Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami). ¼ v. d. ware grootte.

Kreupelhoutkalkoen (Catheturus Lathami). ¼ v. d. ware grootte.

“Het jong blijft na het verlaten van het ei minstens 12 uur in den heuvel, zonder de geringste poging te doen om er uit te kruipen; het wordt gedurende dezen tijd door het mannetje even diep bedolven als de overige eieren. Op den tweeden dag komt het te voorschijn; het heeft dan goed ontwikkelde veeren; deze waren bij het verlaten van den dop nog verborgen in de kort daarna openbarstende scheeden. Het jong schijnt nu nog geen neiging te hebben om zijne vleugels te gebruiken, maar beweegt zich uitsluitend met behulp van de krachtige pooten. Des namiddags keert het naar het nest terug en wordt door den zorgvuldigen vader weder begraven, hoewel op geringere diepte dan vroeger; op den derden dag is het voor het vliegen volkomen geschikt.”

*

Het Hamerhoen, de Maleo (Megacephalon maleo), is kenbaar aan een harden, rondachtigen knobbel, die boven de neusgaten begint, het geheele voorhoofd bedekt en voorbij den achterkop uitsteekt. Zijn verbreidingsgebied is beperkt tot het noordelijke schiereiland van Celebes. Met tusschenpoozen van 10 à 12 dagen legt de hen, die de grootte heeft van een kleine kip, in gaten van den grond, die zij aan ’t zeestrand uitkrabt, 6 à 8 steenroode eieren, welke zoo groot zijn als die van een Gans; de jongen ontwikkelen zich op dezelfde wijze als de overige Loophoenderen.


“Een opmerkelijk heesch geschreeuw en gekras klonk mij van den met bosch begroeiden oever te gemoet,” verhaalt Schomburgk. “Voorzichtig naderbij komend zag ik een verbazend grooten troep Vogels. Het waren Kuifhoenderen; de kolonisten noemden ze Stinkvogels. Hoewel de eerste naam wegens de lange veeren op den kop karakteristiek mag heeten, is toch de eigenschap, waarop de tweede naam gegrond is, nog duidelijker merkbaar: reeds op een vrij groote afstand, voordat deze Vogels zichtbaar zijn, wordt men op een zeer onaangename wijze van hun nabijheid onderricht. Zelfs de Indianen willen het Kuifhoen, hoe goed gevleescht het ook is, volstrekt niet eten, zoo afschuwelijk is deze reuk; het meest komt hij overeen met dien van verschen paardenmest; hij is zoo doordringend, dat men hem zelfs na jaren nog aan de gedroogde huid opmerkt. De troep, die ik zag, bestond stellig uit honderden Vogels; voor een deel zaten zij elkander tusschen de struiken door achterna, voor een deel vlogen zij juist op. Naar het scheen, was het hun paartijd.”

Eenige dierkundigen hebben het Kuifhoen een plaats aangewezen onder de Pisangvreters, waarmede het eenige overeenkomst vertoont. “Er is echter,” zegt Desmurs, “een bovenmenschelijke werking van de phantasie of een echte afkeerigheid van eenvoudige, gemakkelijk verstaanbare feiten noodig om deze handelwijze te rechtvaardigen.” Ook onder de Hoendervogels staat het Kuifhoen zeer geïsoleerd; het gelijkt echter op hen, vooral op de Sjakoehoenderen, meer dan op de Pisangvreters. Volgens Fürbringer vertegenwoordigt het een afzonderlijke familie (Opisthocomidae), die niet met de drie vorige in één groep kan worden geplaatst, maar in de onderorde der Hoenderen een afzonderlijke groep (Opisthocomi) moet vormen, welke met die der Hoenderen in engeren zin (Galli), op één lijn staat.

