Goudkoekoek (Chrysococcyx cupreus). ⅘ v. d. ware grootte.
De prachtigste van alle Koekoeken bewonen de keerkringsgewesten van Afrika, Azië en Nieuw-Holland. De namen Bronskoekoeken en Goudkoekoeken (Chrysococcyx) zijn geheel onvoldoende tot aanduiding van hun schoonheid; daar hun kleed met veel prachtiger kleuren prijkt, dan eenig metaal of metaalmengsel vertoont.
De Goudkoekoek of Diedriek (Chrysococcyx cupreus of auratus) is op de geheele bovenzijde, met uitzondering van eenige lichter gekleurde plekken, glanzig goudgroen, met koperkleurigen weerschijn; vele veeren hebben echter bovendien nog een blauwachtigen glans aan haren rand, enkele hebben één of twee dergelijke vlekken. Langs het midden van de kruin strekt zich voor en achter het oog een witte streep uit, een andere met goudgroenen zoom gaat van den mondhoek uit. De geheele onderzijde is licht bruinachtig of geelachtig wit. De veeren van de zijden, die van den staart en de ondervleugeldekveeren zijn groenachtig, de eerste hand-, alle arm- en de buitenste stuurpennen vertoonen witte banden op donkergroenen grond. De oogen zijn levendig geelbruin, gedurende den paartijd bij het mannetje cochenille-rood, het ooglid is koraalrood, de snavel donkerblauw, de poot lichtgrijsachtig blauw. Totale lengte 19.5, staartlengte 8.5 cM. Het wijfje is gemakkelijk te herkennen aan de gevlekte onderzijde. Het jeugdkleed gelijkt veel op het volkomen kleed; de onderdeelen hebben dan echter een gele tint, de borst en de keel zijn als ’t ware dicht bedekt met metaalachtig groene schubben; de veeren van de bovenzijde hebben roestgele randen en de slagpennen roestgele vlekken.
Veelvuldig komt hij in Zuid-Afrika voor, minder algemeen is hij in Midden-Afrika. Zijn loktoon is een luid gefluit, dat door de lettergrepen “diediediediedriek” of “hoeïedhoeïedhoeïedie” nagebootst wordt. Het wijfje laat slechts een zachten, als “wiek wiek” klinkenden toon hooren.
Levaillant vond, naar hij bericht, 83-maal een ei van den Goudkoekoek in het nest van insectenetende Vogels en verzekert waargenomen te hebben, dat het wijfje zijn ei met den snavel overbrengt in het nest van de Vogels, die het tot pleegouders heeft bestemd.
Een tweede onderfamilie wordt gevormd door de Gaaikoekoeken (Coccystinae), welker grootste vertegenwoordiger—het eenige lid van het geslacht der Maskerkoekoeken (Scythrops)—de Reuzenkoekoek, de Ameao van de bewoners van Celebes (Scythrops novae-hollandiae)—Australië bewoont, van waar hij in het najaar naar Timor, Batjan, Halmahera en Celebes trekt. Zoowel in het eerstgenoemde als in het laatstgenoemde gebied wordt zijn komst als een voorteeken van regenachtig weer gehouden; vandaar de naam Voorspeller, waarmede hij soms wordt aangeduid. De snavel, die dezen Vogel de eer heeft verschaft van als een overgangsvorm tusschen de Koekoeken en de Pepervreters beschouwd te worden, is langer dan de kop, groot, dik en stevig, aan den wortel tamelijk hoog en breed, zijdelings samengedrukt, met sterk gebogen snavelrug en haakvormig gekromde spits. De kop en de hals zijn fraai aschgrauw, de bovendeelen (met inbegrip van de vleugels en den staart) grijsbruin, alle veeren van den mantel, van de schouders en van den staartwortel en alle bovendekveeren van den staart hebben breede, omberbruine randen. De oogen zijn bruin en met een onbevederden, karmijnrooden kring omgeven; de snavel is vuilgeelachtig, de pooten zijn olijfbruin. Totale lengte 65, staartlengte 26 cM.
Uit zijne handelingen en gewoonten, zijn wijze van beweging, van voeding en van voortplanting, blijkt duidelijk, dat hij tot de Koekoeken behoort. Het doordringende geschreeuw, dat hij zoowel gedurende het zitten als onder het vliegen laat hooren, weerklinkt vooral, als hij een Roofvogel ziet. In zijn maag vond men behalve Insecten ook vruchten en zaden, vooral die van den rooden eucalyptus en van den pepermuntboom (Eucalyptus amygdalina en piperita).
Uitvoerige berichten over de voortplanting van dezen Vogel ontbreken tot dusver; het schijnt zeker te zijn, dat ook hij zijne eieren aan de zorg van vreemde Vogels toevertrouwt. Gould kreeg er één, dien men, naar gezegd werd, door twee Vogels van een andere soort had zien voederen. Een jonge Reuzenkoekoek werd gebracht in een kooi, waarin zich reeds een Reuzenijsvogel bevond en hier door Bennett in ’t oog gehouden. Onmiddellijk na zijn aankomst opende de blijkbaar hongerige nieuweling den snavel en tot ieders verwondering ontfermde de Reuzenijsvogel zich over het weeskind. Hij nam een stukje vleesch, bewerkte het met den snavel zoo lang, tot hij het week genoeg achtte en stak het zijn voedsterling zorgvuldig in den mond. Met dit bedrijf ging hij voort, totdat de jonge Koekoek in staat was zelf te eten.
*
Zuid-Azië en Oost-Indië werden bewoond door een klein geslacht van groote Gaaikoekoeken, die men Goekels (Eudynamis) heeft genoemd. De beroemdste soort van dit geslacht is de Koeïl der Hindoes, de Koesil der Maleiers, de Toehoe of Tsjoeli der Javanen (Eudynamis nigra). Het mannetje is glinsterend groenachtig zwart, het wijfje glinsterend donkergroen, aan de bovenzijde witgevlekt, op de slagpennen en den staart met witte banden, van onderen wit met zwarte vlekken. Het mannetje is 41 cM. lang, zijn staart 21 cM.
Het wijfje van dezen in Indië zeer populairen Vogel legt haar ei, naar het schijnt, uitsluitend in de nesten van de beide Indische soorten van Kraaien: vooral in dat van de Glanskraai (Corvus splendens), veel zeldzamer in dat van de Krengenkraai (Corvus culminatus). Algemeen verbreid is de meening, dat het wijfje van dezen Koekoek het kraaiennest, waarin zij haar ei gelegd heeft, uit de verte in ’t oog houdt, om te zien of haar jong er uitgeworpen wordt. Naar het heet, geschiedt dit, zoodra het gevlekte jeugdkleed zich ontwikkeld heeft, omdat de pleegmoeder dan het jegens haar gepleegde bedrog bemerkt; de echte moeder zou dan de zorg voor het nog hulpbehoevende kind overnemen en het voederen, totdat het zich zelf kan redden. Betrouwbare berichtgevers verzekeren echter, dat de Kraai de haar opgedrongen taak tot aan het einde trouw vervult, hoewel het haar bekend is, dat zij een ondergeschoven kind verzorgt. De Koeïl heet zoo, wegens zijn stemgeluid, dat alleen in den voortplantingstijd, maar dan hinderlijk dikwijls, gehoord wordt. Het mannetje brengt bovendien nog andere geluiden voort. Deze dieren gebruiken, naar het schijnt, uitsluitend plantaardig voedsel, vooral besschen en andere vruchten; hiermede en met gekookte rijst kunnen zij in de gevangenschap jaren lang in ’t leven gehouden worden.
