HOSANNAH

Hosannah zingt,
’t is palmendag.
Jerusalem,
slaat open
uw’ deuren al,
komt uitewaard,
en kust, in ’t zand
gekropen,
het voetspeur en
de stappen van
het veulen, dat
vol eer
is voerende in
Jerusalem
—Hosannah zingt!—
den Heer!

WEGGEROOFDE LELIE

Weer een weggeroofde lelie
uit des werelds doorenveld,
na des levens rampmartelie,
hooge in ’s hemels hof gesteld.
’t Maagdenlijkske is afgemalen,
tot den laatsten vezel af:
niet en kwaamt gij nederhalen,
dood, bijkans, in ’t duister graf.
Wederom, en vrij, geboren,
vloog het zielke hemelwaard:
dood, gij hebt den strijd verloren,
’t leven hebt ge, o dood, gebaard.

GELIJK DE ARME PELGRIM

Gelijk de arme pelgrim getreden komt,
die pijn heeft en honger geleden om ’t
zoolange, zoolange geduren van
de reize, toch eindelijk de muren kan
zien rijzen, nog blauwende in den morgenstond
van ’t huis waar hij moeders bezorgen vond.

O LIEFSTE JESU ZOET

Ik wil mij gansch u geven nu,
o liefste Jesu zoet,
den loop van al mijn leven u
mijn herte en mijn gemoed.
Aanveerd dat herte en ’t uwe zij
o Jesu ook gegeven mij
verwisseling van liefde doet
met mij o Jesu zoet.
’k Beminne u uit der maten zeer,
o liefste Jesu zoet.
Gij zegt dat ik u volgen, Heer
en u beminnen moet,
ik vrage u dan, o Jesu kind,
die kinderherten meest bemint,
dat gij mij ’t alderhoogste goed
in u beminnen doet.
Van herten zijn wij één voortaan,
o liefste Jesu zoet,
ik wil door alle smerten gaan,
door allen tegenspoed
en sterven zal ik onversaagd,
zoo Gij mij in uw herte draagt
en nimmermeer daaruit en doet,
o Jesu, Jesu zoet.

GEKRUISTE GOD

O crux ave, Spes unica
Mundi Salus et gloria,
Auge piis justitiam
Reisque dona veniam.
Gekruiste God die voor mij staat,
des werelds eere en toeverlaat,
gekruist, gekroonde Jesu zoet,
onze eenigste hope, ons eeuwig goed,
ik groete en bidde u, reik, o Heer,
al die rechtveerdig zijn, nog meer,
en geeft, door al uw lijen en bloên,
vergifnisse aan die kwalijk doen,

Var.:

o Kruis dat al onze hope draagt,
Al ’s werelds eere en vrijheid schraagt
Vervroomt ze al die uw spraak verstaan,
Vergeeft ze al die u tegengaan.

AVE REGINA

Heil u, heil u, Koninginne,
vrije Vrouw der zoeter minne
heil u, wortel, stam en poort;
heil u, ’s werelds weergeboort!
’s Zaligmakers moeder milde,
daar hij ’s hemels deuren wilde
mede ontsluiten; sterre in zee,
slaat ons gade en weert ons wee!
Die zoo diep zijn neergevallen,
helpt ons weder opstaan, allen,
Jesu moeder, staat ons bij,
dat ons vrede en vreugde zij.

AANZIET DE KRAAIEN

Aanziet de kraaien die van zaai-
noch oestgetij en weten,
die schure en hebben noch schrapraai
en God verleent ze ’t eten!
Aanziet hoe dat ze, tem en fraai,
hier spijze en drank vergeten.

Ghistel.


’T WAS ’N WARE!

„Past op,” zei Meester Heuverswijn,
dat iemand,—wie die snaken zijn,
die ’k hoorde daar, met hand of mond,
eens s...e nadoen, dezen stond,—
nog durve! Wat bediedt mij dat?
Een schande is ’t! En, ’k en weet niet wat
ik doen zal met den deugeniet,
die nog nen keer zal durven...!”—Ziet,
daar hoort mij Meester Heuverswijn
weerom entwat gelaten zijn,
van zulken aard, dat ’t wonderwel
geleek ’t onvoegzaam kinderspel:—
„Komt hier, gij, Jan! Wat hoore ik! Gaat
en seffens recht in ’t hoekske staat!”—
„’K en doe,” zei Jantje Poupaert, als-
of ’t heel onschuldig ware:
„menheere, ’t was ’n ware!”
Pet. v. Waereghem.

