Republikein (Passer socius). ¾ v. d. ware grootte.
Het is niet moeielijk de Rotsmusch in een kooi in ’t leven te houden. Zij kan haar verzorger veel genoegen verschaffen, wordt spoedig gemeenzaam met hem, kan met andere Vogels zeer goed overweg, onderscheidt zich door de lieftalligheid van hare handelingen en plant zich, als zij behoorlijk verzorgd wordt, soms in gevangenschap voort.
Een Musch en niet een Wevervogel, waarvoor hij dikwijls aangezien wordt, is de Republikein (Passer socius). De veeren van den bovenkop zijn bruin, die van de overige bovendeelen, van den nek en de zijden van den hals donkerder; de teugel, een aan den mondhoek grenzende streek, de kin en de keel zijn zwart, de zijden van den krop en de overige onderdeelen bleek vaalbruinachtig, de slagpennen en stuurpennen, de dekveeren van den vleugel, de staartwortelveeren en de bovendekveeren van den staart donkerbruin. Het oog heeft een donkerbruine kleur, de snavel en de pooten zijn lichtbruin. Totale lengte 13, staartlengte 5 cM.
Het binnenland van Zuid-Afrika is het vaderland, Groot-Namaqua-land het brandpunt van het verbreidingsgebied van den Republikein. Het opmerkelijkste aan dezen Vogel is zijn wijze van nestelen. Elk gezelschap bouwt de nesten onder een gemeenschappelijk dak. Zoodra deze Musschen een geschikte plaats gevonden hebben in de kroon van een grooten, hoogen boom of desnoods tusschen de bladen van de reusachtige boom-aloë, beginnen zij van hard gras, een groot, gewelfd en waterdicht dak te bouwen, dat, naar gelang van het aantal paren, 12 voet of meer middellijn heeft. Ieder paartje bouwt en overdekt zijn eigen nest, maar het eene bouwt dicht bij het andere en als alle gereed zijn, ziet het geheel er uit als één enkel nest van reusachtigen omvang met een dak er overheen en met tallooze cirkelronde gaten aan de onderzijde. Ieder afzonderlijk nest heeft n.l. een naar onderen gekeerde opening tot ingang en is van fijner gras vervaardigd dan het dak. Het wordt slechts éénmaal gebruikt: in elken volgenden broedtijd worden nieuwe nesten tegen de oude aangebouwd, totdat het dak door het breken van de takken, waarop het rust, of door de werking van weer en wind vermolmd, ineenstort en naar omlaag valt. Het broedsel bestaat uit 3 of 4 blauwachtig witte, aan het dikste einde fijn bruin gestippelde eieren.
*
De Appelvink of Dikbek, in Gelderland Kersebieter of Kernbieter, in Noord-Brabant Kierzeknieper geheeten (Coccothraustes vulgaris), vormt met zijne verwanten een zeer karakteristiek, naar hem benoemd geslacht. De Dikbekken onderscheiden zich door een zeer krachtigen, gedrongen lichaamsbouw; zij hebben een buitengewoon grooten, dikken, volkomen tolvormigen snavel, welks scherpe zijranden eenigszins gebogen en een weinig binnenwaarts gedrukt zijn; de bovensnavel is vóór de spits onduidelijk ingekorven; hunne pooten zijn kort, maar krachtig en met scherppuntige klauwen gewapend; van de betrekkelijk breede vleugels wordt de spits gevormd door de derde handpen, terwijl de binnenste handpennen kort voor de stompe spits op de buitenvlag haakvormig naar buiten gekromd zijn en op de binnenvlag een inham hebben; de staart is zeer kort en in ’t midden duidelijk uitgerand, het vederenkleed is dicht en zacht. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. De voorkop en het voorste deel van de kruin zijn bruingeel, de bovenkop en de zijden van den kop geelbruin, een smalle streep op den voorkop, de teugel en de keel zwart, de nek en de achterhals aschgrauw; de bovenrug is chocoladekleurig, de onderrug licht kastanjebruin; de krop en de borst zijn vuil grijsrood; de buik is grijswit; de aarsstreek en de onderdekveeren van den staart zijn zuiver wit. De slagpennen zijn metaalglanzig blauw met uitzondering van de beide laatste, die een bruinzwarte kleur hebben; op de binnenvlag komt bij den wortel een wit veld voor; deze velden vormen bij het vliegen op den vleugel een witte dwarsstreep. De middelste staartveeren zijn aan den wortel zwart, hun eindhelft heeft een geelbruine buitenvlag, terwijl de spits wit is; de overige zijn aan den wortel zwart, de beide buitenste met zwarte buitenvlag, alle aan het einde met witten zoom. Het oog is grijsrood, de snavel in de lente blauw, in den herfst vuilgeel, de poot vleeschkleurig.
De gematigde landen van Europa en Azië moet men als het vaderland van den Appelvink beschouwen. De noordgrens van zijn gebied loopt door Zweden en door de zuidelijke en westelijke provinciën van Rusland. In Nederland is hij in de meeste streken een zeldzame verschijning, die slechts zeer enkel in het gure jaargetijde hier en daar wordt waargenomen. In Gelderland broedt hij, “en waarschijnlijk, ofschoon slechts bij uitzondering, ook wel in andere provinciën, misschien zelfs in de met bosch begroeide duinstreken van Noordholland” (Schlegel). In Duitschland ziet men hem dikwijls ook ’s winters, waarschijnlijk echter alleen als gast, die uit het noorden van Europa gekomen is, terwijl de daar broedende exemplaren van deze soort geregeld naar ’t zuiden trekken. In Zuid-Europa komt hij alleen op den trek. Zoo zwerft hij door Spanje en steekt naar Noordwest-Afrika over. In Siberië wordt hij van het bronnengebied van den Amoer tot aan de Europeesche grens als zomervogel aangetroffen. In Duitschland is hij op de eene plaats veelvuldig, op de andere zeldzamer, overal echter bekend, wijl hij zich op zijne zwerftochten overal vertoont en door iedereen opgemerkt wordt. Hij kiest als zomerverblijf heuvelachtige landstreken met bosschen van hooge, breedgebladerde boomen, waarop hij den nacht doorbrengt en ook zich den geheelen dag ophoudt, voor zoover hij niet een naburigen kersenboomgaard plundert of op den grond werkzaam is. Na den broedtijd zwerft hij met zijne jongen rond en komt dan ook in de ooft- en groentetuinen. Tegen het einde van October of in het begin van November vangt zijn reis naar ’t zuiden aan, in Maart keert hij weder terug.
De Appelvink is, zooals lichaamsbouw doet vermoeden, een eenigszins plompe en trage Vogel; hij vliegt op een onbeholpen wijze en met veel gedruisch, hoewel niet langzaam. Zijne geestvermogens logenstraffen zijn uiterlijk. Hij is zeer voorzichtig en listig, leert zijne vijanden spoedig kennen en neemt met sluwheid maatregelen voor zijn veiligheid. “Hij vliegt met tegenzin op,” zegt Brehm, de vader, “wanneer men hem nadert, maar is ook gedurende het eten zoo op zijn hoede, dat hij ieder gevaar onmiddellijk bemerkt en het tracht te ontgaan door zich te verbergen in het dichte gebladerte, of door te vluchten, indien dit niet aanwezig is. Hij weet zeer goed, of hij zich genoeg verborgen heeft, want dan blijft hij zeer lang rustig zitten, hetgeen slechts zelden het geval is, wanneer hij zich op een vrije plaats bevindt. Als de boomen bebladerd zijn, kan men hem lang pitten hooren kraken, voordat men hem met de oogen ontdekt. Hij verbergt zich zoo goed, dat ik hem dikwijls op geen andere wijze te zien kon krijgen, dan door hem met steenworpen naar een anderen boom te jagen. Als hij opgejaagd wordt, gaat hij bijna altijd op een boomtop zitten om ieder hem dreigend gevaar van verre te kunnen opmerken. Zijn list gaat gepaard met groote driestheid.”
Het liefst eet de Appelvink de door een harden bolster omgeven zaden van verschillende soorten van boomen. “Aan kersepitten en nootjes van beuken en haagbeuken geeft hij de voorkeur boven ieder ander voedsel. Hij bijt den steel van de kers door en kraakt den steen na er het vleesch, dat hij wegwerpt, afgeschild te hebben, laat het harde hulsel vallen en slikt de pit door. Dit alles duurt een halve, hoogstens een geheele minuut en geschiedt met zooveel kracht, dat men het kraken op een afstand van 30 schreden kan hooren. Met de nootjes van den Haagbeuk gaat hij op soortgelijke wijze te werk. De van haar schaal bevrijde kernen gaan door den slokdarm onmiddellijk naar de maag; eerst als deze er mede gevuld is, worden de volgende in de krop geborgen. Als de boomen alle zaden, die hem tot voedsel dienen verloren hebben, gaat hij ze op den grond opzoeken; daarom ziet men hem in het laatste deel van den herfst en in den winter dikwijls op den bodem rondhuppelen. Bovendien eet hij ook graag zaden van kruiden; daarom komt hij ’s zomers dikwijls in de groentetuinen, en richt hier onder de zaden groote schade aan. Het is bijna niet te gelooven, welk een hoeveelheid kool van allerlei soort een enkele dergelijke Vogel vernielen kan.” In den winter zoekt hij de lijsterbessen op, ook van deze worden alleen de pitten verslonden. Bovendien eet hij boomknoppen en in den zomer zeer dikwijls Insecten, vooral Kevers en hunne larven.
