Van het Huishoen komen tal van rassen en slagen voor, die door den vorm en de houding van het lichaam, door de grootte, door de ontwikkeling van den kam en de lellen, door de bevedering van den kop en van den loop, de kleur van het vederenkleed en van de onbevederde lichaamsdeelen enz. van elkander verschillen. Men treft sommige zeer merkwaardige afwijkingen bij hen aan. Een van de verwonderlijkste, hoewel niet een van de meest in ’t oog vallende eigenaardigheden is de aanwezigheid van vijf teenen aan iederen poot bij verschillende rassen, o.a. bij de Dorkings, de Houdans, de Turken en de Japansche Zijdehoenderen. De overtallige teen is drieledig, aan hetzelfde middelvoetsbeen gehecht als de normale (tweeledige) achterteen, maar een weinig hooger en meer naar ’t midden van den loop ingeplant.—Bij een aantal andere rassen, die men onder den naam van Kuifhoenderen samenvat, en waarvan wij het Padua-ras als voorbeeld kiezen, is het voorhoofdsbeen sterk gezwollen en vormen de verlengde, overhangende veeren van de kruin een helm, die den geheelen kop bedekt. De kam is bij de Padua-hoenderen, zeer klein; de plaats van de keel- en oorlellen wordt ingenomen door “kinbaarden” en “bakkebaarden”. De Houdans hebben een halve, de Turken een volslagen kuif.—De Zijdehoenderen zijn klein van stuk, hebben haarvormige, zijdeachtige veeren en weinig ontwikkelde arm- en staartpennen; de uitwendige huid, het beenvlies en de naakte plekken aan den kop zijn meestal donker violet, zelfs het vleesch heeft een donkere kleur. Bij het Japansche Zijdehoen gaan deze eigenaardigheden gepaard met zuiver witte veeren en met het bezit van een vijfden teen.—De Bantammers, die hun naam ontleenen aan het Javaansche landschap, van waar zij het eerst naar Europa werden gebracht, maar die uit Japan afkomstig zijn, onderscheiden zich o.a. door hun zeer geringe grootte; toch zijn zij zeer krijgshaftig en toonen dit bij hanengevechten.—Zeer zwaar, hoog op de pooten en dik van schenkel zijn de Cochinchina- en Brahmapoetra-hoenderen; beide hebben een bevederden loop; bij gene komt een enkelvoudige, bij deze een drievoudige kam voor. De Brahmapoetras bereiken een hoogte van 65 à 70 cM. (zelden meer); het gewicht van den haan bedraagt 5 à 7.5, dat van de hen 4 à 6.5 KG.

*

Een overgang van de Kamhoenderen tot de Edelfazanten vormen de Fazanthoenderen (Euplocomus). Zij kenmerken zich door een slanken lichaamsbouw, een tamelijk zwakken snavel, een middelmatig hoogen, gespoorden loop, korte, afgeronde vleugels, een middelmatig langen, uit 16 pennen samengestelden, dakvormigen staart, naakte, met wratten bedekte wangen en een bevallig vederenkleed.

De Zilverfazant of Zilverlakensche Fazant (Euplocomus nycthemerus) onderscheidt zich van andere Fazanthoenderen door een lange, uit losbaardige veeren bestaande, hangende pluim op den kop en een wigvormig verlengden, bij wijze van een dak dubbelgevouwen staart, welks middelste veeren niet zijwaarts naar buiten gebogen en slechts in geringe mate naar onderen gekromd zijn. De lange en dikke vederbos aan den achterkop is glanzig zwart, de nek en het voorste deel van den bovenhals zijn wit; de geheele overige bovenzijde is wit met smalle, zwarte zigzaglijnen, die van de eene zijde naar de andere zich uitstrekken; de zwarte onderzijde heeft een metaalachtig blauwen weerschijn; de slagpennen zijn wit met smallen, zwarten zoom en met onderling evenwijdige, breede, zwarte dwarsstrepen geteekend; de staartvederen hebben op witten grond een soortgelijke versiering, die des te duidelijker is, naarmate de pennen verder buitenwaarts gelegen zijn; de onbevederde wangen zijn fraai karmijnrood. Het oog is lichtbruin, de snavel blauwachtig wit, de voet lakrood of koraalrood. Totale lengte 110, staartlengte 67 cM. De hen is aanmerkelijk kleiner; de roestbruine grondkleur van haar vederenkleed is zeer fijn grijs gesprenkeld; de kin en de wang zijn witachtig grijs, de benedenborst en de buik witachtig, met roestbruine vlekken en zwarte dwarsstrepen.

Zilverfazant (Euplocomus nycthemerus). ⅕ v. d. ware grootte.

Zilverfazant (Euplocomus nycthemerus). ⅕ v. d. ware grootte.

Men weet niet zeker, wanneer de eerste levende Zilverfazanten naar Europa zijn gebracht; vermoedelijk is dit niet vóór de 17e eeuw geschied. Hun vaderland is Zuid-China, waar zij thans echter slechts in weinige gewesten nog in ’t wild voorkomen; tam vindt men ze in geheel China en Japan zeer veelvuldig. In Europa gedijen zij bij eenvoudige verzorging uitmuntend, in de vrije natuur even goed als op het erf of in een groote kooi. De pogingen om met deze diersoort onze wouden te bevolken zijn mislukt, omdat het mannetje wegens zijn witte kleur meer aan de vervolging der roofdieren is blootgesteld dan eenige andere Vogel van zijn grootte. Een niet minder groot bezwaar is gelegen in den Fazant zelf. Hij is de moedigste en strijdhaftigste van al zijne verwanten. Twee mannetjes, die hetzelfde gebied bewonen, zijn voortdurend met elkander in strijd. Ook andere dieren hebben veel te lijden van de heerschzucht van den Zilverfazant; hij vecht op leven en dood met den huishaan en verdrijft, als hij in het woud vrij kan rondzwerven, alle andere wilde Hoenderen, in de eerste plaats natuurlijk den Gewonen Boschfazant. Daar deze meer nut oplevert dan zijn vijand, wordt hij in het onbetwist bezit van het woud gelaten.

