Een rondreizend kok, bezig kabobs te bereiden, soort van croquetjes van fijngehakt vleesch.

Een rondreizend kok, bezig kabobs te bereiden, soort van croquetjes van fijngehakt vleesch.

Op den vastgestelden dag kwamen de beide mannen terug, om de uitspraak van den wijzen mollah te vernemen. Hij ontving hen vriendelijk, maar bedroefd, en verzekerde hen, dat het niet het minste verschil maakte, of ze onder de ladder doorliepen of niet.

“Want,” zei de oude, “als het geschreven staat, dat gij door een vallende ladder om zult komen, zal dat gebeuren; ge kunt er niet aan ontkomen. Wat Allah besloten heeft, moet vervuld worden. Zijn plannen kunnen niet tegengehouden worden.”

Die leer, die den ouden mollah door middel van zijn droom was voorgehouden, staat zeer sterk in den geest van alle tegenwoordige Mohammedanen.

Toen we in Perzië woonden, hadden we een indischen bediende, die Mohammedaan was. Hij vertelde ons, dat drie nachten achtereen Onze Heer hem in den droom was verschenen in de gedaante van een ouden man met een langen, witten baard. Hij was zoo getroffen door den herhaalden terugkeer van dien droom, dat hij naar een engelschen geestelijke ging en vroeg, of hij onderwijs mocht ontvangen in den christelijken godsdienst.

De vrouwen in Mosoel hebben mij dikwijls verhalen gedaan van wonderbaarlijke dingen, die mij zouden overkomen, omdat zij ze in droomen hadden aanschouwd. Zelfs nu nog krijg ik vaak brieven van enkele dier vrouwen, waarin ze zeggen, dat ze mij zoo dikwijls in haar droomen zien.

De eerste vrouwelijke inwonende patiënten in ons zoogenaamd hospitaal moesten zich behelpen in een soort van buitenloods. Wij konden niet anders voor haar vinden als vrouwenverblijf dan een groote ruimte, waar hout werd bewaard. Mijn man had er witkalk op de muren laten aanbrengen en alles was flink schoongemaakt en ontsmet. De eerste vrouw, die er werd geïnstalleerd, was een heel rustige, zachte Mohammedaansche, die geopereerd moest worden. Haar moeder was meegekomen, en ze waren alleen in de niet al te geriefelijke ruimte.

Twee of drie dagen na de operatie verklaarden die vrouwen, dat in den nacht een groote gedaante, die er als een dragonder uitzag, van den grond was opgerezen naast de zieke. En een paar weken later werd een klein joodsch meisje in die zaal opgenomen, een kind, dat zich ernstig gebrand had, terwijl haar moeder en haar grootmoeder op haar pasten. Er waren toen nog twee of drie andere vrouwen in de zaal. Op een morgen heel vroeg kwam men ons berichten, dat alle bewoonsters van de bedoelde ruimte er verschrikt waren geworden in den nacht. Toen we erheen gingen, om te zien, wat gebeurd was, vonden wij ze allen in de gang liggen, terwijl ze het beddegoed erheen mee hadden genomen. Ze zagen er ongelukkig en verschrikt uit en verzochten, het hospitaal onmiddellijk te mogen verlaten, daar ze niet nog weer een nacht op die verschrikkelijke plek wilden doorbrengen. Daarna begonnen ze allen hun ervaringen mee te deelen, allen tegelijk, zoodat het voor ons heel moeilijk was, gewaar te worden, wat er precies was gebeurd.

Het schijnt, dat kort na middernacht ze nog met elkander aan het praten waren, toen ze plotseling twee soldaten zagen zitten op randen van haar bedden. Ten hoogste verschrikt, vroegen ze de mannen, hoe ter wereld ze daar kwamen, en of ze niet wisten, dat dit een harem of vrouwenverblijf was. Eerst antwoordden de soldaten niet, maar later vertelden ze aan de vrouwen, dat ze gekomen waren uit een dorp op twaalf mijlen afstands. Dat hun in een droom was verteld, hoe ze hadden te gaan naar het huis van den “beit hakeem Engelisi,” het huis van den engelschen dokter. Gehoorzamend aan dat bevel waren ze gekomen. Toen waren ze verdwenen even plotseling, als ze waren gekomen. De vrouwen waren zeer angstig, terwijl enkelen geloofden, dat het echte soldaten waren, en anderen, dat het geesten waren in de gedaante van soldaten. Ze hadden terstond de kamer verlaten, hadden haar beddegoed meegenomen en brachten het overige deel van den nacht in vrees en beven door. Den volgenden morgen werd het dak nauwkeurig onderzocht, om te zien, of op eenige manier soldaten op ons erf hadden kunnen komen. We bevonden, dat in het naaste huis het hoofd van de soldaten woonde, en het kon wezen, dat enkele van de wachthebbende soldaten over de muren waren geklommen en den weg hadden gevonden naar ons huis.

