1) Gewone Leeuwerik (Alauda arvensis), 2) Boomleeuwerik (Galerita arborea), 3) Kuifleeuwerik (Galerita cristata). ⅖ v. d. ware grootte.

1) Gewone Leeuwerik (Alauda arvensis), 2) Boomleeuwerik (Galerita arborea), 3) Kuifleeuwerik (Galerita cristata). ⅖ v. d. ware grootte.

Geheel Europa, te beginnen bij het noorden van Noorwegen en Rusland, en geheel Middel-Azië van de zuidelijke woudgrens af tot aan de randgebergten, zijn het vaderland van den Leeuwerik, die in den winter tot naar Noord-Afrika en Zuid-Indië trekt.

Voor ons is de Leeuwerik een bode der lente, want hij komt hier, als de sneeuw smelt, soms reeds in het begin van Februari; tegen het einde van deze maand heeft hij reeds de woonplaats opgezocht, waar hij gedurende den geheelen zomer blijft, om zich eerst in het laatst van den herfst naar zijne winterkwartieren te begeven, die de meeste in Zuid-Europa, sommige in Noord-Afrika vinden. Voordat de Leeuweriken vertrekken, komen zij in grooten getale bijeen op de korenakkers, vanwaar de oogst dan reeds is weggehaald; zij worden hier van de op den grond gevallen korrels weldra buitengewoon vet; in sommige streken, b.v. in Saksen, worden zij als de avond valt, in menigte in slagnetten gevangen, gedood, in spanen doozen gepakt en overal heen verzonden, waar zij als lekkernij gezocht zijn.

De Leeuwerik is onrustig van aard, blijft zelden lang op dezelfde plaats, maar houdt er meer van gedurig heen en weer te loopen of te vliegen, met andere Vogels van zijn soort te vechten en te krakeelen, en onder al deze bedrijven zijn loktoon of zijn gezang te laten hooren. Hij beweegt zich goed over den bodem, bij langzamen gang telkens knikkend, bij snellen loop evenaart hij bijna den Strandlooper; hij vliegt uitmuntend en op verschillende wijze, al naar het doel dat hij beoogt; bij snelle beweging beschrijft hij groote bogen: de vleugels, die dan in ’t eene oogenblik opgevouwen zijn, snorren in ’t volgende vlug heen en weer; gedurende het zingen eindelijk stijgt hij op de algemeen bekende, langzame wijze met gelijkmatigen vleugelslag al hooger en hooger, met tusschenpoozen waarin hij op dezelfde hoogte blijft zweven. Op den bodem neemt hij graag een vrije standplaats in, b.v. op aardklonten, kleine verhevenheden of steenen, soms ook op den top van een struik, van een boom of van een paal; aan zulke plaatsen is hij zeer gehecht.

Zijn loktoon is een aangenaam klinkend “gerr” of “gerrel”, waaraan de schel gefloten klank “triet” of “tie” wordt toegevoegd. Bij het nest zittend roept hij luid “tietrie”, als hij boos is, op ratelende wijze “sjerrerererr”. Zijn algemeen bekend gezang, dat de akkers en de weiden in vlakke en heuvelachtige gewesten en zelfs in niet al te vochtige moerassen op een hartverheffende wijze verlevendigt, weerklinkt reeds kort na zijn terugkomst en wordt gehoord, zoolang het broeden duurt. Van ’t krieken van den morgen tot aan de avondschemering zingt hij, telkens zich weer boven den bodem verheffend, met bijna sidderend gefladder langzamerhand al hooger en hooger stijgend, soms bijna verdwijnend voor ’t oog, zonder pauze, met meer volharding dan iedere andere Vogel; hij beschrijft intusschen een wijde schroeflijn, keert allengs naar de plaats van uitgang terug, daalt meer en meer, stort zich met tegen het lichaam aangelegde vleugels als een vallende steen omlaag, spreidt op korten afstand van den bodem de vleugels uit en strijkt weder neer in de nabijheid van zijn nest. Zijn gezang bestaat uit slechts weinige, heldere, zuivere, krachtige tonen, maar uit oneindig vele strophen, die nu eens trillend en kweelend, dan weer helder fluitend weerklinken; zij worden door verschillende individuën met talrijke variaties voorgedragen en door enkele talentvolle Zangers zelfs met nabootsingen van passages uit het gezang van andere Vogels aanmerkelijk verrijkt. Zelfs de wijfjes kwinkeleeren; de jonge mannetjes, die slechts weinige weken geleden voor ’t eerst uitvlogen, doen reeds pogingen om te zingen. Leeuweriken, die jong uit het nest genomen zijn, leeren dikwijls het gezang van andere Vogels op volkomen juiste wijze navolgen.

Met andere Vogels van zijn soort leeft de Leeuwerik alleen gedurende den trek en in de winterkwartieren in vrede. Zoolang de liefde hen beheerscht, strijden de mannetjes met elkander bij iedere ontmoeting; dikwijls is deze strijd zeer hevig en langdurig. De beide mededingers grijpen elkander aan en plukharen dat het een aard heeft; niet zelden voegt nog een derde mannetje zich bij hen en komen de drie kampioenen gezamenlijk al draaiend uit de lucht vallen. Voor een oogenblik wordt het gevecht dan opgeschort, om in de volgende minuut hervat te worden. Soms gaan twee tegenstanders ook wel te voet op elkander af en nemen dan soortgelijke standen aan als vechtende hanen; wakker strijden zij, trouwens zonder dat een van hen een wonde van eenige beteekenis ontvangt. De overwonnene moet het veld ruimen, de overwinnaar komt jubelend bij zijn wijfje terug, dat niet al te zelden een werkzaam aandeel neemt “aan de kloppartijen van het mannetje”.

Dikwijls vindt men het nest reeds in het begin van Maart, gewoonlijk op korenakkers en weiden, ook wel echter op eilandjes, die zich boven het moeras verheffen, met grassen of zeggen begroeid, maar overigens nauw door het water ingesloten zijn. De kleine uitholling van den bodem, die als nestelplaats dient, wordt zoo noodig door de beide Leeuweriken zelf uitgekrabd of althans verwijd en afgerond, daarna bekleedt het wijfje, geholpen door het mannetje, haar op een gebrekkige wijze met oude stoppels, bosjes gras, fijne worteltjes en halmpjes en voert de holte van het nest soms bovendien nog met eenige paardeharen. Het broedsel bestaat uit 5 à 6 eieren, die op groengeelachtigen of roodachtig witten grond met vele stippels en vlekken van grijsachtig bruine of grijze kleur zeer ongelijkmatig geteekend zijn.

De dieren van beiderlei geslacht broeden om beurten; de jongen komen binnen 15 dagen uit den dop en verlaten het nest, zoodra zij loopen kunnen. Zoodra hun kroost zelfstandig geworden is, beginnen de ouders met toebereidselen om voor de tweede maal te broeden; als de zomer gunstig is, doen zij dit ook nog voor de derde maal.

De geheele trits van kleine viervoetige roovers, van de Huiskat of de Vos te beginnen tot en met de Wezel, de Spitsmuizen en de Woelmuizen, voorts de Kiekendieven, Raven, Trappen en Ooievaars brengen het Leeuwerikengebroed in gevaar; de Boomvalk, het Smelleken en de Sperwer bedreigen ook het leven van de oude Vogels. Het zal wel niet overbodig zijn er op te wijzen, dat de slachting, die de mensch onder hen aanricht, zelfs wanneer hij de Leeuweriken in massa vangt, steeds ver blijft beneden die, welke het gevolg is van de werkzaamheid hunner zooeven genoemde natuurlijke vijanden. Naarmate de ontginning van den bodem voortschrijdt, neemt het aantal Leeuweriken toe, niet af. Op Nieuw-Zeeland werd onze Leeuwerik ingevoerd; hij is daar op sommige plaatsen zeer talrijk geworden, maar heeft naar gezegd wordt, een belangrijke wijziging ondergaan, wat zijne gewoonten betreft: de Nieuw-Zeelandsche boeren beschuldigen hem n.l. van graandieverij op groote schaal en zeggen, dat zijn trek in graan is toegenomen in dezelfde mate, als zijn gezang slechter is geworden. Ook in Noord-Amerika werd onze Vogel ingevoerd: reeds voor ruim dertig jaren geschiedde dit zonder succes in de staat Delaware, voor ruim twintig jaren bij New-York met weinig resultaat, in New-Jersey echter met zeer goede uitkomst. Onze Leeuwerik werd ook op Groenland en op de Bermudas-eilanden gevonden.

