijk op dezelfde wijze geschreven worden, wier vormen dus wel degelijk bepaald zijn, maar naar verschillende en tegenstrijdige beginselen. Zoo schrijft men onveranderlijk sterrekunde en instrumentmaker, met sterre en instrument in den enkelvoudigen stamvorm; daarentegen, evenzeer onveranderlijk, volkenkunde en sigarenmaker, met volk en sigaar in den meervoudsvorm. Het is duidelijk, dat er geen regel bestaan kàn, waarin beiderlei vormen gelijkelijk passen. Welke regels men dus ook voor de onzekere vormen aanneme, er blijven altijd eenige woorden over, die, zoo men te hunnen opzichte het Gebruik wil blijven eerbiedigen, noodwendig buiten de regels vallen. Men zou de zoodanige als uitzonderingen kunnen beschouwen en vermelden, indien de uitspraak en spelling van alle even zeker ware als die van de vier bovengenoemde, of indien er eenig herkenningsteeken bij die uitzonderingen bestond. Daar dit echter in geenen deele het geval is, en men toch wel niet verlangen kan, dat wij geheel beginselloos te werk gaan, zoo blijft ons niets anders over, dan 1º. eenige regels aan te nemen, die, zoo weinig mogelijk met het oude gebruik strijdende, op de hedendaagsche richting der taal gegrond zijn, en daardoor recht geven tot de verwachting, dat nieuwe woorden dienovereenkomstig zullen gevormd worden; en 2º. de weinige woorden, wier vorm door het Gebruik anders bepaald is, met die regels in overeenstemming te brengen. Uit het aangevoerde toch moet niet slechts de onmogelijkheid gebleken zijn van dit te vermijden, maar ook evenzeer de wenschelijkheid, dat er eenmaal een einde kome aan de bestaande wanorde in het stuk der compositie, en dat men daarbij duidelijk bewuste verstandige beginselen volge. Wij voor ons ten minste rekenen ons verplicht daarnaar te streven.
177. Het is duidelijk, dat de Spelling ook bij het stellen van zulke regels, althans in de eerste plaats, behoort te werk te gaan naar dezelfde beginselen, die bij het schrijven der grondwoorden gelden, voor zooverre die hier van toepassing kunnen zijn. De Regels der Gelijkvormigheid (§ 49) en der Afleiding (§ 54) bepalen den vorm der te verbinden woorden, doch zwijgen natuurlijk van de verbindingsletters; en daar men geheel van de onderstelling uitgaat, dat de Uitspraak niet beslist, zullen voornamelijk de Analogie (§ 59) en de Welluidendheid (§ 62) moeten geraadpleegd worden.
In één opzicht zal men genoodzaakt zijn van de aangenomen gewone beginselen af te wijken: aan het Gebruik zullen hier aan de eene zijde minder, aan de andere meer rechten moeten toegekend worden. Nergens had dit vrijer spel dan in het stuk der compositie, waar zoovele verschillende beginselen golden, en aanleiding gaven om de meest uiteenloopende richtingen aan te nemen. Zal er eenige regelmaat in het schrijven der samenstellingen bestaan, dan zal men soms van het Gebruik moeten afwijken, zonder te kunnen bewijzen dat het volstrekt verkeerd is, terwijl men het in andere gevallen zal moeten eerbiedigen, ofschoon het moeilijk kan gerechtvaardigd worden; vergel. hier § 66. Zoo is de spelling zedeleer en sterrekunde op zich zelve geheel wettig, als eene samenstelling met den stamvorm zede en sterre; maar de Analogie en de hedendaagsche richting der taal eischen zedenleer en sterrenkunde; hier kunnen wij het Gebruik niet langer laten gelden. Daarentegen zijn de gewone vormen eierdop, eierschaal (bij Kiliaan nog ey-dop, ey-schale) verkeerd, en het meervoud door niets goed te maken; doch wie zal nu eidop, eischaal willen geschreven zien?
178. Daar de bemoeiingen der Spelling zich niet verder behoeven uit te strekken dan tot die verbindingsletters, die in de uitspraak niet duidelijk worden gehoord, is het klaar, dat alle onderzoekingen zich hier bepalen tot de n en de s. Men kan alleen onzeker zijn, of eene toonlooze e al of niet door n gevolgd, en of eene s of z, waarmede het tweede lid begint, al of niet door eene s wordt voorafgegaan; b.v. of men konijnen- of konijnehaar, dorps- of dorp-schuit, eenigs- of eenig-zins te schrijven heeft. Omtrent de overige letters, over het al of niet aanwezig zijn van e en er, en van s, niet door s of z gevolgd, beslist de Uitspraak.
Ten einde onder de duizenden samengestelde woorden niet geheel in den blinde rond te tasten, zal het dienstig zijn vooraf na te gaan, onder welke soort van samenstellingen de vermelde onzekerheden worden aangetroffen. Bij dat onderzoek zullen wij het veiligst te werk gaan, indien wij achtereenvolgens die woordsoorten uitmonsteren, bij welke eene inlassching van verbindingsletters niet denkbaar is, of in elk geval verkeerd zou wezen. Daar de verbindingsletters steeds òf werkelijk uitgangen van het eerste lid zijn, òf als zoodanig worden aangemerkt, zal men de samenstellingen naar de natuur van het eerste lid in soorten of klassen moeten onderscheiden.
Alleen een voegwoord kan niet het eerste lid eener samenstelling uitmaken; alle andere rededeelen, zelfs het lidwoord van bepaaldheid, b.v. in dewijl, en de tusschenwerpsels ei en he in eilaas en helaas, treden als eerste leden van composita op. Voor zooverre echter de samenstellingen met onverbuigbare woorden beginnen, is het duidelijk, dat er geene sprake van verbindingsletters kan wezen. Immers vermits deze letters steeds werkelijke of gewaande buigingsuitgangen zijn, ontbrak bij de woorden, die met indeclinabilia, met bijwoorden, voorzetsels of tusschenwerpsels beginnen, de aanleiding tot het aanwezig zijn of tot het ontstaan van verbindingsletters geheel en al. Men treft er onder dezulke dan ook geene aan, zelfs niet waar de welluidendheid ze zou kunnen vorderen. Men schrijft algemeen medearbeider, medeërfgenaam, medeïngezetene, medeoorzaak, medeüitverkorene, waarin niemand ter wegneming van den hiatus eene n invoegt; eene waarneming, die bewijst, dat ook die verbindingsletters, die blootelijk voor de welluidendheid strekken, toch naar de analogie der buigingsletters ontstaan zijn.
De met onverbuigbare woorden aanvangende samenstellingen leveren derhalve ten opzichte der verbindingsletters geene onzekerheden op; deze zijn dus alleen denkbaar bij die soorten van composita, wier eerste lid verbuigbaar is. Doch ook van deze vallen terstond een paar soorten weg, waarover men zich niet verder te bekommeren heeft. De hoofdgetallen blijven in de eigenlijke samenstellingen onveranderd, en staan in zooverre gelijk met de onverbuigbare woorden. Men zegt en schrijft driewerf, viermaal, vijfhoek, zeskantig, driesprong, tiental, honderdvoud, duizendvoudig enz. De vormen op -en, als tweeën, drieën, vieren enz., komen slechts alleenstaande, nooit in samenstellingen voor; het gewone vierendeel is eene verbasterde uitspraak voor vierdedeel. Er bestond dus ook nooit aanleiding tot het ontstaan eener verbindings-n, zelfs niet ten gevalle der welluidendheid, hier evenmin als bij de indeclinabilia; men zegt tweeoogig en driearmig, niet tweenoogig en drienarmig. De vrouwelijke genitiefvorm op -er treedt slechts voor -lei en -hande in eenerlei, tweeërhande enz. en baart geene twijfelingen. Van de telwoorden blijven derhalve alleen die weinige ter nadere behandeling over, die, als geen en veel, op de wijze van bijvoeglijke woorden verbogen worden.
Ook de zelfstandige voornaamwoorden vallen buiten het onderzoek. Van deze komt alleen zelf als het eerste lid in samenstellingen voor. Ofschoon men het voorheen wel eens eene s gaf, en b.v. soms zelfsbedrog schreef, in het hedendaagsche gebruik blijft het onveranderlijk zelf: zelfbeschuldiging, zelfvertrouwen, zelfverloochening enz.