*
Het vrij talrijke geslacht der Gaaikoekoeken i. e. z. (Coccystus), dat zich kenmerkt door de tot een kuif verlengde veeren van den bovenkop, de staartlengte, welke die van de andere Koekoeken overtreft en de rankheid der gestalte, heeft vooral in Afrika vertegenwoordigers. Een daarvan—de Kuifkoekoek (Coccystes glandarius)—is veelvuldig in sommige gewesten van Egypte en Nubië en in West-Afrika, op zijn minst genomen niet zeldzaam in Arabië en Palestina; in Algerië komt hij eveneens voor; van hier vliegt hij meer of minder geregeld naar Zuid-Europa over, zelfs is hij een enkele maal in Duitschland (o. a. te Lübben in ’t Spree-dal) geschoten. Zijn winterreis strekt zich tot in Middel-Afrika uit; ongetwijfeld begeven alleen de in Europa woonachtige exemplaren zich zoo ver zuidwaarts. De Egyptische verlaten hun vaderland niet in de maanden, die met onzen winter overeenkomen. Deze geven beslist de voorkeur aan de over ’t Nijldal verspreide, kleine mimosaboschjes. Zelden ontmoet men dezen Vogel hier alleen. Of de paartijd op zijn gezelligheid eenigen invloed oefent, is mij niet bekend; wel vonden wij de Kuifkoekoeken juist gedurende den broedtijd tot gezelschappen vereenigd, waarin echter geen vreedzame stemming heerschte.
Koeïl (Eudynamus nigra). Jong mannetje. ⅓ v. d. ware grootte.
De kop van den Kuifkoekoek is aschgrauw, de rug grijsbruin, de onderzijde grijsachtig wit; de keel, de zijden van den hals en de voorborst zijn roodachtig vaalgeel; de vleugeldekveeren en armpennen eindigen in groote, breede, driehoekige, witte vlekken. Totale lengte ongeveer 40, staartlengte 22.5 cM.
Behalve in de wijze van vliegen bestaat er tusschen dezen Koekoek en den onzen weinig overeenkomst in uiterlijk en levenswijze. Gene bepaalt zich tot een veel kleiner gebied en keert veel vaker naar dezelfde plaats terug. Hij heeft een geheel andere stem, n.l. een lachend geschreeuw, hetwelk aan dat van den Ekster herinnert en ongeveer klinkt als “kiau kiau”. Tot waarschuwing roept hij “kerk kerk”.
In de maag van gedoode exemplaren werden allerlei Insecten, ook rupsen, gevonden. In Egypte en Spanje, werd opgemerkt, dat de Kuifkoekoek zijne eieren in de nesten van Kraaien en Eksters legt. Jonge Vogels van deze soort kunnen in de kooi gemakkelijk met vleesch in ’t leven worden gehouden.
De onderfamilie der Kreupelhoutkoekoeken (Zanclostominae) omvat alle Koekoekachtigen, welker loop langer is dan de middelste teen of even lang als deze.
Onder den naam Malkoha’s (Phoenicophaeus) worden door Schlegel een aantal Oost-Indische soorten samengevat, welker groote snavel zoowel als het vederenkleed veelal met fraaie kleuren prijkt. Zij hebben tamelijk korte, afgeronde vleugels, een min of meer verlengden staart en veelal een naakten kring om de oogen.
Tot dit geslacht behoort de op Java levende Lontok (Phoenicophaeus melanognathus); deze heeft bronsgroene bovendeelen; de achterhelft der staartpennen is kastanjebruin, de onderzijde ros, de ondersnavel zwart, de bovensnavel geel. Men treft hem aan in streken, die dicht met struiken begroeid zijn en ziet hem dikwijls met uitgebreide vleugels op dichte struiken rusten, zonder dat hij zich met de pooten vasthoudt. De zeer na verwante Lewajèn (Phoenicophaeus erythrognathus) heeft een roode onderkaak en bewoont Sumatra. Nog opzichtiger zijn de kleuren van den Prachtsnavel (Phoenicophaeus callirhynchus) van Celebes, bij wien de bovenkaak van achteren helder geel, van voren zwart, de ondersnavel van voren rood is. De staart is buitengewoon lang, fraai metaalglanzig blauw met purperen weerschijn; de overige veeren zijn roodbruin met uitzondering van den bovenkop en de buik, die grauw zijn, terwijl de achterhelft der vleugels een staalblauwe kleur heeft.
*
Amerikaansche Koekoeken of Koelikoe’s (Coccygus) gelijken, wat vorm en lengte van den snavel betreft, veel op onzen Koekoek. De loop is is echter bij hen even lang als de middelste teen, de staart lang en trapvormig; de vleugels zijn zoo lang, dat zij het midden van den staart bereiken. Hun vederenkleed is buitengewoon zacht. Zij houden zich in bosschen en plantsoenen op, zijn schuw, houden van de eenzaamheid, bewonen meestal de dichtste gedeelten van het kreupelhout, sluipen hier behendig tusschen de twijgen door en komen nu en dan ook wel op den bodem. Hun voedsel bestaat uit Insecten en vruchten, vooral echter uit behaarde rupsen. Soms plunderen zij de nesten van kleine Vogels, verslinden althans hunne eieren en kunnen hierdoor schade doen. Daarentegen werken zij de vermenigvuldiging van deze Vogels niet tegen door hen met de zorg voor vreemde jongen te belasten; want zij broeden in de regel zelf en leggen, naar het schijnt, slechts bij uitzondering, misschien slechts in geval van grooten nood, een van hunne eieren in een vreemd nest.
Bij den Regenkoekoek (Coccygus americanus) zijn de veeren van de bovenzijde met inbegrip van de vleugeldekveeren en de beide middelste staartpennen, licht bruingrijs met zwakken metaalglans, de geheele onderzijde en de zijden van den hals melkwit met een teer grijs waas; de wortelhelft van de derde tot zevende slagpen is roodachtig kaneelkleurig; de overige slagpennen zijn op de buitenvlag en op de spits bruin evenals de rug, de staartveeren met uitzondering van de beide middelste zwart met witte spits, de buitenste ook op de buitenvlag wit. De iris is donkerbruin, de rug van den bovensnavel bruinachtig zwart, de ondersnavel geel, de poot blauwgrijs. Totale lengte 33, staartlengte 17.5 cM.
De Regenvogel—zoo genoemd, omdat zijn als “kau kau” of “koek” klinkende stem, die vooral in Mei en Juni in de bosschen weerklinkt, als voorteeken van regen geldt—bewoont de Vereenigde Staten, van Canada tot Florida en van de Atlantische kust tot aan die van de Stille Zuidzee en broedt bovendien op vele West-Indische eilanden. Waarschijnlijk is hij in de zuidelijkste gedeelten van dit gebied zwerfvogel, uit de noordelijke staten trekt hij geregeld tegen het midden van September naar Middel-Amerika. In de boomkronen beweegt hij zich met de behendigheid van een Mees; als hij, ’t geen zelden geschiedt, op den bodem komt, huppelt hij hier onbeholpen rond. Het plunderen van vogelnesten heeft hem bij alle kleine Vogels zoo gehaat gemaakt, dat deze hem even ijverig en hevig vervolgen als onzen Koekoek, zoodra hij zich vertoont.
Het ondiepe nest is op zeer eenvoudige wijze van gras met eenige droge twijgen gebouwd en rust, evenals dat van de Gewone Duif, waarop het veel gelijkt, op horizontale twijgen, dikwijls op manshoogte. De eieren hebben een levendig groene kleur. Audubon zag zulk een nest in het begin van Juni te Charleston: “Een van de oude Koekoeken, die er op zat, verliet zijn plaats eerst, toen de hand van den knaap, die in den boom klom, nog slechts weinige centimeters van hem verwijderd was en vloog toen zonder gedruisch naar een anderen boom. Twee jonge Koekoeken, die bijna reeds vliegen konden, verlieten ijlings hun wieg en kropen tusschen de takken, maar werden spoedig gevangen. Het nest bevatte nog drie Koekoeken, die echter alle in grootte verschilden. Blijkbaar was de kleinste eerst pas uitgekropen, de volgende stellig slechts een paar dagen oud, terwijl de grootste reeds tamelijk bevederd was en waarschijnlijk na verloop van een week geschikt zou zijn geworden om uit te vliegen. Naast deze jongen lagen nog twee eieren in ’t nest: het eene bevatte reeds een jong, het andere was nog versch en was dus stellig eerst sinds kort gelegd. Toen wij alle jonge Koekoeken naast elkander plaatsten en vergeleken, zagen wij tot onze groote verwondering, dat er geen twee van gelijke grootte bij waren. Het was niet te betwijfelen, dat de jongen op verschillende tijdstippen uit den dop gekomen waren en het oudste minstens drie weken ouder was dan het jongste.” Terwijl het wijfje broedt, houdt het mannetje in de nabijheid trouw de wacht en waarschuwt bij het naderen van een gevaar. Beide brengen met veel zelfverloochening hunne vraatzuchtige jongen groot en toonen dezen hun groote liefde op allerlei wijzen, ook door de listen, die zij aanwenden, om hun kroost voor gevaar te behoeden.
