Sluier-uilzwaluw (Aegotheles novae-hollandiae). ⅖ v. d. ware grootte.
De laatste rang in de orde der Boomvogels wordt ingenomen door de Scharrelaarachtigen (Coraciidae), een kleine, ruim twintig soorten omvattende familie, welker verbreiding zich tot het oostelijk halfrond bepaalt. Het zijn tamelijk groote Vogels, die meestal met bonte kleuren prijken. Hun snavel is middelmatig lang, stevig, recht, aan den wortel eenigszins verbreed, nader bij de spits samengedrukt, met scherpe zijranden voorzien, de spits van de bovenkaak over die van de onderkaak heengebogen. De korte pooten hebben een zwakken loop en korte teenen. De vleugels zijn tamelijk breed en middelmatig lang of lang; de staart is in den regel eveneens middelmatig lang, aan den top recht afgesneden of flauw afgerond, soms ondiep gaffelvormig; bij enkele soorten steken de beide buitenste stuurpennen ver voorbij de overige uit. Het vederenkleed is sterk verdeeld, maar ruig en wreed; de schaften van de veeren zijn stijf, de baarden glad, maar los aaneengesloten. Groen, blauw, kaneelbruin of wijnrood zijn de heerschende kleuren. In dit opzicht bestaat er tusschen de beide seksen slechts weinig, tusschen de jongen en de ouden geen belangrijk verschil.
De keerkringslanden van de Oude Wereld moeten beschouwd worden als het eigenlijke vaderland van de Scharrelaars. Een voorwaarde voor hun verblijf is de aanwezigheid van hooge, eenzaam staande boomen of rotswanden, rotspunten en onbewoonde gebouwen, van waar zij een ruim uitzicht hebben en welker holen en spleten hun geschikte nestplaatsen bieden. Hier zetten zij zich gewoonlijk neder en bespieden zorgvuldig hun geheele gebied. Op dezelfde wijze als de Vliegenvangers en Bijeneters maken zij ieder voorbijvliegend Insect buit, voor zoover het niet al te klein is; een onvoorzichtig over den grond loopend muisje, een Hagedis of een ander klein Reptiel wordt ook niet versmaad. Hoewel de Scharrelaars waarschijnlijk aan dierlijk voedsel de voorkeur geven, eten zij in sommige tijden van ’t jaar bovendien nog vruchten.
Alle Scharrelaars zijn onrustige, niet lang op dezelfde plaats vertoevende Vogels. Hun behendige, snelle en buitengewoon losse wijze van vliegen onderscheidt zich in hooge mate door allerlei vreemdsoortige lichaamsbewegingen, b.v. door merkwaardige buitelingen. Hun stem is een onaangenaam, grof geluid, dat vrij nauwkeurig overeenkomt met den hieraan ontleenden Duitschen naam van deze Vogels (“Rak”).
Zoolang het vogelenpaar jongen te verzorgen heeft, blijft het in een bepaald oord; vóór en na den broedtijd zwerft het rond. Het nest wordt op zeer verschillende plaatsen, doch steeds op dezelfde wijze gebouwd. De soort, die ook in ons land enkele malen buiten den broedtijd verdwaalt, broedt o.a. in Duitschland in holle boomen, hetgeen aanleiding gegeven heeft tot de onderstelling, dat niet alleen hare vertegenwoordigers, maar ook die van alle overige soorten, in holle boomen nestelen; thans weet men echter, dat het nest even dikwijls, zoo niet vaker, in gaten van muren, rotsspleten of zelfs in holen van steile aarden wanden en in gebouwen te vinden is. Het is zeer slordig, van halmen, wortels, haren en veeren samengesteld. Het wijfje broedt op 4 of 5 glanzig witte eieren.
Tot in den laatsten tijd heeft men, waarschijnlijk op grond van een bewering van Bechstein, gemeend, dat de Scharrelaars de gevangenschap niet konden verdragen. Dit moge tot op zekere hoogte waar zijn voor exemplaren, die oud gevangen worden; uit het nest genomen jongen kan men echter wel degelijk in ’t leven houden, wanneer hun een doelmatige, zorgvuldige verpleging ten deel valt; als men hun bovendien een ruime woonplaats verschaft, zullen zij zich tot uitmuntende, gezellige en lieftallige kooivogels ontwikkelen, die hun verzorger ruimschoots loonen voor de aan hen besteede moeite.
Scharrelaar (Coracias garrula). ⅖ v. d. ware grootte.
Onze Scharrelaar (Coracias garrula) gelijkt het meest op het zooeven geschetste beeld van de familie. Zijn vederenkleed is prachtig. De kop, de hals, de onderdeelen en de dekveeren van de vleugels zijn zacht hemelsblauw met groenachtigen tint, de kleine dekveeren langs den voorarm, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart donker ultramarijnblauw, de mantel- en schouderveeren benevens de achterste armpennen kaneelbruin, de handpennen zwart, aan den wortel hemelsblauw, de armpennen zwart met donkerblauwen weerschijn, hemelsblauw op de wortelhelft van de buitenvlag, de geheele vleugel van onderen gezien donkerblauw, de beide middelste staartveeren vuil bruinachtig grijs, de overige dof hemelsblauw. Totale lengte 30 à 32, staartlengte 13 cM.
