I.
Van vrouwen zag ’k een liefelijke schaar
Den dag van Allerheilgen laatstverleden;
En onder de allereersten zag ik haar,
Naast wie ter rechter Amor kwam geschreden.
Uit hare oogen brak een glans zóó klaar,
Dat zij een geest geleek wien vlammen kleedden;
Toen ik den moed had op te zien, voorwaar:
Het was me als zag ’k een engel nader treden.
Aan ieder die het waard was schonk een groet
Die zoete Vrouwe van haar zeegnende oogen
En vulde van haar deugden elks gemoed.
’k Geloof dat zij den hemel is ontvlogen
Wijl ze ons op aarde ons heil reeds brengen moet:
O zalig zij, die haar nabij zijn mogen!
II.
Guido, ik wou dat Lapo en wij twee
Door toovermacht ons mochten saam bevinden
In ’t zelfde scheepken dat op alle winden
Naar onzen wil kalm voortdreef over zee;
Zoodat geen toeval ooit stoorde onzen vree
En wind noch weder onzen tocht kon hindren;
Maar één verlangen steeds ons zou verbinden,
Sterker, hoe langer ’t scheepken verder glee.
En ’k wou dat Monna Vanna en Lagia en zij
Die ’t dertigst stond, voor altoos mochten varen
Met ons door zelfden goeden toovnaars macht;
En dat zij met ons spraken, dag en nacht,
Van Liefde, en dat zij even vredig waren
Als, dit geloof ik zekerlijk, ook wij.
Dit sonnet is, evenals dat in § XXIV der Vita Nuova, gericht aan Guido Cavalcanti. Monna Lagia was de Vrouwe van den dichter Lapo Gianni. Met “haar die ’t dertigst stond”—een uitdrukking die blijkbaar slaat op de serventese op de zestig schoonste vrouwen der stad, waarvan in § VI wordt gesproken—is volgens Bardi bedoeld Dante’s “scherm-dame”. Immers Beatrice kan zijn uitverkorene voor dien tocht niet geweest zijn, omdat zij op de “negende plaats” stond. Het sonnet is alweer geïnspireerd door oudere troubadoursliederen, waarin de “goede toovenaar” de vermaarde Merlijn is.
III.
Sinds ’t negende van mijner jonkheid jaren
Heb ’k Amor onafscheidelijk behoord:
En ’k weet hoe hij ons ment en zweept en spoort
En in zijn dwang ons lust noch droefheid sparen.
Wie waant dat Deugd of Rede hem vervaren,
Is als wie meent dat hij wen ’t stormt behoort
De klok te luiden, wanende dat voort
De krijg van wind en wolken zal bedaren.
Want altijd in den kring van Amor’s krijt,
Is Vrije Wil dùs door zijn macht gebonden
Dat gansch vergeefs der Rede raad er strijdt;
Steeds kan een nieuwe spoor de flank hem wonden:
Wat lust hem ook op ’t oogenblik berijdt,
De nieuwe volgt hij zoo hààr krachten zwonden.
Dit sonnet is Dante’s antwoord op een sonnet van Cino da Pistoia, waarin deze dichter hem vraagt of hij gelooft dat de dood den ongelukkigen minnaar rust zal geven.
IV.
Dien weg langs dien de Schoonheid volgen moet,
Wil ze in het hart de Liefde doen ontwaken,
Zie ik Lisette stormende genaken—
Als waar ’k een burcht—in koenen overmoed.
Maar dan, gekomen aan dier veste voet,
Wier grendels slechts de willge ziel kan slaken
Hoort zij een stem: “Wil die bestorming staken;
Keer om gij Vrouwe, liefelijk en zoet.
Een andre heeft mijn geest reeds ingenomen;
Zij kreeg en greep de heerelijke roe
Van Amor zelf, zoodra zij was gekomen.”
En heeft Lisette dit bescheid vernomen,
Zoo wendt zij om, droef en beschaamd te moe,
En ’k zie het rood haar wangen overstroomen.