Al naar het weer gunstig is of niet, broedt de Appelvink tweemaal of slechts eens in ’t jaar, in Mei en in het begin van Juli. Ieder paar neemt een uitgestrekt gebied in beslag en duldt hierin geen andere dieren van hun soort. “Het mannetje houdt daarom steeds in den top van een hoogen boom de wacht en verwisselt dezen dikwijls tegen een anderen; intusschen schreeuwt en zingt hij en legt een buitengewone onrust aan den dag.”
Snorrende en scherpe geluiden, die zeer veel gelijken op den als “tsie” of “tsiek” klinkenden loktoon, zijn de bestanddeelen van het gezang, dat door het mannetje uren achtereen onder allerlei wendingen en bewegingen van het lichaam voorgedragen wordt. Het niet bijzonder dikwandige nest, dat toch werkelijk goed gebouwd is en aan zijn buitengewone breedte gemakkelijk herkend kan worden, is hoog of laag geplaatst, rust op zwakke of althans dunne twijgen, maar is gewoonlijk goed verborgen. De eerste grondslag van dit gebouw bestaat uit droge rijsjes, stevige grashalmen, worteltjes en dergelijke materialen, de tweede laag uit grovere of fijnere bladmossen en korstmossen, de binnenbekleeding uit wortelvezels, varkensborstels, paardeharen, schapenwol en dergelijke stoffen. De 3 à 5 eieren zijn tamelijk dik en op een vuil- (of groenachtig en geelachtig) aschgrauwen grond met scherp begrensde en uitvloeiende, bruine, zwartbruine, donker aschgrauwe, lichtbruine en olijfkleurig bruine vlekken, strepen en adertjes geteekend, die rondom het stompe einde het dichtst bijeenstaan. Het wijfje broedt alleen; in de middaguren wordt het door het mannetje afgelost. De jongen worden door beide ouders gevoederd, met zeer veel liefde verzorgd en nog lang na het uitvliegen bijgestaan en met voedsel voorzien; want het duurt eenige weken, voordat zij in staat zijn de harde kersepitten te kraken.
De Appelvink wordt door den vruchtenkweeker zeer gehaat, want de schade, die hij in de kersenboomgaarden aanricht, is verre van onbeduidend. “Eén enkele familie van deze Vogels,” zegt Naumann, “heeft een boom vol rijpe kersen spoedig leeggeplukt. Wanneer zij eenmaal in een boomgaard geweest zijn, kan men er staat op maken, dat zij telkens zullen terug komen, zoolang er nog kersen te vinden zijn; hoe men ook moge geraas maken, ratelen, met de zweep klappen of fluiten, men zal ze niet geheel kunnen keeren; aan alle verschrikkingsmiddelen, waarover men beschikt, geraken zij gewoon. Het eenige middel om hen te verjagen is op hen te schieten en dit moet niet met los kruit gedaan worden, anders geraken zij ook hieraan gewoon. De gewone morellen zijn het meest aan hunne aanvallen blootgesteld. In de groentetuinen doen zij dikwijls veel kwaad aan de zaden en in de erwtenbedden aan de groene peulen. Zij vernielen de lijsterbessen, die de jager voor zijn bedrijf noodig heeft en begaan nog allerlei andere misdrijven. Zij zouden veel minder schade aanrichten, als zij niet zoo moeielijk te verzadigen waren en als zij niet de gewoonte hadden enkele boomen, bedden en plantsoenen telkens weder te bezoeken, totdat zij alle daar aanwezige vruchten en zaden opgegeten hebben.” Het is derhalve niet te verwonderen, dat de mensch zich deze ongenoode gasten met alle mogelijke middelen van den hals tracht te schuiven, strikken en lijmroeden, netten, vallen, geweren en andere wapens tegen hen gebruikt.
De gevangen Appelvink gewent spoedig aan de kooi, neemt allerlei voedsel voor lief, laat zich gemakkelijk temmen, maar blijft toch altijd gevaarlijk, omdat hij, tot toorn vervoerd, in al wat hem voor den snavel komt, bijt en pijnlijke wonden kan toebrengen. Een getemde Appelvink, die het eigendom was van een student in de edele muzenstad Jena, werd door de vrienden van dezen vogelliefhebber dikwijls beschonken gemaakt, door partij te trekken van de zooeven genoemde eigenschap. Dit kostte hun niet veel moeite. Een aan weerszijden geopende penneschacht werd, nadat de eene opening met den vinger gesloten was, met bier gevuld den Vogel voorgehouden en zoodra deze in het opene deel van dit eigenaardige drinkglas beet, omgekeerd, zoodat het bier in de keel van den Appelvink vloeide. Het was voldoende dit kunstje eenige malen te herhalen, om den dikkoppigen drinkebroer zoo dronken te maken, dat hij bij het rondhuppelen omtuimelde.
*
De eigenlijke Vinken (Fringilla) hebben een gestrekten lichaamsbouw, een middelmatig langen, zuiver kegel- of tolvormigen snavel, pooten met korten loop en zwakke teenen, betrekkelijk lange vleugels, waarin de tweede, derde en vierde handpen de spits vormen, en een middelmatig langen, in het midden zwak uitgesneden staart.
De Vink, Schildvink, Maanvink, Kwinker of Boekvink, in Noord-Holland ook wel Oostvink of Blauwkop, in Groningen Kolfvink, in Gelderland Toetvink, in Noordbrabant Botvink, in Cadzand Bogervink, in Friesland Schelvink genoemd (Fringilla coelebs) is op het voorhoofd donkerzwart, op kruin en nek leikleurig blauw, op den mantel roodachtig bruin, op den onderrug en den staartwortel geelachtig groen; de teugel en de kring om het oog, de wang, de keel en de gorgel zijn licht roestbruin, welke kleur op den krop en de zijden van de borst vleeschroodachtig, op het midden van de borst roodachtig wit, op den buik en de onderdekveeren van den staart wit wordt; de handpennen zijn zwart, de laatste armpennen met smallen, lichtgelen buitenzoom, de kleinste dekveeren donker leikleurig blauw, de middelste wit, de groote zwart met breeden, geelachtig witten eindzoom, waardoor een breede, geelachtige en een smallere, witte dwarsband op den vleugel ontstaan; de twee middelste staartpennen zijn donker leikleurig grijs met gele randen, de overige zwart, de binnenvlag van de beide buitenste paren met grooten, wigvormigen, witten vlek, die zich op het buitenste paar ook over het grootste deel van de buitenvlag uitstrekt. De iris is lichtbruin, de snavel in de lente blauw, in den herfst en winter roodachtig wit, de poot vuil vleeschkleurig. Bij het wijfje zijn de kop en de nek groenachtig grijs, een wenkbrauwstreep, de teugel, de kin en de keel witbruinachtig, de overige bovendeelen olijfkleurig grijsbruin, de onderdeelen lichtgrijs. Lichaamslengte 16.5, staartlengte 7.5 cM.
Met uitzondering van de noordelijkste landen is de Vink in geheel Europa een gewone verschijning; in het zuiden vindt men hem echter gedurende den zomer alleen in het gebergte. Bovendien bewonen deze Vogels enkele deelen van Azië en vertoonen zich des winters in kleinen getale in Noord-Afrika. In Nederland broedt de Vink overal in bosschen en zelfs in groote tuinen; in Noord- en Zuid-Holland geschiedt dit echter eerst sinds de tweede helft van deze eeuw meer algemeen. In het najaar, op den trek, komen de Vinken uit het noorden in groote vluchten in ons land en worden dan op de vinkebanen, vooral langs den duinkant, veelvuldig gevangen. Sommige hier broedende exemplaren overwinteren en blijven rondzwerven binnen een beperkt gebied. In Duitschland zijn weinige gewesten waar de Vink niet talrijk voorkomt. Hij bewoont naaldhoutbosschen zoowel als bosschen met breedbladige boomen, uitgestrekte wouden zoowel als hakhoutboschjes, plantsoenen en tuinen; eigenlijk vermijdt hij alleen moerassige of natte oorden. Het eene paar woont dicht bij het andere; ieder tracht echter vol ijverzucht het eens voor zich gekozen gebied te behouden en verdrijft hieruit elken indringer van dezelfde soort. Eerst nadat het broeden afgeloopen is, vereenigen de reislustige Vogels zich tot vluchten; deze gezelschappen, die zich in October vormen, verdwijnen tegen het einde dezer maand, op eenige weinige in het vaderland overwinterende mannetjes na, langzamerhand uit onze gewesten. (Die, welke hier achterblijven, worden wel eens Hofsteevinken genoemd.) Dan nemen zij in Zuid-Europa en in Noordwest-Afrika berg en dal, akker en tuin, bosch en heg in bezit, zijn overal te vinden, overal veelvuldig, maar ook overal in gezelschap, ten teeken dat zij niet in hun vaderland zijn, maar hier als wintergasten verblijf houden. Als de lente in het zuiden aanvangt, is het tijd om zich weder huiswaarts te begeven. Men hoort dan den helderen, krachtigen slag van de mannetjes nog geruimen tijd weerklinken; weldra echter wordt het stil en eenzaam daar, waar honderdduizenden verzameld waren en reeds in het begin van Maart zijn de wintergasten, op de wijfjes na, verdwenen. De Vinken trekken n.l., althans op den terugtocht naar Middel-Europa in afzonderlijke vluchten: de mannetjes het eerst, de wijfjes een halve maand later. Zelden komt het voor, dat beide geslachten voortdurend samenleven en dus ook samen reizen. Als de weersgesteldheid gunstig is, verschijnen de eerste mannetjes reeds in het einde van Februari in Nederland; de hoofdmassa, komt in Maart bij ons aan en de achterblijvers laten tot April op zich wachten.
1) Appelvink (Coccothraustes vulgaris), 2) Groenling (Chloris hortensis), 3) Kneutje (Acanthis cannabina), 4) Vink (Fringilla coelebs), 5) Keep (Fringilla montifringilla).
