Naar het Engelsch van M. E. Hume-Griffith.1
Groote karavaan op weg van Ispahan naar Yezd in den winter.
De schrijfster van dit werk, dat in 1909, dus vóór den oorlog, verscheen, draagt het op aan haren echtgenoot, met wien ze acht jaren doorbracht in dat Oosten, nu ook al door den oorlog geteisterd, waar hij als zendeling-dokter zijn bezigheid had en zij in de gelegenheid was, met de vrouwen in vertrouwde aanraking te komen. In haar voorrede zegt zij, hoe ze heeft getracht, het innerlijk leven van het Oosten te schilderen, waarvan de gewone reiziger, ook als hij opmerkzaam en intelligent is, zelden meer te zien krijgt dan een oppervlakkig kijkje. Gedurende het verblijf van acht jaren in Perzië en Turksch Arabië, zegt ze, ben ik bevriend geworden met veel vrouwen, wier leven achter den sluier wordt gesleten, en als de vrouw van een zendeling-dokter ben ik buitengewoon goed in de gelegenheid geweest, haar vertrouwen te winnen en bekend te worden met haar denkbeelden. Van het eigenlijke zendingswerk heb ik weinig verteld; maar ik hoop, dat mijn schildering belangstelling moge hebben gewekt voor vrouwen, die in zoo totaal van de onze verschillende omstandigheden leven.
Wij woonden in Perzië van het voorjaar van 1900 tot dat van 1903. Ik hoorde met groote vreugde, dat mijn man aangewezen was door de Zendingsmaatschappij, om in Kerman zijn medischen werkkring te beginnen en dat wij zoo spoedig mogelijk moesten vertrekken. We trouwden binnen een maand, hadden onze uitrusting gekocht, namen met bitter leedwezen afscheid van betrekkingen en vrienden en reisden naar het romantische land Perzië. Van Londen naar Ispahan waren we juist negen weken onderweg, daar we door ziekte opgehouden werden, zoowel in Rusland als in de Perzische woestijn.
Op den 9den Mei betraden we de mooie stad Ispahan, waar we met warmte werden verwelkomd door vrienden, die er ons wachtten. Ik zal die plaats altijd een warm hart toedragen, want we maakten er ons eerste home. De dokter, die de praktijk uitoefende in Dsjoelfa, de christelijke wijk van de stad, was met verlof, en mijn man zou diens plaats innemen tot zijn terugkomst. Eerst de volgende lente vertrokken wij naar Kerman. Onze eerste indrukken van het land kregen we dus in Ispahan en de omstreken. Die eerste tijd is voor wie in een vreemd land gaat wonen, altijd vol van leven en beweging; men ontvangt nieuwe indrukken, ziet allerlei nieuws, doet ervaringen op, die vaak duur worden betaald, maar die noodig zijn, wil de nieuweling comfort en vrede vinden in zulk een oostersch land.
De inlandsche bedienden willen graag betrekkingen hebben bij de pas aangekomenen, wetende, dat ze ten minste voor de eerste maanden een best plaatsje hebben, door flink voordeel te kunnen trekken uit de onbeleerdheid van de niets kwaads vermoedende Feringhi of vreemdelingen. Ik kan nog een zucht niet onderdrukken, als ik denk aan de vele manieren, waarop wij bedrogen werden in die eerste maanden van ons verblijf in Perzië; maar niemand zei er ons een woord van, wetend, dat onze oogen gauw genoeg open zouden gaan, en dat de ervaring de beste leermeesteres was. Het is een zonderling feit, dat alle huisvrouwen, die pas in het land komen, denken dat hun bedienden volmaakt zijn, tot ze uitvinden, misschien als het te laat is, dat ze bij den neus zijn genomen.
Al dadelijk van het begin af ging mijn hart uit naar de mohammedaansche vrouwen en nu, na acht jaren verblijf onder haar, kan ik naar waarheid zeggen, dat mijn genegenheid aan diepte heeft gewonnen en dat mijn sympathie is toegenomen voor die bekoorlijke, maar, helaas, al te vaak ongelukkige volgsters van Mohammed.
Onze kennis van Perzië raakt in hoofdzaak drie steden, in elk waarvan we een jaar doorbrachten. Ispahan was, naar we zagen, ons eerste thuis, daarna kwam een jaar in Kerman, dat ongeveer vijfhonderd mijlen van de eerste stad is verwijderd, en ten slotte brachten we een zeer gelukkig jaar door te Yezd, de stad zoowat midden tusschen Ispahan en Kerman.
Perzië wordt wel het Land van den Leeuw en de Zon genoemd. De laatste naam is stellig wel verdiend, want de zon schijnt bijna altijd, en zonder dien schitterenden zonneschijn zouden we Perzië niet herkennen.
Het symbool van den Leeuw en de Zon dateert uit den tijd, toen de aanhangers van Zoroaster in het land woonden. De zon, als het embleem van de Vuuraanbidders, werd hun nationaal herkenningsteeken, en de Leeuw werd er later aan toegevoegd, omdat Ali, de kleinzoon van Mohammed, de Leeuw van God werd genoemd. Het vrouwengelaat in de Zon werd er eenige jaren later in aangebracht door een van de perzische koningen als een hulde aan zijn meest beminde vrouw.
De zonneschijn in Perzië is een van de grootste aantrekkelijkheden. Zelfs in den winter komen er zeer zelden bewolkte dagen voor. Is er eens een regenachtige dag, dan is het volk zoo verrast en uit het veld geslagen, dat ze voor het oogenblik verlamd lijken en niet in staat zijn, hun gewone werk te doen. Mij is nog altijd in de herinnering gebleven, hoe wij onzen eersten regenachtigen dag doormaakten. Wij waren op een morgen veel later dan anders wakker geworden en vonden de lucht dicht bewolkt en een stortregen vallend. Ik was verbaasd, dat we niet geroepen waren als gewoonlijk; maar meende, dat de dienstboden het hadden vergeten. Toen ik de eetkamer binnentrad, zag ik in het geheel geen toebereidselen voor het ontbijt, en den bediende roepend, vroeg ik hem, waarom het maal niet gereed was. Bij die vraag scheen hij beleedigd, en zei: “Maar, Mevrouw, het regent!” Dat feit was naar zijn meening reden genoeg voor rust, en zoolang de regen aanhield, konden de bedienden niet tot werken worden gebracht en zaten maar te hangen over het vuur en te rillen. Dadelijk toen de regen ophield en de zon weer scheen, waren ze weer normaal.
