Er was een onderzoeker als Bolle noodig, om ons het leven van den Kanarie in de vrije natuur te schilderen. Door al zijne voorgangers, met uitzondering alleen van A. von Humboldt, werd aan dit onderwerp weinig zorg gewijd; bovendien zijn de door hen medegedeelde feiten zoozeer met onjuistheden vermengd, dat het moeite kost deze van gene te scheiden. Bolle, die ons een even zuiver als kleurenrijk beeld van den zoo belangrijken Vogel gegeven heeft, trof hem aan op de vijf eilanden van de Kanarische groep, die nog in het bezit zijn van bosschen, n.l. op Gran Canaria, Teneriffa, Gomera, Palma en Ferro. Hij meent echter te mogen aannemen, dat de Kanarie, die op de Kaapverdische Eilanden en op Madera inheemsch is, vroeger eveneens geleefd heeft op verscheidene van de Kanarische Eilanden, welker bosschen thans geheel uitgeroeid zijn. Op de boschrijke eilanden dezer groep bewoont hij alle oorden, waar dicht bijeengroeiende boomen met struiken afwisselen, bij voorkeur de oevers van de met weelderig groen omzoomde geulen, die gedurende het regenseizoen bekend zijn, en in het droge jaargetijde ophouden te vloeien; niet minder veelvuldig houdt hij zich echter op in de tuinen rondom menschelijke woningen. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van de zeekust tot meer dan 1500 M. daarboven in het gebergte. Overal, waar de eischen, die dit vogeltje aan ’t leven stelt, bevredigend worden, is het veelvuldig; in de wijnbergen algemeen, in de dennebosschen, die de hellingen van het gebergte bekleeden, niet zeldzaam; naar het schijnt, vermijdt het echter de binnenste gedeelten van de schaduwrijke wouden der hooge bergstreken, hoewel het de randen der wouden bewoont.
De Wilde Kanarie, die ook in zijn vaderland door de Spanjaarden en Portugeezen Canario wordt genoemd (Serinus canarius) is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook iets slanker, dan de Tamme in Europa geteelde vorm. Zijn totale lengte bedraagt 12 à 13 cM., de staart is 6 cM. lang. Op het oude mannetje zijn de rugveeren geelgroen met zwartachtige schaftstrepen; wegens de groote breedte van de licht-aschgrauwe randen dezer veeren heeft op den rug het aschgrauw bijna de overhand; de staartwortel is geelgroen; de bovendekveeren van den staart echter zijn groen met aschgrauwe randen; de kop en de nek zijn geelgroen met smalle, grijze randen; de voorkop en een breede streep achter de oogen, die aan den nek een kringvormige bocht verkrijgt, zijn groenachtig goudgeel, zoo ook de keel en de bovenborst; de zijden van den hals daarentegen zijn aschgrauw. De kleur van de borst wordt verder achterwaarts lichter, meer geelachtig; de buik en de onderstuitveeren zijn witachtig, de schouders fraai geelgroen met dofzwarte en bleekgroenachtige banden; de zwartachtige slagpennen hebben een smallen, groenachtigen, de zwart-grijze staartveeren een witachtigen zoom. De iris is donkerbruin; de snavel en de pooten zijn bruinachtig vleeschkleurig.
Het voedsel van den Wilden Kanarie bestaat grootendeels, zoo niet uitsluitend uit plantaardige stoffen; fijne zaden, malsch groen en sappige vruchten, vooral vijgen. “Water is voor den Kanarie volstrekt onmisbaar. Hij vliegt dikwijls, meestal in gezelschap, naar de drinkplaats; evenals onze tamme Kanarie, houdt hij veel van baden, waarbij hij zich zeer nat maakt.
Wilde Kanarie (Serinus canarius). ⅔ v. d. ware grootte.
“De paring en de nestbouw hebben plaats in Maart, meestal eerst in de tweede helft van deze maand. De door mij waargenomen nesten van deze Vogel lagen minstens 2 M. boven den grond, dikwijls veel hooger. Voor jonge, nog slanke boompjes schijnt hij een bijzondere voorliefde te gevoelen; van deze kiest hij het liefst de altijd groene of zeer vroeg in ’t blad staande soorten uit. Het eerste nest, dat wij te zien kregen, vonden wij op een der laatste dagen van Maart 1856 te midden van een verwilderden tuin van de villa Orotava op een ongeveer 4 M. hoogen buksboom, die boven een myrtenboschje uitstak. Het rustte op een gaffel en was van onderen breed, van boven zeer nauw, buitengewoon sierlijk afgerond, net en regelmatig gebouwd, grootendeels uit sneeuwwitte plantenwol samengesteld, waardoor slechts weinige droge halmpjes heengeweven waren. Het eerste ei werd den 30sten Maart gelegd: iederen dag werd er een toegevoegd, totdat er vijf eieren in het nest waren, hetwelk het gewone getal schijnt te zijn in ieder broedsel. De eieren zijn bleek zeegroen en met roodachtig bruine vlekken bezaaid, zelden bijna of geheel effen van kleur. Zij gelijken volkomen op die van den tammen Vogel. In den duur van het broeden is door het temmen geen verandering gekomen; ook de Wilde Kanarie broedt ongeveer 13 dagen. De jongen blijven in het nest, totdat zij volkomen bevederd zijn en worden nog eenigen tijd na het uitvliegen door de beide ouders, vooral echter door den vader, met veel zorg uit den krop gevoederd. Het aantal broedsels in één zomer bedraagt in den regel vier, soms niet meer dan drie. Terwijl het wijfje broedt, zit het mannetje niet ver af, bij voorkeur boven in boomen, die nog geen bladeren hebben. Op zulke plaatsen zingt hij het liefst en het langst achtereen.
“Veel is er over de waarde van het gezang van den Wilden Kanarie gesproken. Door eenigen overschat en al te zeer geprezen, is het door anderen zeer streng beoordeeld. Men is niet ver van de waarheid verwijderd, wanneer men zegt, dat de Wilde Kanarie op dezelfde wijze zingt als onze Tamme. De slag van den laatstgenoemden is volstrekt geen kunstproduct, niet als een geheel aangeleerd, maar over ’t algemeen gelijk gebleven aan het oorspronkelijke gezang. Het moge zoo zijn, dat de opvoeding enkele gedeelten van het gezang heeft kunnen veranderen en ze tot een schitterender ontwikkeling heeft gebracht, dat andere bij de in den natuurstaat levende Vogels frisscher en zuiverder zijn gebleven, over ’t geheel genomen komen de beide Vogels door de voornaamste eigenaardigheden van hun gezang ook thans nog volkomen overeen. Hieruit blijkt, dat, moge een volk zijn taal kunnen verliezen, een vogelsoort de zijne, ondanks allen wijzigingen van de uitwendige omstandigheden, onveranderd behoudt. Zoo luidt het onbevangen oordeel van den waarnemer. Bevooroordeeld wordt hij echter door de duizenden bekoorlijkheden van het landschap, door de tooverkracht van het ongewone schouwspel. Het fraaie gezang, dat hij hoort, wordt nog schooner en klankvoller, doordat het niet in de stoffige kamer, maar onder Gods vrijen hemel weerklinkt, waar rozen en jasmijnen de cipressen omstrengelen; bovendien verliezen de klankgolven, terwijl zij in de ruimte allengs wegsterven, de hardheid, die ons aan het gezang van den tammen Vogel, dat men meestal van zeer nabij hoort, niet bevalt. Hierbij komt nog, dat men niet uitsluitend met het oor hoort, maar onbewust ook de klanken verneemt, die de phantasie ons voor den geest toovert, hetgeen aanleiding geeft tot beoordeelingen, die later bij anderen ontgoochelingen doen ontstaan.
“De wijze van vliegen van den Wilden Kanarie gelijkt op die van het Kneutje. De vluchtlijn is eenigszins golvend en loopt meestal op matige hoogte van den eenen boom naar den anderen. Als de Vogels bij zwermen vliegen, zijn de leden van het gezelschap niet dicht opeengedrongen, maar houdt ieder zich op een korten afstand van zijn buurman en laat intusschen herhaaldelijk den kort afgebroken loktoon hooren.