Bij Skandinavië beginnend en verder zuidwaarts komt de Scharrelaar in geheel Europa voor; hij is echter veel verder verbreid en doorkruist op den trek geheel Afrika en Zuid-Azië. Uiterst zelden bezoekt hij Nederland (waar tot dusver in ’t geheel 7 exemplaren, in Wassenaar, Amerongen, Uden, Baflo en Ommerschans, waargenomen werden), Engeland, Noorwegen, Zweden, Finland en Noord-Rusland. Zwitserland en Noord-Frankrijk doet hij, naar men zegt, slechts op den trek aan. In Zuid-Rusland, Spanje, Griekenland, Klein-Azië en Algerië komt hij op geschikte plaatsen zeer veelvuldig voor; in Griekenland vormt hij ware koloniën; in Spanje wordt hij eveneens dikwijls in talrijke gezelschappen aangetroffen. Hier te lande vermijdt de Scharrelaar bijna angstvallig de nabuurschap van den mensch; in zuidelijker gewesten geeft hij wel is waar eveneens de voorkeur aan oorden, waar hij niet gestoord wordt, maar schuwt toch de hier wonende, over ’t algemeen trouwens vriendschappelijker gezinde menschen niet. Hij is buitengewoon wispelturig en beweeglijk: zoolang de zorg voor zijn gebroed hem niet aan een bepaald gebied bindt, zwerft hij gedurende den geheelen dag rond, vliegt van den eenen boom naar den anderen en kijkt van den top of van de spits van dorre takken naar voedsel uit. Bij donkere lucht verdrietig en ontevreden, dartelt hij bij zonneschijn hoog in de lucht rond en maakt vreemdsoortige zwenkingen; hij stort zich b.v. plotseling van een aanzienlijke hoogte hals over kop naar beneden en stijgt daarna weer langzaam omhoog, of zwiert als een Duif met haastige vleugelslagen schijnbaar doelloos door de lucht; het is daarom niet altijd gemakkelijk hem te herkennen. Op de twijgen huppelt hij niet rond; evenals de meeste overige leden zijner afdeeling, maakt hij steeds van de vleugels gebruik, om zich van den eenen tak naar den anderen te begeven. Den vlakken grond vermijdt hij; wel komt hij soms vliegend dicht genoeg bij den bodem, om een daar loopend dier te kunnen grijpen.
Over de geestvermogens van de Scharrelaars heerscht tusschen de onderzoekers verschil van meening. Moeielijk valt het echter tegen te spreken, dat men ze als schrandere Vogels mag aanmerken. Zij herkennen en onderscheiden werkelijke gevaren zeer goed van denkbeeldige, moeten echter eerder goed vertrouwend dan onvoorwaardelijk schuw genoemd worden. Zij blijven zitten, wanneer de mensch hen tot op korten afstand nadert, zoodra de ervaring hen geleerd heeft, dat zij dit veilig kunnen doen; overal waar zij vervolging te verduren hebben gehad, vluchten zij echter reeds, als zij hem van verre zien aankomen en gedragen zich steeds hoogst voorzichtig. Naar het schijnt, zijn zij niet beminnelijk van aard. Zeer dikwijls ziet men ze met andere Vogels of met hunne soortgenooten twisten. Het hevigst vechten de Scharrelaars om een rustplaats; bovendien geeft broodnijd ook wel aanleiding tot oneenigheid en komt de ijverzucht hun gemoed vergallen. Het geluid, dat zij gewoonlijk maken, is een hoog, ratelend, telkens herhaald “raker raker raker”; toorn ontlokt hun een krijschend “rè”; teedere aandoeningen geven zij te kennen door den hoogen, klagenden klank “krè”.
Allerlei soorten van Insecten en kleine Reptielen, vooral Kevers, Sprinkhanen, larven en Wormen, kleine Vorschen en Hagedissen, dienen tot voedsel aan de Scharrelaars. Waarschijnlijk zullen zij ook wel Muizen verslinden en kleine Vogels niet versmaden. Graaf Von der Mühle bericht, dat bij de in Griekenland levende Scharrelaars de veertjes aan den wortel van den snavel dikwijls door het suikersap van de vijgen aaneengeplakt zijn. Lindermeijer bevestigt deze mededeeling door er aan toe te voegen, dat de Scharrelaars na hun vertrek uit Griekenland op de eilanden nog steeds te vinden zijn, “waar de Vijgen, hun lievelingskost, hen eenigen tijd terughouden, voordat zij de reis naar de Afrikaansche winterkwartieren aanvaarden.” Water schijnt voor hen geen behoefte te zijn: men heeft beweerd, dat zij nooit drinken en zich ook niet baden; dit zal niemand onwaarschijnlijk achten, die deze Vogels in de waterlooze steppe of woestijn heeft zien rondzwerven.