Sommige commentatoren meenen dat de in dit sonnet genoemde Lisette dezelfde is als de “Vrouwe aan het Venster”. De aanvangregels doen vermoeden dat het geschreven is nà het sonnet over de Liefde in § XX.
V.
Tot korten dag en wijdgekringde schaduw
Ben ’k nu gekomen en ’t witten der heuvlen,
Waar alle kleur verdwijnt in ’t vale kruid;
Maar nòg verloor Verlangen niet zijn groen,
Wijl ’t zóó diep wortelt in dien harden steen,
Die spreekt en voelt als ware hij een Vrouwe.
Aleveneens blijft deze jonge Vrouwe
Bevroren zooals sneeuw die ligt in schaduw;
Want evenmin ontdooit haar als een’ steen
Het zoet getijde dat verwarmt de heuvlen
En weer hun wit verkeeren doet in groen,
Naar het met bloemen hen bekleedt en kruid.
Wen zij het hoofd omkranst met geurend kruid,
Verjaagt ze uit mijn gedachte elke andre Vrouwe;
Zóó schoon vervlecht zij ’t golvend blond en ’t groen,
Dat liefde zelf zich neerzet in hun schaduw;
En waar zij zit, tusschen twee lage heuvlen,
Mij vaster houdt dan kalk den metselsteen.
Haar schoon heeft grooter kracht dan eedle steen;
Voor wonden die zij toebrengt wast geen kruid;
Zoodat ik vluchten over vlakte en heuvlen
Moest om te ontkomen aan ’t gevaar dier Vrouwe.
Maar nergens schenkt mij voor haar aanschijn schaduw
Hoogte noch muur, noch dichter wouden groen.
Ik zag haar eens, ganschelijk gekleed in groen;
Zòò schoon, dat zij gewekt hadde in een steen,
Die liefde die ’k gevoel reeds voor haar schaduw.
’k Noodde in een dal haar, bont van bloemig kruid—
Als kon zij minnen ’lijk een andre Vrouwe—
Rondom besloten door geweldige heuvlen.
Doch éér vloeien de stroomen tot de heuvlen
Terug, eer ooit dit hout, sappig en groen,
Vlam vatte—als ’t voegt toch zulk een schoone Vrouwe—
Aan mij; hoewel ’k wou slapen op een steen
Mijn leven lang en weiden ’t wilde kruid,
Zoo ’k van haar kleed slechts schouwen mocht de schaduw.
Wanneer de heuvlen zwarten door de schaduw
Van ’t zomergroen, doet deze jonge Vrouwe
Gelijk een steen haar schuil gaan onder ’t kruid.
Deze sestina behoort tot de z.g. “steen-canzones”, door Dante in zijn tijd van overgave aan “ijdelheden van korte bate” na den dood van Beatrice gewijd aan een zekere Pietra degli Scrovigni (pietra = steen), over wier hardheid hij zich beklaagt. Sommigen meenen echter dat deze canzones en ook de bovenstaande sestina zuiver “allegorisch” bedoeld zijn. De wreede Pietra zou de stad Florence zijn, liggend in een dal “rondom besloten door geweldige heuvlen”.—De vorm van dit gedicht is vòòr Dante in de Italiaansche poëzie niet gebruikt. Dante zelf zegt dat hij hier den Provençaal Arnaut Daniel navolgt.
VI.
Aan Vrouwe Pietra degli Scrovigni.
Ik vloek den dag dat mij voor ’t eerst verblijd
Het licht heeft dier verraderlijke oogen;
En ’t uur dat ge in mijn hart gekomen zijt
En hebt mijn ziel er ganschlijk aan onttogen!
Ik vloek de vijl van mijn kunstvaardigheid,
Die blank sleep al dier schoone woorden logen,
Die ’k voor u vond en heb in rijm gerijd,
Opdat men eeuwig u zoude eeren mogen!