De Zilverfazant beweegt zich minder goed dan zijne verwanten en heeft ook minder lust in beweging. Men is geneigd hem lui te noemen. Hij vliegt niet anders dan in geval van nood, legt dan hoogstens een korten weg af en strijkt dan weer op den bodem neer. Bij ’t loopen ontbreekt hem de behendigheid van den Goudlakenschen Fazant; ook is zijn snelheid misschien geringer dan die van den Gewonen Fazant; hij kan deze beweging echter langer volhouden dan zijne beide verwanten. De stem verschilt al naar het jaargetijde. In de lente, gedurende den paartijd, hoort men meestal een lang gerekt, klankvol gefluit, in de andere jaargetijden meestal slechts een dof, als “radara doekdoekdoek” klinkend gekakel, waaraan, zoodra de Vogel in opgewonden toestand geraakt, het fluiten toegevoegd wordt.

De hen legt 10 à 18 eieren, die effen roodgeel van kleur of op geelachtig witten grond met kleine, bruinachtige stippels geteekend zijn. De moeder broedt met groote toewijding; na verloop van 25 dagen komen de jongen te voorschijn: allerliefste diertjes, welker donzig kleed een zeer bevallige teekening vertoont. Vrij spoedig ontwikkelen zij zich zoo ver, dat zij vliegen of althans fladderen kunnen; eerst in het tweede levensjaar verkrijgen zij echter het kleed en de groote hunner ouders. In hun vroegste jeugd geven ook zij aan Insecten als voedsel de voorkeur; later eten zij hoofdzakelijk zeer verschillende soorten van groen voer; ten slotte gebruiken zij hardere spijzen, vooral zaden van graanvruchten. Kool, salade en ooft zijn voor hen lekkernijen.

Het vleesch van dit dier is even smakelijk als dat van iederen anderen Fazant; den fijnsten wildsmaak verkrijgt het echter alleen dan, als men den Vogel meer vrijheid laat en hem minstens veroorlooft zich op het erf en in den tuin vrij te bewegen.

*

De Oorfazanten (Crossoptilon), die ook wel tot de Pauwvogels gerekend worden, maar zich van deze door het ontbreken der oogvlekken, van de overige Fazanten door den forscheren lichaamsbouw onderscheiden, hebben, evenals de Pauwen, de bovendekveeren van den staart zeer sterk ontwikkeld. De snavel en de pooten zijn krachtig; de loop van den haan is met een spoor gewapend, de sterk afgeronde vleugels zijn middelmatig lang, evenals de staart, welks trapvormig van ’t midden naar de zijden in lengte afnemende pennen een daksgewijzen stand hebben; de vier middelste stuurpennen zijn benedenwaarts gekromd en met lange, losse baarden voorzien; de huid om de oogen is tot op de teugels en de wangen naakt; het bosje naar boven gerichte veeren aan weerszijden van den kop herinnert eenigermate aan de oorpluimpjes van de Uilen.

De vroegst bekende van de vier soorten van dit geslacht, de Oorfazant of Oorpauw, de Maky (het “Blauwhoen”) der Chineezen (Crossoptilon auritum), is 110 cM. lang en heeft een 50 cM. langen staart. De kop is van boven met zwarte, fluweelachtige veeren als met een kap bedekt; de keel en de “ooren” zijn wit; de naakte plek om de oogen is hoog rood, het oog bruin, de snavel roodachtig. De kleine veeren zijn blauwachtig aschkleurig, de slagpennen zwart, de staartpennen aan den wortel wit, overigens metaalachtig blauw, de middelste fraai iriseerend. Deze Vogel bewoont de hooge gebergten van Tibet en China.

De gevangen Oorfazanten zijn zachtaardig en gemeenzaam, wennen licht aan de kooi en aan hun verzorger, verdragen de gevangenschap zeer goed, planten zich zonder bezwaar voort en vermenigvuldigen zich sterk.

*

De Echte Fazanten (Phasianus) hebben een dakvormigen, langen, wigvormigen staart, welks 18 pennen naar de spits smaller worden; de middelste zijn 6- à 8-maal zoo lang als de buitenste. De kop is, met uitzondering van een kring om de oogen, geheel bevederd; de snavel is middelmatig lang, aan de spits gewelfd; in de korte, afgeronde vleugels zijn de vierde en de vijfde handpen de langste. De loop is middelmatig lang en krachtig, glad, bij den haan met een niet bijzonder groote spoor voorzien. Het kleed van het mannetje is zeer fraai, dikwijls schitterend van kleur. De wijfjes zijn kleiner dan de mannetjes, hebben een veel korteren staart en eenvoudiger gekleurde veeren.

De Gewone Fazant of Boschfazant (Phasianus colchicus) is zoo bont van kleur, dat het moeite kost een nauwkeurige beschrijving van zijn kleed te geven. De veeren van den kop en den bovenhals zijn groen, met prachtig blauwen metaalglans, die van den onderhals, de borst, den buik en de flanken roodachtig kastanjebruin met purperkleurigen weerschijn, alle met glanzig zwarten zoom, die van den mantel vóór den zoom met witte, halvemaanvormige vlekken versierd, de lange, losbaardige staartwortelveeren donker koperrood met purperkleurigen glans, de slagpennen met bruine en roestgele banden, de staartveeren op olijfgrijzen grond zwart gestreept en met kastanjebruinen zoom. Het oog is roestgeel, het naakte veld om het oog rood, de snavel licht bruinachtig geel, de voet roodachtig grijs of loodkleurig. Totale lengte 80, staartlengte 40 cM. De hen is kleiner, haar geheele vederenkleed is op dof roodachtig grijsbruinen grond met zwarte en donker-roestkleurige vlekken en banden geteekend. Vooral op den rug komt de donkere teekening goed uit.

