Krengraaf (Corvus crassirostris). ⅕ v.d. ware grootte.
*
De kleinste van de inheemsche Raven is de Kauw, Kerkkauw of Torenkraai, in Friesland Ka, Akke of Torenkraai genoemd (Colaeus monedula). Zij is 33 cM. lang en heeft een 18 cM. langen staart. Wegens haar korten en dikken, van boven weinig gebogen snavel wordt zij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd; de mondspleet is veel korter dan de loop. De veeren zijn op den bovenkop en de kruin donkerzwart, op den achterkop en den nek aschgrauw, op de overige bovendeelen blauwzwart, op de onderdeelen leikleurig of grijsachtig zwart; de iris is zilverwit, de snavel en de pooten zijn zwart. Witte en isabelkleurig witte Kauwen zijn niet al te zeldzaam.
Ook de Kauw komt niet slechts in het grootste deel van Europa, maar ook in vele landen van Azië voor; naar ’t noorden strekt haar verbreidingsgebied zich minstens zoover uit, als de graanbouw reikt. In het zuiden van Europa is zij zeldzamer dan in Nederland en Duitschland, nergens echter ontmoet men haar zoo veelvuldig als in Rusland en Siberië. Hier te lande en in Duitschland broedt zij volstrekt niet overal, waar men haar op grond van de aanwezigheid van geschikte nestelplaatsen zou kunnen verwachten; zij vestigt zich in het eene oord wel, in het andere niet, zonder dat men hiervoor een geldige reden weet aan te wijzen. Waar zij bij ons voorkomt, is zij met den Spreeuw en de Musch als ’t ware een huisvogel geworden; zij nestelt in onze dorpen en steden in menigte in schoorsteenen, op kerken of bouwvallen; bovendien ontmoet men haar in bosschen met breedbladige boomen, vooral in boschjes, die te midden van het veld staan, voor zoover hier holle boomen te vinden zijn. In Rusland en Siberië bevolkt zij alle dorpen in grooten getale, vestigt zich op de blokhuizen en nestelt onder de met hout bekleede daken, achter de vensterluiken en in alle andere eenigszins beschutte ruimten, waar plaats genoeg is voor het bouwen van een nest.
De Kauw is een wakkere, levendige, behendige en schrandere Vogel. In alle omstandigheden weet zij haar goede luim te behouden en de door haar bewoonde streek op een werkelijk aardige wijze te verlevendigen. Haar buitengewoon gezelligen aard toont zij niet slechts door zich met andere Vogels van haar soort tot groote zwermen te vereenigen, maar ook door zich te voegen bij vluchten van andere Kraaien, vooral van Roeken; zij trekt zelfs met deze mede naar ’t zuiden en vliegt om harentwil zoo langzaam mogelijk, want zij zelf is ook in ’t vliegen zeer bekwaam en gelijkt in dit opzicht meer op een Duif dan op een Kraai. Het vliegen kost haar zoo weinig inspanning, dat zij zich zeer dikwijls door allerlei koene wendingen tracht te vermaken, zonder doel of reden stijgt en daalt en allerlei bevallige bewegingen maakt. Zij is even schrander als de Raaf, maar toont alleen de beminnelijke eigenschappen van dezen Vogel. Haar lokstem klinkt als “jek” of “djer” en is werkelijk welluidend; in andere gevallen roept zij “krè” en “krie-jè. Haar loktoon “jek jek” gelijkt sprekend op dien van den Roek; dit zal er ook wel toe bijdragen om de beide soorten zoo nauw met elkander te verbinden. Terwijl zij aan ’t minnekoozen is, snapt zij allerliefst; haar stem is trouwens buigzaam en vol afwisseling. Hierdoor is het verklaarbaar, dat zij zonder groote moeite het napraten van woorden of het nabootsen van andere geluiden, b.v. van hanengekraai, kan leeren.
Door de wijze waarop zij zich voedt, komt de Kauw nog het meest met den Roek overeen. Het lijdt geen twijfel, dat allerlei Insecten, Slakken en Wormen, het hoofdbestanddeel van haar maal uitmaken. De Insecten zoekt zij op de weiden en akkers bijeen of pikt ze van den rug der groote huisdieren af; vol vertrouwen volgt zij den ploegenden landman; op de straten wroet zij in den mest, bij de huizen in het afval; behendig vangt zij Muizen en jonge Vogels; eieren zijn voor haar een lekkernij. Niet minder graag is zij op allerlei plantaardige stoffen, vooral graankorrels, jonge spruitjes van graangewassen, knolvormige plantendeelen, jonge plantjes en uitspruitsels van groenten, bessen en ander ooft enz.; zij kan op deze wijze in groente- en oofttuinen een zoo niet groote, dan toch merkbare schade aanrichten; in Rusland en Siberië plundert zij ook wel de graanschoven en de dorschvloeren. Toch komt het mij voor, dat de diensten, die zij op de velden en akkers bewijst, niet minder groot, zoo niet van grooter belang zijn dan de door haar veroorzaakte schade.
De Kauw is in ons geheele land standvogel, ook in sommige gewesten van Duitschland, vooral in de zeeplaatsen; zelfs in Rusland en Siberië blijven vele Kauwen den winter over, hoe streng de koude hier ook zij. Uit vele streken van Duitschland trekken zij met de Roeken weg en keeren ter zelfder tijd als deze in ’t vaderland terug. Haar winterreis strekken zij uit tot het noordwesten van Afrika, het noordwesten van Azië en Indië. Zoodra de winter ons voor goed verlaten heeft, hebben alle paren hunne gewone broedplaatsen weer ingenomen, waar nu veel drukte en beweging heerschen. Enkele Kauwen nestelen te midden van de Roeken, verreweg de meeste echter hebben hiervoor gebouwen uitgekozen. Hier vindt elke spleet in den muur hare bewoners, zelfs zijn er gewoonlijk meer liefhebbers dan plaatsen. Dit geeft aanleiding tot vele twisten; iedere bouwlustige Kauw tracht hare mededingers zooveel mogelijk te verschalken. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren, zwartbruin gevlekt op licht groenachtig blauwen grond. De jongen worden door hunne ouders met Insecten en Wormen grootgebracht, met groote liefde behandeld en in geval van nood met grooten moed verdedigd. Zoodra een Uil, een Wouw of een Buizerd zich vertoont, wordt deze onder vreeselijk geschreeuw door een geheel leger van Kauwen aangevallen en uren ver vervolgd.
Geen der Raven wordt veelvuldiger in gevangenschap gehouden dan de Kauw. Haar vroolijke aard, behendigheid en schranderheid, gehechtheid aan haar meester, goedaardigheid en nabootsingsgave zijn wel geschikt om haar vrienden te verschaffen. Zonder moeite kan men haar, als zij jong gevangen is, aan het uit- en invliegen gewennen. Weldra heeft zij zich aan het huis van haar meester zoozeer gehecht, dat zij het zelfs in den herfst niet verlaat, of, zoo zij al met hare soortgenooten in zuidelijk gewesten gaat overwinteren, niet zelden in de volgende lente naar de woning, die haar dierbaar geworden is, terugkeert.
In Duitschland is op vele plaatsen de meening verbreid, dat de Kauwen bij ’t naderen van de cholera de steden verlaten, die het eerst aan de beurt zijn om door de gevreesde ziekte bezocht te worden. Het is volkomen waar, dat de Kauwen nu en dan voor een tijd weggaan; zij vluchten dan echter niet voor de cholera, maar begeven zich eenvoudig naar de akkers, zoodra de veldvruchten rijp zijn.