Het werkelijk kunstige nest is bijna kogelrond, alleen van boven afgesneden. Zijne dikke buitenwanden worden uit groen, op den grond geplukt mos, fijne worteltjes en halmpjes samengesteld, van buiten echter bedekt met korstmossen van den boom, waarop het nest gebouwd is. Deze worden met spinsel van rupsen of Spinnen aaneenverbonden, zoodat het geheel een bedriegelijke overeenkomst heeft met een knobbel van een tak. De nestholte is diep, napvormig en zeer zacht gevoerd met haren en veeren, wol van planten en van dieren. Zoolang de nestbouw en het broeden van het wijfje duurt, hoort men den mannetjesvink bijna gedurende den geheelen dag onafgebroken slaan; ieder ander mannetje in de nabijheid beantwoordt den slag van zijn buurman met meer dan gewonen ijver; de beide mededingers in de zangkunst winden zich op en beginnen een dolle jacht door de twijgen, welke voortduurt totdat de eene den anderen in den letterlijken zin van ’t woord bij den kraag gepakt heeft en, buiten staat om op deze wijze te vliegen met hem draaiend op den bodem valt.—Het wijfje legt 5 of 6 kleine, dunschalige eieren, die gewoonlijk op licht blauwgroenachtigen grond voorzien zijn met bleeke, roodachtig bruine stippen, vlekjes en streepjes en met paarsachtig grijze, wolkachtige vlekjes, welker vorm en teekening zeer uiteenloopt. De eieren moeten 14 dagen bebroed worden; dit geschiedt hoofdzakelijk door het wijfje dat echter door het mannetje vervangen wordt, zoolang gene van ’t nest afwezig moet zijn om voedsel te zoeken. De jongen worden door de beide ouders uitsluitend met Insecten grootgebracht, hebben ook nog een tijdlang, nadat zij uitgevlogen zijn, de hulp van de ouders noodig, maar leeren spoedig zelf hun voedsel zoeken. Als onmondige kinderen openbaren zij hunne aandoeningen door een zonderling klinkend “sjielkend” geschreeuw, later maken zij gebruik van den loktoon der volwassen Vogels. Deze beginnen reeds weinige dagen nadat de opvoeding van hunne jongen voltooid werd, met de zorgen voor een tweede broedsel. De beide ouders houden veel van hun kroost; als een vijand het nest nadert, geven zij hun angst door klagende geluiden en door zeer duidelijk verstaanbare gebaren te kennen.
De Vink is een wakkere, levendige, bekwame, vlugge en schrandere Vogel maar tevens oploopend en twistziek. Gedurende den geheelen dag bijna voortdurend in beweging, is hij alleen ten tijde van de grootste middaghitte iets minder bedrijvig. Op de takken zittend, neemt hij een opgerichte houding aan, op den grond heeft zijn lichaam een meer horizontalen stand; op den bodem gaat hij half huppelend, half loopend, op de twijgen beweegt hij zich graag in zijdelingsche richting; hij vliegt hoog, als hij een grooten afstand heeft af te leggen, laag wanneer het doel van de reis niet veraf is. Zijn lokstem, het bekende “pienk”, of “fienk”, wordt op zeer verschillende wijze geïntoneerd en krijgt hierdoor verschillende beteekenissen. Gedurende het vliegen roept hij op gedempte, kort afgebroken wijze vaker “guup guup” dan “pienk”; voor gevaar waarschuwt hij door een sissend “sie ieh”, waarop ook andere Vogels letten; in den paartijd tsjilpt hij; bij donker weder hoort men van hem een ratelend geluid, dat de jongens in Thuringen door het woord “regen” nabootsen. Zijn slag bestaat uit één of twee strophen, die ieder door een bepaalden klank afgesloten en tot een geheel vereenigd worden. Gedurig worden deze strophen op verschillende wijze gezongen; zij worden met zeer groote volharding en zeer dikwijls in snelle opeenvolging voorgedragen; de vinkenliefhebbers onderscheiden een menigte soorten van slagen, die ieder met een verschillenden naam aangeduid worden. De kennis van deze slagen is een formeele wetenschap geworden, die evenwel hare eigene priesters vereischt en voor niemand, die niet in hunne mysteriën is ingewijd, altijd duister zal blijven. Er zijn bepaalde bergstreken, waar deze wetenschap meer beoefenaars vindt dan eenige andere. Beroemd zijn de Thuringer, de Hartzer en de Boven-Oostenrijksche vinkenliefhebbers wegens hun buitengewone kennis van de bedoelde slagen. Daar waar het ongeoefende oor slechts geringe afwijkingen waarneemt, onderscheiden deze lieden met onfeilbare zekerheid 20 en meer verschillende slagen, waaraan zij namen geven, die onkundigen doen glimlachen, maar die toch meestal zeer goed gekozen en gewoonlijk klanknabootsingen van een deel van den slag zijn. Vroeger werden Vinken, die door een eigenaardigen slag uitmuntten, buitengewoon hoog geschat en voor bijna fabelachtige sommen verkocht; tegenwoordig is deze liefhebberij zeer verminderd.
Alleen in de boomkweekerijen en groentetuinen, waar hij de op den grond liggende zaden opeet, kan de Vink een schade van eenige beteekenis aanrichten. Wel wordt hij soms beschuldigd van een gevoelige schade toe te brengen aan het woud, door het opzoeken van de afgevallen zaden van beuken- en naaldboomen; maar zij, die hem hiervan betichten, gelooven waarschijnlijk zelf niet eens aan de waarheid van deze bewering. Hij eet zaden van verschillende planten, hoofdzakelijk van onkruid, maar voedt zijne jongen en gedurende den broedtijd zich zelf uitsluitend met Insecten, meestal met zulke, die nadeelig zijn voor de boomen, waarop wij prijs stellen. In ’t ongunstigste geval wordt dus alle schade, die hem ten laste gelegd wordt, opgewogen door het nut dat hij aanbrengt. Men moest hem beschermen en tegemoet komen, in plaats van hem meedoogenloos te vervolgen, zooals ongelukkig altijd nog hier en daar geschiedt. De liefhebbers, die voor hunne kooien Vinken vangen, hebben geen schuld aan de vermindering van hun aantal; de vogelvangers echter, die er duizenden tegelijk dooden, doen een gevoeligen afbreuk aan de vermeerdering van deze lieftallige Vogels.
De eenige inheemsche Vogel, die tot hetzelfde geslacht behoort als onze Vink, is de Keep, Bergvink, of Boschvink, in Gelderland Noordvink, in Groningen Kweevink, in Friesland Keepvink of Kwaakvink genoemd (Fringilla montifringilla). Lichaamslengte 16, staartlengte 6.6 cM. De kop, de nek en de mantel, de wangen en de zijden van den bovenhals zijn donkerzwart met blauwachtigen glans, de staartwortelveeren in het midden zuiver wit, aan de zijden zwart, de keel en de borst met een geelachtig waas overtogen, de teugel, de kin en de zijden van den buik geelachtig wit, de laatstgenoemde zwart gevlekt, de slagpennen bruinzwart met geelachtig witten zoom, de schouderveeren roestkleurig; de eindhelft van de staartveeren is wit met geelachtigen zoom. De iris is donkerbruin, de snavel licht blauwzwart, in den herfst wasgeel, de voet roodbruin.
Het vaderland van de Keep is het hooge noorden van de Oude Wereld: de landen benoorden den 59en graad N.B., zoover de boomgroei reikt. Reeds in Augustus vereenigen deze Vogels zich tot zwermen, die zich gedurende de volgende maanden in de zuidelijke gedeelten van hun broedgebied ophouden en daarna langzamerhand verder zuidwaarts trekken; zij doorkruisen geheel Europa tot Spanje en Griekenland en Azië tot aan den Himalaja. Op dezen trek bezoeken zij veelvuldig ons vaderland, waar zij in ’t najaar (in ’t begin van October) aankomen. Gebergten en aaneengeschakelde wouden bepalen de richting van hun reis, voor zoover deze niet gewijzigd wordt door scharen van andere Vinken, waarmede zij zich gaarne vermengen. In Nederland en Duitschland ontmoet men de Keepen in bosschen en op akkers, in den regel in gezelschap van Vinken, Kneutjes, Ringmusschen en Groenlingen.
De Keep heeft met den Vink veel overeenkomst. Ook zij is twistziek, oploopend, bijtlustig en door broodnijd bezield, hoe gezellig zij overigens ook moge schijnen. Haar gezang is een erbarmelijk getjilp zonder welluidendheid, regel of orde; het bestaat eenvoudig uit een willekeurige samenvoeging van de verschillende geluiden, die zij maakt.
Op de Keep wordt vooral jacht gemaakt wegens zijn smakelijk, hoewel eenigszins bitter vleesch; vooral op de vinkenbanen vangt men haar dikwijls in grooten getale. Haar onervarenheid is oorzaak, dat zij zich dikwijls ook in andere vallen laat vangen.
Op groote hoogte, op de Alpengebergte van de Oude Wereld, van de Pyreneën tot in Siberië, in den zomer altijd boven de grenzen van den boomgroei, leeft de aan onzen Vink verwante Sneeuwvink (Fringilla nivalis). Hij verschilt van de vroeger beschreven soorten door den langen, gekromden, spoorvormigen nagel aan den achterteen, de lange vleugels en de gelijke bevedering van mannetjes en wijfjes. Totale lengte ongeveer 20, staartlengte 8 cM. De bovenkop, de wangen, de achterhals en de zijden van den hals zijn licht aschgrauw, de mantelveeren koffiebruin, de keel en de gorgel zwart, de zijden van de borst en de flanken licht geelachtig aschgrauw, de kin, de borst en het midden van den buik vuilwit, de zeven eerste handpennen zwart, aan de buitenzijde en aan den top met bruinachtig witten zoom, de schouderveeren donkerbruin, de middelste staartveeren zwart, aan de binnenzijde wit gezoomd, alle overige sneeuwwit. Het oog is donkerbruin, de snavel leikleurig zwart, in den herfst en in den winter wasgeel, aan de spits altijd zwart, de voet zwart.