Die voortdurende zonneschijn is een groote zegen voor de bedelaars en de armen; ze hebben weinig kleeding noodig, om warm te blijven, en zoolang ze maar in de zon kunnen liggen te blakeren en genoeg brood inzamelen om in het leven te blijven, bekommeren ze zich niet om werken of geld verdienen.
Maar er is één plaats, waar weinig zon komt, en wel in het hart en het leven van de volksmassa, en nog het sterkst is dat het geval met de vrouwen van het land, zooals wij zullen zien. Een perzische zonsverduistering verwekt altijd grooten schrik, en de menschen zijn bang, dat hun weldoenster zal verdwijnen. Het gebeurde eens, toen wij in Yezd waren. Plotseling werden honderden geweren en kanonnen afgeschoten in alle stadsgedeelten. Wij gingen naar buiten, om te zien wat er gebeurd was en kwamen onze verschrikte bedienden tegen, die hun geweren in de hand hadden en ons vertelden, dat een reuzenvisch trachtte de zon te verslinden, en dat ze hoopten door een geweldig rumoer het dier weg te jagen.
Zandstormen zijn ware beproevingen in Perzië. Geheel onverwachts verdwijnt het licht; wolken van stof komen aanzetten, en voor ge tijd hebt ramen en deuren te sluiten, is alles in huis met een fijn, wit stof bedekt. Die stormen zijn lastig en vervelend, als ge thuis zijt, maar als ze u overvallen op een tocht door de woestijn, zijn ze vaak levensgevaarlijk. Zijt ge te paard, dan zit er niets anders op, dan af te stijgen, hoofd en gezicht zoo goed mogelijk te bedekken, uw rug naar den storm te keeren en het beste te hopen.
Men kan op verschillende manieren reizen in Perzië, en ieder kan het inrichten naar zijn eigen opvatting van comfort en gerief. Volgens mijn meening is de prettigste manier, uw eigen paarden te hebben om op te rijden en dus uw eigen snelheid te bepalen, zonder gebonden te zijn aan de langzame, vermoeiende karavaan-allures. Voor wie niet sterk genoeg is, om te paard te rijden, of die er niet van houdt, zijn er verschillende vervoermiddelen. Vooreerst is er de “kajavah”, die bestaat uit twee kooien, aan weerszijden van het rijdier hangend; in die soort van kooien is een klein bankje als zitplaats, maar dat komt niet steeds voor. Twee menschen van ongeveer gelijk gewicht moeten aan elken kant plaats nemen, anders is de last niet te overzien. Ik reisde eens met een groote karavaan. In een van de kajavahs zat een regeeringsambtenaar met zijn vrouw. Hij was heel tenger en zij juist het tegenovergestelde, en het gevolg was, dat de kleine man aanhoudend hoog in de lucht wiegde, terwijl de andere zijde van de kajavah haast den grond raakte. Ze beproefden allerlei middelen, om het evenwicht te herstellen, door steenen, die aan den lichten kant werden ingenomen, door zakken met brandstof aan den buitenkant van de kajavah te bevestigen; maar het hielp niet. In wanhoop sprong de vrouw er op het laatst uit, zonder haar man te waarschuwen, en de uitkomst was voor de toeschouwers belachelijk. De vrouw weigerde den heelen dag, weer in de kajavah te gaan en wandelde liever, tot een van de ezeldrijvers haar een zitplaats aanbood boven op de bagage. De kleine man werd spoedig in evenwicht gebracht met steenen, van den wegkant opgeraapt, en reisde het verdere van den dag kalm en ongestoord. Aan het einde wou zijn vrouw echter niet tot hem spreken en geen eten voor hem koken, en de man, die niet op een gewonen Mohammedaan leek in zijn houding, kwam naar mijn man toe en vroeg hem, bemiddelend te willen optreden. In dit geval leek het wel, of man en vrouw van aard hadden geruild, daar de vrouw beslist de baas was, en de arme man scheen zich al bedroefd klein te voelen. Er zijn onder Mohammedanen ook wel vrouwen van een sterken geest.
Ik heb veel gereisd in een van die kajavahs en vond ze prettig en rustig. Mijn man had een voor mij laten maken met zitplaatsen erin en met kussens bekleed; we reisden er altijd mee in Perzië, zoodat ik, als ik vermoeid was van het paardrijden, rust kon nemen. Als ik er geen gebruik van maakte, lieten we onze bedienden erin zitten. Als we bij nacht voorttrokken, heb ik uren aaneen in een van die kajavahs geslapen; de afgemeten en geregelde stap van den muilezel was bevorderlijk voor de dommeligheid. Maar nu en dan kon het wel gebeuren, dat het muildier plotseling op zijn knieën vooroverboog, en dan ging het naar den grond, en ik vloog als een pijl uit den boog uit het vervoermiddel.
En zeer oude brug tusschen Ispahan en de christelijke voorstad Dsjoelfa
Als de reiziger niet van de kajavah houdt, is er nog de “takhtiravan”, een weelderig vervoermiddel, dat in den regel enkel voor invalieden gebruikt wordt of voor voorname mohammedaansche dames. Het is een kast met ramen en deuren, zes of zeven voet breed, vier lang en vijf hoog. Van boven bestaat de overdekking uit zwaar vilt of iets anders, dat zon en regen tegenhoudt naar gelang van het seizoen. Binnenin is een matras met een massa kussens, en het geheel rust op dragers, die tusschen twee muildieren worden gehangen, één vóór en één achter. De beweging doet u aan als die van een rollend schip, en als de inzittende niet tegen zeeziekte beveiligd is, kan men de gewaarwording niet aangenaam noemen. Ik heb eens een week lang met dat vervoermiddel gereisd, en toen we ter plaatse waren aangekomen, was mijn rug hier en daar gekneusd. Voor reizen des nachts is de takhtiravan wel goed; men kan dan liggen en slapen, als de dieren gelijk stappen en de weg goed is. Op een oneffen weg is de beweging niet aangenaam.