*
De Eksters (Pica) zijn langstaartige Raven, welker snavel over ’t geheel genomen denzelfden vorm heeft als die der Kraaien, hoewel de snavelrug sterker gekromd is; zij staan hoog op de pooten, hebben korte, afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vijfde handpen, een sterk trapvormigen staart, die langer is dan het overige lichaam, en een goed gevuld vederenkleed.
De Ekster, bij Breda Atzel, in Friesland Bonte Ekster genoemd (Pica rustica)19, bereikt een lengte van 45 à 48 cM., waarvan 26 cM. op den staart komen. De kop, de hals, de rug, de keel, de gorgel en de bovenborst zijn glanzig donkerzwart, op den kop en den rug met groenachtigen weerschijn; de schouders, en een meer of minder volledige, dikwijls slechts flauw aangeduide dwarsband over den rug zijn, evenals de nog niet genoemde onderdeelen en de binnenvlag der handpennen, wit; de slagpennen zijn overigens blauw, haar buitenvlag en de dekveeren van de hand groen, alleen aan de spits donker, de stuurpennen donkergroen, aan de spits zwart, overal met metaalachtigen, meestal koperkleurigen weerschijn. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart.
Het verbreidingsgebied van de Ekster omvat Europa en Azië, van den noordelijken woudgordel tot Perzië en Kasjmir. In de meeste landen en gewesten komt zij veelvuldig voor, in andere ontbreekt zij bijna geheel; zoo ziet men haar in vele provinciën van Spanje in ’t geheel niet, terwijl zij in andere gemeen is; bovendien vermijdt zij in den regel hooge gebergten, boomvrije vlakten en uitgestrekte bosschen. Boschjes te midden van het veld, boschranden en boomgaarden zijn hare eigenlijke woonplaatsen. Gaarne vestigt zij zich in de nabijheid van menschelijke woningen; overal, waar men haar duldt, wordt zij buitengewoon gemeenzaam of liever gezegd indringerig. In Skandinavië, waar men haar in zekeren zin als de heilige Vogel van het land beschouwt, slaat zij niet in den tuin, maar in de hofstede zelf haar woning op en bouwt op bepaaldelijk voor haar aangebrachte uitbouwsels onder de daken haar nest. Overal, waar zij voorkomt, is zij standvogel in den volsten zin van ’t woord. Haar eigenlijk woongebied is klein en zij verlaat het nooit. Als zij in een dorp uitgeroeid wordt, duurt het vele jaren, voordat zij van de grenzen af er weder binnenkomt. Alleen in den winter zwerft zij, hoewel steeds nog in beperkte mate, verder rond dan gewoonlijk.
De levenswijze en gewoonten van de Ekster herinneren wel is waar in vele opzichten aan die van de Kraaien, maar verschillen er toch in andere niet onbelangrijk van. Zij gaat stappend als een Raaf, maar heeft daarbij een andere houding; want zij heft den langen staart omhoog en beweegt hem wippend, zooals de Lijsters en de Roodborstjes doen. Haar logge wijze van vliegen, welke geheel anders is dan die van de eigenlijke Raven, vereischt veelvuldige vleugelslagen en wordt reeds bij eenigszins krachtigen wind onzeker en langzaam. De Raaf vliegt voor haar vermaak uren lang rond; de Ekster gebruikt hare vleugels alleen, als zij moet. Zij begeeft zich van den eenen boom naar den anderen of van den eenen struik naar den naastbijzijnden, nooit echter zonder noodzaak. Hare zintuigen zijn, naar het schijnt, even volkomen als die van de Raaf; ook door haar verstand staat zij volstrekt niet bij deze achter. Zij weet zeer goed ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke te onderscheiden: jegens menschen is zij steeds op haar hoede, jegens dieren, die zij niet behoeft te vreezen, driest en in sommige gevallen wreed. Gezellig van aard, evenals alle leden van haar familie, mengen de Eksters zich gaarne onder de Raven en Kraaien en zwerven ook wel met de Notenkrakers rond; zij vereenigen zich echter bij voorkeur met andere dieren van haar soort tot kleine of groote vluchten, welker leden gemeenschappelijk jagen en over ’t algemeen innig deelnemen aan elkanders vreugde en leed. Gewoonlijk ziet men ze familiesgewijs. Haar heesche stem klinkt als “sjak” of “krak”, welke beide klanken dikwijls verbonden worden tot “sjakerak”. Deze geluiden dienen als loktoon en waarschuwingsroep; de intonatie verschilt, al naar de beteekenis, die er aan gehecht wordt. In de lente, vóór en gedurende den paartijd, babbelt zij uren achtereen en laat een verbazingwekkend aantal gelijksoortige en toch verschillende geluiden hooren. Te recht is haar gesnap spreekwoordelijk geworden.
Insekten en Wormen, Slakken, allerlei kleine Gewervelde Dieren, bessen, kersen en andere saprijke vruchten, graankorrels en allerlei zaden maken het voedsel van de Ekster uit. In de lente richt zij groote schade aan; daar zij de nesten van alle Vogels, die zich tegen haar niet kunnen verweren, zonder mededoogen uitplundert en een sterk bevolkten tuin in den letterlijken zin van ’t woord uitmoordt. Ook de hoenderparken, eendenfokkerijen, fazantentuinen, de kweekerijen van pluimvee in ’t algemeen, hebben veel van haar te lijden; zij vangt zelfs oude Vogels en doet dit, gelijk Naumann zegt, dikwijls geheel onverwachts; daar hare slachtoffers, omdat zij voortdurend met hen in gezelschap is, jegens haar geen argwaan toonen en zich dus, terwijl zij veilig meenen te zijn, door haar laten verschalken. Hoewel zij zich bovendien ijverig met de muizenjacht bezig houdt en vele schadelijke Insecten, Slakken en dergelijk ongedierte vangt en verslindt, moet zij zonder eenigen twijfel tot de schadelijke dieren gerekend worden, daar zij minder bij deze, dan bij de nuttige dieren haar roofzucht openbaart.
De Noren beweren, dat de Ekster op Kerstmis het eerste takje brengt naar de plaats, waar zij nestelen zal; bij ons en in Duitschland gebeurt dit gewoonlijk niet voor het einde van Februari. Zij nestelt veelal in de toppen van hooge boomen, alleen daar, waar zij zich volkomen veilig acht, in hakhout of lage struiken, b.v. in de groote doornstruiken van onze duinen. Dorre rijsjes en doornen vormen de grondlaag van haar nest; hierop volgt een dikke laag leem, dan eerst komt de eigenlijke nestholte, die uit haren van dieren en fijne wortelvezels bestaat en zeer zorgvuldig bewerkt is. Het geheele nest wordt van boven, op een zijdelingsche opening na, met een dak van doornen en droge rijsjes voorzien, dat wel doorzichtig is, maar den broedenden Vogel toch volkomen tegen mogelijke aanvallen van Roofvogels beveiligt. Het broedsel bestaat uit 7 of 8 eieren, die op groenachtigen grond met olijfbruine streepjes en vlekjes bedekt zijn. Na een bebroeding van drie weken komen de jongen uit; deze worden vervolgens door de beide ouders met Insecten, Regenwormen en slakken gevoederd, totdat zij zelfstandig zijn. Zoowel de vader als de moeder toonen veel liefde voor hun kroost en verlaten het nooit. Het is ons gebleken, dat een Ekster, waarop wij geschoten hadden, nog voortging met broeden met een hagelkorrel in zijn lichaam. Weinige Vogels naderen hun nest met grooter voorzichtigheid dan de Ekster, die alle mogelijke listen in toepassing brengt, om de plaats waar zij broedt, geheim te houden.
