Tweede gedeelte

(1287–1290).

§ XVIII.

Aangezien door mijn uiterlijk velen het geheim van mijn hart hadden begrepen, kenden ook zekere dames, die bijeen waren om zich met elkaars gezelschap te vermaken, mijn hart zeer goed, want elke van hen was getuige geweest van vele mijner nederlagen. En terwijl ik, als geleid door het geluk, dicht aan hen voorbij ging, werd ik door eene dier beminnelijke dames aangeroepen; en zij die mij had aangeroepen was eene dame die zeer bekorend wist te spreken. Zoodat ik, toen ik bij hen was gekomen en mij er van overtuigd had dat mijne allerlieflijkste Vrouwe zich niet onder hen bevond, hen gerustgesteld begroette en vroeg wat er van haren dienst was. De dames waren talrijk en er waren onder hen die onder elkander lachten. Maar er waren andere die mij aanzagen, als in verwachting van wat ik zou zeggen. Weer andere spraken onder elkaar, van welke eene1, hare oogen op mij richtende en mij bij den naam aansprekende, zeide: “Waarom bemint gij deze uwe Vrouwe, als ge toch haren aanblik niet kunt verdragen? Vertel ons dit, want het doel van zulk een liefde moet voorzeker wel buitengewoon zijn.” En toen zij mij dit had gevraagd, trachtte niet alleen zij, maar alle anderen het antwoord uit mijn aangezicht te lezen. Daarop zeide ik tot hen deze woorden: “Edele dames, het doel mijner liefde was reeds vroeger de groet dier Vrouwe, van wie gij misschien bedoelt te spreken; en hierin bestond de gelukzaligheid welke het doel is van al mijne verlangens. Maar sedert het haar behaagde mij dien te weigeren, heeft Amor, mijn Heer, in zijne genade heel mijne gelukzaligheid gesteld in datgene, wat mij niet kan ontnomen worden.” Daarop begonnen deze dames onder elkaar te spreken; en zooals men wel eens regen, vermengd met schoone sneeuw ziet vallen, zoo scheen het mij dat ik hunne woorden zag uitgaan vermengd met zuchten2. En nadat zij eene wijle met elkaar gesproken hadden, zeide de dame die het eerst tot mij gesproken had: “Wanneer gij waarheid spreekt, dan hebt ge toch de woorden waarin gij uwen toestand bekend maakt, met eene andere bedoeling gesproken?” Waarop ik, peinzende over deze woorden, als beschaamd van hen heenging; en nog wandelend zeide ik in mijzelf: “Wanneer er zoo groote gelukzaligheid ligt in de woorden welke mijne Vrouwe prijzen, waarom heb ik dan anders over haar gesproken?” En ik nam mij hierop voor tot stof voor mijn rijmen nooit iets anders dan den lof dier Allerlieflijkste te kiezen; en veel hierover nadenkend, scheen het mij dat ik eene al te hooge stof gekozen had voor mijne krachten, zoodat ik niet waagde te beginnen; en zoo weifelde ik verscheidene dagen tusschen verlangen om te rijmen en vrees om te beginnen.

§ XIX.

Het geviel toen, dat, terwijl ik wandelde langs eenen weg, waarnaast eene zeer heldere rivier stroomde, mij een zoo groot verlangen om te rijmen overviel, dat ik begon er over te denken hoe ik het aan zou leggen; en ik overwoog dat het niet passend ware over haar te spreken tenzij tot andere vrouwen in de tweede persoon; en dat wel niet tot alle vrouwen, maar alleenlijk tot diegene die lieflijk en edel waren en niet slechts vrouw3. Daarop, zegge ik, sprak mijne tong, als vanzelf bewogen: “Gij vrouwen edel, die de Liefde kent”. Deze woorden bewaarde ik met groote blijdschap in mijnen geest, mij voornemend ze tot begin te nemen; waarop ik, teruggekeerd in bovenbedoelde stad en na eenige dagen te hebben nagedacht, deze canzone begon met den bedoelden aanhef en in de volgorde welke men hieronder in hare verdeeling zal zien. De canzone4 begint aldus:

Gij vrouwen edel, die de Liefde kent,

Tot ù wil ik van mijn Meestresse spreken;

Niet wijl ’k haar lof ooit te voleinden reken,

Maar te verlichten ’t overvol gemoed.

Wen ik bepeins haar deugden zonder end.

Brandt dus mijn hart dat ’k door mijn enkel spreken,

Elk die me aanhoorde in liefde zou ontsteken,

Hadde ik niet alle driestheid ingeboet.

Niet zòò verheven dat ik vreezen moet

Machtloos tot lager stijl te zullen dalen,

Maar zòò zal ’k van haar lieflijkheên verhalen

Als het bij hààr past: gracelijk en zoet.

En slechts tot u, minlijke maagde en vrouwen;

Want gij alleen zijt waardig zulk vertrouwen.

Een engel roept, gekeerd naar ’t goddlijk licht:

“O Heer, een wonder waarlijk zien wij dwalen

Op aarde, een ziel zóó lieflijk dat zij stralen

Moge in der zaalgen midden nu weldra!

De hemel mist niets dan haar aangezicht

En smeekt u zijnen hoogsten glans te halen.”

En alle heilgen juichen op die tale.

Slechts medelijden vraagt voor mij genâ;

En God spreekt: “Dat men dit van haar versta:

Geliefden, duldt dat nog uw Hope in vrede,

Zoolang het mij behaagt, blijve beneden,

Waar één in vreeze is dat zij van hem ga,

En die ééns spreken zal tot de verdoemden:

’k Zag haar, die de Engelen hun hope noemden.”5

In ’t hemelsch rijk wordt mijn Meestres begeerd:

Dus wil ’k u van haar englendeugd doen weten.

En ’k zegge: Wie een eedle vrouw wil heeten,

Die ga met hààr, wijl ovral waar zij gaat,

Amor elk hart dat zijnen gloed ontbeert,

Bevriezen doet en alle heil vergeten.

Sterven moet elk, of zich gelouterd weten,

Die haren blik te dragen onderstaat.

Wie zich voor waardig houdt haar in ’t gelaat

Te schouwen, moog’ zijn hooge deugd betoonen,

En zorg’ wie hoopt dat hem heur groet beloone,

Door deemoed dat al zonde hem verlaat.

Want zulk een macht werd haar door God beschoren.

Dat slecht niet einden kan wie hààr mocht hooren.

Spreekt Amor van mijn Vrouwe: “Hoe ware ooit

Zoo zuiver en zoo schoon een sterflijk wezen?”

“God heeft”, dus denkt hij, “met een nooit volprezen

En gansch nieuw wonderwerk de aarde verrijkt.”

Geen parel werd met blanker tint getooid,

Heel haar van schoonheên evenwichtig wezen

Vormde Natuur van stoffen uitgelezen;

Dus heete schoon alleen wat hààr gelijkt.

Wen open harer blikken poorte wijkt,

Tijgt er een stoet van minnelijke geesten

Om de oogen die haar schouwen te vermeestren

En dra heeft elk van hen het hart bereikt;

En geen kan haren mond, teeder omtogen

Van Liefde’s lach, bewondren onbewogen.

Mijn Lied, ik weet, wanneer ge mij verlaat,

Zult ge op uw dool tot vele vrouwen spreken.