De eenige soort, die hiertoe gerekend kan worden, is het Kuifhoen of Zigeunerhoen, ook wel Hoactzin en Sasa genoemd (Opisthocomus cristatus). Zijn ondersnavel is merkwaardig door den duidelijk waarneembaren kinhoek, de bovensnavel door een viertal inkervingen aan de achterhelft van den zijrand; de (bruine) voet heeft een korten loop en lange, niet door spanvliezen vereenigde teenen met lange, dikke, tamelijk gekromde, spitse nagels; de tamelijk lange (bruine) vleugels reiken in rust tot voorbij het midden van den langen, aan de spits afgeronden, uit 10 pennen bestaanden staart. Op den boven- en achterkop vindt men een uit smalle, spitse, witachtig gele veeren samengestelde kuif. De omgeving van het (lichtbruine) oog, de teugel en de wang zijn naakt en vleeschkleurig. De hoofdkleur van de bovendeelen is bruin, op de achterste armpennen groen iriseerend; de onderdeelen zijn lichter en valer; de vleugel heeft twee witte dwarsbanden, de staart een lichten eindband. Totale lengte 62, staartlengte 29 cM.

Men weet zeer weinig van de levenswijze van dezen Vogel, die aan den bovenloop van den Amazonenstroom zeer veelvuldig is; men zegt, dat hij in polygamie leeft, in het bosch op boomen nestelt en slaapt, maar zich over dag aan moerassige rivieroevers ophoudt, waar hij zijn voedsel zoekt, dat uit jonge spruiten, bloemen en zaden van waterplanten bestaat. Misschien ontleent hij zijn onaangename lucht aan de vruchten van een soort van boomachtige aronskelk. Wegens deze eigenschap maakt mensch nog roofdier jacht op hem.


De tweede onderorde van de Hoendervogels wordt gevormd door de Kortstaart-hoenderen of Tinamoe’s (Crypturiformes). Zij hebben een kleinen en platten kop, met langen, dunnen, weinig gebogen snavel, een langen, dunnen hals, voeten met langen loop en zeer oneffen zool; de achterteen is altijd klein en aanmerkelijk hooger ingeplant dan de onderling niet vereenigde voorteenen; bij enkele soorten is hij zoo weinig ontwikkeld, dat alleen de nagel er van over is; de korte, ronde vleugels reiken niet verder dan tot op den benedenrug; de staart bestaat 10 à 12 korte en smalle pennen, die geheel verborgen zijn onder de lange dekveeren; soms echter ontbreken de stuurpennen geheel.

De Kortstaarthoenderen zijn over een groot deel van Zuid-Amerika verbreid en bewonen de meest verschillende terreinen: eenige soorten steeds open gewesten, andere alleen de wildernissen van de wouden, sommige de vlakte, andere het gebergte; enkele komen uitsluitend op hoogten van 4000 M. voor. Zij leven bijna voortdurend op den grond, vliegen zelden, loopen daarentegen op de wijze van onze Kwartels snel te midden van de struiken of in het hooge gras, drukken zich bij dreigend gevaar plat op den bodem neer of verbergen zich in een graspol; alleen de in ’t woud levende soorten zoeken ’s nachts op de onderste dikke takken van boomen een veilige slaapplaats. Hunne lichamelijke en geestelijke vermogens zijn gering. Zij loopen buitengewoon snel, vliegen echter op logge wijze en doen het daarom ongaarne; in tijd van nood geraken zij geheel van streek. Hun stem bestaat uit verscheidene opeenvolgende, fluitende geluiden van verschillende hoogte, die soms in regelmatige verhouding onderling afwisselen en zich zoozeer onderscheiden van de stemmen van andere Vogels, dat zij onmiddellijk de aandacht trekken van vreemden zoowel als van inboorlingen. Hun voedsel bestaat uit zaden, vruchten, jonge spruitjes en Insecten. Sommige vinden, naar men zegt, in de vruchten van den koffieboom, van eenige palmen enz. hun voornaamste voedsel.