179. Uit het aangevoerde volgt, dat alle twijfelachtige gevallen moeten gezocht worden onder woorden, aanvangende met zelfstandige naamwoorden, werkwoorden of bijvoeglijke woorden, te weten lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden en onbepaalde telwoorden. Deze waarneming stelt ons in staat om over den aard der verbindings-s en -n te oordelen. De n zal achter zelfstandige naamwoorden òf het teeken moeten zijn van den zwakken genitief, òf dat van het meervoud; achter bijvoeglijke woorden een naamvalsuitgang; achter werkwoorden het teeken van den infinitief; òf zij zal bloot euphonisch moeten wezen, wat achter allerlei woorden, behalve indeclinabilia, kan plaats hebben. De s kan achter zelfstandige naamwoorden den genitief of het meervoud aanduiden; achter bijvoeglijke woorden zal zij het teeken van den sterken genitief wezen; òf zij zal achter beide soorten als euphonisch zijn te beschouwen; achter stammen van werkwoorden zal zij slechts de laatstgenoemde waarde kunnen hebben.
Beginnen wij met het onderzoek naar
180. Uit de vorige § vloeit voort, dat men bij het oordeelen over de noodzakelijkheid of overtolligheid der verbindingsletters volstrekt noodig heeft te weten, tot welke soort van woorden het eerste lid behoort. In de meeste gevallen is dit niet moeilijk te bepalen. Een werkwoord, al staat het in den stamvorm, laat zich door zijne beteekenis in den regel duidelijk genoeg onderkennen; doch substantieven en adjectieven zijn niet altijd zoo gemakkelijk te onderscheiden. Met name is dit het geval met de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige, waarvan zij gevormd zijn door aanhechting van het achtervoegsel -en, welks n in het dagelijksch leven zelden duidelijk uitgesproken, maar meestal geheel onderdrukt wordt. Dit maakt, dat men op het gehoor af niet kan onderscheiden, of men in samenstellingen met zelfstandige naamwoorden of met stoffelijke adjectieven te doen heeft; of men b.v. tarwen- of tarwebrood, rijsten- of rijstebrij moet schrijven. Daar de uitspraak hier niet beslist, en de beteekenis, oppervlakkig beschouwd, beide schrijfwijzen schijnt te wettigen, zal de analogie moeten geraadpleegd worden. Men heeft te vragen, of er andere samenstellingen bestaan, waarvan het eerste lid stellig en buiten allen twijfel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord is. Bij onderzoek blijkt, dat er geen enkel zoodanig woord is te vinden, maar integendeel een aantal, waarin het eerste lid uit een zelfstandig naamwoord bestaat, dat de plaats bekleedt van een stoffelijk bijvoeglijk naamw., of althans hetzelfde uitdrukt. Zoo spreekt men van blik-, hout-, ijzer-, koper- en tinwaren; van hout-, ijzer-, koper- en zilverwerk; van goud-, ijzer-, koper- en zilverdraad; van goud- en zilverlaken; van goudguldens en zilvergeld; van stroohoeden; van steen- en suikergoed; van pleisterbeelden; van steen- en zandwegen; van steenrotsen, stroodaken en turfmuren; van amandeltaarten, honingkoeken en peperkoek; terwijl er geen enkel compositum met gouden, zilveren enz. is aan te wijzen. Hieruit blijkt duidelijk genoeg, dat onze taal geene samenstellingen met stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden kent.
Dit liet zich reeds a priori voorzien. Het Nederlandsch toch, ofschoon zoozeer als eenige taal het vermogen bezittende om samen te stellen, maakt evenwel van dat vermogen slechts met tact en wijze spaarzaamheid gebruik. Het vormt geene samenstellingen, waaraan geene behoefte is; het koppelt daarom ook geen adjectief aan het volgende substantief, wanneer er geen nieuw begrip ontstaat, verschillende van dat, wat de woorden onvereenigd reeds zouden uitdrukken. Composita als aequatoriaalcirkel, gymnasiaalonderwijs, proportionaalpasser, privaatlessen enz. zijn germanismen, even grof als privaataudientie, privaatleven, existentiaaloordeelen en dergelijke. Een compositum goudenhorloge kon niet ontstaan, omdat gouden horloge volkomen hetzelfde uitdrukt. Men kan derhalve in de uitspraak roggenbrood, tarwenbrood enz., geene stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden erkennen. Het moge wezen, dat roggebrood, tarwebrood enz. ontstaan zijn door het samenkoppelen van roggen brood, tarwen brood enz., ten gevolge waarvan sommigen roggenbrood en zelfs roggembrood uitspreken; maar nu de gevoelens verdeeld zijn, moet het taaleigen beslissen. Het is uit dien hoofde raadzaam te schrijven: boekweitebrood, gerstebrood, roggebrood, tarwebrood, als samenstellingen met boekweit (oudtijds boeckweyte), gerst (oudt. gerste), rogge en tarwe; en zoo ook rijstebrij, rijstepap, gelijk haverbrij, gortpap, meelpap, van rijst (oudt. rijs) met eene ingelaschte e of te naar het voorbeeld der overige samenstellingen, die meestal drielettergrepig zijn. Wie in sommige der opgenoemde woorden de n zou willen laten hooren, zou de woorden moeten scheiden en roggen brood, weiten pannekoeken enz. schrijven, dewijl de n zich ook niet als teeken van den zwakken genitivus laat rechtvaardigen, vermits de taal de betrekking tusschen de stof en het daaruit vervaardigde nooit door een 2den naamval uitdrukt. Daarentegen schrijve men: boonenbrood, kanenbrood, gruttenbrij, frambozenkoekjes, erwtensoep, omdat deze gevormd zijn van de meervouden boonen, kanen, grutten, frambozen, erwten.
Verder volgt hieruit, dat men, van aarden vaatwerk en van een kunstweg sprekende, overeenkomstig het bijna algemeene gebruik, aardewerk en aardebaan zeggen moet; niet aardenwerk, aardenbaan, ofschoon deze vormen, taalkundig nooit te verdedigen, wel door eene ongeoorloofde samenkoppeling met aarden kunnen ontstaan zijn.
181. Indien het zeker is, dat men in die gevallen, waarin de zin desnoods een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou toelaten, met een zelfstandig naamw. te doen heeft, dan lijdt het wel geen twijfel, dat zulks nog veeleer het geval is bij woorden, in wier beteekenis slechts met moeite die van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in te wringen is. In dit geval verkeeren de boomnamen, samengesteld met een woord, dat reeds op zich zelf een boomnaam is, b.v. berkeboom, beukeboom enz. Een berkeboom is toch wel bezwaarlijk op te vatten als een berken of berkenhouten boom, gelijkstaande met berken bezem, berken roede. Daarom treft men in berke-, beuke-, denne-, eike-, elze-, essche-, ijpe-, sparre- en wilgeboom, waarin sommigen eene n schrijven, evengoed als in abeel-, ceder-, olm-, palm- en pijnboom, en in lindeboom, waarin nooit eene n gehoord wordt, geene bijvoeglijke naamwoorden aan, maar de boomnamen in hun ouden vorm berke, beuke, denne, eike enz., uit den tijd toen zij, gelijk linde nog, op e uitgingen. Daar boom in berkeboom als het ware de appositie is van berk, en beide leden derhalve in gelijke betrekking staan, is de n ook niet als teeken van den zwakken genitief te verdedigen.
De woorden grenen en vuren, die in onze taal den grondvorm missen, maar rechtstreeks zijn afgeleid van Noordsche benamingen van denneboomen, zijn wel stoffelijke bijvoegl. naamwoorden; doch daar de grondvormen bij ons onbekend zijn, kunnen zij niet anders dan als Nederlandsche grondwoorden beschouwd worden, die als zoodanig in de samenstelling onveranderlijk zijn.