De Kalander-leeuwerik (Alauda calandra), een uitmuntende en daarom hooggeschatte zanger van Zuid-Europa, onderscheidt zich door den krachtigen lichaamsbouw, den opmerkelijk grooten, dikken snavel, de lange, krachtige pooten, de groote, breede vleugels en den bijna rechten, korten, niet uitgeranden staart. Hij bereikt een lengte van 21 cM. De veeren van de bovendeelen zijn vaalbruinachtig, naar buiten isabelkleurig gezoomd, de teugel, een onduidelijke streep boven de oogen, de kin, de keel, de kop en de borst zijn teer roestgeelachtig, de overige onderdeelen wit, aan de zijden isabelbruinachtig, de oorstreek en een onduidelijke baardstreep bruinachtig, twee groote, van onderen soms ineenvloeiende vlekken aan de zijden van den hals zwart, de handpennen bruinzwart, de armpennen aardkleurig bruin, de staartveeren bruinzwart, aan de buitenzijde met een breeden, valen zoom. Het regenboogvlies is donkerbruin, de bovensnavel hoornbruin, de ondersnavel hoorngeel, de voet roodachtig.

Zuid-Europa en meer bepaaldelijk de oeverlanden van de Middellandsche Zee, Noordwest-Afrika en de steppen van Toerkistan zijn het vaderland van den Kalander-leeuwerik, die, van de genoemde landen uitgaande, Noordoost-Afrika, maar slechts zelden de Boven-Nijl-landen bezoekt. Hij bewoont bij voorkeur dorre, niet bevloeide velden of uitgestrekte weidegronden, in Azië de steppe, gezamenlijk met minstens vijf andere soorten, die hij in ieder opzicht overtreft.

Zijne gewoonten verschillen niet belangrijk van die van onzen Akker-leeuwerik. Duidelijk te onderscheiden is hij van onzen Leeuwerik en van alle andere bekende soorten van zijn geslacht door den opgerichten stand van ’t lichaam bij ’t gaan en de buitengewoon krachtige bewegingen van zijne zeer breede vleugels. Evenzeer is hij gekenmerkt door zijn heerlijk gezang. Ieder, die hem voor de eerste maal hoort zingen, blijft verrast staan om daarna met verrukking naar hem te luisteren. Zijn lied verschilt van het gezang van alle mij bekende Leeuweriken door den bewonderenswaardigen rijkdom van tonen, die uitmunten door volheid en kracht. De gezangen van alle soorten van Leeuweriken der steppe versmelten, verdwijnen in het zijne en worden er veredeld door weergegeven; door zijn talent van navolging en door zijn krachtige stem beheerscht hij het prachtige Leeuwerikengezang, dat in deze gewesten gedurende de lente onophoudelijk van den hemel weerklinkt. “Evenzeer als de Kalander-leeuwerik alle overige leden zijner familie in grootte overtreft,” zegt Cetti, “munt hij boven hen uit door zijn gezang. De stem, die hij van nature bezit, is naar het mij voorkomt, een niet bijzonder liefelijk gekweel, zijn phantasie echter verwerkt alle klanken, die hij hoort, om ze later, door zijn dichterlijken gorgel verfraaid, weer te geven. Op het land is hij een echo van alle Vogels; men heeft bij wijze van spreken alleen naar hem te luisteren, men hoort dan alle overige meteen. Hij maakt zoowel van het geschreeuw der Roofvogels, als van de melodiën der Zangvogels gebruik en geeft, terwijl hij in de lucht zweeft, duizenden van ineengevlochten strophen, trillers en liederen ten beste. Hij leert alles, wat men hem voorspeelt; flageolettonen kan geen Vogel beter nabootsen dan hij. De bekwaamheden, die hij verworven heeft, maken hem niet ijdel; hij, de kunstenaar, zingt van ’s morgens tot ’s avonds. Een voor ’t venster hangende Leeuwerik is voldoende om den geheelen omtrek op te vroolijken. Hij is de vreugde en de trots van den handwerksman en brengt alle voorbijgangers in verrukking.” Alle overige waarnemers stemmen in met dezen lof. Wel is het jammer, dat het gezang van dezen Vogel voor de kamer te luid is en dat men het op den duur in een beperkte ruimte niet kan verdragen.

Kalander-leeuwerik (Alauda calandra). ½ v. d. ware grootte.

Kalander-leeuwerik (Alauda calandra). ½ v. d. ware grootte.

Het nest wordt kunsteloos gebouwd van droge stengels en fijne wortels; het is op een verborgen plaats achter aardkluiten of kleine struiken of in het koren, altijd echter in een kleine uitholling van den grond gelegen. De 3 à 5 eieren zijn rondachtig, in het midden sterk gezwollen en op glanzig witten of geelachtig witten grond dicht bedekt met geel-bruine en grijze vlekken en stippels, die tegen het dikke einde dikwijls kranswijs ineenvloeien.

Om dezen hooggeschatten zanger te vangen, gaat men in Spanje ’s nachts op de akkers, waar hij zich ophoudt; eenige van de vogelvangers dragen klokjes zooals de Runderen aan den hals hebben hangen, andere dievenlantaarns, de overige netten. De Leeuweriken worden door het plotseling verschijnende licht verblind, door den klank der klokjes echter in den waan gebracht, dat er een kudde Runderen of Schapen aankomt, zij wachten de nadering van de vogelvangers rustig af, gaan plat op den grond liggen en worden met de netten bedekt of laten zich zelfs met de handen grijpen. Hier te lande kost zulk een Vogel 14 à 15 gulden, wanneer hij goed aan de kooi gewend is.

In de Aziatische steppen vindt men nevens den Kalander-leeuwerik den ongeveer even grooten Zwarten Leeuwerik of Tartaarschen Leeuwerik (Alauda yeltoniensis) die soms wel eens naar West-Europa verdwaalt, maar in Nederland nog niet waargenomen werd. Zijn herfstkleed is donkerzwart, de mantel, de schouderveeren, de achterste armpennen en de staartveeren aan het einde met duidelijken, de veeren van de zijden van de borst met onduidelijken, witachtig isabelkleurigen zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel hoorngrijs, de voet zwart.

Deze soort bewoont alle zoutsteppen van Middel-Azië en blijft hier gedurende het geheele jaar, want, naar het schijnt, strekt zij hare zwerftochten niet ver uit en zoekt hoogstens de plaatsen op, waar de sneeuw niet liggen blijft.

*

Een van de lieftalligste soorten van de geheele familie is de Bergleeuwerik of Hoornleeuwerik (Otocorys alpestris)5. Deze is 17 cM. lang met den 7 cM. langen staart. De voorkop, een streep boven de oogen, de kin en de keel zijn lichtgeel, een dwarsstreep op den achterkop, die aan weerszijden boven de slapen als een op een hoorn gelijkend bundeltje veeren eindigt, de teugel en de oorstreek benevens een breed, halvemaanvormig kropschild zijn zwart, de bovenkop, de achterhals en de bovendekveeren van den vleugel zijn teer wijnroodachtig, de overige bovendeelen aardbruin en met donkere schaftvlekken geteekend, de onderdeelen wit, in de flanken wijnroodachtig, de schenkels met donkere overlangsche streepjes, de slagpennen bruin, aan de buitenzijde met vaalbruinachtigen zoom, de dekveeren van de armpennen hebben ook aan de spits zulk een zoom; de staartveeren zijn zwart met uitzondering van de beide middelste, die donkerbruin zijn met vaalbruinen zoom, de beide buitenste aan de buitenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel blauwachtig grijs, de voet hoornbruin.