Maak, dat ze in u, die ’k zoo schoon op mocht kweeken,

Der Liefde jonge en teedre dochter zien.

Wilt, waar ge ook zijt en waar ge ook henen gaat,

“Wijst mij den weg tot hààr” bescheiden smeeken,

“Van welker deugd mijn tooi is taal en teeken”.

En dat ge mij niet slecht en ijdlijk dien’,

Zult nimmer toeven ge onder lage liên;

En nimmer schenken zult ge uw zoet vertrouwen,

Dan slechts aan eedle manne’ en eedle vrouwen:

Die zeker zullen snelle hulpe u biên.

Nu ga, en zoo gij Amor bij hen vindt,

Breng hem mijn groet, zoo ’t voegt voor Amor’s kind.

Deze canzone zal ik, opdat zij beter begrepen worde, kunstiger verdeelen dan het andere hierboven staande. En daarom maak ik allereerst drie gedeelten: het eerste gedeelte is de voorrede van de volgende woorden; het tweede is het behandelde onderwerp; het derde is als eene dienstmaagd van de voorgaande woorden. Het tweede begint hier: “Een engel roept....”; het derde hier: “Mijn Lied, ik weet....” Het eerste is te verdeelen in vieren; in het eerste zeg ik tot wie ik van mijne Vrouwe wil spreken en waarom ik spreken wil; in het tweede zeg ik hoedanig ik mijzelf voorkom wanneer ik aan hare deugd denk en hoe ik zou kunnen spreken wanneer ik den moed niet verloor; in het derde zeg ik hoe ik geloof over haar te kunnen spreken zonder door mijne blooheid belemmerd te worden; in het vierde zeg ik, herhalend tot wie ik bedoel te spreken, de reden waarom ik tot hen spreek. Het tweede begint hier: “Wen ik bepeins....”; het derde hier: “Niet zoo verheven....”; het vierde: “En slechts tot u....”. Vervolgens wanneer ik zeg: “Een engel roept....”, begin ik over mijne Vrouwe te spreken. En dit gedeelte is in tweeën te verdeelen: in het eerste zeg ik wat men over haar in den hemel zegt; in het tweede zeg ik wat men over haar op aarde zegt, en wel hier: “In ’t hemelsch rijk....” Dit tweede gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid harer ziel, een en ander verhalend van de uitwerking harer deugden, welke uit hare ziel voortkomen; in het tweede gedeelte spreek ik over haar met betrekking tot de edelaardigheid van haar lichaam, een en ander van hare schoonheden verhalend, en wel hier: “Spreekt Amor van mijn Vrouwe”.... Dit gedeelte is in tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van zekere schoonheden welke tot haar geheele persoon behooren, en wel hier: “Wen open....” Dit gedeelte is te tweeën te verdeelen, want in het eerste spreek ik van oogen, welke het begin der liefde zijn; in het tweede spreek ik van den mond, welke het einde der liefde is. En opdat hier iedere lage gedachte worde opgeheven, herinnere zich wie dit leest, dat hierboven geschreven werd hoe de groet mijner Vrouwe, welke eene werking van haren mond was, het doel mijner wenschen was, waar ik dit bereiken kon. Vervolgens, wanneer ik zeg: “Mijn Lied, ik weet....” voeg ik nog eene stanza toe bijwijze van dienstmaagd der andere, in welke ik zeg wat ik van deze mijne canzone verlang: en aangezien dit laatste gedeelte gemakkelijk te begrijpen is, vermoei ik mij niet met nog meer verdeelingen. Wel zeg ik dat, om de bedoeling van deze canzone nog beter te openbaren, nog nauwkeuriger verdeelingen zouden moeten aangewend worden; maar in elk geval, wie niet voldoenden geest bezit om haar te kunnen begrijpen door de wel toegepaste, mishaagt mij niet wanneer hij het er bij laat; want waarlijk, ik vrees dat ik hare bedoeling door de gemaakte verdeelingen reeds te duidelijk gemaakt heb voor maar al te velen, indien het mocht gebeuren dat velen haar konden hooren.

§ XX.

Nadat deze canzone eenigszins bekend was geworden onder de menschen en dientengevolge ook een mijner vrienden haar had gehoord, voelde deze behoefte mij te verzoeken hem te zeggen wat Liefde is; wellicht omdat hij door de gehoorde rijmen meer verwachting omtrent mij koesterde dan ik verdiende. Waarop ik, overwegende dat het, na eene zoodanige behandeling (der stof als in de voorgaande canzone) wel voegzaam ware iets over de Liefde zelf te zeggen, en overwegende dat ik mijnen vriend gaarne eenen dienst bewees, mij voornam in enkele woorden over de Liefde te spreken; en ik schreef toen dit sonnet hetwelk begint:

Liefde en een edel hart zijn ganschlijk één,

Zooals de wijze dichter6 heeft geschreven;

Geen kan bestaan slechts op zichzelf alleen,

Zoomin als ’t hoofd kan zonder rede leven.

Natuur bestemde ons hart tot Amor’s leen

En heeft het hem tot vaste woon gegeven;

En sluimrend beidt hij daar, kort bij den een,

Bij d’ander lang, den dag van ’t nieuwe leven,

Wen Schoonheid als een vrouw vol deugd verschijnt,

En zoozeer ’t oog bekoort dat ’t in ’t gemoed

Een hoog verlangen tot haar wordt geboren,

Dat zoolang roept, door hunkering gepijnd,

Tot het dien geest der Liefde ontwaken doet.

Zoo zal ook d’eedle man een vrouw bekoren.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten: in het eerste spreek ik van de Liefde voor zoover zij is in vermogen; in het tweede spreek ik van haar voorzoover zij van vermogen tot daad wordt. Het tweede begint hier: “Wen Schoonheid....” Het eerste kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik in welk voorwerp dit vermogen zich bevindt; in het tweede zeg ik hoe dit voorwerp en dit vermogen tot bestaan zijn gebracht en hoe het eene zich tot het andere verhoudt als vorm tot materie. Het tweede begint hier: “Natuur bestemde....” Vervolgens, wanneer ik zeg: “Wen Schoonheid....”, zeg ik hoe dit vermogen zich tot daad omzet: en wel eerst hoe het zich omzet in den man, vervolgens hoe het zich omzet in de vrouw, namelijk hier: “Zoo zal....”

§ XXI.

Nadat ik de bovenstaande rijmen over de Liefde had geschreven, gevoelde ik een verlangen om ook ter verheerlijking der Allerlieflijkste woorden te zeggen in welke ik zou kunnen toonen hoe door hààr deze geest der Liefde in mij ontwaakte en hoe hij niet alleen ontwaakte waar hij sliep, maar hoe zij hem door hare wonderbare macht ook deed komen daar, waar hij nog niet in vermogen was. En ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint:

Mijn Vrouwe straalt zoo zoete liefde uit de oogen,

Dat zij verlieflijkt al wat zij aanschouwt;

Waar zij voorbij schrijdt wendt zich jong en oud,

En wien zij groet voelt dus zijn hart bewogen

Dat hij verbleekt en ’t hoofd omneer gebogen,

Zuchtend zijn kleinste zonde nog berouwt;

Want toorn noch trots zich voor haar staande houdt.

