Vorkstaart (Enicurus Leschenaultii). ⅔ v. d. ware grootte.

Vorkstaart (Enicurus Leschenaultii). ⅔ v. d. ware grootte.

Men heeft den Graspieper in de geheele noordelijke helft van Europa en in het grootste deel van Noord-Azië broedend waargenomen en gedurende den winter in Zuid-Europa, Zuidwest-Azië en Noord-Afrika gezien. In ons land wordt hij zeer veelvuldig op weilanden en geestgronden, in moerassen, op heidevelden en ook in de duinen aangetroffen. Hij komt hier, zoodra de sneeuw smelt, gewoonlijk reeds in het begin van Maart, op zijn laatst omstreeks het midden van April en blijft hier tot in November, soms zelfs tot in December. Hij trekt dan naar ’t zuiden in groote zwermen, niet zelden met de Akkerleeuweriken en reist over dag zoowel als ’s nachts.—In den regel beweegt hij zich op den grond, maar zet zich ook dikwijls op kleine hoogten op hekken, of zelfs op takken van struiken neder. Van tijd tot tijd verneemt men zijn lokstem, die als “piep piep” klinkt. In het voorjaar vliegt het mannetje met tusschenpoozen regelrecht omhoog, schiet daarop schielijk weer naar de laagte en laat gedurende dit bedrijf zijn eenvoudigen, tamelijk zachten, maar niet onaangenamen zang hooren. Zijn nest staat op den grond en bevat 5 of 6 grijs- of geelachtig witte, aschgrauw en grijsbruin gevlekte en gemarmerde eieren.

In een groote kooi kan men den Graspieper zeer goed in ’t leven houden; hij wordt zeer tam en zingt tamelijk vlijtig.

De Boompieper (Anthus trivialis)7, gelijkt veel op den Graspieper, maar is iets grooter (lengte van ’t geheele lichaam 17, van den staart 6½ cM), zijn snavel is dikker, de loop krachtiger, de nagel van den achterteen korter en meer gekromd. De bovendeelen zijn op geelachtig bruingrijzen of vuil olijfgroenen grond overlangs gevlekt met donkerder strepen; de onderrug en de staartwortel zijn bijna effenkleurig; een streep boven de oogen, de gordel, de krop, de zijden van de borst, de schenkels en de onderdekveeren van den staart zijn bleek roestgeel, de krop, de bovenborst en de zijden met zwarte overlangsche vlekken: de strepen over de vleugels en de zoomen der schouderveeren zijn lichter van kleur dan bij den Graspieper. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet roodachtig.

In den zomer bewoont de Boompieper de bosschen van Europa en Siberië, in den winter de steppenwouden van Afrika en van de laagste gedeelten van het Himalaja-gebied. Als broedplaats maakt hij gebruik van open plekken in het woud, van plaatsen, die schraal bezet zijn met kreupelhout, van versche houtkappingen en andere weinig begroeide gedeelten van bosschen, ook van die, welke ieder jaar overstroomd worden. In Nederland broedt hij in boschjes op droge gronden, b. v. op de heidevelden onzer grensprovinciën. In Midden-Duitschland komen deze Vogels veelvuldig voor en neemt hun aantal, hier en daar ten koste van dat der Boomleeuweriken, aanmerkelijk toe. De gewoonten van den Boompieper herinneren in vele opzichten aan die van den Graspieper; hij houdt zich echter niet zooveel op den bodem op als deze, maar zit gaarne in boomen. Zijn gezang is fraaier en aangenamer dan dat van zijne verwanten; het is krachtig en liefelijk, gelijkt eenigszins op den slag van den Kanarievogel en onderscheidt zich door volheid en helderheid van toon, door de afwisseling en menigvuldigheid der melodieën.

Het nest wordt gebouwd in het gras, tusschen heidestruiken of onder allerlei planten. Het bevat 4 of 5 grijs-, blauw- of roodachtig witte eieren, die met donkerbruine marmervlekken bedekt zijn.

De Boompieper kan gemakkelijk in de kooi leven; hij wordt zeer tam en verschaft genoegen door de sierlijkheid zijner bewegingen en door zijn uitmuntend gezang.

De Waterpieper (Anthus aquaticus) is van boven donker olijfkleurig grijs, met uitvloeiende, zwartachtig grijze, overlangsche vlekken geteekend, van onderen vuil- of grijsachtig wit, in vleeschkleur overgaande, aan de zijden van de borst donker olijfbruin gevlekt; achter het oog loopt een lichtgrijze streep; over de vleugels strekken zich twee lichtgrijze banden uit. De beide buitenste veeren van den bruinzwarten staart zijn aan den top en aan de buitenzijde wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de spits van den ondersnavel geelachtig, de voet donkerbruin. De lengte van ’t lichaam bedraagt 18, die van den staart 7 cM.

Boompieper (Anthus trivialis). ⅔ v. d. ware grootte.

Boompieper (Anthus trivialis). ⅔ v. d. ware grootte.

Terwijl de andere soorten van Piepers een bepaalde voorliefde toonen voor de vlakte en slechts hier en daar bergstreken bewonen, behoort de Waterpieper uitsluitend in ’t gebergte thuis. Hij bewoont in grooten getale den gordel van het kniehout in de Alpen, de Karpathen, het Schwarzwald, de Hartz en het Reuzengebergte en daalt alleen gedurende den trek in de vlakten af. In Zwitserland is hij een van de algemeenste Alpenvogels; het Reuzengebergte wordt door duizenden van deze Vogels bewoond. Op de Alpen hebben zij bij het broeden, volgens Tschudi, dikwijls zeer van het ruwe lenteweer te lijden. “In vele jaren bedekt een late sneeuwvlaag het nestje met de eieren en verdrijft het broedende wijfje; niet zelden wordt dit ook zelfs onder de sneeuw bedolven en gedood; dikwijls wordt het gedwongen nogmaals een nest te bouwen.”

Bij den Duinpieper (Anthus campestris) is de bovenzijde licht geelachtig grijs met onduidelijke, donkere, dun gezaaide vlekken, de onderzijde dof geelachtig wit, aan den krop met eenige donkere schaftstrepen geteekend; boven het oog loopt een licht geelachtige streep; de vleugel vertoont twee geelachtig witte banden. Lichaamslengte als bij de vorige soort, de staart iets korter.

Het verbreidingsgebied van den Duinpieper omvat, met uitzondering van de noordelijkste gedeelten van het toendragebied en van Groot-Brittannië, geheel Europa, Middel- en Zuid-Azië en Noord-Afrika, met inbegrip van de Kanarische Eilanden. Hij geeft aan dorre, steenachtige, op woestijnen gelijkende gewesten de voorkeur boven alle andere en komt daarom ’t zuiden van Europa veel talrijker voor dan in het Noorden. In Nederland broedt hij in de zeeduinen. In Duitschland is hij in sommige oorden niet zeldzaam, in andere wordt hij slechts bij uitzondering aangetroffen; in vruchtbare streken ontbreekt hij geheel. Zijn verblijf bij ons duurt van April tot September. In Zuid-Europa komt hij iets vroeger en vertrekt later.