Jong uit het nest genomen Eksters worden buitengewoon tam, kunnen met vleesch, brood, gestremde melk, versche kaas gemakkelijk grootgebracht worden, geraken zoozeer gewoon aan de gevangenschap, dat men ze naar vrije verkiezing kan laten rondvliegen, laten zich tot het verrichten van kunstjes africhten, leeren liedjes fluiten en enkele woorden spreken en verschaffen hare verzorgers hierdoor veel genoegen, door haar zucht tot het wegnemen van schitterende voorwerpen trouwens ook last.
De mensch, die de kleine vogeltjes tracht te beschermen, wordt vroeger of later een beslist vijand van de Ekster en verdrijft haar zonder medelijden uit het aan zijn zorg toevertrouwde gebied. Door haar slimheid en sluwheid weet zij zelfs den geoefendsten jager in spanning te houden en hem te nopen van verstand en list gebruik te maken. Behalve den mensch, heeft deze schrandere en moedige Vogel waarschijnlijk alleen van de sterkste Roofvogels vervolgingen te verduren. Het meest heeft zij den Havik te vreezen, tegen wiens aanval alleen dicht struikgewas haar beveiligen kan.
*
De Blauwraven (Cyanocorax) behooren in Middel- en Zuid-Amerika thuis. Een van de meest verbreide soorten van dit geslacht is de Kapdragende Blauwraaf (Cyanocorax chrysops), zoo genaamd, omdat de opstaande, fluweelzwarte veeren van den bovenkop en den voorkop duidelijk te samen één geheel uitmaken en een soort van kap vormen. Bovendien hebben ook de teugels, de zijden van den hals, de keel en de voorhals tot aan de borst een koolzwarte kleur; de nek, de rug, de vleugels en de staartveeren (voor zoover deze niet door de vleugels bedekt worden) zijn ultramarijnblauw, aan den wortel zwart; de onderdeelen, van de borst tot aan de stuit, de onderdekveeren van den vleugel en de spits van den staart zijn geelachtig wit; boven en onder het oog komt een hemelsblauwe, breede, halvemaanvormige vlek voor; een dergelijke vlek versiert den wortel van den ondersnavel; de eerstgenoemde is van boven zilverkleurig gezoomd. De oogen zijn geel, de snavel en de pooten zwart. Deze 35 à 37 cM. lange Vogel (staartlengte 17 cM.), bewoont alle warme gewesten van Zuid-Amerika, van Paraguay af noordwaarts.
*
De Kitta’s (Cissa) zijn slank gebouwde, voor ’t meerendeel Indische Vogels, met schitterend gekleurde veeren. De Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha), een der fraaiste soorten van dit geslacht, heeft een lengte van 58 cM., waarvan 42 cM. op den staart komen. De kop, de hals en de borst zijn, met uitzondering van een witte, overlangsche vlek, die zich over den kop en den rug uitstrekt en langzamerhand in blauw overgaat, donkerzwart; de rug en de mantel zijn licht kobaltblauw; de bovendekveeren van den staart hebben dezelfde kleur, maar zijn met een breede, zwarte spits voorzien; de onderdeelen, bij de borst te beginnen, zijn witachtig met een roodachtig aschkleurige tint, de vleugels schitterend kobaltblauw, de binnenvlag van de slagpennen echter zwart; alle vleugelveeren hebben witte spitsen. De oogen zijn karmijnroodbruin, de pooten bleek vermiljoenrood, de snavel is koraalrood.
De Langstaartige Chineesche Kitta komt voor in het westelijk gedeelte van den Himalaja. In China, vooral in de bosschen om Hongkong, wordt zij veelvuldig aangetroffen. In Oost-Indië (o.a. op Sumatra) ontmoet men een meer groenblauwe, langstaartige soort (Cissa venatoria). De Javaansche (Cissa thalassina) draagt, evenals de vorige, een kleine kuif op den kop, maar heeft een korteren staart. De Chineesche Kitta is een schrander, waakzaam dier, dat andere Vogels waarschuwt tegen loerende Roofdieren. Vooral den Luipaard volgt zij dikwijls mijlen ver en maakt, dat hem menige buit ontgaat. Als loktoon en waarschuwend sein laat zij een schel “pienk pienk pienk” hooren, dat door een luid gesnater wordt gevolgd. Haar voedsel bestaat uit Insecten en vruchten.
In China wordt deze soort soms in de kooi gehouden en met rauw vleesch, jonge of kleine Vogels, Insecten en dergelijke stoffen gevoederd. Van hier worden soms enkele van deze prachtige Vogels naar Europa overgebracht.
Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha). ⅖ v. d. ware grootte.
De Gaaien (Garrulus) onderscheiden zich van de tot dusver genoemde Raafvogels door den korten en stompen snavel, met of zonder haakvormig omgebogen spits aan de bovenkaak, door de zwakke pooten, de zeer korte, sterk afgeronde vleugels, den betrekkelijk langen, nagenoeg recht afgesneden of zwak trapvormigen staart en het goed gevulde, zachte, losbaardige, bontgekleurde vederenkleed.
Alle leden van deze onderfamilie leven veel meer op boomen en veel minder op den grond dan de Eigenlijke Raven. Hoogst zelden vereenigen zij zich tot talrijke vluchten; meestal vormen zij kleine troepen of familiën, die den geheelen dag in het bosch rondzwerven, van den eenen boom op den anderen overgaande. Wegens hunne korte vleugels is hun wijze van vliegen meer wankelend, minder vast dan die van de Raven; zij zijn niet in staat zich tot aanzienlijke hoogten te verheffen en denken er nooit aan zich, evenals de leden der vorige onderfamilie, met vliegoefeningen te vermaken. Ook op den bodem zijn zij niet goed thuis, hun gang is gewoonlijk een gebrekkig huppelen. In de boomkronen zijn zij op hun plaats; hier bewegen zij zich in meerdere of mindere mate behendig. Hunne zintuigen zijn ongeveer even volkomen als die der Raven; slechts bij uitzondering echter bereiken hunne verstandelijke vermogens den trap van ontwikkeling, waardoor de Raven zich over ’t geheel genomen onderscheiden. Hun aard komt eenigermate overeen met dien van de Klauwieren; even wreed en roofgierig als deze, bezitten zij echter niet hun moed en evenmin de stoutmoedigheid der Raven. Hun voedsel ontleenen zij zoowel aan het plantenrijk als aan het dierenrijk. Gedurende een deel van ’t jaar voeden zij zich bijna uitsluitend met vruchten, terwijl in een ander seizoen de nesten van allerlei Vogels door hen op de onmeedoogendste wijze geplunderd worden. Wegens deze eigenschappen zijn zij over ’t algemeen niet bemind, hoewel zij door sommige begaafdheden, vooral door hun groote geschiktheid voor het nabootsen van verschillende stemmen, den mensch voor zich weten in te nemen.