Voor den jager nemen de Tinamoe’s in Zuid-Amerika de plaats in van onze Veldhoenderen; zij worden door hen “Patrijzen” of “Kwartels” genoemd en ijverig gejaagd. Alle Roofdieren, de loopende zoowel als de vliegende, wedijveren in dit opzicht met den mensch; zelfs de Jagoear versmaadt de jacht op dit wild niet; gevaarlijk voor de jongen zijn bovendien nog eenige Insecten, b.v. Mieren, die in dicht opeengedrongen hoopen van de eene plaats naar de andere trekken. De mensch doodt deze Vogels met het geweer, zet vallen voor hen uit, jaagt ze te paard achterna, vangt ze met den werpstrik of brengt Honden op hun spoor. Deze worden, naar Tschudi verhaalt, door de Indianen opzettelijk voor deze jacht afgericht. De door hen opgespoorde Tinamoe vliegt omhoog, maar gaat spoedig weer op den grond zitten; de Hond jaagt hem ten tweeden male op; de derde keer springt hij op den vluchteling toe en bijt hem dood.—In gevangenschap ziet men deze Vogels dikwijls bij de Indianen, enkel ook wel in Europa; veel genoegen kunnen zij hun eigenaar niet verschaffen; het zijn vervelende dieren.


Een der veelvuldigst voorkomende soorten van deze groep is de Inamboe of Ynamboeï (verbasterd tot Tinamoe) (Rhynchotus rufescens); hij onderscheidt zich door den betrekkelijk langen snavel (zoo lang als de kop) en een vrij aanzienlijke grootte; een korte staart en een kleine achterteen zijn hier aanwezig. De hoofdkleur is roestroodachtig geel; iedere veer van de bovenzijde, behalve de handpennen, heeft breede zwarte dwarsstrepen; de keel is witachtig. Oog, snavel en voet zijn bruin. Totale lengte 42, staartlengte 5 cM.

Inamboe (Rhynchotus rufescens). ¼ v. d. ware grootte.

Inamboe (Rhynchotus rufescens). ¼ v. d. ware grootte.

De Inamboe behoort thuis in het Campos-gebied van Middel-Brazilië, vooral in de provinciën Minas Geraes en Goyaz, maar komt ook in vele gewesten van Argentië veelvuldig voor. Men vindt hier deze Vogels nooit tot troepen vereenigd, altijd alleen, op sommige plaatsen echter in zeer grooten getale. Zij zijn hier algemeen bekend, het meest gezochte wild van den jager, aan voortdurende vervolging blootgesteld en daarom schuw en voorzichtig. Den naderenden mensch ontvluchten zij loopend in ’t hooge gras; slechts in den uitersten nood maken zij van hunne vleugels gebruik. Zij zijn zoo onbeholpen, dat zelfs knapen er vele van buit maken met een hoogst eenvoudigen lazo of werpstrik. Zij behooren tot het beste wild, dat den reiziger in Brazilië of Argentië wordt voorgezet. Het nest, dat zich op den bodem in het dichte struikgewas bevindt, bevat 7 à 9 donkergrijsachtige, naar paars zweemende eieren, welker schaal buitengewoon glanzig is.

In de Europeesche dierentuin treft men soms Inamboe’s aan; zij verdragen de gevangenschap uitmuntend, zijn niet veeleischend en planten zich, als zij behoorlijk verzorgd worden, ook wel in de kooi voort.