Helpt, Vrouwen, dan mij haren lof verhoogen!

In ’t hart dat haar hoort spreken wordt geboren

Zoetste verteedring en een deemoed zacht;

Zaalg zij, wie voor het eerst haar ziet, geprezen!

Onzeglijk is ’t, onvatlijk, op wat wezen

Zij lijkt wanneer haar mond slechts even lacht:

Een wonder is ze, als nooit aanschouwd tevoren.

Dit sonnet heeft drie gedeelten. In het eerste zeg ik hoe mijne Vrouwe dit vermogen in daad omzet door middel van het zeer edele werktuig harer oogen; en in het derde zeg ik hetzelfde omtrent dit zeer edele werktuig van haren mond; en tusschen deze twee gedeelten is er nog een kleiner dat als om hulp vraagt aan het voorgaande en het volgende, en dit begint hier: “Helpt Vrouwen....” Het derde begint hier: “In ’t hart....” Het eerste kan worden verdeeld in drieën; want in het eerste zeg ik hoe zij door hare deugden alles lieflijk maakt wat zij aanschouwt, hetgeen zooveel zeggen wil dat zij de Liefde wekt tot vermogen waar zij nog niet is; in het tweede zeg ik hoe zij de Liefde in het hart van allen die zij aanziet tot daad omzet; in het derde zeg ik vervolgens wat zij door hare deugd in hunne harten uitwerkt. Het tweede begint hier: “Waar zij voorbij schrijdt....”; het derde hier “En wien zij groet....” Vervolgens, wanneer ik zeg: “Helpt Vrouwen....” geef ik te verstaan aan diegenen, tot wie het mijne bedoeling is te spreken, de vrouwen aanroepende, dat zij helpen mogen haar te eeren. Vervolgens, wanneer ik zeg: “In ’t hart....” zeg ik hetzelfde wat in het eerste gedeelte gezegd is met betrekking tot twee werkingen van haren mond: van welke de eene is haar allerzoetste spreken en de andere haar wonderbare glimlach, behalve dat ik van dezen laatsten niet zeg hoe hij in de harten werkt, omdat de herinnering noch hem noch zijne uitwerkingen kan vast houden.

§ XXII.

Toen hierna nog niet vele dagen waren voorbijgegaan—aldus behaagde het den Koning der Glorie, die zichzelf den dood niet spaarde—verliet hij, die de verwekker7 geweest was van dit groote wonder als hetwelk de alleredelste Beatrice zich vertoonde, dit leven om zekerlijk in te gaan tot de eeuwige zaligheid. Zoodat het—aangezien zulk een verscheiden smartelijk is voor hen die achterblijven en die bevriend waren met dengene die stierf; en geene vriendschap zoo innig is als die van eenen goeden vader tot een goed kind of van een goed kind tot eenen goeden vader; en deze Vrouwe den hoogsten graad van goedheid bezat en haar vader, gelijk velen zulks getuigen en ook waar is, in hooge mate goed was,—zeer begrijpelijk is dat deze Vrouwe op het bitterst vervuld was van smart. En aangezien, volgens gebruik8 in bovenbedoelde stad, de vrouwen met de vrouwen en de mannen met de mannen zich vereenigen bij eene dergelijke treurnis, waren er vele vrouwen bijeen ter plaatse waar de allerlieflijkste Beatrice erbarmelijk weende; zoodat ik, enkele dier vrouwen van haar ziende terugkeeren, hen hoorde spreken over de Allerlieflijkste, hoe zij jammerde. Onder andere woorden hoorde ik er die zeiden: “Waarlijk, zij weent zòò, dat wie haar ziet van medelijden zou kunnen sterven.” Hierop gingen deze dames voorbij; en ik bleef in eene zoo groote droefheid achter, dat nu en dan tranen mijn gelaat baadden, zoodat ik het herhaaldelijk bedekte door mijne handen naar de oogen te heffen. En als het niet geweest ware dat ik nog meer omtrent haar verwachtte te hooren, daar ik mij bevond op eene plek waar het grootste gedeelte der dames die van haar heengingen, langs kwam, zou ik mij verborgen hebben zoodra de tranen mij overmanden. En terwijl ik dus bleef op dezelfde plek, kwamen er opnieuw eenige dames dicht langs mij, die onder het gaan tot elkaar spraken: “Wie van ons zal ooit weer vroolijk kunnen zijn, nu wij deze Vrouwe zoo klagelijk hoorden spreken?” En na deze kwamen weer anderen voorbij die zeiden: “Hij die daar zit klaagt niet meer of minder dan als had hij haar gezien evenals wij”. Weer anderen zeiden van mij: “Ziet toch dezen, die zichzelf niet meer gelijkt, zoozeer is hij veranderd.” En terwijl aldus deze dames voorbij gingen, hoorde ik op de wijze welke ik verhaald heb, spreken over haar en mijzelf. Waarop ik, hierover peinzende, mij voornam iets te zeggen—omdat ik hierin eene waardige stof vond—waarin ik alles zou opsluiten wat ik van deze dames gehoord had. En omdat ik hen gaarne gevraagd zou hebben wanneer ik dit zonder onbescheiden te zijn had kunnen doen, maakte ik mijne rijmen aldus alsof ik hen werkelijk had gevraagd en alsof zij mij hadden geantwoord. En ik maakte twee sonnetten; in het eerste vroeg ik op de wijze waarop ik vragen wilde; in het tweede vermeld ik hun antwoord, datgene wat ik van hen verstond gebruikende als hadden zij het tot mijzelf gesproken. En ik begon het eerste: “Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen....” en het tweede: “Zij gij het die zoo dikwijls hebt gesproken.”

Gij smartvervulde, deerniswaardge vrouwen,

Die de oogen, bloô van droefnis, nederslaat;

Vanwaar komt ge met zòò ontverfd gelaat

Dat ik in u waan Meelij zelf te aanschouwen?

Zaagt ge wellicht hoe Liefde mijner Vrouwe

Liefelijk aangezicht in tranen baadt?

Mijn hart zegt mij dat ’k om geen eigen daad

Noch eigen droefenis u dus zie rouwen.

En komt ge waarlijk van zoo diep verdriet,

Wilt dan een pooze, ik bid u, bij mij toeven;

En hoe zij lijdt, verberg ’t mijn smeeken niet;

Schoon ’k zie hoe langs de smartgemerkte groeven

Van uw gelaat een stroom van tranen vliet

En ’t hart mij beeft nu ’t zoozeer u ziet droeven.

Dit sonnet kan worden verdeeld in twee gedeelten; in het eerste roep ik de vrouwen aan en vraag ik hen of zij van hààr komen, zeggende dat ik zulks geloof omdat zij zachter schijnen terug te keeren; in het tweede bid ik hen mij over haar te spreken. Het tweede begint hier: “En komt ge waarlijk....” Hierop volgt dan het andere sonnet, gelijk wij hierboven reeds verhaald hebben.

Zijt gij het, die zoo dikwijls hebt gesproken

Over uw Vrouwe, schoon tot ons alleen?

Uw stem gelijkt de zijne, doch in een

Gansch ander aanschijn lijkt uw ziel gestoken.

Ach, waarom klaagt ge als ware u ’t hart gebroken!