De Bergleeuwerik ontleent zijn wetenschappelijken soortnaam niet aan de Zwitsersche, maar aan de Skandinavische Alpen. Hij is een kind van de toendra en broedt in dit gebied overal; hij is derhalve zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld thuis. Vroeger was de Bergleeuwerik in het noordwesten van Europa een zeldzame verschijning; sedert ongeveer 50 jaren echter heeft hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied verder uitgebreid, hij komt nu ook in ’t noorden van Skandinavië geregeld voor.

In verband hiermede heeft de weg, dien deze Vogels volgen, als zij in den winter naar zuidelijker landen trekken, eenige wijziging ondergaan. Zij begeven zich thans in grooter aantal dan vroeger over de kuststreken van de Oostzee en Noordzee, over Duitschland en Nederland, naar de Zuid-Europeesche landen, waar zij hunne winterkwartieren hebben. Van deze zijn ook nu nog de oostelijkste (o. a. het Zuiden van Rusland) het meest bevoorrecht; sommige Bergleeuweriken overwinteren echter in Italië, Provence enz. Dat Nederland in de laatste jaren veelvuldiger door hen bezocht wordt dan vroeger, blijkt uit de aanteekeningen van Mr. Herman Albarda (1863, 1864, 1885, 1891).

Door zijn voorkomen en zijne handelingen gelijkt de Bergleeuwerik zoo zeer op den Akkerleeuwerik, dat ik in deze opzichten geen belangrijk verschil tusschen de beide soorten zou kunnen vermelden. Ik zag gene echter nooit zingend omhoogstijgen, daarentegen wel op steenen of boomtakken zittend, zijn eenvoudig, maar aangenaam klinkend liedje voordragen; volgens Collett verheft hij zich echter wel degelijk zingend in de lucht en laat in dit geval een geheel ander lied hooren, dan als hij stil zit. Het voedsel van dezen Vogel bestaat uit plantaardige stoffen, vooral zaden, en Insecten, hoofdzakelijk uit de in alle toendra’s zoo buitengewoon veelvuldige Muggen en hare larven, waarmede ook de jongen grootgebracht worden.

*

Het geslacht Kuifleeuwerik (Galerita) is van het vorige duidelijk te onderscheiden wegens de tot een puntige kuif verlengde veeren van de kruin.

Bergleeuwerik (Otocorys alpestris). ½ v. d. ware grootte.

Bergleeuwerik (Otocorys alpestris). ½ v. d. ware grootte.

De Kuifleeuwerik (Galerita cristata) is een weinig grooter dan de gewone Leeuwerik, 18 cM. lang met den 6.5 cM. langen staart. Daar de kleur in deze soort aan veel afwisseling onderhevig is, kan er moeielijk iets bepaalds van gezegd worden. De exemplaren, die hier te lande en in Duitschland wonen, zijn van boven op roodachtig leembruinen grond met donkerbruine schaftvlekken geteekend; de veeren van de kuif hebben zwarte schaften; de teugel en een onduidelijke streep boven de oogen zijn licht isabelkleurig, de zijden van den kop bruinachtig leemkleurig, de onderdeelen isabelkleurig wit, op de borst en de flanken naar rood zweemend; de kop en de borst zijn met breede uitvloeiende, donkere, de onderste staartveeren met dergelijke, doch meer wegsmeltende schaftvlekken versierd; de slagpennen zijn donkerbruin, aan de buitenzijde en aan de spits met smallen, aan de binnenzijde met breeden, roestkleurigen rand; de laatste armpennen en de vleugeldekveeren hebben, evenals de zwartbruine staartveeren, aan de buitenzijde en aan den top een leembruinachtigen zoom, die bij deze smal, bij gene breed is; van de beide buitenste stuurpennen is de geheele buitenvlag roestroodachtig. Het oog is donkerbruin, de snavel bruinachtig, de wortelhelft van den ondersnavel en de voet zijn geelachtig.

Met uitzondering van het hooge noorden bewoont onze Kuifleeuwerik bijna geheel Europa, een deel van Azië en een belangrijk deel van Afrika; hij komt in ’t zuiden veelvuldiger voor dan in het noorden en is in Spanje en Noord-Afrika de meest verbreide soort van de geheele familie. Ook in Duitschland echter breidt deze soort haar gebied van jaar tot jaar verder uit; de bergpassen volgend, vestigt zij zich langzamerhand op allerlei plaatsen, waar zij vroeger niet voorkwam. Van de verbreiding van den Kuifleeuwerik sprekend, zegt Schegel: “Hij houdt zich in droge, zandige, open streken op. In ons rijk wordt hij in Gelderland en eenige aangrenzende provinciën op sommige plaatsen van onze heidevelden aangetroffen en komt ook in onze duinstreken, maar enkel bij de dorpen en langs de wegen voor. Dit laatste is trouwens ook het geval in de meeste overige streken, die hij bewoont. Het is een standvogel, die echter in het koude jaargetijde veelal rondzwerft.” In Friesland “broedt hij niet, maar vindt men hem des winters in de zandstreken, in groote vluchten rondzwervend. Sommige overwinteren ook in de buitenwijken van Leeuwarden en zoeken dagelijks met de Musschen hun voedsel nabij de huizen.” (Albarda).

“De verhuizing van den Kuifleeuwerik naar Middel-Europa,” schrijft W. Marshall, “is een buitengewoon merkwaardig verschijnsel. Als standvogel bewoont hij in zeer grooten getale het gebied, dat zich van den voet der Chineesche en Mongoolsche gebergten over Toerkistan, Perzië en het Trans-Kaspische district tot aan Zuid-Rusland uitstrekt. Hij ontbreekt echter in West-Siberië; waarschijnlijk vormt hier de Oeral-rivier, misschien reeds de Wolga, de oostelijke grens van zijn verbreidingsgebied. Uit zijn zuidoostwaarts van ons werelddeel gelegen vaderland is hij langs drie, misschien wel langs vier wegen naar Europa gekomen.

“In het ten zuiden van de Alpen gelegen deel van Boelgarije en Klein-Azië, om de Middellandsche Zee heen tot aan den Atlantischen Oceaan, heeft hij zich misschien reeds voor eenige duizenden van jaren gevestigd; hier zijn een groot aantal rassen van deze soort ontstaan, die zich, zoowel van elkander als van de vormen, die aan deze zijde van de Alpen wonen, door kleur, grootte en, wat opmerkelijk is, ook door hun zang en eenige andere eigenaardigheden van levenswijze onderscheiden.

“De tweede poort, waarvan onze Vogel gebruik gemaakt heeft, om zich naar ’t westen te begeven, is de IJzeren Poort; langs dezen weg is hij echter nog niet zeer ver in de oeverlanden van den Donau doorgedrongen; in 1864 kwam hij nog niet voor bij Arnsdorf in het Weenerwoudgebied, waar hij reeds zes jaren later veelvuldig begon te worden; sinds 1879 wordt hij in de omstreken van Weenen algemeen aangetroffen.

“De derde weg, die voor den intocht van den Kuifleeuwerik gediend heeft (wij zullen haar de Noordduitsche noemen), loopt langs den Oder (misschien nog een vierde langs den Weichsel) en neemt dan een westelijke richting aan om in de eerste plaats de zeekust te volgen. Bij Petersburg wordt de Kuifleeuwerik nog niet aangetroffen, naar Zweden en naar Engeland dwaalt hij slechts zelden af, in Sleeswijk vertoont hij zich uitsluitend gedurende den winter; maar dan veelvuldig; in Holstein echter broedt hij reeds sedert 1850; reeds in 1856 werden enkele nesten op Sylt waargenomen; sedert 1820 heeft men hem in Oldenburg opgemerkt, aanvankelijk was hij hier zeer zeldzaam, reeds in 1853 echter zeer talrijk. In het einde van de vorige eeuw was dit dier in geheel Thuringen alleen als wintergast bekend; in het zuiden van Thuringen komt hij ook thans slechts gedurende strenge winters en dan nog zeldzaam voor; in het noordwesten van dit gebied (bij Schlotheim niet ver van Muhlhausen) broedde hij reeds in 1854 veelvuldig.