En ’k vloek mijn eigen waan-verwarden geest,
Die willoos aan de zware razernij
Zich vastklemt van uw schoone en schuldge leest,
Waarvoor zelfs Amor geenen meineed vreest;
Zoodat een ieder hem bespot, maar mij,
Die ’t wiel van de fortuin wil wenden, ’t meest.
(Hij was minister van keizer Frederik II en een man van groot gezag, totdat hij, onder verdenking van verraad, in de gevangenis werd geworpen. Hij pleegde zelfmoord in 1249. Het onderstaande sonnet is, evenals het daarop volgende van Lentino, een antwoord op een sonnet van Jacopo Mostacci, den valkenier des keizers, die twijfel geuit had aan het bestaan der Liefde “omdat zij nooit zichtbaar verschijnt”.)
Wijl Liefde nimmer zichtbaar is verschenen.
Als een lichamelijk en tastbaar ding,
Zijn er nog enkelen die dwaaslijk meenen
Dat liefde niets is dan begoocheling.
Maar wijl zij met een macht niet te verkleenen,
Heerscht in het hart van elken sterveling,
Moet men veel hooger waarde haar verleenen,
Dan zoo men haar kon zien als zichtbaar ding.
Hoe de magneet door zijn verborgen kracht
Het ijzer aantrekt kan geen mensch aanschouwen;
Toch trekt hij het, en onweerstaanbaar aan.
En dit heeft mij tot het geloof gebracht,
Dat liefde is en schenkt mij vast vertrouwen
Dat men dit ook gelooven blijft voortaan.
(Hij was notaris onder keizer Frederik II. Deze dichter is “de notaris” die met Buonagiunta en Guittone d’Arezzo bleef “aan gene zijde van den zoeten nieuwen stijl”) (Louteringsberg XXIV 54–57).
Liefde is Begeerte, door het groot vermogen
Van welgevallen in het hart verwekt,
Het allereerst ontspringt de Liefde uit de oogen
En ’t is het hart dat voedsel haar verstrekt.
Wel komt bijwijl die drang in ons getogen,
Zonder dat zichtbaar schoon hem tot zich trekt;
Maar schoonheid die we aanschouwen met onze oogen
Is ’t toch die sterkste en hechtste liefde wekt;
Wijl de oogen aan het hart het goed en kwaad
Melden getrouwelijk van alle dingen,
Zooals Natuur hen altemaal formeert;
En ’t hart dat deze taal terdeeg verstaat,
Voelt diepverheugd Begeerte in zich ontspringen:
En dat is Liefde, die den mensch regeert.
(Aanvankelijk schreef hij alleen minnepoëzie, maar op zijn 35ste jaar bekeerde hij zich, werd “broeder” van de religieus-militaire orde der Cavalieri gaudenti (vroolijke ridders) en wijdde zich sindsdien uitsluitend aan het boetedicht. Hij stond in hoog aanzien, ofschoon Dante deze bewondering niet deelt. In een gesprek met den grooten dichter Guinizelli (Louteringsberg XXVI, 124–126) zegt Dante over hem:
“Aldus (nl. voorbarig prijzen) deden vele ouden met Guittone, de een den ander nasprekend om hem lof te geven, totdat met meer personen de waarheid hem heeft overwonnen.”)
Aan de heilige Maagd Maria.
Vrouwe des Heils, wier glorie nooit kan enden,
Moeder van Jezus zoet, wiens heilge dood,
Ons te verlossen van der helle nood,
Den doem van ’s eersten vaders val mocht wenden;
Zie hoe mij Amor’s wreede knechten schenden
Met schichten scherp, aanschouw mijn foltring groot;
Moeder vol deernis, zachte bondgenoot,
Schut mij voor de vervolging zijner benden!
Vul van die ééne Liefde heel mijn wezen,
Die trekt de ziel naar haren oorsprong puur,
Zoodat der lusten strik mij niet weerhoudt;
Zulk middel slechts kan zulk een koorts genezen,
Zulk water slechts bluscht zulk een gloeiend vuur;
Met spijkers drijft met spijkers uit het hout.