*
Onze Vlaamsche Gaai, in Gelderland Eikelaakster, in Overijsel Merklouw, in Friesland Houtekster genoemd (Garrulus glandarius), kenmerkt zich door den korten, krachtigen, langs den rug weinig gebogen snavel, den middelmatig langen loop, de korte, sterk afgeronde vleugels, den middelmatig langen, zacht afgeronden staart en het zeer ruim voorziene, zachte, losbaardige, op den kop kuifvormig verlengde vederenkleed, welks fraaie, wijnroodachtig grijze hoofdkleur aan de bovendeelen donkerder, aan de onderdeelen lichter is; de witte veeren van de kuif zijn ieder op ’t midden met een lancetvormige, zwarte, blauwachtig gerande vlek geteekend; de teugel is geelachtig wit met donkerder overlangsche strepen; de keelveeren zijn wit; een breede en lange baardstreep aan weerszijden en de schouderveeren zijn fluweelachtig zwart, de handpennen bruinzwart, aan de buitenzijde grijsachtig wit gezoomd; de witte wortelhelften van de (overigens fluweelachtig zwarte) armpennen vormen op den vleugel een spiegel, die dicht bij den wortel blauw geschubd is; de bovendekveeren van den vleugel hebben een zwarte binnenvlag en een hemelsblauwe buitenvlag; zij zijn met witte en zwarte dwarsstreepjes voorzien, waardoor een prachtig schild ontstaat; de staartpennen eindelijk zijn zwart, aan haar wortelhelft met meer of minder duidelijke, blauwe, dwarse teekening. De oogen zijn parelkleurig, de pooten bruinachtig vleeschrood; de snavel is, evenals bij alle overige inheemsche Raafvogels, zwart. Van de 34 cM. lengte komen 15 cM. op den staart.
In ons land is de Vlaamsche Gaai overal te vinden, waar bosschen zijn; zelfs bewoont hij het houtgewas om buitenplaatsen of groote tuinen. Men treft hem hier het geheele jaar door aan; reeds van verre verraadt hij zijn aanwezigheid door zijn schelle, krijschende stem. Hij bewoont alle bosschen van Europa, met uitzondering van die der noordelijkste gewesten. In Duitschland is hij algemeen, in de dichtste bosschen zoowel als in boschranden en in de door velden omgeven boschjes, in het naaldhout bijna even veelvuldig als in de breedbladige boomen. In ’t voorjaar leeft hij paarsgewijs, gedurende de overige gedeelten van het jaar in familiën en troepen; hij zwerft door een beperkt gebied. Streken, waar geen eiken groeien, worden soms voor weken, ja zelfs voor maanden door hem verlaten; over ’t algemeen echter blijft hij jaar in, jaar uit zijn woonplaats getrouw. Rusteloos, beweeglijk, listig, ja zelfs buitengewoon schuw van aard, verschaft hij den mensch door zijn werkzaamheid veel genoegen, maar ook veel ergernis. Hij neemt tot tijdverdrijf allerlei standen aan en bootst de meest verschillende geluiden voortreffelijk na. Zijne bewegingen te midden van de twijgen zijn zeer behendig; tamelijk goed weet hij zich op den grond te redden; het vliegen gaat hem niet goed af, hij ziet er daarom zeer tegen op over uitgestrekte, open terreinen te vliegen. Zoolang mogelijk houdt hij zich in de struiken op; bij het vliegen over vrije ruimten maakt hij gebruik van iederen boom om zich te dekken. Hij leeft in aanhoudende vrees voor Roofvogels, die hem alleen in ’t woud niet kunnen bereiken, maar hem gedurende een eenigszins langduriger vlucht onmiddellijk pakken.
Vlaamsche Gaai (Garrulus glandarius). ⅓ v. d. ware grootte.
Hoogst vermakelijk is het waarlijk uitmuntende talent voor nabootsing van den Vlaamschen Gaai, die ongetwijfeld een der meest begaafde en onderhoudende, inheemsche “spotvogels” is. Zijn gewoon geschreeuw is een krijschend, afschuwelijk “retsj” of “rè”, zijn angstroep een weinig minder onwelluidend “kè” of “krè”. Soms schreeuwt hij als een Kat “miau”; volstrekt niet zelden zegt hij, wel eenigszins op de wijze van een buikspreker, maar toch volkomen duidelijk, het woord “markolf”. Behalve deze klanken, die hem van nature eigen zijn, bootst hij alle tonen en geluiden na, die hij in zijn gebied kan hooren. Het op miauwen gelijkende geschreeuw van den Buizerd bootst hij op de meest volkomen wijze en zoo geregeld na, dat men in twijfel blijft verkeeren, of hij op deze wijze vreemde, dan wel eigen waren aan de markt brengt. Voor de eerstgenoemde meening pleiten verscheidene andere feiten van denzelfden aard. Men heeft hem het gedruisch, dat bij ’t scherpen van een zaag ontstaat, hooren nadoen; Naumann hoorde een dezer Vogels onverbeterlijk hinniken als een veulen; andere hebben zich met goed gevolg geoefend in het kraaien als een haan en het kakelen als een hen. De verschillende, hier en daar afgeluisterde tonen worden soms tot een zonderling gesnap of gezang saamgevoegd, dat al of niet welluidend kan zijn. “In den herfst,” verhaalt Rosenhein, “ging ik eens, vermoeid van de jacht, in het woud onder een hoogen berk zitten en dacht na over de gebeurtenissen van den dag. Hierin werd ik op een niet onaangename wijze gestoord door het gekweel van een Vogel. Zoo laat in ’t jaar, dacht ik, en nog gezang in het reeds winterachtige woud? Wie en waar zou de zanger zijn? Ik keek naar alle naburige boomen, maar vond den virtuoos niet, wiens tonen toch nog altijd krachtig weerklonken. Hun groote overeenkomst met die van den Lijster brachten mij op het denkbeeld, dat deze mij zijn wijsje voorzong. Kort daarna vernam ik echter in kort afgebroken coupletten ook minder volle tonen dan die van den Lijster. Het was, alsof een onzichtbare kring van zangers mij omgaf. Ik hoorde n.l. volkomen duidelijk zoowel het gepik van den Specht als het gekras van de Ekster, iets later weerklonk de stem van de Klauwier, toen die van den Lijster, van den Spreeuw, ja zelfs van den Scharrelaar. Eindelijk zag ik op aanzienlijke hoogte boven mij—een Vlaamschen Gaai! Hij was het, aan wien ik al deze navolgingen te danken had.”
Ongelukkig bezit de Vlaamsche Gaai andere eigenschappen, waardoor hij de gunst van den mensch, die hij door zijn talent verwerft, spoedig weer verliest. Hij is alleseter in de uitgestrekte beteekenis van het woord en de afschuwelijkste nestenroover, die onze bosschen bewoont. Alle levende wezens, die niet grooter zijn dan een Muis of een jong Vogeltje, brengt hij in gevaar; hij rooft ook eieren, zonder evenwel bessen en andere saprijke en droge vruchten te versmaden. In den herfst leveren eikels, beukenootjes en hazelnoten dikwijls weken achtereen de hoofdschotel van zijn maal. De eikels laat hij weeken in zijn krop, spuwt ze daarna uit en spalkt ze open; de hardschalige noten hamert hij met zijn krachtigen snavel stuk, hoewel dit niet zonder moeite geschiedt. Terwijl hij eikels plukt, verricht hij een nuttig werk, daar hij door het laten vallen van sommige dezer vruchten tot de verspreiding van den eik bijdraagt. Voor ’t overige richt hij alleen schade aan.