“De Kuifleeuwerik is in nog hoogere mate een steppenbewoner dan de overige Vogels, die uit het zuidoosten tot ons gekomen zijn; hierdoor wordt het verklaarbaar, dat hij bij voorkeur de groote heerwegen naar ’t westen volgt en het liefst in hun nabijheid broedt, want juist deze gewesten hebben in hooge mate de eigenaardigheden van steppen, even woest als de Chineesche en de Mongoolsche. De gewoonte van dezen ook in andere opzichten, o.a. door zijn eigenaardige stem en kopversiering, vreemdsoortigen Vogel, om langs de groote verkeerswegen te loopen, heeft ook de aandacht van het volk getrokken: algemeen is b.v. in Thuringen onder het volk de meening verbreid, dat de Kuifleeuwerik in 1813 met de Russen in ’t land gekomen is; iets dergelijks wordt ook van den Gewonen Kakkerlak beweerd.”

In het zuiden van Europa vindt men den Kuifleeuwerik in en bij de dorpen zoowel als op de eenzame, onbewoonde vlakten en in de gebergten; in Nederland en Duitschland geeft hij de voorkeur aan de nabuurschap van den mensch en komt ’s winters bedelen in de dorpen en steden, bij de pakhuizen en keukens.

Buiten den paartijd is de Kuifleeuwerik een stille Vogel, die alleen door zijn algemeenheid in ’t oog valt, voor ’t overige echter zeer bescheiden is. Van den Akkerleeuwerik kan hij gemakkelijk onderscheiden worden door zijn ineengedrongen gestalte en door de spits eindigende kuif, die bijna overeind staat. Door zijn wijze van zitten en loopen en ook door het vliegen gelijkt hij zeer op zijne verwanten. Zijn stem bestaat uit de zachte klanken “hoid hoid”, waarop gewoonlijk een schel, aangenaam klinkend “kwie kwie” volgt. Zijn gezang munt uit door afwisseling van tonen, hoewel hij achterstaat bij dat van den Gewonen en ook zelfs bij dat van den Boomleeuwerik.

De Kuifleeuwerik gebruikt zoowel plantaardig als dierlijk voedsel. In den herfst, den winter en de lente eet hij allerlei soorten van zaden; in de lente plukt hij de toppen van het jonge gras en van andere groene kruiden af.

Zijn nest vindt men op akkers en droge weiden, in wijnbergen, tuinen en op dergelijke plaatsen, dikwijls zeer dicht bij bewoonde gebouwen, in druk bezochte publieke tuinen en zelfs op spoorwegterreinen; het is echter altijd goed verborgen en moeielijk te vinden. De bouwtrant verschilt weinig van die der andere leeuwerikennesten. De 4 à 6, zeldzamer 3 eieren, die het bevat, zijn op gelen of roodachtig witten grond overal met een groot aantal aschgrauwe en geelbruine stippeltjes en vlekjes bezaaid. Door het waarnemen van een paar Kuifleeuweriken in de kooi heeft Liebe het voortplantingsbedrijf van deze (en misschien wel van alle) Leeuweriken op een onverwachte wijze opgehelderd. Het wijfje broedt alleen; zij zit, als het niet zeer koud is, overdag slechts weinig op de eieren, maar verlaat ze ongeveer ieder halfuur om zich op te knappen en om voedsel te zoeken, daar zij door het mannetje niet gevoederd wordt. Na 13 dagen komen de jongen uit; deze worden, hoewel zij slechts gebrekkig met dons bekleed zijn, waardoor de zwartachtig paarse huid overal heenschemert, toch weinig gekoesterd. Alleen des nachts of bij ruw weder zit de moeder aanhoudend op het nest. Het mannetje helpt de jongen grootbrengen door Insecten te verzamelen, deze met den snavel voor te bereiden en ze voor het wijfje neer te leggen, opdat zij ze aan de jongen zal geven. Op den achtsten levensdag loopen de jongen uit het nest en keeren er niet weder in terug. Aanvankelijk huppelen zij op een onbeholpen wijze rond; eerst na den twaalfden dag loopen zij op de wijze van hunne ouders. Deze beginnen, zoodra de jongen zich zelf kunnen redden, aan een tweede en later aan een derde broedsel.

De Kuifleeuwerik wordt niet in zoo grooten getale als de Akkerleeuwerik ten behoeve van de keuken gevangen en ook om andere redenen bijna niet vervolgd. Zijne vijanden zijn dezelfde als die, welke gevaarlijk zijn voor andere op den grond nestelende Vogels. Zelden houdt men hem in een kooi.

De Boomleeuwerik (Galerita arborea), is de kleinste in Nederland broedende soort van de geheele familie. Zijn lengte bedraagt 15.3 à 15.8 cM. met den 5.5 cM. langen staart. De bovendeelen hebben nagenoeg dezelfde kleur als bij den Akkerleeuwerik, maar vertoonen een meer roestroode tint; de onderdeelen zijn witachtig, tot aan de borst overlangs gestreept; de veeren van den bovenkop zijn een weinig verlengd; de buitenste groote dekveeren zijn aan de achterhelft wit; het wit aan den staart is beperkt tot het einde van de vier buitenste paren stuurpennen.

Deze lieftallige Vogel bewoont van het midden van Zweden af geheel Europa en bovendien West-Azië. De door hem bevolkte terreinen zijn echter minder uitgestrekt dan die van de andere Leeuweriken, daar hij zich alleen in de eenzaamste heide- en woudstreken ophoudt. Na den broedtijd komt de Boomleeuwerik met zijne jongen op de afgemaaide hooilanden, voorts bezoekt hij op den trek in de vlakten de braakliggende landerijen en de akkers, waarvan de producten zijn binnengehaald; op zijn reis naar ’t zuiden, die in October aanvangt, legt hij iederen dag slechts een korten weg af, omdat het bijeenzoeken van het voedsel, dat uit kevertjes en nietig kleine zaden bestaat en dus niet overvloedig is, hem veel tijd kost. Zoodra de sneeuw op de bergen gesmolten is, in de laatste helft van Februari of in Maart, keert hij terug van zijn reis, die gewoonlijk reeds in Zuid-Europa eindigde, maar zich ook wel tot Afrika uitstrekte, en vestigt zich weer op zijn oude woonplaats. In ons land komt hij in de meeste streken slechts op den trek en in kleinen getale voor; hij broedt echter in Gelderland, in Noord-Brabant (bij Ginneken) en in Utrecht (bij Soest).

“De Boomleeuwerik,” zegt Brehm, de vader, “is een allerliefst diertje, vlug en behendig van bewegingen, tam en gemeenzaam waar hij ontzien wordt, daarentegen voorzichtig en schuw overal waar hij vervolgingen heeft te verduren of meent te moeten duchten. Hij loopt vlug met kleine passen, houdt intusschen de borst omhoog en zet de veertjes van de kruin op tot een kleine kuif, hetwelk hem zeer goed staat.

“Zijn sierlijk nest is, al naar de weersgesteldheid in de lente, vroeger of later gereed, soms reeds in de laatste dagen van Maart; het is onder een spar of een jeneverbes of eenvoudig in het gras gebouwd. Het is in een uitgekrabde, niet door takken overdekte uitholling van den grond gelegen, uit fijne, droge halmen van grassen samengesteld, dieper dan een halven bol en van binnen zeer glad en netjes bewerkt. Het broedsel bestaat uit 4 à 5, zelden 3 eieren, die op witachtigen grond met grijs- en lichtbruine stippels en vlekjes dicht bestrooid zijn; zij worden met groote toewijding door het wijfje alleen uitgebroed, het mannetje verzorgt intusschen zijn wederhelft met voedsel. De jongen van het eerste broedsel blijven slechts korten tijd onder de hoede van hunne ouders, daar deze spoedig een tweede broedsel beginnen. Nadat ook deze werkzaamheden zijn afgeloopen, vangt het zwerven aan, dit duurt voort, totdat de tijd van trekken is gekomen; de ouders zijn intusschen met al hunne kinderen tot een klein gezelschap vereenigd; soms merkt men vluchten op, die uit twee of meer familiën bestaan. Zij verlaten ons in het einde van October of het begin van November.