182. De n kan als teeken van den genitief gewettigd schijnen achter de substantieven der zwakke declinatie, dat wil zeggen achter dezulke, die in den 2den naamval van het enkelvoud n of en aannemen, en die zich voorheen ook daardoor onderscheidden, dat zij in alle naamvallen van het meervoud op en uitgingen, terwijl die der sterke declinatie e of s aannamen. Deze zijn, behalve het onzijdige hart (des harten), louter manlijke persoonsnamen; te weten alle die op e eindigen, als bode, erve, getuige; de als persoonsnamen gebezigde bijvoeglijke naamwoorden: arme, bediende, blinde, gedaagde, gevangene, kreupele, lamme, rijke, overste, zieke enz., waartoe ook die behooren, welke de e hebben afgeworpen, als dwaas (des dwazen), gek, vrek, zot, en eindelijk nog graaf, heer, mensch, paus, prins en vorst, die voorheen, op paus na, insgelijks op e uitgingen, en gedeeltelijk soms nog met e geschreven worden, als grave, heere, mensche.
183. De zwakke declinatie was oudtijds veel talrijker en bevatte niet slechts nog andere manlijke en onzijdige substantieven, die thans sterk verbogen worden, maar ook vrouwelijke, die nu alle verbuiging hebben verloren.
Tot de manlijke behoorden nog andere persoonsnamen, als hertog, jood, profeet, slaaf, soldaat;—diernamen als aap, beer, bul of bol, draak, haan, haas, os, pauw; en namen van levenlooze dingen, als gaard, naam, wil. Deze gingen insgelijks meest op de toonlooze e uit: jode, profete, slave, ape, bere, bolle, drake, hane, hase, osse, paeuwe, gaerde, name, wille enz.
Ook de onzijdige ooge en oore werden oorspronkelijk zwak verbogen, ten gevolge waarvan zij eerst vrouwelijk werden, om later, na afwerping der e, tot het onzijdige geslacht terug te keeren.
Grooter was de klasse der vrouwelijke zwakke substantieven, waartoe vrouwe, coninginne, deure, eere, kerke, mane, sonne e.a. behoorden.
184. De verbuiging der genoemde woorden veranderde natuurlijk niet plotseling en op eenmaal; zij bleef lang tusschen zwak en sterk dobberen, zoodat men zelfs bij eenen en denzelfden schrijver nevens elkander des profeets en des profeten, des leeuws en des leeuwen, des osses en des ossen, der vrouwe en der vrouwen, der aerde en der aerden, der eere en der eeren enz. aantreft.
Het langst hield de zwakke vorm stand, wanneer het regeerende substantief of een ander innig verbonden woord op den genitief volgde. Zoo leest men bij dezelfde schrijvers: eens profeten sone, des leeuwen muyl, des profeten Jeremia enz., naast: de stemme eens fellen leeuws, Ahia des profeets enz., waar de omgekeerde woordschikking plaats heeft.
185. Uit constructiën als de eerstgenoemde, waarin de genitief vóór het beheerschende woord staat, b.v. eens profeten sone, eens vorsten telg, eens heeren knecht, des prinsen vlag, eens bullen pees, eens hanen poot, eens leeuwen muil, eens ossen tong enz., konden lichtelijk door koppeling composita ontstaan, als profetenzoon, vorstentelg, heerenknecht, prinsenvlag, bullenpees, hanenpoot, leeuwenmuil, ossentong enz.; op dezelfde wijze als Godszoon, bokspoot, hondstand, wolfshonger enz. uit Gods zoon, eens boks poot, eens honds tand, eens wolfs honger. Zeker is het dat sommige samenstellingen werkelijk aan zulk eene koppeling haar ontstaan te danken hebben, b.v. ’s-Gravenhage, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, eerenprijs (naam eener plant); het afgekorte lidwoord ’s (voor des), het voornaamw. mijns en het gemis van het meerv. van eer of eere stellen zulks buiten twijfel. Men mag dus veilig aannemen, dat ten minste eenige der bovengenoemde, misschien alle, en nog vele andere koppelingen enkelvoudige genitieven bevatten. Doch even zeker is het, dat men daarbij, behalve bij eigennamen, gelijk de bovengenoemde van lidwoorden of voornaamwoorden vergezeld, thans niet meer aan een tweeden naamval denkt; de uitspraak der meest gebruikelijke woorden leert zulks duidelijk. Men zegt toch algemeen zonder n: bullepees, hanekam, hanepoot, haneveer, hazesprong, ossetong, pauweveer; niet bullenpees, hanenkam enz., ofschoon men daarnevens wel degelijk van bokspooten, hondstanden, lamsbouten, ramshorens en arendsneuzen spreekt, waarin ontwijfelbaar de sterke genitivus gehoord wordt. De oorzaak is klaarblijkelijk daarin gelegen, dat de zwakke genitieven zeldzaam geworden en uit de omgangstaal geheel verbannen zijn, en nu alleen nog in hoogeren stijl worden gebezigd. Het is een gevolg van de richting, die onze taal in de laatste eeuwen heeft genomen. De zwakke genitief leeft niet meer in het bewustzijn des volks, hij is verouderd; de sterke heeft zijne plaats ingenomen op weinige uitzonderingen na, die tot den deftigen stijl behooren, welke gaarne eenigszins verouderde uitdrukkingen bezigt. Er staat eene andere richting tegenover, namelijk het toenemen der n van het meervoud. In het Middelnederlandsch eindigden alle sterke substantieven in het meervoud slechts op eene e: honde, hande enz., thans alle op en. In de 17de eeuw nog gingen de gesubstantiveerde adjectieven, als arme, rijke enz., in het meervoud op e uit, thans insgelijks op en: de armen enz. De n van het meervoud is dus toegenomen, naarmate die van den zwakken genitief verminderd is. Aan de vereenigde werking der beide richtingen is het toe te schrijven, dat men de n in de composita niet meer als het teeken van den genitief, maar als den uitgang van het meervoud aanmerkt. Duidelijk blijkt zulks uit die samenstellingen, waarin het eerste lid een vroeger zwak verbogen substantief is, die dus de n behoorden te hebben, maar ze door s hebben vervangen, als: naamsverwisseling, wilskracht, hartstocht, hartsvriendin, eershalve, maansverduistering, vrouwspersoon, zonsondergang enz. Neemt men hierbij in aanmerking, dat, niettegenstaande alle vrouwelijke woorden thans onverbogen blijven, er toch in composita een groot aantal worden aangetroffen, waarin s de betrekking van den genitief uitdrukt, als in deugdsbetrachting, krachtsontwikkeling, liefdesverklaring, stadspoort, vriendschapsbetuiging, waarheidsliefde, zielsverdriet, zuinigheidsmaatregel; en dat er volstrekt geene samenstellingen als deurenpost, kerkentoren, manenschijn, stedenpoort, zonnenstraal enz. bestaan, ofschoon men daarin met recht de n van den 2den naamval zou verwachten, dan moet men wel besluiten, dat de taal in samenstellingen geene n meer als teeken van den 2den naamval beschouwt. Maar dan zou het ook eene miskenning van hare geschiedenis wezen, indien men thans nog in composita eene twijfelachtige n wilde schrijven, alleen op grond, dat zij de betrekking van een enkelvoudigen genitivus moest aanduiden.
186. Uit het aangevoerde volgt, dat de samenstellingen met het enkelvoudige hart geene n behooren te hebben. Men zegt algemeen: hartediefje, harteleed, hartelust; en de woorden hartstocht en hartsvriendin bewijzen voldingend, dat men zelfs bij dit woord, ofschoon het werkelijk nog zwak verbogen wordt, in composita niet meer aan den zwakken genitief denkt. Daarom is hartewensch de eenige thans consequente vorm, hoewel men nu en dan nog wel hartenwensch gespeld ziet. De vormen met harten- verwekken kennelijk de gedachte aan een meervoud, gelijk b.v. hartenaas, hartenheer in het kaartspel.
187. Doch alhoewel het zeker is, dat de taal thans het invoegen eener twijfelachtige n niet wettigt, indien er in het geheel geen andere grond voor bestaat dan het uitdrukken van een genitief, die niet meer gevoeld wordt, even zeker is het, dat zij die invoeging niet verbiedt, wanneer daarvoor andere redenen aan te voeren zijn.