Een christelijk bruidje in Mosoel.

Een christelijk bruidje in Mosoel.

Er werd intusschen nooit iets bewezen; maar niemand was er weêr toe te bewegen, die kamer te betrekken, want de vrouwen beweerden, dat er booze geesten huisden. Ten slotte maakten we er een kippenhok van; maar de kippen en kalkoenen werden alle ziek en stierven, zoodat er waarschijnlijk iets niet in orde was met de lucht in dat vertrek. Zoo was onze eerste proef met een vrouwenzaal mislukt; maar er is toch iets goeds uit die mislukking voortgevloeid. Daar de vrouwen de spookzaal niet wilden gebruiken, moest er wat anders worden gezocht, en wij gaven ons huis haar ten gebruike, terwijl wij in het daarnaast gelegen trokken, dat grooter was. De kamer, waar noch menschen, noch dieren het konden uithouden, werd nu als houtschuur gebruikt.


Op een woestijnreis kan licht de verveling u overvallen, wanneer iederen dag volkomen gelijk is aan den anderen, en elk voorval, dat dan van het gewone afwijkt, wordt als een welkome afwisseling beschouwd. Eens gedurende onze middagrust naast een pas verlaten arabisch kamp hoorden we janken, en rondkijkend, vonden we een klein hondje van misschien een paar dagen oud. Dat hondje gaf ons wel een week lang afleiding; we koesterden het in flanel, zetten het in de zon, om wat warmte te wekken in het rillende lichaampje, en hadden eindelijk de voldoening, dat het piepen ophield, toen het diertje warm werd. We onderhielden het leven in het beestje nog verscheiden dagen, maar daar er haast geen melk in de woestijn is te krijgen, was het onmogelijk voor de goede voeding te zorgen.

Op een avond kwamen we aan een arabisch kamp en dachten, dat het verstandiger zou zijn, het arme hondje bij een van de Arabieren achter te laten, want er wordt van de Arabieren gezegd, dat ze veel van honden houden. Dus haalden we onzen bediende over, het hondje mee te nemen en naar een van de tenten te brengen. Hij deed het met tegenzin en dacht, dat hij wel kon worden doodgeschoten, omdat hij in donker naderde. Maar hij sloop toch voorzichtig naar het kamp en wist het hondje binnen een van de tenten te leggen. Terstond riep de eigenaar, wie daar was; maar Aboo, onze bediende vluchtte weg, zonder te antwoorden. Wij hoorden den Arabier vloeken, en toen hij het arme hondje zag, nam hij het op en wierp het naar buiten in de woestijn. We konden het stumpertje hooren piepen en klagen, en mijn man ging erheen en zag het liggen op een vuilnishoop. Hij bracht het weer in onze tent en wij probeerden weer, het te warmen en te koesteren. Den volgenden dag evenwel was het kleine levensvonkje gebluscht. Zoo eindigde de korte geschiedenis van dien kleinen, verlaten zwerveling in een droevig treurspel, en mijn man nam den treurigen plicht op zich, het lijkje aan het diepe water van de rivier toe te vertrouwen.

Zulke kleine episoden breken de eentonigheid, maar er zijn ook andere ervaringen. Ons was vaak voorgehouden, dat het reizen door de woestijn gevaarlijk was, maar wij hadden aan den kreet van “De Wolf, de wolf!” gedacht en begonnen al te denken, dat de veelbesproken roovers in de woestijn alleen in de verbeelding van de menschen bestonden. Spoedig echter zouden we het anders leeren.