De Boschfazant, die oorspronkelijk de kustlanden van de Kaspische zee en West-Azië bewoonde, werd reeds in overoude tijden in Europa gefokt. Volgens de overlevering vonden de Grieken, die den Argonautentocht ondernamen, dezen prachtigen Vogel aan de oevers van de rivier Phasis in het land Colchis en namen hem mede naar hun vaderland. Van hier heeft hij zich over Zuid-Europa verspreid; door de Romeinen, die hoogen prijs stelden op dit kostelijk wild, werd het ook naar Zuid-Frankrijk en Duitschland overgebracht. “De Fazant”, schrijft Schlegel, “werd ook in Nederland vroegtijdig ingevoerd en in met hout begroeide streken in eenige deelen van ons land verplant. Hij teelt ook in het wild voort; daar er echter, uit gebrek aan voedsel, vooral bij hooge sneeuw, dikwijls vele omkomen, moet men, om dit te voorkomen en het jachtveld steeds genoegzaam met deze wildsoort bevolkt te houden, tegen den winter zeker getal hennen en hanen opvangen en deze tot in Maart op zolders of in hokken houden, als wanneer zij wederom uitgezet kunnen worden. Intusschen verlaten deze halfwilde Fazanten somtijds vrijwillig de bosschen, waarin zij uitgebroeid en opgegroeid zijn, gaan zich zelfstandig vestigen, leven het geheele jaar door volkomen in den wilden staat, telen voort, vermenigvuldigen en vormen koloniën, die zonder hulp van den mensch bestaan. Er zijn intusschen voorbeelden, dat dergelijke koloniën, zonder eenige blijkbare oorzaak, plotseling verhuizen en spoorloos verdwijnen.” “Eenige jaren geleden,” schreef Mr. H. Albarda in 1884, “is deze Vogel ingevoerd in Opsterland, Schoterland en Ooststellingwerf, waar hij thans geheel in het wild leeft en voortteelt. Vooral in eerstgenoemde gemeente is hij zeer menigvuldig. Hij heeft zich van daar ook over een deel van Smallingerland uitgebreid.” “In alle provincies van Nederland behalve Groningen en Drente leeft hij thans” (1897) “in volkomen wilden staat.” Dit is ook het geval in Zuid-Duitschland, vooral echter in Oostenrijk en Boheme. In Noord-Duitschland bewoont hij onder de hoede van den mensch zoogenaamde “wilde” of “tamme” fazantenperken. Hij komt zeer veelvuldig voor in Hongarije en Zuid-Rusland, is zeldzamer in Italië, zeer zeldzaam in Spanje; ook in Griekenland, waar hij vroeger algemeen was, gaat hij zijn uitroeiing te gemoet.

Onder de naaste verwanten van den Boschfazant, die met hem het ondergeslacht der Edelfazanten vormen, verdient vooral vermelding de Koningsfazant, de Djeuki (het Pijlhoen) der Chineezen (Phasianus Revesii); hij is de grootste van alle; zijn totale lengte bedraagt 2.1 M., waarvan 1.6 M. op den staart komen. Op de bovendeelen zijn de veeren goudachtig okergeel met zwarte zoomen, op de onderdeelen wit met breede, purperachtig bruinroode zoomen en zwarte, pijlvormige vlekken. Deze soort bewoont de gebergten ten oosten en ten noorden van Peking en ook die, welke Sjensi van Honan en Hoepe van Sitsjoean scheiden.

Alle Fazanten vermijden de aaneengeschakelde, hoogstammige wouden, vooral naaldhoutbosschen; zij bewonen bij voorkeur bosschen of dichte kreupelhoutboschjes, die door vruchtbare akkers of weiden omgeven en niet arm aan water zijn. Vruchtdragende graanvelden schijnen voor hun gedijen wel niet volstrekt onmisbaar, maar toch zeer gewenscht. Gedurende den geheelen dag houden zij zich op den grond bezig, sluipen van den eenen struik naar den anderen, kruipen door doornachtige heesterboschjes, waarin zij voedsel hopen te vinden, begeven zich ook wel naar de randen van het woud en van hier op de akkers, waar zij, al naar het jaargetijde, het pasgezaaide koren of de rijpgeworden vrucht opeten en zoeken eerst met het vallen van den avond den boom op, die hun als standplaats moet dienen.

In vroegere tijden achtte men het noodig en nuttig, in een bosch, dat overigens voldeed aan de eischen door den Fazant gesteld, van tijd tot tijd berookingen te doen plaats hebben; men meende hierdoor dit wild beter in het bosch te kunnen houden en het zelfs van elders daarheen te kunnen lokken. Deze handelwijze is in onbruik gekomen.

De begaafdheden van de Edelfazanten zijn gering. Hoewel de Fazant op statige wijze rondstapt en er slag van heeft zijn schoonheid te doen uitkomen, kan hij zich toch met den Huishaan niet meten. De hen heeft steeds een bescheiden houding. Juist van de Edelfazanten geldt in hooge mate, wat hierboven van de Fazantvogels in ’t algemeen gezegd werd: zij loopen voortreffelijk, maar vliegen slecht. Hunne zintuigen zijn, naar het schijnt, vrij gelijkmatig ontwikkeld; hun verstand is ongetwijfeld gering. Alle Edelfazanten zijn even bekrompen van geest, even onbekwaam ter rechter tijd de beste maatregelen te kiezen. Onder hunne prijzenswaardige hoedanigheden bekleedt onbegrensde vrijheidsliefde een eerste plaats. De Fazant geraakt gewoon aan een bepaald gebied, wanneer zijne wenschen er bevredigd worden, maar kan toch het rondzwerven niet nalaten. Het bewustzijn van zijn zwakheid, het gevoel van ongeschiktheid om zich tegen sterkere dieren te verdedigen, spoort hem aan, zich zooveel mogelijk te verbergen; daarom onttrekt hij zich ook gaarne aan het toezicht van zijn verzorger. Het is dus geenszins uit ondankbaarheid voor alle aan zijn opvoeding en verzorging besteede moeite, gelijk Winckell meent, die hem op zulk een wijze doet handelen, maar puur en alleen tegenzin in het blijven op een bepaalde plaats, koppigheid en bekrompenheid. De Fazant wordt nooit werkelijk tam, omdat hij zijn verzorger niet van andere personen leert onderscheiden en in iederen mensch een vijand ziet, dien hij te vreezen heeft. Hij houdt zich niet aan een bepaalde standplaats, wijl hij de bekwaamheid mist om in zijn gebied de plek te vinden, die hem het best schikt. Hij ducht aanhoudend gevaren, omdat zijn verstand niet groot genoeg is om hem te redden, wanneer een werkelijk onheil hem bedreigt.