“De grootste bekoorlijkheid van den Boomleeuwerik is zijn voortreffelijk gezang. Wanneer men een voetreis doet door een eenzame streek waar geen enkel schoon vergezicht vergoeding geeft voor het ontstemmend schouwspel van den schralen plantengroei, waar schijnbaar geen spoor van dierlijk leven aanwezig is, ziet men soms plotseling den aanvalligen Boomleeuwerik verschijnen, die eerst zijn zachten loktoon “loelloe” laat hooren, daarna omhoogstijgt en luid fluitend en kwinkeleerend halve uren lang onder de wolken zweeft of op een boom zittend zijn aangenaam lied ten einde brengt. Nog liefelijker echter klinkt dit gezang des nachts. Telkens als ik in het stille, middernachtelijke uur een wandeling deed door het armoedige oord, dat onzen Vogel als woonplaats dient, op eenigen afstand het huilen van den Ooruil, en het spinnen van den Geitenmelker of in de onmiddellijke nabijheid het snorren van een voorbijvliegenden Kever opmerkte, bij welke geluiden ik mij in de woeste streek zoo recht eenzaam gevoelde, was ik ten hoogste verblijd, als een Boomleeuwerik zich in de lucht verhief en zijne welluidende trillers liet weerklinken. Lang bleef ik dan staan luisteren naar deze als ’t ware uit den hemel afdalende tonen en zette vervolgens met frisschen moed mijn wandeling voort. Hoewel ik zeer goed weet, dat de Boomleeuwerik begon te zingen, omdat een innerlijke drang hem er toe dreef en omdat hij zijn wijfje door gezang bezig houden en genoegen verschaffen wilde, rees in zulke oogenblikken steeds het denkbeeld in mij op, dat hij opgestegen was om mij, zijn ouden vriend, een dienst te bewijzen, om mij de eenzaamheid te verzoeten.”

De Boomleeuwerik kan zich, wat zijn gezang betreft, met den Nachtegaal niet meten en toch vervangt hij dezen. Het lied van den Nachtegaal weerklinkt slechts gedurende twee maanden: de Boomleeuwerik echter zingt van Maart tot Augustus, na het ruien nog in de laatste helft van September en de eerste van October; bovendien houdt hij zich op in woeste, arme gewesten, in het gebergte, waar buiten hem slechts weinige goede zangers wonen, terwijl zij op de plaatsen, waar hij leeft, misschien geheel ontbreken! Hij is de lieveling van alle bergbewoners, de trots van den liefhebber van kamervogels, de vreugde van den handwerksman, die gedurende de geheele week aan zijn werkplaats gebonden is, hier, evenals zijn vogeltje, gevangen wordt gehouden. Ruimschoots verdient de Boomleeuwerik de genegenheid, die men hem toedraagt, de glorie, die hem omstraalt. Ongelukkig neemt het aantal Vogels van deze soort niet toe, zooals dat van de Akker- en Kuifleeuweriken; integendeel het is jammerlijk aan ’t verminderen, zonder dat men hiervoor een aannemelijke reden weet op te geven.

*

De Woestijnleeuwerik (Ammomanes deserti) is van boven grijsachtig kaneelbruin, op den staartwortel roestroodachtig, van onderen witachtig isabelkleurig; de oorstreek, de krop, de zijden van den romp, de onderdekveeren van de vleugels en van den staart hebben een fijne, roodachtige isabelkleur, op den krop met onduidelijke, overlangsche streepjes; de slagpennen en stuurpennen zijn olijfbruin, gene aan de buitenzijde roestroodachtig kaneelkleurig, de beide buitenste staartveeren aan de buitenzijde tot in de nabijheid van den top roestkleurig isabel. Het oog is bruin, de snavel bruinachtig, de voet donkerbruin. Het geheele dier is 16, de staart 6.5 cM. lang.

Het verbreidingsgebied van den Woestijnleeuwerik omvat het grootste deel van Noord- en Noordoost-Afrika, West-Azië en Midden-Indië; soms, doch zeer zelden, dwaalt hij af naar Zuid-Europa, door Erhard wordt hij echter opgenoemd onder de Vogels, die des zomers op de Cycladen voorkomen.

Hij vermijdt het bebouwde land en bewoont die landstreken, waar het dorre zand de levenwekkende kracht van het water met goed gevolg trotseert. In het zand verdwijnt hij voor de blikken zijner vijanden, in het zand vindt hij zijn voedsel: hij gevoelt zich uitsluitend en volkomen in de woestijn thuis. Zijn lokstem hoort men in Opper-Egypte reeds, zoodra men den laatsten dam overschrijdt, die het aan den stroom ontleende, vruchtbaar makende water tegen het naar vocht verlangende zand beschermt; hij is het, die in de verhevene tempelzalen heerscht als een Isis-priester, die uit den ouden tijd is achtergebleven en een gedaanteverwisseling ondergaan geeft; hem ontmoet men ook als een volslagen huisvogel in de tent van de bruine nomaden. Hij is aanvallig, maar stil en ernstig van aard. Hij loopt buitengewoon snel, vliegt behendig en vlug, hoewel min of meer fladderend. Zijn gewone lokstem maakt een eenigszins droefgeestigen indruk, waardoor men haar welluidendheid bijna zou vergeten. Overal waar deze soort voortkomt, zijn hare vertegenwoordigers veelvuldig; gewoonlijk ontmoet men ze bij paren; met hare soortgenooten leven zij in vrede, maar vereenigen zich zelden met hen tot vluchten.

De Woestijnleeuwerik schuwt den mensch niet. Het komt in den Arabier niet op den argeloozen Vogel vijandig te behandelen; ook de Europeaan wordt hem weldra zoo genegen, dat hij er letterlijk tegen opziet, hem te dooden.

*

Een geheel ander voorkomen dan de meest typische vormen der familie hebben de Kwikstaartleeuweriken (Alaemon). Hunne kenmerken zijn: de slanke lichaamsbouw, de lange, betrekkelijk dunne, meer of minder sterk gebogen snavel, de lange loop met middelmatig lange teenen, waarvan de binnenste of achterwaarts gerichte een tamelijk korte, flauw gebogen klauw of spoor draagt, de zeer lange en breede vleugels, de middelmatig lange staart en het goed gevulde, glad aanliggende kleed.

De Woestijnlooper-leeuwerik (Alaemon desertorum) is van boven roodachtig isabelkleurig, de teugel, een streep boven de oogen, de zijden van den kop en de onderdeelen zijn wit; de kropveeren zijn fijn vaal isabelkleurig en met smalle, donkere schaftstrepen geteekend; de handpennen zijn zwart, de bovendekveeren van de armpennen aan den top wit, de witte armpennen vormen een breede dwarsstrook op den vleugel; de bruinzwarte staartveeren hebben aan de buitenzijde en aan den top een roodachtig isabelkleurigen zoom. Totale lengte 22, staartlengte 9 cM.

Het verbreidingsgebied van deze soort, waarvan herhaaldelijk ook in Zuid-Europa exemplaren zijn geschoten, omvat het geheele noordoosten van Afrika en West-Azië, Palestina, Perzië en Sind. Bijzonder veelvuldig heb ik haar tusschen Kaïro en Suez waargenomen. Ik vond hier kleine familiën van hoogstens 4 à 6 stuks, nooit vluchten, gewoonlijk paren. Het eene paar woont dicht bij het andere; naar het schijnt, bezoeken de buren elkander dikwijls met volkomen vriendschappelijken zin.

Wat levenswijze betreft, houdt de Woestijnlooper-leeuwerik als ’t ware het midden tusschen de leden zijner familie en de Renvogels. Hij loopt bij rukken, buitengewoon snel, veeleer op de wijze der Strandloopers dan op die der Leeuweriken, maar verheft zich met haastige vleugelslagen snel omhoog, zweeft eenige oogenblikken achtereen op dezelfde plaats en laat zich daarna plotseling met opgevouwen vleugels op den bodem of ook wel op een struik nedervallen, springt vervolgens hiervan af op den grond en loopt nu schielijk voort. Dit spel herhaalt hij soms verscheidene, snel opeenvolgende malen. Ik geloof, dat alleen het mannetje zulke bewijzen van bekwaamheid in het vliegen geeft; het kwam mij voor, dat dit spel ten doel had het wijfje genoegen te doen. Het paar blijft trouw vereenigd; het mannetje en het wijfje blijven gedurende het rennen dicht bij elkander en vliegen bijna gelijktijdig op. Jegens den mensch zijn de Woestijnlooper-leeuweriken volstrekt niet schuw; zij naderen de bewoonde stations van den “Oost-Indischen weg” met de argeloosheid van den Kuifleeuwerik; ik ontmoette ze meermalen op de uitgestrekte binnenplaatsen van deze gebouwen.


