V.

De Zwarte Kreek.

Den volgenden morgen, bij het eerste krieken van den dageraad, wandelde een man op den oever van een der kleine eilandjes, welke als verloren te midden van die lagune der Zwarte Kreek bestaan.

Dat was Texar.

Niet ver van hem, slechts op weinige passen van hem verwijderd, was een Indiaan in de squif gezeten, die den vorigen dag bij het stoomschip Shannon aangelegd had. Het vaartuigje scheen pas aangekomen, maar ook weer gereed te zijn de lagune in of de rivier op te stevenen.

Die Indiaan—zal het nog wel noodig zijn hem te noemen?—was Squambô.

Na eenige malen heen en weer gedrenteld te hebben, bleef Texar voor een magnolia-boom stilstaan, greep een der benedentakken, boog dien tot zich en plukte een blad met stengel af. Daarna haalde hij een klein briefje uit zijn notitieboekje, dat slechts drie of vier woorden, met inkt geschreven, bevatte. Hij rolde dat briefje tot den kleinst mogelijken vorm op en verborg het toen tusschen de onderhuid van het magnolia-blad. Dat werd zeer behendig verricht, en wel zoodanig, dat aan het uiterlijke van dat blad niet te bespeuren was, dat daarin iets verborgen was.

»Squambô!” riep Texar toen.

»Meester?” vroeg de Indiaan.

»Ga, gij weet wel waarheen.”

Bij die woorden reikte Texar hem het magnolia-blad aan.

Squambô nam het aan en legde het in het voorste gedeelte van de squif neder. Daarop nam hij plaats bij den achtersteven, greep zijn pagaai, sloeg dien te water, rondde met zijn vaartuigje weldra de eindpunt van het eilandje en verdween eindelijk in een bochtig vaarwater, te midden van het dichte gewelf, hetwelk de loofkruinen der boomen over de lagune vormden.

Die lagune vormde een labyrinth, een waar doolhof van kanalen, die met een uitgestrekt netwerk te vergelijken was. Zij was gevuld met een zwart gekleurd water, niet ongelijk aan dat van de uitgeveende turfgronden in Drenthe.

Niemand zou in dit doolhof den weg hebben kunnen vinden, tenzij hij door langdurige ervaring eene grondige kennis opgedaan zoude hebben van de vaarwaters en doorgangen van dat diepe uitwateringsbekken, waarin de neventakken van de Sint John zich uitstorten.

Maar Squambô aarzelde geen oogenblik.

Hij stuurde stoutmoedig zijne squif naar plekken, waar het oog geen doorvaart kon ontwaren. De lage takken, die hij ophief, om den doortocht te erlangen, hernamen achter hem hun vorigen stand, en niemand zou hebben kunnen vermoeden, dat een vaartuig daar ter plaatse voorbij gestevend was.

Zoo vervolgde de Indiaan zijn weg en stevende door die lange bochtige kanalen, die soms niet eens zoo breed waren als die voren in de polders gegraven, om het naburige land droog te leggen. Eene groote menigte van watervogels vloog bij zijne nadering op. Glibberige alen, met verdachte koppen, die aan slangen deden denken, schoten onder de struikwortels, die boven water uitstaken.

Squambô, als echte Indiaan, vreesde dat schuifelend gedierte niet, evenmin de krokodillen, die in de modder lagen te slapen en die hij wekken kon, door ze met zijn pagaai of met de kiel van zijn vaartuig aan te raken. Hij stevende steeds vooruit en wanneer hem de ruimte ontbrak om te kunnen pagaaiën, dan greep hij een staak, waarmede hij zijn vaartuigje dan voortboomde.

In weerwil dat het reeds volle dag was, in weerwil dat het nachtelijk duister bij het schitteren der eerste stralen van de opkomende zon verdwenen was, zoo was het toch onmogelijk de dagvorstin onder dat ondoordringbaar dak van loof te ontwaren. Zelfs bij den meest schellen zonneschijn, zelfs wanneer dat hemellichaam in het zenith stond, was het onmogelijk dat een enkele lichtstraal tot op de oppervlakte van het zwarte water doordrong.

Het was alsof die moerassige streek slechts een halfduister noodig had, zoowel voor het kruipend gedierte, hetwelk in dat smerige water rondwriemelde, als voor de waterplanten, die op hare oppervlakte dreven.

Zoo stevende Squambô gedurende ruim een half uur van het eene eilandje naar het andere. Toen hij stil hield, was zijn vaartuigje bij een der meest verwijderde hoeken der kreek aangekomen.

Bij die plek, waar het moerassige gedeelte der lagune eindigde, stonden de boomstammen minder dicht bij elkander en waren de boomkruinen minder ondoordringbaar. Hier en daar waren dan ook enkele lichtstralen te ontwaren.