Met jammer vult een elk uw droef gesteen;

Zaagt ge dan hààr en hoordet hààr geween,

Dat ge u dus toont in wanhoop neergedoken?

Laat weenen ons en weenend verder schrijden;

Slecht ware wie getroost kon huiswaarts gaan

Nadat wij hààr zoo droevig zagen lijden.

Smart zelve staart uit haar gelaat u aan;

Zòò dat wie van deez’ aanblik niet zou scheiden,

Van droefnis aan haar voeten moest vergaan.

Dit sonnet heeft vier gedeelten, aangezien de vrouwen voor wie ik antwoord vier wijzen van spreken hadden. En omdat deze hierboven voldoende duidelijk zijn gemaakt, zal ik mij niet ophouden met den zin dezer gedeelten te verhalen; zoodat ik ze alleen maar aanwijs. Het tweede begint hier: “Ach, waarom klaagt ge....”; het derde: “Laat weenen ons....”; het vierde: “Smart zelve....”

§ XXIII.

Weinige dagen hierna geviel het dat eene smartelijke ziekte een gedeelte mijns lichaams aantastte, waardoor ik negen dagen lang voortdurend de bitterste pijnen leed en welke mij zoo zwak maakte dat ik werd als diegenen die zich niet kunnen bewegen. Ik zeg nu dat op den negenden dag, terwijl ik eene ondragelijke pijn gevoelde, eene gedachte in mij opkwam, welke van mijne Vrouwe was. En toen ik een wijle aan haar gedacht had, keerden mijne gedachten tot mijn zwakke leven terug; en ziende hoe vluchtig zijn duur was, zelfs wanneer het gezond is, begon ik in mijzelf over zoovele ellende te weenen. Waarop ik, zwaar zuchtende, in mijzelf zeide: “Noodwendiglijk moet het eens gebeuren dat de allerlieflijkste Beatrice sterft”. En hierop greep eene zoo hevige verbijstering mij aan, dat ik de oogen sloot en begon te dwalen als een krankzinnige en op deze wijze te ijlen: in het begin des dwalens mijner verbeelding leek het mij dat ik gezichten zag van vrouwen met loshangende haren, die tot mij zeiden: “Ook gij moet sterven.” En vervolgens, na deze vrouwen, verschenen andere, vreemde gezichten, schrikkelijk om te aanschouwen, welke tot mij zeiden: “Ge zijt gestorven”. En mijne verbeelding, aldus beginnende te dolen, kwam op eene plaats, in welke ik niet wist waar ik mij bevond; en het leek mij dat ik wederom vrouwen met loshangende haren weenende langs den weg zag waren in verwonderlijke droefenis; en het scheen mij dat ik de zon zag verduisteren, zóó dat de sterren zich vertoonden in eene kleur, welke mij deed denken dat zij treurden; en het leek mij dat de vogels in hunne vlucht dood neder vielen en dat er geweldige aardbevingen waren. En mij verbazende in dusdanige verbeelding en zeer ontzet, zag ik een vriend op mij afkomen die zeide: “Weet ge het niet? Uwe wonderbare Vrouwe is uit het leven verscheiden.” Toen begon ik opnieuw en erbarmelijk te weenen; en ik weende niet alleen in mijne verbeelding, maar ik weende, mijne oogen in werkelijke tranen badend. Ik verbeeldde mij naar den hemel op te zien en het scheen mij dat ik eene menigte engelen zag die naar den hooge terugkeerden en die vòòr zich hadden een zuiver wit wolkje; en het scheen mij dat deze engelen triomfantelijk zongen en als de woorden van hunnen zang scheen ik deze te hooren: “Osanna in excelsis!9, en iets anders hoorde ik niet. Toen scheen het mij dat mijn hart, waarin zooveel liefde woonde, mij zeide: “Waarlijk, het is wel zeker dat onze Vrouwe gestorven is”. En hierop scheen het mij dat ik ergens heen ging om het lichaam te zien in hetwelk deze edelste en gelukzalige ziel had gehuisd. En zòò sterk was deze dwalende verbeelding dat zij mij werkelijk de doode Vrouwe liet zien; en het scheen mij dat vrouwen haar bedekten, dat wil zeggen haar hoofd, met een witten sluier; en het scheen mij dat haar gelaat eene uitdrukking had van zòò diepen deemoed, dat het scheen te zeggen: “Ik zie het begin van allen Vrede”. In deze verbeelding overkwam mij eene zoo groote ootmoedigheid door haren aanblik, dat ik den Dood aanriep en zeide: “O zoetste Dood! kom tot mij en wees niet hard jegens mij; want wèl moet ge lieflijk zijn nu ge bij haar geweest zijt. Kom nu tot mij, die zoozeer naar u verlang: ge ziet het, dat ik reeds uwe kleur draag”. En nadat ik had zien vervullen al de droevige diensten welke men den lichamen der gestorvenen pleegt te bewijzen, scheen het mij dat ik naar mijne kamer terugkeerde en aldaar naar den hemel opzag; en zòò sterk was mijne verbeelding dat ik weenende begon te spreken met eene werkelijke stem: “O schoonste ziel, hoe gelukzalig is hij die u aanschouwt”. En terwijl ik deze woorden sprak onder een smartelijk gesnik van jammer en den Dood aanroepend tot mij te komen, begon een jong en lieflijk meisje, dat naast mijn bed zat, geloovende dat mijn weenen en mijne woorden eene klacht waren om de pijn mijner ziekte, in groote vreeze eveneens te weenen. Waarop de andere vrouwen die in het vertrek waren, bemerkten dat ik weende, doordat zij dit meisje zagen weenen: waarop zij haar, die door zeer nauwe verwantschap aan mij verbonden was10, deden heengaan en, meenende dat ik droomde, zich tot mij wendden om mij te wekken, zeggende: “Slaap niet langer en wees niet zoo ontroostbaar”. En terwijl zij aldus spraken, brak mijne sterke verbeelding af op het oogenblik dat ik zeggen wilde: “O Beatrice, gezegend zijt ge”. En reeds had ik gezegd: “O Beatrice” toen ik, opschrikkende, de oogen opende en zag dat ik geijld had. En ofschoon ik haren naam geroepen had, was mijne stem zoo gebroken geweest door snikken, dat die vrouwen mij niet hadden kunnen verstaan. En ofschoon ik mij zeer schaamde, wendde ik mij toch, door de Liefde aangespoord, tot hen. En toen zij mij zagen begonnen zij te spreken: “Hij gelijkt eenen doode” en onder elkaar te zeggen: “Laten wij toch trachten hem te troosten”. Waarop zij vele woorden tot mij spraken om mij te troosten, en telkens vroegen zij mij waarvoor ik zulk eene vrees gehad had. Waarop ik, na eenigszins te zijn bijgekomen en de bedriegelijkheid van mijne waanvoorstelling te hebben ingezien, hen antwoordde: “Ik zal u zeggen wat mij gebeurd is”. Hierop begon ik met het begin, en tot aan het einde toe verhaalde ik hen al wat ik gezien had, slechts den naam dier Allerlieflijkste verzwijgend. Waarop ik vervolgens, genezen van deze ziekte, mij voornam iets te zeggen over wat mij gebeurd was, omdat het mij lieflijk scheen om te zeggen en om te hooren; en ik schreef deze canzone: “Een lieflijk meisje, jong en teer van hart”, in de volgorde als blijkt uit de er onder staande verdeeling:

Een lieflijk meisje, jong en teer van hart,

Aan deernis rijk, was aan het bed gezeten

Waarop ’k den Dood dikwijls om redding vroeg.