*
Op de Groote Antillen leven de Takko’s of Hagediskoekoeken (Saurothera); deze staan hoog op de pooten en komen veel op of dicht bij den grond.
De op Jamaica levende soort wordt daar Regenvogel genoemd (Saurothera vetula). Bij deze soort is de snavel langer dan de kop, bijna volkomen recht, dun, zijdelings samengedrukt, aan de spits haakvormig. De sterk trapvormige staart is 17 cM. lang, bij een totale lengte van 40 cM. De bovendeelen zijn bruin, de keel en de wangen wit, de onderdeelen ros. Deze Vogels broeden zelf en hebben hun nest op boomen. Men ontmoet ze overal, doch slechts in het lage houtgewas. Zij vliegen zelden en laag bij den grond; dikwijls laten zij hun stem hooren, die als “takko” of “kwa kwa” klinkt. Zij loopen vlug, zoowel op den grond als langs de takken. Vaker nog bewegen zij zich sluipend en klimmend tusschen de twijgen door. Hun voedsel bestaat niet slechts uit allerlei Insecten, maar ook uit verschillende Gewervelde Dieren, vooral Muizen en Hagedissen.
“Eén of twee dagen na mijn aankomst op Jamaica,” verhaalt Gosse, “deed ik in gezelschap van een kleinen jongen een uitstapje naar een heuvel, die gedeeltelijk met bijna ondoordringbare struiken begroeid was. Toen wij hier toch in doordrongen, zag ik een vreemdsoortigen Vogel weinige meters voor ons, die schijnbaar met de grootste belangstelling naar ons keek. Mijn kleine gids zei mij, dat het de Regenvogel was, die men echter wegens zijn dwaze nieuwsgierigheid ook wel “Gekke Thomas” noemde. Zonder verder te spreken greep de knaap een steen en trof hiermede den weetgierigen Vogel zoo goed, dat deze op den grond viel en door mij werd medegenomen.”
*
Afrika, Oost-Indië tot de Philippijnsche eilanden en Nieuw-Guinea, benevens Australië worden bewoond door een geslacht van op den grond levende Koekoeken, die men Koekals (Centropes) noemt; zij heeten ook wel Spoorkoekoeken, omdat de binnenste van de beide naar achteren gerichte teenen in den regel met een langen, slanken, bijna rechten, spitsen klauw voorzien is, die met een spoor wordt vergeleken. Laag, verward struikgewas, rietwildernissen en zelfs graswouden verschaffen hun verblijfplaatsen. Hier rennen zij veel op den bodem rond, dringen met muisachtige behendigheid door de meest verwarde samengroeiingen van planten heen en doorzoeken op deze wijze allerlei plaatsen, die voor andere Vogels bijna onbereikbaar zijn; zij maken jacht op groote Insecten, Duizendpooten en Scorpioenen, zelfs op Hagedissen en Slangen, plunderen vogelnesten en versmaden in een woord geen enkelen dierlijken buit.
De Australische Fazant-koekal (Centropus phasianus) heeft een dofzwarte grondkleur, waarop de glanzig zwarte schaften een soort van teekening vormen. De vleugels hebben op roestbruinen grond geelachtig witte, zwart gezoomde dwarsvlekken, de staart is donkerbruin met groenen weerschijn en rosachtige, grootendeels tot dwarse banden vereenigde stippels. Totale lengte 63, staartlengte 37 cM.
Deze Vogel houdt zich op in moerassige, met laag houtgewas, gras en riet weelderig begroeide, moerassige streken en leeft bijna uitsluitend op den bodem, waarover hij met gemak voortrent. Slechts in geval van nood vliegt hij op hooge boomen. Zijn groot, van droog gras vervaardigd nest staat te midden van een kleine, uit grassen bestaande verhevenheid, soms onder de bladen van een pandanus. Het is overwelfd en van twee tegenover elkander staande openingen voorzien, waardoor het wijfje bij het broeden den kop en den staat steekt. De Fazant-Koekal kan zonder bijzondere moeite aan de gevangenschap en aan een doelmatigen, gemakkelijk verkrijgbaren, gemengden kost gewend worden; hij verdraagt langdurige zeereizen zonder bezwaar; reeds verscheidene malen heeft men hem levend naar Europa, vooral naar Engeland, overgebracht.
Een nog grootere, 78 cM. lange Koekal—de Reuzen-spoorkoekoek (Centropus Goliath)—bewoont Halmaheira en Batjan; hij is zwart van kleur, met een groote, witte vlek op elken vleugel en zoekt Insecten op den grond.
Ani (Crotophaga minor). ½ v. d. ware grootte.
Evenmin als de vorige soort komt de in Afrika veelvuldige Egyptische of Senegalspoorkoekoek (Centropus senegalensis), met de echte Koekoeken in uiterlijk en levenswijze overeen; de grondkleur van zijn vederenkleed is roodachtig bruin. Totale lengte 37, staartlengte 19.5 cM. Hij leeft bijna uitsluitend in oorden, waar groote rietbosschen voorkomen. Zijn voedsel bestaat uit velerlei Insecten, vooral uit Mieren, die hem dikwijls een zeer onaangename lucht doen verbreiden. Als lekkernij maakt hij bovendien gebruik van twee groote soorten van Landslakken.
Hoogst eigenaardige Koekoeken zijn de Madeneters (Crotophaginae), die een uit weinige soorten bestaande, tot Middel- en Zuid-Amerika beperkte onderfamilie vormen. Hun belangrijkste kenmerk is de zijdelings samengedrukte, hooge snavel, welks rug tot een scherpen kam is uitgegroeid. De bovensnavel is van binnen hol, d. w. z. evenals bij de Pepervreters en Neushoornvogel uit zeer dunwandige hokjes samengesteld.
De Madeneters hebben een zeer eigenaardige levenswijze, welke volstrekt niet gelijkt op die van de andere Koekoeken, maar eerder met die van onze Eksters en Kraaien overeenstemt, hoewel zij ook aan die van de Pepervreters herinnert. Men ziet ze altijd gezelschappen vormen, die zich in de nabijheid van menschelijke woningen of ook wel in de bosschen van de steppen ophouden; het liefst zoeken zij echter de vochtige weidegronden in de dalen op en huppelen in den regel bij het vee rond. Zij schuwen de tegenwoordigheid van den mensch niet; zelfs toonen zij in sommige gevallen een driestheid, die ons waarlijk onbegrijpelijk voorkomt. Hun voortplantingswijze is niet minder vreemdsoortig: het groote, gewoonlijk uit slingerplanten samengestelde nest, dat zij gemeenschappelijk op een boom bouwen, dient als legplaats voor verscheidene wijfjes, die naast elkander zittend de eieren uitbroeden en gezamenlijk de jongen verzorgen.
*
De meest bekende en verst verbreide soort van het eenige geslacht, dat tot deze onderfamilie behoort, wordt in Brazilië Ani, in Cayenne Oiseau-du-Diable, in Suriname Sinonzovogel, op Haïti Bout-de-tabac genoemd (Crotophaga minor). Hij is 35 cM. lang, waarvan 17 cM. op den staart komen. De donkerzwarte veeren vertoonen op de vleugels en op den staart een metaalachtig blauwen weerschijn; die van den kop èn van den hals eindigen in een breeden, metaalachtig bruinen zoom; die van den mantel en den schouder, van den krop en van de borst hebben eindzoomen met zwartblauwen weerschijn.