“Het is zeer gemakkelijk deze diertjes te vangen; vooral als zij jong zijn gaan zij bijna in iederen val, wanneer er slechts een lokvogel van hun soort naast staat: hetgeen een bewijs te meer is voor hun groote neiging tot gezelligheid. Op de Kanarische Eilanden vangt men ze gewoonlijk in een soort van knipkooi, bestaande uit twee naast elkander gelegen afdeelingen, die als vallen dienst doen en ieder voorzien zijn met een dichtslaand deksel dat door een licht verplaatsbaar stelhoutje open wordt gehouden; deze vallen zijn vaneengescheiden door een in ’t midden aanwezige kooi, waarin zich de lokvogel bevindt. De vangst heeft plaats in boomrijke gewesten, waar water in de nabijheid is en levert de beste uitkomsten op in de vroege morgenuren. De prijs van jonge Vogels, die reeds vliegen kunnen, is te Santa Cruz gewoonlijk ongeveer 15 cents per stuk, wanneer men er verscheidene te gelijk koopt. Voor pas gevangen, oude mannetjes betaalt men 60 cents per stuk. Veel duurder zijn zij op Canaria in weerwil van den geringeren prijs der levensbehoeften aldaar, wat op zichzelf beschouwd reeds voldoende is om de grootere zeldzaamheid van de Kanarievogels op dit eiland te verklaren.
“Het duurt langen tijd, voordat de gevangen Kanaries de hun aangeboren wildheid afleggen. Wegens hun onrustigen aard beschadigen zij licht elkanders veeren, wanneer er verscheidene in een kleine kooi opgesloten worden. Zij houden er veel van elkander met den snavel te liefkoozen. De jonge mannetjes beginnen na verloop van korten tijd te kweelen; aan hun luid en langdurig gezang worden zij gemakkelijk herkend. De voedering van deze dieren vereischt veel zorg. Er bestaat misschien onder de zaadeters geen teergevoeliger Vogel. Men verliest de meeste aan kramp: de tweede of derde aanval van deze kwaal brengt in den regel den dood teweeg.”
*
Bij de Roodmusch (Pinicola erithrynus)12 heeft de snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog een iets grootere lengte en een sterker gekromden rug dan bij het vorige geslacht; in den tamelijk spitsen vleugel zijn de tweede en de derde slagpen de langste; de staart is middelmatig lang en flauw uitgerand, de loop krachtig, korter dan de middelste voorteen; de nagels zijn sterk gekromd en zijdelings samengedrukt.
Bij het mannetje van de Roodmusch zijn de kruin, de keel, de krop en de staartwortel karmijnrood, de achterhals en de rug bruingrijs, met donkere, karmijnrood getinte vlekken geteekend, de buik, de schenkels en de onderdekveeren van den staart vuilwit; de donkerbruine slagpennen zijn aan de buitenzijde roestgeelachtig wit gezoomd; de schouderveeren hebben licht bruinachtige randen en zijn karmijnrood getint; de stuurpennen zijn grijsbruin met iets lichteren zoom; de bovendekveeren van den staart hebben een karmijnrooden zoom. Bij het wijfje, heeft in plaats van karmijnrood, vaalgrijs de overhand. Het oog is bruin, de snavel licht-, de voet donkerhoornkleurig. Totale lengte 16, staartlengte 6 cM.
In Europa bewoont de Roodmusch als standvogel alleen de oostelijke landen, meer bepaaldelijk Galicië, Polen, de Oostzeeprovinciën, Middel- en Zuid-Rusland bovendien echter geheel Middel-Azië van den Oeral tot Kamtschatka. Van hier trekt zij geregeld naar ’t zuiden, door China tot Indië en door Toerkistan tot Perzië, verschijnt echter niet al te zelden in Oost-Duitschland, heeft in Silezië en Sleeswijk gebroed en werd herhaaldelijk in Middel-, West- en Zuid-Duitschland, Nederland (te Overveen en nabij Groningen), België, Frankrijk, Engeland en Italië waargenomen. Omstreeks het midden van Mei, op zijn vroegst in ’t einde van April, komt zij op hare broedplaatsen aan, van waar zij in September weder vertrekt. Als verblijfplaats kiest zij bij voorkeur dichte struiken in de nabijheid van het water, ook wel broekland, dat met riet en struiken begroeid is; zij blijft echter niet beperkt tot de lage streken, maar komt ook in heuvelachtige gewesten en zelfs in bergstreken tot boven 2000 M. hoogte voor. Veelvuldig is zij nergens, overal wordt zij verspreid waargenomen; gedurende den zomer vormt zij nooit groote zwermen.
Onmiddellijk na haar aankomst hoort men haar buitengewoon aantrekkelijk gezang, dat rijk aan afwisseling en klankvol is. Hoewel het aan den slag van den Distelvink, het Kneutje en den Kanarie herinnert, bezit het toch zooveel eigenaardigs, dat men het niet met het gezang van eenigen anderen Vink verwarren kan. In Kamtschatka heeft men, naar Von Kittlitz ons mededeelt, van dit lied een zeer aardig klankbeeld in Russische woorden gegeven: “tsjewitsja widel” (“ik heb den Tsjewitsja gezien!”). Tsjewitsja noemt men de grootste, daar aanwezige Zalmsoort, de meest gewilde Visch en het voornaamste voedingsmiddel van de inwoners van dat land; deze Visch komt ongeveer gelijktijdig met de Roodmusch in Kamtschatka aan. Het gezang van den Vogel wordt geacht de aankomst van den Zalm aan te kondigen; de Roodmusch is derhalve in een land, welks bewoners zich hoofdzakelijk met visch voeden, de voorbode van den schoonsten tijd van het jaar en van den hem begeleidenden buit.
Het voedsel van de Roodmusch bestaat uit allerlei soorten van zaden, ook wel uit bladknoppen en jonge uitspruitsels. Ook eet zij, althans in de kooi, mierenpoppen en andere dierlijke stoffen. In hare winterkwartieren voedt zij zich met de zaden van bamboes- en rietsoorten en bewoont hier uitsluitend plaatsen waar deze planten groeien; In Indië wordt zij daarom Reedsparrow (“Rietmusch”) genoemd. Hier, evenals in haar vaderland, bezoekt zij ook de akkers, maar brengt nergens een belangrijke schade aan de gekweekte planten toe.
De gevangen Roodmusch is een zeer aanvallige Vogel; haar kleur is echter vergankelijker dan die van eenigen anderen, met even schoone kleuren prijkenden Vink. Reeds wanneer men haar in de hand neemt, verliezen de veeren een deel van haar glans en diepte van kleur; bij het eerstvolgende ruien wordt het vederenkleed werkelijk wankleurig; zelden gebeurt het trouwens dat zij verscheidene jaren in de kooi blijft leven.
Bij den Haakbek (Pinicola enucleator)13 is de romp krachtig, de snavel aan alle zijden bol, de bovensnavel evenwel bij wijze van een haak over de spits van den ondersnavel naar beneden gebogen, aan de zijranden een weinig uitgesneden; de loop is betrekkelijk kort maar stevig, de teenen zijn krachtig, de klauwen groot, de vleugels, van welker handpennen de tweede en de derde de spits vormen, strekken zich in den toestand van rust over het eerste derde gedeelte van den staart uit; deze is tamelijk lang en in het midden uitgesneden; het vederenkleed eindelijk onderscheidt zich door zijn dichtheid en eigenaardige kleurenpracht. Bij de oude mannetjes heeft een fraaie aalbessenroode kleur de overhand; de keel is lichter van kleur en de roodgrijze vleugels hebben twee witachtige dwarsbanden. De slagpennen en stuurpennen zijn zwartachtig met lichtgele randen. Het oog is donkerbruin, de snavel vuilbruin, aan de spits zwartachtig, de ondersnavel lichter dan de bovensnavel, de voet grijsbruin. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.