“Moeielijk zal men wild kunnen vinden,” zegt Dietrich aus dem Winckell zeer te recht, “dat zoo licht van streek te brengen is en daardoor ongeschikt wordt om een besluit te nemen. Als de komst van een mensch of van een Hond den Fazant verrast, schijnt hij te vergeten, dat de natuur hem vleugels heeft gegeven: hij blijft bedaard zitten op de plek, waar hij zich bevindt, drukt zich plat op den grond en verbergt den kop, of loopt zonder doel heen en weer. Niets is voor zijn leven gevaarlijker dan het stijgen van het water in een stroom, die in de nabijheid van zijn standplaats vloeit. Als hij aan den waterkant staat, blijft hij onbeweeglijk op hetzelfde punt, kijkt, zonder den blik er af te wenden in het water, totdat zijne veeren doornat zijn; hierdoor vermeerdert zijn gewicht zoozeer dat hij niet meer opvliegen kan. Hij is dan in den echten zin van ’t woord een slachtoffer van zijn domheid.” Winckell zag een Fazant, die in dezen toestand verkeerde, niet slechts de middelen om zich te redden verzuimen, maar zelfs al verder en verder in den stroom op waden. Toen zijn pooten den grond niet meer konden bereiken en hij reeds begon af te drijven, wachtte hij in stille berusting zijn noodlot af. Met als een haak dienenden, afgesneden boomtak trok men hem op ’t droge, zoodat hij voor ditmaal aan ’t gevaar ontkwam. “De Fazant,” zegt Naumann, “is boven alle beschrijving angstvallig. Een voorbijloopende Muis maakt hem hevig verschrikt; zelfs door een naar haar nest kruipende Slak wordt de hen genoopt oogenblikkelijk haar woning te verlaten; bij ’t naken van een werkelijk gevaar blijft zij als dood er op liggen.” Deze bekrompenheid van geest doet merkbaar afbreuk aan de vermenigvuldiging en verspreiding van dit wild. Jegens zijne soortgenooten is de Fazant volstrekt niet verdraagzaam. Als twee hanen elkander ontmoeten, vechten zij verwoed, tot hunne veeren in ’t rond vliegen en hun bloed stroomt; de eene zal zelfs den anderen om ’t leven brengen, indien hij hiertoe kans ziet.

In den paartijd, die in ’t laatst van Maart begint, ondergaat het gedrag van onzen Vogel een belangrijke verandering. In gewone omstandigheden laat hij zelden zijn stem hooren, alleen bij ’t “boomen” (bij ’t gaan zitten in een boom) roept hij, luid kakelend als een Hoen, “koekoekoek koekoekoek” door het woud; in den paartijd echter kraait hij, maar op een afschuwelijke wijze. Wel herinnert zijn geschreeuw aan het welluidende “kiekeriekie” van onzen Huishaan; het is echter kort afgebroken en heesch, als ’t ware onvolledig; het behaagt ons niet, daar wij het onwillekeurig met het gewone hanengekraai vergelijken.

De hen zoekt een stil plekje uit onder dicht struikgewas of hoog opgeschoten kruiden, b.v. in het koorn, in biezen of in een weide, woelt hier een ondiepe holte uit, krabt hierin een weinig nestmateriaal uit de onmiddellijke nabijheid bijeen en legt nu hare 8 à 12 eieren met geregelde tusschentijden van 40 à 48 uren. Als men haar de eieren ontneemt, legt zij er meer, doch komt zelden boven de 16 of 18 stuks. De eieren zijn kleiner en ronder dan die van de huishen en effen geelachtig grijsgroen van kleur. Onmiddellijk na het leggen van het laatste ei begint zij te broeden en doet dit met bewonderenswaardigen ijver. Zij zit zoo vast, dat zij haar gevaarlijksten vijand zeer dicht bij laat komen, voordat zij het nest verlaat; gewoonlijk doet zij dit niet vliegend, maar loopend. Als zij om andere redenen van het nest afgaat, bedekt zij de eieren losjes met de neststoffen of met eenige bladen en grashalmen, die zij bijeenkrabt. Na 25 of 26 dagen komen de jongen uit den dop. Deze blijven, totdat zij volkomen droog geworden zijn, onder de vleugels van de hen, die ze vervolgens meeneemt om voedsel te zoeken. Bij gunstige weersgesteldheid worden de tamelijk vlugge kuikentjes binnen 12 dagen sterk genoeg om een weinig te kunnen fladderen; zoodra zij de grootte van een Kwartel hebben, “boomen” zij iederen avond geregeld met de hen. Deze tracht hare kuikens zoo veel mogelijk te beveiligen tegen al wat hen kan schaden, stelt zich met dit doel zonder aarzeling aan dreigende gevaren bloot, maar smaakt toch zelden het genoegen al hare kinderen groot te brengen, daar de jonge Fazanten zeer weekelijk en teer zijn. Tot laat in den herfst blijven de jongen bij hun moeder en vormen met deze één toom; daarna vertrekken eerst de jonge hanen en tegen den aanvang van de lente ook de jonge hennen, die nu voor de voortplanting geschikt zijn.

In Middel- en Noord-Duitschland laten vele houders van Fazanten in het begin van de lente eenige van hunne zoo goed als in ’t wild levende Vogels opvangen; deze worden in een groote kooi opgesloten om hierin eieren te leggen. Met behulp van voor dit doel afgerichte Honden worden tevens de nesten in ’t vrije veld opgezocht; de hieruit genomen eieren laat men uitbroeden door Kalkoenen, die later ook met de zorg voor de jonge Fazanten worden belast.