De leden van de familie der Woudzangers (Sylvicolidae) missen de eerste slagpen. Men merkt bij hen drieërlei vormen op: sommige groepeeren zich om de Piepers, terwijl andere aan Grasmusschen, nog andere aan vinken herinneren.



De Kwikstaarten (Motacillinae) kenmerken zich door hun buitengewoon slank gebouwd lichaam, door den dunnen, rechten, langwerpig priemvormigen, aan de rugzijde kantigen snavel, die vóór de spits van de bovenkaak met een ondiepe inkerving voorzien is, door de middelmatig lange vleugels, waarin de derde slagpen de langste is, maar welker armpennen nagenoeg even lang zijn als de handpennen, door den langen, uit smalle pennen samengestelden, bij uitzondering gaffelvormigen staart, door de tamelijk hooge, uit slanken loop en lange teenen bestaande voeten, die met groote, aan den achterteen dikwijls spoorvormig verlengde klauwen gewapend zijn en door het bont gekleurde kleed, dat al naar het geslacht eenigszins verschilt.

*

De Kwikstaarten in engeren zin of Boom-kwikstaarten (Motacilla) omvatten ruim een dozijn soorten, die uitsluitend in de Oude Wereld thuis behooren, maar hier over alle breedte- en hoogtegordels verbreid zijn. Zij bewonen waterrijke gewesten. Enkele soorten verwijderen zich alleen gedurende hun reis naar ’t zuiden van ’t water, andere zwerven om voedsel te zoeken ook op droge plaatsen rond, daarna keeren zij echter altijd weer naar ’t water terug. De in ’t noorden levende soorten zijn trekvogels, die van ’t zuiden zwerfvogels, sommige volslagen standvogels. In het noorden verschenen zij vroeg in ’t voorjaar en blijven er tot laat in den herfst, hoewel zij hun reis naar ’t zuiden ver uitstrekken. Hunne bewegingen zijn sierlijk en lieftallig. Gewoonlijk gaan zij stappend, op bedachtzame wijze en knikken bij elken stap met den kop; den langen staart houden zij intusschen waterpas of een weinig bovenwaarts gericht en bewegen hem voortdurend op en neer. Zij vliegen snel en behendig, waarbij zij een uit groote bogen bestaanden weg volgen. Hun stem is niet bijzonder krachtig, hun gezang eenvoudig, maar aangenaam. Zij voeden zich met allerlei Insecten en larven en met ongewervelde dieren, die het water bewonen. Het nest is kunsteloos samengesteld uit fijne takjes, worteltjes, halmen, mos, droge bladen en dergelijke materialen, van binnen bekleed met wol of andere zachte stoffen; het wordt gebouwd in holen en kuilen, in den regel dicht bij het water; de eieren hebben een dunne schaal en zijn op lichten of grijsachtigen grond fijn gevlekt.

Witte Kwikstaart (Motacilla alba). ⅗ v. d. ware grootte.

Witte Kwikstaart (Motacilla alba). ⅗ v. d. ware grootte.

De meeste Kwikstaarten weten door hun bevalligheid en vertrouwelijkheid de genegenheid zelfs van de ruwste menschen te winnen; onder de menschen hebben zij daarom nagenoeg geen vijanden; wel wordt hun leven bedreigd door vele roofdieren en staan zij bovendien wegens hun verblijfplaats aan vele gevaren bloot; zij vermenigvuldigen zich echter zoo sterk, dat er voor vermindering van hun aantal geen gevaar bestaat. Hoewel zij door hun lieftalligheid en bevallig voorkomen als kamervogels een aangenamen indruk maken, worden zij zelden in een kooi gehouden.

De Witte Kwikstaart, die ook wel Akkermannetje, Bouwmannetje, Bouwmeestertje, in Zuid-Beveland Paardenwachter, in het land van Kuik Ploegdrijvertje, in Friesland Zwaluwwipstaart, op Ameland Verboden Zwaluw wordt genoemd (Motacilla alba), is in zekeren zin het type van dit geslacht. Zijne bovendeelen zijn grijs, de achterhals en de nek fluweelachtig zwart, de keel, de gorgel en de bovenborst zwart, de voorkop, de teugel, de wangen, de zijden van den hals en de onderdeelen wit, de slagpennen zwartachtig met witachtig grijze zoomen; de witte spitsen van de dekveeren vormen om de vleugels twee lichte banden; de middelste stuurpennen zijn zwart, de overige wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 20, staartlengte bijna 10 cM.

In Groot-Brittannië komt nevens den Witten Kwikstaart een verwante vorm voor, die soms als een afzonderlijke soort, soms als een ras wordt beschouwd. Deze, de Rouwkwikstaart (Motacilla alba lugubris), verschilt van den Witten alleen hierdoor, dat in het lentekleed ook de mantel, de staartwortel en de schouders zwart zijn. Wij beschouwen hem als een ras. Nu en dan worden eenige exemplaren van dit ras in Noord- en Zuid-Holland, soms ook in Noordbrabant waargenomen.

De Witte Kwikstaart bewoont geheel Europa, ook IJsland, voorts West- en Middel-Azië, en zelfs Groenland. Behalve in de hoog gelegen bosschen en de bergstreken boven de grens van den boomgroei treft men hem in den letterlijken zin van ’t woord overal aan; naarmate de bebouwing van den bodem toeneemt, vermeerdert ook het aantal van deze Vogels. In den winter trekken zij tot in het binnenland van Afrika, enkele hebben echter reeds in Zuid-Europa en zelfs in Duitschland hunne winterkwartieren bereikt. Ook in ons land blijft een zeker aantal, zelfs bij strenge koude, den winter over.

De Witte Kwikstaart behoort in Nederland tot de zeer gewone Vogels; hij komt hier veelal reeds in de eerste helft van Maart en vertrekt eerst in October. Meestal wordt hij in de nabijheid van het water aangetroffen; gaarne broedt hij in tuinen, ook in woningen, zelfs midden in de steden, waar men hem vaak op de daken der huizen ziet zitten. Buiten zet hij zich veelal op dorre takken van boomen, in het riet of op kruiden. Doorgaans ziet men hem echter op den grond loopen.

In de hoogste mate bewegelijk, onrustig en opgewekt van aard, is hij van den vroegen morgen tot laat in den avond onverpoosd bezig. Alleen gedurende het zingen ziet men hem soms werkelijk stil zitten; rechtop en met hangenden staart blijft hij dan op dezelfde plaats; overigens loopt hij voortdurend heen en weer, of beweegt althans den staart. Hij loopt stappend, beweegt zich op deze wijze vlug en behendig, intusschen den romp en den staart waterpas houdend en den hals een weinig intrekkend. Hij vliegt zonder inspanning en snel; de door hem gevolgde weg bestaat uit lange, stijgende en dalende bogen, die gezamenlijk een lange, slangswijs gekronkelde lijn vormen; meestal vliegt hij laag over het water of den bodem en slechts korte afstanden af, zoodat de reis van zeer korten duur is; op de plaats, waar hij zich nederzetten wil, laat hij zich eensklaps vallen en breidt eerst dicht bij den grond den staart uit om de snelheid van den val te verminderen. Zijn duidelijk hoorbare lokstem klinkt als “kiewie” en wordt soms met “tsiesies” of “tsioewies” verlengd; verliefdheid openbaart hij door een zacht “kwierierie”. Zijn gezang weerklinkt, terwijl hij zit, loopt of vliegt en wordt zeer dikwijls herhaald; hij is wel eenvoudig, maar toch niet onaangenaam. Hij houdt veel van het gezelschap zijner soortgenooten, stoeit gaarne met hen en jaagt hen spelend na, welk spel ook wel eens in een ernstige vechtpartij ontaardt. Jegens andere Vogels is hij niet zeer toeschietelijk, veeleer vijandig; dikwijls zoekt hij ruzie met Vinken, Gorsen en Leeuweriken en voert strijd met Roofvogels.