Door zijne bewegingen herinnert de Duinpieper zoowel aan de Leeuweriken als aan de Kwikstaarten. In nagenoeg horizontale houding, dikwijls met den staart wippend en zooveel mogelijk zich verschuilend, loopt hij over den grond, beklimt van tijd tot tijd een hooger gelegen voorwerp, rust eenige oogenblikken, kijkt met eenigszins omhoog gericht lichaam rond en zet daarna zijn wandeling voort. Bij ’t vliegen beschrijft hij een sterk gebogen kronkellijn. Zijn stem staat achter bij die der overige Piepers. De loktoon is “diellem” of “dlemm”; teedere aandoeningen geeft hij te kennen door de klanken “krietlien tsierloeï” en “tsiuur”, die tevens de hoofdbestanddeelen uitmaken van zijn buitengewoon eenvoudig gezang.

Gedurende den broedtijd maakt ieder paar aanspraak op een tamelijk groot gebied en bewaakt dit ijverzuchtig. Het mannetje vertoont zich dan zeer gaarne op een vrije plaats, zet zich op een hoogen steen, op een uitstekende rotspunt, op muren, zandheuvels enz. of op een struik, zelfs op de onderste takken van boomen, stijgt in scheeve richting in de lucht omhoog, begint op een hoogte van 30 à 50 M. te trillen en te schommelen, vliegt onregelmatig heen en weer en laat intusschen herhaaldelijk zijn “tsierloeï” hooren.

De Oeverpieper (Anthus rupestris) verschilt van den Waterpieper, dien hij in Skandinavië, Denemarken en Groot-Brittannië vervangt, door de eenigszins donkerder kleur der bovendeelen, die met een groenachtig olijfbruine waas overtogen zijn, door de minder duidelijke vleeschkleur van de onderzijde en door de bruinwitte kleur van de vlek aan ’t einde der buitenste stuurpennen. Hij verlaat in October of November zijne broedplaatsen aan de rotsachtige kusten der Noordzee en trekt, terwijl hij zijne winterkwartieren opzoekt, ook door Nederland, waar men in de genoemde maanden enkele exemplaren van deze soort hun voedsel ziet zoeken tusschen de steenen en palen der zeeweringen van de Zuiderzee-kust en op het Noordzee-strand. Soms blijft hij hier gedurende den geheelen winter. In Maart, als hij naar ’t noorden terugkeert, treft men hem soms bij onze binnenwateren aan.

1) Groote Pieper (Anthus Richardii), 2) Waterpieper (Anthus aquaticus), 3) Duinpieper (Anthus campestris). ⅔ v. d. ware grootte.

1) Groote Pieper (Anthus Richardii), 2) Waterpieper (Anthus aquaticus), 3) Duinpieper (Anthus campestris). ⅔ v. d. ware grootte.

Om in het noordwesten van Afrika den winter door te brengen, trekken in den herfst een aantal exemplaren van een aan den Duinpieper verwante soort—den Grooten Pieper (Anthus Richardii)—door het noorden van Duitschland, door Nederland, België, het westen van Frankrijk en door Spanje en Portugal. Bij ons treft men hem meestal in ’t midden van October aan. Hij is de grootste van alle bij ons en in Duitschland voorkomende Piepers (lengte van het geheele lichaam 20, van den staart 8 cM.) en van den Duinpieper gemakkelijk te onderscheiden door de groote lengte van den bijna rechten nagel van den achterteen. Bovendien is hij donkerder van kleur: De bovendeelen zijn geelachtig grijs, op de kruin en den rug met bruinzwarte, breede, op den staartwortel met langwerpige vlekken geteekend; de onderzijde is geelachtig wit en heeft op de borst scherpe, bruine schaftvlekken; de buitenste stuurpen is wit met grijsbruinen binnenkant; de tweede stuurpen heeft een witten buitenrand en een witachtige, wigvormige vlek op de binnenvlag.

Het vaderland van den Grooten Pieper is het steppengebied van Oost-Azië, met inbegrip van het noorden van China. Tegen den winter trekt hij naar ’t zuiden en verschijnt dan in ’t zuiden van China en in geheel Indië. Hij trekt echter ook in westelijke richting en doet dan dikwijls (misschien wel ieder jaar) alle tot Duitschland behoorende Noordzee-eilanden, Denemarken, het zuiden van Zweden, Groot-Brittannië en de hierboven genoemde kustlanden aan.


Een tweede onderfamilie—die der Woudzangers in engeren zin (Sylvicolinae)—omvat een 120-tal soorten, welker vertegenwoordigers Noord-Amerika bewonen, op den trek Middel-Amerika en West-Indië bezoeken, maar hun reis in den regel niet ver over den keerkring uitstrekken. Hun snavel is in den regel een slanke, zijdelings eenigszins samengedrukten kegel, zelden onder en boven een weinig gebogen. In grootte en lichaamsverhoudingen komen zij met onze Grasmusschen overeen, ook hun levenswijze gelijkt in hoofdzaken op die van onze Zangers.

Van dezen groep vermelden wij alleen den Groenen Woudzanger (Sylvicola virens), wiens bovendeelen geelgroenachtig zijn, de zijden van kop en hals grootendeels hooggeel, de kin, de keel en de krop zwart, de overige onderdeelen wit met breede, zwarte strepen aan de zijden; de onderbuik en de stuit zijn geel, de slagpennen en de staartveeren bruinzwart; twee witte dwarsbanden versieren den vleugel. Hij bewoont het grootste deel van de Oostelijke Vereenigde Staten en begeeft zich tegen den winter naar Middel-Amerika en West-Indië. Evenals de meeste soorten van zijn geslacht houdt hij zich na zijn terugkomst uit de winterkwartieren bij voorkeur in de kroon van hooge boomen op en bevolkt dan zoowel het stille woud als de tuinen of plantsoenen in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen. Eerst in ’t voorjaar, waarschijnlijk zelden voor ’t midden van Mei, komt hij op zijne broedplaatsen aan; hij blijft hier echter tot laat in ’t najaar en onderneemt, althans in de noordelijkste gewesten van zijn verbreidingsgebied, na den aanvang van den herfst meer of minder uitgestrekte zwerftochten. Deze voeren enkele exemplaren zelfs naar de overzijde van den Oceaan; een dier van deze soort werd in October 1858 op Helgoland geschoten.


De Tangaren of Tanagra’s (Thraupinae), die de derde onderfamilie van de familie der Woudzangers vormen, zijn zoo groot als of iets grooter dan onze Musch. Haar snavel is zeer verschillend, steeds echter kegelvormig met flauw gebogen rug; de voeten hebben een korten loop en slanke teenen; de vleugels en de staart zijn middelmatig lang. Haar vederenkleed is tamelijk hard, bont en schel van kleur, meestal blauw, groen, rood met zwart en wit gemengd; dit geldt echter in den regel alleen voor de mannetjes; de kleur van het wijfje is steeds doffer en minder in ’t oog vallend.

Met uitzondering van 4 soorten, die in Noord-Amerika thuis behooren, bewonen alle Tangaren, ongeveer 300 soorten, Zuid-Amerika. Bij voorkeur houden zij zich in bosschen op, eenige soorten op de hoogste boomen, andere in lage struiken. In de onmiddellijke nabijheid van den mensch zoeken zij zelden een woonplaats; wel richten zij soms groote schade aan in de plantages, waarin zij bij zwermen neerstrijken. In het stille woud bekoren zij den natuuronderzoeker door hare reeds van verre in ’t oog vallende, schitterende kleuren; zij zijn een prachtig sieraad van de boomen. De kleurenpracht is echter haar eenige aantrekkelijkheid, want zij zijn stil en vervelend van aard. De gave van het gezang missen zij nagenoeg geheel; hoogstens brengen zij eenige weinige, ternauwernood samenhangende tonen voort. Naar men zegt, komt echter bij enkele een zacht gezang voor.