Eens reisden we van Mosoel naar Aleppo en hadden bijna onze bestemming bereikt, toen we de volgende ervaring opdeden. Toen we eens aan het eind van onze etappe waren, kampeerden we slechts een steenworp van de Euphraat af, even buiten het stadje Beridjik. Onze tent was opgeslagen onder een mooien boom, waarlangs een helder riviertje stroomde, dat op weg was van de bergen naar den grooten stroom. Wij vonden het een ideale kampplaats, en er waren blijkbaar ook anderen, die er zoo over dachten, maar van een ander standpunt. Rondom ons heen waren blijken te zien van de werkzaamheid der dorpelingen in den vorm van groote hoopen pas geoogst graan, die op den tijd van het dorschen wachtten. Voordat we ter ruste gingen, wandelden we langs de rivier en langs het koren, waar we twee mannen ontdekten, die op het veld zaten en ons den avondgroet brachten, toen wij passeerden. Wij hechtten niet aan het voorval, daar de dorpelingen wel eens bewakers aanstellen voor den oogst, tot die veilig binnen is.

Dus, ons toevertrouwend aan de zorg van Hem, die nooit sluimert of slaapt, trokken we ons in onze tent terug, hopende door een goede nachtrust ons voor te bereiden voor de reis van den volgenden dag. Onze ideale kampplaats had één groot gebrek, dat men aantreft overal, waar in de velden schapen en geiten grazen, want die “pelgrims van de woestijn” hebben er een handje van, om ’s nachts rond te loopen, en dien nacht waren ze bijzonder levendig. Ze stieten tegen de palen van de tent en hielden mij lang wakker. Mijn veldbed schudde soms en deed mij schrikken, en eens kwam ik tot het besluit, dat onze ezel was losgeraakt van zijn touw en ons een vriendschappelijk bezoek trachtte te brengen. Denkend, dat hij de schuldige was, keerde ik mij om en was al gauw weer in slaap, tot ik weer wakker werd met dezelfde gewaarwording. Nu was ik klaar wakker en liet in hetzelfde oogenblik het schijnsel van mijn electrisch lantaarntje door de tent spelen, juist tijdig genoeg, om een man haastig onze tent te zien verlaten. Ik maakte mijn man wakker en vertelde, wat er gebeurd was. Hij snelde onmiddellijk naar buiten en maakte alarm. Ongelukkig was het een zeer donkere nacht, en men kon geen voet van zich af zien, zoodat de roovers een mooie gelegenheid hadden, om te ontsnappen. Onze tent was een eindje van het dorp verwijderd, dus keerde mijn man terug naar de tent, om wat kleêren aan te trekken, voordat hij naar den hoofdman in het dorp ging, van wien altijd verondersteld wordt, dat hij voor de veiligheid van de vreemdelingen instaat. Toen mijn man naar zijn kleêren zocht, was al, wat hij kon vinden, één schoen, en de dieven hadden alles uit de tent weggehaald, zelfs tandenborstels. En niet alleen hadden ze de tent leeggehaald, maar een buiten staande kist werd ook geplunderd en een groot valies eveneens. Waren ze daarmee tevreden geweest, dan zouden wij niets hebben geweten van den diefstal vóór den morgen; maar hun begeerte naar het tapijt op den grond van de tent had mij gewekt. Intusschen zagen we nu wel in, dat er niets kon worden gedaan, eer het licht was en we gingen weer rusten.

Zoodra de morgenstond was aangebroken, reden enkele leden van de karavaan weg in verschillende richtingen om te zien, of ze eenig spoor van dieven konden vinden; maar natuurlijk waren die al lang verdwenen in de duisternis. Toch bracht het zoekende gezelschap eenige kleedingstukken mee, die de dieven onderweg hadden verloren, toen er alarm werd gemaakt. Ons gewapend geleide, een soldaat uit Beridjik, werd naar het stadje gezonden, om de regeeringsambtenaren te verwittigen van den diefstal. Al spoedig reed de gouverneur van de plaats uit met zes of zeven andere ambtenaren, allen blijkbaar zeer angstig, dat ze in ongenade zouden vallen, omdat ze niet hadden verhinderd, dat er schade werd toegebracht aan een europeesche karavaan. Het eerste, wat de gouverneur deed, was te zenden om den hoofdman van het dorp, die gekneveld en geslagen werd. Het deed mij innig leed om den man, die luide schreeuwde bij de stokslagen.