Allerlei Insecten, volwassene, zoowel als larven en poppen, worden door den Kwikstaart opgezocht aan de oevers van het water, in de slib, tusschen steenen, in mesthoopen, op daken van huizen en andere plaatsen; bliksemsnel schiet hij toe op iederen zichtbaren buit en grijpt hem zonder fout; gaarne volgt hij den ploegenden landman om de Insecten, die de ploegschaar blootlegt, uit de voren op te pikken; geregeld zoekt hij het weidende vee op en blijft soms dagen lang bij de schaapskooien. In den herfst trekken de familiën iederen avond naar de rietvijvers en zoeken hier, nevens de Zwaluwen en Spreeuwen een slaapplaatsje. Later vereenigen alle familiën uit den omtrek zich tot min of meer talrijke vluchten, die aan de oevers der rivieren kunnen aangroeien tot zwermen van duizenden individuen. De op deze wijze gevormde legers trekken gemeenschappelijk naar ’t zuiden, strijken over dag bij de kudden langs of begeven zich van den eenen pas geploegden akker naar den anderen, altijd door in dezelfde richting voortgaande, totdat de duisternis invalt; de reizigers stijgen daarna omhoog en vliegen onder luid geroep in zuidwestelijke richting verder.

Nog fraaier en bevalliger dan de zooeven genoemde soort is de Groote Gele Kwikstaart (Motacilla melanopes)6, die met recht bekoorlijk mag heeten. Het lentekleed van het mannetje is van boven aschgrauw, van onderen zwavelgeel, aan de keel zwart, welke kleur van het grauw der bovenzijde gescheiden is door een witte streep; een streep van dezelfde kleur loopt boven het oog langs; twee lichtgrijze, niet zeer duidelijke banden komen op den vleugel voor. De drie buitenste stuurpennen zijn grootendeels wit, de pooten vleeschkleurig roodgeel. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa, bij het zuiden van Zweden te beginnen, het grootste deel van Azië en eenige gebergten van Noord-, Oost- en West-Afrika, vooral de Atlas, het Abessinische Hoogland en de hooglanden van de westkust. Op de Kanarische eilanden komt zij veelvuldig voor. In Noord-Europa is de Kwikstaart zeldzaam, in Nederland broedt hij alleen in de grensprovinciën, in Midden-Duitschland en verder zuidwaarts vindt men hem bijna overal in het gebergte en zelfs bij iedere heldere beek van de voorbergen, soms zelfs bij zulke beken in de vlakte, in ’t zuiden treft men hem alleen in de hooge gebergten aan. Uit Nederland, waar de soort niet talrijk vertegenwoordigd is, vertrekt zij tegen November naar ’t zuiden en komt in het begin van Maart terug. Enkele exemplaren overwinteren hier te lande en bezoeken in het koude jaargetijde nu en dan de kustprovinciën, waar zij echter nooit broeden.

Weinige Vogels zijn meer op netheid gesteld dan deze lieftallige Kwikstaart. Hij maakt den indruk van een dame, die gedurende de wandeling haar japon opneemt, als hij langs den waterkant of op ondiepe plaatsen in het water stapt; werkelijk draagt hij groote zorg voor de reinheid van zijn vederenkleed en maakt bij ’t gaan sierlijke pasjes als een danseres. Zijn loktoon, dien hij hoofdzakelijk gedurende het vliegen, minder dikwijls zittend laat hooren, heeft zeer veel overeenkomst met dien van den Witten Kwikstaart, zoodat men beide soorten al zeer goed moet kennen om ze, op de stem afgaande, met zekerheid te onderscheiden. Ook de Groote Gele Kwikstaart broedt vroeg in de lente: voor de eerste maal reeds in April, voor de tweede maal niet later dan Juli.

*

De Gele Kwikstaart, ook wel bekend onder de namen Koevinkje (in Groningen), Geel Bouwmannetje (in Friesland) en Geel Akkermannetje (Budytes flavus), wordt wegens zijn korten staart en den op een spoor gelijkenden nagel van den achterteen beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht—de Grondkwikstaarten (Budytes). Zijn lengte bedraagt gemiddeld 17 cM. met inbegrip van den 7 cM. langen staart. De bovenkop, de nek en de achterhals, met uitzondering van een boven de oogen zich uitstrekkende, witte streep, zijn aschgrauw, de overige bovendeelen olijfgroen, de bovendekveeren van den staart donkerder, de zijden van den kop en van den hals, evenals de overige onderdeelen, zwavelgeel, de slagpennen bruinzwart, de laatste armpennen met vaalwitten zoom, de grootste bovendekveeren aan ’t uiteinde met vaalwitten rand, waardoor op den vleugel een lichte dwarsstrook ontstaat, de staartveeren zwart, behalve de beide buitenste, die een witte kleur hebben. De oogen zijn bruinzwart, de snavel en de pooten zwart.

Tot hetzelfde geslacht behooren verscheidene vormen met standvastig overervende eigenaardigheden, die door sommige natuuronderzoekers als soorten, door andere als rassen worden beschouwd. Van deze vermelden wij er twee—de Noordsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus nigricapillus) en de Engelsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus Rayii)—, omdat zij enkele malen (Albarda) ook hier te lande werden waargenomen. Zij verschillen van den Gewonen o. a. door de kleur van den bovenkop, die bij den eerstgenoemden vorm zwart, bij den tweeden geel, bij den Gewonen in de lente grootendeels geelgroen, later aschgrauw is.

In alle noordelijke landen zijn de Gele Kwikstaarten zomervogels, die veel later dan de Witte komen en veel vroeger hunne winterkwartieren opzoeken. Bij ons komen zij in de tweede helft van April en verhuizen in September naar het zuiden. Behalve in Europa broeden zij ook in Middel-Azië en Noordwest-Amerika; ’s winters houden zij zich op in Zuid-Azië, Middel- en Zuid-Afrika. Op den trek strijken zij bij iedere groote kudde vee neder en blijven hier dikwijls gedurende den geheelen dag. Hunne broedplaatsen zijn, behalve in de toendra, waar men deze vrienden van het moeras bij honderdduizenden aantreft, gelegen in vochtige streken of in vlakke landen, die tijdelijk overstroomd worden, bij ons op lage veenachtige gronden, in weiden en moerassen. “Daar, waar de Gele Kwikstaarten broeden,” zegt Naumann, “vindt men des zomers geen koolzaad- of raapzaadveld, geen erwten-, boomen- of wikkenakker van eenige beteekenis, geen klaverveld, geen vrij gelegen vette weide en geen boomlooze, grasrijke moerasstreek, waar niet minstens eenige van deze Vogels huizen. In ongeloofelijk grooten getale bewonen zij enkele broeklanden. In de “marschlanden” of lage, vochtige kuststreken, waar zij behalve welige graanvelden en akkers met vette veldvruchten, water, moerassen, riet en weiden, bijeenvinden, waar behalve landbouw ook veeteelt voorkomt, hebben zij al wat zij wenschen kunnen; hier zijn zij derhalve zeer overvloedig.

Door hunne bewegingen gelijken zij meer op den Witten dan op den Grooten Gelen Kwikstaart. Zij zijn behendig in ’t loopen, bijzonder vaardig echter in ’t vliegen. Als zij over een kleine ruimte heenvliegen willen, geschiedt dit eenigszins bij rukken; op den trek vliegen zij echter buitengewoon snel. Niet zelden blijven zij fladderend of schommelend gedurende geruimen tijd in de lucht zweven boven een en dezelfde plaats; dikwijls schieten zij van aanzienlijke hoogten met toegevouwen vleugels bijna loodrecht naar beneden tot op den grond. Hun lokstem is een fluitend geluid, dat als “bsiuub” of “bielieb”, maar ook een zachte toon, die als “sieb sieb” klinkt; het waarschuwingssein is een scherp uitgestooten “srie”, het paringsgeluid een gerekt “tsierr”. Hun gezang gelijkt op dat van den Witten Kwikstaart.