Haar voedsel is van verschillenden aard; naar het schijnt, vormen bessen of andere weeke, sappige, zoete en melige vruchten van geringe grootte de hoofdbestanddeelen van haar maal. Vele eten bovendien ook Insecten; enkele geslachten gebruiken, evenals de leden van de volgende familie, uitsluitend zaden.

Slechts weinige soorten van deze onderfamilie worden in de kooi gehouden; geen enkele verdient door hare gave de genegenheid van den mensch.

*

Twee soorten van het geslacht der Tangaren in engeren zin (Thraupis) zullen wij als vertegenwoordigers van de onderfamilie beschrijven.

De karmijn-tangara, de Flaxbird (Vlasvogel) der Amerikanen (Thraupis rubra), is de veelvuldigst voorkomende, meest verbreide en daarom meest bekende soort van het geheele geslacht. Haar lengte bedraagt 17 cM. Het bruiloftskleed van het mannetje is vurig karmijnrood, met uitzondering van de zwarte vleugels, waarvan de pennen aan de binnenzijde een witten zoom hebben, de eveneens zwarte stuurpennen en schenkelveeren, benevens de witte middelste en onderste vleugeldekveeren. Kort na den broedtijd legt het mannetje zijn prachtkleed af en tooit zich met de eenvoudige kleuren van het wijfje, dat aan de bovenzijde geelachtig groen, aan de onderzijde groenachtig geel is.

De Vuurroode Tangara (Thraupis aestiva) is 19 cM. lang en dus een weinig grooter dan de vorige soort. De veeren van de onderdeelen zijn vuurrood, die van de bovendeelen donkerder purper-rozerood; de bruine slagpennen en stuurpennen hebben rozeroode buiten- en bruinachtig witte binnenzoomen. Het wijfje is olijfgroen, op den kop en den hals met bruinachtig waas, van onderen geel, langs het midden van de borst en van het onderlijf met groenachtig waas.

In levenswijze komen deze Tangaren overeen. Zij bewonen de indrukwekkende wouden van Amerika, die zoo rijk zijn aan boomen van verschillende soorten; zij leven hier stil en teruggetrokken, meestal bij paren. Gewoonlijk ziet men ze boven op de toppen der boomen. Niet zelden komen zij in de nabijheid van de woningen der planters; zelfs dringen zij in de tuinen door, in den regel als ongenoode gasten, die van de bessen en andere vruchten, o. a. van de zaaddoozen van het vlas (vandaar haar naam) tienden heffen. Hoewel zij nergens veelvuldig zijn, treft men ze overal aan: de Vuurroode Tangara is door geheel Amerika bekend. Zij wordt ook wel Summer-red-bird (Zomerroodvogel) genoemd, omdat haar verblijf in de Vereenigde Staten slechts ongeveer vier maanden duurt, n.l. van Mei tot omstreeks het midden van September.

Wilson deelt een merkwaardig staaltje mede van de liefde dezer Vogels voor hun kroost: “Eens ving ik,” zegt hij, “een jonge Karmijn-tangara, die slechts weinige dagen geleden het nest verlaten had. Ik droeg haar een halve mijl ver mede, sloot haar op in een kooi en hing deze in den tuin, niet ver van het nest van een Baltimore-vogel, waarin, zooals ik zeker wist, jongen waren; ik hoopte, dat de eigenaars van dit nest ook voor de jonge vreemdelinge zouden zorgen. De arme wees werd echter in weerwil van haar jammerlijk geschreeuw, geheel verwaarloosd. Daar zij van mij geen voedsel wilde aannemen, was ik van plan haar terug te brengen naar de plaats, vanwaar zij kwam. Dit bleek onnoodig te zijn, want tegen den avond zag ik een Karmijn-tangara, ongetwijfeld een van de ouders van de gevangene, rondom de kooi vliegen en pogingen doen om er in door te dringen. Bemerkende dat dit niet mogelijk was, vloog zij weg, maar keerde weldra met voedsel in den snavel terug. Tot na zonsondergang vloog zij af en aan en ging vervolgens zitten op een hoogeren tak van denzelfden boom. Met het aanbreken van den dag zag ik haar het werk van den vorigen dag hervatten en hiermede voortgaan tot aan den avond, in weerwil van de vijandige stemming der Baltimore-vogels. Op den 3en en 4en dag stelde zij opnieuw pogingen in ’t werk om haar jong te bevrijden en trachtte zij door geluiden, die angst en teederheid verraadden, haar kind te bewegen naar buiten te komen. Dit was te veel voor den waarnemer: de gevangene werd bevrijd en vloog onmiddellijk naar haar trouwe soortgenoote, die haar onder luide vreugdekreten medenam naar het woud!”

Guttarama (Euphonia violacea). Ware grootte.

Guttarama (Euphonia violacea). Ware grootte.

In de kooi kan men deze Tangara’s met zaden en vruchten in ’t leven houden; de eigenaar beleeft echter niet veel genoegen aan haar: zij zijn te stil en te rustig en haar gezang is te onbeduidend, dan dat de mensch voor haar groote belangstelling kan gevoelen.

Een tweede geslacht van de Tangaren omvat de Organisten (Euphonia). Het zijn tamelijk kleine, dikkoppige Vogels; hun dikke snavel is in de nabijheid van de spits aan den zijrand van den bovensnavel fijn getand, aan den wortel breed en tevens hoog, naar voren meer zijdelings samengedrukt; de randen van de mondspleet zijn niet gezwollen, maar ingetrokken. De vleugels zijn kort, de drie eerste slagpennen van gelijke lengte. De staart is zeer klein: kort, en uit smalle veeren samengesteld. De veeren van den rug zijn bij het mannetje grootendeels blauw of groen met metaalachtigen glans, bij het wijfje altijd olijfgroen; de gele of bleekgroene kleur van hare onderdeelen is gewoonlijk sprekender dan die van de bovenzijde. Een hoogst opmerkelijke eigenaardigheid van deze Vogels komt bij hun ontleding aan het licht. Zij hebben n.l. geen eigenlijke maag; aan ’t einde van den slokdarm komt eenvoudig een spoelvormige, op een krop gelijkende verwijding voor.

De Organisten leven volgens Burmeister eenzaam in het dichte woud, voeden zich met kleine, veelzadige bessen, hebben een aangename, zeer klankvolle stem “met echte octaafmodulaties”, die zij dikwijls laten hooren; zij nestelen in de dichte struiken en leggen zeer langwerpige eieren, die op bleekroodachtige grond aan het stompe einde roodbruin gestippeld zijn.

Het zal voldoende zijn een enkele soort van dit geslacht, n.l. de in Brazilië en Guyana veelvuldig voorkomende Guttarama (Euphonia violacea), te beschrijven. Zij is 10 cM. lang. Bij het mannetje zijn de voorkop en de onderzijde dooiergeel; de bovenzijde, bij den voorkop te beginnen, is violetachtig metaalglanzig blauw; de vleugeldekveeren en de randen der slagpennen, die bij den wortel aan de binnenzijde wit gezoomd zijn, vertoonen een metaalachtig groenen glans. De staartveeren zijn van boven blauwachtig groen met metaalglans, van onderen zwart; de binnenvlag van de beide buitenste paren stuurpennen is wit. Het wijfje is dof olijfgroen van boven, geelachtig grijs van onderen; de slagpennen en de staartveeren zijn grijsbruin.