Wij hadden eens een week van groote pijniging in een wagen zonder veêren; maar dat was al te vreeselijk. Dat schokken en stooten en de dagelijks grooter wordende hinder! Ik zou die manier van reizen aan niemand aanraden, die een reis naar Perzië gaat ondernemen. Toen we voor het eerst naar het Land van den Leeuw en de Zon gingen, waren er weinig rijtuigen en ten zuiden van Teheran waren ze heel duur. Nu worden ze al meer gebruikt, ten minste tot aan Ispahan toe. Toen wij in 1902 naar Yezd reden, was het in een rijtuig, dat ons welwillend was geleend door een voornamen inboorling uit Kerman. Al verloren we onderweg wel eens een wiel, toch was het een koninklijke manier van reizen, vergelijkenderwijs gesproken. In 1903 reden we van Ispahan naar Teheran in een particulier rijtuig, dat aan een vriend behoorde; zoodat ik nu wel denk, dat men meer per rijtuig in Perzië zal reizen.
Het laatste gedeelte van dien rit naar Teheran heeft een diepen indruk op mij gemaakt. Het was Zaterdag, en wij hoopten ernstig, Teheran dien avond te bereiken, anders zouden we den Zondag moeten slijten in een dorpje dichtbij de stad, daar we niet graag reisden op dien dag. Dus maakten we zooveel mogelijk spoed. De zaak werd er niet beter op, toen het begon te stortregenen, met een druilig regentje den verderen dag. Lang voordat de tocht ten einde was, waren we beiden doornat. De zonsondergang vond ons nog twintig mijlen van Teheran, en daar de paarden vermoeid waren, moesten we wel een poosje stilhouden. Toen we zoowat vijf mijlen van de stad waren, bleek de weg overstroomd, en het was ondoenlijk, te onderscheiden, waar de weg ophield en de slooten aan weerszijde begonnen. Het was pikdonker, en er bleef niets anders over, dan op het instinct der paarden te vertrouwen en hen hun gang te laten gaan. Alles ging goed, tot we reeds de lichten van Teheran zagen. Daar opeens vielen de paarden in de diepe sloot. Een arm paardje, ons eigen, dat we meenamen naar Teheran, om het daar te verkoopen, bleef stil liggen, en we meenden dat het dood was. Ik sprong uit de dogcart en stond in de sloot, bijna tot het middel in het water. De lampen waren uitgegaan, en we waren heelemaal in het donker. Wij riepen en riepen om hulp, maar er kwam niemand, dus wandelden mijn man en ik een eindje op, om hulp te zoeken, en lieten de paarden en den wagen achter in de hoede van den koetsier, die buiten zichzelf was van schrik.
Daar zagen we een klein koffiehuis en vonden een paar mannen bereid, te helpen aan het uit de sloot trekken van de paarden, terwijl wij doorliepen naar de poort en wachtten in de loge van den portier. Na zoowat een uur kwam het rijtuig, en de paarden schenen niet te hebben geleden van het ongeval. Onze goede vrienden van de amerikaansche zending verwachtten ons en hadden voor een warm bad en warm drinken gezorgd, wetend dat, als we dien avond aankwamen, we dat wel noodig zouden hebben. Dank zij hun voorzorg ondervonden we geen nadeelige gevolgen van onze natte, zorgvolle reis.
De perzische tàkhtiravan met het muildier vóór en achter, en de kajavah met de twee kooien aan weerszijden van het rijdier.
De inwoners van Perzië zijn Mohammedanen; dat zijn de tegenwoordige Perzen; Zoroasterianen of Parsi’s, dat zijn de Perzen van gisteren; Armeniërs en Joden. Over de beide eerstgenoemden spreek ik hier niet, omdat wij ze later zullen leeren kennen. Nu even een paar woorden over Armeniërs en Joden. De eerste werden uit Dsjoelfa in Armenië veel jaren geleden aangevoerd door een vroegeren Shah, omdat ze bekwame handwerkslieden waren. Hij gaf hun een voorstad van Ispahan ter bewoning, en al spoedig ontstond er een flinke armenische vestiging. Dsjoelfa in Perzië ligt ongeveer drie mijlen van Ispahan, en daar wonen alle Armeniërs, en tot voor korten tijd hadden de Europeanen daar ook hun huizen, omdat het niet veilig werd geoordeeld, in Ispahan te wonen. Maar dat is in den laatsten tijd veranderd, en de meeste Europeanen hebben nu hun woning in Ispahan.
De Armeniërs zijn knappe werklieden in alle bedrijven. Tot hun schande moet ik echter ook zeggen, dat zij de bereiders zijn van wijn en sterken drank. Een echte Mohammedaan mag geen wijn bereiden of drinken. Door het werk van de Armeniërs komen ze telkens in verzoeking, en er bieden zich tal van gelegenheden aan, om in het geheim te zondigen. Voor hospitaalwerk zijn de Armeniërs zeer geschikt, en er komen ook goede dokters onder hen voor. Mijn man had twee jaren lang een Armeniër tot assistent, die na ons vertrek naar Indië ging en een cursus volgde, en thans een volkomen bevoegd, practiseerend geneesheer is in Indië. Ze hebben fut in zich, om vooruit te komen, en laten zich door hinderpalen niet afschrikken.
Perzische winkels.
De Joden zijn een armoedig, laagstaand volkje in Perzië. Hun lot is hard, daar ze veracht en onderdrukt worden door de Mohammedanen en door allen gehaat en vervloekt worden. Men vindt ze overal, in Ispahan, Yezd, Kerman en veel andere steden. Ik voelde steeds medelijden met die stumpers, als ze naar onze apotheek kwamen; maar gelukkig werkt een afdeeling van de zending onder de Joden in Perzië, die veel doet om hun leven gelukkiger te maken. Na dit vluchtig kijkje moeten we trachten, meer vertrouwd te worden met enkele steden en met de inwoners.
De rijke bedelaar, van wien verteld werd, dat hij ’s avonds zijn lompen aflegde en in rijke gewaden feestvierde.
Bij onze eerste kennismaking met Kerman maakte de stad een schilderachtigen indruk. Wij hadden zoowat drie weken gereisd, en bereikten op Paaschzondag een mooien tuin, een uur of vijf van Kerman verwijderd, waar we voor dien dag besloten te blijven. Vroeg op Maandag vertrokken we voor de laatste etappe van onze reis. Juist toen de zon opging, kwamen we aan den top van een heuvel, en daar lag in de verte de stad, waar onze gedachten zoo lang op gevestigd waren geweest, het doel, dat ons het laatste jaar voor oogen had gestaan en waarvan we hoopten, dat het voor lange jaren ons tehuis zou zijn, wat God echter anders heeft beslist.