Het nest verschilt al naar de standplaats; de nestholte is echter altijd met fijne worteltjes, halmen, haren van dieren en veeren bekleed. Het nest bevat 4 à 6 glanzig witte eieren. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten en doen dit met zooveel ijver, dat men ze met de hand kan vatten, als zij op de eieren zitten. Daar de oude Vogels den drek niet uit de kinderkamer verwijderen, zitten de jongen tot over de ooren in ’t vuil en verbreidt het nest een zeer walgelijken stank.
*
De Breedbek-scharrelaars of Rollers (Eurystomus) hebben een korten, zeer breeden snavel met afgeronden rug en sterk gekromde bovenkaak. De pooten hebben een korten loop; de binnenste en de buitenste voorteen zijn met den middelsten aan den wortel een weinig vergroeid. De staart is kort en recht afgesneden. Door deze eigenaardigheden verschillen de Rollers van de Scharrelaars, waarmede zij overigens zeer goed overeenkomen.
De meest verbreide soort van dit geslacht is wel de Dollarvogel van de Australische kolonisten, de Tiong-batoe of Tiong-lampay der Maleiers (Eurystomus orientalis). Hij bewoont n.l. geheel Indië en de andere Zuid-Aziatische landen, het vaste land zoowel als de groote eilanden, Ceylon, de Soenda-eilanden, de Philippijnen, de Molukken; noordwaarts is hij door Siam en China tot in ’t stroomgebied van den Amoer verbreid, zuidwaarts over Nieuw-Guinea tot in Zuid-Australië. Zijn grootte is ongeveer gelijk aan die van den Scharrelaar; de lichaamsbouw schijnt echter meer ineengedrongen. De kop en de achterhals zijn olijfbruin, de mantel, de schouders, de vleugels en de onderdeelen meer of minder donker zeegroen; een groote vlek op de kin en de keel is donkerblauw. De zware slag- en stuurpennen hebben een zeer smallen, donkerblauwen buitenzoom, de zes eerste slagpennen echter blauwe wortelvlekken, waardoor op den vleugel een spiegel ontstaat. Van onderen zijn de stuurpennen donker indigo-blauw. De snavel (met uitzondering van de zwarte spits) en de pooten zijn rood; een naakte, roode kring omgeeft het bruine oog.
In levenswijze komt deze Vogel met den Scharrelaar vrij wel overeen.
1 Calamoherpe Boie.
2 Acrocephalus phragmitis Boie.
3 Hypolais icterina Brehm.
4 Phyllopneuste Meyer.
5 Phileremus alpestris L.
6 Motacilla sulphurea Bechstein.
7 Anthus arboreus Bechstein.
8 Ligurinus chloris L.
9 Cannabina linota Gray.
10 Cannabina flavirostris L.
11 Linaria rubra Gessner.
12 Carpodacus erythrinus Gray.
13 Pyrrhula (Corythus) enucleator. L.
14 Phyrhula europaea Viellot var. minor.
15 Phyrhula europaea Viellot var. major.
16 Plectrophanes lapponicus Nilsson.
17 Emberiza miliaria L.
18 Gracula L.
19 Pica caudata Ray.
20 De Drieteenige Specht (Picoides tridactylus) bewoont de hooge en hoogste middel-gebergten van Middel- en Zuid-Europa, voorts het geheele noorden van Europa, zoover de boomgroei reikt, bovendien Middel-Azië tot Kamtschatka en Saghalin, zuidwaarts tot aan het Tian-schan-gebergte. Evenals het Sneeuwhoen broedt hij in de Alpen (in Duitschland tot in Beieren) en op grooten afstand van hier, in de gebergten van het hooge noorden. Talrijk is hij nergens. Hij gelijkt in kleur, grootte en levenswijze nog het meest op onzen Bonten Specht. De bovenkop van het mannetje is bleek goudgeel.
21 Bij één soort—die o. a. daarom als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht wordt beschouwd, bij den Helmhoornvogel (Buceroturus scutatus), den Anngang-gading der Maleiers van Sumatra—bestaat de geheele “hoorn” uit een vaste massa, die zoo hard is als ivoor (“gading”) en de grondstof levert voor zeer fraaie, gele, roodgevlekte knoopen en kralen voor halssnoeren. Bovendien zijn de middelste staartpennen bij deze soort buitengewoon lang.
22 Terwille van de kortheid en welluidendheid wordt het woord Coraciiformes niet vertaald door “Scharrelaarvogels,” maar door “Rakvogels,” welke naam, gelijkluidend met de Duitsche, ontleend is aan de klanken, die de Scharrelaars voortbrengen.
23 Otus brachyotus Cuvier.