De Ani bewoont het grootste deel van Zuid-Amerika ten oosten van de Andes-keten. Zijn verbreidingsgebied reikt van het oosten van Brazilië tot Middel-Amerika met inbegrip van West-Indië en de Antillen. Men vindt hem in Brazilië overal, waar open vlakten afwisselen met kreupelhout en kleine bosschen; steeds mijdt hij echter de groote, aaneengeschakelde wouden. Op Jamaica ziet men hem op alle vlakten, vooral in de steppen en op de weidegronden, die door paarden- en rundveekudden bezocht worden. “Hun rustelooze bedrijvigheid,” zegt Schomburgk, “levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op, dat uren lang ons kon bezig houden. Behendig huppelen zij om het rundvee heen of sluipen door het gras om Insecten te vangen.” Telkens weer laten zij hun stem hooren, een vreemdsoortig geluid, waarvan men een voorstelling verkrijgt door den naam, die hun in Brazilië gegeven wordt, met een neusklank uit te spreken, of door de lettergrepen “troe-ï troe-ï” of “oooï.”
Hun voedsel is van gemengden aard. Waarschijnlijk vormen Kruipende Dieren, Insecten en Wormen er de voornaamste bestanddeelen van; gedurende een deel van het jaar gebruiken de Madeneters bijna niets anders dan vruchten. Zij zoeken het ongedierte van het rundvee af en houden daarom zoo graag op weiden verblijf. Men ziet ze op de beesten rondloopen zonder dat deze hierover ongenoegen te kennen geven; soms zitten verscheidene Vogels tegelijkertijd op één Rund, hetzij dit ligt of staat.
De houding van de Madeneters tegenover den mensch is verschillend. Voor ruiters vluchten zij òf in ’t geheel niet òf eerst bij nadering tot op zeer geringen afstand, vooral als de rit ophoudt; voetgangers vertrouwen zij minder. Op plaatsen, waar zij weinig met den beheerscher der aarde verkeeren, grenst hun driestheid aan het ongeloofelijke.
Er wordt geen jacht gemaakt op de Madeneters behalve door enkele Cubanen, die het vleesch van deze Vogels eten, hoewel het zich door een eigenaardigen reuk onderscheidt. Die, welke men van den boom afschiet, vallen niet altijd den jager in handen, omdat zij een zeer taai leven hebben.
Pisang- of Bananeneters (Musophagidae) noemt men de leden van de tweede familie der Koekoekvogels, hoewel deze naam een geheel onjuiste voorstelling geeft van het voedsel, dat deze dieren gebruiken. Hun grootte wisselt af tusschen die van een Raaf en die van onzen Vlaamschen Gaai. De romp is slank, de hals kort, de kop middelmatig groot, de snavel kort, hoog en breed, aan den rugrand sterk gekromd, aan den onderrand een weinig benedenwaarts gebogen, langs de zijranden getand, d.i. met inkervingen voorzien; de vleugels zijn middelmatig lang en sterk afgerond: de vierde of vijfde handpen steekt voorbij de overige uit; de staart is tamelijk lang en afgerond; de pooten zijn dik en hebben een betrekkelijk langen loop met één achterteen en drie voorteenen, waarvan de buitenste een weinig zijwaarts bewogen kan worden. De veeren zijn zacht, bij enkele soorten bijna haarvormig gebaard en prijken voor een deel met prachtige kleuren.
De Pisangeters bewonen de groote, aangeschakelde wouden van Middel- en Zuid-Afrika. In boomlooze gewesten vindt men ze niet. Zij leven gezellig, in kleine troepen, die van 3 tot 15 stuks kunnen aangroeien, houden zich veel op te midden van de twijgen der boomen, maar komen ook dikwijls op den bodem.
Zij voeden zich hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend, met plantaardige stoffen, met bessen en andere vruchten, met zaden en bladknoppen, die zij in de kronen der boomen, in het kreupelhout en op den grond bijeenzoeken; bij voorkeur bewonen zij daarom landstreken, die rijk aan water en bijgevolg ook rijk aan vruchten zijn. De wijze, waarop zij zich voeden, maakt het gemakkelijk hen aan het leven in de gevangenschap te gewennen en bij eenigszins zorgvuldige behandeling jaren lang te behouden. Enkele soorten behooren tot de aangenaamste kamervogels, die men hebben kan. Zij interesseeren ons door de pracht van hunne veeren, zoowel als door hun opgewekten aard en stellen weinig eischen.
*
De keerkringsgewesten van West-Afrika, van Sierra-Leone tot Gaboen, en het eiland Fernando-Po, zijn het vaderland van de Reuzen-toerako of Koko (Corythaeolus cristatus)—de eenige vertegenwoordiger van het geslacht der Toerako’s (Corythaeolus)—, een Vogel, die een totale lengte van 65 à 75 cM. heeft en dus in grootte ongeveer met een Fasant overeenkomt. De grijsgroene veeren van de rugzijde en van den hals vertoonen een prachtigen, lazuur- en kobaltblauwen weerschijn, aan de borst zijn zij groenachtig geel, aan den buik, de schenkels en de stuit roestrood. De staartveeren zijn bij den wortel blauw, bij den top zwart met een blauwen eindzoom; het middelste gedeelte van de drie buitenste paren staartveeren wordt ingenomen door een breeden, groenachtig gelen dwarsband. De gele, zijdelings samengedrukte snavel heeft een scherpen rug. De zwarte kuifveeren zijn tot aan den top breed.
Deze prachtige Vogel leeft paarsgewijs in de dichte, uitgestrekte wouden van het gebergte en van de vlakte, maar begeeft zich ook wel naar de houtrijke savannas, wanneer de velerlei daar groeiende vruchten rijp zijn. De plaats, waar hij zich ophoudt, wordt verraden door zijn buitengewoon luide, wijd en zijd weerklinkende stem; deze heeft hem den naam “Koko” verschaft, waarmede hij door de inboorlingen wordt aangeduid.
*
Tegen het einde van de vorige eeuw ontdekte de Duitsche natuuronderzoeker Isert in de wouden van Agra aan de Goudkust een Vogel, dien hij Bananeneter (Musophaga violacea) noemde. Deze werd later ook verder noordwaarts tot in Senegambië en meer zuidwaarts tot in Gaboen aangetroffen. Swainson prijst hem als een “vorst onder de gevederde schepselen.” “Andere Vogels,” zegt hij, “zijn fraai, sierlijk, schitterend, prachtig; de kleur van den Bananeneter is koninklijk. Het iriseerende, purperkleurige zwart, dat de overhand heeft, maakt een betooverend schoon effect naast de prachtige, hoogroode slagpennen. De snavel, hoewel betrekkelijk groot, vertoont geen wanverhoudingen; hij heeft zoomin een phantastischen vorm gelijk bij de Neushoornvogels, als een kolossalen omvang gelijk bij de Pepervreters; de donkergele, in hoogrood overgaande kleur, waarmede hij prijkt, doet de schoonheid van het donkere vederkleed des te beter uitkomen.” Totale lengte ongeveer 50, staartlengte 22 cM.
“Aan de Goudkust,” zegt Schlegel, “behoort hij niet onder de gewone Vogels; intusschen werden er herhaaldelijk levende voorwerpen van deze landstreek voor onze diergaarden aangevoerd.”
*
De Helmvogels (Corythaix) vormen de kern van de familie, zijn in alle deelen van het door haar bewoonde gebied vertegenwoordigd en komen veelvuldiger voor dan al hunne verwanten, van welke zij zich onderscheiden door den korten, driehoekigen snavel, de voor een deel door de voorhoofdsveeren bedekte neusgaten, de korte, afgeronde vleugels en den middelmatig langen, afgeronden staart. Hun kleed is rijk voorzien, grootendeels groen van kleur; de vleugels echter zijn in den regel prachtig purperrood. De veeren van de kruin zijn tot een kuif of “helm” verlengd.