Lenz houdt hem voor een hoofdverdelger van de Adder en beschrijft uitvoerig, hoe deze Vogel jonge Adders, zoo vaak hij ze ontmoet, zonder schroom den kop opensplijt en ze daarna met veel smaak opeet; zelfs de volwassene overmeestert hij, zonder zich aan hare vergiftige beten bloot te stellen, daar hij in den kop van den Slang zoo ijverig met den snavel pikt, dat het dier weldra het bewustzijn verliest en door eenige snel opeenvolgende pikken binnen weinige minuten gedood wordt. De genoemde onderzoeker schat den Vlaamschen Gaai wegens deze heldendaden hoog en heeft hem zelfs in een zeer aardig gedicht verheerlijkt: de roofzucht van onzen Vogel is echter niet alleen tegen het vergiftige gedierte, maar ook, en in nog veel hoogere mate, tegen de nuttige, kleine Vogels gericht. Door zijn roofzucht wordt hij gevaarlijk voor ouden en jongen. Naumann’s broeder vond een Vlaamschen Gaai bezig met het dooden van een oude Zanglijster, de moeder van een talrijke kinderschaar, die haar leven, naar het scheen, gewaagd had bij het beschermen van haar kroost; dezelfde waarnemer zag later den Vlaamschen Gaai ijverig en behendig jacht maken op jonge Patrijzen. Trinthammer en A. von Homeijer veroordeelen den Vlaamschen Gaai even sterk, als Lenz hem prijst. “Wat doet deze dolende ridder,” vraagt de eerstgenoemde, “deze doortrapte gauwdief, de keurigst opgeschikte vertegenwoordiger van de geheele galgenvogelbende, gedurende den geheelen broedtijd! Van boom tot boom, van struik tot struik zwervend, overrompelt hij de nesten, slurpt de eieren uit, verslindt de al of niet vederlooze nestvogels met huid en haar, pakt en verscheurt de reeds uitgevlogen geelsnavel, die, onbeholpen en onervaren, hem niet gauw genoeg uit den weg gaan. De Sperwer en de drie Klauwieren van onze wouden zijn ook wel booze rakkers; zij alle met elkander richten echter op lange na niet zulk een vernieling aan onder de zangers van het woud als de Vlaamsche Gaai. Hij is de “Negenmaal negen dooder”, de “Wurger” in de eigenlijke beteekenis van het woord en als zoodanig versierd met vederpluim en epauletten. Waar deze struikroover de overhand neemt, kan er van toeneming van het aantal Zangvogels geen sprake meer zijn. Mijn beschuldiging is zeker niet te hard.”
De broedtijd van den Vlaamschen Gaai valt in de eerste lentemaanden. In Maart begint het paar met den bouw van het nest; in het begin van April is het broedsel gewoonlijk voltallig. Het nest staat zelden hoog boven den grond, soms in den top van een lagen boom, soms in de kroon van een hoogeren, hetzij in ’t midden van deze dicht bij den stam, of aan den buitenkant in de twijgen. Het is niet bijzonder groot; de onderste laag bestaat uit fijne, dunne rijsjes, de daarop volgende uit heide of dorre stengels van kruiden, de binnenbekleeding eindelijk uit fijne worteltjes, die zeer netjes gerangschikt zijn. De 5 à 9 eieren zijn op vuil geelwitten of groenachtig witten grond overal met grijsbruine vlekken en stippels geteekend, die aan het stompe einde gewoonlijk kranswijs bijeenstaan. Na een bebroeding van ongeveer 16 dagen verlaten de jongen de eischaal; zij worden aanvankelijk met rupsjes en andere larven, met Kevers, Wormen en dergelijke diertjes, later echter hoofdzakelijk met jonge Vogels gevoederd. Tenzij het paar gestoord wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar.
Van oud gevangen Vlaamsche Gaaien beleeft men weinig genoegen, omdat zij zelden tam worden; jong uit het nest genomen exemplaren, die men zelf heeft grootgebracht, kunnen echter hun meester veel voldoening verschaffen. Ook zij leeren soms eenige woorden naspreken en dikwijls korte wijsjes nafluiten. Dat zij in een volière met andere zangvogeltjes niet geduld kunnen worden, spreekt van zelf, want hun roofzucht verloochent zich nooit.
Aan de noordelijke en oostelijke grenzen van het verbreidingsgebied van onzen Vlaamschen Gaai begint dat van den Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). Van zijn zooeven beschreven stamgenoot onderscheidt hij zich vooral door den zeer slanken, langs den kinrand (de plaats van vereeniging der beide ondersnavelhelften) sterker gekromden snavel, voorts door den zeer korten loop, den eenigszins trapvormigen staart en het zeer zachte, losbaardige, op den kop niet verlengde vederenkleed. De veeren van bovenkop en nek zijn roetkleurig bruin, die van rug en mantel dof loodgrijs, die van den achterrug en den staartwortel vosrood; de slagpennen hebben een roetbruine binnenvlag, een bruinachtig grijze buitenvlag; de stuurpennen, met uitzondering van de beide middelste loodkleurig grijze, zijn helder vosrood. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lichaamslengte 31, staartlengte 14 cM.
Het verbreidingsgebied van den Ongeluksgaai strekt zich uit van Finnmarken tot aan het eiland Sachalin en van de noordelijkste grens van den boomgroei tot 60° N.B., in Siberië waarschijnlijk nog wel iets verder zuidwaarts. Van hier uit bezoekt hij nu en dan lagere breedten en heeft zich bij deze gelegenheid herhaaldelijk ook in Duitschland vertoond.
Zijne bewegingen zijn zeer sierlijk; hij vliegt geheel anders dan onze Gaai, buitengewoon gemakkelijk en zacht, meestal glijdend; de roode veeren van vleugels en staart komen dan goed uit. Bij zijn beweging in de twijgen maakt hij telkens van de vleugels gebruik; hij doet dit zeer snel en behendig: soms klauterend met groote sprongen, soms letterlijk schuivend langs den tak. Om de omgeving te bespieden, hecht hij zich behendig op de wijze van de Spechten aan den stam, meestal echter niet evenwijdig aan de as van den boom, maar in schuinsche richting. De klagende geluiden, die hij soms voortbrengt, hebben aanleiding gegeven tot zijn naam.
Volgens het eenstemmig oordeel van alle onderzoekers is de Ongeluksgaai een zeer gemeenzame en nieuwsgierige Vogel, die zich, zooals Nilsson verhaalt, soms op den hoed van een houthakker neerzet, en die, naar Schrader bericht, met de Rendier-Lappen op den vertrouwelijksten voet verkeert en met hen of hunne kudden medegaat, als zij zich naar hunne rustplaatsen begeven. Zij weet echter zeer goed de voor haar onschadelijke herders te onderscheiden van de jagers. In den herfst en den winter vormen bessen en zaden, vooral die van de arve en andere naaldboomen, waarschijnlijk een hoofdbestanddeel van haar voedsel. Als de sneeuw zoo hoog ligt, dat zij de bessen voortbrengende struiken bedekt, neemt hij zijn toevlucht tot de kegels van de naaldboomen. Gedurende den broedtijd van de kleine Vogels wordt hij een even wreede nestenberoover als de Vlaamsche Gaai; hij verslindt alle volwassene Vogeltjes en kleine Zoogdieren, die hij krijgen kan, vergast zich op het te drogen hangende rendiervleesch of op de in strikken gevangen Ruigpoothoenders en versmaadt, naar men zegt, zelfs geen krengen.