MOCHT ZULK EEN TALE

Mocht zulk een tale eilaas
geen enkel tale wezen,
geen woorden, waarheid en
onnagemaakte smert
op willens voet gesteund,
op biddens vlerk gerezen
tot naast het evenbeeld
der wenschen van Gods hert,
dan zou wellicht de baan
de duistere baan des levens
verlichten in den glans
van Hem die U bemint,
van hem die naar u wacht,
van Jesus, dien gij tevens
al waart gij nog zoo boos
toch geren ziet, mijn kind.


Ten halven afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
den aangenamen tijd
van volle uitspreekbaarheid.
(Rijmsnoer).


O stede- en vaste oude meuniksmoffen
wat schijnt ge mij een beeld
van veile vastigheid;
de vlaamsche vuist heeft u
eens in den leest getroffen,
u in de scherpe zon te
droogen uitgeleid;
het angstig vier heeft u
nadien opeengestapeld,
gebakerd ommentom uw leên
en sterk gemaakt,
totdat gij een en al. . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . .

Neen, en schrijft, op rijm of onrijm,
iets, of eer ge aan ’t schrijven gaat
. . . . . . . . . . . . . . . . .

Luistert allen, luistert allen:
Gods woord is mij ingevallen.

Ik had ne keer nen dicht gemaakt,
en ’t stond van vooren aan zoo wat
van God, gelijk geen een mij dat
en dient te doen herdichten,
. . . . . . . . . . . . . . .

Heere geeft dat wie, wanneer
ooit dit schrift in handen kome
. . . . . . . . . . . . . . .

Een lieftallig liedjen op
het wijken van den wintere.

Een deuntje willen wij dichten.

Dat hier en daar en elders leeft,
dat nimmer nog bestaan en heeft,
’t gebenedijde u al van in . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .

Dat kruis dat gij mij gaaft
een jaar van hier geleden.

De zegen Gods, u, mij en al
die met ons bidt, bewaren zal.

Een heel onvast onthouden van
de onvaste voeren daar ze mij—
. . . . . . . . . . . . . . . .

Gij die God zijt dezer eeuwe,
God gemaakt, in steê van God.

Goevrijnacht, als Jezus
gevangen, gesleurd,
vol wonden geslegen,
besmet en besmeurd.

Heere, komt, ik ben ellendig,
’k ben vol zonde en vol verdriet,
komt, uw’ goedheid is onendig,
lange en beidt, o Heere, niet.

Hoe verre buiten al ’t bereik
der menschelijke macht gesteld
. . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . .
het worden van den zonnedag.

’k Danke u, van het leven, dat
gij mij laat genieten.

o Bindt mijn handen alle twee,
o bindt mijn herte aan u, en
en laat ze nooit meer, losgegaan,
uw Godlijk herte schuwen.

Oneindig wezen, God,
drievuldig, een, almachtig,
wat zijt gij dicht bij mij
die niet en zie en hoor.

O Maria welk eene eere,
dienstbaar zijn en God den Heere
dragen, zoo gij, moeder zoet,
Jesus uwen Schepper doet.

’t Was God die onze zonden zag,
’t is Hij die ze ons vergeven mag,
en wij zijn ’t die de boeten
daarvan God gelden moeten.

Zijn eigen zoon en spaarde hij niet
en liet hem voor mij slachten.

Die elken vogel voedsel geeft
gebrek voor mij geleden heeft.

Die nievers zijns gelijke en vindt
voor mij wierd mensche en moeders kind

De wille des Heeren,
zoo gister zoo nu,
de wereld zal keeren,
geen „individu”.

En niet uw straffen naar
ons kwalijkdoen gemeten

Zijn leven stond hij af voor mij,
gekruist, en voer in ’t graf voor mij.

’k En was
nog in
’t bestaan
niet, en,
bestaat,
zei God,
mijn kind,
en ’k ben.

Ons toekome, God en vader,
dat wij immer nader, nader
. . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . .
ons toekome uw Koninkrijk.

Oorspronkelijk en van eersten af
is ’t God die mij dit leven gaf.

Moeder stond zij, vol van smerte,
naast het kruis en ’t brak heur herte,
dat heur kind daar hangend was.

Komt, de stem die roept tot u.

Denkt gij, vriend, dat dat
niemen en weet
dat in uwen boezem
geborgen, daar ligt
het diepste van al,
’t zij edel ’t zij leelijk
’t zij goed het zij kwaad,
’t gezien heeft een ooge en ’t
bewaren, ontdekken . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . .
Hij zal . . .

Men durft er nog naar kijken nu:
ze is nauwlijks overleden,
ze lacht, of ’t ware, en schoonder is
ze, in de eeuwigheid getreden,
als vroeger, daar zij lijdend lag
en leelijk deed.