Hoewel de Guttarama dikwijls in een kooi wordt gehouden, zijn de berichten over haar levenswijze zeer onvolledig: zij is zeer lief, levendig en beweeglijk van aard, huppelt behendig in de kronen der boomen rond, vliegt snel en laat dikwijls haar korten, klankvollen loktoon weerklinken. Haar voedsel bestaat uit velerlei vruchten; tuinen, die sinaasappels, bananen en guayaven voortbrengen, worden vaak door haar geplunderd. Van de overige Tangaren onderscheiden de Organisten zich niet alleen door hun beweeglijkheid, maar ook door hun aardig gezang, dat uit een reeks van kort afgebroken tonen bestaat, die door spinnende en ratelende geluiden aaneen verbonden zijn; het wordt tamelijk zacht, maar vlijtig voorgedragen en maakt een aangenamen indruk.


Ter eere van onzen Vink draagt een vogelgroep, die ongeveer 600 soorten omvat en over alle werelddeelen (Australië alleen uitgezonderd) verbreid is, den naam van familie der Vinken (Fringillidae). De snavel van deze Muschvogel is kegelvormig, verschillend van dikte, aan den wortel met een meer of minder duidelijk uitpuilenden rand voorzien; de bovensnavel is een weinig langer dan de ondersnavel en steekt met zijn fijne, benedenwaarts gebogen spits of “haak” vóór dezen uit; bij enkele vormen zijn boven- en ondersnavel gekruist; de zijranden zijn tot aan den mondhoek eenigszins binnenwaarts gebogen. De voet is middelmatig lang en heeft meestal tamelijk korte teenen, die doorgaans met zwakke nagels gewapend zijn; de loop is van achteren met een onverdeelde hoornplaat bekleed. Het handgedeelte van den vleugel bestaat steeds uit negen slagpennen; de vleugel zelf is verschillend van lengte, de staart hoogstens middelmatig lang; het vederkleed is, behoudens eenige weinige uitzonderingen, dicht en tegen het lichaam aangedrukt. Tusschen mannetjes, wijfjes en jongen bestaat meestal een aanmerkelijk kleurverschil, soms is het zeer gering.

Binnen de hierboven genoemde grenzen, bewonen de Vinken alle breedte- en hoogtegordels, alle oorden, hoe uiteenloopend hun gesteldheid ook zij, van de zeekust tot op de hoogste bergtoppen, eenzame eilanden niet minder dan volkrijke steden, de woestijn zoowel als het woud, kale rotsen zoowel als alle denkbare groepeeringen van planten. Vele in ’t noorden levende soorten zijn trekvogels; die, welke in de zuidelijke gewesten van den gematigden gordel en in de keerkringslanden broeden, zijn zonder uitzondering standvogels. Er zijn echter onder de Vinken ook Vogels, die gedurende den zomer in ijskoude streken nestelen en hun voedsel vinden; vele verlaten hun geboortegrond niet, hoe streng de winter er moge zijn. De trekkende soorten komen in hun vaderland terug, als de sneeuw smelt en verlaten het eerst, als de winter er zijn intocht houdt.

Alle Vinken behooren tot de meest begaafde Muschvogels, al wordt ook van eenige door het volk het tegendeel beweerd. Zij loopen (of liever huppelen) zeer behendig en vliegen goed. Het gezang van de meeste is aangenaam, van enkele zelfs uitmuntend; hunne zintuigen zijn goed ontwikkeld, hunne geestvermogens minstens even volkomen als die van de meeste overige Muschvogels; hierdoor zijn zij in staat om partij te trekken van de hulpmiddelen der meest verschillende oorden. De meeste zijn gezellig, hoewel vele niet anders dan in den herfst en in den winter vreedzaam bijeenleven, op de broedplaatsen daarentegen voortdurend met elkander strijd voeren. Zaden van de meest verschillende planten, in het midden van den zomer ook Insecten, maken hun voedsel uit; de laatstgenoemde zijn het voornaamste voedsel van de jongen; beide soorten van voedingsmiddelen zijn in den regel in overvloed voorhanden; in tijden van gebrek worden de Vogels door den gemeenschappelijken nood vereenigd. Bijna alle soorten besteden veel zorg aan de samenstelling der nesten, voor welker bouw zij verschillende plantaardige en dierlijke stoffen gebruiken; deze nesten zijn dikwandig, in- en uitwendig sierlijk van vorm en met zachte stoffen netjes gevoerd. De meeste broeden ieder jaar tweemaal, enkele driemaal, op 5 tot 8 eieren; deze zijn op lichteren grond met donkerder vlekken of streepjes voorzien. Door de talrijke nakomelingschap, die zij grootbrengen, worden de groote verliezen, die allerlei roofdieren hun toebrengen, vergoed. Ook de mensch behandelt de Vinken soms als vijanden wegens de rooverijen, die zij op akkers, in tuinen en in boomgaarden plegen. Over ’t algemeen echter mag hij hen wel lijden; trouwens, slechts bij uitzondering en gedurende een korten tijd brengen zij schade te weeg. Daarentegen bewijzen zij hem door het dooden van Insecten belangrijke diensten, waarbij nog komt, dat zij door hunne werkzaamheden leven brengen in zijn omgeving en door hun aangenaam gezang zijn gehoor streelen. Daar zij geen hooge eischen stellen en gemakkelijk getemd kunnen worden, zijn zij beter dan de meeste andere leden hunner orde voor kamervogels geschikt. Eén soort, de algemeen bekende Kanarievogel, is zelfs geheel en al een huisdier geworden. Over de geheele wereld verbreid, vervroolijkt hij door zijn liefelijk gezang het eenzame blokhuis van den landverhuizer zoowel als het dakkamertje van den werkman onzer steden.

Wij verdeelen deze familie in vier onderfamiliën; de eerste is die der Echte Vinken (Fringillinae).

*

De Musschen (Passer) zijn krachtig gebouwde Vinken met korten romp, middelmatig langen, dikken, eenigszins knotsvormigen snavel, stevige pooten, stompe vleugels, van welker handpennen de tweede, derde en vierde de spits vormen, korten of hoogstens middelmatig langen, aan ’t einde bijna niet uitgeranden staart en een goed gevuld vederenkleed.

De bij ons meest bekende soort van dit geslacht is de Huismusch of Mus, ook wel Straat-, Steen- of Potmus en (in ’t Friesch) Mosk genoemd (Passer domesticus). De veeren van den voorkop en van het midden van de kruin zijn bruinachtig grijs met wegsmeltenden, roodbruinen zoom aan den top; de nek en een breede streep, die zich van het oog over de slapen en de zijden van den hals tot in den nek uitstrekt, zijn kastanjebruin, de mantel en de schouder lichter, maar met breede, zwarte, overlangsche strepen geteekend; een vlekje aan den achterrand van het oog, de wangen, de oorstreek en het voorste gedeelte van de zijden van den hals zijn wit; de teugel, de rand van het oog en de mondhoekstreek alsmede een groote schildvormige vlek, die de kin, de keel en de kropstreek bedekt, zijn zwart, de overige onderdeelen wit, aan de zijden aschgrauwachtig, de slagpennen zwartbruin, aan de buitenzijde met roestbruinen zoom, de bovenste dekveeren van den vleugel kastanjebruin, die van de grootste reeks aan den wortel zwart, aan het einde wit, waardoor op den vleugel een dwarsband ontstaat, de staartveeren eindelijk donkerbruin. Het oog is bruin, de snavel zwart, in den winter lichtgrijs met donkere spits, de poot bruinachtig geel. Bij het wijfje zijn de bovendeelen roestkleurig vaalbruin, op den mantel met zwarte overlangsche streepjes; een streep, die van den rand van het oog over de slapen naar beneden loopt, is roestgeelachtig wit; de wangen, de zijden van den hals en de onderdeelen zijn grijsbruinachtig, de kin, de borst, het midden van den buik en de aarsstreek lichter van kleur, meer vuilwit, de onderdekveeren van den staart vaal roestbruinachtig. De snavel is bruinachtig. De lengte bedraagt met 3.7 cM. langen staart 16 cM.