Reuzen-toerako (Corythaeolus cristatus). ⅕ v. d. ware grootte.
De Witwangige Helmvogel (Corythaix leucotis) bewoont Abessinië. Zijn helm is zwart met groenen weerschijn, overigens is de kop (evenals de hals, de mantel en de onderdeelen tot aan den buik) fraai lichtgroen; de buik en de overige onderdeelen zijn donker aschgrauw, de nog niet genoemde deelen van de bovenzijde hebben een blauwachtig leikleurig grijze kleur en evenals de zwarte stuurpennen een metaalachtig groenen weerschijn; de slagpennen met uitzondering van de laatste armpennen zijn donker karmijnrood; een vlek vóór het oog en een andere, die, onder het oor beginnend, zich langs den hals uitstrekt, zijn sneeuwwit. Een uit kleine wratjes bestaande ring van vermiljoenroode kleur omgeeft het lichtbruine oog. De snavel heeft een bloedroode spits, van hier tot aan de neusgaten is de bovensnavel groen; de pooten zijn bruinachtig grijs. Totale lengte 45, staartlengte 21.5 cM.
In Abessinië ontmoet men deze Vogels in de met bosch bedekte waterrijke dalen van tamelijk hoog gelegen bergstreken, daar waar de candelaber-euphorbia gevonden wordt, hetzij in troepen of in kleine familiën, welker wijze van vliegen aan die van onzen Vlaamschen Gaai herinnert. Zij zijn bedrijvig en onrustig, zwerven over dag voortdurend heen en weer, keeren echter geregeld op bepaalde boomen van hun gebied terug, vooral op sycomoren of tamarinden, die aan alle zijden door laag geboomte omgeven zijn. Zulke boomen zijn als ’t ware plaatsen van bijeenkomst voor het geheele gezelschap: hier verzamelen zich de leden van den troep, die zich verstrooiden om voedsel te zoeken; van hier begeven zij zich op nieuw naar hunne voederplaatsen.
De stem is moeielijk te omschrijven; zij klinkt als die van een buikspreker en geeft aanvankelijk aanleiding tot een onjuiste schatting van den afstand, waarop de schreeuwende Vogel zich bevindt. Men kan haar voorstellen door de lettergrepen, “jahoehajagagoega,” die tot een samenhangend geheel verbonden zijn.
In de maag van gedoode exemplaren heeft men geen andere dan plantaardige stoffen, vooral bessen en zaden, gevonden. Zeer dikwijls bezoeken de Helmvogels struiken, die buiten het bosch groeien, zoodra deze rijpe bessen dragen; zij blijven hier echter nooit lang. Zij snoepen als ’t ware slechts even van de vruchten en keeren daarna zoo spoedig mogelijk naar hunne veilige schuilplaatsen in de boomkronen terug. De Abessiniër vervolgt den Helmvogel niet; evenmin komt het in hem op den fraaien Vogel te vangen om hem in een kooi bij zich te houden. Dit zal wel de reden zijn, waarom deze Vogel bij ontmoetingen met Europeanen niet bijzonder schuw is. Hij wordt het echter, zoodra hij vervolging te verduren heeft gehad.
Met het leven van den Helmvogel in de gevangenschap is men bekend geworden sedert de oprichting van onze diergaarden. Meermalen heb ik dieren van deze soort verzorgd; mijns inziens behooren zij tot de lieftalligste kooivogels, die de keerkringsgewesten ons leveren. Buiten de middaguren, die zij rustend doorbrengen, zijn zij voortdurend in beweging en vertoonen zich dan in hun volle pracht. Zij zijn het schoonste sieraad van een behoorlijk groote vogelkooi. Vooral in volières, die in de open lucht geplaatst zijn en een voldoende ruimte aanbieden voor het vliegen, maken zij een prachtig effect. In de vroegere morgenuren en ’s avonds zijn zij het meest opgewekt; voor het sterke daglicht nemen zij de wijk naar donkere plaatsen te midden van de bladen of naar andere, tegen het zonlicht beschutte ruimten. Niet minder afkeerig dan van de zon zijn zij van hevige regenbuien, die hunne droge veeren zoo nat maken, dat zij bijna ongeschikt worden om te vliegen. Jegens medegevangenen zijn zij zeer verdraagzaam, of liever, zij bekommeren zich bijna niet om hen. Ik heb hen met de meest verschillende soorten van Vogels in dezelfde kooi gehouden, zonder ooit op te merken, dat zij met den een of anderen lotgenoot in twist geraakten. Zelfs wanneer een van deze vlak naast hen gaat zitten, zich letterlijk tegen hen aanvleit, ondergaat hun goedaardig voorkomen geen verandering.
Witwangige Helmvogel (Corythaix leucotes). ⅖ v. d. ware grootte.
Zeer eenvoudig is het voedsel, dat men aan deze Vogels geeft: hoofdzakelijk gekookte rijst, gemengd met verschillende groenten en eenige vruchten. Zij eten veel, maar stellen overigens zeer geringe eischen.
*
Van de tot dusver genoemde Pisangeters onderscheiden zich de Schettervogels (Schizorhis) voornamelijk door de niet ronde, maar spleetvormige neusgaten en de eenvoudige kleuren van hun vederenkleed. Zij hebben een slanke gestalte, betrekkelijk lange vleugels en een dikken, hoogen snavel met sterk gekromden rug en slechts zwak getande zijranden. Zij zijn tot Afrika beperkt.
De Goegoeka (Schizorhis zonura) bewoont de wouden van Abessinië. De geheele bovenzijde is tamelijk gelijkmatig donkerbruin, de onderzijde, bij de bovenborst beginnend, licht aschgrauw, langs de schaften bruinachtig gestreept; de wit gezoomde, verlengde, smalle en puntige veeren van de kruin vormen geen kuif, maar zijn toch een weinig opgeheven; de veeren van den rug, voor zoover zij onder de toegevouwen vleugels verborgen zijn, hebben een blauwgrijze kleur; de slagpennen zijn zwartbruin, de handpennen, op de eerste na, ieder met een groote, witte, vierhoekige vlek op de binnenvlag geteekend, welke vlekken gezamenlijk een dwarsband vormen, de middelste stuurpennen lichtbruin; de eveneens lichtbruine topgedeelten van de vier buitenste paren stuurpennen zijn door een breeden, witten dwarsband van de roetkleurige wortelgedeelten gescheiden. Het oog is grijsbruin, de snavel groengeel, de voet donker aschgrauw. Totale lengte 51, staartlengte 25 cM.
De stem van den Goegoeka verschilt zeer van het zachte buikspreken van den Helmvogel; zij herinnert zoo sterk aan die van de Apen, dat de jager er soms door bedrogen wordt en meent, dat het afkomstig is van een troep Grijsgroene Meerkatten, die iets verschrikkelijks hebben gezien. De naam, dien de inboorlingen den Vogel geven, is een verkorte nabootsing van zijne luide, gillende klanken “goe goe goek gie gak ga gier goe gie gee goe,” die zich, omdat alle Vogels door elkander schreeuwen, tot een gorgelend geluid vermengen. Op dit getier afgaande, ziet men weldra de zeer in ’t oog vallende levenmakers, bij paren of tot kleine familiën vereenigd, op een van de hoogste boomen van het gebergte zitten, elk mannetje naast zijn wijfje. Alleen in de morgen- en avonduren begeven zij zich naar de lage struiken, waaraan allerlei soorten van bessen groeien, die hun tot voedsel dienen. Gedurende de overige uren van den dag blijven zij in hunne boomkronen; vooral in de middaguren zoeken zij het dichtste lommer op.
De familiekenmerken van de Glansvogels (Galbulidae) zijn: een slank lichaam met langen, hoogen, scherpkantigen, priemvormigen snavel; kleine, zwakke pootjes met zeer korten loop, de tweede en de derde teen zijn naar voren, de eerste en de vierde naar achteren gericht (bij één soort ontbreekt de vierde of buitenteen); korte vleugels, lange, trapvormige staart en een zacht, los vederenkleed met prachtigen, goudkleurigen glans; de veeren om den snavelwortel zijn in borstels veranderd. Evenals de Baardkoekoeken onderscheiden de Glansvogels zich bovendien door hun uiterst dunne huid.