Mij schielijk is een vreemde
ontroeringe ingevallen:
is stervende iemand, of
ben, veeg, ik zelf misschien
bestemd om heen te gaan?

’t En gaat geen een verloren,
geen dingen dat bestaat,
’t en wordt geen een geboren,
dat heel en al vergaat.

Mijn schamel, schamel kind,
hoe geren zou ’k het wezen
van uwe eenvoudigheid
zien staande blijven, dat
. . . . . . . . . . . . . .

Maakt pompen van canons
en speiten van geweren,
al ’t vechten is voorbij,
’t is vrede weere in ’t land.

Broonood lijdende,
lam ellendig,
nooit verblijdende,
en onbestendig.

Noch geld, noch wijn, noch brood
en stilt den mensch zijn nood,
daarbij begeert hij ook
met herte en ziele...rook!

O vader, zorgt bevreesd
dat ’t kind u geren ziet,
opdat gij nooit en vreest:
dat kind en vreest mij niet.

Pinte, ponte, palingpot,
loopt ermeê naar ’t wagenkoot,
loopt ermeê naar ’t overbuur...

Waarom bemint u, kind, zoo zeer
’t zij welke ontaarde ziele
die kleen zijt, hulploos, arme en teer...

Ei! wat baat het slingervuisten,
hadt gij nog zoo zware knuisten
stondt gij nog zoo hooge en sterk...

Gij zijt, en zult het altijd wezen,
zoo God u schiep, een vrije geest,
geen lichaam, eene ziel, nadezen.

Ten dorse geschreden, zoo
hing ’t harnas
hem loodzwaar om de leden.

Over hem Gods handen waken,
vrij van schade en schandeaanraken,
waren ze ’t...

De dood, wat is de dood,
herdenkt, o mensch, een stonde.

Noch wulvengier, noch evertand,
en vreest die heeft gezond verstand,

Met uw vuil en stinkend vat
vol gouden vruchtbaarheden.

Als ik jong was, zoo verlangde ik,
dag op dag, naar iets of wat,

Dien man zie ik geren rusten,
zie ’k geren slapen gaan.

Doet hetgeen gij moet,
doet al dat gij doet[1].

[1] Var. III:

Doet hetgeen gij moet,
Doet hetgeen gij doet,
Gebaren is niet goed.

En zeggen, zeker nu,
zoo zult gij bij uw zelven

Geen bandenbrekend leven
menigvuldiglijk...

Het leven is zoo kort, men kan ’t
niet wel genoeg verleven.

Heel verarbeid, heel vermoeid,
zit nabij den boord te wachten

Hoe schoon de weerde schat ook zij,
’k en zal hem nooit beminnen[1].

[1] Var. II:

Hoe schoon de schat ook zij,
Nooit zal ik hem beminnen,

Hoe eer ik ware dood geweest,
hoe min ’t hem ha’ gespeten

Hij riep met luider stem,
daar alle dingen zwegen

’k Voele een traan mijne oogen ontzwellen.
als ik denke: ’t is voorbij[1].

[1] Var. V:

’k Voele een traan mijn oog ontwellen.

Maar haalt mij ievers een die half
zoo eerbaar in zijn . . . . .

Wij hebben al niet veel anders meer,
maar wij hebben nog vlaamsche leute[1].

[1] Var.

W’n hebben niet veel meer ander Vlaamsch,
maar w’ hebben nog vlaamsche leute.

Zoo is uw hand,
zoo weze uw hert.

Het leven, welk geluk was het,
met Adam’s zonde en zeer besmet?

Kleene visschen, zoo luidt het lied,
en dappere dieven, en vangt men niet.

Handhaaft u brood van hand,
maar niet van herten.

Daar is hij, roept er een,
loopt weg, hij gaat u vangen!

vol goedheid en vol vriendschap
onversleten . . . . . . . . .


Waar haalt hij ’t uit, waar haalt hij ’t al.

Verre van ouders, verre van huis,
verre van

Erumpunt....
Bottende, en om uit te bersten,
ziet mij al die boomen staan
zoo de naasten zoo de versten,
zwellen doen ze en zwaar nu gaan:
daar ’t nu zwart is, zal ’t geworden
lente zijn, van einde te orden,
loopt het nog twee nachten aan.

Waarom, waarom bemin ik toch
den donder?
Ontleedt, o gij, die wijs zijt, mij
dit wonder.
Ik hoore heel den nacht
het gulzig slokken van
die gote daar.