Kerman is een belangwekkende, oude stad, die veel lotswisselingen heeft gehad en een bonte geschiedenis. Het is ook een mooie stad, vooral op korten afstand gezien, omringd als het aan drie kanten is door hooge bergen, die een prachtigen achtergrond vormen voor de aan hun voeten liggende stad. Aan de vierde zijde breidt zich de woestijn uit tot Yezd en Ispahan. Het tegenwoordige Kerman is een vesting met ongeveer veertig duizend inwoners. De muur heeft een dozijn poorten, enkele nog bruikbaar, maar andere bijna in puin vallend. Inderdaad zijn de meeste gebouwen in Kerman en ook in het verdere Perzië “kharab shodeh”, dat is, in den toestand van een ruïne. Staan die gebouwen buiten de stad, dan huizen er jakhalzen, hyena’s, uilen en andere vrije dieren in, die de woestijn bewonen. Toen wij in Kerman een huis hadden even buiten de stad, hoorden we altijd het geschreeuw en gehuil van de jakhalzen, en in het begin werden we er bang van, maar op den duur gewende het, en we misten het avondconcert, als we niet in Kerman waren. Soms kwamen de dieren in den nacht wel eens in onzen tuin.
Wat de industrie in Perzië betreft, wil ik alleen een paar fabrieken en industrieën beschrijven, die wij in werking zagen. Het allerinteressantst zijn naar mijn meening de tapijtfabrieken, die men op veel plaatsen vindt. Heel weinig Europeanen leven lang achtereen in Perzië, zonder te worden aangegrepen door de bevlieging voor tapijtwerk. Ze mogen er tegen strijden; ze bezwijken allen vroeger of later!
Typen van perzische joden. De hoofdrabbi van Yezd in het midden.
Als ge een tapijt koopt, is de eerste eisch, dat de kleuren vast zijn. Men doet het onderzoek door den zakdoek nat te maken en het kleed daarmee of met een wit katoenen of linnen lapje te wrijven. Als er maar de geringste kleur afkomt, is het kleed niet goed. Het hangt alles af van den aard en de duurzaamheid van de verf. De oude kleurstoffen, die in het verleden werden gebruikt, waren indigo, meekrap en wingerdbladen. Met die drie ingrediënten waren de oude Perzen in staat, de teêrste en mooiste tinten te scheppen, die alle vast waren. Maar nu worden de anilinekleuren zoo algemeen gebruikt, dat het moeilijk is, een kleed te vinden, waarin alle kleuren permanent zijn. Europeanen worden vaak bedrogen, als ze perzische tapijten koopen; maar met inlanders gebeurt dat zelden. Als een inlander een tapijt koopt, verwacht hij, dat het zijn leven lang zal duren en niet enkel zijn leven, maar ook dat van zijn kinderen, zijn klein- en achterkleinkinderen, en misschien grooter waarde hebben op het eind van die periode, dan op den dag, dat hij het kocht. In den regel komt die verwachting uit.
Als een Pers een nieuw tapijt koopt, is het eerste, wat hij doet, het in de bazars neer te leggen, waar allen er overheen moeten gaan. Hoe vuiler en modderiger de schoenen van de voorbijgangers zijn, des te mooier zal het tapijt later zich voordoen, als ten minste de kleuren echt zijn. Dit moge vooral gelden voor Syrië en Turksch Arabië, ik geloof dat het ook voor Perzië geldt. Ik heb zelf vaak tapijten zien liggen op die manier in de bazars van Damascus, Beiroet, Bagdad en Mosoel. Ik kon er nooit toe komen, onze kleeden ook aan die behandeling te onderwerpen, ofschoon mijn man mij altijd verzekerde, dat het de eenige manier was, om aan de tapijten dien mooien, zijden glans te geven, waar de echte liefhebber zoozeer aan hecht. Natuurlijk blijft die glans in wezen door de inlandsche gewoonte, om de schoenen bij de deur te laten staan. Het voortdurend loopen over de kleeden met bloote voeten of op kousen verhoogt dien glans, terwijl aan den anderen kant onze barbaarsche gewoonte, vuile schoenen te dragen in de kamer, niet goed is voor het tapijt, zoo min als tafels en stoelen verbeteraars zijn van die grondbekleeding.
De rivierbedding, gebruikt als plaats, om gordijnen en stukken katoen te drogen in de zon.
Om een goed beoordeelaar te zijn van een kleed, behoeft men juist geen expert te wezen. Er moet echter op veel dingen worden gelet. Ten eerste de kleuren, zooals wij reeds hebben gezien; dan moet het aantal steken op een inch geteld worden, en het heet, dat een goed tapijt zoo wat tien duizend steken heeft op den vierkanten voet, terwijl enkele van de beste veertig duizend steken hebben op die ruimte. Een ander punt, waarop gelet moet worden, is of de breedte overal gelijk is. Men legt de randen op elkaâr, en als de randen niet samenvallen, is het geen goed tapijt. Verder moet het volkomen vlak op den vloer liggen, anders gaat het binnen korten tijd kreukelen en wordt waardeloos. Mijn man kreeg eens een mooi kermansch tapijt ten geschenke, dat op een waarde van twintig pond sterling werd geschat, en als het vlak op den grond had gelegen, nog veel meer waard zou zijn geweest. Wij hebben het nu aan den wand hangen, en het kreukt niet op die manier.
In Perzië worden de tapijten uit Koerdistan voor de allerbeste gehouden; ze zijn het duurst en kosten omstreeks drie pond sterling de vierkante yard. De grootste bekoorlijkheid ligt in het feit, dat ze aan weerskanten precies gelijk zijn en heel glad en fijn aanvoelen. Daarna volgen die, welke te Kerman zijn gemaakt, waar men niet zelden figuren van menschen en dieren op vindt, soms levensgroot. Tijdens ons verblijf in Kerman bezochten we een paar fabrieken en stelden veel belang in de vervaardiging.