Alle landen van het hooge noorden kan men als het vaderland van dezen fraaien en in ’t oog loopenden Vogel beschouwen. Voor zoover men weet, komen de Haakbekken nergens veelvuldig voor, maar leven integendeel gedurende den zomer bij paren en afzonderlijk in een uitgestrekt gebied en vereenigen zich eerst in den herfst tot zwermen. De dan gevormde vluchten zwerven gedurende den geheelen winter in de wouden van het noorden rond, komen ook wel in de nabijheid van afgelegen hofsteden en keeren in het begin van de lente weer naar hunne broedplaatsen terug. Enkele Haakbekken verschijnen als trekvogels, zoo niet ieder jaar dan toch in bijna iederen strengen winter in het noordoosten van Duitschland, de Oostzee-provinciën en het noorden van Rusland, voorts in de hiermede overeenkomstige landstreken van Noord-Azië en Amerika; in talrijke zwermen bezoeken zij de genoemde landen slechts zelden. Slechts dan, wanneer zij door bijzondere gebeurtenissen, vooral door buitengewoon langdurige sneeuwvlagen, genoopt worden naar zuidelijker gewesten te trekken, komt het voor, dat vele vluchten zich vereenigen en zeer talrijke zwermen vormen. In de jaren 1790, 1795, 1798 en 1803 verschenen de Haakbekken in zoo grooten getale in de Oostzeelanden, dat er alleen in den omtrek van Riga gedurende langen tijd iedere week ongeveer 1000 paren gevangen konden worden; in de jaren 1821, 1822, 1832, 1844 en 1878 kwamen zij in moeielijk te schatten hoeveelheid in Pruisen voor. Eénmaal heeft men een dier van deze soort in Nederland waargenomen; het werd 9 Nov. 1890 te Peize (Drenthe) in een lijsterstrik gevonden (Albarda).
Aan de onvrijwillige verhuizingen van deze Vogels naar de ten zuiden van hun vaderland gelegen gewesten, danken wij grootendeels onze bekendheid met hun levenswijze. De in Middel-Europa komende exemplaren toonen hun gezelligen aard, door over dag tot troepen vereenigd te blijven, gemeenschappelijk rond te zwerven, gezamenlijk hun kost te winnen en des nachts in vereeniging hun slaapplaats op te zoeken. Evenals in hun vaderland, houden zij zich ook in den vreemde bij voorkeur op in naaldhoutbosschen; vooral die, welker onderhout uit jeneverbessenstruiken bestaat, worden, naar het schijnt, gaarne door hen opgezocht. In bosschen van breedgebladerde boomen komen zij veel zeldzamer voor; over boomlooze vlakten vliegen zij zoo snel mogelijk heen. Kort na hun komst in den vreemde gedragen zij zich als argelooze, niets kwaads vermoedende Vogels, als dieren die de arglist van den mensch nog niet ondervonden hebben. Zij blijven rustig zitten, als de onderzoeker of de jager den boom nadert, waarop zij zich verzameld hebben, en kijken den schutter domdriest in zijn wapen; zij zijn als ’t ware geheel verbluft en denken er niet aan om te vluchten, als deze den eenen Vogel na den anderen wegvangt of van den boom afschiet. Men kan hun zelfs, terwijl zij aan ’t eten zijn, aan lange stokken bevestigde strikken over den kop werpen; kortom men heeft ze zelfs met de plompste toestellen gevangen. Van de roerende gehechtheid dezer Vogels aan hunne metgezellen gewagen alle onderzoekers, die hen in vrijheid konden waarnemen. Zoo bemerkte een jager, die drie leden van een gezelschap, dat uit vier stuks bestond, in één trek onder een slagnet gevangen had, tot zijn niet geringe verbazing, dat de overgeblevene vrijwillig onder het net kroop, om het lot van de overige Vogels te deelen. Men kan zulk een daad niet als een bewijs van beperktheid van geestvermogens opvatten; uit tal van feiten blijkt, dat ook zij door de ervaring schrander, d. w. z. wantrouwend, schuw en voorzichtig worden.
De levenswijze en gewoonten van den Haakbek herinneren in vele opzichten aan die van den Kruisbek. Hij is op en top een Boomvogel, die zich te midden van de twijgen wel thuis gevoelt, maar op den bodem een vreemdeling is. In de boomkronen klautert hij zeer behendig van den eenen tak op den anderen; springend overschrijdt hij met gemak tamelijk groote tusschenruimte. Gedurende zijn tamelijk snelle vlucht beschrijft hij, evenals de meeste Vinken, uitgestrekte bogen, en begint eerst kort voordat hij zich zal nederzetten, te zweven; zoo hij al een enkele maal op den bodem komt, huppelt hij hier met plompe sprongen rond. Zijn lokstem bestaat uit een aangenaam gefluit, gelijkend op dat van den Goudvink; zijn gezang, dat ook gedurende den geheelen winter weerklinkt, biedt velerlei afwisseling aan; het bevat zachte, zuivere fluittonen, die een zeer liefelijken indruk maken. Gedurende de dagheldere zomernachten van zijn eigenlijk vaderland zingt hij met grooten ijver; de bewoners van Norrland noemen hem daarom “Nachtwachter”. Zijn aard is zachtmoedig en vredelievend; de wijze waarop hij met zijn wijfje omgaat, getuigt van veel zelfverloochening en teederheid.
In de vrije natuur voedt de Haakbek zich met zaden van naaldboomen, die tusschen de uiteengeweken schubben van de kegels weggehaald of van de takken en twijgen, ook wel van den grond, opgezocht worden; ook andere zaden en allerlei bessen gebruikt hij gaarne; boomknoppen of malsche, groene plantendeelen in ’t algemeen zijn voor hem lekkernijen. Vermoedelijk eet hij des zomers bovendien Insecten, vooral de in zijn vaderland zoo buitengewoon menigvuldige Muggen; waarschijnlijk brengt hij hiermede zijn jongen groot; met zekerheid is hiervan echter niets bekend.
Volgens Wolley bouwt de Haakbek in Lapland zijn nest op lage sparren, ongeveer 4 M. boven den grond. De buitenste laag bestaat uit lange, dunne, buigzame takken, die dikwijls uiterst los ineengevlochten zijn; de dichtere binnenbekleeding is met den buitenwand dikwijls slechts losjes verbonden; zij wordt van fijnere wortels, van op boomen groeienden korstmossen en misschien ook wel van halmen vervaardigd. In den regel broedt het wijfje op vier eieren; volgens Naumann verricht zij dezen arbeid alleen, terwijl het mannetje haar den tijd helpt korten door het zingen van zijne heerlijke liederen.
Binnen weinige uren geraken de Haakbekken aan een kooi gewoon; zij eten zonder aarzeling het voor hen bestemde voedsel en worden weldra even tam als andere Goudvinken; de gevangen Vogels blijven echter zelden lang in ’t leven en verliezen reeds bij het eerste ruien voor altoos hunne prachtige kleuren.
*
De Meesvink (Uragus sibiricus) werd vroeger tot de Roodmusschen gerekend, maar wordt thans als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht—dat der Langstaartvinken (Uragus)—beschouwd. Aan zijn niet bijzonder krachtigen snavel is de spits van de bovenkaak slechts weinig over die van de onderkaak heengebogen. Hij heeft zwakke pooten en stompe vleugels, welker spits door de vierde handpen wordt gevormd. De trapvormige, maar toch in ’t midden uitgesneden staart is ongeveer even lang als het overige lichaam. De veeren zijn zoo zacht als zijde; evenals bij de vorige soort, heeft bij het mannetje de roode kleur de overhand, evenwel geen karmijnrood, maar rozerood. Het wijfje is licht olijfkleurig of grijsgroen. Totale lengte 18, staartlengte 9 cM.
De Meesvink bewoont moerassige, met riet begroeide gewesten van Oost-Azië hoofdzakelijk Oost-Siberië, Oost-China en Mandsjoerije, bovendien Oost-Toerkistan. Radde vond hem gedurende het geheele jaar bij den middelloop van den Amoer. In het laatst van den herfst vereenigen de paren zich tot vluchten van 10 à 30 stuks, die onder voortdurend gefluit rondzwerven. Bij Irkoetsk, waar zij zich eerst tegen het einde van September vertoonen, worden zij tegelijk met Meezen, Bloedvinken, Kruisbekken en Sneeuwgorsen door de vogelaars gevangen. In de kooi houden zij zich slechts korten tijd goed en verliezen weldra hun eigenaardige levendigheid bijna geheel. Tot tegen November treft men ze het veelvuldigst aan, omdat zij dan op den doortrek zijn. Een aantal paren vestigen in het genoemde gewest hun winterverblijf en bewonen er in gezelschap van Goudvinken beekoevers, die dicht begroeid zijn met struikgewas; ook houden zij zich gaarne op in de nabijheid van graanbewaarplaatsen, die gewoonlijk gelegen zijn op heuvels in woudstreken, waar het bosch niet zeer dicht is. Soms verdwalen deze Vogels naar het zuidoosten van Europa; naar bericht wordt, heeft men ze zelfs in Hongarije ontmoet.