De Snipstruisen (Apterygiformes), die de laatste onderorde van de Hoendervogels vormen, hebben uitwendig weinig overeenkomst met hunne ordegenooten. Hun romp is betrekkelijk ineengedrongen, de hals kort maar dik, de kop niet bijzonder groot, de snavel lang en dun, de voet betrekkelijk kort en vierteenig; de vleugels zijn zoo gebrekkig ontwikkeld, dat hun aanwezigheid eigenlijk eerst bij de beschouwing van het skelet blijkt; daar tusschen de veeren slechts korte stompjes te vinden zijn, die eenige onvolkomen, maar dikke schaften dragen; de staart ontbreekt geheel. De huid is met lange, lancetvormige, los afhangende veeren bekleed, die van de hals af naar onderen in de lengte toenemen; zij hebben een losbaardige vlag en een zijde-achtigen glans. Bij oppervlakkige beschouwing zou men den snavel met dien van een Ibes kunnen vergelijken; hij onderscheidt zich echter van dezen en van iederen anderen vogelsnavel door de plaatsing der neusgaten aan de spits. Aan het achterste uiteinde komt een washuid voor en van hier naar de spits strekken zich groeven uit. De pooten zijn zeer dik en kort, de drie voorteenen lang en forsch, met krachtige, voor ’t graven geschikte klauwen gewapend; de dikkere en kortere achterteen, die een bijna verticalen stand heeft en bij het gaan den bodem niet aanraakt, draagt een nog forscheren klauw en gelijkt meer op de spoor van een Huishaan dan op een teen. Harde schilden bekleeden netsgewijs den loop, schubben de bovenzijde der teenen; aan de zijden hebben deze een smallen huidzoom.

In het skelet onderscheidt men een bovenarm van 3, een voorarm van 2 en een hand van 1 cM. lengte, de laatste voorzien met een scherpen klauw. In verband met de uiterst geringe ontwikkeling der voorste ledematen ontbreekt de kam op het borstbeen. Alle Vogels, die in ’t laatstgenoemde opzicht overeenstemmen, werden vroeger onder den naam van “Gladborstigen” aan de overige Vogels (de “Kamborstigen”) tegenovergesteld.

De eerste Snipstruis, wiens overblijfselen in 1812 naar Europa werden overgebracht, kreeg den naam Apteryx australis (australis = zuidelijk), omdat hij, naar gezegd werd, in de wouden bij de Duskybaai op de zuidwestkust van het Zuidelijke eiland van Nieuw-Zeeland gedood was; een tweede exemplaar, dat van dezelfde plaats afkomstig heette te zijn, kwam in het Britsch Museum; andere voorwerpen van deze soort schijnen niet bekend te zijn geworden. (Zij hebben de grootte van een Huishen; lengte 67 cM.) Bijna alle Snipstruisen, die thans in de verzamelingen voorkomen, zijn van het Noordelijke eiland afkomstig en behooren tot een tweede soort (Apteryx Mantelli); deze zullen wij aanduiden met den naam Kiwi, waaronder hij bij de inboorlingen bekend is. Volgens Bartlett is zij iets kleiner dan de vorige, heeft naar verhouding een langeren loop met kortere teenen en klauwen en vertoont ook eenig verschil in kleur en bevedering. Een nog iets kleinere soort (Apteryx Oweni) werd in het noordelijke gedeelte van het Zuidelijke eiland gevonden; hiervan zijn de exemplaren zeer zeldzaam. Ook onderscheidt men nog een vierde soort (Apteryx maxima). Sommige onderzoekers erkennen echter slechts twee soorten. De Kiwi wordt in de onbewoonde, boschrijke streken van het Noordelijke eiland ook thans nog gevonden; in de bewoonde gewesten is hij echter geheel uitgeroeid; het is dus niet gemakkelijk er een exemplaar van te verkrijgen.

Wat men van de levenswijze van den Kiwi weet, geldt waarschijnlijk voor alle Snipstruisen. Zij zijn nachtvogels, die zich over dag in gaten van den grond, bij voorkeur onder de wortels van groote boomen in het woud, verborgen houden en niet anders dan ’s nachts op voedsel uitgaan. Dit bestaat uit Insecten en hunne larven, Wormen en zaden van verschillende gewassen. Zij leven paarsgewijs en kunnen buitengewoon snel loopen en springen. Na den mensch zijn Honden en Katten hunne gevaarlijkste vijanden. De inboorlingen lokken hen (natuurlijk ’s nachts) door het nabootsen van hun geschreeuw. De Vogels worden door het fakkellicht van de jagers zoo in de war gebracht, dat deze hen met de handen grijpen of met een stok doodslaan kunnen. Voor deze jacht worden ook wel Honden afgericht. Aan de vervolging, die hij te verduren had, is het toe te schrijven, dat de Kiwi in bewoonde streken sinds lang niet meer gevonden wordt.