In geen geval zal iemand de n willen missen in ’s-Gravendeel, ’s-Gravenhage, ’s-Heerenberg, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland en dergelijke namen, in welke hare beteekenis ten gevolge der voorafgaande genitieven ’s en mijns duidelijk wordt gevoeld. Maar er zijn ook andere gevallen, waarin men eene n zal willen schrijven, ofschoon zij alleen kan beschouwd worden als teeken van een enkelvoudigen 2den naamval, waarvan men zich niet duidelijk bewust is. Er bestaan namelijk eenige woorden met dubbele beteekenis, die in de eene, in de oneigenlijke opvatting, als teeken van het meervoud eene n eischen, welke in de eigenlijke slechts den 2den naamval van het enkelvoud kan vertegenwoordigen. De overdrachtelijke opvatting dier woorden, dus hun vorm met n, is de gewone; de eigenlijke, die strikt genomen de n zou kunnen missen, komt uit haren aard slechts hoogst zelden voor, terwijl het voor de duidelijkheid onverschillig is en dus nutteloos en spitsvondig zou zijn de beide opvattingen door verschil in spelling te onderscheiden. Daar nu de n in de bedoelde woorden als teeken van den zwakken genitief grammatisch volkomen gerechtvaardigd is, zoo hebben daar de Analogie en het in § 67 aangemerkte volle kracht. Zie over deze woorden beneden § 194.
Kan de hoedanigheid van teeken van den zwakken genitief eene voldoende reden zijn om eene n te schrijven, waar de Analogie daarvoor pleit; zij is geen voldoende grond voor haar behoud, waar de Analogie haar verwerpt. Dit is het geval bij eerenprijs als plantnaam. Het is wel niet denkbaar, dat men de plant (veronica) zal verwarren met een eereprijs als eerbewijs; de onderscheiding door de spelling is dus volstrekt nutteloos en daarom af te keuren. Wij schrijven uit dien hoofde eereprijs zonder n in de beide opvattingen van het woord, naar analogie van eereboog, eerelid, eereplaats, eerepoort, eerepost, eerezetel enz.
188. Daar in eigenlijke samenstellingen het eerste lid oorspronkelijk in den stamvorm, dus noch in het enkelvoud noch in het meervoud voorkwam, behooren alle samenstellingen met een meervoudig eerste lid noodwendig tot de nieuwere tijden. Doordien er nu een aantal composita gevonden worden, die een meervoud onderstellen, maar wier eerste lid desniettemin enkelvoudig is, b.v. geweermaker, pijlkoker, patroontasch, weeshuis enz., heeft men wel eens getwijfeld aan het bestaan van eigenlijke samenstellingen, wier eerste lid meervoudig is. Er worden er evenwel genoeg gevonden, die niet twijfelachtig zijn. Niemand toch denkt er aan, in plaats van kinderschooltje, kalverliefde, eierkorf, raderwerk, lucifersdoosje, huisjesmelker, meisjesgek, sigarenkoker, krankzinnigengesticht enz., kindschooltje, eikorf enz. te zeggen en te schrijven; en toch, -er duidt steeds, en de s en en duiden in de genoemde woorden ontegenzeglijk het meervoud aan.
Het aanwezig zijn van samenstellingen met een meervoud, die voorheen onmogelijk waren, en die meestal eerst in de jongste tijden gevormd zijn, bewijst—wat in zoovele andere opzichten blijkt—dat de taal ook bij het samenstellen al meer en meer het begrip op den voorgrond schuift, en de duidelijkheid wil bevorderen, al kan zulks ook slechts geschieden met opoffering der oudere vormen en taalregels. Men heeft hierin een wenk te zien, dien men bij het kiezen tusschen verschillende schrijfwijzen moet gehoorzamen, ook dan zelfs, wanneer het Gebruik in een enkel geval stellig nog het oudere voortrekt. Wij nemen daarom als regel aan, dat die samenstellingen, eigenlijke zoowel als koppelingen, wier eerste lid noodwendig als de aanduiding eener veelheid moet opgevat worden, in twijfelachtige gevallen den meervoudsvorm vereischen, dat wil zeggen, achter de toonlooze e eene n als teeken van het meervoud moeten hebben. Wij schrijven volgens dat beginsel met eene n: bessensap, biezenkistje, boekenkast, boekenrek, boekenstalletje, brievenbesteller, brievenpost, brillenslijper, broekenstof (en broekstof), dennenwoud, dievenbende, druivennat, druiventros, duitendief, duiventil, eendenkooi, eikenbosch, engelenkoor, gortenteller, grappenmaker, hanengevecht, heldenschaar, hemdenlinnen, hertenkamp, hoedenmaker, ijpenlaan, jodenbuurt, kleerenmaker (en kleermaker), koekenbakker, kousenwever, mandenmaker, messenmaker, muggenzifter, pottenbakker, pottenkast, pruikenmaker, rozenkrans, sigarenfabriek, snarenspeeltuig, stoelendraaier, stokkenknecht, woordenboek, woordenlijst enz., omdat bij die woorden steeds aan eene veelheid wordt gedacht, en b.v. eene kast, waarin, onder andere dingen, één boek wordt geborgen, geene boeke- noch boekenkast heet, noch een grofsmid, die voor eigen gebruik een mes vervaardigt, dientengevolge een messe- of messenmaker wordt. De meeste der opgenoemde woorden worden trouwens algemeen met eene n gespeld; er kan geene reden bestaan om voor diegene, die men gewoonlijk anders schrijft, eene uitzondering te maken.
Onder de opgenoemde woorden zullen die op -maker (-makerij) en dergelijke den meesten aanstoot geven. Men ziet ze op uithangborden en in andere opschriften doorgaans, hoewel met loffelijke uitzonderingen, zonder n geschreven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat die spelling òf dagteekent uit den tijd, toen de woorden der sterke declinatie in het meervoud nog op e uitgingen, een gebruik dat feitelijk afgeschaft is; òf dat zij een gevolg is van het onderdrukken der n in de uitspraak, hetgeen slechts misbruik kan heeten; maar dat de e in verreweg de meeste gevallen niet anders dan als het teeken van het meervoud kan beschouwd worden: dan is het rationeel die spelling te volgen, welke de taal sedert een paar eeuwen buiten de samenstelling als regel heeft aangenomen.
189. Ingevolge dit beginsel schrijven wij, tegen het algemeene gebruik aan, zedenkunde, zedenleer, sterrenkunde met den meervoudsvorm. Ofschoon de vormen zedeleer en sterrekunde verdedigd kunnen worden als eigenlijke samenstellingen met zede en sterre in den stamvorm, en dus gelijkstaande met dierkunde, boekvertrek enz., zouden wij meenen de nieuwere richting in de taal te miskennen, indien wij hier, het Gebruik volgende, het eenvoudige, bij dierkunde, weeshuis en dergelijke niet, maar hier zeer goed aanwendbare middel versmaadden, om aan het woord den vorm te geven, die thans vereischt wordt, en dien men stellig kiezen zou, indien het woord niet reeds bestond, maar nog eerst gevormd moest worden; gelijk blijkt uit de jongere woorden plantenkunde, volkenkunde, warenkennis.
Deze regel, hoezeer ook schijnbaar algemeen, neemt nochtans niet alle ongelijkheid weg; er blijven naast de genoemde en dergelijke woorden een aantal bestaan, wier eerste lid wel altijd den enkelvoudigen vorm zal behouden, b.v. hoefsmid, geweermaker, pijlkoker, zwaardveger enz. Bepaaldelijk behooren hiertoe alle, die op de toonlooze lettergrepen -el, -em, -en en -er uitgaan, als: ketelboeter, orgelmaker, bezembinder, wagenmaker, leugendichter, ankersmid, spijkerfabriek. Wie zou deze en dergelijke woorden, wier vorm trouwens door de uitspraak niet twijfelachtig gelaten wordt, in gewerenmaker, zwaardenveger, ketelsboeter enz., willen veranderd hebben? Hoevensmid, hoewel het woord een meervoud onderstelt, zou het begrip vooral niet beter uitdrukken dan hoefsmid.
190. Van een aantal woorden is het niet twijfelachtig, dat het eerste lid enkelvoudig gedacht wordt, b.v. bijleman (sappeur), bakkebaard, brilleglas, bruggegeld, druivepit, galgebrok, hertebeest, lampeglas, messescheede, mollevel, notedop, pruimesteen, ruggemerg, slippedrager, spillebeen, tinnegieter, enz.—Dezulke bekomen natuurlijk geene n, tenzij deze door de euphonie ter vermijding van den hiatus geëischt wordt, b.v. geitenoog, ganzenei, brillenhuisje enz., waarvan beneden.