Daarna gingen allen naar de naburige dorpen en brachten dien heelen dag en den volgenden door met zoeken naar dieven, elken dag tegen zonsondergang terugkeerend en het onderzoek hernieuwend den volgenden morgen. Mijn man ging den eersten dag mee en werd getroffen door het gedrag van de dorpelingen bij het bezoek van de autoriteiten. Er waren dorpen, waar ze niet anders aantroffen dan de vrouwen, daar alle mannen gevlucht waren op het bericht, dat soldaten in aantocht waren. Ze vonden een massa andere gestolen goederen begraven in den grond bij en in de hutten, maar niets, dat ons behoorde. In een der dorpen fluisterde een man den soldaten in, dat hij wist, waar de gestolen goederen waren. Toen men hem beval, den weg erheen te wijzen, bracht hij allen op een groot veld, waar een paar honderd groote graanhoopen stonden en zei, dat de goederen in een van die hoopen waren verborgen. Hij zal wel veel genoegen van zijn grap hebben beleefd, want nadat ze een massa van die hoopen ondersteboven hadden gehaald in de brandende zon, gaven de soldaten het op als hopeloos. Daar er niets werd gevonden, moesten wij onze reis vervolgen en redden ons zoo goed mogelijk, tot we Aleppo bereikten, waar het ontbrekende kon worden gekocht. De roep van ons avontuur ging ons voor naar Jeruzalem, waar we een paar maanden later hoorden, hoe er een overdreven verhaal de ronde deed van ons wedervaren.

Portret van eenige christenvrouwen.

Portret van eenige christenvrouwen.

Mijn man ging terstond naar onzen consul bij aankomst in Aleppo en vertelde de zaak. Gelukkig was de heer Longworth een energiek en doortastend man, die op de regeeringsambtenaren grooten invloed had. Hij verzocht ons, een opgaaf te schrijven van wat we hadden verloren en stelde die den wali ter hand, terwijl hij ons verzekerde, dat hij de regeering zou dwingen, vergoeding te geven of de verdwenen goederen terug te leveren. Na een half jaar werkens en schrijvens zond de heer Longworth mijn man een telegram met het bericht, dat een afdoende schadevergoeding gegeven was. Wij waren onzen consul zeer dankbaar voor al het werk, dat hij in dezen had verricht met zoo goeden uitslag.

De beide mannen, die wij in het koren hadden zien zitten, waren waarschijnlijk gehuurd met het doel, ons te bestelen; maar de ware schuldige werd later gezocht onder de autoriteiten van Beridjik; er werd ons namelijk bericht, dat hij een lid van den “gemeenteraad” van het stadje was. Hij was zeker begeerig, om voor zichzelven en zijn harem wat europeesche kleedingstukken te krijgen, zonder die te moeten koopen.

Een ander gevaar, dat ons in Mosoel dreigde en nog al goed afliep, ontstond, doordien de wali na een bevel uit Konstantinopel beproefde, alle vrouwen in Mosoel te registreeren; hij moest een lijst opmaken van de vrouwen, die zich in ieder huis bevonden. Mohammedanen en Christenen kwamen allen in opstand tegen dien maatregel, daar het tegen alle wetten van God en van Mohammed scheen te strijden, zooiets te doen. De heele stad was in opstand; de winkels werden gesloten, er werden geen zaken gedaan in de soeks, en de menschen schoolden overal samen onder booze gesprekken en ernstige bedreigingen. Die toestand hield wel vijf dagen aan; zoo iets was nooit vroeger voorgekomen.

De Christenen begonnen bang te worden voor hun veiligheid, daar er gezegd was, dat, als de wali niet toegaf aan het eind van den vijfden dag, een algemeene moord op de Christenen zou plaats hebben. Het fransche klooster werd door soldaten bewaakt; onze agent telegrafeerde aan den consul generaal te Bagdad om ook zulk een bewaking voor het engelsche; maar het bleek gelukkig niet noodig. Als mijn man te huis was, voelde ik mij niet zenuwachtig; maar als hij bij avond naar een patiënt werd geroepen, zat ik in angst tot hij terugkwam. Wij hoorden overal in het rond geweervuur en pistoolschoten.

Op den avond van den vijfden dag trok de gouverneur zijn order in, om de namen der vrouwen op te schrijven, en alles werd weer rustig, ten minste naar het uiterlijk.