(Een Florentijnsch dichter, wiens werk valt tusschen 1260 en 1280)
Wanneer het stralend licht zijn glans komt spreiden
Zendt het zijn klaarheid tot in versten nacht;
De bleeke sterren dooven en verscheiden
Voor zijner schichten ùitblinkende kracht.
Zoo schenkt mijn Vrouwe met haar blik verblijden
Aan ieder die in donkre smarten smacht
En doet in vreugd verkeeren al hun lijden:
Zoo overgroot is harer deugden macht.
En als een stoet van dienende getrouwen
Volgen haar als der Hoofschheid keizerin,
Wijl ze aller licht is, alle andere vrouwen.
De schilders staren met verrukten zin
Haar aan wijl ze in haar schoon gelaat aanschouwen
Wat zij te schildren hopen tot een elks gewin.
(Van zijn leven is weinig meer bekend dan dat hij tot een aanzienlijk Bologneesch geslacht behoorde en in 1274 wegens zijn keizerlijke gezindheid werd verbannen. Hij was zeker de grootste dichter van zijn tijd en Dante heeft hem hoogelijk geprezen, staat dan ook zelf sterk onder zijn invloed. Kenmerkend is dat Guinizelli, stichter van den “zoeten nieuwen stijl”, eerste “vergoddelijker” der Vrouw, door Dante op den Louteringsberg wordt aangetroffen onder hen die zich aan zinsgenot te buiten gingen. Als Guinizelli zich aan Dante bekend maakt, kan deze zich haast niet verzadigen van den aanblik van “den vader van mij en zoovele anderen die beter zijn dan ik, die ooit in rijmen, zoete en gevallige, spraken van minne.” (L. B. XXVI 97–99) Guinizelli spreekt dan Dante aldus aan:
”....zeg mij wat de reden is waarom gij toont in uw spreken en uw blikken mij lief te hebben.”
waarop Dante antwoordt:
“De zoete woorden uwe, die, zoolang de hedendaagsche spreekwijze zal duren, de geschriften waarin ze bevat zijn, zullen dierbaar maken.” (108–114).)
I.
Het edel hart.
Het edel hart is Liefde’s wijk en wapen,
Gelijk voor ’t vogelken het dicht geblaart;
Niet heeft Natuur de Liefde ’t eerst geschapen,
Noch eer dan Liefde ’t Hart van eedlen aard.
Maar zooals mèt de zon
Van aanvang af het licht de ruimte kliefde,
Doch éér niet stralen kon;
Zoo woont in al wat edel is en puur
Vanzelf de zoete Liefde,
Gelijk de gloed in ’t glanzen van het vuur.
Der Liefde vuur komt in ’t eêl harte stralen
Als zuivre glans in kostelijken steen:
Geen ster kan tooverkracht in hem doen dalen
Eer hem het loutrend licht der zon bescheen.
Al ’t slechte uit zijnen aard wegzengde en blaakte,
Krijgt ook de ster haar macht.
Zoo kan een vrouw in ’t hart dat door Gods gloed
Tot eedle deugd ontwaakte,
Haar Liefde stralen als ’t die sterre doet.
De Liefde heeft het edel hart tot woning
Zooals de vlam den top van de flambouw;
Zij straalt er fier tot eigen vreugd en looning,
Alsof zij nimmer anders branden zou.
Wie slecht is van natuur,
Vermag zoo min de Liefde te verdragen
Als water ’t heete vuur.
Besloten ligt de Liefde in ’t harte rein,
Als in verborgen lagen
Een diamant in ’t ijzer eener mijn.
Moog’ heel den dag de zon het slijk bestralen:
’t Blijft vuil; de zon haar zuivren glans behoudt.
“’k Ben edel van geboort”, wie dùs kan pralen
Is als dit slijk, de Deugd is ’t zonnegoud.