191. Uit de twee vorige §§ volgt, dat vele substantieven als eerste leden van composita stellig nu eens in het enkelvoud, dan eens in het meervoud behooren te staan; zoo b.v. paard in paardekop, paardestaart, en paardenmarkt, paardenkooper. Niet altijd echter ligt het even klaar voor oogen, welke vorm vereischt wordt, vermits niet zelden zoowel het enkel- als het meervoud denkbaar is. Heeft men b.v. kurketrekker of kurkentrekker te schrijven? is het een werktuig om telkens slechts de kurk van ééne flesch, of om de kurken van alle voorkomende flesschen te trekken? Zulke vragen, waarop de beteekenis geen beslissend antwoord geven kan, doen zich vele voor; hoe de spelling van zulke woorden in te richten? Wij meenen hier twee hoofdgevallen te moeten onderscheiden: het woord in quaestie kan in dagelijksch gebruik zijn, en zijn vorm om zoo te zeggen nagenoeg vaststaan; het kan ook tot de meer zeldzaam voorkomende behooren. In het laatste geval is de spelling doorgaans nog dobberend, en kan men dus vrijer handelen en de beginselen onbeschroomd toepassen; in het eerste is men minder vrij en half genoodzaakt de spelling, zooveel zonder verzaking van beginselen mogelijk is, met het Gebruik in overeenstemming te laten. Om die redenen meenen wij het volgende in het oog te moeten houden:
192. Aan woorden, het dagelijksch leven en de huishouding betreffende, die elk oogenblik in ieders mond komen, zet eene nooit of zelden uitgesproken n een voorkomen van deftigheid en stijfheid bij, strijdig met hunne beteekenis. Om die reden meenen wij de invoeging der n in zoodanige woorden zooveel mogelijk te moeten vermijden, en het enkelvoud te erkennen, waar de beteekenis zulks maar eenigszins toelaat. Zoo schrijven wij b.v. flesschebakje, omdat het telkens voor slechts ééne flesch dient, en om dergelijke reden ook: hondeketting, kurketrekker, kurketang, pennemes, pijpedop, pijpewroeter, pruikebol, mutsebol, hoededoos enz. Waar het enkelvoud echter geheel tegen de natuurlijke opvatting strijdt, gelooven wij den meervoudsvorm ook bij zulke dagelijksche woorden te moeten aannemen, en b.v. flesschenrek, kurkenmandje, pennenkoker, naaldenkoker, speldenkussen, messenmandje, pijpenlade, pijpenmandje enz. te schrijven.
Men moge deze onderscheiding spitsvondig noemen, in de Spelling, zal zij niet geheel beginselloos en willekeurig zijn, is men niet zelden gedwongen onderscheidingen in het oog te houden, die op zich zelve geene of slechts geringe waarde hebben; vergelijk § 67. Wij aarzelen hier te minder op de beschrevene wijze te werk te gaan, daar wij in dezen voorgangers hebben in de Fransche grammatici, die bij composita op gelijke wijze handelen, en die, voor zooverre ons bekend is, geene afkeuring hebben ondervonden. Men denke hier aan het verschil in de spelling van chauffe-lit, porte-bougie, tire-balle, tire-bouchon, serre-tête enz., en van chauffe-pieds, essuie-mains, porte-clefs, tire-bottes, serre-papiers enz.
193. In sommige gevallen, waarin de beteekenis strikt genomen de beide getallen toelaat, wil het Gebruik den meervoudsvorm. Dit heeft plaats bij samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, als: boer, heer, slaaf, vrouw en dergelijke. Ofschoon een boerenzoon de zoon is van éénen boer, eene soldatenmonteering de monteering van éénen soldaat, eene vrouwenmuts de muts van ééne vrouw, schrijft men toch deze woorden steeds met eene n. Evenzeer zegt en schrijft men nagenoeg algemeen: bodenloon, boerenbedrijf, boerendochter, boerenhofstede, boerenwoning, heerendienst, heerenhuis, heerenknecht, heldenarm, heldendaad, heldenmoed, maagdenhart, maagdenschenner, matrozenhoed, matrozenlied, matrozenpak, meidendienst, meidendracht, slavenaard, slavenarbeid, slavendienst, slavenwerk, soldatenkind, soldatenvrouw, studentenhaver, studentenlied, vorstenkroon, vorstentelg, vorstenzoon, vrouwenhand, vrouwenhemd, vrouwenkleed, vrouwenrok enz. Kennelijk denkt men hierbij aan het meervoud, aan den geheelen stand, door het meervoudige eerste lid vertegenwoordigd. Boerenwoning wordt opgevat als woning, gelijk iemand uit den boerenstand bewoont; vrouwenrok als rok, gelijk de vrouwen dragen. Menschenbloed, vorstentelg mogen oorspronkelijk beteekend hebben: bloed van een mensch, telg of kind van een vorst, thans worden die uitdrukkingen opgevat als bloed van een individu van het genus menschen, als telg van een geslacht van vorsten.—Ongetwijfeld heeft de verbuiging tot de vestiging van dit gebruik medegewerkt. De genoemde woorden toch vormen hun meervoud uitsluitend met en, zoodat de s het meervoud in die samenstellingen niet vertegenwoordigen kan. Daarentegen nemen dezulke, die hun meervoud òf alleen met s òf met s en en beide vormen, als: jongen—jongens, kok—koks, meisje—meisjes, knecht—knechts en knechten, man—mans en mannen, officier—officiers en officieren, smid—smids en smeden enz., in zulke samenstellingen doorgaans de s aan: jongenspak, jongenswerk, knechtsdienst, knechtslivrei, koksmaat, kokswerk, kuipersambacht, kuipersboor, manshand, mansrok, meisjeskleeren, meisjesstem, officiersepaulet, officiersuniform, sergeantsvrouw, smidsknecht, smidswerk, smidswinkel enz.
a. Zulke samenstellingen met s behooren veelal tot den dagelijkschen stijl. Komt een woord alleen in meer deftigen stijl voor, dan heeft het eerste lid den meervoudsvorm op en, als: mannenmoed, officiereneer, knechtenaard.
Op grond dezer waarneming stellen wij ons den volgenden regel: De samenstellingen, wier eerste lid een een- of tweelettergrepige persoonsnaam is, die zijn meervoud uitsluitend met en vormt, hebben het eerste lid in den meervoudsvorm, zoodra het begrip de voorstelling van veelheid slechts toelaat, d.i. zoodra het eerste lid gedacht kan worden den geheelen stand te vertegenwoordigen. Volgens dezen regel schrijven wij ook: boerinnenjak, -muts, gekkenpraat (praat zooals die van gekken), maagdenpalm, maagdenwas, boeren-, heeren-, prinsessenboonen, prinsessenbier enz., ofschoon het Gebruik hier soms dobbert of zelfs het omgekeerde wil.
b. De regel bevat twee beperkingen. Hij sluit vooreerst de woorden van meer dan twee lettergrepen uit, als: jongeling, kweekeling, komediant, muzikant, predikant en dergelijke, ofschoon zij hun meervoud door achtervoeging van en maken. Men zegt niet: jongelingendroomen, jongelingenjaren, komediantenvrouw, predikantenkostuum, predikantenzoon, maar met s: komediantsvrouw, predikantskostuum, predikantszoon enz. Blijkbaar is het de Welluidendheid, die noodelooze lange samenstellingen afkeurt, maar die het meervoud slechts toelaat, waar het onvermijdelijk is, b.v. bij komediantentroep, predikantenvereeniging en dergelijke. Men zegt zelfs jongelingsvereeniging, ofschoon jongelingenvereeniging zou te verkiezen zijn. Zie hier § 173. Alleen de meerlettergrepige vrouwennamen op -in, als koningin, hertogin, maken uitzonderingen. Zij volgen de analogie van boerin: koninginnenkroon enz.
c. De tweede beperking is uitgedrukt in de woorden: »zoodra het begrip de voorstelling eener veelheid toelaat.” Immers, waar dit het geval niet is, is de meervoudsvorm ook niet in gebruik. Daarom zegt men niet vrouwenpersoon, maar vrouwspersoon. Alleen schrijve men Lieve-Vrouwenkerk en Lieve-Vrouwen-bedstroo, omdat die woorden, ofschoon het begrip van een enkelvoud bevattende, voorheen naar de zwakke verbuiging van vrouwe gevormd zijn, en in de beschaafde uitspraak de n, als teeken van den genitief, kennelijk hebben behouden.