Alle tapijten worden natuurlijk gemaakt zonder eenige machine. De schering loopt gewoon over een raam. De inslag bestaat uit korte draden, doorgestoken en geknoopt met de hand zonder hulp van een spoel. Als een toer is afgewerkt, wordt het met behulp van een kam door de schering heen dicht tegen de rest van het weefsel gedrukt. De wever ziet het patroon niet onder het werken, want hij zit met den verkeerden kant van het weefsel naar zich toe. De weefgetouwen staan meestal in een overwelfd vertrek onder den grond, vaak met een stroompje van water er middendoor. Aan elk getouw zitten drie of vier werkers naar gelang van de grootte van het tapijt. Soms arbeiden één man en twee kinderen samen, en ook komt het voor, dat de eigenaar alleen jongens en meisjes voor het weven gebruikt, terwijl één man toezicht houdt.
Ik zat op een hoog bankje naast een tenger meisje, wier vingers zoo hard werkten, dat ik haar bewegingen nauwelijks kon volgen. De opzichter liep heen en weer in de kamer en riep nu en dan zijn instructies uit. Ik kon er niets van begrijpen; maar de kinderen schenen hem te verstaan. De opzichter had een papier in de hand, waarvan hij voorlas, hoeveel blauwe, witte of groene draden genomen moesten worden, en ieder kind moest de aanwijzingen herhalen. Alles ging met hooge, eentonige stem, zoodat het een oorverdoovend rumoer was, waarin die kleine wevers dag in, dag uit, en week in, week uit, zitten, hard aan den gang gehouden door den onverbiddelijken opzichter.
De kinderen worden al heel jong aangenomen, soms op vijf- of zesjarigen leeftijd. Hun werkuren zijn van zonsopgang tot zonsondergang in den zomer en tot twee of drie uur na zonsondergang in den winter, en in den leertijd en lang daarna krijgen ze geen hooger loon dan een stuiver per dag. Het gevolg van dit afschuwelijke sweating systeem is dat er tegenwoordig honderden kinderen zijn in Kerman, van acht tot negen jaar oud, die al door het verblijf in de donkere, vochtige kelders lijders zijn aan rheumatiek en andere kwalen. Door het zoo lang in één houding zitten, op zoo jeugdigen leeftijd in die vochtige atmosfeer, worden ze ziek; hun handen en voeten worden misvormd en als ze niet langer kunnen verdienen, vermeerderen ze het groote aantal bedelaars, dat de straten en bazars van Kerman bevolkt.
Ik zag eens een klein meisje van omstreeks zeven jaar aan den weg zitten dichtbij ons huis. Toen ik haar vroeg, waarom ze daar heel alleen zat, antwoordde ze: “Moeder zond mij naar het werk in de weverij; maar mijn voeten doen mij zoo’n pijn, dat ik niet loopen kan.” Zij wachtte daar, terwijl een lotgenoote in werk en leed iemand opzocht, om haar vriendinnetje naar de werkzaal te dragen.
Als wij aan het lijden denken van die honderden arme, onschuldige kinderen, breekt ons hart bijna van droefheid. De “Kreet van de kinderen” uit Kerman moet toch wel tot God doordringen, en Hij zal medelijden hebben. En omdat de menschen goedkoope perzische kleedjes willen hebben, moeten deze kleine martelaars bereid zijn, de gelukkige jeugd, hun gezondheid en vaak het leven zelf ten offer te brengen op het altaar der goedkoopheid.
Majoor, nu kolonel Phillott, toen britsch consul te Kerman, was zoo getroffen, toen hij die arme stumpertjes zag, dat hij besloot, zelf een weverij te openen met enkel mannen voor het weven. Hij deed natuurlijk de ervaring op, dat de kosten enorm waren, daar de loonen zooveel meer bedroegen dan voor de kinderen, en dat de mannen ook weigerden, zulke lange werktijden te maken. Zoolang kinderen te krijgen zijn voor haast geen geld, zoolang zullen de wevers hen gebruiken, zich niet bekommerend om hun leed, alleen om geld te maken, dat in Perzië als een god wordt aangebeden.
Opiumbereiding.
Een zachte soort van viltkarpetten worden ook in Perzië gemaakt, vooral in Ispahan en Yezd. Ze heeten namaden en worden van allerlei wol vervaardigd, vooral van kameelhaar. De kleur is lichtbruin en soms is er in het midden een patroon geweven van andere, meestal roode kleur. Enkele van die namaden zijn wel een inch dik en heerlijk zacht, om op te loopen. Ze zijn prachtige onderleggers voor een mooi tapijt. Ook shawlfabrieken heeft Kerman; maar die gaan in aantal hard achteruit. Vijftig toemans of tien pond sterling is er een gewone prijs voor een shawl, die veel gelijkt op de beroemde indische shawls uit Kaschmir. Die doeken worden door den gouverneur als eeregeschenk uitgereikt en worden door iedereen op hoogen prijs gesteld. Zij worden op dezelfde manier geweven als de tapijten en worden vervaardigd van het onderhaar van een witte geit, die alleen in de buurt van Kerman voorkomt.
In Ispahan zagen wij het katoendrukken voor gordijnen, tafelkleeden e. d., die niet duur zijn. De inboorlingen gebruiken de stof ook, om hun dooden in te wikkelen, en voor dat doel worden bepaalde doeken gemaakt met toepasselijke Koranspreuken erop. In den zomer, als de rivierbedding droog is, kan men in Kerman die weefsels in de zon zien liggen drogen, nadat ze geverfd zijn.
De ruimte laat niet toe, nog andere industrieën te bespreken, als het koperwerk van Ispahan, het zilver van Ispahan en Sjiras en het mozaïekwerk, ook uit Sjiras. Maar er is genoeg gezegd, om aan te toonen dat de Perzen een knap en artistiek volk zijn, en dat, in aanmerking genomen de primitiefheid van hun methode en hun gereedschap, de resultaten verrassend mooi en aantrekkelijk zijn.
Ook in den landbouw geschiedt er veel, en de aanvoer van water is daarbij een mild vloeiende bron van krakeel en oneenigheid, waar soms wel eens moorden uit voortvloeien. De arbeiders, die voor de besproeiing van het te veld staande moeten zorgen, hebben lange spaden, om groeven te graven, die het water een weg banen. Bij een twist zijn die spaden een geducht wapen, waar al menig schedel mee is gekloofd.