Meer dan eenig ander Hoen wordt de Fazant door gevaren bedreigd. Eerder dan zijne verwanten wordt een ongunstige weersgesteldheid voor hem noodlottig; ook heeft hij veel meer te lijden van allerlei roofgespuis. Zijn ergste vijand is de Vos, die bij deze jacht even weinig omwegen maakt als de mensch, maar nog beter dan deze alle gelegenheden waarneemt om het wild te verschalken. De jonge Fazanten worden door Marters en Katten weggenomen, de eieren door Egels en Ratten verslonden. Haviken, Sperwers, Wouwen en Kuikenduiven laten zich evenmin onbetuigd; zelfs de plompe Buizerd, de Raaf, de Kraai, de Ekster, de Vlaamsche Gaai rooven menig kuiken en overmeesteren menigen volwassen Vogel.

“Hoewel de Goudlakensche Fazant sinds lang in Europa bekend is,” zegt Bodinus zeer te recht, “kijkt iedereen nog steeds met bewondering naar dezen Vogel. De macht der gewoonte heeft de belangstelling in de prachtig schitterende kleuren van zijn vederenkleed niet kunnen verminderen; ieder, die hem voor de eerste maal ziet, kan moeielijk van dit verrukkelijk schouwspel scheiden.” De Goudlakensche Fazant, de Kinki (het “Goudhoen”) der Chineezen (Phasianus pictus), waarschijnlijk de Phoenix der ouden, is werkelijk een prachtige Vogel, zijne kleuren zijn even fraai als zijn gestalte bevallig is. Hij vertegenwoordigt het ondergeslacht der Kraagfazanten, gekenmerkt door een betrekkelijk geringe grootte, slanke lichaamsbouw, een vederenpluim op den kop en een zeer langen staart. De halskraag van den haan bestaat uit veeren, die in den nek groeien, naar voren en naar onderen breeder worden en van den hals afstaan. De genoemde soort heeft oranje- of goudgele en eenigszins losbaardige kuifveeren; zij overschaduwen den grooten halskraag, welks veeren grootendeels oranjerood zijn met donker fluweelzwarten zoom, waardoor een reeks van evenwijdige, donkere strepen ontstaat; de veeren van den mantel, die grootendeels door den kraag overdekt is, zijn donker metaalglanzig groen met zwarten zoom, waardoor zij gezamenlijk op een schubbenkleed gelijken; de benedenrug en de bovendekveeren van den staart zijn hooggeel, het aangezicht, de kin en de zijden van den hals geelachtig wit, de onderhals en het onderlijf hoog saffraanrood, de vleugeldekveeren kastanjebruinrood, de slagpennen roodachtig grijsbruin met roestrooden zoom, de stuurpennen op bruinachtigen grond zwart gemarmerd of netsgewijs geteekend en de verlengde, smalle bovendekveeren van den staart donkerrood. Het oog is goudgeel, de snavel witachtig geel, de voet bruinachtig. Totale lengte 85, staartlengte 60 cM. Bij ’t wijfje is de grondkleur dof roestrood, op de onderdeelen in roestkleurig grijsgeel overgaande.

De naaste verwant van den Goudlakenschen Fazant kreeg ter eere van Lady Amherst, die hem het eerst naar Europa bracht, den naam (Phasianus Amherstiae); wij zullen hem Diamantfazant noemen. De veeren van den halskraag zijn met uitzondering van haar donkeren zoom zilverwit; wit zijn ook de borst en de buik; de kuif is op het voorhoofd zwart, overigens rood; de hals, de bovenrug en de bovendekveeren van den vleugel zijn licht metaalachtig groen; door den donkeren zoom der veeren ontstaat een schubvormige teekening; de benedenrug is goudgeel, donker geschaduwd; de bovendekveeren van den staart hebben op bleek roodachtigen grond zwarte banden en vlekken, de buitenste zijn verlengd en koraalrood; de slagpennen zijn bruinachtig grijs met lichteren buitenzoom, de overige meer muiskleurig. Het oog is goudgeel, de naakte plek op de wangen blauwachtig, de snavel licht-, de voet donkergeel. Totale lengte 125, staartlengte 90 cM. De hen gelijkt op die van de vorige soort.

Trans-Baikalië en het oosten van Mongolië tot in de nabijheid van den Amoer, benevens Zuid- en Zuidwest-China zijn het vaderland van den Goudlakenschen Fazant. De Diamantfazant bewoont Oost-Sitsjoean, Yuennan, Kweitsjow en Oost-Tibet. Beide houden zich in het gebergte op; de eerstgenoemde echter in een lageren gordel dan zijn verwant, die tusschen 2000 en 3000 M. boven den zeespiegel voorkomt. Dit gaat ook dan nog door, als beide hetzelfde gebergte bewonen.

Hoewel het niet te loochenen valt, dat de Goudlakensche Fazant, wat aard en vermogens betreft, in hoofdzaak overeenstemt met de andere leden van zijn geslacht, mag men hem toch behendiger, vlugger, schranderder en verstandiger noemen dan den Boschfazant. Hij beweegt zich zeer sierlijk, kan sprongen doen, die wegens hun lichtheid en bevalligheid bewondering wekken, kronkelt zich met verrassende behendigheid tusschen de dichtste twijgen door en vliegt veel beter dan andere Fazanten. Zijn stem, die men trouwens zelden hoort, is een vreemdsoortig gesis. Hoewel er ook bij hem van hooge gaven geen sprake kan zijn en de angstvalligheid, waardoor de leden van zijn geslacht zich onderscheiden, ook bij hem in hooge mate schijnt voor te komen, mag men toch zeggen, dat hij zich eerder dan zijn inheemsche verwant in gewijzigde omstandigheden schikt en zich gemakkelijker laat temmen. Exemplaren, die van jongs af onder de leiding van den mensch zijn geweest, geraken weldra gewoon aan hun verzorger en onderscheiden hem zonder fout van vreemden, hetgeen bij andere Fazanten niet het geval is.