Zij zag mijn oogen overvol van smart.

En luistrend naar mijn waanverwarde kreten,

Verschrok zij dus, dat zij luidsnikkend kloeg,

Meenend dat ik mijn pijn niet meer verdroeg.

En de andre vrouwen, die haar hoorden weenen,

Leidden haar zachtkens henen

En susten me, om tot rust mij te doen komen.

Een zeide er: “Niet meer droomen!”

En: “Waarom zoo ontroostbaar?” de andre vroeg.

Toen riep ik met een stem, verstikt door ’t weenen,

Mijn Vrouwe.... en ’t vreemde droombeeld was verdwenen.

Zòò had de smart mijn zwakke stem geschaad,

En zòò mijn jammrend snikken haar gebroken,

Dat ik dien naam hoorde in mijn hart alleen.

Maar schoon ik ’t liefst mijn gansch beschaamd gelaat

Voor hun nieuwsgierge blikken had verstoken,

Dwong Liefde mij ’t te wenden tot hen heen.

Het zag zoo vaal dat zij als over een

Die sterven ging van mij schenen te spreken;

Ik hoorde elkaar hen smeeken:

“Ach, konden wij verzachten toch zijn lijden!”

En telkenkeer zij zeiden:

“Wat zaagt ge toch, dat dus uw kracht verdween?

En ’k sprak, toen weer mijn wanhoop was geweken:

“Hoort, vrouwen, ’k zal u van mijn droombeeld spreken.”

Terwijl ik peinsde over ons broos bestaan,

En hoe zoo schielijk ’t leven weer moet vluchten,

Weende in mijn hart Amor in droefnis groot;

Waardoor ik, van verbijstering ontdaan,

In mijn gedachten klagelijk verzuchtte:

“Ook voor mijn Vrouwe komt toch ééns de Dood.”

Toen werd mijn smart zoo hevig dat ik sloot

Van pijnen moe mijn oogleên, zwaar van tranen;

En als verwarde wanen,

Gingen mijn geesten dwalen door mijn droomen;

Tot ze, eindelijk gekomen

Waar alle werklijkheid gansch van hen vlood,

Zagen een stoet van vrouwen jammrend gaan en

Roepend: “Ook gij zult sterven!” door hun tranen.

’k Zag teekens, vreemd en vreeslijk, onheilzwaar,

Ontstellen mijn verdwalende gedachten

In ’t naamloos oord waar ’k mij in droom bevond,

’k Zag vrouwen zwermen met ontbonden haar,

Stil weenend of in jammerluide klachten,

Die als een brand droegen hun droefnis rond.

Toen leek het of de zonne langzaam zwond

In duisternis en bleeke sterren schenen:

’t Was of ik hen zag weenen;

En vogels vielen neder onder ’t zweven;

En de aard begon te beven;

Tot plotseling een bleek man voor mij stond,

Die sprak: “Deed u de tijding nog niet weenen?

Dood voerde uw Vrouwe, die zoo schoon was, henen!”

Ik sloeg mijn blikken, tranenblank, omhoog

En zag—een regen leek ’t van hemelsch manna—

Een rij van englen keeren tot hun Heer.

Een teeder wolkje zwevend vòòr hen toog,

En allen zongen juichende: “Hosanna!”

Niets hoorde ik dan dien jubel keer op keer.

En Amor sprak: “Nu zwijge ook ik niet meer;

Kom, waar uw Vrouwe neerligt, met mij mede,”

En leidde mij ter stede

Waar ik haar doode lichaam mocht aanschouwen,

Ik zag: toen spreidden vrouwen

Een witte wade over haar aanzicht neer,

Dat, diepdeemoedig, als in stille bede,

Niets scheen te zeggen als “Ik ben in Vrede!”

En zulk een deemoed lenigde mijn pijn

Toen ’k hààr zag wie de Deemoed zelf verklaarde,

Dat ’k sprak: “O Dood, hoe lijkt ge mij zóó zoet!

Hoe zacht en lieflijk moet uw wezen zijn

Sinds ge mijn Vrouwe medenaamt van de aarde.

Meelij, geen haat is ’t wat u komen doet.

’k Geloof dat ik u reeds gelijken moet,

Zoozeer verlangt mijn harte, moe van rouwen,

Aan ù zich te vertrouwen!”

Ik ging, en niets was van mijn smart gebleven;

En hemelwaarts geheven

Mijn blikken, zeide ik als ten laatsten groet:

“O schoone Ziel, zaalg wie u mag aanschouwen!”

Toen wektet gij me, dank uw zorg, o vrouwen.

Deze canzone heeft twee gedeelten: in het eerste zeg ik, sprekende tot een onbepaald persoon, hoe ik door zekere vrouwen uit eene ijdele droomverbeelding werd gewekt en beloofde hen deze te verhalen; in het tweede zeg ik hoe ik hen dit verhaalde. Het tweede begint: “Terwijl ik peinsde....” Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik wat zekere vrouwen en wat eene enkele zeiden en deden naar aanleiding van mijnen droom, d. w. z. éér ik weder tot de werkelijkheid was teruggekeerd; in het tweede zeg ik wat deze vrouwen zeiden, nadat ik had opgehouden te ijlen; en dit gedeelte begint hier: “Zoo had de smart....” Vervolgens, wanneer ik zeg: “Terwijl ik peinsde....” zeg ik hoe ik hen dit mijn droombeeld verhaalde. En hieromtrent maakte ik twee gedeelten: in het eerste verhaal ik geregeld mijn droombeeld; in het tweede, zeggende op welk oogenblik zij mij riepen, dank ik hen kortelijks; en dit gedeelte begint hier: “Toen wektet gij me....”

§ XXIV.