1) Rotsmusch (Passer petronius), 2) Halsbandmusch (Passer hispaniolensis), 3) Ringmusch (Passer montanus), 4) Huismusch (Passer domesticus). ½ v. d. ware grootte.

1) Rotsmusch (Passer petronius), 2) Halsbandmusch (Passer hispaniolensis), 3) Ringmusch (Passer montanus), 4) Huismusch (Passer domesticus). ½ v. d. ware grootte.

Ook de Huismusch is volgens W. Marshall een “volger der beschaving”. “De populairste van alle in Duitschland in ’t wild levende Vogels,” schrijft deze geleerde, “is slechts sedert betrekkelijk korten tijd een bewoner van ons vaderland. Het bestaan van de Huismusch is bijna in dezelfde mate van den graanbouw afhankelijk als dat van den Hamster: In Siberië verscheen zij voor ’t eerst in de vorige eeuw, nadat de Russen er de teelt van granen hadden ingevoerd; in Noorwegen reikt haar verbreidingsgebied tot den 66en breedtegraad, waar ook de grens van het verbouwen der veldvruchten gelegen is; in Archangel komt zij nog niet voor; eerst in deze eeuw begon zij zich te vestigen in eenige dorpen van het Thuringerwoud, in sommige is zij ook thans nog niet inheemsch; evenzoo is het gesteld op de Hebriden; in 1864 had zij nog niet alle hooggelegen buurtschappen van het Schwarzwald bereikt. Volkomen waar is het, wat M’Gillivray zegt: Een stadje zonder Musschen maakt een even treurigen indruk als een huis zonder kinderen; vele Musschen in een dorp zijn een bewijs van de welvaart der bewoners, want overal waar weinig te bikken is, valt ook weinig te bedelen.

“Aan den overkant van de Alpen komen eenige rassen van de Huismusch voor, die meer of minder van den stamvorm en van elkander verschillen; hun onderscheiding berust evenwel slechts op het sterker op den voorgrond treden van sommige eigenaardigheden van de kleursverdeeling bij de mannetjes (de wijfjes vertoonen deze afwijkingen niet) en gedeeltelijk op eenigszins gewijzigde gewoonten. De beide voornaamste van deze rassen, n.l. de Spaansche Musch of Halsbandmusch en de Italiaansche Musch, heeft men tot soorten verheven en de verbreiding van deze beide geeft aanleiding tot merkwaardige beschouwingen.

“De Spaansche Musch bewoont van Syrië af de kustlanden ten zuiden van de Middellandsche Zee, Egypte en geheel Noord-Afrika, gaat van hier over naar Spanje, Sicilië en Sardinië, maar niet op het vastland van Italië. Deze zonderlinge verbreiding kan misschien op de volgende wijze verklaard worden: de graangewassen, vooral de tarwe, zijn waarschijnlijk afkomstig uit het westen van Middel-Azië, waar mogelijkerwijze ook de stamvorm van de Huismusch ontstaan is. De graanbouw breidde zich tegelijk met den mensch of iets later dan hij, westwaarts uit: vooreerst naar de oude kultuurlanden van Noord-Afrika, van hier werd hij waarschijnlijk door de Phenicische volken naar het Iberische schiereiland en naar Sicilië en Sardinië overgebracht. Deze oudste verbreidingsweg van de teelt der graangewassen werd waarschijnlijk in overouden tijd gevolgd door de Musch, die, in nieuwe omstandigheden verkeerend en nagenoeg buitengesloten van de vermenging met den stamvorm, de “Spaansche Musch” werd. Veel later in het gevolg van de Grieksch-Italiaansche volken, werd de teelt van de granen overgebracht naar het oostelijkste en het middelste van de Zuid-Europeesche schiereilanden; met haar kwam de “Italiaansche Huismusch”, die ook Klein-Azië, Sicilië en Provence aan haar verbreidingsgebied toevoegde en in de beide laatstgenoemde landen de Spaansche Musch ontmoette. Ook zij heeft in den loop der tijden kenmerken verkregen, waardoor zij van den stamvorm verschilt; deze afwijking is echter op lange na niet zoo ver voortgeschreden als die, welke zijn meer zuidwestwaarts wonende verwante in een veel langduriger tijdperk onderging. Een derde verbreidingsweg naar het westen vond de Musch veel later met de akkerbouwende volken, die zich vestigden in het deel van Europa, dat ten noorden van de Alpen gelegen is; onze Musschen kwamen het laatst in Europa en gelijken nog volkomen op den stamvorm; deze bewoont dus het ontzaglijk groote gebied, dat van Noord-Indië af zich uitstrekt over geheel Azië en Europa aan deze zijde van de Alpen, zoover het graan verbouwd wordt. Hierbij zijn buiten rekening gelaten Zuid-Indië en Ceylon, waar de Huismusch waarschijnlijk, Java, Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika, waar zij stellig door onmiddellijke tusschenkomst van den mensch werd ingevoerd.”

Een eigenaardigheid van de Musch is, dat zij overal, waar zij voorkomt, in innige gemeenschap leeft met den mensch. Zij bewoont de drukke hoofdstad zoowel als het eenzame dorp, voor zoover het door koornakkers omgeven is, ontbreekt slechts in enkele dorpen van het woud, volgt den steeds verder doordringenden kolonist door alle landen van Azië, waar zij vroeger niet voorkwam, vestigt zich, door schepen overgebracht, op eilanden, waar zij voorheen onbekend was, en blijft op de puinhoopen van verwoeste dorpen en steden achter als een levende getuige van gelukkiger dagen. Standvogel in den volsten zin van het woord, verwijdert zij zich nagenoeg niet van het rechtsgebied der stad of van de grens der landerijen van het dorp, waar zij geboren werd, neemt echter onmiddellijk een pas gesticht dorp of een nieuw huis in bezit en onderneemt soms ontdekkingsreizen naar gewesten, die buiten haar verbreidingskring gelegen zijn. Zoo ziet men aan het Varangerfjord bijna ieder jaar paren Musschen verschijnen, die het gewest doorkruisen, alle woningen bezoeken, maar spoorloos weer verdwijnen, omdat zij het land niet voor haar geschikt achtten. Wegens haar zeer gezelligen aard, leven zij alleen gedurende den broedtijd bij paren, en hebben ook dan alle betrekkingen met hare stamgenooten niet afgebroken. Dikwijls broedt het eene paar dicht bij het andere; de mannetjes, hoe ijverzuchtig zij overigens ook zijn, zoeken, zelfs wanneer het wijfje op de eieren zit te broeden, altijd het gezelschap van soortgenooten op. De jongen vereenigen zich onmiddellijk nadat zij uitgevlogen zijn, tot troepen, die weldra tot zwermen aangroeien. Zoodra de ouden van ’t broeden af zijn, voegen ook zij zich bij deze vluchten en deelen met de overige leden van het gezelschap vreugde en leed. Zoo lang er graan op de akkers te vinden is, of zelfs zoolang het buiten groen is, vliegen de zwermen alle dagen of vaker nog van het dorp naar de velden om voedsel te zoeken; na ieder uitstapje keeren zij naar het dorp terug. Hier houden zij middagrust in de dichte kronen der boomen of liever nog in de omheiningen; hier verzamelen zij zich ’s avonds onder groot geschreeuw, gestoei en getwist, aanvankelijk op dicht bebladerde boomen, later in schuren, bergplaatsen en andere gebouwen, welke plaatsen haar huisvesting gedurende den nacht moeten verschaffen. In den winter maken zij echte bedden voor zich gereed, zacht en warm gevoerde nesten namelijk, waarin zij kruipen om zich tegen de koude te beveiligen. Met hetzelfde doel kiezen andere Musschen schoorsteenen tot nachtkwartier, zonder zich er over te bekommeren, dat de rook hare veeren met roet bevuilt en zwart maakt.