Tegen het einde van April begint de baldertijd van den Goudlakenschen Fazant; deze laat nu vaker dan gewoonlijk zijn sissende lokstem hooren, beweegt zich meer dan vroeger, is zeer strijdlustig en schept behagen in het aannemen van een sierlijke houding, waarbij hij den kop benedenwaarts buigt, den kraag hoog opzet, de vleugels uitspreidt, den staart opheft en op zeer bevallige wijze allerlei wendingen en draaiingen maakt.

Diamantfazant (Phasianus Amherstiae). ¼ v. d. ware grootte.

Diamantfazant (Phasianus Amherstiae). ¼ v. d. ware grootte.

Al wat tot lof van den Goudlakenschen Fazant gezegd kan worden, geldt ook, en in nog hoogere mate, van den Diamantfazant. Deze is nog sierlijker, nog behendiger, vlugger, schranderder en, wat de hoofdzaak is, meer gehard tegen ons klimaat, minder gevoelig dan zijn naaste verwant. Het is niet onwaarschijnlijk, dat hem een groote toekomst wacht; daar hij alle eigenschappen bezit, die een goeden uitslag van zijn naturalisatie in onze gewesten, voor zoover deze mogelijk is, waarborgen.


De meest typische vormen van de onderfamilie der Pauwvogels (Pavoninae)—de Pauwen (Pavo)—onderscheiden zich van alle andere Hoenderen door de sterke ontwikkeling van de bovendekveeren van den staart, die alle gewone afmetingen overtreffen; hieraan kunnen zij gemakkelijk herkend worden. De Pauwen zijn grooter dan de overige Hoenderen, krachtig gebouwd, tamelijk langhalzig, kleinkoppig, kortvleugelig, hoogpootig en langstaartig. De snavel is tamelijk dik, op den rug gewelfd, aan de spits haakvormig naar beneden gekromd; de lange loop draagt bij het mannetje een spoor. Het lichaam is met een grooten overvloed van veeren bekleed, die voor een deel met ronde vlekken (oogen) versierd zijn; de kop prijkt met een opgerichte en lange pluim, die uit smalle of slechts aan de spits gebaarde veeren bestaat; de huid om de oogen is naakt. In het derde levensjaar heeft de Pauw zijn volle schoonheid bereikt. Zijn vaderland is Zuid-Azië.

De Pauw (Pavo cristatus), de stamvader van de fraaiste Vogels van onzen hof, is op den kop, den hals en de voorborst prachtig purperblauw met goudkleurigen en groenen weerschijn; de rug is groen en schelpsgewijs geteekend, daar elke veer een koperkleurigen rand heeft; de vleugels zijn wit met zwarte dwarsstrepen; het midden van den rug heeft een donkerblauwe kleur; de onderdeelen zijn zwart; de slagpennen en staartpennen hebben een licht nootbruine kleur; de bovendekveeren van den staart, die den “sleep” vormen en de stuurpennen geheel verbergen, zijn groen, losbaardig tot bij de hoekige spits, waarvan de met een oogvlek prachtig versierde, schijfvormige vlag het middelste deel uitmaakt; de 20 à 24 veeren van de kuif dragen slechts aan de spits baarden. Het oog is donkerbruin, de naakte ring er omheen witachtig; de snavel en de voet zijn hoornbruin. De lengte bedraagt 110 à 125, de staartlengte 60 cM., de sleep is 1.2 à 1.3 M. lang. Bij het wijfje is de kuif aanmerkelijk korter en donkerder gekleurd dan bij het mannetje; de kop en de bovenhals zijn nootbruin, de veeren van den nek groenachtig met bruinachtig witten zoom, die van den mantel lichtbruin met fijne, dwarse golflijnen; de gorgel, de borst en de buik zijn wit, de slagpennen bruin, de stuurpennen donkerbruin met witten zoom aan de spits.

Pauw (Pavo cristatus). 1/7 v. d. ware grootte.

Pauw (Pavo cristatus). 1/7 v. d. ware grootte.

De Pauw bewoont het vasteland van Indië en Ceylon en wordt in Assam en op Java1 door twee verwante soorten vervangen. Hij bewoont wouden en dsjungels, vooral bergachtige streken, die door open land omgeven of met ravijnen doorsneden zijn; minder veelvuldig is hij in gewesten, die op onze hoogstammige bosschen gelijken. In den Nilgiri en in de gebergten van Zuid-Indië, komt hij voor tot op 2000 M. boven den zeespiegel; hij ontbreekt echter in den Himalaja; op Ceylon ontmoet men hem eveneens vooral in het gebergte. Volgens Williamson zijn wouden met dicht onderhout of hoog gras zijne liefste verblijfplaatsen, wanneer hier slechts geen gebrek aan water is; even gaarne houdt hij zich op in aanplantingen, die hem beschutting kunnen verschaffen en enkele hooge, voor slaapplaats geschikte boomen bevatten. In vele gewesten van Indië wordt hij als een heilige en onschendbare Vogel beschouwd; de inboorlingen achten het dooden van een Pauw een misdaad; de jager, die zich hieraan niet stoort, stelt zich aan levensgevaar bloot. In de nabijheid van vele Hindoe-tempels houden zich talrijke troepen van halfwilde Pauwen op, welker verzorging een van de plichten der geestelijken is; deze Vogels beseffen weldra de bescherming, die hun verleend wordt en toonen zich, althans jegens Hindoes, weinig schuwer dan de tamme exemplaren, die in onze hoenderparken grootgebracht zijn.