Onze Alpen, de Karpathen, de hooge gebergten van Perzië en de Himalaja vormen het verbreidingsgebied van den Sneeuwvink. Bijna even sterk als het Alpensneeuwhoen is hij aan de hooge bergstreken gehecht. Alleen door hevige sneeuwbuien en strenge koude kan hij genoopt worden om de lager gelegen dalen te bezoeken. In het eerste gedeelte van den winter geschiedt dit veel zeldzamer dan in het laatste, omdat de tegen weer en wind geharde Vogel geen last heeft van de sneeuw en van de koude, zoolang er nog voedsel voor hem te vinden is. Zelfs in den strengsten winter verwijdert hij zich nagenoeg niet van het gebergte; de gevallen, waarin men hem op Duitsch grondgebied heeft waargenomen, behooren daarom tot de groote zeldzaamheden. Gedurende den zomer bewoont hij uitsluitend den hoogsten gordel van de Alpen, onmiddellijk onder de grens van de eeuwigdurende sneeuw; in den broedtijd treft men hem bij paren, later in troepen en vluchten, meestal aan den rand der met steenen bedekte hellingen aan, waar hij vlug over de rotsen huppelt, soms voor een poos met zijne metgezellen opvliegt en onder het zacht geroep van “zjuup zjuup” een kort eind vliegt, om weldra weer neer te strijken en even ijverig als te voren het opzoeken van voedsel voort te zetten. Zijn gezang, dat men in de vrije natuur alleen gedurende den voortplantingstijd hoort, bestaat uit dit en andere voor ’t dagelijksch verkeer dienende geluiden en wordt door deskundigen het slechtste van alle vinkengezangen genoemd; het is kort, ruw, hard en onaangenaam schel. Zijne bewegingen herinneren meer aan die van de Sneeuwgors en van den Leeuwerik dan aan die van den Vink; even als gene vliegt hij zonder inspanning en zwevende. Op de wegen in ’t gebergte komt hij des winters geregeld voor de huizen; overal, waar hij zeker is niet lastig gevallen te worden, vliegt hij onbeschroomd in en uit de woningen; door vervolging wordt ook hij na verloop van korten tijd omzichtiger.
*
Amerika is het vaderland van meer dan 70 soorten van bonte, Gors-achtig geteekende Vinken, die Muschgorsen (Zonotrichia) worden genoemd. Zij hebben een slanken, kegelvormigen, sierlijken snavel, die langs de ruglijn weinig gekromd is en in een rechte spits uitloopt; de pooten hebben een langen loop en lange teenen, waaraan groote nagels voorkomen, vooral aan den achterteen, welks nagel bij wijze van een spoor verlengd is; de vleugels zijn middelmatig lang en onderscheiden zich door hunne zeer lange armpennen; de staart is verschillend van lengte. Zij houden veelal verblijf op den bodem en bewegen zich hier geheel op de wijze van de Gorsen. Eenige soorten zijn woudvogels, die de opene plaatsen mijden, andere leven in waterrijke streken aan de oevers van rivieren, nog andere op velden en weiden, eenige zelfs aan de zeekust, enkele eindelijk nemen in de Nieuwe Wereld de plaats van onze Musschen in.
Bij de Noord-Amerikaansche Withalzige Muschgors (Zonotrichia albicollis), zijn de boven- en achterkop zwart; bij deze kleur steken een smalle witachtige, overlangsche lijn op het midden van den kop en een breede streep boven de oogen scherp af; de wangen en de oorstreek zijn aschgrauw, de kin en de keel wit; de onderdeelen zijn wit, met uitzondering van de roestbruinachtige, met donkere, overlangsche streepjes geteekende zijden en den bruinachtig grijzen krop; de bovendeelen en de vleugeldekveeren zijn roestbruin, de mantel en de schouderveeren met zwarte schaftvlekken geteekend, de slagpennen en stuurpennen olijfbruin. De iris is nootbruin, de bovensnavel hoornbruin, de ondersnavel lichtblauw, de poot vleeschkleurig. Totale lengte 17, staartlengte 8 cM.
Deze Vogels zijn over alle oostelijke staten van Noord-Amerika verbreid; in het noorden van dit gebied zijn zij trekvogels, in ’t zuiden wintervogels. Het mannetje is in Juni, zijn voortplantingstijd, zeer roerig en zingt zeer vlijtig zijn lied, welks twaalf tonen één strophe vormen, die, zonder eenige afwisseling telkens weer herhaald, weldra verveelt.
In sommige streken doodt of vangt men de Withalzige Muschgors om haar lekker vleesch of om haar in een kooi te houden; hier zingt zij in de lente ook ’s nachts, gelijk zij in haar vaderland gewoon is te doen.
Een andere vertegenwoordiger van hetzelfde geslacht, de Wintermuschgors, de Snowbird (Sneeuwvogel) der Amerikanen (Zonotrichia hyemalis), verdient vermelding, omdat zij, naar men zegt, eens op IJsland is aangetroffen. Totale lengte 15, staartlengte 7.5 cM. De kop en de bovendeelen zijn donker leigrauw, de onderdeelen, bij de borst te beginnen, wit, de slagpennen en hare dekveeren donkerbruin met bruinachtigen zoom, de staartveeren bruinzwart met uitzondering van de beide buitenste paren, die wit zijn, en van het derde paar, dat met een langwerpige, witte schaftvlek voorzien is. De iris is donkerbruin, de snavel roodachtig vuilwit, de poot vleeschkleurig.
Deze soort bewoont de noordelijke Vereenigde Staten en de verder noordwaarts gelegen gewesten tot binnen den poolcirkel. Zij is een der meest algemeen verbreide vormen van haar geslacht en in de meeste gewesten van Noord-Amerika, althans gedurende een deel van ’t jaar, veelvuldig. De gebergten en het noorden zijn haar vaderland; in de Vereenigde Staten verschijnt zij tegen het einde van October om tegen het einde van April weer te vertrekken. Op een mooien morgen ziet men deze Vogels plotseling in menigte op plaatsen, waar er den vorigen dag geen enkele te vinden was. In den beginne blijven zij vereenigd tot troepen van 20 à 30 individuen, die zich in boschranden, heggen en omtuiningen ophouden; later vereenigen zij zich tot grootere vluchten en, vooral wanneer er stormen in aantocht zijn, tot zwermen van duizenden exemplaren. Zoolang de bodem nog onbedekt is, voeden zij zich met graszaden, bessen en Insecten, niet zelden in gezelschap van Boomhoenderen en wilde Kalkoenen, ook wel van Eekhoorntjes, die met hen hetzelfde voedsel zoeken. Wanneer het echter gesneeuwd heeft en de gewone kostwinning moet worden opgegeven, komen zij op de boerenerven, op de publieke wegen en ten slotte ook in de straten der steden. Argeloos begeven zij zich onder de hoede van den mensch, die iederen dag misbruik maakt van het in hem gestelde vertrouwen door deze Vogels bij honderden te vangen; door goedhartige lieden worden zij echter ook wel gevoederd en beschermd. Hun gemeenzaamheid gaat zoover, dat zij de voetgangers en ruiters dicht bij zich voorbij laten gaan en alleen dan opvliegen, als zij vreezen door de voorbijgangers vertreden te worden. Als de lente aanvangt, verlaten zij de steden en dorpen om hunne broedplaatsen in het gebergte of in het noorden weer op te zoeken.
Kort na hun terugkomst op den geboortegrond vangt de paartijd aan. De mannetjes vechten dan hevig met elkander. In dezen tijd laten zij hun eenvoudig, maar aangenaam gezang hooren waarvan eenige volle langgerekte tonen de hoofdbestanddeelen zijn. Soms treft men gevangen Wintermuschgorsen bij ons in de kooi aan, hoewel er weinige redenen zijn om ze aan te bevelen.
Van de Echte Vinken onderscheiden zich de Goudvinkachtigen (Pyrrhulinae), doordat hun snavel aan den wortel met borstels omgeven is. De snavel is in den regel zeer kort en hoog.
*
Onze Groenling, Groeninger of Greuninger, in Gelderland en Friesland Vlasvink, in Noordbrabant Grunsel, in Groningen Kornuit, te Amsterdam Groenvink genoemd (Chloris hortensis, fig. 2)8, kenmerkt zich door den krachtigen lichaamsbouw, den korten, kegelvormigen snavel, welks zijranden aan beide kaken ingetrokken en scherp zijn; de voeten hebben korte teenen; de spits van de middelmatig lange vleugels wordt gevormd door de drie voorste handpennen; de staart is tamelijk kort. Totale lengte 12,5, staartlengte 6 cM. De meest in ’t oog vallende kleur van het vederenkleed is fraai olijfgeelgroen; de rand van het voorhoofd, een streep boven de oogen, de achterste gedeelten van de wangen, de kin en het voorste deel van de keel zijn helderder, meer geel van kleur; het onderste deel van de borst, de buik, de onderdekveeren van den staart en de rand van den vleugel zijn helder citroengeel; de handpennen zijn grootendeels zwart, aan de spits echter grijs, terwijl bovendien de buitenvlag van de zes eerste, met uitzondering van het dichtst bij den top liggend derde deel, hoog citroengeel is; de armpennen en hare dekveeren zijn zwart, aan de buitenzijde aschgrauw, de overige bovendekveeren van den vleugel olijfgeelgroen, alle slagpennen op de binnenvlag bij den wortel met een witten rand voorzien, de middelste staartpennen geheel, de andere alleen aan de tophelft zwart en overigens citroengeel. De iris is donkerbruin; de snavel en de poot zijn roodachtig grijs. De kleuren van het wijfje zijn minder levendig.