Het nest van den Meesvink wordt in de eerste helft van Juni, meestal op dwergberken, zelden op kleine wilgen of lorken, in den regel 1.5 à 2 M. boven den grond en altijd zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam gebouwd. Het is voor een zoo diksnaveligen Vogel zeer kunstig samengesteld en herinnert aan dat van den Spotvogel; de buitenste laag bestaat uit allerlei droge halmen, samengeweven met vezels van netels, wilgen en andere planten; de holte is netjes gevoerd met fijn gras, haar van Paarden, Reeën en Hazen, dikwijls ook met veeren. Het wijfje broedt op 4, zeldzamer op 3 of 5 eieren; deze zijn zeer fraai van kleur, op donker blauwachtig groenen grond geteekend met weinig talrijke, bruinachtige vlekken en strepen, die alleen aan het dikke uiteinde dicht bijeenstaan. Het mannetje laat gedurende den nestbouw een zacht, maar aangenaam gezang hooren.
*
De eigenlijke Bloedvinken of Goudvinken (Pyrrhula) kenmerken zich door den snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog; de snavelrug is bij den wortel plat, verder naar voren zijdelings samengedrukt en gekromd; de vleugels zijn middelmatig lang en afgerond; hun spits wordt gevormd door de 2e, 3e en 4e handpen. De staart is een weinig uitgerand, de loop zoo lang als de middelste voorteen. Men onderscheidt een tiental soorten van dit geslacht. Die, welke in ons land aangetroffen en hier soms in ’t najaar in lijsterstrikken gevangen worden, bewonen Europa en het noorden van Azië tot Japan. Zij zijn op den bovenkop en aan de keel, op de vleugels en den staart glanzig donkerzwart, op den rug aschgrauw, op den staartwortel en den onderbuik wit; overigens hebben de onderdeelen een fraaie, helderroode kleur. Het wijfje is gemakkelijk te herkennen aan hare aschgrauwe onderdeelen, terwijl ook de andere gedeelten van het vederenkleed over ’t algemeen minder sprekende kleuren vertoonen. Bij de jongen is de bovenkop nog niet zwart. De vleugel is steeds ter hoogte van het handgewricht met twee grijsachtig witte banden geteekend. Als verscheidenheden komen witte of zwarte en bonte Goudvinken voor. Van de hier bedoelde dieren onderscheidt men twee groepen, die onderling alleen in grootte verschillen, maar dit kenmerk standvastig overerven en daarom als afzonderlijke soorten worden beschouwd. De eene, de Kleine Goudvink (Pyrrhula europaea)14 bewoont het westen van Europa; hij is 17 cM. lang, met inbegrip van den 6 cM. langen staart. De Groote Goudvink (Pyrrhula rubicilla)15 is 2 cM. langer; hij broedt in het oosten van ons werelddeel, te beginnen bij de provinciën Pommeren en Pruisen. In het westen komt hij in ’t najaar op den doortrek of als zwerveling gedurende de wintermaanden, bij uitzondering ook in Nederland. Soms, doch zeer zelden heeft men hier eenige broedende exemplaren gevonden, en wel bij Lochem in Gelderland en te Oranjewoud in Friesland (Albarda). De Kleine Goudvinken broeden ook wel in Gelderland; bij Lochem komen zij “in Maart en April bij winderig weer in groote vluchten de knoppen der kersenboomen vernielen; is het weder rustig en zoel, dan schijnen zij meer in de bosschen te blijven, waar zij in menigte broeden” (Brants, 1885). “In de overige streken van ons rijk worden zij slechts in het gure jaargetijde en alles behalve menigvuldig, in kleine troepen zwervende aangetroffen” (Schlegel).
De Goudvinken (in de nu volgende beschrijving worden de beide soorten gemeenschappelijk behandeld) zijn zeer gehecht aan de bosschen, die zij stellig niet verlaten, zoolang zij er voedsel vinden. Eerst als de winter den Goudvink uit zijne woonplaatsen verdrijft, komt hij bij vluchten in de boomgaarden en tuinen der dorpen of in akkermaalshout om hier de weinige bessen en zaadkorrels op te zoeken, die de andere familieleden voor hem nog overgelaten hebben. In het begin van de zwerfperiode ziet men dikwijls alleen mannetjes, later mannetjes en wijfjes te zamen. Zoolang bijzondere omstandigheden den Goudvink niet tot groote reizen nopen, blijft hij in zijn vaderland; in sommige gevallen echter strekt hij zijne tochten tot in het zuiden van Spanje of tot Griekenland uit. Meestal reist hij over dag en vliegt, voor zoover dit mogelijk is, van het eene bosch naar het andere.
“Het woord Gimpel” (de Duitsche naam van den Goudvink), zegt Brehm de vader, “is als scheldwoord tot aanduiding van een bekrompen mensch algemeen bekend; het wekt den indruk, dat onze Vogel dom is. Het valt niet te ontkennen, dat hij geen argwaan heeft en tegen de vervolgingen van den mensch volstrekt niet opgewassen is: hij laat zich gemakkelijk schieten en vangen. Zijn domheid is echter op verre na niet zoo groot als die van den Kruisbek, want, hoewel de nog overige leden van een gezelschap Goudvinken, waarvan er één door een schot gedood werd, daarna soms neerstrijken op of naast den boom, waarin zij aanvankelijk zaten, is het mij toch nooit voorgekomen, dat een ongekwetste Goudvink na een schot bleef zitten, welk geval zich daarentegen bij de Kruisbekken dikwijls voordoet. Indien de Goudvink werkelijk zoo dom is, als men beweert, hoe zou hij dan allerlei wijsjes zoo zuiver kunnen leeren nafluiten?—Een in ’t oogvallende karaktertrek van dezen Vogel is liefde voor zijne soortgenooten. Als er een van ’t gezelschap gedood wordt, jammeren de overige geruimen tijd; zij kunnen er bijna niet toe besluiten om de plaats waar hun metgezel gebleven is, te verlaten, maar willen hem volstrekt medenemen. Dit is het duidelijkst merkbaar, als het gezelschap klein is. Deze innige gehechtheid heeft mij dikwijls getroffen. Eens schoot ik één van twee mannetjes-Goudvinken, die in een struik zaten; de andere vloog zoover weg, dat ik hem uit ’t oog verloor, maar keerde terug en ging weer zitten op den struik, waar zijn kameraad om het leven was gekomen. Verscheidene dergelijke voorbeelden zou ik kunnen noemen.”
“De gang van onzen Goudvink is huppelend, op den grond tamelijk onbeholpen. Op de boomen is hij des te behendiger. Zijne losse en lange vederen legt hij zelden tegen ’t lichaam aan; daarom schijnt hij gewoonlijk veel grooter te zijn dan hij werkelijk is. Gedurende het vliegen, voordat hij opvliegen zal, onmiddellijk na het neerstrijken en bij het uitpluizen van de zaden of pitten ziet hij er slank en net uit; in de kooi laat hij de veeren bijna altijd een weinig hangen. Een boom vol Goudvinken levert een prachtig schouwspel op. Het rood van de mannetjes steekt in den zomer prachtig af tegen de groene bladen en in den winter tegen rijp en sneeuw. Zij schijnen tegen de koude geheel ongevoelig te zijn; want, voor zoover er geen gebrek aan voedsel heerscht, zijn zij, zelfs in den strengsten winter, zeer opgewekt. Door hun buitengewoon dicht vederenkleed zijn zij voldoende beschut. Dit heeft ook op hun wijze van vliegen een grooten invloed; zij doen dit zonder inspanning, maar langzaam, volgens boogvormige lijnen, eenigszins op de wijze van den Vink. De loktoon, die zoowel van de mannetjes als van de vrouwtjes gehoord wordt, is een klagend “juug” of “luuï”, waarnaar men in Thuringen dezen Vogel “Lübich” noemt. Men hoort hem het veelvuldigst gedurende het vliegen, vóór het opvliegen en kort na het neerstrijken. Deze klank dient, al naar de wijze, waarop hij geïntoneerd wordt, soms als lokmiddel, soms als waarschuwend sein, soms als klaagtoon. In al deze gevallen wordt hij goed begrepen. Het gezang van het mannetje steekt niet uit, het onderscheidt zich vooral door eenige ratelende geluiden en kan moeielijk goed omschreven worden. In de vrije natuur wordt het vóór en gedurende den broedtijd voorgedragen; in de kooi zingt de Goudvink bijna het geheele jaar door.”