Hoe dood, hoe dood,
in al de levendheden
der lieve lente, staat gij daar
onlief alleen....

Waar gaat gij, o geest van de blomme,
wanneer
zij ’t leven moet laten en liggen.

Hebt toch meelye,
menschen, meelye
met de schoone
boomen Gods!

De boomen roepen allen,
overluid en lang:
wat loopt gij, stoere stormen,
boos en bulderachtig
voorbij op onzen hals.

De bleekgroene schaaiaards,
nog nauwlijks geblaard,
rijên, hooge in de wolken,
hun’ lochtige vaart.
’k Zie u geren blauw en blank,
blank en blauw geweven
wolken

De mane zit en ziet
dat aan; ze schijnt te zeggen:
’t is avond nu en ’t geen
mijn zuster zonne zag
is henen: rust nu wat
en nederleggen
de zorge gaat van dezen zwaren dag.

Ik weet een hoeksken in
den hof, en, daar geborgen,
ontvluchte ik voor ’t geweld
der luide levenszorgen.
Verheven is ’t van de aarde,
op oude bouwselbraken,
met boomen overal
omzet, en ’t zonneblaken
en vindt het morgens noch
des middags; op nen stoel
ontduike ik dikwijls daar
. . . . . . . en ’t geterg
des werelds
. . . . . . . en daar
en vindt des morgens mij
daar zittend immer niet
noch middags; menschenloos
. . . . . . . . . . . . . .
zijt God die mij daar ziet.

Pisseblommen.
’t Weer is helder lauw en zoet
zoo ’t niet elken dag en doet.
Laat mij in de groene weiden,
bij der hand, u henenleiden,
’k zal u blomkes nu en dan
toogen en gij zult daarvan
later dit en dat mij klappen,
nopens blomkes eigenschappen.
’t Blomke dat ik liefst van al
zie en altijd blijven zal
geren zien zoo lange er bloeien,
ziet het daar beneen u groeien,
reis en reis met de eerde, daar
strekt zijn zedig loofgeblaar,
en men ziet zijn groen verterre
maar van bij en nooit van verre
. . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . .
wilt gij weten hoe ze nommen?
’t zijn, met oorlof, pisseblommen.

Uw vlerk,
aan ’t werk
in ’t zwerk,
zweeft zwierend deur de wolken,
o tier-
end dier
dat hier
en ginder almedeens

Tallen tijden kan men nu
versche blommen bloeien zien,
bloeien te aller steden.

Bolle kake,
roode mond,
och, hoe zal ’k het zeggen,
witgetande,
blij en blond

Thorhout, Thorhout, heilige stede,
wist gij waar uw voet op staat;
wat uw’ bosschen rooken dede,
wat uw naam vermoeden laat.

Steenratjes
waar hebt gij
van den nacht
geslapen?

Wat zei dat vinnig stemgepiep
dat uit dien boom mij tegenliep
en groette.

Men kan aan de dieren
zoo vele doen zeggen,
en spreken ze niet.

De zage zucht
en kerft het hout
in kisteberd, in korsten

O meulewal, met al ’t geheugen
der schuldelooze onnoozelheid
mij vóór uw’ voet en lief geheugen

Hoe schoon, hoe schoon,
wat zal ik anders zeggen,
hoe schoon, hoe schoon
en van geen menschenmacht
(wolke met zwart haar
dat er bij lange
klissen uitschiet).

Zwarte eeken, olmen,
donkergroene esschen,
abeelen die grauwt

Gij merelaar met uw zwart habijt
en uwen bek van goude,
wat wondere ik hoe gij blijde zijt

Hoe stille is ’t om de stad nu hier
is ’t op de kwaadste dagen
verdragelijk, als ’t kiezinge is
of lotinge

Hoe schoon zijt gij van verre uit uw
beggijnhofboomen

O wat is ’t toch lief getal
rondom mij en rondom al

O zingend kind, en wist’ gij niet
en zongt gij zoo ’t de vogels doen

’t Was op nen dampen donkeren dag,
’t was ’s morgens in de vroegte

De zonne is weg die liên en land
verblijdt, en ’t vlugge volk van ’s hemels harpenaren

Den nieuwen wegel werpt
de zon vol oosterlicht,

Zegt mij hoe de sterren worden,
zegt mij

Ze beven door de lucht,
de duiven

Ik ben eens verre weg,
bij donker nacht, gereden

En stoort de vleugels niet,
ze zijn zoo bezig.