Den Kiwi wordt de onbruikbaarheid van de vleugels tot op zekere hoogte vergoed door de snelheid zijner voeten. In het nachtelijk halfdonker beweegt hij zich voorzichtig en zoo stil als een loopende Rat, waaraan zijn verschijning dan eenigszins herinnert. Als hij staan blijft, trekt hij den hals in en schijnt dan geheel rond te zijn. Soms laat hij tot steun in deze houding de spits van den snavel op den grond rusten. Wanneer men hem over dag stoort, gaapt hij herhaaldelijk, spert althans op zeer vreemdsoortige wijze den snavel wijd open. Een uitdaging beantwoordt hij door een rechtstandige houding aan te nemen, den eenen voet tot aan de borst op te tillen en met dit wapen, zijn eenig, maar niet onbeduidend verdedigingsmiddel, even snel als behendig naar voren en naar achteren te slaan. Terwijl hij zijn voedsel zoekt, brengt hij aanhoudend een snuffelend gedruisch voort met de neusgaten, alsof hij speuren wil; het is echter niet uitgemaakt, of hij zich door het tastzintuig dan wel door het reukzintuig laat leiden; waarschijnlijk doen beide in dit geval dienst. Het is een zeer aardig schouwspel een Kiwi jacht te zien maken op de Wormen, die zijn voornaamste voedsel uitmaken. De Vogel beweegt zich hierbij zeer weinig, steekt echter zijn langen snavel telkens weer in den weeken grond, waarin deze meestal tot aan den wortel doordringt, en trekt hem daarna onmiddellijk terug, al of niet met een tusschen de spitsen van de snavelhelften vastgeklemden Worm; steeds geschiedt dit door een langzame beweging van den kop, zonder eenige medewerking van den romp. Nooit scheurt hij den gevangen Worm met een snellen ruk uit zijn schuilplaats naar boven; integendeel de meest mogelijke voorzichtigheid wordt in acht genomen om den buit ongeschonden te doen blijven. Als het lange dier eindelijk boven aarde gekomen is, brengt hij het door een plotselingen ruk in het keelgat en zwelgt het door. Af en toe eet hij ook verschillende Insecten en enkele bessen; bovendien slikt hij steentjes in.

Over de voortplanting van de Snipstruisen waren een tijdlang wonderbaarlijke berichten in omloop; door waarnemingen aan gevangen exemplaren is men echter achter de waarheid gekomen. Waarschijnlijk heeft Webster van het broeden de eerste duidelijke beschrijving gegeven. “Voor ongeveer 14 jaren,” schrijft hij aan Layard, “vond een inboorling het ei van een Kiwi in een kleine holte onder de wortels van een kauripijnboom (Dammara australis); hij trok, na het ei, uit het diepste van het hol ook den ouden Vogel naar buiten. De Nieuw-Zeelander, die den Kiwi scheen te kennen, verzekerde, dat deze altijd slechts één ei legt en dat het nest altijd een door den Vogel zelf gegraven hol is, dat gewoonlijk in drogen grond onder een boomwortel gemaakt wordt. Het ei wordt, naar zijn zeggen, met bladen en mos bedekt; de broeiing van deze plantaardige stoffen zou de noodige hoeveelheid warmte leveren om het ei te doen uitkomen; dit deel van de ontwikkelingsgeschiedenis zou 6 weken duren. Als het jong het ei verlaten heeft, zou de moeder komen om het te helpen.”