Boom- en graszaden vormen het voedsel van den Goudvink, bovendien eet hij de pitten van verscheidene soorten van bessen en in den zomer vele Insecten. De sparre-, denne- en zilversparzaden kan hij niet goed uit de kegels plukken; hij zoekt ze daarom van den grond op.
In bergachtige streken, waar uitgestrekte, met bosch begroeide terreinen verborgene, weinig bezochte schuilhoeken bevatten, nestelt de Goudvink geregeld. Bij uitzondering bouwt hij ook wel in parken en groote tuinen zijn nest. Dit is op boomen gelegen, gewoonlijk op geringe hoogte, hetzij in een gaffel van een der hoogste struiken of op een zijtak dicht bij den stam van een boom. Op een buitenste laag van dorre rijsjes van sparren, zilversparren en berken, volgt een tweede laag van uiterst fijne wortelvezels en baardmos; de nestholte is met haren van Paarden en Reeën of ook wel eenvoudig met fijne blaadjes van grassen en fijne stukjes van korstmossen bekleed. Soms bevat de binnenwand ook wel paardenhaar of schapenwol. In Mei vindt men in het nest 4 of 5 betrekkelijk kleine, rondachtige eieren met gladde schaal, die op bleekgroenachtigen of groenblauwachtigen grond met dofviolette of zwarte vlekken en roodbruine stippels, vegen en figuren bezaaid is. Binnen 2 weken broedt het wijfje de eieren uit; zoolang het op de eieren zit, wordt het door het mannetje gevoederd. Beide ouders wijden zich aan de opvoeding hunner kinderen, die zij buitengewoon teeder liefhebben en met gevaar voor hun eigen leven trachten te verdedigen. De jongen krijgen aanvankelijk Insecten, later jonge uitspruitsels van planten en allerlei in den krop geweekte zaden, ten slotte hoofdzakelijk het laatstgenoemde voedsel.
In de bergstreken neemt men de jonge Goudvinken uit het nest nog voordat zij vliegen kunnen, om ze in de kooi op te voeden en te onderrichten. Hoe vroeger men met het africhten beginnen kan, des te beter zijn de uitkomsten. In het Thuringerwoud worden ieder jaar honderden jonge Goudvinken afgericht en daarna door vogelhandelaars naar Berlijn, Warschau, Petersburg, Amsterdam, Londen, Weenen, ja zelfs naar Amerika gebracht. Het onderricht begint reeds op den eersten dag van hun gevangenschap; een hoofdvereischte is, dat de onderwijzer den Vogel het wijsje, dat hij hem wil leeren, steeds zoo zuiver mogelijk en altijd op dezelfde wijze voorfluit. Door bij het africhten van een draaiorgeltje gebruik te maken, verkrijgt men geen goede resultaten. Zelfs door een fluit kan men den goed fluitenden menschenmond niet vervangen. Eenige Goudvinken leeren zonder bijzondere inspanning 2 of 3 stukjes, terwijl andere stumpers blijven; eenige onthouden het geleerde, zoolang zij leven, andere vergeten het weer, vooral gedurende den ruitijd. Ook de wijfjes leeren wijsjes fluiten, hoewel zij dit zelden nagenoeg even vol en zuiver doen als de mannetjes. Sommige van deze worden echte kunstenaars. Het is bijna niet te gelooven, hoeveel een Goudvink leeren kan. Dikwijls leert hij de melodieën van twee liederen fluiten en doet dit zoo mooi, dat men gaarne lang achtereen naar hem luistert. Behalve door zijn talent van nabootsing onderscheidt hij zich van alle overige Vinken, doordat hij zoo gemakkelijk getemd kan worden en een onbeperkte gehechtheid aan en vertrouwen op zijn verzorger toont; hij gevoelt voor dezen een innige vriendschap, juicht, als hij tegenwoordig, treurt, als hij afwezig is; hij sterft zelfs door de overmaat van vreugde of van verdriet, die zijn meester hem bereidt. Zonder buitengewone moeite kan men hem er aan gewennen in en uit de kooi te vliegen. Een aantal voortreffelijke eigenschappen komen dus bij hem vereenigd voor.
De Woestijnvink of Moro (Pyrrhula githaginea) heeft een prachtig gekleurd vederenkleed, dat als ’t ware uit groene en rozeroode atlas bestaat. De roode kleur verkrijgt op lateren leeftijd een hoogeren gloed en een grootere uitgebreidheid en is in de lente, als de kleuren het levendigst zijn, het volledigst ontwikkeld, zoodat zij dan de purperen tint van den Bolderik (Lychnis githago), die onze graanvelden versiert en waaraan de Vogel zijn wetenschappelijken naam ontleent, ver achter zich laat. Bij ’t naderen van den herfst verbleeken de kleuren van het mannetje snel, zoodat zij meer en meer beginnen te gelijken op die van het wijfje, waarin donker geelrood de overhand heeft. Vele kleursverscheidenheden heeft men opgemerkt: enkele mannetjes zien er uit, alsof zij met bloed bedekt zijn, terwijl andere een grijze woestijnkleur vertoonen. De roode kleur blijft niet tot de veeren beperkt, maar is ook in de opperhuid zelf aanwezig, zoodat een geplukte Woestijnvink er als een echte roodhuid uitziet. Zijn lengte bedraagt 13 cM.
Woestijnvink (Pyrrhula githaginea). ⅚ v. d. ware grootte.