Geloove niemand ooit,
Dat adel buiten ’t edel hart kan leven:
Wien konings hoogheid tooit
Blijft laag zelfs, zoo niet Deugd zijn hart doordringt,
Dat kaatse als water ’t beven
Van sterrenglans die uit den hemel blinkt.
De Schepper straalt voor ’s hemels Intellekten
In klaarder gloed dan voor ons oog de zon.
Ontfloersd aanzien ze ’t Licht dat hen verwekte,
En in aanbidding voor der Waarheid bron,
Bereikt van aanvang af
Hun streven doel, naar Gods algoed beschikken.—
Dat zòò mijn Vrouwe ook gaf
De waarheid van haar eedle deugd, die straalt
Uit hare zuivre blikken,
Aan mij die nimmer haar te minnen faalt!
Mijn Vrouwe, “Wat vermat ge u!” zal God spreken,
Wanneer mijn ziel ten laatste voor hem staat.
“Kwaamt ge alle heemlen door tot mij geweken,
Te plaatsen mij naast minne die vergaat?
Uw lof zij slechts gericht
Tot mij alleen en die genaderijke
Voor wie àl logen zwicht.”
Maar ’k antwoord: “Met een engel die gìj zond,
Moest ik haar wel gelijken;
Zoo laak het niet dat mij haar liefde bond.”
II.
Aan Lucia.
Ik wil naar waarheid mijne Vrouwe loven,
Wier schoonheid roze en lelie bei gelijkt,
Ze is als de morgenster, als al wat boven
Ons schoon en stralend aan den hemel prijkt.
Al kleur en tint van bonte bloemenhoven,
Van lucht en groene beemden haar gelijkt,
Goud en lazuur voor haren glans verdooven
En Amor zelf schijnt door hààr schoon verrijkt.
Zij gaat, getooid van zòòveel lieflijkheden,
Dat ze ieders hoogmoed breekt door haren groet
En elken heiden ’t waar geloof zou schenken.
Nooit kan een laag man voor haar aanschijn treden.
Maar grooter nog is ’t wonder dat zij doet:
Wie haar aanschouwt kan niets wat slecht is denken.
(Cavalcanti, een Florentijnsch edelman, was Dante’s “grootsten vriend”, zijn “secretaris”, d.w.z. zijn geheimdrager, de eenige die, althans tijdens het leven van Beatrice, het geheim van Dante’s liefde kende. Hij schijnt op Dante een grooten moreelen invloed te hebben gehad. Geschriften zijner tijdgenooten doen hem kennen als wispelturig in de liefde en los in het geloof, maar tevens als een man van groote gaven, vurig, edelmoedig, geleerd, trotsch en van eenzame hooghartigheid. Als dichter stond hij hoog in aanzien. Zijn metaphysische en zeer duistere canzone: “Donna mi priega” (Een Vrouwe vraagt mij), handelende over den aard der Liefde, werd veel bewonderd, besproken en gecommentarieerd, ook door theologen. “Een liefdezang”, zegt Rossetti hiervan, “welke zulk een vliegenvanger blijkt voor priesters en pedanten, ziet er verdacht uit; maar het feit dat hij geschreven werd door een man wiens leven en werken toch zooveel impulsiefs en reëels bevatte, is teekenend voor dien tijd van jonge scholastieke geleerdheid”. Ook Dante had groote bewondering voor zijn vriend. Op den Louteringsberg, waar hij spreekt over de vergankelijkheid van den roem (XI. 96–99) schijnt hij Cavalcanti boven Guinizelli te stellen, en zichzelf boven die beiden:
“Aldus heeft de eene Guido den anderen den roem der taal ontnomen; en wellicht is geboren die den één en den ander uit het nest zal jagen.”)
I
Aan Vanna.
Wie is zij, wier bewonderd nadren doet
De lucht van tintlende verwachting beven;
Die Amor met zich voert, zoodat begeven
Van alle woorden elkeen zuchten moet?