Als wij door de woestijn reden, zagen we menigmaal een troep van die mannen, die van hun werk kwamen met het lange wapen over den schouder, en in het halfdonker geleken ze een afdeeling soldaten op marsch. Het water wordt dikwijls naar een stad of dorp geleid vanaf de bergen door kanats, dat zijn lange, ondergrondsche kanalen. Kuilen worden gegraven op afstanden van vijf-en-twintig voet, die met elkander worden verbonden door een onderaardsche gang, steeds verder loopend tot de plek is bereikt, waar het water noodig is. Soms zijn die tunnels mijlen lang en daar de opening van elken put omringd is door hoopen aarde, lijkt het, of men een opeenvolging ziet van groote molshoopen, over het land verspreid. Er gaan vaak levens verloren met het maken van die gangen, daar de wanden niet zelden instorten. De loonen zijn bij dit werk zeer hoog, als vergoeding voor het levensgevaar.
Een van de hoofdproducten rondom Ispahan is de papaver. Het is een mooi gezicht, veld naast veld te zien van die prachtige, witte bloemen, soms mijlen en mijlen ver. Hoe treurig te denken, dat zooveel schoonheid tot ellende en zonde en verlaging moet leiden! Als de papavervrucht rijp is, wordt de bol tegen zonsondergang met een soort van kam op drie plaatsen gekerfd, en uit de openingen vloeit de opium. Die wordt dan des morgens vóór zonsopgang ingezameld, wordt gedroogd en uitgerold tot koeken, die klaar zijn voor het gebruik in het land of voor den uitvoer. Men heeft berekend, dat omstreeks 8000 kisten opium, elk met ongeveer tweehonderd koeken, jaarlijks uit Perzië worden uitgevoerd.
Ofschoon het verbouwen van opium diegenen verrijkt, die er onmiddellijk bij betrokken zijn, toch maakt het de streek armer, want de grond, die anders met koren bebouwd zou zijn geworden, wordt nu in gebruik genomen voor de papavers, zoodat het graan duurder wordt.
Er wordt ook veel tabak verbouwd in Perzië, die gebruikt wordt in de “kilian” of waterpijp en voor het rooken van sigaretten. De beste soort groeit in de buurt van Sjiras. De grond is vruchtbaar en met weinig moeite verkrijgt men goede oogsten, als er maar watertoevoer is. Sprekend over het klimaat van Perzië, moet Cyrus hebben gezegd: “De menschen komen om van koude op één punt en stikken van hitte op een ander”, en dit is nog volkomen toepasselijk op het Perzië van heden, want iedere plaats heeft weer een ander klimaat, naarmate van de ligging boven de oppervlakte der zee. Als we aan de Kaspische Zee op perzisch grondgebied komen, zijn we eenige voeten lager dan het zeeniveau, en bij gevolg is het klimaat er vochtig en de plantengroei weelderig. De regenval is in Resjt zoo overvloedig, dat de bronnen vaak overloopen; het regent er dan ook bijna twee derde deelen van het jaar. Daar wij altijd aan Perzië hadden gedacht als aan een zeer droog, verschrompeld land, was onze verbazing groot bij het bereiken van Resjt, de haven aan de Kaspische Zee, waar wij zulke mooie bosschen zagen en bloemen in overvloed, zoowel wilde als gekweekte. Primula’s, anemonen, maagdepalm, cyclamen en veel andere soorten van bloemen, alle bloeiden, toen wij door Resjt reden op onzen weg naar Ispahan. De varens waren ook heel mooi, vooral maidenhair en pteris. Met al die gewone bloemen en planten om ons heen, drong het maar half tot ons door, dat wij niet door een laan in Devonshire reden in Engeland.
Een korsi of verwarmingsmachine, tegelijk voor tafel dienend, waarbij een pan met kolen in een gat in den vloer de warmte geeft.
Maar naarmate wij al hooger en hooger kwamen in het Elboersgebergte, verloren wij dat engelsche type van het landschap. Het klimaat werd droog en warm, en toen we in Teheran waren, was de beschutting van het koele huis onzer amerikaansche vrienden ons zeer welkom. In Teheran is het best uit te houden; de winters zijn prettig koud, en de zomerhitte is niet zóó overweldigend als in andere steden. Daarbij zijn er mooie tuinen in de buurt en parken, en de inwoners brengen dikwijls den zomer buiten door. Voor wie de bergen liefheeft, is er de Demavend, die tot 19400 voet omhoog rijst. Hij draagt niet weinig bij tot de schoonheid van Teheran en is met de eeuwige sneeuw op zijn top een wonder van heerlijkheid in de stralen eener laagstaande zon. Ook als zomertoevlucht is de berg gezocht door wie de hitte wil ontvlieden. Dit is de hoogste berg in Perzië; maar er zijn veel andere van tien tot dertien duizend voet, zoodat men in alle tijden van het jaar wel een koel klimaat kan opzoeken. Als men eenmaal over het Elboersgebergte is gekomen, ligt heel Perzië als een hoog plateau daar, tot we weer kunnen afdalen naar de oevers van de Perzische Golf.
In Ispahan zijn de winters helder en koud, en in den zonneschijn kan men in de meeste wintermaanden buiten zitten; alleen des morgens en des avonds is het er te koud voor. De atmosfeer is hier, als overal in Perzië, heel droog, en de huid splijt soms, niet van de kou, maar van de droogte der lucht. Zij werkt ook op de zenuwen der Europeanen, vooral bij de vrouwen. In den winter verwarmen de inboorlingen zich en hun vertrekken met een “korsi”, dat is letterlijk een stoel. Die korsi geeft warmte met een minimum van kosten. Er wordt een opening gemaakt in den vloer van het vertrek, waar de heele familie woont. In dat gat wordt een steenen of ijzeren vuurpan gezet, vol aangestoken houtskool. Daaroverheen wordt de korsi, een houten geraamte, in grootte afwisselend naar het aantal familieleden, geplaatst en over alles wordt een groote “lahaf” of gewatteerde deken uitgespreid. Rondom de korsi legt men zachte matrassen en kussens, en hier brengt het gezin den tijd door met eten, slapen en praten. De korsi dient als tafel en de lahaf als bedekking bij dag en nacht. Het is een zeer ongezonde methode; maar men is er eenmaal aan gewend, en hoe meer vrienden en betrekkingen ze om de korsi kunnen vereenigen, des te gelukkiger gevoelen de menschen zich.