Om de woonplaats van dezen Vogel te leeren kennen, moet men zich naar de woestijn begeven, want uitsluitend hier, in de woestijn in de uitgebreidste beteekenis van ’t woord, behoort hij thuis. Bolle vond hem veelvuldig als broedvogel op de Kanarische eilanden en wel voornamelijk op Lanzarote, Fuertaventura en Gran Canaria, niet minder veelvuldig is hij in het grootste deel van Opper-Egypte en Nubië tot in de nabijheid van de Steppen, waar hij langzamerhand verdwijnt. Bovendien is hij verbreid over Perzië en Sind. Van zijn vaderland uit bezoekt hij elken winter als de gast het eiland Malta; ook is hij wel eens naar de Grieksche Eilanden, naar Provence en zelfs naar Toscane afgedwaald. Het terrein, waaraan hij de voorkeur geeft, moet in ieder geval boomloos en door de heete zon beschenen zijn. “Deze schroomvallige Vogel,” zegt Bolle, “wil zijne blikken vrij over de vlakte of over de heuvels laten waren. Hij geeft de voorkeur aan de dorste en steenachtigste plaatsen, waar de opstijgende luchtstroom, die door de middagzon veroorzaakt wordt, boven het geblakerde gesteente trilt. Slechts weinig gras, in den zomer verdord en geel verbleekt, mag tusschen de steenen groeien en zich er boven verheffen, slechts hier en daar mogen lage struiken verstrooid uit den grond ontspruiten, opdat de Woestijnvink zich op een plaats thuis zal gevoelen. Daar leeft hij, meer een bewoner van de vergruisde gesteenten dan van de rotsen, een diksnavelige met de gewoonten van een Tapuit, steeds gezellig, zoolang de voortplantingszorgen hem niet tot afzondering nopen, familiesgewijs of kleine troepen vormend. Vroolijk wipt hij van den eenen steen op den anderen of zwiert, meestal laag vliegend, door de lucht. Zelden kan het oog hem over een grooten afstand volgen; daar de roodachtig grauwe kleur van de vedertooi der oude Vogels onmerkbaar samenvloeit met de gelijksoortige kleur van de steenen en in meerdere mate nog met die van de bladerlooze stammen en takken der euphorbias; ook de isabelkleurige jongen zijn moeilijk te onderscheiden van de vaalgele massa’s zand, tufsteen en kalk. Zeer spoedig zouden wij het spoor van dezen Vogel verliezen, als niet de stem, die een zijner grootste merkwaardigheden is, onzen wegwijzer werd bij het zoeken. Hoor! een geluid als van een kleine trompet schalt door de lucht: gerekt, trillend komt het tot ons; ieder die een fijn gehoor heeft en goed oplet, kan in het onmiddellijk voorafgaande of volgende oogenblik een paar zachte, zilverheldere tonen vernemen, die zoo helder als klokgelui door de stille woestijn weerklinken. Soms echter hoort men merkwaardig doffe klanken, die wel wat gelijken op het gekwaak van den Kanarischen Boomvorsch, maar eenigszins minder heesch zijn; snel achtereenvolgens worden zij uitgestooten en beantwoord met nagenoeg gelijke, hoewel zachtere geluiden, welke als die van een buikspreker van een grooten afstand schijnen te komen. Er is waarschijnlijk niets, dat minder bevrediging verschaft dan een poging om de tonen van een Vogel door letters voor te stellen: vooral bij den Moro komt mij dit bijzonder moeilijk voor. Het zijn inderdaad stemmen uit een afzonderlijk, op zichzelf staand gebied; men moet ze gehoord hebben om er een juiste voorstelling van te kunnen verkrijgen. Niemand zal van een Vogel uit gewesten, die zulk een eigenaardig voorkomen hebben, een werkelijk gezang verwachten. Het wordt vervangen door de genoemde vreemdsoortige klanken, waarop hij dikwijls nog een reeks van kraaiende en snorkende geluiden laat volgen: zij passen door hun zonderlingheid zoo volkomen bij de niet minder ongewone omgeving, dat men er steeds met genoegen naar luistert en met spanning hun herhaling afwacht, zoodra zij verstommen. Op plaatsen, waar de bodem geheel uit stuifzand bestaat, komt de Moro niet voor. Hij is er niet voor ingericht om als een Wulp of een Renvogel over het zand te loopen. Ook steile, rotsachtige gebergten vallen niet in zijn smaak, des te meer houdt hij van woeste, zwarte lavastroomen vol spleten en afgronden, als in een gletscher; deze schijnen hem te behagen wegens de veilige schuilplaatsen, die zij hem in hunne holen aanbieden, hoewel er ternauwernood een groen sprietje te vinden is. Nooit ziet men den Woestijnvink op een boom of struik neerstrijken. In meer bewoonde gewesten zijn deze Vogels tamelijk schuw, daar, waar de eenzaamheid en de stilte van de woestijn hen omgeven, zijn zij echter nog zeer argeloos, vooral de jongen, die men dikwijls onverwacht op een steen naast zich ziet zitten, vanwaar zij den bezoeker met hunne vroolijke, zwarte oogjes aanstaren.”
Ongeveer evenzoo is het in het Nijlgebied gesteld. Hier verlevendigt de Woestijnvink, van Sioet af stroomopwaarts, de rotsachtige oevers van den Nijl, en wel op sommige plaatsen in verbazend groot aantal.
In de vrije natuur voedt deze Vogel zich bijna uitsluitend met verschillende soorten van zaden, misschien ook wel met groene bladen en knoppen; van Insecten houdt hij niet, naar ’t schijnt. Water is voor hem een behoefte. “Hoe schaarsch, troebel en lauw het water van een bron ook zij, met iedere drinkplaats is hij tevreden, indien hij haar dagelijks minstens éénmaal bereiken kan, zij het dan ook door eenige mijlen ver te vliegen.” Hij komt er, als de afstand niet te groot is, tweemaal per dag; des morgens en des namiddags; hij drinkt dan veel en met lange teugen en neemt vervolgens ook wel een bad in het minst diepe deel van het water.
In Maart begint de broedtijd. De mannelijke Vogels hebben hun prachtkleed verkregen en zich met het uitverkoren wijfje van de vlucht afgescheiden, maar zijn daarom niet uit de gemeenschap met hunne soortgenooten getreden. Tristram bericht, dat het nest uitsluitend uit fijne worteltjes en buigzame halmen bestaat. Het bevat 3 of 4 eieren, die op bleek zeegroenen grond met roodbruine stipjes en vlekken geteekend zijn, welke aan het spitse einde en verderop zeer verstrooid staan; doch dicht bij het stompe einde gewoonlijk een krans vormen, die uit fijne krulletjes, zigzaglijnen en groote, licht roodbruine, aan de randen uitvloeiende vlekken samengesteld is.
Woestijnvinken zijn, daar zij in hun vaderland niet gevangen worden, bij ons als kooivogels zeldzaam. In de gevangenschap gedragen zij zich zeer lief, zijn niet moeilijk te onderhouden en worden zeer tam.
*
Het laatste geslacht van de onderfamilie der Vinken omvat de Kruisbekken (Loxia); deze hebben een grooten kop en een ineengedrongen lichaam; zij zijn dus eenigszins plomp van vorm. Hun snavel is zeer forsch, dik, zijdelings samengedrukt, aan de zijranden boogvormig uitgesneden, de smalle rug van den bovensnavel afgerond, in een lange spits eindigend en flauw haakvormig naar beneden gebogen; de ondersnavel die den bovensnavel in stevigheid overtreft, is op soortgelijke wijze als deze, maar in tegenovergestelde richting, n.l. bovenwaarts, gebogen en kruist hem dus, nu eens aan de linker, dan weer aan de rechterzijde.
De grootste en krachtigste soort van dit geslacht is de Groote Kruisbek (Loxia pityopsittacus). Totale lengte 20, staartlengte 7 cM. De snavel is hier in ’t oog loopend forsch, dik en hoog; zoowel de boven- als de ondersnavel zijn bijna volkomen halfcirkelvormig gebogen en kruisen elkander slechts weinig. De kop, de keel, de gorgel, de borst en de buik zijn meer of minder levendig rood, van voren met een tint, welke tusschen die van menie en die van aalbessen afwisselt, op de wangen met een grijsachtig, op de keel met een aschgrauw waas overtogen, de veeren van den rug grijsrood, die van den onderbuik helder aschrood of witachtig met grijsroodachtig waas; de slagpennen, bovendekveeren met vleugel en staart en stuurpennen zijn grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom. Deze in Oost-Europa broedende Vogel komt in Nederland alleen op zijne zwerftochten na den broedtijd en werd in Utrecht, Drenthe, Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Gelderland waargenomen. Zoo “vertoonde zich in de eerste dagen van Juni 1888 nabij Bergum (Friesland) een troep van ongeveer 200 stuks. Zij bleven daar drie weken en voedden zich met de knoppen, spruiten en bloesems van boomen, vooral van eiken. Een twintigtal werd gevangen. Alle waren jonge Vogels in overgangskleed. In het laatst van die maand werden ook enkele voorwerpen te Joure (Friesland) waargenomen. (Albarda). Dergelijke vluchten hebben zich in ’t begin van October 1887 in de dennen langs den duinkant van de gemeenten Bloemendaal, Velsen, en Hillegom vertoond. Eerst na 15 April begonnen zij te vertrekken; enkele vluchtjes zijn nog tot 11 Mei waargenomen (Crommelin).
De gewone en gemeenste soort, die eenvoudig Kruisbek wordt genoemd, in Groningen Kruisvink of Kruiskanarie, in Friesland Dennenpapagaai heet (Loxia curvirostra), is kleiner dan de vorige; zijn snavel is slank, meer lang dan hoog en minder gekromd; de spits van den ondersnavel kruist die van den bovensnavel en steekt duidelijk boven diens rug uit. Totale lengte 17, staartlengte 6 cM. De kop, de nek en de onderdeelen hebben dezelfde kleur als bij de vorige soort, de wangen zijn van achteren donker grijsbruin, de veeren van den onderbuik witachtig grijs, de slagpennen en de stuurpennen benevens hare bovendekveeren grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom, de onderdekveeren van den staart zwartachtig grijs met witte, roodachtig getinte spitsen. De eenige mededeeling omtrent het broeden van deze soort in Nederland heeft betrekking op een paar dat in 1887 op Vlieland in een spar nestelde (Albarda). Deze Vogels worden echter in verschillende deelen van ons land nagenoeg ieder jaar bij troepen zwervend aangetroffen, dikwijls reeds in den nazomer, soms reeds in de eerste helft van Juni, zij houden zich ook nog in de wintermaanden hier op, vooral in sparrebosschen.