Na dit ijdele droomgezicht gebeurde het op eenen dag, dat ik, terwijl ik ergens zat te peinzen, eene siddering in mijn hart voelde beginnen alsof ik in tegenwoordigheid mijner Vrouwe ware geweest. En toen, zegge ik, kwam tot mij eene verbeelding der Liefde; het scheen mij namelijk dat ik Amor zag komen van dien kant waar mijne Vrouwe woonde; en het scheen mij dat hij vroolijk tot mij zeide in mijn hart: “Denk steeds den dag te zegenen waarop ik bezit van u nam, want wèl behoort ge zulks te doen.” En inderdaad scheen mijn hart zòò verblijd te zijn dat het mij leek alsof het mijn eigen hart niet ware door zijnen zoo nieuwen toestand. En kort na deze woorden, welke mijn hart mij zeide met de stem der Liefde, zag ik op mij afkomen eene edele dame, die van eene vermaarde schoonheid was en die reeds lang de Vrouwe was van mijnen reeds vroeger bedoelden grootsten vriend. En de naam dezer dame was Giovanna, behalve dat men haar—wegens hare schoonheid, naar sommigen meenden—den bijnaam had gegeven van Primavera (dat is de Lente) en aldus werd zij dan ook genoemd. En toeziende, zag ik achter haar de wondere Beatrice komen. Deze beide vrouwen schreden aldus tot dicht bij mij, de eene achter de andere en het scheen mij dat de Liefde tot mij sprak in mijn hart en zeide: “Deze eerste werd Primavera geheeten alleen terwille van hare komst op heden; want ik bewoog hem die haar dien naam gaf haar Primavera te noemen, dat wil zeggen: prima verrà, omdat “zij het éérst zou komen” op dien dag dat Beatrice zich aan haren getrouwe zal vertoonen na het droomgezicht. En indien ge het nog nader wilt beschouwen, beteekent ook haar werkelijke naam hetzelfde als Primavera, omdat haar naam Giovanna11 is afgeleid van dien Johannes, die het waarachtige Licht voorspelde, zeggende: “Ego vox clamantis in deserto: parate viam Domini12. En het scheen mij dat hij mij, na dit, nog andere woorden zeide, namelijk: “Wie het zeer nauwkeurig overweegt, zoude Beatrice eigenlijk “Liefde” moeten noemen, wegens de groote gelijkenis welke zij met mij heeft.” Waarop ik, wederom aan het peinzen rakende, mij voornam er op rijm over te schrijven tot dien grootsten vriend, zekere woorden verzwijgend welke het mij gepast scheen te verzwijgen13, daar ik in de meening was dat zijn hart nog steeds de schoonheid dier lieflijke Primavera bewonderde. En ik schreef dit sonnet, hetwelk aldus begint:

Ik voelde siddrend in mijn hart ontwaken,

Verlangen, dat lang sluimerde ongestoord,

En opziend zag van verre ik Amor naken,

Zoo blijde als ik hem nimmer had gehoord.

“Nu zorg” riep hij “mij niet te schand te maken”.

En lachen, lachen luidde in ieder woord.

En nog terwijl zijn lippen aldus spraken,

Turend dien kant vanwaar hij kwam, zag ’k voort

Madonna Vanna en Monna Bice14 komen

En schrijden, als twee wondren, de een na de aâr,

De plek waar ik in beven stond voorbij.

En Amor sprak—wél beeft mijn geest ’t vernomen—

Déze is de Lente, en Liefde noem ik hààr,

Die op haar volgt, zoozeer gelijk ze mij.

Dit sonnet heeft vele gedeelten; het eerste van hen zegt hoe ik de gewende siddering in mijn hart voel ontwaken, en hoe het schijnt dat de Liefde mij vroolijk verscheen, van verre komend; het tweede zegt hoe het mij scheen dat de Liefde in mijn hart tot mij sprak en hoedanig hij mij verscheen; het derde zegt hoe, nadat hij eene wijle naast mij gestaan had, ik zekere dingen zag en hoorde. Het tweede gedeelte begint hier: “Nu zorg riep hij....” het derde hier: “En nog terwijl....” Het derde gedeelte kan worden verdeeld in tweeën: in het eerste zeg ik datgene wat ik zag; in het tweede zeg ik datgene wat ik hoorde. Het tweede begint hier: “En Amor sprak....”

§ XXV.

Hier zoude misschien iemand, die waard ware al zijne tegenwerpingen te beantwoorden, bezwaar kunnen maken; en hij zoude er bezwaar tegen kunnen maken dat ik spreek over de Liefde alsof deze iets ware op zichzelf en niet slechts eene denkbeeldige zelfstandigheid, maar eene lichamelijke. Hetgeen, strikt naar waarheid, niet juist is, daar de Liefde niet gelijk eene zelfstandigheid op zichzelf bestaat, maar een toestand der zelfstandigheid is. En dat ik van den geest der Liefde spreek als ware hij lichaam, ja zelfs een menschelijk wezen, blijkt uit drie dingen welke ik van hem zeg. Ik zeg dat ik hem van verre zag komen; waaruit, aangezien “komen” eene ruimtelijke beweging aanduidt, en volgens den filosoof15 uitteraard alleen een lichaam ruimtelijk beweegbaar is; blijkt dat ik de Liefde als een lichaam voorstel. Voorts zeg ik van hem dat hij lachte en ook dat hij sprak; welke zaken menschelijke eigenschappen schijnen te zijn, vooral het lachen, en het blijkt dus dat ik hem voorstel als een mensch. Om dit te verklaren, gelijk het op het oogenblik van pas schijnt, moet men ten eerste weten, dat er eertijds geen minnezangers waren die in de volkstaal schreven; maar zij die van liefde spraken waren dichters in de Latijnsche taal. Bij òns, zeg ik—ofschoon het misschien wel bij andere volken het geval was en nog is, zooals in Griekenland—waren het dus geen volksdichters, maar geletterde dichters die deze stof behandelden. En het is nog niet vele jaren geleden dat voor het eerst volksdichters verschenen, want rijmen in de volkstaal beteekent zooveel als spreken in verzen volgens eene bepaalde maat in het Latijn. En het bewijs dat het eerst sinds korten tijd geschiedt, is, dat wanneer wij zoeken in de taal van “oc” en in de taal van “si”16, wij in deze talen geene gedichten vinden ouder dan honderd en vijftig jaren voor dezen17. En de reden waarom sommige onbeschaafde lieden vermaard werden als dichters is, dat zij ongeveer de eersten waren die in de taal van “si” schreven. En de eerste die begon te dichten als een volksdichter deed zulks omdat hij zijne woorden wilde doen verstaan door eene vrouwe, aan wie het moeilijk viel Latijnsche verzen te begrijpen. En dit is gericht tot diegenen die rijmen over andere zaken dan welke de Liefde betreffen; aangezien deze wijze van dichten aanvankelijk werd uitgevonden om van de Liefde te spreken18. Zoodat het, aangezien den dichters eene grootere vrijheid van spreken is veroorloofd dan den prozaschrijvers, en de bedoelde rijmers niets anders zijn dan dichters in de volkstaal, gepast en redelijk is dat ook aan hen eene grootere vrijheid van spreken worde toegestaan dan aan andere schrijvers in de volkstaal; zoodat, wanneer een of andere beeldspraak of rhetorische wending den dichters is toegestaan, zij ook den rijmers moet worden toegestaan. En dus, wanneer wij zien dat de dichters tot onbezielde dingen gesproken hebben alsof zij gevoel en verstand hadden, en hen ook met elkaar lieten spreken; en niet slechts werkelijke dingen, maar ook zelfs onwerkelijke (ik bedoel, dat zij gezegd hebben dat zelfs eigenschappen spraken alsof het lichamen en menschen waren) zoo past het dat de rijmer dit eveneens moge doen; niet zonder reden, maar met een reden, welke het mogelijk is in proza te verduidelijken. Dat de dichters gesproken hebben zooals ik hier zeide, blijkt aan Virgilius19, die zegt dat Juno, eene godin die den Trojaners vijandig was, sprak tot Aeolus, den god der winden, op deze plaats in het eerste boek der Aenëide: “Aeole, namque tibi20 en dat deze god antwoordde: “Tuus, o regina, quid optes21. Bij dezen zelfden dichter spreekt in het derde boek der Aenëide een onbezield ding tot een bezield op deze plaats: “Dardanidae duri22. Bij Lucanus spreekt een bezield ding tot een onbezield op deze plaats: “Multum, Roma, tamen debes civilibus armis23. Bij Horatius spreekt de mensch tot zijne eigene wetenschap als tot een ander persoon en dit zijn niet slechts woorden van Horatius zelf, maar hij ontleent ze aan den goeden Homerus op deze plaats zijner Boetria: “Dic mihi, Musa virum24. Bij Ovidius spreekt de Liefde alsof zij een menschelijk wezen is in het begin van het boek hetwelk den naam draagt “Remedia Amoris25 op deze plaats: “Bella mihi, video, bella parantur, ait26. En hiermede zal dit duidelijk gemaakt zijn voor dengene die tegen eenig gedeelte van dit mijn boekske bezwaar mocht hebben. En opdat niet een of ander onbeschaafd man hieraan eenigen overmoed ontleene, zeg ik, dat evenmin als de dichters aldus zonder reden spreken, evenmin de rijmers aldus spreken moeten zonder eenige reden te hebben voor hetgeen zij zeggen: want ten zeerste behoort zich diegene te schamen die iets samenstelt in het kleed van een rhetorisch beeld of wending en die, hierom aangezocht, zijne woorden niet zou weten te ontdoen van zulk een kleed, opdat men hem waarlijk kon verstaan. En deze mijn grootste vriend en ik kennen genoeg van zulke dwazelijk rijmenden.