Bij den Jacamar (Galbula viridis) zijn de bovendeelen en de borst prachtig goudgroen, de overige onderdeelen roestrood, de buitenste veeren van den staart roestrood met groene spitsen; de keel is bij het mannetje wit, bij het wijfje vaal roestgeel. Totale lengte 21.5, staartlengte 9 cM.
De Jacamar bewoont de wouden van het geheele kustgebied van Brazilië en Guyana. De Brazilianen noemen hem “Bejaflor Grande” (Groote Kolibri). Evenals zijne verwanten leeft hij eenzaam en stil in vochtige bosschen en schaduwrijk kreupelhout; gewoonlijk zit hij aan den waterkant op lage twijgen; hij vliegt snel, maar niet ver; droefgeestig, stil en somber van aard, schijnt hij letterlijk iedere beweging te vermijden. Geduldig wacht hij, tot er een Insect in de nabijheid komt, vangt dit in snelle vlucht en keert even schielijk naar zijn vorige zitplaats terug. Soms blijft hij uren achtereen traag en zonder beweging zitten. Zijn stem is een luide, schelle, dikwijls harde toon. Evenals zijne verwanten bouwt hij zijn nest in een rond gat aan den oever.
De familie der Baardkoekoeken (Bucconidae), die de keerkringsgewesten van Zuid-Amerika bewoont, omvat ruim 40 soorten van Vogels. Hare kenmerken zijn: een krachtige, dikke romp, een zeer groote kop, een snavel van verschillende lengte, soms langs den geheelen rug, soms alleen aan de spits gebogen of zelfs haakvormig, zonder groeven of inkervingen, tamelijk zwakke pooten, welker teenen denzelfden stand hebben als bij de vorige familie, staart en vleugels kort of middelmatig lang, deze kenbaar aan de talrijke en groote dekveeren; de veeren zijn buitengewoon los, slap en zacht; zij zijn somber van kleur en aan den snavelwortel in baardborstels veranderd.
Van alle soorten geldt in hoofdzaak, wat Burmeister zegt van den Trappist (Monastes fusca): “Uit een dierkundig oogpunt beschouwd, is hij een zonderling mengsel; daar bij hem de lichaamsbouw van de drieste, beweeglijke, schreeuwerige Koekoeken met het sombere kleed en den tragen aard der Nachtzwaluwen vereenigd voorkomen. Zij leven afzonderlijk of bij paren in de wouden en vereenigen zich hoogstens tijdelijk tot kleine troepen. De Insecten, die zij als voedsel gebruiken, vangen zij van een vaste standplaats uit. De Brazilianen noemen hen (doch ook de Glansvogels) “Joao Doido” (Domme Hans). Een anderen spotnaam, die “Woudrechters” beteekent, danken zij aan hun bedaarde houding. Daar traagheid, luiheid en domheid hunne meest in ’t oogloopende karaktertrekken zijn en het veel moeite kost hen in de kooi op doelmatige wijze te voeden, wordt met de jacht, die men op hen maakt, geen ander doel beoogd, dan het verkrijgen van een smakelijk gebraad.”
Na zorgvuldige overweging van de moeilijke vraag, bij welke orde de groep der Uilen (Striges) ingedeeld moet worden, kwam Fürbringer tot de slotsom, dat de overeenstemming van de Uilen met de Valken en Gieren zich bepaalt tot de levenswijze. Door de eigenaardigheden van hun lichaamsbouw zijn de Uilen echter nader verwant aan de Geitenmelkers en de Scharrelaars. Deze drie groepen vormen, volgens Fürbringer, gezamenlijk de onderorde van de Rakvogels22 (Coraciiformes), de laatste afdeeling van de orde der Boomvogels.—Tot de groep der Uilen behoort slechts één (gelijknamige) familie.
De Uilen (Strigidae) zijn duidelijk te onderscheiden van hunne verwanten. Hun romp schijnt door de veeren dik, maar blijkt bij nader onderzoek zeer slank en smal en weinig vleezig te zijn. Hun kop is buitengewoon groot en dicht bevederd, van achteren bovendien breed. De oogen zijn zeer groot, naar voren gericht en door straalsgewijs gerangschikte, gekrulde veertjes omgeven; zij zijn onbeweeglijk in hunne ondiepe kassen; de kop kan echter op den korten, 9 wervels bevattenden hals buitengewoon goed draaien. De vleugels zijn breed en lang, aan de onderzijde trogvormig; de staart is meestal kort. De snavel is van den wortel af sterk naar beneden gebogen, kort haakvormig en niet met een tand voorzien; de washuid is kort en altijd onder de lange, stijve, borstelvormige veeren van den snavelwortel verborgen. De pooten, welker bevedering zich gewoonlijk tot aan de klauwen uitstrekt, zijn middelmatig lang of tamelijk lang, de teenen betrekkelijk kort en in lengte weinig van elkander verschillend; de achterteen is gewoonlijk iets hooger ingeplant dan de voorteenen; van deze is de buitenste een “keerteen,” daar hij willekeurig naar voren en naar achteren gericht kan worden. De klauwen zijn groot, lang, sterk en gebogen en buitengewoon spits, op de dwarse doorsnede bijna zuiver rond. De veeren, ieder afzonderlijk beschouwd, zijn groot, lang en breed, aan de spits afgerond, met zeer fijne baarden voorzien en hierdoor zacht en buigzaam, bij aanraking knetterend; die van het gelaat zijn fijner en stijver; zij vormen een sluier, die meestal uit vijf min of meer volledige, kringvormige reeksen van veertjes bestaat en aan den kop van den Uil het katachtige uiterlijk verschaft. De slagpennen zijn tamelijk breed, aan het einde afgerond en naar het lichaam gebogen; de buitenvlag van de eerste, tweede en derde is, althans bij de echte Daguilen, op zonderlinge wijze met franjes voorzien of zaagvormig getand; de binnenvlag van de slagpennen daarentegen is, wegens de zachtheid van de baardjes, zijdeachtig of wollig. De eerste slagpen is kort, de tweede iets langer, de derde of vierde de langste van alle. De staartpennen, die zich op soortgelijke wijze naar beneden krommen als de vleugelveeren, zijn in den regel gelijk van lengte; de staart is in den regel aan het einde recht afgesneden, bij uitzondering echter ook wel trapvormig, met naar het midden toe langer wordende pennen. De kleur van de veeren is gewoonlijk somber, bij uitzondering echter betrekkelijk levendig; in de meeste gevallen steekt zij weinig af bij de kleur van den bodem of van de boomschors; toch is het vederenkleed soms op velerlei wijzen uiterst sierlijk geteekend. De bek kan zeer wijd geopend worden, de slokdarm is niet tot een krop verwijd, de maag is vliezig en kan zich zeer sterk uitzetten.
Zeer opmerkelijk zijn de zintuigen van de Uilen. Het hoornvlies van het buitengewoon groote oog is zoo sterk gewelfd, dat het op een halven bol gelijkt; het harde oogvlies, voor zoover het door den ring van beenplaten wordt gesteund, is op een vreemdsoortige wijze, nagenoeg cilindervormig, binnenwaarts verlengd; de binnenste gedeelten van den oogbol zijn buitengewoon beweeglijk, want de pupil vergroot of vernauwt zich bij iederen ademtocht. Achter het oog bevindt zich bij de Uilen, die het best ontwikkelde uitwendige oor bezitten, een huidplooi of klep, die zich over een groot deel van den afstand tusschen den mondhoek en de kruin uitstrekt. Zij kan opgericht en achterwaarts omgeslagen worden en bedekt in ’t laatstgenoemde geval een daarachter voorkomende, uitgestrekte, ondiepe holte (de tot een oorschelp verwijde gehooropening). De voorvlakte van de oorklep is door de daarop groeiende sluierveeren bedekt; dergelijke veeren omgeven den achterrand van de gehooropening, zijn bij de Ooruilen zeer sterk verlengd, vormen pluimpjes, die zich duidelijk boven de overige veeren van den kop verheffen en vergrooten op deze wijze het klankopvangend gedeelte van het gehoororgaan.