194. Nagenoeg in hetzelfde geval als de woorden van persoonsnamen, gevormd, verkeeren sommige samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is. Ook deze hebben in sommige gevallen den meervoudsvorm. Het Gebruik handelt hier echter minder eenparig. Zoo zegt en schrijft men vrij algemeen: apengezicht, berenklauw, drakenbloed, elpenbeen, leeuwenbek; doch nooit bullenpees, hanenkam, hanenveer, hazensprong, kattenkwaad, koeienkop, muizenkeutel, pauwenveer, vlooienbeet. Stellig is ook hier de declinatie de oorzaak van het bestaan der n, want men zegt arendsneus, bokspoot, boksbaard (plant), hondstong (plant), hondstanden (hoektanden), wolfshonger, wolfsklauw (plant) enz., van arend, bok, hond enz., welke steeds tot de sterke declinatie behoord hebben. Ofschoon het waarschijnlijk is, dat sommige dier composita met n oorspronkelijk koppelingen van zwakke enkelvoudige genitieven waren, zoo kunnen zij volgens § 185 thans niet meer als zoodanig erkend worden, maar is het een vereischte, dat men ten minste aan het meervoud denken kan. De schrijfwijzen hanenkam, het woord in den oneigenlijken zin genomen, mollenpoot, paardenstaart, zijn dus reeds uit dien hoofde verwerpelijk, omdat de beteekenis het enkelvoud van haan, mol en paard onderstelt. De meeste woorden, waarin het Gebruik de n wil, laten trouwens ook, evenals de composita met persoonsnamen (waarvan in de vorige §), inderdaad toe aan het meervoud te denken, en hebben daarbij meest een overdrachtelijken zin. Zoo beteekent apengezicht nooit, immers hoogst zelden, het gezicht van eenen aap, maar wel het gelaat van een mensch; het woord kan dus opgevat worden als gezicht, gelijkende op dat van apen in het algemeen. Evenzoo verstaat men door berenklauw zelden den klauw van een beer, maar doorgaans òf eene plant, òf den poot van een of ander meubel, die den vorm heeft van eenen klauw zooals die van beren; door drakenbloed eene soort van hars, door leeuwenbek eene bloem. Niet alle woorden echter nemen overdrachtelijk gebezigd de n aan; zoo b.v. niet hanekam (bloem), rattestaart (ronde vijl). De oorzaken van die uitzonderingen zijn verschillend. Vooreerst is het zeker, dat 1º. de woorden, waarachter het Gebruik de n stellig wil, manlijk zijn en voorheen zwak werden verbogen, als aap, beer enz., zie boven § 183, waardoor alle vrouwelijke en onzijdige, en ook de voorheen sterke manlijke, worden buitengesloten; en dat 2º. het aanwezig zijn eener s het teeken is, dat een woord òf steeds sterk is geweest, òf dat zijn zwakke vorm in vergetelheid is geraakt. Vervolgens, dat 3º. de n in dagelijksche, veel gebruikte woorden te deftig klinkt. Nemen wij bij dat alles ook de Analogie in aanmerking, dan meenen wij, in overeenstemming met den regel voor de samenstellingen met persoonsnamen in de vorige §, den volgenden regel te moeten stellen:
Samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene composita met s vormt, nemen eene n als teeken van het meervoud aan, wanneer zij gewoonlijk, hetzij eigenlijk hetzij overdrachtelijk, gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht, de geheele diersoort, denkt. Zij behouden de n volgens § 187 ook wanneer zij—wat zelden het geval is—in eene eigenlijke opvatting voorkomen, waarin de n slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval kan beschouwd worden.
Volgens dezen regel schrijven wij: apengezicht, apenkuur, apenliefde, berenjong, berenklauw (plant, of poot van een meubel), drakenbloed (hars), hazenlip, hazenmond (gebrekkige vorming van lip of mond), hazenslaap, leeuwenbek (bloem), leeuwenkop (versiersel), leeuwenwelp, stierenkop (hoofdig of norsch mensch) enz., naar analogie van menschenkind, heerendienst, boerenzoon, vorstentelg enz. Wij behouden die spelling op grond der Analogie ook dan, wanneer apengezicht, berenklauw, leeuwenkop in hunne eigenlijke beteekenis genomen worden voor gezicht van een aap, klauw van een beer, kop van een leeuw, omdat deze laatste opvatting tot de zeldzame uitzonderingen behoort.
Daarentegen schrijven wij zonder n: kattekwaad, paardevoet (gebrekkig gevormde menschenvoet), rattestaart (vijl), omdat kat, paard en rat niet manlijk zijn;—bokkesprong, mollepoot, omdat de s van bokspoot en molshoop verbieden aan de zwakke declinatie te denken. Zoo ook hanekam (bloem), haneveer (twistziek mensch), omdat beide woorden evenzeer in hun eigenlijken zin in gebruik zijn, waarin zij buiten alle tegenspraak de al te deftige n hebben uitgeworpen, die daarin slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval, niet als teeken van het meervoud kan beschouwd worden. Nagenoeg in hetzelfde geval verkeert hanepooten, slecht schrift, ofschoon het woord zelden in eigenlijken zin wordt genomen; de niet twijfelachtige uitspraak van de overige samenstellingen met haan, als hanebalk, haneschree, hanespoor, hanetred, maakt het niet raadzaam in hanepoot de Analogie te verlaten. Hanengekraai, voor gekraai der gezamenlijke hanen eener buurt, vereischt, gelijk ieder gevoelt, de n van het meervoud.
Men vergete vooral niet, dat het buitensluiten der vrouwelijke en onzijdige woorden geene betrekking heeft tot die gevallen, waarin de n als meervoudsvorm of voor de Welluidendheid volstrekt gevorderd wordt; b.v. kattengeslacht, eendenkooi, koeienhaar, paardenras, zwijnenaard enz.
195. Evenzoo is het gelegen met kruidkundige, dus wetenschappelijke benamingen, waarin de meervoudsvorm de natuurlijkste is. De spelling van zoodanige woorden staat doorgaans niet vast, zoodat men daarbij geheel vrij is in zijne keus. Bedenkt men bovendien, dat gebrekkige benamingen nergens aanstootelijker zijn dan in de wetenschappen, dan zal men niet aarzelen die vormen te kiezen, die de aard der zaak vereischt. De botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is, moeten in twee soorten onderscheiden worden: zij zijn òf overdrachtelijk gebezigde namen van lichaamsdeelen, als ganzetong; òf zij geven te kennen, dat de plant in de eene of andere, hetzij wezenlijke, hetzij gewaande, betrekking tot eene diersoort staat, als slangenkruid. In het eerste geval zal niemand bij eenig nadenken den meervoudsvorm verkiezen, wanneer deze niet door den voorgaanden regel (§ 194) voorgeschreven wordt; in het tweede geval zal ieder dien als den meest gepasten aanmerken, dewijl men dan kennelijk het oog heeft op het geheele geslacht, niet op een enkel individu. Daarom schrijven wij: ganzetong, ganzevoet, kattestaart, paardestaart, slangekop enz. zonder n; daarentegen biggenkruid, duivenkervel, eendenkroos, geitenblad, hazendistel, kattendoorn, konijnenblad, muizengerst, paardenbloem, paddenstoel, slangenbloem, slangenwortel enz. met n.