Met uitzondering van de noordelijkste gewesten van Europa ontbreekt de Groenling nergens in dit werelddeel; bovendien is hij over Noordwest-Afrika en over Klein-Azië tot aan den Kaukasus verbreid. Zeer veelvuldig is hij in Zuid-Europa, vooral in Spanje; bij ons echter is hij evenmin zeldzaam. Hij bewoont bij voorkeur vruchtbare gewesten, waar kleine boschjes met akkers, weiden en tuinen afwisselen; in alle vlakten is hij zeer talrijk; hij houdt zich in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen op, maar vermijdt de wouden. Bij ons vertoeft hij van April tot October; in Duitschland, waar hij na den broedtijd in sommige streken zwerft, blijft hij soms den winter over, in Zuid-Europa is hij standvogel.
Alleen op den trek vereenigen de Groenlingen zich tot talrijke vluchten met verwante Vogels, o.a. met Vinken en Keepen, met Ringmusschen, Geelgorsen, Kneutjes en dergelijke. In de andere jaargetijden leven zij bij paren of familiën. Ieder paar vestigt zich in een klein boschje of in een tuin, kiest hier een dicht bebladerden boom als slaapplaats uit en zwerft van hier uitgaande in den omtrek rond om voedsel te zoeken. Over dag ziet men den Groenling meestal op den grond, waar hij allerlei zaden oppikt. Als hem eenig gevaar bedreigt, vlucht hij in den naastbijgelegen boom en verbergt zich in het loover van de kroon. Hoewel hij een plomp voorkomen heeft, is hij toch wakker en vlug. Op den bodem beweegt hij zich niet ongeschikt, hoewel huppelend; het vliegen kost hem weinig inspanning en geschiedt volgens een boogvormige lijn. Bij het opvliegen laat hij gewoonlijk zijn loktoon, een kort afgebroken “tsjiek” of “tsjek” hooren, soms vele malen achtereen. Om teedere gevoelens uit te drukken gebruikt hij den buitengewoon zachten, maar toch op grooten afstand hoorbaren klank “tswoeï” of “sjwoensj”. Deze dient ook als waarschuwend sein, maar gaat dan gewoonlijk gepaard met een zacht, helder gefluit. Op plaatsen, waar de Groenling zich veilig acht, is hij zeer weinig schuw, in gezelschap van andere wezens evenwel dikwijls zeer voorzichtig.
Zijn voedsel bestaat uit zaden van zeer verschillende, ook wel van vergiftige planten, bij voorkeur echter uit zulke, die veel olie bevatten, zooals raapzaad, krodde, herik, hennepzaad en dergelijke.
Gewoonlijk broedt hij tweemaal, in gunstige zomers ook wel driemaal. Het half bolvormige nest wordt op hooge boomen of struiken in een stevigen gaffel of dicht bij den stam gebouwd en, al naar de gesteldheid van de omgeving, van zeer verschillende stoffen vervaardigd. Dorre rijsjes en worteltjes, kweek, droge halmen en wortels van grassen vormen de onderlaag, waarop een laag fijnere stoffen van dezelfde soort volgt, gewoonlijk gemengd met groene, op den bodem geplukte bladmossen of korstmossen of ook wel met propjes wol. Voor het bekleeden van de nestholte dienen eenige uiterst fijne worteltjes en halmpjes, waarop en waartusschen haren van Paarden, Herten en Reeën liggen en waarmede soms ook wel kleine vlokjes van dierlijke wol saamgeweven worden. Tegen het einde van April vindt men het eerste, in Juni het tweede, in het begin van Augustus het derde broedsel in het nest. Het bestaat uit 4 à 6 zeer buikige, dun- en gladschalige eieren, die op blauwachtig witten of zilverkleurigen grond, vooral aan het stompe einde, met lichtroode, scherp begrensde of uitvloeiende vlekjes en puntjes voorzien zijn. Het wijfje broedt alleen. De jongen worden met zaden grootgebracht. Insecten eten de Groenlingen, naar ’t schijnt, nooit. Toch brengen zij nog wel eenig nut aan door het eten van onkruidzaden. In moestuinen richten zij schade aan. Onze kleine Roofdieren, alsmede Eekhoorns, Hazelmuizen, Kraaien, Eksters, Klauwieren en Gaaien plunderen vele groenlingnesten en verslinden ook de oude Vogels, wanneer zij deze vangen kunnen. Toch neemt hun aantal bij ons eerder toe dan af.
*
De tot het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld beperkte Barmkneuters (Acanthis) worden als vertegenwoordigers van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij kenmerken zich door den echt kegelvormigen, ronden, korten, in een scherpe spits eindigenden snavel, de tamelijk lange, smalle, puntige vleugels en den aan ’t einde gaffelvormig uitgesneden, scherphoekigen staart.
Ons Kneutje, ook wel Vlamsijs, Hennepvink of Kneuter, in Gelderland Lukker, in Utrecht, Friesland en Groningen Robijntje, in het land van Kuik Heimourik genoemd (Acanthis cannabina), is op den voorkop bruingeelachtig wit, op de kruin prachtig karmijnrood, op de zijden van den achterkop en den hals aschgrauw met roodachtig gele streepjes, op den rug en de schouders kaneelbruin; de keel en de gordel zijn bruinachtig wit met donkergrijze strepen en vlekken; het midden van de borst, de buik en de onderdekveeren van den staart wit, de zijden van de borst helder karmijnrood, de flanken licht kaneelkleurig, de zwarte handpennen aan de buiten- en de binnenzijde sneeuwwit, aan de spits lichtbruinachtig, de zwartbruine armpennen lichter van kleur en met breedere, licht kaneelkleurige zoomen, de staartveeren zwart, aan weerszijden met helder witte kanten, de bovendekveeren van den staart zwart met witte zoomen. De iris is donkerbruin, de snavel loodkleurig grijs, aan den wortel donkerder, de poot roodachtig grijs. In het winterkleed zijn alle tinten minder zuiver en is het rood door grijze vederranden bedekt. Totale lengte 13, staartlengte 5.5 cM.
Het Kneutje bewoont geheel Europa, Klein-Azië en Syrië en komt op den trek in Noordwest-Afrika, zelden echter in Egypte. Bij ons wordt het algemeen broedend aangetroffen in droge zandstreken, duinen en heiden, vooral wanneer deze met doornstruiken of laag hout begroeid zijn; in de lage landen ontbreekt het. In Duitschland is het overal veelvuldig, het meest nog in heuvelachtige gewesten. Het vermijdt de hooge gebergten en evenzeer uitgestrekte wouden.
Het Kneutje verdient een plaats onder de lieftalligste en bekoorlijkste, inheemsche Vinken, zonder nog te rekenen, dat het door zijn gezang een der meest gewilde kooivogels is. Gezellig, opgewekt, levendig en tamelijk schuw van aard, zijn de Kneutjes buiten den broedtijd altijd tot kleine en groote vluchten vereenigd. In den herfst, gewoonlijk reeds in Augustus, vormen zij groote zwermen; men ziet er dan honderd en meer bijeen. In den winter vermengen zij zich met de Groenlingen, ook wel met de Vinken en Keepen, met de Ringmusschen en de Geelgorsen. In de lente na de paring scheiden zij zich van elkander af, hoewel zij dikwijls vreedzaam in elkanders nabijheid broeden. De Kneuter vliegt zonder inspanning en tamelijk snel, bij rukken en zwevend; vooral voordat hij neerstrijken zal beschrijft deze Vogel dikwijls kringen in de lucht. Dikwijls komt hij al vliegend dicht bij den bodem, zoodat men zou kunnen meenen, dat hij zal gaan zitten; niet zelden stijgt hij dan echter weer omhoog en vliegt een heel eind verder. Op den grond huppelt hij tamelijk behendig rond. Als hij in de boomen zingt, zit hij op den hoogsten top of op een vrij uitstekenden tak; dit doet hij ook in de struiken, vooral in jonge dennen en sparren; over ’t algemeen zit hij gaarne op een top, zelfs wanneer hij niet zingt.
Door zijn bekwaamheid als zanger overtreft hij de meeste leden zijner familie; zijn gezang begint gewoonlijk met de klanken “gek gek”; door deze geluiden worden echter klankvol gefloten tonen heengemengd, beide worden met veel afwisseling en vuur ten gehoore gebracht. Jong in de kooi geplaatste mannetjes leeren gemakkelijk het gezang van andere Vogels nabootsen of wijsjes nafluiten.
Het Kneutje9 vertoeft bij ons in den regel van April tot October en verhuist dan naar de minder koude streken van Europa, waar het gedurende den winter rondzwerft. Reeds in April begint het zijn nest te bouwen; gedurende den zomer broedt het minstens twee-, gewoonlijk echter driemaal. Het nest vindt men op allerlei struiken, vooral doornstruiken, ook somtijds op boomen, maar zelden boven manshoogte. De buitenste laag bestaat uit rijsjes, worteltjes en grashalmen, heide en dergelijke materialen; bij ’t voortzetten van den arbeid worden deze bouwstoffen steeds fijner gekozen, waardoor als ’t ware een tweede laag in den wand van het nest ontstaat. De nestholte wordt van binnen bekleed met wol van dieren en planten, vooral echter met paardenhaar. De eieren 4 of 5 in getal, zijn op blauwachtig witten grond met verspreide lichtroode, donkerroode en kaneelbruine stippels en streepjes geteekend. Zij worden uitsluitend door het wijfje uitgebroed; de jongen, die na verloop van 13 à 14 dagen uitkomen worden met allerlei vooraf in den krop geweekte zaden gevoederd; vooral voor die van het laatste broedsel wordt deze arbeid door de beide ouders gemeenschappelijk verricht. Terwijl het wijfje op het nest zit, gaat het mannetje dikwijls op een naburigen boom zitten en zingt zeer ijverig. In tegenstelling met de Vinken leven de Kneutjes ook gedurende den broedtijd met elkander in vrede. De mannetjes van verscheidene dicht bij elkander broedende wijfjes maken hunne uitstapjes niet zelden met elkander en zingen zonder te krakeelen gezamenlijk naast de nesten.