Het nest rust op den bodem tusschen gras, graan of moerasplanten, meestal in een kleine holte, soms ook onder boomwortels. Fijne wortelvezels, halmen, bladen, hooi en groen mos van den grond zijn de materialen, die, losjes saamgeweven, het kunstelooze nest vormen, dat van binnen met halmpjes, vruchtpluis van distels, wol, eenige paardeharen en veeren bekleed is. De 4 à 6 dunschalige eieren, die het bevat, zijn op vuilwitten of roodachtigen grond met geelachtige of bruingrijze, ook wel met violette stippels en wolkachtige vlekken geteekend. Ieder paartje nestelt slechts éénmaal in ’t jaar en wel in het einde van Mei of het begin van Juni. Het wijfje broedt alleen; de jongen komen na 13 dagen uit den dop. De beide ouders zijn zoo bezorgd voor hun gebroed, dat zij door angstgeschreeuw de plaats van het nest aan den vogelkenner verraden. De jongen verbergen zich aanvankelijk behendig in ’t gras, maar maken weldra een even doelmatig gebruik van hunne vleugels als de ouden. Van nu tot hun afreis naar ’t zuiden, vliegen zij gemeenschappelijk rond; eindelijk vangt op een fraaien herfstdag de trek aan. In dezen tijd ziet en hoort men de Gele Kwikstaarten overal, zelfs in ’t gebergte op plaatsen waar vee graast. Naar het schijnt, wordt de reis vlug afgelegd. Vele overwinteren reeds in Egypte. De groote meerderheid echter vliegt tot in het binnenland van Afrika. Hier ziet men gedurende de wintermaanden iedere kudde Runderen, Schapen of Geiten, ja zelfs iederen Kameel of Ezel, ieder Paard of Muildier door deze aardige Vogels omgeven; op de weideplaatsen wemelt het soms van hen. Zij begeven zich met de grazende Runderen naar de steppen en naar de drinkplaatsen terug.

Van uit het noordoosten van Europa is een der fraaiste van alle Kwikstaarten, de Sporenkwikstaart, zooals wij hem zullen noemen (Budytes citreolus), herhaaldelijk naar West-Europa en ook naar Duitschland afgedwaald. Hij is grooter dan de vorige soort, 18 cM. lang met den 8 cM. langen staart; de kop en de geheele onderzijde, behalve de witte onderdekveeren van den staart zijn levendig citroengeel, de nek en het voorste deel van den rug zwart, welke kleur ongevoelig in het leigrauw van de meer achterwaarts gelegen bovendeelen overgaat; de bovendekveeren van den staart zijn bruinzwart.

*

Groote, Zuid-Aziatische leden van de groep der Kwikstaarten zijn de Vorkstaarten (Enicurus), welker kenteekenen te vinden zijn in den betrekkelijk langen, rechten snavel, de krachtige pooten met langen loop, de korte vleugels en den langen, zeer diep gaffelvormigen staart.

Een der eigenaardigste soorten van dit geslacht is de Vorkstaart, de Meninting der Maleiërs (Enicurus Leschenaultii). Bij dezen 26 à 28 cM. langen Vogel zijn de bovenzijde en de vleugels, de voorhals en de borst donker fluweelachtig zwart, de kuifvormig verlangde veeren van den kop bruin, de wortelgedeelten van de armpennen en hunne dekveeren, die, als een geheel beschouwd, een breeden, halvemaanvormigen dwarsband over den rug vormen, de onderrug en het onderlijf zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig; de staartveeren, met uitzondering van de beide buitenste, zuiver witte, zijn zwart met witten top. De snavel is zwart, de voet geel.

“Deze Vogel,” zegt Bernstein, “behoort uitsluitend thuis in de aan bronnen en beken zoo rijke gebergte van Java en is in de voorbergen nergens zeldzaam; zijn eigenlijk gebied is de gordel van 500 à 1200 M. hoogte. Hier zal men hem bijna aan iedere beek aantreffen. Nooit verwijdert hij zich ver van het water; niet zelden echter verdwaalt hij bij ’t volgen van den loop der beken stroomopwaarts tot diep in de oerwouden, zoodat hij soms tot ieders verwondering voorkomt op plaatsen, waar men hem niet verwacht zou hebben.

“Door zijn voorliefde voor het water gelijkt deze Vogel op den Grooten Gelen Kwikstaart, hoewel de kleur van het vederenkleed den Europeaan op Java aan den Witten Kwikstaart herinnert.”

*

De Piepers (Anthus) moeten misschien beschouwd worden als overgangsvormen van de Zangers tot de Leeuweriken. Hunne kenmerken zijn: een slank lichaam, een dunne, rechte, aan den wortel smalle, priemvormige snavel met ingetrokken rand en een ondiepe inkerving vóór de zeer weinig benedenwaarts gebogen spits van den bovensnavel, voeten met slanken loop en zwakke teenen, maar groote nagels, waarvan één, de achterste, evenals bij de Leeuweriken, bij wijze van een spoor verlengd is, middelmatig lange vleugels, een middelmatig lange staart, een glad aanliggend, grond- of graskleurig vederenkleed.

Dit geslacht, dat omstreeks 50 soorten bevat, is over de geheele aarde verbreid. Alle Piepers brengen het grootste deel van hun leven op den bodem door en strijken slechts nu en dan op de boomen neer. Zij zijn beweeglijk, opgewekt, haastig van aard; zij loopen stappend en schielijk, terwijl zij intusschen zachtjes den staart op en neer wippen; wanneer zij een grooten afstand moeten afleggen, vliegen zij goed, snel, zonder inspanning en volgens boogvormige lijnen. Wanneer het verlangen om te zingen hen naar boven drijft, vliegen zij fladderend en zwevend; zij laten een piependen loktoon hooren en hebben een eenvoudig, maar aangenaam gezang. Hun voedsel bestaat uit Insecten, vooral Kevers, Motten, Vliegen, Haften, Muggen en Bladluizen; ook eten zij Spinnen, Wormen en kleine waterdieren, zelfs fijne zaden; steeds zoeken zij hun voedsel op den grond en jagen slechts bij uitzondering een voorbijschietenden buit vliegend na. Zij bouwen hun nest op den grond; de wand van het nest, hoofdzakelijk bestaande uit droge halmen en wortels van grassen, die met andere plantaardige stoffen los aaneenverbonden zijn, wordt met wol en haren gevoerd. De eieren vertoonen op somber gekleurden grond een zachte, uitvloeiende teekening, die uit stippels, vlekken en streepjes samengesteld is. Naar het schijnt is alleen het wijfje met het broeden belast; beide ouders houden echter veel van hun kroost. De meeste soorten broeden meer dan eens per jaar.

De meest bekende soort van dit geslacht is wel de Graspieper, die gewoonlijk Tiet-, Veld- of Piepleeuwerik wordt genoemd en in Friesland Pieper, op Ameland Rietvinkje heet (Anthus pratensis). De veeren van de bovenzijde zijn olijfbruin, met een zwak olijfgroen waas aan de oppervlakte, met donkerbruine, uitvloeiende schaftstrepen geteekend; de staartwortel is levendiger en meer effen van kleur; de onderdeelen, de wangen en een streep boven de oogen zijn fijn roestgeelachtig, een streep onder het oog en een tot aan de zijden van den hals reikende baardstreep zijn zwart, de slagpennen en staartveeren donker olijfbruin; de uiteinden van de armdekveeren en van de grootste vleugeldekveeren hebben een lichteren rand, waardoor op den vleugel twee onduidelijke dwarsbanden ontstaan; de buitenste staartveeren zijn aan de buitenzijde wit met dofgekleurde spits. De iris is donkerbruin, de bovensnavel dofbruin, de ondersnavel lichtbruin, de voet bruinachtig. De lengte van het geheele dier bedraagt 15, die van den staart 6 cM.