196. Eene afzonderlijke behandeling verdienen de boomnamen, wier eerste lid de vrucht aanduidt, die zij opleveren. Beide getallen zijn hier te dulden, en het meervoud schijnt het natuurlijkste. Die woorden behooren echter tot de dagelijksche uitdrukkingen, die in elken stijl te pas komen, maar veel meer in den gewonen dan in den verhevenen; het boven in § 192 aangevoerde is hier dus van toepassing. De vraag is derhalve, of het begrip van het enkelvoud van het eerste lid met de beteekenis van het geheele woord kan vereenigd worden; en het antwoord luidt bevestigend. Men zegt: een appel, een abrikoos, een peer, een perzik, een blauwe en een witte druif enz., voor appelboom, abrikozeboom, pereboom enz., daarbij aan de anders vrouwelijke woorden abrikoos, peer, perzik enz. het manlijk geslacht toekennende. Men kan hier dus aannemen, dat tusschen abrikoos, appel enz. en boom dezelfde verhouding bestaat als tusschen berk, eik enz. en boom, in berkeboom, eikeboom enz. (zie boven, § 181). De spelling besseboom, druiveboom, kerseboom, krenteboom, noteboom, pereboom, pruimeboom, vijgeboom, met het enkelvoud van de verouderde vormen besse, druive, kerse, corinte, note, pere, pruime, vijge, is dus op zich zelve beschouwd gewettigd. Men zal haar voor de verkieslijkste houden, als men bedenkt, dat zij niet alleen in overeenstemming is met de gebruikelijke uitspraak, maar ook met de schrijfwijze van andere dergelijke boomnamen, waar het eerste lid boven allen twijfel in het enkelvoud staat, als: amandelboom, appelboom, citroenboom, dadelboom (dadelpalm), granaatboom, kastanjeboom, oranjeboom (niet kastanjes- en oranjesboom), mispelboom, olijfboom. Het enkelvoud is dan ook vanouds, wel niet de volstrekt eenige, maar toch de meest gebruikelijke vorm geweest. Kiliaan, hoewel hij peere, pruyme en vijghe opgeeft, schrijft peerboom, pruymboom, vijghboom, en zoo ook kersseboom, notboom; Plantijn: kerseboom, noteboom, pereboom, perzeboom, pruymboom, vijgeboom of vijchboom, van het enkelvoudige kerse, note, pere, perze, pruyme, vijge.
Uit het aangevoerde volgt, dat men bij analogie ook rozeboom, syringeboom, tulpeboom enz. zal behooren te spellen. Immers men zegt, van de boomen sprekende: Hier staan rozen, dat is een syring, enz.
197. Er zijn ook woorden, wier beteekenis stellig niet altijd dezelfde is, maar die het eene oogenblik op een enkel-, het andere op een meervoud zien, terwijl daarbij doorgaans nog een derde geval denkbaar is, waarin men aangaande het ware getal in onzekerheid verkeert. Een voorbeeld zal de zaak ophelderen. Eene hoeveelheid vleesch of leder kan afkomstig zijn van één of meer dieren. In het eerste geval zal men zich juist uitdrukken door geitevleesch en schapeleder, in het tweede door geitenvleesch en schapenleder te schrijven; ook kan het geval zich voordoen, dat men aangaande de herkomst in het onzekere is. Hoe moet men met zoodanige woorden handelen? moet men hun een onveranderlijken vorm toekennen, of mag men gebruik maken van het middel om, zulks verkiezende, telkens de juiste beteekenis aan te duiden? Wij behoeven met ons antwoord niet lang verlegen te staan. Waar onzekerheid van het Gebruik en dobbering van de Spelling als het ware vanzelve een gemakkelijk middel aan de hand geven om juistheid in stijl te bevorderen en den rijkdom der taal te vermeerderen, achten wij ons niet gerechtigd dat te verwerpen. Van zulke woorden rekenen wij ons verplicht den dubbelen vorm te erkennen. Doch daarmede ontstaan de vragen: hoe moet men handelen, als het getal onzeker is? en onder welken vorm moeten zoodanige woorden in een woordenboek vermeld worden? Slechts in weinige gevallen zal het moeilijk zijn in dezen te beslissen. Doorgaans zal het voor de hand liggen, welke opvatting de gewone, en dus welke spelling de verkieslijkste is. In gevallen van onzekerheid zal de meest gewone vorm in het woordenboek worden opgegeven, met vermelding van den bijvorm, die, waar bijzondere nauwkeurigheid wordt vereischt, den schrijver buitendien ten dienste staat. Ook het onderscheid tusschen dagelijksche en meer deftige woorden zal tot de beslissing kunnen bijdragen. Zoo zal men ongetwijfeld bij de huishoudelijke woorden schapevleesch, geiteleder, aan den enkelvoudigen vorm zonder n de voorkeur geven, vooral wanneer men bedenkt, dat men in de overeenkomstige woorden kalfsvleesch, lamsvleesch, rundvleesch, hartsleder, kalfsleder stellig het enkelvoud aantreft. Daardoor wordt echter niemand het recht betwist om, als hij zulks noodig acht, schapenvleesch te spellen.
Natuurlijk zal men omgekeerd te werk gaan, waar de beteekenis gewoonlijk het begrip van het meervoud medebrengt. Zoo zal men in gewone gevallen aan kippenloop, paardenstal, duivenslag, zwanendrift enz. de voorkeur geven boven kippeloop, paardestal, al liep er ook geene enkele kip in den loop, en al ware de stal maar voor één paard ingericht. Doch wie dit laatste in een bijzonder geval volstrekt wil doen uitkomen, schrijve alsdan paardestal.
Het beginsel, in deze § door ons aangenomen, hetwelk van woorden als schapevleesch, geitevleesch, paardenstal enz. een dubbelen vorm toelaat, is schijnbaar in strijd met § 194, waarin wij meenden de n in apengezicht, berenklauw enz. te moeten schrijven, ook dan, wanneer die woorden, in hun eigenlijken zin genomen, het gezicht van eenen werkelijken aap, den klauw van eenen werkelijken beer aanduiden. Bij eene nadere beschouwing zal men bevinden, dat de gevallen niet gelijkstaan. Bij een apengezicht zal niemand aan het gezicht van twee of drie apen denken, terwijl de n grammaticaal door de voormalige zwakke verbuiging van aap gerechtvaardigd is. De vorm is onberispelijk, en er is geene verkeerde opvatting te vreezen. Bij schapenvleesch en dergelijke woorden is alles geheel anders. De n achter schaap, dat steeds sterk verbogen werd, is niet anders te verklaren dan als teeken van het meervoud, en kan dus niet toegelaten worden in uitdrukkingen, waarbij men volstrekt aan het enkelvoud denkt, b.v. als men zegt: Mag ik u nog een stukje schapevleesch aanbieden? Omgekeerd zou men den meervoudsvorm niet gaarne missen, als men, de geheele soort bedeelende, zegt: schapenvleesch is voor sommige gestellen nadeelig.
198. Bij de lidwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden, en bij de telwoorden, die als bijvoeglijke voornaamwoorden worden verbogen, zijn ten opzichte van de n twijfelingen denkbaar; doch bij eene nadere beschouwing blijkt, dat er inderdaad geene bestaan.
Alle samenstellingen, waarvan het eerste lid een bijvoeglijk woord is, zijn koppelingen. Zij zijn in twee hoofdsoorten te onderscheiden, naar gelang het laatste lid een substantief of een verbum is.
199. Wanneer het laatste lid een substantief en het woord in zijn geheel genomen insgelijks een substantief is, b.v. bij hoogepriester, hoogeschool, grootvader, kleinkind, dan wordt het bijvoeglijke woord, steeds een adjectief, aangemerkt als in den 1sten naamval voorgevoegd te zijn, en blijft het den nominatiefvorm onveranderd behouden, in welken naamval de geheele samenstelling ook te staan kome. Wij zeggen thans niet meer des hoogenpriesters, maar des hoogepriesters, evenals des grootmeesters. Van de inlassching eener n in woorden als blindeman, hoogepriester, hoogeschool, wittebrood, roodekool, zoutevisch enz. kan derhalve geene sprake zijn. Alleen één woord maakt eene uitzondering, te weten: goedendag, als benaming van een middeleeuwsch wapentuig. Dit woord is echter eene koppeling van den groet: goeden dag! waarin de beide woorden in den 4den naamval staan, en de n dus door de etymologie vereischt wordt.