Het Kneutje voedt zich bijna uitsluitend met zaden, maar wordt toch nergens als een bijzonder schadelijken Vogel beschouwd, tenzij men het de strooperijen waaraan het zich in tuinen schuldig maakt ten nadeele van de zaden van kool, rapen, salade en dergelijke groenten, onbehoorlijk hoog zou willen aanrekenen. Het onkruid levert waarschijnlijk de hoofdschotel van zijne maaltijden. Het eet zaden van weegbree, paardenbloemen, van allerlei soorten van kool, papavers, hennep en rapen en vooral ook van grassen.
Met recht wordt het Kneutje als een der meest aanbevelenswaardige kamervogels beschouwd; het stelt minder hooge eischen dan verreweg de meeste, wordt jegens den persoon, die het grootgebracht en verder verzorgd heeft, dikwijls zeer vriendschappelijk gezind, en zingt bijna gedurende het geheele jaar met vlijt en ijver.
Het Fratertje, dat in Friesland Heidebarmpje in Groningen Barm en Grauwe Barm wordt genoemd (Acanthis flavirostris)10, vervangt het Kneutje in het hooge noorden van Europa, o. a. in het noorden van Groot-Brittannië en in Skandinavië. Het komt bij ons en in de overige landen van Middel-Europa, in het voor- en najaar op den doortrek; ook overwintert het in deze streken, hier en daar rondzwervend; in sommige jaren is het hier veel talrijker vertegenwoordigd dan in andere. De bovendeelen zijn grootendeels zwartbruin; met roestkleurige randen om de veeren; de staartwortel is rood, de borst roestbruin; de onderdeelen zijn overigens wit. De zeer korte snavel is wasgeel, de neusgaten zijn met stijve borstelveeren bedekt. Totale lengte 13, staartlengte 6.5 cM.
Het Barmsijsje of Paapje, in Groningen en Friesland Steenbarmpje genoemd (Acanthis linaria)11, is een andere, veelvuldig bij ons verschijnende, in het hooge noorden broedende soort van hetzelfde geslacht. De voorkop en de kruin zijn donker karmijnrood, de achterkop en de overige bovendeelen dof roestbruin met donkerbruine, overlangsche strepen, de staartwortelveeren bleek karmijnrood, de bovendekveeren van den staart donkerbruin, de wangen en de oorstreek roestbruin met donkerder streepjes, de voorste gedeelten van de wangen, de keel, den krop en de zijden van de borst karmijnrood (de veeren van het midden der keel met smalle, witte zoomen), de overige onderdeelen wit, de slagpennen donkerbruin met twee lichte banden over den vleugel, de staartveeren donkerbruin. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel hoornblauw, de ondersnavel geel, de voet grijsbruin. Totale lengte 13, staartlengte 6 cM.
Het verbreidingsgebied van het Barmsijsje omvat den kouden gordel van de Oude en de Nieuwe Wereld, zoover de boomgroei reikt. Van hieruit trekt het ieder jaar naar zuidelijker gewesten en verbreidt zich in de wintermaanden van sommige jaren in onbegrijpelijke menigte over de gematigde streken van het noordelijk halfrond, ook over Nederland en meer zuidelijke landen, somtijds zelfs over Egypte. Enkele paren broeden echter in het Reuzengebergte en in de Karpathen. Ieder, die de ontzaglijke berkenwouden van het hooge noorden doorkruist of althans gezien heeft, begrijpt, waarom het Barmsijsje niet in elken winter even veelvuldig bij ons verschijnt. Alleen wanneer in het noorden de berken niet veel vruchten dragen en onze Vogel dus gebrek aan voedsel heeft, ziet hij zich genoodzaakt naar zuidelijker streken te verhuizen.
Het leven van het Barmsijsje is even nauw verbonden aan de aanwezigheid van berkenbosschen, als het bestaan van den Kruisbek van de naaldhoutbosschen afhangt. In het berkenwoud vinden onze Vogels in den winter zaden, in den zomer gedurende den broedtijd Insecten in zeer groote hoeveelheid. Kort nadat zij op hunne broedplaatsen aangekomen zijn, verstrooien deze overigens zoo gezellige Vogels zich in meerdere of mindere mate, om zich te wijden aan den bouw van hunne nesten. Deze zijn meestal laag boven den grond op struikachtige berken gelegen, komen, wat het bouwplan betreft, het meest met die van onze Kneutjes overeen, zijn napvormig en bestaan uit fijne twijgjes, die de onderlaag—, halmen, bladmossen, korstmossen en haren, die den wand—, alsmede uit veeren, die de binnenbekleeding vormen. De 3 à 5 eieren, die men er in den regel niet vóór het midden van Juni in vindt, zijn op lichtgroenen grond dofrood en lichtbruin gevlekt en gestippeld.
Het Barmsijsje is even goedaardig als ongedurig, behendig en wakker. In het klauteren meer ervaren dan al zijne verwanten wedijvert het niet slechts met den Kruisbek, maar ook met de zoo beweeglijke Meezen. Berken, welker draadvormige twijgen met een zwerm van deze fraaie Vogels bedekt zijn, leveren een prachtig schouwspel op. In de meest verschillende houdingen hangen alle leden van het gezelschap aan de twijgen of klimmen hierlangs op en neder, ijverig bezig met het oppikken van hun voedsel uit de berkenkegeltjes. Ook op den bodem huppelen zij behendig rond. De loktoon is een dikwijls herhaald “tsjettsjek”, dat vooral bij het opvliegen uit aller keel weerklinkt; dikwijls wordt er een teeder klinkend “main” aan toegevoegd. Deze beide geluiden, door een ongeregeld gekweel aaneengekoppeld, maken de hoofdbestanddeelen uit van het gezang, dat met eenige trillers besloten wordt.
In de kooi maken deze lieve vogeltjes zonder eenigen schroom gebruik van het hier aanwezig voedsel en worden na verloop van zeer korten tijd buitengewoon mak; zij zijn met zeer eenvoudig voer tevreden, wekken door hun beweeglijkheid en vaardigheid in ’t klimmen de belangstelling van den toeschouwer en sluiten weldra een innige vriendschap met andere kleine Vogels, die zij op de meest verschillende wijzen liefkozen. Hun gezellige aard strekt hun ten verderve, wanneer de vogelvanger hun lagen legt; want, zoodra er één gevangen is, kost het weinig moeite er meer te vangen, daar deze op den loktoon van hun soortgenoot afkomen.
Bij de hier te lande voorkomende zwermen van Barmsijsjes ontmoet men soms eenige exemplaren van een in Schotland en in de oostelijke Alpen (o.a. in Salzburg) broedende soort; deze is wegens zijn 1 à 1.5 cM. geringere lengte bekend onder den naam van Klein Barmsijsje en wordt door de vogelhandelaars ook wel Steenbarmpje genoemd (Acanthis rufescens). Zij verschilt van de vorige door de rozeroode tint van de witte onderdeelen en doordat niet alleen de stuurpennen, maar ook de slagpennen vuilwit gezoomd zijn. De snavel is geelachtig, de pooten zijn zwart.
Veel zeldzamer dan de vorige soort wordt een enkele maal in Nederland te midden van zijne verwanten het in Groenland broedende Langsnavelige Barmsijsje (Acanthis Holbölli) aangetroffen. Deze soort is kenbaar aan den langen, helder oranjegelen, op den rug zwarten snavel. In grootte komt zij met het gewone Barmsijsje overeen.
*
De Sijsjes (Chrysomitris) kenmerken zich door den langen, in een fijne spits eindigenden, langs de rijglijn flauw gekromden snavel, de met korte nagels gewapende teenen en de betrekkelijk lange vleugels.
Ons Sijsje (Chrysomitris spinus) is op den geheelen bovenkop en den nek zwart, op den achterhals, den mantel en de schouders geelgroen met donkere, overlangsche streepjes; het voorste gedeelte van de wangen, de keel, de zijden van den hals, de krop en de bovenborst zijn fraai olijfkleurig geel, de onderborst en de buik bijna wit, de zijden wit met zwarte, overlangsche vlekken, de overige onderdeelen, de stuit en een streep boven de oogen citroengeel, de bovendekveeren van den staart groen, de slagpennen bruinzwart met gele zoomen, vleugeldekveeren olijfgroen, de staartveeren geel, aan ’t einde zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel vleeschkleurig met zwartachtige spits, de poot bruin. Bij ’t wijfje zijn de veeren van de bovendeelen (ook de bovenkop) groenachtig bruin, die van de onderdeelen vuilwit met donkere schaftvlekken; de vleugels en de staart zijn merkbaar bleeker dan bij het mannetje. Totale lengte 12, staartlengte 4.5 cM.