Tennent verzekert, dat men, om zich een denkbeeld beeld te kunnen vormen van de schoonheid van den Pauw, hem in zijn eenzame wildernissen gezien moet hebben. Op Ceylon treft men hem in gewesten, waar zelden Europeanen komen en waar hij niet gestoord wordt, buitengewoon veelvuldig aan. Over dag ziet men deze Vogels bij honderden te gelijk; ’s nachts kan men van hun voortdurend, luid geschreeuw niet slapen. Het prachtigst doet de Pauw zich voor, als hij in een boom is gaan zitten; de lange sleep, die soms half door de bladeren verborgen, soms uitgespreid is, verschaft den boom een heerlijk sieraad. Williamson beweert, dat hij in enkele deelen van Indië wel eens 1200 à 1500 Pauwen bijeengezien heeft, maar ze gewoonlijk bij troepen van 30 à 40 stuks aantrof. Over dag blijven deze gezelschappen meestal op den grond; slechts in de voormiddag- en avonduren bezoeken zij de open plekken in ’t bosch of de naburige velden, om hier voedsel te zoeken. Bij vervolging tracht de Pauw zich zoo lang mogelijk loopend te redden; eerst als hij zekeren voorsprong heeft, gaat hij tot vliegen over. Zijn vlucht is plomp en ruischend. Gewoonlijk verheft de Vogel zich niet boven schothoogte; zelden vliegt hij ver. Men zou kunnen meenen, dat een aan den vleugel gewonde Pauw met een hevigen schok op den bodem zal neervallen; dit is echter niet het geval: de gekwetste staat zeer spoedig op en loopt dan zoo snel weg, dat hij in negen van de tien gevallen den jager ontkomt, wanneer deze hem niet onmiddellijk achtervolgt. Voor een Hond, of in ’t algemeen voor een groot, viervoetig roofdier is de Pauw veel meer bevreesd dan voor den mensch, waarschijnlijk omdat hij van wilde Honden en Tijgers onaangename ervaringen heeft opgedaan. Als een Hond den Vogel op het spoor komt, begeeft deze zich zoo schielijk mogelijk in een boom en laat zich van hier niet zoo licht meer verdrijven. Ervaren jagers in Indië kunnen in streken, waar Tijgers huizen, uit de bewegingen der Pauwen met volkomen zekerheid afleiden, of een van deze Roofdieren zich in de nabijheid bevindt.

Als een echt Hoen ontleent de Pauw zijn voedsel zoowel aan het dieren- als aan het plantenrijk. Hij eet alles wat ons Huishoen gebruikt, maar is wegens zijne grootte en lichaamskracht in staat ook sterkere dieren te overweldigen, o. a. Slangen van tamelijke lengte, die door hem gedeeltelijk opgegeten, althans gedood worden. Als het jonge koorn zich boven den grond verheft, begeeft hij zich geregeld naar de akkers om hier te grazen; als de pipal-vruchten rijp worden, gebruikt hij hiervan zooveel, dat zijn vleesch er een bitteren smaak door krijgt.

In verband met de ligging van het door hem bewoonde gebied broedt de Pauw vroeger of later in ’t jaar, in Zuid-Indië gewoonlijk tegen het einde van ’t regenseizoen, in noordelijker gewesten ongeveer van April tot October. Volgens Irby verliest de haan zijn sleep in September; eerst in Maart heeft hij hem volkomen terug en kan dan dus aan de paring denken. Hij toont thans aan het wijfje zijne pronkveeren in haar vollen luister en gedraagt zich over ’t algemeen op dezelfde wijze als zijn getemde afstammeling. Het nest, dat men gewoonlijk op een kleine verhevenheid, in het woud onder een grooten struik vindt, bestaat uit dunne takjes, droge bladen en dergelijke materialen en is even slordig gebouwd als dat van de andere Hoendervogels. De hen legt 4 à 15 eieren, bebroedt ze met grooten ijver en verlaat ze slechts in den uitersten nood. “Bij verscheidene gelegenheden,” zegt Jerdon, “heb ik wijfjes van wilde Pauwen op haar nest waargenomen. Als ik ze niet stoorde verroerden zij zich niet, hoewel ze mij duidelijk gezien hadden.”

De tijd, waarin de Pauw voor ’t eerst naar Europa werd overgebracht, is niet met zekerheid bekend. Alexander de Groote kende geen getemde Pauwen, gelijk blijkt uit zijn bewondering voor de wilde, die hij gedurende zijn krijgstocht in Indië voor ’t eerst zag. Hoewel de overlevering meldt, dat de eerste getemde Pauwen door Alexander naar Europa zijn zijn gebracht, was deze prachtige Vogel reeds veel vroeger naar ’t westen verbreid. “Van Indië, waar hij vrij in de wouden leeft,” schrijft Victor Hehn, “voerden Phoenicische zeehandelaars hem naar het gebied van de Middellandsche Zee. Dit blijkt, behalve uit een bepaald feit, dat op het begin van de 10e eeuw wijst, ook uit de vergelijking van de namen. De schepen, die Koning Salomo in de Edomitische havensteden liet uitrusten, brachten van hun reis naar Ophir, nevens andere kostbaarheden, ook Pauwen mede.” Ten tijde van Pericles moet de Pauw in Griekenland nog zoo zeldzaam zijn geweest, dat men van verre kwam om hem te zien. Aristoteles noemt hem een door ’t geheele land bekenden Vogel. Bij de feestmaaltijden der Romeinsche keizers speelde hij reeds een zeer belangrijke rol. Vitellius en Heliogabalus onthaalden hunne gasten op een gerecht, dat uit tongen en hersens van Pauwen en de duurste specerijen van Indië was samengesteld. Te Samos werden Pauwen gehouden in den tempel van Juno en was deze Vogel op de munten afgebeeld. In Duitschland en Engeland was hij, naar het schijnt, in de 14e en 15e eeuw nog zeer zeldzaam; daar het als een bewijs van rijkdom gold, dat Engelsche baronnen bij groote feestelijkheden een gebraden Pauw lieten opdragen, die met zijn eigen veeren versierd, en met pruimen, die destijds nog zeer zeldzaam waren, omgeven was. Gessner, wiens werk over natuurlijke geschiedenis in 1557 verscheen, was zeer goed met den Pauw bekend en gaf een uitvoerige beschrijving van dit dier.

De meest in ’t oog loopende karaktertrek van den Pauw is trotschheid en ijdelheid; hij toont deze eigenschappen niet slechts in het verkeer met zijn wijfje, maar ook jegens den mensch. Hij is echter bovendien vervuld van eigenwaan en heerschzucht. In een hoenderpark is hij dikwijls onuitstaanbaar lastig, omdat hij zonder eenige aannemelijke reden zwakkere dieren aanvalt en met verraderlijke boosaardigheid mishandelt of doodt.