De zomers zijn warm in Ispahan, maar er zijn veel plaatsen dichtbij, die koel en aangenaam zijn en binnen het bereik van wie door zijn werk in het warme jaargetij in de stad wordt teruggehouden. IJs kan men altijd in overvloed krijgen, al is het niet steeds volmaakt helder. Het kan toch dienen voor het afkoelen van vruchten en dranken. De inlandsche methode om ijs te maken, is nogal knap. Een “yakh khaneh” of ijshuis ligt meestal buiten de stad of bij een stroomend water. Een greppel van een paar voet diep wordt gegraven en een muur van twintig tot veertig voet hoog wordt aan den noord- en den zuidkant opgetrokken, zoodat de greppel voor alle zonnestralen beschut ligt. Zoodra het gaat vriezen, wordt een paar inches water in den greppel gelaten, welk water ’s nachts bevriest, en den volgenden dag laat men meer water binnen, bovenop het ijs. Dit wordt veel dagen achtereen herhaald, tot een ijsmassa van een voet of meer dikte zich heeft gevormd. Die wordt dan opgebroken en weggeborgen in diepe kelders ten gebruike in den zomer. Het werk wordt volgehouden zoolang de vorst aanhoudt, en meestal krijgt men genoeg voor de behoefte der stad in den tijd van de groote hitte. Rijke Perzen hebben hun eigen ijskelders, en er zijn anderen die er hun levensonderhoud mee verdienen. Als er gebrek komt, voordat de hitte voorbij is, wordt er bevroren sneeuw van de bergen gehaald; maar die is zeer duur, omdat ze van zoo ver moet komen.
Poort der moskee van Kerman.
Yezd heeft een veel warmer “heet jaargetij” dan Ispahan; de warmte duurt daarbij langer en is lastiger te verdragen. De huizen zijn echte zomerhuizen. Daar de winters korter zijn en minder streng, wordt er weinig aandacht geschonken aan het gerief dat men in koud weêr niet kan ontberen, en alles is erop aangelegd, de huizen koel en luchtig te houden.
Als een reiziger Yezd nadert, moet hij wel worden getroffen door de vele groote “schoorsteenen”, die uit de stad omhoog rijzen, en hij moet haast denken, dat hij in een drukke fabrieksstad komt en zich afvragen, welke nijverheid wel zou worden beoefend in zulk een zandstad der woestijn. Als hij nauwkeurig toeziet, bespeurt hij echter, dat er geen rook komt uit die schoorsteenen, en dus besluit hij, dat ze voor iets anders dan voor industriëele doeleinden dienen. Wat is dan de bedoeling van al die groote, vierkante, schoorsteenachtige torens, die op de daken van zooveel huizen in Yezd staan? Het zijn luchtkokers, gebouwd in de hoop, dat ze wat koelte zullen aanvoeren in de huizen in den zomer, als de atmosfeer zoo verstikkend is, dat het ademen haast onmogelijk wordt. Windvangers zijn het dus. Er was een hooge op het huis waarin wij in Yezd woonden, en zelfs op de heetste dagen voelde men nog wat lucht van boven komen. Het was zoo ingericht in ons huis, dat, als de luchtstroom naar beneden geleid was door den toren, hij over een waterreservoir streek en dus afgekoeld werd, eer hij door de woning streek. Een andere poging, om de hitte in Yezd te doorstaan, is de gewoonte om het midden van den dag te slijten in kelders onder den grond.
Enkele van die kelders zijn prachtig ingericht, met muren van het beroemde marmer uit Yezd, dat veel op albast gelijkt. Ik herinner mij een van die verblijven van veertig bij dertig voet, heel hoog en van boven verlicht door ramen, gelijkvloersch met den grond. In het midden van het vertrek was een waterbak, waar de Perzen zoo op gesteld zijn, en uit het water rees een fontein, die tot een hoogte van dertig voet kon spuiten. Een groote halve bol was aan de zoldering bevestigd, om het schuim te vangen. Hier hielden de bewoners van het huis hun middagsiësta, en het was er behoorlijk koel, vergeleken bij de bovenwereld. Maar sommige kelders zijn ver van gezond, en als men er overdag slaapt, doet men maar al te licht malaria op of een andere koorts. Als ze droog zijn en goed worden geventileerd, schijnt het geen kwaad te doen, en zeker is een goede kelder een zegen voor Europeanen, als de thermometer boven 110° in de schaduw wijst, terwijl hij in den kelder zelden boven 86 of 90 graden komt.
Schorpioenen, duizendpooten en groote spinnen hebben een best leven in Yezd. Het klimaat doet ze goed, zoodat ze zeer welvarend zijn en het leven in onrustbarende mate genieten. Op een dag doodde mijn man drie schorpioenen binnen het uur, waarvan twee van de vergiftige zwarte soort. Tarantula’s, de groote spinnen, waren er veel in en buiten het huis, en ze schenen het er altijd op gemunt te hebben, bij mij te komen onder het gebed. Het is ver van prettig, een van die schepsels langs je heen te zien glijden met de duidelijke bedoeling, zich onder je rokken te verbergen! Onze kat sprong er dadelijk op toe, als ze een van die tarantula’s zag, alsof ze er onze aandacht op wou vestigen, maar ze hapte ze nooit op.
Van het leven in den kelder gaan we nu over naar het leven op het dak. Dat was vaak het prettigste deel van den dag. Het is aangenaam, als de hitte van den dag voorbij is, daar te liggen kijken naar de sterren, wetend dat diezelfde sterren neerzagen op onze dierbaren in het vaderland. Op het dak te slapen heeft zoowel zijn voor- als zijn nadeelen. Een groot nadeel is, dat de zon je zoo vroeg wakker maakt, en een tweede, dat het zingen en praten op de naburige daken het dikwijls moeilijk maken, rust te vinden. En dan is er nog het zeer ernstige bezwaar, dat de jakhalzen vaak in den nacht op de daken komen, zoekend naar iets, om hun honger te stillen, en als ze niets anders kunnen vinden, wil het wel gebeuren, dat ze slapende kinderen aanvallen. Bij verscheiden gelegenheden werden kleintjes naar ons hospitaal gebracht, gewond en verminkt door de jakhalzen, soms tot onherkenbaar wordens toe. Ik herinner mij een zeer droevig geval van een moeder, die razend was van smart, omdat haar kindje van enkele weken door zoo’n dier bijna was opgegeten.