Wat zij gelijkt zoo zij met de oogen groet,
Ik zegge ’t niet, laat Amor ’t antwoord geven.
Vrouwe van Deemoed lijkt zij, zòò verheven,
Dat ik elke andre “Hoogmoed” heeten moet.
Onzeggelijk is harer schoonheid glans,
Wijl alle edele deugden voor haar knielen
En schoonheid zelf haar eert als een godin.
Nooit was een geest van zulk een eedlen zin,
Nooit vulde deugd zoozeer der menschen zielen,
Dat één haar ooit begreep daadlijk en gansch.
II
Aan Vanna.
Schoonheid van vrouwen of vriendlijk gemoed,
De wapenpraal van eedle ridderscharen,
Gekweel van voglen, minnefluistring zoet,
Van sterke schepen ’t vlug en sierlijk varen;
Zuivere lucht wanneer de daagraad groet,
De blanke sneeuw die stilkens neer komt waren,
De klare bron en aller bloemen gloed,
Sieraân die goud en flonkersteen bezwaren;
’t Al overtreft de tooi der lieflijkheên
Van mijne Vrouwe en harer deugden waarde,
Zoodat dit àl gering acht wie het ziet;
Ze is zóóveel meer dan alles om zich heen
Als heel de hemel grooter is dan de aarde:
Wie is als zìj, dien mijdt Gods zegen niet.
III
Op Mandetta, wier oogen geleken op die van zijn Vrouwe, Monna Vanna.
Een jonge en schoone Tolosaansche Vrouwe,
Vol eerzame bevalligheden, straalt
Gelijkenis zòò treffend en bepaald
Uit haar schoone oogen met mijn eigen Vrouwe,
Dat mijne ziel, verlangend haar te aanschouwen,
Mijn hart verlaat en tot haar henen dwaalt;
Doch zoo verward, dat zij het niet verhaalt
Wie haar te schenden drijft haar eerste trouwe.
De Schoone aanschouwt haar met een blik zoo teer,
Dat in mijn ziel de Liefde rasch ontwaakt,
Wijl ’t is of zij haar ware Vrouwe ziet,
Maar zuchtend keert ze in ’t harte weer, geraakt
Ten doode door de scherpgepunte speer
Die haar de Schoone nawerpt zoo zij vliedt.
IV
Aan Dante, naar aanleiding van diens lichtzinnige levenswijze na den dood van Beatrice.
Ik kom tot u daaglijks ontelbren keer,
Doch te veel laagheid leeft in uw gedachten.
Diep droeft mij dit om al die eedle krachten
Die woonden in uw hoogen geest weleer.
Te schuwen placht gij eens elk laag verkeer
En liên, verslaafd aan slechtheid te verachten.
Dies heb ’k de verzen die me uw vriendschap brachten,
Als kostbren schat gehouden steeds in eer.
Maar ’k durf niet meer, om uw verwerplijk leven,
Zeggen hoe nòg bekoort me uw zoete taal—
En ’t slag van liên dat gìj kent, ken ìk niet—
Lees dit sonnet, ik smeek ’t u, menig maal:
Totdat de Booze, die ons scheidt, verdreven,
Ten laatste uit uw onteerde ziele vliedt.
V
Ballade.
’k Zag in een boschje een herderinne dwalen,
Als sterrepralen stralend wijd en zijd,
Heur blonde haren krulden langs de slapen;
Vol liefde de oogen, rozerood de wangen,
Hoedde zij met een twijg de makke schapen,
De voeten blank van dauw. En als bevangen
Van jonge liefde zong ze in zoet verlangen;
Zij was omhangen van àl minlijkheid.
Ik groette dadlijk haar in liefde ontstoken
En vroeg of ’k haar zou vergezellen mogen.
En teeder sprak zij, de oogen half geloken:
Heel, héél alleen kwam zij door ’t bosch getogen,
En: “hoort ge er ooit het lokken van de vooglen,
Dàn zal ’k gedoogen dat ge ook mìjn hart vrijt”....