*
Bewoners van de noordelijke helft van Amerika zijn de Blauwgaaien (Cyanocitta).
De meest bekende vertegenwoordiger van dit soorten-arme geslacht is de Kuifgaai (Cyanocitta cristata). De hoofdkleur van de bovendeelen is glanzig blauw; de staartveeren zijn door smalle, donkere banden en de vleugelveeren door enkele zwarte topvlekken geteekend; de uiteinden van de armpennen en van de groote dekveeren van den vleugel zijn echter, evenals de buitenste stuurpennen en de onderdeelen beneden de borst, wit of grijsachtig wit, de zijden van den kop lichtblauw; een ringvormige band, die van den achterkop over de oogen naar den bovenhals loopt en een smalle voorhoofdsstreep, die zich tot aan de oogen uitstrekt, zijn donkerzwart. De oogen zijn grijsachtig bruin, de snavel en de pooten zwartbruin. Totale lengte 28, staartlengte 13 cM.
Alle berichten stemmen hierin overeen, dat de Kuifgaai, de Blue Jay, zooals de Amerikanen hem noemen, een sieraad van de Noord-Amerikaansche wouden is. Toch heeft deze Vogel zich hier niet vele vrienden gemaakt. Hij is allerwege bekend en overal gemeen, in de meeste gewesten standvogel, alleen in de noordelijke staten zwerf- of trekvogel. Zijn levenswijze komt in vele opzichten met die van onzen Vlaamschen Gaai overeen. Hij geeft de voorkeur aan dichte en middelmatig hooge bosschen, zonder echter de hoogstammige wouden te mijden, komt af en toe in de vruchtentuinen, zwerft voortdurend van de eene plaats naar de andere, let op alle verschijnselen, waarschuwt door een luid geschreeuw andere Vogels en zelfs Zoogdieren, rooft naar verhouding van zijn grootte op zeer uitgebreide schaal allerlei dieren, kortom, hij is in alle opzichten een waardige plaatsvervanger van zijn bij ons levenden stamgenoot. Hij is dit ook, wat zijn talent van nabootsing betreft. Zijn stemgeluid is zeer verschillend al naar de aandoeningen, die hij te kennen wil geven: zacht, wanneer hij zijn wijfje liefkoost, piepend als het geluid voortgebracht door het wiel van een slecht gesmeerden kruiwagen, wanneer hij het wijfje roept. Hij maakt, als hij zijn stem laat hooren, allerlei zonderlinge gebaren, bootst de manieren en de geluiden van andere Vogels na, schreeuwt, wanneer hij een Valk ziet, als een Vogel die door een Valk gegrepen is. Hij is een groot vijand van de Uilen, die hij gedurende hun dagslaap zoolang verontrust, totdat zij wegvliegen.
Jong uit het nest genomen Kuifgaaien worden spoedig tam, maar moeten in een afzonderlijke kooi gehouden worden, daar zij andere Vogels bloedgierig overvallen en dooden. Een gevangen Kuifgaai, die met andere Vogels in een volière was opgesloten, doodde achtereenvolgens al zijne metgezellen. Oude Vogels van deze soort leeren zich eveneens gemakkelijk schikken in het verlies van hun vrijheid. In den laatsten tijd worden de Blauwe Gaaien dikwijls naar Europa overgebracht en zijn daarom bijna in iederen dierentuin te vinden. Tot dusver heeft nog niemand eenige Vogels van deze soort in onze bosschen laten vliegen. Zij zouden deze ongetwijfeld niet weinig opsieren; verdienstelijk voor de houtteelt zouden zij echter evenmin worden als hunne Europeesche verwanten.
*
Een van de fraaiste Europeesche Vogels—de Spaansche Blauwekster (Cyanopolius Cookii)—vertegenwoordigt het geslacht der Blauweksters, dat zich door zijn zwakkeren snavel en eigenaardige kleuren van de Eksters onderscheidt. De kop en het bovenste deel van den nek zijn fluweelachtig zwart, de rug en de mantel licht bruinachtig grijs, de keel en de wangen grijsachtig wit, de onderdeelen licht vaalgrijs, de vleugels en de staart licht blauwachtig grijs, de handpennen aan de buitenzijde wit gezoomd. De oogen zijn koffiebruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 21 cM.
Men ontmoet de Blauwekster in alle deel en van Zuid- en Middel-Spanje, waar de altijd groene Eiken samenhangende wouden vormen. Men kan zich haar bijna niet voorstellen zonder dezen boom, wiens dichte kroon haar bedekking en bescherming verleent, wiens donker lommer haar, ondanks haar prachtig gewaad, verbergt en aan het oog onttrekt. In Noordwest-Afrika, vooral in Marokko, ontmoet men haar eveneens; in Oost-Siberië wordt zij door een nauw verwante soort (Cyanopolius cyanus) vervangen. Overal, waar zij voorkomt, is zij veelvuldig. Zij leeft gezellig en vormt talrijke benden, maar mijdt de nabijheid van den mensch en komt daarom slechts bij uitzondering in de buurt van bewoonde gebouwen voor. Hare gewoonten gelijken veel op die van de Gewone Ekster; haar stem is echter geheel anders; deze klinkt ongeveer als “krrih” of “prrih”, lang gerekt en afgebroken; haar gesnap (“klikklikklikkli”) herinnert eenigszins aan het vroolijke geluid van den Groenen Specht.
De broedtijd begint eerst in het midden van de lente: in de omstreken van Madrid niet vóór het begin van Mei. Het nest gelijkt op dat van onzen Vlaamschen Gaai, nog meer op dat van een Klauwier. Het broedsel bestaat uit 5 à 9 eieren, op geelachtig grijzen grond geteekend met donkerder wegsmeltende vlekken, waarover olijfbruine stippels en vlekjes, die aan het dikkere einde soms kranswijs bijeenstaan, verstrooid zijn. Gevangen Blauweksters zijn zeldzame, maar allerliefste bewoners van onze volières, zij houden zich zeer goed en worden, bij vriendelijke behandeling, even tam als andere Raafvogels.
*
De Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), is de eenige inheemsche vertegenwoordiger van het geslacht der Notenkrakers (Nucifraga), waarvan zes soorten over Noord-Europa, Noord- en Middel-Azië (tot Japan en het Himalaja-gebergte) en het westen van Noord-Amerika verbreid zijn. Dit geslacht kenmerkt zich door den kegelvormigen, gelijkmatig versmalden, in een wigvormige, horizontale spits uitloopenden snavel, die een weinig langer dan de kop en nagenoeg recht is. Bij onze soort is de hoofdkleur donkerbruin; met uitzondering van den kop en den nek, die ongevlekt zijn, hebben nagenoeg alle kleine veeren aan de spits een zuiver witte, langwerpig ronde vlek; de slagpennen en stuurpennen zijn glanzig zwart, de laatstgenoemde met witten top, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 36, staartlengte 12 cM.