Het verbreidingsgebied van het Sijsje omvat geheel Europa en Azië, zoover deze werelddeelen met bosschen bedekt zijn, noordwaarts strekt het zich uit tot op de breedte van het midden van Noorwegen. In vele van deze landen is het echter slechts als trekvogel bekend. In Nederland is het enkele malen broedend aangetroffen in Gelderland (Schlegel), een paar malen in Friesland (Oudeschoot, Beetsterzwaag), ook te Kralingen (Albarda). Verreweg de meeste Sijsjes komen hier op den trek in het najaar en blijven hier veelal den geheelen winter rondzwerven, om in ’t voorjaar weer naar hunne broedplaatsen te vertrekken. In Duitschland zijn zij zwerfvogels, die buiten den broedtijd verre tochten ondernemen, maar hun vaderland slechts zelden verlaten. Gedurende den zomer bewonen zij de naaldhoutbosschen van bergachtige streken, broeden hier en gaan vervolgens zwerven. In noordelijker gewesten zijn zij trekvogels; deze exemplaren zijn het, die ’t najaar hier of in nog zuidelijker gelegen gewesten komen overwinteren. In sommige winters ziet men ze bij duizenden in of bij de dorpen, in andere winters zijn zij schaars. Zij vermijden boomlooze oorden en houden zich voortdurend in de bovenste twijgen van de boomkronen op.
“Het Sijsje is,” zegt Naumann, “altijd opgewekt, flink en driest; het houdt zijne veeren steeds netjes, hoewel het ze meestal niet tegen het lichaam aanlegt; het beweegt zich vlug in alle richtingen, keert en draait dikwijls het achterlijf van links naar rechts en van boven naar beneden huppelt, stijgt en klimt voortreffelijk, kan met den kop naar onderen aan den top van een heen en weer schommelend takje hangen, langs loodrechte, dunne loten buitengewoon snel op en neer wippen en doet in al deze opzichten niet veel onder voor de Meezen. Zijn wijze van zitten op de takken is zeer verschillend; nergens blijft het lang in rust, tenzij het aan ’t eten is. Ook op den grond huppelt het met gemak en vlug, hoewel het deze bewegingswijze zooveel mogelijk tracht te vermijden.” Het vliegt snel en zonder inspanning en volgt een golvende lijn; het ziet er daarom niet tegen op over groote afstanden te vliegen en stijgt tot een aanzienlijke hoogte op. Zijn loktoon klinkt als “trettet” of als “tettertettet” en “di di” of “di di lei”. Met de laatstgenoemde klanken begint het mannetje gewoonlijk zijn gezang, een niet zeer uitmuntend, maar recht gezellig gekweel, waaraan als slot een lang gerekt “dididlidlideideeee” wordt toegevoegd. Het Sijsje is argeloos en gemeenzaam, gezellig, vreesachtig, vreedzaam en tot op zekere hoogte lichtzinnig; het bekommert zich althans weldra niet meer om het verlies van zijn vrijheid. Als kamervogel is het zeer aan te bevelen. Daar het buitengewoon leerzaam is, kan het in korten tijd allerlei aardige kunstjes leeren verrichten, neemt allerlei voedsel voor lief, is verdraagzaam jegens alle overige Vogels, in welker gezelschap het moet leven, vat een buitengewone genegenheid op voor zijn meester, gewent er aan vrij uit en in de kooi te vliegen, luistert naar en gehoorzaamt aan de roepstem van den mensch en plant zich in de gevangenschap even gemakkelijk voort als eenige andere Vogel, die van zijn vrijheid beroofd is.
Verschillende soorten van zaden, hoofdzakelijk van boomen, jonge knoppen en bladen, gedurende den broedtijd echter Insecten, vormen het voedsel van het Sijsje. De jongen worden voornamelijk met Insecten, meestal met kleine rupsen, Bladluizen enz., grootgebracht en, kort nadat zij hebben leeren vliegen, door hunne ouders naar tuinen en boomgaarden gebracht, omdat hier gewoonlijk meer Insecten te vinden zijn dan in meer dichte bosschen.
De vorm en de samenstelling der nesten is eenigszins ongelijk; van buiten bestaan zij echter hoofdzakelijk uit droge rijsjes, voorts uit bladmossen, die op boomen groeien en korstmossen van sparreboomen, schapenwol en dergelijke bouwstoffen, die door spinsels van rupsen stevig met elkander verbonden worden; van binnen zijn zij bekleed met een dichte laag van worteltjes, plantenwol, korstmossen, bladmosstengeltjes, grasblaadjes en veeren. De wanden van het nest zijn zeer dik, de napvormige holte is tamelijk diep; men vindt er 5 of 6 eieren in; deze zijn ongelijk van vorm, grootte en kleur, op blauwachtig witten of bleek groenachtig blauwen grond met meer of minder duidelijke stippels, vlekken en aders geteekend. Het wijfje broedt alleen en wordt gedurende dit bedrijf door het mannetje uit den krop gevoederd; de jongen komen binnen 13 dagen uit. De beide ouders bemoeien zich met de opvoeding der jongen.
Het Sijsje heeft van zijne vijanden veel te lijden; zijn argeloosheid en gezelligheid brengen het, wanneer het door menschen of roofdieren belaagd wordt, dikwijls in ’t ongeluk.
*
De algemeen bekende Distelvink of Putter, in Groningen ook wel Kletter genoemd (Carduelis elegans), vertegenwoordiger van een gelijknamig, weinige soorten omvattend geslacht (Carduelis), dat in de Oude Wereld inheemsch is, kenmerkt zich door den zeer langwerpig tolvormigen, in een scherpe spits uitloopenden, een weinig naar beneden gekromden snavel, de korte, stevige pooten, welker lange teenen met scherpe nagels gewapend zijn, de spits toeloopende vleugels, van welker slagpennen de vijf eerste de langste zijn, den middelmatig langen, aan den top flauw uitgeranden staart en de losse bevedering. Zijn kleed is zeer bont van kleur. Een smalle band rondom den snavel, de teugel, het midden van de kruin en de achterkop zijn donkerzwart; de voorkop, het achterste gedeelte van de wangen en de keel zijn schel karmijnrood, de slapen en het voorste gedeelte van de wangen wit, de nek, de schouders en de rug geelachtig, de krop en de zijden van de borst licht roodachtig bruin, de gorgel, de staartwortel en de nog niet genoemde onderdeelen wit; de eerste slagpennen zijn over haar geheele lengte donkerzwart, de overige aan de buitenzijde hooggeel op het derde gedeelte, dat het dichtst bij den wortel gelegen is, en vóór de spits met een naar achteren zich vergrootend witachtig schildje versierd. Het oog is nootbruin, de snavel roodachtig wit, maar aan de spits zwart, de poot blauwachtig vleeschkleurig. De mannetjes en de wijfjes gelijken sprekend op elkander. Bij de jongen zijn het rood en het zwart aan den kop nog niet aanwezig. Totale lengte 13, staartlengte 5 cM.
Van ’t midden van Zweden te beginnen wordt de Distelvink in geheel Europa gevonden; hij komt ook voor op Madera, de Kanarische eilanden, in het noordwesten van Afrika en in een groot deel van Azië, van Syrië af tot in Siberië. Op Cuba is hij verwilderd, op Nieuw-Zeeland met goed gevolg ingevoerd. Binnen de grenzen van het genoemde verbreidingsgebied ontbreekt deze soort, naar het schijnt, nergens en neemt het aantal harer vertegenwoordigers toe, naarmate aan het kweeken van fruit meer uitbreiding wordt gegeven; trouwens zij schikt zich uitmuntend in gewijzigde omstandigheden, maar wordt geenszins overal even veelvuldig aangetroffen. In Nederland broedt de Putter op vele plaatsen, waar hout groeit, zelfs in groote tuinen; gaarne houdt hij zich in populieren op, daarentegen mijdt hij de naaldboomen. In het begin van den herfst vereenigen de Distelvinken zich hier en daar tot groote zwermen; gezelschappen, die uit meer dan honderd leden bestaan, zwerven dan door ’t land. Gewoonlijk verdeelen deze scharen zich tegen den aanvang van den winter in kleinere troepen, die weken lang samenleven. Sommige trekken in September naar Zuid-Europa, om in April terug te keeren; enkele overwinteren hier. De meeste broedplaatsen worden gevonden in oorden, waar de bosschen met breedbladige boomen de overhand hebben, of waar fruit wordt gekweekt. Een woudbewoner in de eigenlijke beteekenis van het woord is de Distelvink niet, daar hij niet van aaneengeschakelde, met boomen begroeide terreinen houdt, maar zich liever in tuinen en parken, langs wegen, op grasperken of weiden en dergelijke plaatsen vestigt en hier gewoonlijk ook broedt.
De Distelvink is een zeer lieftallige Vogel, in alle lichaamsbewegingen goed ervaren, onrustig, behendig, schrander en listig; zijn houding is sierlijk en maakt den indruk, alsof hij zich bewust is van zijn schoonheid. Hij is een echte boomvogel, komt slechts ongaarne op den bodem en beweegt zich hier ook tamelijk ongeschikt; hij klimt daarentegen als een Mees, houdt zich evenals het Sijsje met gemak onder aan de dunste twijgen vast en blijft in deze houding eenige minuten lang aan ’t werk. Hij vliegt snel en met gemak, volgt evenals de meeste Vinken een golvende lijn en zweeft alleen dan, als hij zich wil nederzetten. Als rustplaats geeft hij de voorkeur aan de hoogste toppen van boomen en struiken; nooit blijft hij lang op één plaats, altijd komt zijn onrust weer boven. Jegens den mensch toont hij zich steeds voorzichtig; schuw is hij echter alleen dan, als hij reeds vervolgingen te verduren heeft gehad. Met andere vogels leeft hij in vrede, maar toont eenigzins neiging om met hen te stoeien. Zijn lokstem heeft aanleiding gegeven tot zijn Duitschen naam “Stieglitz”, die een navolging is van de klanken “Stiegliet”, “piekelniet” en “piekelniek kie kleia”, welke hij zoowel zittend als onder ’t vliegen laat hooren. Een zacht “mai” wordt als waarschuwend sein gebruikt, door het heesche “rèrèrèrè” openbaart hij een onaangename aandoening. De jongen roepen “tsief lietsie tsie” enz. Het gezang van het mannetje is luid en aangenaam, hoewel de tonen, ieder afzonderlijk genomen, bij die van het Kneutje achterstaan, wat klank en volheid betreft; het zingt met veel afwisseling en zoo vroolijk, dat de vogelliefhebber den Distelvink ook wegens zijn gezang in in hooge eer houdt. In de kooi zingt hij bijna gedurende het geheele jaar; in de vrije natuur zwijgt hij alleen in den ruitijd en bij ongunstige weersgesteldheid.