Hoe plomp de Musch bij den eersten aanblik ook moge schijnen, toch is zij zeer begaafd. Haar wijze van huppelen is log, maar toch tamelijk vlug; zij vliegt met inspanning, waarbij hare vleugelslagen een gonzend geluid maken, in den regel volgens een zwak gekromde booglijn, over een grooten afstand bijna rechtuit; voordat zij zich nederzet, blijft zij een oogenblik zweven; hoewel zij veel houdt van hooggelegen zitplaatsen, stijgt zij niet graag ver omhoog; ondanks haar schijnbare onbeholpenheid weet zij zich uitmuntend te redden. Daar hare geestvermogens goed ontwikkeld zijn, heeft zij zich langzamerhand een bekendheid met den mensch en zijne gewoonten eigen gemaakt, die verbazing wekt en iederen scherpzinnigen waarnemer veel genoegen kan verschaffen. Overal en in alle omstandigheden regelt zij haar doen en laten zoo nauwkeurig mogelijk naar den aard van den persoon, bij wien zij haar kost wint. Zij gedraagt zich daarom in de stad geheel anders dan in het dorp, is gemeenzaam en zelfs indringerig daar, waar zij ontzien wordt, maar buitengewoon voorzichtig en schuw en evenals altijd listig overal, waar zij vervolging te verduren heeft. Haar scherpen blik ontgaat niets, wat haar voordeel, niets, wat haar nadeel zou kunnen brengen; van jaar tot jaar wordt de schat harer ervaringen rijker, zoodat er tusschen ouden en jongen een soortgelijk verschil valt op te merken als tusschen wijzen en dwazen. Evenals zij tot den mensch in een min of meer vriendschappelijke betrekking treedt, zoo ook tot andere wezens; zij vertrouwt of wantrouwt den Hond, dringt zich op aan het Paard, waarschuwt hare soortgenooten en andere Vogels tegen de Kat, steelt den Hoenderen het voer voor den snavel weg, zonder zich te bekommeren over de haar bedreigende beten, eet, wanneer het haar toegestaan wordt, met de meest verschillende dieren uit één schotel. Ondanks haar gezelligen aard ligt zij toch voortdurend overhoop met andere Musschen, die hetzelfde verlangen koesteren. In één opzicht echter kan deze overigens zoo aantrekkelijke Vogel ons niet behagen. Hij is een onuitstaanbare babbelaar en een erbarmelijk zanger. Zijne loktonen—“sjiel sjelm piep”—hoort men tot vervelens toe; wanneer de Musschen zich tot een talrijk gezelschap vereenigd hebben, wordt haar gemeenschappelijk geroep van “tell tell sielb dell dieb sjielk” volkomen onverdragelijk. Hoewel het mannetje ook nog een zacht “duurr” en “die” laat hooren, om de teedere gevoelens, die hem bezielen, aan zijn wijfje kenbaar te maken, kan zijn gezang, waarvan deze geluiden, nevens de vroeger genoemde, het hoofdbestanddeel vormen, onze goedkeuring niet verwerven; het hevig ratelende waarschuwend sein (“terr”) en de angstkreet bij plotseling opkomend gevaar (“tell derer tell tell tell”) doen het oor zelfs pijnlijk aan. Toch schreeuwt, kijft en zingt de Musch zoo ijverig, alsof zij met de stem van een Nachtegaal begaafd is; reeds in het nest tsjilpen de jongen.

Daar de Musch door haar betrekking tot den mensch haar oorspronkelijk lot belangrijk verbeterd en zich een bestaan verzekerd heeft, begint zij reeds vroeg in ’t jaar met den bouw van haar nest en broedt in den loop van den zomer minstens drie-, zoo niet viermaal. Het nest wordt meestal in hiervoor geschikte holen van gebouwen, maar, in verband met de gesteldheid van de woonplaats, ook in gaten van boomen, in zwaluwennesten, in den onderbouw van ooievaarsnesten en eindelijk meer of minder in de twijgen van lage struiken of hooge boomen aangelegd. De samenstelling van het nest verschilt in verband met zijn standplaats; altijd echter is het slordig gebouwd, zoodat men het gerust kan omschrijven als een onordelijk bijeengebrachte hoop stroo, hooi, werk, borstels, wol, haren, papiersnippers en dergelijke materialen; van binnen evenwel is het altijd met een dikke en dichte laag veeren gevoerd. Als het vrij staat in een boom, is het van boven bedekt, als het in een holte aangelegd wordt, nu eens gesloten, dan weer met een dak voorzien. Wanneer het weder eenigszins gunstig is, vindt men reeds in Maart de eieren voltallig. Elk broedsel bestaat uit 5 of 6, bij uitzondering ook wel uit 7 of 8 teere, gladschalige, in kleur en teekening zeer van elkander afwijkende eieren. Meestal zijn zij op bruinachtig blauwen of roodachtig witten grond bruin en aschgrauw gevlekt, gesprenkeld en gestippeld. De beide ouders broeden om beurten. Na 13 of 14 dagen komen de jongen uit; deze worden eerst met weeke Insecten gevoederd; later worden hierbij ook nog zaden gevoegd, die vooraf in den krop geweekt zijn; ten slotte krijgen de jongen hoofdzakelijk zaden of ook wel vruchten. De ouders begeleiden hun kroost nog eenige dagen na het uitvliegen, om ze voor het leven voor te bereiden, verlaten hen vervolgens en maken reeds, als het nest nog maar 8 dagen leeg heeft gestaan, toebereidselen voor een tweede broedsel.