Maar nauw had ik die voorwaarde vernomen,
Of ’k hoorde luid de vooglen fluiten tusschen
’t Geblaart. Nu is de tijd, zeide ik, gekomen,
Om in haar arm mijn minnebrand te blusschen.
En ’k dankte haar wijl zij met teedre kussen
Mijn hart te sussen was zòò rasch bereid.
Zij nam mijn hand en boog zich tot mij over;
Zei dat zij nu haar hart mij had geschonken.
Toen bracht zij me in de schauw van ’t frissche loover,
Waar allerhande bonte bloemen blonken:
Zij was ’t, van zooveel zoete vreugden dronken,
Als zag ’k daar lonken Venus’ heerlijkheid.
(Hij was een der “vermaarde troubadours” die antwoordden op Dante’s eerste sonnet. In “De vulgari Eloquio” zegt Dante: “Zij die het zoetst en schoonst gedicht hebben in het nieuwe Italië zijn Cino da Pistoia en een vriend van hem.” Uit het feit dat Dante enkele gedichten, aan Cino opgedragen, onderteekent met “amicus ejus (zijn vriend) blijkt dat Dante met dien vriend zichzelf bedoelde).
I
Aan Dante over den dood van Beatrice.
Schoon ik niet eerder richtte reeds mijn smeeken
Tot Liefde en Medelij om uwentwil,
Dat zij vertroosten mochten uw droef leven
Is toch de tijd niet zoolang reeds verstreken
Dat niet mijn woorden zouden vinden stil-
zuchtend uw ziel en hart die achterbleven:
“O zaalge Vreugd, ik zag u opwaarts zweven,
Gelijk uw naam verlangt, ten hemel toe!”
Eilaas, wanneer en hoe
Zal ik van oog tot oog u mogen zien
En in persoon u biên
De hulp die u mijn troost zou kunnen geven
Zoo luister naar deez’ woorden: Liefde gaf
Mij ze in, en laat van klacht en zuchten af.
Ge weet: in zorg en vreezen allerwegen
Op deze blinde wereld elkeen leeft,
Wijl hij de grillen der fortuin moet duchten;
Zalig de ziel, die zulk een last ontstegen,
Ten hemel, waar àl vreugd vervuld is, streeft;
Heil ’t hart dat toorn en laagheid kan ontvluchten!
Waarom dan hoor ik ùw hart aldoor zuchten?
Terwijl het zich verheugen moest veeleer:
Verhoord heeft onze Heer
De bede door dien engel eens geslaakt,1
En door haar ziel volmaakt.
Den hemel met een ongekend genuchte.
Voor des Verlossers aanschijn mag zij staan,
Omstuwd door al Gods engelen voortaan.
Hoe foltren dan vertwijfeling en weenen
Uw hart dat vol moest zijn van liefde en vreugd
Wijl heel uw geest nu toeft in ’s hemels vrede!
Al uw gedachten stijgen op daarhenen
Van nu af aan door hare hooge deugd,
En Liefde drijft daartoe hen hier beneden.
Hoe ligt ge dan zoo jammerlijk vertreden,
Gij, die zoo wijs waart, in uw droefheid neer
’k Bid u om Godes eer:
Weer uit uw kranken geest zoo bittre smart;
Draag niet den dood in ’t hart,
Noch toon, als hadt ge hem alreeds geleden,
Zoo bleek gelaat. God riep haar, maar juist nu,
Is ze eindlijk, en van uur tot uur, bij u.
“Troost, troost u”, roept de Liefde in haar genade,
“Om Gods wil, staak dit weenen” Meelij spreekt.
“Schenkt aan zoo zoete beden nu vertrouwen,
“Leg af dan eindelijk dier droefheid wade”,
’t Is Rede zelf die aldus tot u spreekt.
Ten doode leidt u zulk wanhopig rouwen;
En hoe zoudt ge ooit haar schoon gelaat aanschouwen
Zoo Dood u trof in zinnelooze smart!