De Witband-Kruisbek (Loxia bifasciata) is kleiner dan de beide reeds genoemde soorten (totale lengte 16, staartlengte 6 cM.). De heerschende kleur van zijn gevederte is prachtig aalbessenrood, dat in den nek en op het midden van de onderzijde in grijs overgaat. Zoowel de groote als de kleine bovendekveeren van den vleugel en ook de schouderdekveeren hebben witte spitsen, waardoor twee breede banden over den vleugel gevormd worden, die ook bij het wijfje en de jongen zichtbaar zijn. Deze soort, die Siberië en Noordelijk Rusland bewoont, komt zwervend na den broedtijd in kleine troepen naar anderen Europeesche landen. Ook Nederland wordt in sommige jaren door haar bezocht. In Febr. 1846 zag men zulk een familie in Utrecht, in Sept. 1889 eenige vluchten in Gelderland, Noord-Holland en Friesland; sommige van deze Vogels werden gevangen (Albarda).
De Kruisbekken behooren tot die leden hunner klasse, welke mijn vader zeer eigenaardig “Zigeuner-vogels” heeft genoemd. Evenals het merkwaardige volk, welks naam zij dragen, verschijnen zij in een bepaalde streek, blijven hier geruimen tijd gevoelen zich er reeds in de eerste dagen na hun komst thuis, houden zich hier soms ook wel met de voortplanting bezig en verdwijnen even plotseling, als zij gekomen zijn. Hunne zwerftochten staan in een zeker verband tot zaadproductie van de naaldhoutbosschen, zonder dat men echter een bepaalden regel zou kunnen vaststellen. Het kan dus voorkomen, dat zij uit onze dennen- en sparrenbosschen jaren lang wegblijven en deze daarna weer in menigte bevolken. Alleen de gesteldheid van de plaats waar zij zich ophouden, staat vast, hun vaderland daarentegen heeft geen grenzen. Alle genoemde soorten zijn broedvogels van Noord-Europa, maar ook van Noord-Azië, voor zoover het met bosschen bedekt is; zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat het laatstgenoemde werelddeel als haar eigenlijk vaderland moet worden beschouwd. Wanneer in aaneengeschakelde wouden de sparren- en dennenzaden zich overvloedig ontwikkeld hebben, hoort men het aan de vogelaars van die gewesten welbekende “göp göp,” “giep giep” of “tsok tsok” van onze Vogels of ook wel het gezang van het mannetje, dat door velen zeer aangenaam wordt geacht. De Kruisbekken zijn aangekomen en hebben het bosch in bezit genomen. Als hier een goede oogst binnen te halen is, maken zij toebereidselen voor de voortplanting, zoo niet dan, zwerven zij een tijdlang rond en vestigen zich op een andere, beter geschikte plaats. Van een woud, dat door hen voor een langduriger verblijf uitgekozen werd, hebben zij weldra de gunstigst gelegen gedeelten opgespoord; deze zijn in zekeren zin als hun eigenlijke woonplaats te beschouwen, waar de over dag rondzwervende gezelschappen zich iederen avond verzamelen.
Alle Kruisbekken zijn gezellige dieren, die gedurende den broedtijd zich paarsgewijs afzonderen, maar toch met hunne soortgenooten in gemeenschap blijven. Ze zijn boomvogels, die slechts in geval van nood op den bodem afdalen om hier te drinken of om eenige afgevallen kegels leeg te pikken. Ze klimmen zeer behendig, waarbij zij zich, evenals de Papegaaien, met de snavelspitsen vasthouden en vooruithelpen, gaan met den kop naar onderen of naar boven, met voet en snavel aan een twijg of een kegel hangen en blijven zonder bezwaar vele minuten achtereen in deze schijnbaar zoo ongemakkelijke houding. Zij vliegen snel en betrekkelijk zonder inspanning met beurtelings sterk uitgebreide en daarna plotseling opgevouwen vleugels, waardoor de gevolgde weg een golvend beloop verkrijgt; zij houden er echter niet van lang achtereen te vliegen.
Gedurende den dag, hoogstens met uitzondering van de middaguren, zijn zij bijna voortdurend aan den arbeid. In de lente, den zomer en den herfst zwerven zij reeds vóór het aanbreken van den dag in het woud rond, van het eene bosch naar het andere of van berg tot berg; in den winter daarentegen, vooral wanneer de koude fel is, blijven zij langer in het oord, dat hun een geschikte slaapplaats verschaft; zij vliegen dan zelden vóór zonsopgang uit, hoewel zij reeds vroeg in den morgen zingen. Het is niet moeilijk deze dieren te vangen, omdat hun overgroote gezelligheid hen dikwijls verleidt tot handelingen, waardoor hun vrijheid in gevaar wordt gebracht: hieruit blijkt echter niet zoozeer gebrek aan verstand als wel de argeloosheid van deze werkelijk beminnenswaardige Vogels. Het mannetje, wiens wijfje zooeven gedood werd, blijft soms verbluft en treurig zitten op den tak, waarvan zijn gezellin werd neergeschoten, of keert, haar zoekend, herhaaldelijk terug naar de plaats waar het onheil voorviel. Alle Kruisbekken worden, nadat zij meermalen treurige ervaringen van de arglistigheid van den mensch hebben opgedaan, gewoonlijk zeer schuw. In de gevangenschap worden zij weldra volkomen tam. Zij vergeten spoedig het verlies van hun vrijheid, leeren hun verzorger als hun meester en gebieder beschouwen, leggen alle vrees voor hem af, laten zich aanraken, op den arm of de hand in de kamer ronddragen en geven hem ten slotte door duidelijk verstaanbare gebaren hun warme liefde te kennen. Wegens de beminnelijke eigenschappen, die zij in de kooi aan den dag leggen, zijn allen, die hen hebben leeren kennen, hun zeer genegen; vooral de bewoners van het gebergte houden de Kruisbekken in hooge eer.
De loktoon van den Grooten Kruisbek is voor beide geslachten dezelfde en bestaat, zooals reeds gezegd is, uit de klanken “göp göp” of “giep giep” en “tsok tsok”. “Göp” roepen zij als zij vliegen of zitten,” zegt mijn vader; “het is zoowel een sein tot vertrek als een middel om de soortgenooten bijeen te roepen en het gezelschap vereenigd te houden; daarom wordt dit “göp” met kracht voortgebracht. Door “giep giep” geven deze Vogels teedere aandoeningen te kennen, de beide echtgenooten roepen dit elkander toe, terwijl zij zitten; zij doen het zoo zacht, dat men dicht bij den boom moet staan om hen te hooren. Dikwijls zou de klank van dit geluid tot de meening kunnen leiden, dat de Vogel zeer ver af is, hoewel deze, zooals men naar boven ziende bemerkt, zich boven den waarnemer bevindt. Zittende Vogels roepen gewoonlijk “tsok” om de voorbijvliegende soortgenooten uit te noodigen bij hen te komen zitten; men hoort het soms ook van vliegende Kruisbekken. Het klinkt krachtig en vol; de lokvogel moet vooral dit geluid voortbrengen. Het gezang van het mannetje wordt door vele menschen aangenaam gevonden. Gewoonlijk zingt de Groote Kruisbek beter dan zijn kleinere verwant; het lied van dezen heeft echter veel overeenkomst met dat van genen. Het bestaat uit een luid voorgedragen strophe, waarop verscheidene kweelende, zwakke en niet ver hoorbare tonen volgen.