De Uilen zijn wereldburgers: zij bewonen alle werelddeelen, alle aardgordels, alle gewesten, alle terreinen, van de ijskoude landen om de noordpool tot den evenaar en van de zeekust tot op een hoogte van 5000 M. In het zuiden is het aantal soorten grooter dan in het noorden, dat er echter volstrekt niet arm aan is; in ’t geheel onderscheidt men er thans 150. De bosschen zijn hun eigenlijk woongebied; men vindt ze echter bovendien zoowel in steppen, woestijnen en gebergten zonder plantengroei als in volkrijke oorden en steden. De naam Nachtroofvogels, die hun soms gegeven wordt, vereischt eenige toelichting. Hoewel verreweg de meeste het rooversbedrijf niet vóór de schemering beginnen uit te oefenen, houden verscheidene zich ook over dag en zelfs gedurende de middaguren met de jacht bezig. Oogen, die op geringen afstand buitengewoon scherp kunnen zien, een merkwaardig fijn gehoor en de opmerkelijke zachtheid van de veeren stellen de Uilen in staat, om ook nog in de duisternis met goed gevolg op buit uit te gaan. Zonder gedruisch te maken, vliegen zij op betrekkelijk geringe hoogte langs den bodem; omdat hun eigen beweging in alle stilte geschiedt, kunnen zij het onbeduidendste geritsel nog hooren en ondanks de duisternis het kleinste Zoogdier onderscheiden.
De gevoeligheid van het uilenoog voor het daglicht schijnt grooter dan het is. Dat de leden van sommige soorten de oogen halverwege of nog verder sluiten, als zij aan het volle daglicht zijn blootgesteld, kan niet als bewijs gelden, dat zij het daglicht niet kunnen verdragen. Deze beweging moet veeleer opgevat worden als een onwillekeurig gebaar van verrassing, misschien ook wel als een listig voorgewende slaperigheid. Volkomen ongegrond is althans de bewering, dat zij over dag niet kunnen zien. Bij helder daglicht kunnen zij niet slechts in een open ruimte, maar ook, zonder zich ergens tegen te stooten, door het dichte boomgewas vliegen.
De vreemdsoortig gebouwde vleugels en de zachte veeren leiden onmiddellijk tot het vermoeden, dat de Uilen op een eigenaardige wijze vliegen. De onhoorbare beweging geschiedt betrekkelijk langzaam; zij houdt het midden tusschen zweven, glijden en fladderen; sommige Daguilen vliegen op de wijze van de Spechten, door beurtelings volgens een booglijn op te stijgen en plotseling te dalen; zoodoende komen zij snel vooruit, maar worden, naar het schijnt, schielijk vermoeid; lang houden zij daarom dezen arbeid niet vol. Alleen wanneer zij langere reizen ondernemen, verheffen de Uilen zich tot op een afstand van 100 M. van den bodem en bewegen zich dan gelijkmatig met vele vleugelslagen of zwevend vooruit. Op den grond zijn de meeste Uilen zeer onbehendig; de langpootige vormen gaan echter zoo goed, dat zij loopend kunnen jagen, waarbij dan trouwens altijd ook de vleugels dienst moeten doen. Alle kunnen zich uitmuntend redden te midden van de twijgen; enkele klimmen, op een zonderlinge wijze huppelend en springend, zeer snel van de eene twijg op de andere. Gaarne nemen zij zeer verschillende standen aan, beurtelings vertoonen zij zich ineengehurkt en zoo hoog mogelijk uitgerekt; zij wenden, buigen en draaien den kop op een voor den toeschouwer vermakelijke wijze en kunnen evenals de Luiaard hun gelaat geheel rugwaarts keeren.
Hun stem is gewoonlijk luid, maar zelden aangenaam. Door het woedend klapperen of happen met den snavel en door een heesch geblaas geven zij hun gewone gemoedsstemming te kennen; hun eigenlijke stem hoort men alleen ’s nachts of als zij in zeer groot gevaar verkeeren. Enkele soorten laten een afschuwelijk gekrijsch hooren, andere brengen schelle geluiden voort. Wat geestvermogens betreft, staan zij achter bij de meeste Dagroofvogels. Er zijn onder hen eenige soorten, welker opgewektheid en vlugheid van beweging aanleiding zouden kunnen geven tot een verkeerde opvatting over den aard van hun geest; gezamenlijk zal men ze evenwel niet tot de werkelijk schrandere Vogels kunnen rekenen, hoewel er eenige uitzonderingen kunnen bestaan. Alle zijn schuw, maar niet voorzichtig, kunnen nauwelijks een werkelijk aanwezig van een denkbeeldig gevaar onderscheiden, leeren zelden hunne vrienden kennen, en houden ieder vreemd wezen in meerdere of mindere mate voor een vijand; men kan ze gewennen aan een bepaalde plaats, nooit echter africhten tot iets, dat werkelijk inspanning van den geest vereischt. Zij zijn in den hoogsten graad oploopend en doldriftig, onverschillig en wreed. Met andere dieren van hun soort leven zij in vrede en vriendschap, tenzij de eene of andere hartstocht, b.v. vraatzucht, hen overheerscht; met volkomen gemoedsrust zullen zij echter den kameraad, waarmede zij jaren lang eendrachtig samengeleefd hebben, verslinden, zoodra deze op de een of andere wijze verongelukt is. Vogels, die uit hetzelfde nest afkomstig zijn, overvallen elkander niet zelden en de onderliggende partij wordt geregeld gedood en opgegeten.
Alle Uilen eten, wanneer zij in vrijheid leven, geen anderen dan een door hem zelf overmeesterden buit. Dat zij nagenoeg nooit aas aanraken, vloeit voort uit het eenstemmig getuigenis van de meest verschillende waarnemers. Vooral aan de kleine Zoogdieren hebben zij den oorlog verklaard; de sterkste Uilen vallen echter ook grootere Zoogdieren aan, zelfs zulke, die, evenals zij, het roovershandwerk uitoefenen; ook maken zij jacht op Vogels, gelijk de Valken doen; enkele zijn visschers, andere insectenjagers. Uiterst gering is het aantal van hen, die den mensch schade toebrengen, verreweg de meeste zijn hem voortdurend nuttig. Uit nauwgezette onderzoekingen blijkt, dat de inheemsche Uilen nagenoeg uitsluitend jacht maken op Muizen en met uitstekend gevolg in deze richting werkzaam zijn. Juist als de gehate Knaagdieren het brutaalst optreden, beginnen de Uilen hun handwerk. Onhoorbaar zweven zij dicht bij den bodem langs en onderzoeken dezen zorgvuldig van uit de hoogte; in den regel vangen zij iedere Muis, die zij opmerken. Veel dienst hebben zij hierbij van hunne korte, beweeglijke, met naaldscherpe, sterk gekromde klauwen gewapende teenen. Reddeloos verloren is de Muis, die eens door een Uil gegrepen werd: dolken doorpriemen haar, nog voordat zij aan de vlucht kan denken. Zoodra de Uil een buit genomen heeft, vliegt hij naar een naburige rustplaats en begint te eten. Ook dit geschiedt op een eigenaardige wijze.