De Notenkraker bezoekt ons vaderland gedurende den winter van sommige jaren (o. a. 1847, 1864, 1886–1889, 1893, 1895), terwijl hij in andere jaren hier in ’t geheel niet wordt waargenomen. Standvogel is hij daarentegen o. a. in de Beiersche Alpen, in de Hartz en in het Reuzengebergte. Ook in Oost-Pruisen wordt hij gevonden. Veelvuldiger dan hier broedt hij in de Zwitsersche en Oostenrijksche Alpen, in Skandinavië en in de Russische Oostzeeprovinciën. De aaneengeschakelde naaldboombosschen van de Middel-Europeesche hooge bergstreken en de uitgestrekte naaldboomwouden van het noorden der Oude Wereld dienen hem tot woonplaats; zijn verbreiding staat in verband met die van den arve-den of Russische ceder (Pinus cembra), een naaldboom, die eetbare zaden levert; in oorden waar dit voedsel gevonden wordt, houdt de Notenkraker zich gedurende het geheele jaar op. In de genoemde gebergten van Middel-Europa komt hij even geregeld voor als in het hooge noorden, het veelvuldigst steeds daar, waar arven groeien. In de andere streken van Duitschland vindt men hem, evenals bij ons, gedurende de wintermaanden van sommige jaren allerwege; in den regel volgen hierop verscheidene jaren, waarin slechts enkele exemplaren zich vertoonen. Ook in het hooge Noorden strekken zijne zwerftochten in den herfst zich niet altijd even ver uit. Hier bezoekt hij de gewesten buiten zijn broedgebied wel geregelder, maar niet ieder jaar in gelijken getale; want alleen het mislukken van de arve-noten drijft hem van het noorden naar het zuiden of van het gebergte naar de vlakte.
1) Notenkraker (Nucifraga caryocatactes), 2) Ongeluksgaai (Garrulus infaustus). ⅓ v. d. ware grootte.
De Notenkraker vertoont met den Vlaamschen Gaai niet veel meer overeenkomst dan met een Specht. Hij ziet er onbehendig, ja zelfs onbeholpen uit. Toch is hij een vlugge, wakkere Vogel, die zich op den bodem goed weet te redden en met zeer groote vaardigheid op de boomtakken en in de struiken rondhuppelt, of zich, evenals de Meezen, aan den stam hecht, zoodat men wel mag zeggen, dat hij in ’t klimmen ervaren is. Evenals een Specht gaat hij aan stammen en takken hangen, om met zijn scherpen, beitelvormigen snavel in de schors te hakken, totdat er stukken van losraken en hij den hieronder verscholen buit bemachtigen kan. Hij vliegt zonder inspanning, maar tamelijk langzaam met sterk uitgebreide en snel bewogen vleugels. Zijn stem, een op grooten afstand hoorbaar gekrijsch, bestaat uit de klanken “krek krek krek”, die in ’t voorjaar dikwijls gevolgd worden door den vele malen herhaalden klank “körr.” Wanneer men zich gedurende den broedtijd in de onmiddellijke nabijheid van den Vogel bevindt, hoort men van hem soms een eigenaardig, zacht, half ingehouden, aan buikspreken herinnerend gezang. De Notenkraker heeft, naar het schijnt, goed ontwikkelde zintuigen. Waarschijnlijk staat hij bij enkele leden van zijn familie achter, wat het verstand betreft; ten onrechte wordt hij echter voor dom gehouden. Zoodra de hazelnoten rijpen, verzamelen zich alle Notenkrakers uit de buurt op de plaatsen, waar hazelaars groeien. Na den morgen aan het zoeken van ’t voedsel te hebben besteed, verdwijnen zij tegen den middag in het bosch, om laat in den namiddag weder in de struiken terug te keeren, hoewel in minder grooten getale dan ’s morgens. In de morgenuren komt er aan hun geschreeuw en getwist geen einde. Ieder oogenblik komen eenige van deze Vogels op dit geschreeuw aanvliegen, terwijl andere, den rekbaren krop volgepropt met noten, zwaar beladen en met zichtbare inspanning zich naar het woud terug begeven om hunne schatten daar in voorraadschuren voor den winter te bewaren. In de bergstreken en de naaldhoutbosschen van het hooge noorden dienen dergelijke uitstapjes tot het verkrijgen van arve-noten. Behalve hazelnoten en arve-noten eet de Notenkraker eikels, beukels, zaden van dennen, zilversparren en sparren, graankorrels, lijsterbessen, hagedoornvruchten, rhamnusbessen, aardbeien, boschbessen en andere zaden en vruchten, allerlei Insecten, Wormen, Slakken, kleine Gewervelde Dieren van alle klassen, kortom hij is geen lekkerbek en lijdt daarom zelfs in den winter geen honger. Een tijdlang maakt hij gebruik van den opgespaarden voorraad; als deze uitgeput is, moet hij elders zijn dagelijksch brood ophalen, dan bezoekt hij de dorpen van het gebergte of verlaat tijdelijk zijn geboortegrond.
De ontoegankelijkheid van de oorden, waar de Notenkrakers nestelen, bemoeielijkt het nagaan van hun voortplanting. In de bergstreken van Middel-Europa is hun nest moeielijk te bereiken, nog veel bezwaarlijker gaat dit in hun eigenlijk vaderland, in de wouden van Noord-Europa: wildernissen, die zelfs in den zomer ternauwernood doordringbaar zijn en die derhalve in den voortplantingstijd van den Notenkraker nog veel minder goed bezocht kunnen worden. In gewone omstandigheden is het noodige aantal eieren (3 of 4) omstreeks het midden van Maart in het nest aanwezig, in het noorden misschien eerst in het begin van April. De eieren zijn langwerpig eirond, op lichtblauwachtig groenen grond met viooltjeskleurige, groenbruine en lederbruine vlekken geteekend, die over de geheele oppervlakte gelijkmatig verdeeld zijn en aan het stompe einde soms tot een krans ineenvloeien. Het wijfje broedt met veel zelfverloochening, zooals noodig is wegens het gure jaargetijde; het mannetje zorgt voor haar veiligheid en draagt haar voedsel toe; zij neemt dit gretig in ontvangst, waarbij zij uit vreugde de vleugels trillend beweegt.
Het is niet bijzonder moeielijk den Notenkraker gedurende zijne omzwervingen in den winter te vangen onder slagnetten of in knippen, die met een lokaas voorzien zijn. Spoedig geraakt hij aan de kooi en aan den gevangeniskost gewoon; hij neemt al wat eetbaar is, voor lief, hoewel hij aan vleesch boven al het overige voedsel de voorkeur geeft.
Raafvogels met een betrekkelijk korten, langs den rug sterk gebogen snavel worden in de onderfamilie der Staartkraaien (Dendrocittinae) vereenigd. Zij bewonen de wouden van de warme landen van de Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en komen over ’t algemeen door hun levenswijze met onze Eksters en Gaaien overeen.
*
De meest bekende leden van deze groep zijn de Boomeksters (Dendrocitta), tamelijk groote Vogels met korten, zijdelings samengedrukten, sterk gebogen snavel, middelmatig krachtige of korte pooten, korte, sterk afgeronde vleugels en langen, wigvormigen staart, welks beide middelste veeren ver voorbij de overige uitsteken.