Van boomen die roerloos, en schoon
zichtbaar, in den smoor bedolven staan.
En die eer gedroomde boomen
als gewisse boomen zijn

Eer dauw en dag,
eer dag en dauw

’t Is stille, stille allengskens, en
’t is avond weer aan ’t worden.

De wereld draait nochtans.

’t Molenzeil, dat, bruingeboend

De wind die uit de stikken waait.

Hebt gij ooit een peerd zien pinnen?

Ik heb nen dreupel dauw gedronken,
gesmaakt, geweeklaagd en geweend...

Peerden van de dood gelijk

’t Zij van oost of west of waar

Doomend lijk een reukoffrande

Ach, herontsteekt de lampe toch

Wat groot gebouw daarin wij wonen mogen

Brijkroode oude wanden

Ik weune bij de zee,
de blauwe zee, de baren
ze staan tot in mijn huis,
en de onafmeetbaarheid

Welgekomen zijt mij allen,
die na duizend ongevallen,
op des werelds wilde zee,
zoekt en ziet de blijde haven

Vijfden van de sture maand,
die des winters wegen baant

o Sneeuw, gewolde dracht
der witte wintervelden

Men hoort dat ’t koud is

Gekeend en gespleten
van koude is mijn vel

De Maarte komt besneeuwd

Half rood, half groen
de hagen staan,
half beukenhout,
half ieuwen;
ik hope dat
vrouw Lente zal
verneschen en
vernieuwen
dat dood nu is;

in tusschentijd
mij wellekom
gij, winter, zijt
omdat gij
. . . . . . .

De dagen langen nauw genoeg,
maar toch, ik kan bespeuren

Gij, winden, kunt o—o—
o—o—o—o—
o—o—o—o—
ik bidden kan.

INHOUDSTAFEL

Blz.
’t Er viel ’ne keer1
Onbevlekte Vrouwe 4
Mijmeringe 6
Moederken 8
Sint Jans Vier 9
Bast van murwe Wijngaardbezen12
Perels 13
Serenum erit 14
Imber abiit16
Octoberboomen 18
Aan......? 19
De XIV stonden of de bloedige dagvaart des Heeren21
De eerste stonde: Gevonnist 25
De tweede stonde: Naar Golgotha 26
De derde stonde: Eerste val 27
De vierde stonde: Maria 28
De vijfde stonde: Simoen van Syrenen29
De zesde stonde: Veronica 30
De zevenste stonde: Tweede val31
De achtste stonde: De weenende vrouwen32
De negenste stonde: Derde val 33
De tienste stonde: Ontkleed 34
De elfste stonde: Gekruist 35
De twaalfste stonde: Gestorven37
De dertienste stonde: De VII wee’n38
De veertienste stonde: En begraven39
Vriendenzoen 43
Ik droome alreê46
O Band 47
Wij naderen 48
Zegepraal 50
Die mijn hert bemint 53
Half April 54
Groeninge’ns Grootheid56
In Speculo 63
Twijfelzonnig 65
En daarmeê al 67
Jantje 69
Zwart 70
Loofgebouw 72
Spreeuwen 73
Wederwijven 75
Excelsior 76
’t Scheerwiel 78
De Doornenboom 80
Quis nos separabit?82
Mietje 83
Zonhoeden 84
Buigen of bersten86
Cytisus Laburnum 89
Gierzwaluwen 91
Pascent in Æthere Cervi93
De Sperretakken 94
Sambucus Nigra 96
Bignonia Catalpa99
Beziet die booze Katte101
’t Is stille 102
Het gulden Vlies 103
Hebt meêlijen 105
De Leye 108
Duiven 113
Musschen 115
De Dageraad 117
Nevelduisternis 119
Windtocht 122
Aksternesten 124
Lentegroen 126
Voorbij 128
Wie is als God? 129
Och ware ik 131
Getijden 133
Cinxen 134
Duc nos quo tendimus135
In ’t Riet 139
Sorbus Aucuparia 141
... Aan den Lindeboom143
Bladerval 145
Ego flos 147
Platanus orientalis150
Slaaplied 152
Krommenisse 154
Verlorenbrood 155
Goddelijke beschouwingen156
Vader overleden 169
Requiescat in pace171
Uit de Diepten 173
Het Vlaamsche volk176
ONGEDAGTEEKENDE GEDICHTEN EN ONVOLTOOIDE „SLAPENDE BOTTEN”.
De Boodschap 181
Hosannah 182
Weggeroofde Lelie183
Gelijk de arme pelgrim184
O liefste Jesu zoet185
Gekruiste God 187
Ave Regina 188
Aanziet de kraaien189
’t Was ’n ware! 190
Mocht zulk een Tale191
Slapende botten193