“Niets is meer in staat om walging te wekken,” zegt mijn vader, “dan de wijze van eten van een Uil, daar hij kolossale brokken verzwelgt en zich hierbij zeer moet inspannen. Terwijl andere dieren bij het eten in een behagelijke stemming verkeeren, is het alsof de Uil een hem opgelegde taak afwerkt, als hij zijne groote pillen naar binnen stuurt. Ik heb gezien, dat een Ooruil een groote Muis, dat een Kerkuil, een oude mannelijke Huismusch met de pooten en nagenoeg alle veeren in haar geheel doorslikte. Hij nam de Musch in den eenen poot, bracht hem naar den snavel, zoodat de kop het eerst in den bek kwam, en begon toen, den hals achteroverbuigend, de Musch naar binnen te werken, hetgeen eindelijk na groote inspanning gelukte. Toen de Vogel in den slokdarm kwam, puilde deze zoo uit, dat hij van den hals gescheiden scheen. Ik heb hem deze proef verscheidene malen laten herhalen; gewoonlijk echter plukte de Uil dan den Vogel, voordat hij hem verslond. Het verzwelgen van Muizen kost den Kerkuil geen groote moeite. Als het dier, dat hij met den snavel opneemt, te groot is voor zijn lichaam, spuwt hij het weder uit, drukt het met den snavel en de pooten samen en bewerkt het zoolang, totdat het kan passeeren. Het verzwelgen van een groote prooi door een Uil zou iemand mijns inziens een denkbeeld kunnen geven van het walgingwekkende vreten der Slangen. Van zeer groote dieren verslinden zij eerst het vleesch van de borst en de hersenen; het overige bewaren zij tot later. De Ooruil vreet het vleesch onder de huid weg, vouwt deze weer toe en vrijwaart op deze wijze het overschot tegen uitdroging. Ten slotte verslindt hij ook de huid.”
De meeste Uilen kunnen maanden lang zonder water leven, misschien omdat zij genoeg hebben aan het bloed van hunne slachtoffers; soms drinken zij echter met veel smaak; ook hebben zij water noodig om te baden. Hun spijsvertering geschiedt zeer vlug; door de krachtige werking van het maagsap wordt al het voedsel in korten tijd ontleed. Beenderen, haren en veeren klonteren samen tot ballen en worden daarna onder hoogst vermakelijke gebaren uitgespuwd, hetgeen gewoonlijk op bepaalde plaatsen geschiedt. Daartoe sperren de Uilen den snavel wijd open, buigen den kop ver omlaag, rusten afwisselend op den eenen en den anderen poot, knijpen de oogen dicht, kokhalzen en schudden zich en raken eindelijk van den hen bezwarenden bal verlost. Altum, die vele honderden van deze ballen onderzocht, kwam tot het besluit, dat de Duitsche Uilen hoofdzakelijk Muizen en Spitsmuizen, bij uitzondering echter ook Ratten, Mollen, Wezels, Vogels en Kevers verslinden.
Vele soorten van Uilen nestelen in holle boomen, andere in rotsspleten of gaten van muren, eenige in holen in den grond, die door verschillende Zoogdieren gegraven zijn en andere eindelijk in verlaten nesten van Valken en Kraaien. Hier wordt in ’t gunstigste geval eenig nestmateriaal bijeengebracht; gewoonlijk echter geeft de Uil zich de moeite niet om de onderlaag van het nest te herstellen, en legt het wijfje hare eieren zonder meer op den bodem van het nest, zooals zij het vindt. Het aantal eieren, waarop zij broedt, wisselt af van 2 tot 10; bij uitzondering echter vindt men soms niet meer dan één ei in het nest. De eieren gelijken zeer op elkander: zij zijn steeds sterk afgerond, hebben een fijnkorrelige schaal en een witte kleur. Bij alle soorten schijnt de liefde van de ouders voor hun kroost zeer groot te zijn; dit blijkt onder anderen ook uit den buitengewonen moed, waarmede zij hunne jongen tegen vijanden verdedigen. De jongen blijven lang in het nest; des nachts weergalmt de omtrek van hun geschreeuw.
Ongelukkig hebben de Uilen vele vijanden. Alle dagvogels haten hen, alsof zij zich willen wreken over de aanvallen, die zij gedurende hun slaap van deze nachtroofvogels hebben te verduren. Bijna alle Dagroofvogels gedragen zich als razenden, wanneer zij een grooten Uil zien. Alle kleine Vogels zijn met dezelfde gezindheid bezield en geven haar te kennen door druk gesnap en geschreeuw, als ’t ware door schimpreden en scheldwoorden. Het geheele woud komt in opstand, wanneer een Uil ontdekt wordt. De eene Vogel roept de andere er bij en de arme duisterling heeft dan veel te lijden, want de sterke dagvogels plegen ook gewelddadigheden jegens hem. Maar al te dikwijls sluit de mensch zich bij de genoemde vijanden aan. Velen meenen een heldendaad te hebben volbracht, als zij een slapenden Uil om ’t leven brachten of een vliegenden Uil schoten; slechts zeer zelden komt het voor, dat men hem bescherming verleent. De landman en de boschkweeker doen wel, zich bij de beschermers van de Uilen aan te sluiten en voor het welzijn dezer Vogels te zorgen.
In de kooi worden alleen die Uilen werkelijk tam, welke men in hun prille jeugd gevangen, grootgebracht en vriendelijk behandeld heeft. Zij, die op rijperen leeftijd gevangen worden, toonen zich soms onverschillig, soms echter gedragen zij zich op een wijze, die angstige gemoederen schrik inboezemen, moediger personen echter hoogstens vermaken kan. Vooral de grootste soorten schijnen met de geheele wereld in onmin te leven en ieder ander wezen als vijand te beschouwen. Woedend rollen hunne groote oogen, als men hen nadert; kwaadaardig knarsen zij met den snavel en vol boosheid blazen zij als Katten. Kleine Uilen daarentegen behooren tot de onderhoudendste en beminnelijkste kooivogels, die er zijn. Als zij goed verzorgd worden, planten zoowel gene als deze zich in de gevangenschap voort.
Een der meest eigenaardige geslachten van de familie omvat de Sluieruilen (Strix). Zij zijn slank gebouwd, hebben een grooten, breeden kop, zeer groote vleugels, een middelmatig langen staart en hooge pooten; hun vederenkleed is zoo zacht als zijde en meer of minder prachtig van kleur. De snavel is eenigszins langer dan bij hunne verwanten, de bovensnavel aan den wortel recht, alleen aan de spits haakvormig gekromd, aan de spits van de onderkaak flauw uitgesneden. De oogen zijn betrekkelijk klein en meer gewelfd dan bij andere Uilen, de oorschelp echter (in overeenstemming met den zeer ontwikkelden sluier) buitengewoon groot. De sluier zelf onderscheidt zich aanmerkelijk van dien der overige Uilen, doordat hij niet rond, maar hartvormig is. In den vleugel is de eerste slagpen even lang als de tweede en slechts weinig korter dan de derde en langste. De zwakke en hooge loop is schraal bevederd, op het onderste derde deel slechts met fijne, borstelige veeren bekleed, op de teenen bijna naakt, de klauwen lang, dun en spits.
Onze Kerkuil, in Gelderland Torenuil, in Groningen Oranjeuil, in Drenthe Lijkuil genoemd (Strix flammea), wordt in andere werelddeelen, en meer bepaaldelijk in Azië en Amerika, door vormen vervangen, die zoo nauw met hem verwant zijn, dat enkele vogelenkenners geneigd zijn, om alle Kerkuilen der aarde als vertegenwoordigers van één soort te beschouwen. Bij de exemplaren, die ons vaderland bewonen, zijn de bovendeelen op donkeraschgrauwen (aan de zijden van den achterkop en in den nek op geelachtig rooden) grond, met uiterst kleine, zwarte en witte overlangsche vlekken geteekend; de bovendekveeren van den vleugel zijn donker aschkleurig, lichter gespikkeld en met zwarte en witte overlangsche vlekjes versierd, de onderdeelen op donker roestgelen grond bruin en wit gevlekt; de geheele sluier of alleen de bovenste helft is roestkleurig, de onderste helft in ’t laatstgenoemde geval roestkleurig wit. De slagpennen zijn roestkleurig, op de binnenvlag witachtig met drie of vier donkerder dwarsbanden, op de buitenvlag donker gevlekt; de roestgele staartveeren hebben 3 of 4 zwartachtige dwarsbanden en een donker aschgrauwen, wit gespikkelden, breeden eindband. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de washuid roodachtig wit, de pooten, voor zoover naakt, vuil blauwachtig grijs. Totale lengte 32, staartlengte 12 cM.