Gelukkig zijn wij in staat om deze mededeelingen tot op zekere hoogte te bevestigen, op grond van hetgeen men in den Londenschen dierentuin aan gevangen Snipstruisen waargenomen heeft. Sedert het jaar 1852 heeft men hier herhaaldelijk één of meer van deze zonderlinge Vogels verpleegd. Het eerst aangekomen exemplaar was een wijfje; deze heeft verscheidene malen eieren gelegd, het eene ongeveer drie maanden na het andere; meermalen trachtte zij het ei uit te broeden en liet zich slechts met moeite van haar nest verdrijven. In 1865 kreeg dit wijfje een mannetje tot gezelschap; in 1867 gaven beide het voornemen te kennen om een paar te worden; het eerst maakte men dit op uit een luid geroep van het mannetje, waarop het wijfje met een korter en zachter geluid antwoordde. Den 2en Januari legde het wijfje het eerste ei, waarop zij een dag of iets langer bleef zitten. Toen zij het nest verlaten had, nam het mannetje haar plaats in en broedde van nu af onophoudelijk door. Den 7en Februari legde zij een tweede ei en verliet het nest onmiddellijk daarna. Bartlett, aan wien wij de bovenstaande berichten te danken hebben, vond de eieren in een kuil van het stroo op den vloer van het hok; zij lagen dicht bij elkander. Het mannetje zat er niet overlangs, maar overdwars op; zijn smal lichaam zou anders niet voldoende geweest zijn om de eieren, welker spitsen men naar buiten zag steken, te bedekken. IJverig bleef hij in dezelfde houding broeden tot aan den 25en April; toen hij eindelijk uitgeput het nest verliet, waren de eieren bedorven. Deze zijn buitengewoon groot, want hun gewicht bedraagt ongeveer het vierde gedeelte van het lichaamsgewicht der moeder.


Van de Snipstruisen onderscheiden zich de Reuzenvogels (Dinornithidae) door de nog geringere ontwikkeling (of de volslagen afwezigheid) der voorste en de kolossale afmetingen der achterste ledematen, voorts door den korten snavel, welke aan dien van den struis herinnert. Sommige (Dinornis) missen den achterteen, andere (Palapteryx) niet. Uit sommige feiten blijkt, dat deze thans geheel uitgestorven dieren tijdgenooten waren van den mensch en met hem in het gemeenschappelijk bewoonde gebied in aanraking zijn geweest. De heldensagen van de Maoris of oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Zeeland hebben tot onderwerp den strijd van hunne voorouders met Reuzenvogels, die zij Moa’s noemen. Nevens de overblijfselen van deze dieren, die in groote hoeveelheid in de holen, alluviale gronden en moerassen van Nieuw-Zeeland voorkomen, vindt men soms steenen werktuigen, asch en andere sporen van de werkzaamheid van menschen uit vroegere tijdperken. De grootste skeletten, die men gevonden heeft (Dinornis maximus, ingens etc.), hebben een hoogte van 3 à 4 M. met scheenbeenderen van 80 cM. lengte en teenkootjes zoo groot als die van een Olifant. Deze skeletten zijn zoo veelvuldig, dat Julius von Haast bijna alle groote verzamelingen in Europa met volledige exemplaren heeft kunnen voorzien. Soms zijn alle beenderen nagenoeg in hun natuurlijken stand bijeen blijven liggen; eenige malen vond men daarnevens veeren en deelen van de huid, zelfs eieren, die een kuiken bevatten en op welker schaal de kleuren nog niet verbleekt zijn.

Snipstruisen (Apteryx).

Snipstruisen (Apteryx).


1 De Javaansche of Groenhalzige Pauw (Pavo muticus), die soms ook getemd voorkomt, verschilt van den Gewonen vooral door den vorm van de kuifveeren; deze zijn aan ’t einde niet verbreed, maar over haar geheele lengte met een smalle vlag voorzien. Bovendien is de naakte huid van den kop, in plaats van zwart, om het oog lichtblauw, om de oorstreek fraai geel; de hals is groen in plaats van blauw. “De met oogen gesierde staart,” schrijft Wallace, “is even groot en even schoon” als die van den Gewonen Pauw. Hij wordt op Java menigvuldig langs de boschkanten aangetroffen.