Een vertegenwoordiger van dit geslacht is de Zwerfekster, de Kotri der bewoners van Indië (Dendrocitta rufa). Zij heeft met den 26 cM. langen staart een lengte van 41 cM. De kop, de nek en de borst zijn roetkleurig of zwartachtig bruin, de onderdeelen beneden de borst roodachtig of vaal geelachtig, de schouderveeren, de rug en de bovendekveeren van den staart donkerroodachtig, de dekveeren van den vleugel en de buitenvlag van de armpennen lichtgrijs, bijna wit, de overige slagpennen zwart, de middelste stuurpennen aschgrauw met zwarte spitsen, de overige stuurpennen wit met zwarte eindhelft. De oogen zijn bloedrood, de pooten donker leikleurig, de snavel is zwart.
De Kotri is over geheel Indië verbreid en komt bovendien voor in Assam, Tenasserim, China en Kasjmir (in den Himalaja trouwens overal tot op 2000 M. hoogte). In al deze landen is zij veelvuldig, vooral in boschrijke vlakten.
In een vierde onderfamilie vereenigen wij de Steenkraaien (Pyrrhocoracinae), slank gebouwde, langvleugelige en kortstaartige Raafvogels met tamelijk zwakken, spits eindigenden en eenigszins gebogen, meestal levendig gekleurden snavel, sierlijk gekleurde pooten, betrekkelijk lange vleugels en iriseerende veeren.
*
De Roodsnavelige Steenkraai of Alpenkraai (Pyrrhocorax graculus), onderscheidt zich door zijn dunnen, tamelijk sterk gekromden bek, die langer is dan de kop en, evenals de middelmatig hooge, kortteenige pooten, een fraaie, koraalroode kleur heeft. De vleugels zijn lang en reiken in rust tot voorbij den staart. Het vederenkleed is effen zwart met groenen en violetten weerschijn. De oogen zijn donkerbruin. Totale lengte 40, staartlengte 15 cM.
De Europeesche Alpen in hun geheele uitgestrektheid, de Karpathen, de Balkan, de Pyreneën en bijna alle overige gebergten van Spanje, voorts eenige bergen van Engeland en alle gebergten van den Oeral en den Kaukasus tot aan de Chineesche landruggen en den Himalaja, bovendien de Kanarische eilanden, de Atlas en de hooge bergtoppen van Abessinië verschaffen een woonplaats aan dezen in alle opzichten aantrekkelijken en merkwaardigen Vogel. In de Zwitsersche Alpen is hij zeldzaam, in Spanje echter, op vele plaatsen althans, buitengewoon talrijk. Hij bewoont in Zwitserland alleen het eigenlijke hooggebergte, een gordel op korten afstand van de sneeuwgrens, en dwaalt dikwijls tot aan de hoogste toppen der Alpen af; in Spanje daarentegen ontmoet men hem reeds op rotswanden, die zich tot hoogstens 200 à 300 M. boven den zeespiegel verheffen. In de Rhetische gebergten nestelde hij nog voor 70 jaren in de klokkenstoelen en torendaken van nagenoeg alle hooggelegen bergdorpen, terwijl hij tegenwoordig, meestal tengevolge van de veranderingen, die de torens dezer dorpen ondergaan hebben, door den nood gedwongen, naar de wildernissen der rotsen teruggekeerd is. In den hoogsten gordel van het gebergte overwintert hij niet, maar begeeft zich in October naar lager gelegen rotswanden of zuidelijker gewesten. In dezen tijd vertoonen zich, naar men zegt, zwermen van 400 à 500 van deze Vogels bij de hospitiën, om echter weldra weer te verdwijnen.
Volgens ons oordeel herinnert de Alpenkraai sterk aan de Kauw; zij vliegt echter gemakkelijker en sierlijker, ook is zij schranderder en voorzichtiger dan deze. Als men geruimen tijd de Alpenkraaien nagaat, bemerkt men, dat zij met een zekere regelmatigheid op bepaalde plaatsen verschijnen en deze met dezelfde regelmatigheid weer verlaten. In de vroegste morgenuren vliegen zij uit om voedsel te zoeken en keeren omstreeks 9 uur des voormiddags naar hare woonplaatsen terug; zij houden zich hier slechts korten tijd op, gaan drinken en zoeken opnieuw voedsel, voordat zij naar haar rotswand terugkeeren. In de schaduwrijke rotsholen, waar zij zich gedurende de middaghitte verborgen houden, geven zij nauwkeurig acht op hetgeen er in haar onmiddellijke nabijheid voorvalt, en laten niets verdachts voorbijgaan, zonder het met luid geschreeuw te begroeten. Voorbijvliegende Arenden worden door de geheele bende over een zekeren afstand vervolgd en moedig aangevallen; er wordt echter wel degelijk onderscheid gemaakt tusschen de eene soort en de andere; voor den behendigen Havikarend zijn de schrandere Vogels zeer op hun hoede; zij verbergen zich zelfs voor hem nog dieper in hunne rotsholen, terwijl zij zich om den Lammergier volstrekt niet bekommeren. In de namiddaguren vliegen zij nogmaals om voedsel uit en keeren eerst, als de zon ondergaat, na nogmaals gedronken te hebben, naar de gemeenschappelijke woon- en slaapplaatsen terug.
Eigenaardig is het, dat de Alpenkraai slechts oorden van een bepaalde gesteldheid bewoont en in andere, die schijnbaar even gunstig gelegen zijn, ontbreekt.
Als men nagaat, welk voedsel de Alpenkraai hoofdzakelijk gebruikt, blijkt het, hoe behendig zij haar gekromden snavel weet te gebruiken. Zij eet namelijk meestal Insecten en slechts in enkele gevallen andere stoffen. Sprinkhanen en Spinachtigen, o.a. Scorpioenen, zijn in Spanje waarschijnlijk de hoofdbestanddeelen van haar maal; deze dieren weet zij zeer behendig te overmeesteren. Zij werpt met haar langen snavel steentjes om en pikt de daaronder verborgen dieren op; ook boort zij wel met haar snavel in den grond om Insecten te vangen, of steekt hem onder groote steenen, die te zwaar zijn om opgetild te worden, en zoekt op deze wijze haar lievelingsspijs.
De broedtijd valt in de eerste maanden van de lente. Volgens Girtanner bestaan de bovenbouw en de onderbouw van het nest uitsluitend uit dunne, naar boven steeds fijner wordende worteltjes, grootendeels van dezelfde plantensoort afkomstig; de nestholte evenwel is bekleed met een buitengewoon dichte en stevige, niet minder dan 6 cM. dikke laag vilt, welks grondstoffen aan nagenoeg alle Zoogdieren van het gebergte zijn ontleend. Vlokken schapenwol worden met haren van Geiten en Gemzen, groote bossen witte hazenharen met haren van Runderen zorgvuldig dooreengewerkt. “Op plaatsen, waar het nest onmiddellijk tegen de rots aanligt, is de viltwand tamelijk hoog bij het gesteente opgebouwd, om de moeder en de kinderen zooveel mogelijk tegen vochtigheid en koude te vrijwaren. De 4 of 5 eieren zijn op witachtigen of vuil grijsgelen grond met lichtbruine vlekken en stippels geteekend. Hoe lang het broeden duurt, is niet bekend. Waarschijnlijk broedt het wijfje alleen; aan den moeilijken arbeid van de voedering der jongen wijden echter de beide ouders zich onder groot geschreeuw en misbaar. Tegen het einde van Juni verlaten de jongen het nest; zij worden echter nog lang door hunne ouders geleid en onderricht.