§ XXVI.

De allerlieflijkste Vrouwe, over wie in de voorgaande woorden werd gesproken, kwam in zoodanige gunst bij iedereen, dat wanneer zij over straat ging de menschen uitliepen om haar te zien; waarover ik eene wonderbare vreugde gevoelde. En wanneer zij in iemands nabijheid gekomen was, kwam zulk eene eerzaamheid in diens hart, dat hij het niet waagde de oogen op te slaan, noch haren groet te beantwoorden; en dit zouden velen, die zulks ondervonden hebben kunnen getuigen voor wie het niet wilden gelooven. Zij schreed voort, gekroond en bekleed met deemoed, niet den minsten trots toonend over wat zij zag of hoorde. Velen zeiden wanneer zij voorbijgegaan was: “Deze is geene vrouw, maar een der schoonste engelen uit den hemel”. En anderen zeiden: “Deze is een wonder; gezegend zij de Heer, die iets zoo wonderbaarlijks weet te scheppen!” Ik zegge, dat zij zich zoo lieflijk en zoo vol van alle bekoorlijkheden betoonde dat diegenen die haar bewonderden zulk eene eerzame en zoete verrukking in zich gevoelden, dat zij haar niet konden uitspreken; noch was er iemand die haar kon bewonderen zonder dat hij al dadelijk moest zuchten. Deze en nog meer verwonderlijke zaken bracht zij te weeg door de werking harer deugd. Waardoor ik, hierover nadenkende en wenschende den stijl van haren lof wederom te hervatten, mij voornam woorden te zeggen in welke ik hare wonderbare en uitnemende werkingen te verstaan gaf; opdat niet alleen zij die haar zintuigelijk konden zien, maar ook anderen van haar zouden weten wat woorden ervan konden kenbaar maken. Daarop schreef ik dit sonnet, hetwelk begint:

Zoo zuiver en zoo zedig ingetogen

Is mijner Vrouwe minnelijke groet,

Dat ze ieders tong siddrend verstommen doet

En géén waagt tot haar op te slaan zijn oogen.

Zoo schrijdt zij voort en hoort haar lof verhoogen,

Verheerelijkt in deemoeds blanken gloed;

De Hemel zond tot de aarde een engel zoet,

Dat ze op een vlekloos wonder konde bogen.

Wie haar zoo zacht en nederig ziet gaan,

Voelt in zijn hart een innigheid ontbloeien,

Die geen bevat zoo hij ’t niet ondervond;

En ’t is of van haar teerbewogen mond

Een adem als van Liefde zelf komt vloeien,

Die zucht: Verlangen zij uw deel voortaan.

Dit sonnet is zoo gemakkelijk te begrijpen, door hetgeen hierboven is verhaald, dat het geenerlei verdeeling behoeft; en dit derhalve nalatend.

zeg ik, dat deze mijne Vrouwe in zoo groote gunst kwam dat niet alleen zìj geëerd en geprezen werd; maar tengevolge van haren invloed ook vele anderen geëerd en geprezen werden. Waarop ik, dit ziende en het willende openbaren aan hen die het niet zien konden, mij voornam ook woorden te spreken, waarin dit werd aangeduid; en ik schreef toen dit sonnet, hetwelk begint: “Het hoogste heil moet ieder hart verblijden....”, hetwelk verhaalt van haar, hoe hare deugd werkte in anderen; gelijk blijkt in zijne verdeeling.

Het hoogste heil moet ieder hart verblijden

Dat schouwt mijn Vrouwe in andrer vrouwen kring;

Wel voegt dat wie haar ooit mocht begeleiden,

God danke in diepe verootmoediging.

Zòò zedig is haar schoonheid en bescheiden,

Dat nimmer nijd der andren hart beving;

Maar ze ook om hen een glorie schijnt te spreiden

Van hoop, van liefde en van verteedering.

Haar blik maakt alles nederig en goed,

En niet haarzelve alleen, maar allen schenken

Haar lieflijkheên een glans van heiligheid.

En heel heur wezen is zoo wonderzoet,

Dat niemand die haar zag aan haar kan denken

Zonder een zucht om Liefde’s zaligheid.

Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste zeg ik onder welke lieden mijne Vrouwe het bewonderenswaardigst verscheen; in het tweede zeg ik hoe dankbaar haar gezelschap was; in het derde spreek ik van de dingen welke zij door hare deugd in anderen te weeg bracht. Het tweede gedeelte begint hier: “Wel voegt het dat....”; Het derde hier: “Zoo zedig is....” Dit laatste gedeelte kan verdeeld worden in drieën: in het eerste zeg ik wat zij werkte in deze vrouwen, dat wil zeggen voor henzelf; in het tweede zeg ik hoe zij niet alleen verwonderlijk werkte in deze vrouwen, maar in alle menschen, en niet alleen tijdens hare aanwezigheid, maar ook wanneer men slechts aan haar dacht. Het tweede begint hier: “Haar blik maakt alles....”; het derde hier: “En heel haar wezen....”

§ XXVII.

Hierna begon ik op eenen dag te denken over datgene wat ik van mijne Vrouwe gezegd had, dat wil zeggen in de beide voorgaande sonnetten; en ziende in mijne overweging dat ik niets gezegd had van datgene wat zij op het oogenblik in mijzelf uitwerkte, scheen het mij dat ik gebrekkiglijk gesproken had; en dus nam ik mij voor woorden te zeggen in welke ik zeide op welke wijze ik ontvankelijk scheen te zijn voor haren invloed en hoe hare deugd in mij werkte. En meenende zulks niet in de beknoptheid van een sonnet te kunnen verhalen, begon ik toen eene canzone27, welke begint:

Zoolang nu heeft mij Amor in zijn macht

En mij gewend aan zijne heerschappij,

Dat even hard als eerst mijn slavernij

Mij scheen, zij thans mij lieflijk lijkt en zacht.