O schut uw droevend hart
Voor zulk een zonde; ik bid om Godswil, duld
Niet dat zoo zware schuld
Uw ziel belemmre die nog hoopt haar Vrouwe
Te zullen wederzien en in haar arm
Te rusten eens. Ach, dat die troost u warm’.
Schouw in die klare Vreugde waar nu veilig
Uw Vrouwe toeft, met hemelglans bekroond.
Het paradijs bereikte uw diepst verlangen,
Waar ’t in een liefde ganschlijk rein en heilig
Leeft sinds bij hààr heel uw gedachte woont.
Hoe is uw hart dan dùs van strijd bevangen,
Nu ’t zulk een zaalgen aanblik mocht erlangen!
Gelijk ze op aarde als wonder eens verscheen,
Zoo straalt ze ook ginds, alleen,
Wijl meer erkend, in een nog schooner gloed.
Hoe zij er werd begroet
Door de engelen met blijden lach en zangen,
Hebben uw geesten u genoeg verkond,
Zoo dikwijls gij hen op die reize zond.
En tot de zaalge zielen ginds vergaard
Spreekt ze over u: “Hij heeft mij eer bewezen,
Wijl hij mij prees in rijmen hoog geprezen,
Altijd, zoolang ik leefde nog op aard.”
En zij bidt God, den allerhoogsten Heere,
Dat hij u trooste en blij berusten leere.
II
Aan Selvaggia.
De Vrouwe om wie ge peinzend mij ziet schrijden,
Toont een gelaat zòò lieflijk, dat zij doet
Ontwaken in een iegelijks gemoed
Dien eedlen Geest die daar verborgen beidde.
Zoo bang heeft mij haar lieflijkheid doen lijden,
Toen ’k in haar oogen had mijn Heere zoet
Aanschouwd in heel zijn oppermachtgen gloed,
Dit ik ’t niet waag nog èèn blik haar te wijden.
Maar zoo ’t gevalt dat ik haar schoone oogen
Toch schouwen moet, licht me er een heil zòò groot,
Dat ik ’t niet vatten kan in mijnen geest;
En ’k voel dat al mijn kracht zoozeer me ontvlood,
Dat mijne ziel, waaruit mijn zuchten togen,
Weldra van ’t hart te moeten scheiden vreest.
(Hij was notaris en in 1284 lid van den stadsraad).
Aan Lagia.
Zoet is de zucht, verlangende gezonden
Dier vrouwe die mijn hart gevangen houdt
En die mijn ziel met eedle deugd betrouwt,
Wijl zij met Liefde zelf zich heeft verbonden.
Een beeld te vinden waarmee vergeleken
Zij waardiglijk kon worden, valt mij zwaar:
Een engel lijkt zij die op aard kwam dalen;
Ze is als der Liefde zuster in haar spreken;
Een wonder is van haar ieder gebaar.
Zalig de ziel voor wie haar groet mag stralen.
Het schijnt alsof in haar kwam nederdalen
Aanvalligheid, vervuld werd Hope en Vreugd,
Of in haar bloeide iedere twijg der Deugd,
Ontsproten uit haar wezen zonder zonden.
Die eedle geest, dien ’k in mij op mocht kweeken,
Sinds deze jonge Vrouwe mij verscheen,
Heeft boven al wat laag is mij verheven.
Mij troost en sterkt, sinds ik haar dien, het spreken
Met haar in zoet-vertrouwelijke reên,
Over mijn nieuw en liefde-rijke leven.
En zooveel gunste heeft zij mij gegeven:
Nimmer versmaadde zij mijn woorden zoet;
Zoodat ik Amor innigst danken moet,
Die zulk eene eer mij waardig heeft bevonden.
Nu wil, mijn Lied, in hoofsche woorden konden,
Wat ik het Boek der Liefde heb vertrouwd,
Wanneer ge mijne Vrouwe weer aanschouwt,
Want als hààr dienaar heb ik u gezonden.