Over het nut en de schade van de Musch zijn de meeningen verdeeld; in den laatsten tijd komt men echter meer en meer tot de overtuiging, dat zij een tafelschuimer is, die op kosten van den mensch leeft en diens bescherming niet verdient. In de straten van de steden en dorpen doet zij ons geen kwaad, omdat zij zich hier vooral met afval voedt; op groote landgoederen, in graanpakhuizen, op korenakkers en in tuinen daarentegen kan zij een belangrijke schade aanrichten door het opeten van het graan, dat als voer aan het pluimvee wordt gegeven, door het rooven en bevuilen van het in de schuur gebrachte koorn, in de tuinen eindelijk door het afbijten van de knoppen der ooftboomen en later ook door het verslinden van de vruchten. In de tuinen en wijnbergen mag zij daarom niet geduld worden. De grootste schade, die zij veroorzaakt, bestaat trouwens hierin, dat zij de allernuttigste Vogels, vooral de Spreeuwen en de Meezen, verdringt en de Zangers min of meer afkeerig maakt van het verblijf in de tuinen, waar zij heerscht. In Noord-Amerika, waar men haar in 1864 invoerde en met vreugde begroette, waar men in de parken nesthuisjes voor haar plaatste en haar op allerlei wijzen beschermde en verzorgde, is men al sinds lang teruggekomen van de vroegere ingenomenheid met de Musch. De boeren hebben geleerd haar als een landplaag te beschouwen, vooral omdat de gunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst werd, aanleiding gaven tot een buitengewoon sterke vermenigvuldiging. Reeds 25 jaren na haar invoering werd zij van overheidswege op de lijst der aangeklaagden geplaatst; duizenden van getuigen gaven uitsluitend ongunstige berichten over haar en brandmerkten haar als een voor het algemeen welzijn nadeelige vagebond.

Voor het leven in de kooi is de Musch niet geschikt, ofschoon zij zeer tam kan worden. De dienstbode van een mijner vrienden in Karinthië toonde mij vol trots haar pleegkind en lieveling, een Musch, die niet alleen vrij uit en in mocht vliegen, maar ook de vrijheid had onder haar halsdoek te rusten en te slapen. Ook E. von Liszt bericht ons over een Musch, die als volkomen tamme huisgenoot 8½ jaar lang bij zijn familie leefde. Onze zegsman had het jonge vogeltje te Weenen aan een troep straatjongens ontnomen en het met zorg verpleegd; spoedig was het aan hem en zijne huisgenooten gewend geraakt. Deze Musch, een wijfje, dacht er niet aan om weg te vliegen en verkeerde bij voorkeur in de nabijheid van menschen. Waar zij zich ook bevond, steeds antwoordde zij met een luid “rrr”, als men haar riep. Zij was zoo gehecht aan hare verzorgers, dat zij telkens, als deze gedurende geruimen tijd afwezig waren, treurig werd en begon te kwijnen.

Naar J. Rohweder bericht, is het den onderwijzer Muckenheim te Segeberg zelfs gelukt een wijfjesmusch in volle vrijheid volkomen te temmen. Zij kwam, zoodra hij “pieper!” riep, uit de omgeving van het schoolgebouw aanvliegen, ging naast haar verzorger op de bank zitten en ook wel op zijn schoot of hand. Even gemeenzaam was zij met de leden van zijn gezin; zij bewoog zich vrij in het huis; eens zelfs bracht zij hare pas uitgevlogen jongen mede en voederde een van deze onbeschroomd op de hand van Mückenheim’s dochter.

Sommigen beschouwen de reeds genoemde Spaansche Musch, de Halsbandmusch (Passer hispaniolensis), als een standvastige verscheidenheid van onze Huismusch; zij onderscheidt zich echter van deze niet alleen door haar kleur, maar ook door haar levenswijze zoo aanmerkelijk, dat haar ongetwijfeld den rang van soort moet worden toegekend. Haar lengte komt met die van de Huismusch overeen. De bovenzijde van den kop is kastanjekleurig roodbruin, de mantel en de schouders zijn zwart, de staartwortelveeren zwart, de oorstreek en de zijden van den bovenhals wit. De veeren van de kin, de keel en den krop tot aan de zijden van den onderhals zijn zwart en aan de spits versierd met een smallen grijsachtigen zoom, “waardoor zij gezamelijk gelijken op een losgeraakten halsband van zwarte paarlen”. De overige onderdeelen en de onderdekveeren van den vleugel zijn geelachtig vaalwit, aan de zijden geteekend met breede, zwarte schaftstreepen. De slagpennen hebben een donkerbruine, de bovenste dekveeren van den vleugel een sprekend roodbruine kleur; de groote vleugeldekveeren zijn aan den wortel zwart, overigens wit, waardoor een zeer in ’t oog vallende dwarsstrook ontstaat; de staartveeren zijn donkerbruin, aan de buitenzijde vaal gezoomd. Het oog is vaalbruin, de snavel zwartachtig, in den winter vuilwit de poot bruinachtig. Het wijfje gelijkt op dat van de Huismusch.

De Halsbandmusch is geen “huismusch” maar een echte “veldmusch”, die bij voorkeur in Spanje en Noord-Afrika uitsluitend, waterrijke gewesten bewoont, en slechts toevallig in de nabijheid van menschelijke woningen voorkomt. Hoewel zij deze niet vermijdt, zoekt zij ze echter niet op, zooals de Huismusch altijd pleegt te doen. Juist in Spanje en Egypte, waar de laatstgenoemde Vogel even veelvuldig voorkomt als bij ons, is men in de gelegenheid de geheel verschillende gewoonten van beide soorten te leeren kennen. De Huismusch is ook daar een trouwe metgezel van den mensch, met wiens bedrijf de Halsbandmusch zich niet bemoeit. Rivierdalen, kanalen en de moerassige akkers, die voor de rijstteelt dienen, behagen haar het meest; hier komt zij in buitengewoon talrijke zwermen voor.

“Op de Kanarische eilanden,” zegt Bolle, “verbergt bijna iedere palm in de tusschenruimten harer onderste bladstelen eenige nestjes van Musschen, die reeds op een afstand haar aanwezigheid verraden door haar geraasmakend geschreeuw. Alle palmengroepen dienen tot woonplaats aan een ongeloofelijk aantal van deze Vogels. Daar het bestijgen van de hooge, als masten zich verheffende stammen den mensch moeite kost en tamelijk veel geduld en behendigheid vereischt, kunnen de Musschen hare jongen meestal ongestoord grootbrengen: vandaar haar snelle vermenigvuldiging. De nestelende paren zien zonder vrees den Torenvalk dicht bij hen op een der bladstelen der palmbladen neerstrijken; hun gesjirp en gekweel vermengen zich met het schrille ratelen van den wind, die de leerachtig stijve bladen tegen elkander slaat. Hier en daar, op plaatsen, die aan vochtige luchtstroomen blootgesteld zijn, niet zelden b.v. in de Vega van Canaria, plant de natuur om de broedplaatsen van de Halsbandmusch een hangenden tuin, bekoorlijker en eigenaardiger dan die van Semiramis. Door den wind worden n.l. de tusschenruimte der bladstelen op enkele plaatsen langzamerhand gevuld met stof en aarde, de regen sijpelt hier doorheen en weldra groeien en bloeien in dezen bodem op duizelingwekkende hoogte rozeroode cineraria’s, varens met fijn verdeelde bladen en goudbruinen wortelstok, boomachtige sempervivum’s en andere dergelijke planten.”

Op de Kanarische eilanden en in Egypte begint de broedtijd van de Halsbandmusch in Februari, op zijn laatst in het begin van Maart. Alle kronen van palmen in de Delta waren in de genoemde maanden met vele dozijnen dicht bijeengeplaatste nesten bedekt; bovendien waren alle holten in de stammen dezer boomen met nestelende Halsbandmusschen bevolkt. Het nest verschilt niet van dat van onze Huismusch; het is even slordig en onregelmatig gebouwd. De eieren komen zoozeer met die van onze Ringmusch overeen, dat de exemplaren, welke ik medebracht, er door de bekwaamste deskundigen voor aangezien werden.