Het leven op het dak begint even na zonsondergang. Van een hoog punt gezien, is het heel aardig, dat ontwaken van het dakleven te volgen. Vóór en na worden de familiebedden voor den dag gehaald, op het dak uitgespreid of op lage houten banken, en dan gaan de menschen er zitten praten, tot het tijd is voor den avondmaaltijd, die vaak op het dak wordt gebruikt, waarna de familie zich ter ruste begeeft. Een Mohammedaan doet erg zijn best, om te zorgen, dat zijn dak goed beschut is tegen onbescheiden blikken van kijkers, en als hij nog eenig wantrouwen heeft en zich bespied waant, zal hij dadelijk zijn muur laten verhoogen. Daar dat zoo is, zijn de daken meestal omringd door hooge muren, die de lucht beletten, toe te treden en de nachten dus veel minder dragelijk maken.
Het klimaat van Kerman is bijna volmaakt voor wie eraan gewend is. Daar de stad ongeveer 6500 voet boven de zee is gelegen en aan alle kanten door bergen en woestijnen is omgeven, waait er een verfrisschende koelte. Men behoeft in Kerman niet over dag in kelders te kruipen of ’s nachts op het dak zijn toevlucht te zoeken. Het kan haast nergens beter zijn uit het oogpunt van lucht en weersgesteldheid. De winters zijn heerlijk, helder en koud, met altijd het gezicht op met sneeuw bekleede bergen. Een paar zomermaanden lang is het er wel warm, als vliegen en muggen iemand haast dol maken; maar het is meestal wel mogelijk, voor een paar weken weg te gaan, en voor ’t overige deel van het jaar is het klimaat al wat men wenschen kan. En toch, al lijkt het vreemd, Europeanen vonden het hier altijd moeilijk zich te schikken.
Onze zendingspost had in ’t begin allerlei lotswisselingen, door den minder gunstigen gezondheidstoestand van de zendelingen. De eerste, die het werk er opnam, was een Mr. Carless, een dominee uit Engeland. Hij ging erheen als een jonge man in de kracht der jeugd, en na drie jaar, toen hij de liefde en de bewondering had gewonnen, zoowel van Mohammedanen als van Parsi’s, legden ze hem in een eenzaam graf in de woestijn in een dal tusschen heuvels. Na korten tijd werd zijn arbeid opgenomen door een Mr. en Mrs. Blankett, maar de laatste kon slechts enkele maanden blijven; toen moest ze naar Engeland terug met geknakte gezondheid. Toen werd mijn man aangewezen voor de opening van een medischen zendingspost daar. Ongelukkig moesten ook wij, vóór een jaar om was, vertrekken, en wel om mijn gezondheid.
Tijdens ons verblijf daar kwam een engelsch ingenieur, om naar artesische putten te boren. Na twee of drie maanden kreeg hij koorts en stierf bij ons in huis. Ook hij rust op dat kalme plekje tusschen de bergen naast den heer Carless. Toen wij vertrokken, werd een andere dokter aangesteld, om de plaats van mijn man in te nemen; maar hij bleef zelfs nog korter in Kerman dan wij. En zoo leek het wel, of het werk daar niet zou lukken. Doch eindelijk is er aan het hoofdstuk van rampen een eind gekomen, want onze zendelingen hebben er nu drie à vier jaar met succes gewerkt. Allen zijn het erover eens, dat het klimaat heel gezond is, als de menschen, die er wonen, maar een gezond hart hebben.
In een klimaat als dat van Perzië is het noodig, dat men een deel van den warmen tijd naar buiten gaat. Er zijn gelukkig geschikte plaatsen in de buurt van alle groote steden, en dus is het niet moeilijk, er voor enkele weken uit te breken. De moeite is maar, die plaatsen te bereiken en je hebben en houden erheen over te brengen, al beperkt men zich daarin tot het strikt noodzakelijke.
Wanneer men het besluit tot op reis gaan heeft genomen, bepaalt men den dag van vertrek. Dat lijkt zoo lastig niet. Ja, ge kunt gemakkelijk zeggen: “Dien en dien dag zullen we gaan,” maar dan rekent ge misschien buiten uw muilezeldrijver om. Op den bepaalden morgen gaat ge vroeg opstaan, ziet na, of alles klaar is en wacht erop, dat de lastdieren zullen komen. De tijd verstrijkt; het wordt warm en geen spoor van de ezels of de geleiders is te zien. Dan stuurt ge een bediende op onderzoek uit, en hij brengt den drijver mee, die vriendelijk glimlachend zegt: “Evsha’ allah farda (morgen, zoo God wil), zullen wij op reis gaan.” Zijn muildieren zijn naar een dorp in de buurt en zullen terug zijn “evsha’ allah farda.” We kunnen er ons op voorbereiden, dat hetzelfde zich den volgenden dag herhaalt. Het is altijd “farda” met die menschen, dus moeten we onze ziel in lijdzaamheid bezitten en het beste hopen. Perzen hebben nooit haast en kunnen niet begrijpen, waarom het eenig verschil zou maken of we vandaag gaan of morgen. O, die eindelooze farda’s! Wat verveelden ze ons, toen we een tijdje in het land waren. Maar het is goed om geduld te leeren en hoe gauwer ge die les goed hebt geleerd, des te gelukkiger zult ge u in het Oosten voelen.
Zich voorbereiden voor een uitstapje, is in Perzië heel wat anders dan thuis zich klaarmaken voor het strand of waar ook. Alles moet worden meegenomen, potten en pannen, tafels, stoelen, bedden en beddegoed, eenvoudig alles, wat noodig is voor een verblijf van vier of vijf weken in een huis, waar niets aanwezig is dan de kale muren. Het is wonderlijk, hoeveel dingen noodig zijn voor een kort verblijf, al legt men het nog zoo eenvoudig aan.
De inboorlingen zijn erg bijgeloovig, als ze op reis gaan. Het is bijvoorbeeld in hun oogen een ramp, als men verder moet gaan, wanneer één van ’t gezelschap bij ongeluk niest even vóór het vertrek. Dan willen ze dat liever uitstellen tot een betere gelegenheid, om het kwade voorteeken niet te trotseeren. Ik hoorde van een man, die in zoo’n geval erop aandrong, de reis te vervolgen, met het gevolg, dat hij van zijn muildier viel en zijn been brak! Ook zorgen de Perzen er altijd voor, als ze op reis gaan, een goeden voorraad kleine koperen munt bij zich te hebben, om die aan de bedelaars te geven. Wanneer wij uitgingen, gaven de bedienden altijd gul aan de armen in de buurt, om zegen te krijgen op onzen tocht, en ze vergaten nooit, ons het bedrag in rekening te brengen!