En zoo, wanneer hij ganschelijk mijn kracht

Mij rooft en mijn gedachten jaagt uit mij,

Gevoelt mijn zwijmelende ziel zòò blij,

Dat mijn gelaat, ofschoon verbleekend, lacht.

Dan voel ik hem zoo hevig in mijn leven,

Dat hij mijn zuchten dolend roepen doet

Om mijne Vrouwe zoet,

Of zij nog hooger heil mij konde geven.

Dus ondervinde ik, wààr mijn oog haar ziet,

Zòò zacht is zij: maar woorden zeggen ’t niet.


1 Val welke eene. d’Ancona meent dat deze dame, wier vraag het oogenblik van de ideëele verandering der figuur van Beatrice en van het nieuwe karakter van Dante’s volgende poëzie aanduidt, de latere Mathilde van het Paradijs is. In verband met de voorgaande aanteekeningen wijs ik er op dat die vraag echter hoogstens een medewerkende aanleiding tot Dante’s bewustwording der vergeestelijking zijner liefde kon zijn. De ware oorzaak van den grooten omkeer in zijn gemoed, van zijn stijgen boven de subjektieve klacht uit tot de objectieve verheerlijking, is de uitkomst eener innerlijke evolutie die wel door een schokkend feit, zooals haar huwelijk, maar niet door een opmerking eener vreemde dame kon worden teweeg gebracht.

2 Hunne woorden zag uitgaan. Mi parea vedere le loro parole uscire mischiate di sospiri. De commentatoren die Dante willen verbeteren door vedere te vertalen met hooren, doen den dichter onrecht.

Dante verstond de woorden der pratende vrouwen niet, maar zag hen spreken en zuchten en juist dit zien bracht hem op die wonderbaar schoone vergelijking van den regen met sneeuw vermengd.

3 Niet tot alle vrouwen. Dante neemt het woord “donna” in zijn meer beperkte beteekenis, waarin het adjectief “gentile”, edel, lieflijk als het ware ligt opgesloten. (evenals bij ons: “dame” het begrip “wel opgevoed” insluit.) De vrouw-zonder-meer toch is volgens Dante’s spreekwijze niet in staat de liefde te kennen. Alleen de Deugd, de Gentilezza, schenkt haar daartoe het vermogen. De eerste regel der canzone is dus in Dante’s taal: “Gij edele vrouwen, die de deugd bezit.

4 Over de beteekenis dezer canzone als eerste oorspronkelijke “meesterproef” zie mijn Inleiding.

5 En die eens spreken zal etc. Deze regels hebben tot een geheele litteratuur aanleiding gegeven. Mij lijkt de meest voor de hand liggende, maar zeer betwiste verklaring, nl.: dat Dante hier een toespeling maakt op zijn later werk “de Hel”, zeer aannemelijk. Waarom zou hij niet reeds tijdens het schrijven dier canzone hebben rondgeloopen met het vage denkbeeld—voor dien tijd niet eens zoo oorspronkelijk—later een tocht door de Hel te beschrijven?

6 De wijze dichter. Guido Guinizelli. Zie Inleiding en Aanhangsel.

7 De verwekker. Folco di Ricovero Portinari, gestorven 31 December 1289. Hij was een aanzienlijk, rijk en vrijgevig man, o.a. stichter van een hospitaal.

8 Volgens gebruik. Volgens de Florentijnsche verordening kwamen de vrouwelijke bloedverwanten en buren in het sterfhuis bijeen, terwijl de andere leeddragenden zich er vòòr verzamelden.

9 Hosanna in den Hooge.

10 Door zeer nauwe verwantschap. Blijkbaar bedoelt Dante een zijner zusters.

11 Giovanna, Monna Vanna, was de “dame” van Cavalcanti. Het geven van een bijnaam (provençaalsch “senhal” = signal, teeken) was een oud troubadoursgebruik. Dante past het hier toe om, volgens zijn symboliek, Beatrice met de Deugd of hoogste Liefde te vereenzelvigen. Inderdaad kan in verscheidene gedichten het woord: “Liefde” of “Amor” door “Beatrice” worden vervangen, bv.

Klaagt al wie mint nu ge Amor zelf hoort klagen....,

en:

Over der doode lieflijk beeld gebogen

Zag ’k weenen hem (de Liefde) in tastbare gedaant.

(§ VIII)

en:

van Liefde spreken nu al mijn gedachten.... (§ XIII)

en:

Dikwerf wanneer ’k bepeins het vreemd gedragen

Waartoe mij Amor dwingt.... (§ XVI)

12 Ik ben de stem des roependen in de woestijn; bereidt den weg des Heeren. (Matheus III, 3.)

13 Zekere woorden verzwijgend. Namelijk de woordspeling waarbij Monna Vanna slechts een voorloopster schijnt van nog grootere schoonheid. Aan de vergelijking met Johannes den Dooper als voorlooper van het ware Licht, zal Dante bij het schrijven van het sonnet wel niet hebben gedacht (zie Inleiding). Toen Dante het proza schreef wist hij dat Cavalcanti’s liefde voor Monna Vanna inmiddels was bekoeld en kon hij spreken zonder zijn vriend te kwetsen.

14 Monna Vanna en Monna Bice. Monna is de populaire verkorting van Madonna. Gevolgd door den voornaam duidt het woord alleen gehuwde vrouwen aan.

15 Volgens den filosoof. “De” filosoof in de middeleeuwen is steeds Aristoteles. Dante haalt hem waarschijnlijk aan uit de tweede hand.

16 De taal van “oc”. Dante onderscheidde de Romaansche talen naar hun bevestigend bijwoord, in het provençaalsch “oc”, in het oud-fransch “oil”, in het Italiaansch “si”.

17 Ouder dan 150 jaren. Dit is slechts juist wat het Italiaansch betreft, de provençaalsche poëzie begint reeds tusschen het jaar 1000 en 1050.

18 Om van de Liefde te spreken. Hier meent dus Dante nog dat de volkstaal alleen voor het minnedicht geschikt is; ook in het Convitto stelt Dante het Latijn nog steeds boven de volkstaal; eerst in zijn “De vulgari eloquio” slaat zijn waardeering om.

19 Virgilius, Horatius, Ovidius en Lucanus behooren tot de dichters die Dante het meest bewonderde. (Hel IV. 90)

20 Aeolus, u verleende.... (Aenëide I, 65).

21 Wat gij, koningin, wenscht.... (Aenëide I, 76).

22 Harde Dardaneërs.... (Aenëide III, 94).

23 Veel, o Rome, hebt ge te danken aan de wapenen uwer burgers (Pharsalus I, 47).

24 Noem mij, o Muze, den man. (Epistola ad Pisones V. 141).

25 Middelen tegen de liefde.

26 Oorlog bereiden zij mij, zie ik, zoo sprak zij.... (Remedia Amoris V. 2).

27 Deze ééne stanza der zoogenaamde canzone vormt een gesloten geheel. De bouw is, behoudens de ééne verkorte regel, volkomen die van een sonnet. Het lijkt mij daarom zeer waarschijnlijk dat Dante dit sonnet achteraf, wegens het samenvallen van zijn ontstaan met Beatrice’s dood, voor een plotseling afgebroken canzone heeft willen doen doorgaan.