De Halsbandmusch is nergens bemind; niet zonder reden wordt over haar een ongunstig oordeel geveld. In de rijstvelden van Egypte, waar zij verbazend talrijk is, richt zij een aanzienlijke schade aan.

In Middel- en Noord-Europa, in geheel Middel-Azië en in Noord-Afrika leeft nevens de Huismusch een ander lid van ’t zelfde geslacht, de Ringmusch, Boom-, Veld- of Bergmusch, in Overijsel Ringeltute genoemd (Passer montanus). Totale lengte 14, staartlengte 5.5 cM. De bovenkop en de nek zijn roodbruin, de wangen en de zijden van den bovenhals wit, de onderdeelen bruinachtig wit, de achterhals, de mantel en de schouders op roestrooden grond met breede, zwarte, overlangsche strepen geteekend, de zwarte keelvlek is klein. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de poot roodachtig hoornkleurig.

De Ringmusch is in Middel-Europa overal veelvuldig, in Zuidwest-Europa zeer zeldzaam, in geheel Middel-Azië zeer algemeen; zij komt zelfs nog op Malakka en Java voor, dringt tot binnen den poolcirkel door en vervangt aan den benedenloop van den Ob, in China, in Japan, op Formosa en in Indië de Huismusch. In tegenstelling met deze, geeft zij bij ons (en ook in West-Siberië) aan het vrije veld en aan de bosschen met breedbladige boomen de voorkeur boven de nabijheid van menschelijke woningen. Deze bezoekt zij echter in den winter; in den zomer houdt zij zich op in oorden, waar weiden met bouwlanden afwisselen en oude, holle boomen haar geschikte nestelplaatsen verschaffen. Hier leeft zij gedurende den broedtijd paarsgewijs, overigens echter tot gezelschappen vereenigd. Deze zwerven binnen een beperkten kring rond, vermengen zich met Geelgorsen, Leeuweriken, Vinken, Vlasvinken, en andere Vogels, bezoeken de akkers, of, als de winter streng wordt, de boerenhofsteden, om zich weer in paren te verdeelen, zoodra de lente begint.

In aard en gewoonten gelijkt de Ringmusch zeer op de Huismusch; zij is echter niet zoo schrander als deze, daar haar de innige omgang met den mensch en hierdoor de gelegenheid tot ontwikkeling harer geestvermogens ontbreekt. Van den herfst tot aan de lente vormen granen en andere zaden, in den zomer rupsen, bladluizen en ander ongedierte het voedsel van de Ringmusch. Op tarwe en gierstakkers richt zij soms schade aan; daarentegen laat zij de vruchten en de kiemende tuingewassen onaangeroerd. Hare jongen voedert zij met Insecten en met nog weeke graankorrels. Juist door het eten van onrijpe en rijpe granen zijn deze Vogels schadelijk, daar zij, tot aanzienlijke vluchten vereenigd, in de graanvelden vallen en niet anders dan door het voortdurend afschieten van geweren daaruit verwijderd kunnen worden gehouden. Het nest vindt men in holle boomen, soms ook in heggen of struiken. Het is kleiner dan dat van de Huismusch. Ook de eieren zijn kleiner en bovendien veel sterker gemarmerd en gevlekt. Op vinkebanen wordt deze Musch dikwijls in menigte gevangen; bovendien verschalkt men haar zonder moeite met lijmroeden, strikken en knippen, door slagnetten en allerlei andere vallen. Hare vijanden zijn trouwens dezelfde als die, welke de Huismusch vervolgen.

De Rotsmusch (Passer petronius) gelijkt op het wijfje van onze Huismusch. Haar rug is grijsbruin, met zwartbruine en grijswitte, overlangsche vlekken geteekend; de rug en de bovendekveeren van den staart zijn grijs; de onderzijde is grijswit, de keel echter fraai zwavelgeel, de kruin grijs, aan de zijden en op den voorkop met olijfbruine streepjes; boven het oog komt een lichtere streep voor; de staartveeren hebben op de binnenvlag aan den top een witte vlek. Totale lengte 16, staartlengte 5.6 cM.

Het verbreidingsgebied van de Rotsmusch omvat Middel- en Zuid-Europa, met inbegrip van Madera, Noordwest-Afrika en de Kanarische eilanden, Zuidwest- en West-Azië, Oost-Siberië en Afghanistan. In ons land verdwaalt zij slechts toevallig: éénmaal is zij in Noordbrabant en éénmaal te Harderwijk gevangen. In Duitschland vindt men haar in kleinen getale in rotsachtige streken of als bewoner van oude, vervallen gebouwen, vooral ridderburgen. In ’t Zuiden van Zuid-Frankrijk te beginnen, treedt zij geregelder op; in Spanje, Algerië, op de Kanarische eilanden, in het zuiden van Italië, Griekenland, Dalmatië, Montenegro, Palestina en Klein-Azië, behoort zij tot de algemeen voorkomende inheemsche Vogels; zij bewoont hier alle voor haar geschikte plaatsen, dorpen en steden zoowel als de eenzaamste rotsdalen en vormt zelfs koloniën op gelijke wijze als hare verwanten. In Spanje kon ik er zeker van zijn haar aan iederen steilen wand van het Middelgebergte, maar ook in ieder oud kasteel te zullen aantreffen. Op Canaria zijn de torens en de zeer hooge gebouwen in de steden hare meest geliefde woonplaatsen. Zij vermijdt de menschen dus in ’t geheel niet, maar is in alle omstandigheden op vrijheid van beweging gesteld. In de straten der steden en dorpen daalt zij hoogst zelden af, daarentegen vliegt zij geregeld naar de akkers om hier voedsel te zoeken. Steeds toont zij zich schuw en voorzichtig. Ook daar, waar zij weinig met menschen in aanraking komt, wil zij niets met hen te maken hebben.

Door hare bewegingen verschilt de Rotsmusch aanmerkelijk van hare verwanten. Zij vliegt snel met gonzende vleugelslagen, zweeft, voordat zij zich neerzet, met sterk uitgebreide vleugels en herinnert veel meer aan den Kruisbek dan aan de Musch. Op den bodem huppelt zij tamelijk behendig rond; zittend, neemt zij een drieste houding aan en wipt dikwijls met den staart. Haar loktoon is een smakkend, drielettergrepig geluid (“gie-uu-ieb”), waarbij de klemtoon op de laatste syllaben wordt gelegd; haar waarschuwend geschreeuw klikt als “errr”, gelijkt op dat van de Huismusch, maar is er toch duidelijk van te onderscheiden; haar gezang is een eenvoudig, dikwijls afgebroken gekweel en gegons, dat aan het lied van den Goudvink herinnert, maar niet bijzonder aangenaam klinkt.

Hoogst waarschijnlijk valt van het voedsel hetzelfde op te merken, als wat reeds van de overige Musschen is medegedeeld. Gedurende den zomer eten de Rotsmusschen bij voorkeur Insecten, in den winter zaden, bessen en dergelijke stoffen. Op de straatwegen wroeten zij op de wijze van de Ring- en Huismusschen in den mest om zaden te zoeken.

Alleen in gewesten, waar de Vogels van deze soort veelvuldig zijn, kan men ze zonder groote moeite bemachtigen. In Spanje worden zij in menigte op de markt gebracht. Men vangt ze daar met behulp van lokvogels onder netten of op de met lijmroedjes overdekte “musschenboomen”.