200. Wanneer het laatste lid een substantief, maar het woord in zijn geheel genomen een bijwoord of een voegwoord is, dan staat de gansche uitdrukking in den 2den of in den 4den naamval, en dan behoort het eerste lid den vorm te hebben, dien geslacht en naamval eischen. Dus zal men moeten schrijven: grootendeels en meerendeels, samentrekking van meererendeels (2de naamval onzijdig), dewijl (4de naamval vrouwelijk). Soms echter is het eerste lid in den stamvorm voorgevoegd, en dan kan er geene sprake zijn van eene ingelaschte n; b.v. bij eenmaal, menigmaal, veeltijds enz. Twijfelingen bestaan hier niet.
201. Wanneer het laatste lid een verbum is, dan staat het bijvoeglijke woord in den regel praedicatief, hetgeen zeggen wil, dat het thans onverbuigbaar is. In dit geval kan er dus weder geene sprake zijn van het inlasschen eener n, die niet reeds tot den stam van het adjectief behoort. Het gebruik leert zulks dan ook duidelijk: het heet steeds goedmaken, onverschillig of men eenen misstap, eene fout of een verlies goedmaakt. De samenstellingen goedendag-, goedennacht-, goedenmorgenzeggen enz. verkeeren in een ander geval. Goed is daarin het attribuut van dag, nacht enz., welke woorden in den 4den naamv. staan en de overeenstemming van het adjectief goed vorderen.
202. De werkwoorden komen in eigenlijke samenstelling in den regel in den stamvorm voor, b.v. in breekbeitel, droogoven, eetlepel, hangijzer, jaagpad, koopvrouw, loopbaan, schrijfpen enz. Moeilijker is het uit te maken, met welken vorm men te doen heeft bij sommige koppelingen van geheele uitdrukkingen, tot den gemeenzamen stijl behoorende: als bedilal (bedil al, bedil alles), deugniet, doeniet, durfal, flapuit, hangop, houvast, kwistgoed, praatgraag, roerom, slokop, spilpenning, stokebrand, waaghals, weetniet enz. In sommige schijnt het werkwoord in de gebiedende wijs te staan, b.v. in kruidje-roer-mij-niet (lat. noli me tangere), in Pakaan (hondennaam), in roerom, sladood, vergeet-me-nietje. Bij dezulke wier stam op t eindigt, als kwistgoed, praatgraag, weetniet, zou men aan den 3den pers. van het enkelvoud kunnen denken, indien niet andere, als bedilal (niet bediltal), deugniet enz., wier beteekenis met de genoemde overeenkomt, zulks verboden. Intusschen blijkt duidelijk genoeg, dat men hier niet met den infinitief te doen heeft, en dat de toonlooze e in brekebeen, brekespel, drinkebroer, huilebalk, likkebaard, schendekeuken, stokebrand enz. geene verkorting van den infinitiefuitgang is.
Wanneer men sommige der laatstgenoemde woorden vergelijkt met kijk-in-de-pot, spring-in-’t-veld, stortenbeker (stort den beker), en met verscheidene Hoogduitsche eigennamen, als Haszenpflug (hasze den Pflug), Hebenstreit (hebe den Streit), Leidenfrost (leide den Frost) enz., dan wordt het waarschijnlijk, dat men brekebeen als breek de been (voor beenen), hangebast als hang de bast (d.i. strop), likkebaard als lik den baard, schendekeuken als schend de keuken enz. op te vatten heeft. Deze verklaring gaat echter niet altijd op, b.v. niet bij brekespel. Of is dit breketspel (breek het spel)? En hoe moeten drinkebroer e.a. worden opgevat? Is hier de e alleen ingevoegd om de ophooping van medeklinkers te voorkomen? In deze en dergelijke onzekerheden zal niemand het raadzaam achten de n, die het manlijk geslacht van baard en brand schijnt te vorderen, te herstellen, en voortaan likkenbaard, stokenbrand te schrijven, te minder daar men bij brekespel, drinkebroer, huilebalk e.a. altijd in het onzekere blijft, zonder door den vorm een verstandigen zin te kunnen uitdrukken.
Nu en dan hoort men deugeniet uitspreken, doch gewoonlijk deugniet. Wanneer men bedenkt, dat niet geen substantief is, zoodat hier aan geen uitgestooten lidwoord, noch aan eenig tusschenbeidekomend woord te denken valt, en dat die samenstelling volkomen gelijkstaat met doeniet, durfniet, weetniet, dan ziet men, dat deugniet zonder e de regelmatige vorm is.
203. Meer reden schijnt er te bestaan voor het herstellen der n in die werkwoorden, wier eerste lid eene onbepaalde wijs is, zooals in koekeloeren, ruilebuiten, spelemeien, spelevaren. Bedenkt men echter, dat de n aan de drie eerste toch nog niet hun waren vorm: koeken (kijken) en loeren, ruilen en buiten, spelen en meien zou teruggeven, zoodat koekenloeren enz. toch niet duidelijker zou wezen dan koekeloeren enz.; dat het begrip spelevaren ook niet volkomen juist door spelen varen uitgedrukt wordt: dan ziet men geene voldoende reden om woorden, waarbij de weglating der n in de uitspraak niet twijfelachtig is en omtrent wier spelling geen verschil bestaat, door het weder invoegen der uitgestooten letter een deftig voorkomen te geven, dat in strijd zou zijn met hunne weinig deftige beteekenis.
204. De verbindings-n heeft bloot euphonische waarde, wanneer zij, van het hedendaagsche standpunt bezien, met de beteekenis van het woord in geen verband staat, en louter dient om een wanluidend samentreffen van twee letters te voorkomen. Van dien aard is de n in galgenaas en tarwenoogst, vergeleken met galgebrok en tarwemeel.
De euphonische n strekt ter vermijding van den hiatus of de gaping, d.i. van het ophouden der stem tusschen twee klinkers. Zij wordt dus vooreerst ingelascht achter eene toonlooze e, waarop onmiddellijk een andere klinker zou moeten volgen, b.v. in duive-n-ei. De h, die eene zeer verzwakte ch is, ofschoon nog altijd een medeklinker, wordt niet toereikend geacht om de gaping tusschen twee klinkers aan te vullen. Vandaar dat sommige onzer beste schrijvers in de 17de eeuw en nog later achter het lidwoord de en achter andere bijvoeglijke woorden op e uitgaande, niet slechts voor een klinker, maar ook voor eene h, eene euphonische n voegden, en b.v. den oorlog, den hond schreven, ook wanneer deze woorden in den eersten naamval stonden. Daar nu de h steeds onmiddellijk vóór een klinker komt, vereischen de samenstellingen, wier eerste lid op eene toonlooze e eindigt, en wier tweede met h begint, insgelijks de inlassching der n; b.v. dasse-n-huid, eike-n-hout.
205. Wanneer men het aangevoerde in aanmerking neemt, zal men den volgenden regel stellen: Wanneer de toonlooze e gevolgd wordt door een klinker of eene h, dan eischt de Welluidendheid de inlassching eener n.
Dienovereenkomstig schrijven wij: duivenei, eendenei, ganzenei, galgenaas, geitenoog, bruggenhoofd, dassenhaar, dassenhol, ganzenhagel, hondenhok, slakkenhuisje, berkenhout, beukenhout, eikenhout enz.
Daar mede, als bijwoord, tot de indeclinabilia behoort, welke soort van woorden nooit verbindingsletters toelaten (zie § 178), kan men de gebruikelijke spelling medearbeider, medeërfgenaam, medeoorzaak enz. niet als uitzondering op bovenstaanden regel beschouwen.
206. De samenstellingen met kerk vereischen eene afzonderlijke behandeling. Kerk, mnl. kerke, werd oudtijds zwak verbogen, der kerken, en daardoor ontstonden kerkenraad, kerkenorde, uit welk laatste door onderdrukking der n kerkeorde. Deze vorm laat zich volgens onze regels niet rechtvaardigen: de welluidendheid eischt òf kerkenorde, òf kerkorde, overeenstemmende met kerkaltaar, kerkorgel, kerkuil. Daar men thans geen zwakken genitief meer erkent (zie § 185), kan kerkenraad alleen een meervoud bevatten, en een raad beteekenen, die meer dan ééne kerk betreft. Hecht men er, gelijk gewoonlijk plaats heeft, dien zin niet aan, dan is volgens den hedendaagschen toestand der taal alleen kerkeraad te rechtvaardigen.