Het voedsel van de Kruisbekken bestaat hoofdzakelijk uit de zaden van de boomen van het woud. De sterke snavel met gekruiste spitsen is hun voor het verkrijgen van dit voedsel onontbeerlijk. Het vereischt groote kracht en behendigheid de denne- of sparrekegels zoo open te breken, dat de goed verborgen zaden bereikbaar zijn; maar deze eigenschappen zijn den Kruisbek in hooge mate eigen. Hij komt aanvliegen, gaat met den kop naar onderen gericht aan een kegel hangen, of legt dezen op een tak en gaat er op staan, of bijt hem af, draagt hem naar een tak en houdt hem met de stevige, lange en scherpe nagels vast. “Het is zeer aardig om te zien, hoe de Gewone Kruisbek, een Vogel van de grootte van een Musch, een middelmatig grooten sparrekegel van den eenen boom naar den anderen brengt. Gewoonlijk vat hij met den snavel den kegel zóó aan, dat diens spits recht naar voren gericht is en vliegt, zonder dat dit hem veel moeite kost, tien of zelfs twintig schreden ver naar een naburigen boom om hem hier te openen, daar hij niet op alle boomen takken vindt, die voor dit doel geschikt zijn. Het openbreken geschiedt op de volgende wijze. De Kruisbek scheurt als de kegel vast hangt of ligt, met de spits van den bovensnavel de breede kegelschubben midden door, schuift den min of meer geopenden snavel er onder en licht door een zijwaartsche beweging van den kop de schub op. Nu kan hij de daaronder liggende zaadkorrel met de tong gemakkelijk in den snavel schuiven, waar het zaad eerst nog van den vleugel en van de zaadhuid bevrijd wordt, voordat hij het doorslikt. De kruiswijs gebogen snavelspitsen zijn voor hem en zijne verwanten bij het openbreken van de kegels van het grootste belang, want zulk een snavel behoeft hij slechts weinig te openen om hem een buitengewone breedte te geven, zoodat de kegelschub door een zijwaartsche beweging van den kop met groot gemak opgeheven wordt.”
De Gewone Kruisbek bemoeit zich zelden met dennekegels, daar hij niet de noodige kracht bezit om deze te openen; de Groote Kruisbek echter doet dit zonder moeite, hij kan in één ruk alle schubben optillen, welke zich bevinden boven die, waaronder hij zijn snavel heeft gestoken. Zoolang de Kruisbekken naaldboomzaden kunnen vinden, zoeken zij geen ander voedsel; in geval van nood eten zij zaden van eschdoornen en haagbeuken, ook wel oliehoudende zaden; bovendien maken zij te allen tijde zeer gaarne gebruik van Insecten, vooral van bladluizen, die zij ook in de tuinen en boomgaarden van de dorpen der wouden gaan opzoeken. Onder anderen bijten zij de uitwassen op de bladstelen der populieren aan stukken om de daarin wonende Bladluizen (Pemphigius bursarius) op te eten (Albarda).
Een noodzakelijk gevolg van hun drukken arbeid op de harsrijke takken en kegels van naaldboomen is, dat de Kruisbekken zich dikwijls op een zeer ongewenschte wijze bevuilen. Zij zijn even zindelijk als de meeste overige Vogels en reinigen zich na iederen maaltijd zorgvuldig, om de hen aanklevende harsdeeltjes te verwijderen; vooral den snavel poetsen zij minuten lang op de takken; zij zijn echter niet altijd in staat om hunne veeren zoo goed in orde te houden, als zij wel zouden wenschen; het komt daarom dikwijls voor, dat hunne veeren met een dikke laag hars bedekt zijn. Het lichaam van de Kruisbekken, die lang achtereen niets anders dan zaden van naaldboomen gegeten hebben, wordt zoo met hars doordrongen dat het na den dood geruimen tijd weerstand biedt aan de verrotting.
Een gezelschap Kruisbekken maakt te allen tijde een sieraad uit van den boom, waarin het zich bevindt; de prachtigste vertooning maken deze Vogels echter, wanneer de winter zijn schepter zwaait en de twijgen met een dikke sneeuwlaag bedekt. Dan steken de roode vogeltjes vroolijk af bij het donkere groen der naalden en de witte sneeuw; de geheele boom ziet er dan uit als een kerstboom, zoo fraai als men zich er een kan voorstellen. Behalve door hun bevallige kleur bekoren zij iedereen door hun frissche, vroolijke levenswijze, hun bedaarde, maar voortdurende bedrijvigheid, hun behendig op en neer klauteren, hun lokken en zingen.
De Kruisbekken nestelen in alle maanden van het jaar, in den warmen zomer zoowel als in den ijskouden winter, terwijl de boomen en struiken met sneeuw bedekt en alle overige Vogels van het woud bijna geheel verstomd zijn. Gedurende den nestbouw verdeelt zich het gezelschap in paren. Het nest rust soms op een ver vooruitstekenden tak, waar deze zich gaffelvormig vertakt, soms op een dikken tak bij den stam; nu eens is het dicht bij den top, dan weer ver van dezen gelegen, altijd echter zoo, dat twijgen voor of over het nest langs loopen, waardoor dit tegen de vallende sneeuw beschut en tevens zoo goed mogelijk verborgen wordt. Het is een kunstig bouwwerk, welke buitenste laag vervaardigd is uit dorre sparrerijsjes, heide, droge grashalmpjes, grootendeels echter uit korstmossen van sparrestammen en bladmossen, die op boomen of op den grond groeien; van binnen is het met enkele veeren, grashalmpjes en dennenaalden bekleed. De wand van het nest is ongeveer 3 cM. dik, zijne bestanddeelen zijn uitmuntend samengeweven; de nestholte is naar verhouding diep.
Het wijfje broedt op 3 of 4 betrekkelijk kleine eieren, die op grijsachtig of blauwachtig witten grond met uitvloeiende vlekken en streepjes van bloedroode, bloedbruinachtige of zwartbruine kleur bezet zijn. Soms staan deze vlekjes kranswijs aan het stompe einde, soms zijn zij over het geheele ei verbreid; toch is dit, welke afwijkingen het ook vertoonen moge, altijd te herkennen als een ei van een Kruisbek. De zorgvolle moeder wijdt zich met grooten ijver aan het broeden, terwijl ook het mannetje met lust het op hem rustende deel van den arbeid verricht door de moeder met voedsel te voorzien. De jongen, waaraan de ouders zeer veel liefde betoonen, krijgen reeds op den eersten dag van hun leven sparre- of dennenzaden als spijs, aanvankelijk zulke, die in den krop der ouders geweekt en voor de verteering voorbereid zijn, later harde zaden; zij groeien snel en zijn spoedig zeer behendig en levendig; langer dan andere Muschvogels moeten zij echter door hunne ouders verzorgd worden, omdat hun snavel eerst na het uitvliegen een “kruisbek” wordt en zij dus vóór dien tijd niet in staat zijn om de kegels van de dennen of sparren te openen.
De jacht en de vangst van de Kruisbekken leveren geen bezwaren op. Die, welke pas in onze gewesten gekomen zijn, laten zonder weg te vliegen den jager naderen tot onder den boom, waarin zij zich bevinden, en blijven dikwijls ook dan nog op denzelfden boom zitten, wanneer een hunner metgezellen neergeschoten is. Wanneer men er eens in geslaagd is een van hen te bemachtigen, kan men door dezen als lokvogel te gebruiken, zijne soortgenooten gemakkelijker vangen dan door ze te schieten. In Thuringen maakt men voor dit doel gebruik van lange stokken, welker bovenste gedeelte bij wijze van een struik bekleed is met sparretakken, waaraan lijmroeden bevestigd zijn. Deze stokken worden vóór het aanbreken van den dag in den grond gestoken op vrije, open plekken in het woud; een kooi met een lokvogel er in wordt er onder opgehangen. Alle voorbijvliegende Kruisbekken komen in de nabijheid van den stok om naar hun roependen en lokkenden kameraad te gaan kijken. Vele gaan op den kunstmatigen struik zitten en blijven gewoonlijk aan een van de lijmroeden vastkleven.
De snavel van de Kernkrakers (Coccoborinae) herinnert aan dien van de Appelvinken; de snavelrug is echter meer gekromd, meer of minder over de spits van den ondersnavel heengebogen; bij sommige loopt hij zelfs uit in een haakvormig benedenwaarts gericht gedeelte, dat aan de achterzijde ingekorven is; de zijranden zijn meer of minder sterk ingetrokken en ook wel zwak binnenwaarts gebogen, aan den bovensnavel boogvormig uitgesneden; de krachtige poot heeft een langen loop en lange teenen; de eerste slagpen is steeds aanmerkelijk korter dan de overige, de derde en de vierde vormen in den regel de spits van den korten vleugel; de lange staart is meestal afgerond, zeldzamer afgeknot of uitgesneden, het vederenkleed vol, zacht, metaalglans, dikwijls effen grijs of groenachtig olijfkleurig grijs, zeldzamer roodachtig geel of zwart en nog minder dikwijls gekenmerkt door velden van sterk sprekende kleur.