Het voedsel van den Distelvink bestaat uit velerlei zaden, vooral echter uit die van berken en elzen en niet minder uit die van distels in de uitgebreidste beteekenis van het woord; men kan er daarom staat op maken hem te zullen aantreffen op plaatsen, waar distels of klissen groeien. In den zomer eet hij bovendien Insecten en met deze brengt hij zijne jongen groot. In ieder jaargetijde is zijn werkzaamheid dus nuttig voor ons, niet minder door het azen op schadelijk onkruid als door het vangen van Insecten.
De Distelvink bouwt zijn stevig, dicht ineengewerkt, kunstig nest in bosschen met verspreid staande breedbladerige boomen of in boomgaarden, dikwijls in tuinen en in de onmiddellijke nabijheid van huizen, gewoonlijk 6 à 8 M. boven den grond, meestal in een gaffel van het bovenste deel der kroon; het is zoo goed verborgen, dat het van onderen eerst dan zichtbaar wordt, als de bladen van de boomen vallen. Groene korstmossen, die op de boomen en bladmossen, die op den grond groeien, fijne worteltjes, droge halmpjes, vezels, en veeren, alles aaneenverbonden door spinsels van insectenlarven en Spinnen, vormen den buitenwand van het nest; de binnenbekleeding bestaat uit een laag vruchtpluis van distels, die door een dunne laag paardehaar en varkensborstels op haar plaats wordt gehouden. Het wijfje bouwt dit nest; het mannetje verdrijft haar intusschen den tijd door vlijtig te zingen, maar geeft zich slechts zelden de moeite direct behulpzaam te zijn bij het bouwen. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 broze, dunschalige eieren, die op witten of blauwgroenachtigen grond spaarzaam bedekt zijn met violetachtig grijze stippels, maar aan ’t stompe einde een kranswijze teekening vertoonen. Zelden vindt men deze eieren vroeger dan in Mei; waarschijnlijk heeft het broeden slechts éénmaal per jaar plaats. Het wijfje broedt alleen; de jongen verlaten na 13 of 14 dagen het ei; zij worden aanvankelijk met kleine insectenlarven, later met Insecten gevoederd; nadat zij uitgevlogen zijn, staan zij nog gedurende geruimen tijd onder de leiding van de ouders. Evenals het Kneutje brengt ook de Distelvink voedsel aan zijne jongen, wanneer zij vóór het uitvliegen in een kooi opgesloten worden.
*
De snavel van de Geelvinken (Serinus) is klein, kort, dik en voorzien van een stompe spits, van boven een weinig gewelfd, aan de boogvormige zijranden ingetrokken, met een ondiepen inham vóór de spits van den bovensnavel; de voet heeft een korten loop en niet bijzonder lange teenen, die met kleine, flauw gebogen nagels gewapend zijn; de vleugel is middelmatig lang en scherp; zijn spits wordt gevormd door de tweede en de derde slagpen; de staart is middelmatig lang en aan het einde tamelijk diep ingesneden.
Van de eenige, in Duitschland inheemsche soort van dit geslacht, de Europeesche Kanarievogel, het Geel Sijsje, de Gewone Geelvink (Serinus hortulanus), werden sedert 1887 in de wintermaanden herhaaldelijk ook in Nederland enkele exemplaren gevangen, n.l. in Utrecht (Amersfoort), Noordbrabant (’s Hertogenbosch, Vucht), Gelderland (Harderwijk, Doornspijk), voorts te Breskens in Zeeuwsch-Vlaanderen (Albarda). Haar totale lengte bedraagt 12.5 cM., terwijl de staart 6 cM. lang is. De hoofdkleur van het vederenkleed is fraai groen; de achterkop, de rug en de schouders zijn groengeel met uitvloeiende, zwarte, overlangsche vlekken; de voorkop, een streep achter de oogen en een ring aan den nek, de staartwortel en de onderdeelen zijn bleek goudgeel, welke kleur op den buik lichter wordt en op de onderdekveeren van den staart in wit overgaat; de borst en de zijden van den buik zijn met groote, donkerzwarte, overlangsche vlekken geteekend; de slagpennen zijn zwartbruin, aan de buitenzijde met groenachtig gelen, aan de spits met witten zoom, de stuurpennen bruinzwart, aan de binnenzijde met witachtig gelen, aan de buitenzijde met groenachtig gelen zoom. De iris is lichtbruin, de bovensnavel hoorngrijs, de ondersnavel roodachtig grijs, de poot geelachtig vleeschkleurig.
Oorspronkelijk in het zuiden van Europa en in Klein-Azië inheemsch, heeft de Europeesche Kanarie de grenzen van zijn verbreidingsgebied langzamerhand noordwaarts uitgebreid; hij doet dit ook thans nog en vestigt zich, steeds verder voortschrijdend, in gewesten, waar hij een menschenleeftijd geleden nog in ’t geheel niet gevonden werd.
In Duitschland is de Europeesche Kanarie een zwerfvogel, die geregeld in het voorjaar, en wel in de laatste dagen van Maart of in de eerste dagen van April, verschijnt en tot in het laatst van den herfst blijft. In geheel Zuid-Europa vliegt hij gedurende den winter hoogstens van de eene plaats naar de andere, zonder evenwel werkelijk te zwerven. Hij is er veel overvloediger dan in Duitschland, bewoont oorden met zeer verschillende gesteldheid en ontbreekt zelfs op hooge bergtoppen niet. Boomgaarden, in welker nabijheid zich moestuinen bevinden, lokken hem het meest aan, daarom komt hij in Duitschland in sommige streken zeer veelvuldig, in andere dichtbij gelegene in ’t geheel niet voor.
De Europeesche Kanarie is een aardige, levendige en aanvallige Vogel, altijd wakker en goed geluimd, gezellig en vreedzaam, zoolang de liefde geen aanleiding geeft tot scheiding, afzondering en strijd. Die welke het eerst bij ons aankomen, zijn steeds mannetjes; de wijfjes volgen later. Gene worden onmiddellijk opgemerkt wegens hun gezang en hun onrustigen aard; zij gaan op de hoogste boomtoppen zitten, laten de vleugels hangen, richten den staart een weinig op, draaien zich voortdurend naar alle zijden en zingen intusschen zeer ijverig. Dit gezang wordt door Hoffmann zeer juist vergeleken met het lied van den Bastaardnachtegaal, dat evenwel zachter is. Uitmuntend kan men het niet noemen, daar het te eenvormig is en te veel snorrende geluiden bevat; ik moet echter erkennen, dat het op mij altijd een aangenamen indruk heeft gemaakt.
Het nest gelijkt nog het meest op dat van onzen Vink; het wordt op zeer verschillende wijzen samengesteld; soms bestaat het bijna geheel uit dunne worteltjes, soms uit allerlei halmen; van binnen is het bijzonder fijn en zacht met haren en veeren bekleed. Het is nu eens hooger, dan weer lager geplaatst, maar altijd zooveel mogelijk verborgen te midden van de dicht opeengepakte twijgen van een struik of van een boom. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 kleine, stompe, buikige eieren, die op vuilwitten of groenachtigen grond overal, aan het stompe einde echter meer dan aan de spits, met dofbruine, roode, roodgrijze, purperzwarte stippels, vlekken en krullen geteekend zijn. In Duitschland begint de broedtijd omstreeks het midden van April. Waarschijnlijk heeft het broeden minstens tweemaal per jaar plaats.
In Spanje vangt men de Europeesche Kanaries op de zoogenaamde “musschenboomen” bij duizenden ten behoeve van de keuken. Hiertoe worden de afgezonderd in ’t veld staande boomen, die aan de Vinkenzwermen tot rustplaats dienen, in groote hoeveelheid bestrooid met esparto (een hard, biesachtig gras, nadat dit met vogellijm bestreken is). Van de talrijke Vogels, die zich op zulke boomen neerzetten, ontsnapt ternauwernood het vierde gedeelte aan de verraderlijke lijmroeden; niet alleen Kanaries, maar ook Vinken en zelfs Arenden vallen den vogelvanger ten buit.—In de kooi maakt de Europeesche Kanarie een aangenamen indruk; hij is echter niet zoo goed tegen de gevangenschap bestand, als men vermoed zou hebben.
“Drie eeuwen zijn voorbijgegaan,” zegt Bolle, “sedert de Tamme Kanarie de grenzen van zijn eigenlijk vaderland overschreden heeft en wereldburger geworden is. De beschaafde mensch heeft de hand naar hem uitgestrekt, hem naar andere gewesten overgebracht en zorg gedragen voor zijn vermenigvuldiging. Gedurende een groot aantal opeenvolgende geslachten is zijn lot aan dat van zijn meester verbonden geweest; dit heeft hem zeer groote veranderingen doen ondergaan. Licht zou men thans, in dezelfde dwaling vervallend als Linnaeus en Brisson, het goudgele huisdiertje kunnen beschouwen als type van de soort en den groenachtigen, in ’t wild levenden Vogel, die de kenmerken van den stamvorm onveranderd behouden heeft, bijna geheel vergeten.”