Van den winter heeft de Pauw weinig last: zelfs het bezit van een warm hok weerhoudt hem niet om bij de strengste koude gebruik te maken van de hooggelegen slaapplaats, die hij zich in den zomer uitkoos. Als het sneeuwt, laat hij zich niet zelden onbekommerd door de vlokken bedekken en lijdt er geen schade door. Wanneer men hem meer vrijheid laat, toont hij zich niet veeleischend en is met gewoon kippenvoer tevreden; trouwens gedurende zijne wandelingen over het erf en in den tuin zoekt hij een groot deel van zijn voedsel zelf. Hij eet met smaak allerlei soorten van groente; deze zijn, naar het schijnt, onmisbaar voor hem.

*

De Pluimhoenderen (Lophophorus), die men tegenwoordig tot de Pauwvogels rekent, onderscheiden zich van de overige Hoenderachtigen hoofdzakelijk door den korten, flauw afgeronden staart, welks pennen niet dakvormig gerangschikt zijn, maar in één vlak liggen. Voorts kenmerken zij zich door den betrekkelijk krachtigen romp, de middelmatig lange vleugels, de nagelvormig verbreede en vooruitstekende spits van den bovensnavel, den middelmatig hoogen loop, die bij het mannetje met een spoor gewapend is en het prachtige vederenkleed van den haan. Het oog is met een naakte plek omgeven. Aan den achterkop komt een kuif voor, die uit vele aan den wortel baardelooze veeren bestaat, welke alleen aan de spits een vlag hebben.

In de hooge woudstreken van den Himalaja, van de voorbergen in Afghanistan tot het uiterste oosten van het gebergte in Sikkim en Boetan, leeft op hoogten van 2000 à 3000 M. een prachtig Hoen, misschien het fraaiste van de geheele orde—het Pluimhoen, dat door de inboorlingen Monaul of Monal wordt genoemd (Lophophorus impeyanus). Het is moeielijk van de prachtige, metaalglanzige kleuren van dezen Vogel, die hieraan den naam ”Glansfazant” dankt, een beschrijving te geven. De kop (met inbegrip van de pluim, die als ’t ware uit gouden aren samengesteld is) en de keel zijn metaalachtig groen, de bovenhals en de nek iriseerend purper- of karmijnrood met robijnachtigen glans, de onderhals en de rug bronskleurig groen met goudgelen weerschijn, de mantel en de vleugeldekveeren, de bovenrug en de bovendekveeren van den staart violet- of blauwachtig groen, even glanzig als het overige vederenkleed, eenige veeren van den onderrug wit, de onderdeelen zwart, op het midden van de borst met groenen en purperen weerschijn, op den buik donker en zonder glans, de slagpennen zwart, de stuurpennen kaneelrood. Het oog is bruin, de naakte plek er omheen blauwachtig, de snavel donker hoornkleurig, de voet dof grijsgroen. De haan is 65 cM. lang, waarvan 21 cM. op den staart komen. De hen is aanmerkelijk kleiner en heeft geen pluim; hare kleuren (bruin met zwarte vlekken) missen den metaalglans.

In de gewesten van Indië, die door den Monaul bewoond worden, kan men zich licht levende Hoenderen van deze soort verschaffen; als bergbewoners zijn zij echter niet bestand tegen de hooge temperaturen van de lagere landen; de meeste sterven onderweg. Hoewel zij den winter even goed verduren als de andere Fazanten, en de Vogels, die in volwassen toestand gevangen zijn, gemakkelijk aan het leven in de kooi gewend geraken, behooren zij in de dierentuinen nog steeds tot de zeldzaamheden. Hier houden zij zich, evenals in de vrije natuur, zooveel mogelijk verborgen, verschuilen zich bij voorkeur, als iemand nadert, zijn althans steeds eenigszins schuw, graven voortdurend in de zoden van hun perk en brengen hier weldra een groote wanorde teweeg.

*

De naaste verwanten van de Pluimhoenderen zijn de Saterhoenderen (Ceratornis), zoo genaamd, omdat de kop van den Haan voorzien is van twee “hoorntjes”: uitwassen van de huid, die opgericht kunnen worden en dan boven of achter den kop uitpuilen; zij ontspringen aan den achterrand van de naakte plek, die het oog omgeeft, waarvan zij als ’t ware een voortzetting vormen. Deze plek strekt zich bovendien uit over de wangen en tot aan de onderkaak, hangt van voren samen met een naakte, voor opzwelling vatbare plek aan de keel en loopt naar beneden, aan weerszijden uit in een groote lel. Den aanzienlijksten omvang en de levendigste kleuren hebben deze huidaanhangsels, die door aandrang van bloed naar de vaten opzwellen, gedurende het “balderen” als de opgewondenheid van den haan haar grootste hoogte heeft bereikt. Onmiddellijk daarna verkrijgen zij een bescheidener voorkomen: de sterk gekrompen hoorntjes hangen slap naar beneden of verbergen zich tusschen de veeren, de lellen worden teruggetrokken en vormen een dwarsgerichte huidplooi, de naakte huid van het keelveld is aan een gerimpelden zak gelijk. Het mannetje is ongeveer zoo groot als een flinke Huishaan. Het zeer rijke, prachtig gekleurde en sierlijk geteekende vederenkleed is op den achterkop tot een kuif verlengd. De hen mist de naakte plekken aan den kop en is eenvoudiger gekleed.

Het Saterhoen (Ceratornis satyra), dat het oostelijke gedeelte van het Himalaja-gebied, Nepal en Sikkim bewoont, heeft een vurig, bruinachtig rood vederenkleed met witte, zwart gezoomde vlekken; het voorhoofd en de kruin zijn zwart, de schuins naar buiten en naar achteren gerichte hoornen, de naakte keelplek en de lellen blauw met roode en gele vlekken.