Want er bleef nog een heelen tijd een onbestemde angst, daar er in die week verscheiden moorden plaats hadden. Wij zaten op een avond aan den maaltijd, toen onze bediende naar binnen vloog in groote opwinding en zei, dat zijn broeder in de soek of bazar was doodgestoken en dat men het lijk naar ons erf had gebracht. Mijn man ging dadelijk naar buiten en vond den jongen man met een wond in de dij. Was de stoot wat hooger aangekomen, dan zou het geval zeer ernstig zijn geweest; maar nu bleek het een niet gevaarlijke wonde en met een week rust was de jonge man genezen. Daoed, zoo heette het slachtoffer, begreep niets van den aanval, want, voor zoo ver hij wist, had hij geen vijanden. Hij was vroeger een jaar bediende in ons hospitaal geweest en was een stille, bescheiden jongen.

Jaloezie en particuliere grieven worden vaak uitgemaakt door de revolver. Nog pas werd een armenische dokter aangevallen, toen hij naar huis reed van een ziekenbezoek. Hij reed onder een donkere poort door en hoorde opeens de kogels suizen, bemerkende, dat hijzelf tot doelwit diende. Zijn paard kreeg zware wonden en zal waarschijnlijk niet herstellen; maar gelukkig kwam hijzelf er met een paar lichte schrammen af. Hij schrijft den aanval toe aan grieven, die zijn collega’s tegen hem hebben.

Broodbakken. Het deeg wordt al dunner en dunner uitgerold.

Broodbakken. Het deeg wordt al dunner en dunner uitgerold.

Er woont in Mosoel een armenische vrouw, wier man een dokter was, bekend om een speciale operatie. Toen hij overleed, dacht zijn weduwe, dat ze zijn zaak wel kon opvatten, daar ze hem dikwijls had geholpen in zijn praktijk. Dus werd ze een van de vele kwakzalvers in Mosoel. Veel van haar operaties gelukten best; maar de uitslag van een veel grooter aantal bleef in het duister. Haar prijzen waren enorm; onverschillig, hoe arm haar patiënten waren, ze deed niets, als er niet een zeer hooge betaling voorafging. Op die manier werd ze rijk; maar nadat er een europeesche dokter kwam, werd haar inkomen minder. Ze zal na ons vertrek uit Mosoel haar winstgevende praktijk wel hebben hervat, want we hoorden niet lang geleden, dat ze op straat onder dolksteken was vermoord.

Berooving komt veel voor in Mosoel, en eens hadden we een schrik, toen op een avond, dat we rustig onder de veranda zaten, een vrouw uit het vrouwenhospitaal kwam aanloopen en zei, dat er drie mannen op het dak waren. We liepen allen naar buiten, gewapend met wat we maar konden vinden; maar er was geen spoor van de mannen te zien. Een van onze bedienden klom boven op den muur, die tusschen ons huis en dat van onze buurman was en liet het licht van een lantaarn overal schijnen, om den dief te ontdekken. Daar hoorden we verschrikte stemmen: “Wie is daar? Waarom hebt ge dat licht in de hand?” en de lantaarndrager zag tot zijn niet geringen schrik, dat hij bezig was, den harem van onzen naasten buurman in het licht te zetten. Hij kwam veel vlugger naar beneden, dan hij naar boven was geklauterd, daar hij doodsbang was, doodgeschoten te worden door den verwoeden eigenaar.

In den regel is het dieven alleen de moeite waard, goud te stelen. Zilver wordt van niet veel waarde geacht in Mosoel. Zoowel de inboorlingen als de Christenen en vooral de Joden zorgen goud in huis te hebben, maar leven daardoor altijd in angst voor dieven. Elke vrouw, behalve de allerarmste, heeft bij haar huwelijk gouden sieraden voor haar hoofd, gouden kettingen voor haar hals, een gouden gordel voor haar middel, gouden banden voor haar armen en ook voor haar enkels. Die “schatten” zijn haar alles waard, en als ze bestolen worden, zijn ze radeloos. Moeten wij geen medelijden hebben met zooveel armoede van geest?


1 Tekst en illustraties ontleend aan M. E. Hume-Griffith, »Behind the veil in Persia and Turkish Arabia.” London, Seeley & Co.