Iets verder strekte zich een uitgestrekt weiland uit, hetwelk met wouden omzoomd was. Het waterpas van den bodem van dat weiland was weinig boven de oppervlakte van de Sint John verheven. Ternauwernood groeiden vijf of zes alleenstaande boomen er op. Wanneer de voet zich op dien moddergrond neerzette, ondervond hij een gevoel, alsof hij op eene veerkrachtige matras trad. Eenige sassafras-struiken, met hun mager loof en hunne kleine violetkleurige bessen, teekenden grillige arabesken op het groene grastapijt.

Na zijn squif aan een stronk op den oever vastgemeerd te hebben, sprong Squambô aan wal. De nachtelijke nevelen begonnen op te trekken. Het weiland, dat geheel verlaten was, begon langzamerhand uit den mist te voorschijn te treden. Te midden der vijf of zes boomen, welker omtrekken in slechts onzekere beelden te bespeuren waren, stond een magnoliaboom van middelmatige ontwikkeling.

De Indiaan trad op dien boom toe en bereikte hem binnen weinige minuten. Bij hem gekomen, deed hij, wat hij Texar had zien doen; hij greep een der benedentakken en boog dien naar zich toe. Maar in stede van er een blad van te plukken, bevestigde hij het blad, hetwelk hij van zijn meester ontvangen had, er aan vast. Toen hij daarmede klaar was, liet hij den tak weer los, die zijn vorigen stand hernam en dat blad te midden der duizenden anderen van den boom als verloren voerde.

Squambô keerde toen naar zijn vaartuigje weder en stevende naar het eilandje terug, waar Texar hem wachtte.

Die Zwarte Kreek, naar hare donkerkleurige wateren aldus genoemd, besloeg een uitgestrektheid van ongeveer vijf- of zeshonderd bunders. Zij werd door de Sint John gevoed en vormde eene soort van archipel, die volkomen ondoordringbaar was voor hem, die er de doolwegen en de kronkelende vaarwaters niet van kende. Het getal eilandjes, hetwelk op hare oppervlakte werd aangetroffen, bedroeg zeker een honderdtal. Om de gemeenschap daartusschen daar te stellen, bestonden geene bruggen of veren. Neen, slechts enkele lange dooreengevlochten lianen, eene soort van slingerplanten, overspanden het vaarwater, slechts enkele hooge takken kruisten zich boven de ontelbare waterspruiten, welke die eilandjes van elkander scheidden. Dat was alles. Niets meer. En, het moet erkend worden, dat deze verbindingsmiddelen niet zeer geschikt waren, om de gemeenschap druk te doen zijn.

Een dezer eilandjes, nagenoeg in het midden van het stelsel gelegen, was door zijne uitgestrektheid van een twintigtal bunders en door zijne verhevenheid van vijf of zes voeten boven den gemiddelden waterstand zoowel van de Sint-John als van den Atlantischen Oceaan, als het voornaamste aan te merken.

In een lang vervlogen tijdvak, had dit eilandje tot emplacement gediend van een klein fort, een soort blokhuis, dat thans uit een militair oogpunt verlaten was en welks slooping aan den tand des tijds overgelaten was, zooals de officiëele uitdrukking luidt. Zijne palissadeering, die reeds half verrot was, stond nog onder de hooge boomen, onder de magnolia’s, de cypressen, de steeds groenende eiken, de zwarte noteboomen, de zuidelijke pijnboomen, die met hunne lange festoenen van cobea’s en andere eindelooze slingerplanten doorvlochten en getooid waren.

Binnen de omwalling ontwaarde het oog eindelijk onder de dichte loofkruinen van dat geboomte de geometrische lijnen van dat kleine fort of beter gezegd: van dien observatiepost, die nimmer voor meer geschikt geweest was, dan tot opneming van een detachement van een twintigtal manschappen. Smalle schietgaten waren in die houten muren der palissadeering ingesneden. De graszoden daken dekten de gebouwen met een dikke laag aarde, die bestemd was om de kogels der aanvallers op te vangen.

In het innerlijke bevonden zich eenige kamers, welke het centrale reduit uitmaakten en aan een magazijn grensden, waarin vroeger de levensmiddelen en de munitiën, voor de bezetting benoodigd, opgeborgen waren.

Om binnen dat reduit van het fortje te geraken, moest men eerst langs eene smalle poterne door de walgang dringen, daarna de esplanade of binnenplaats overschrijden, die met eenige boomen beplant was, en eindelijk een tiental treden opstappen, die in den grond uitgestoken waren en door balken gesteund werden. Dan vond men de eenige deur, die tot het innerlijke van het reduit toegang verleende, en die was nog, om de geheele waarheid te zeggen, slechts eene oude embrasure of kanonschietgat, hetwelk tot dat doeleinde gewijzigd was.

Dat was het gewone verblijf, of beter de gewone schuilplaats van Texar, die niemand kende.

Daar leefde hij, verscholen voor iedereen, met dien Squambô, die aan den persoon van zijn meester zeer verknocht was. Deze en vijf of zes slaven, die daar ook verblijf hielden, waren niet veel beter dan Texar.

Zoo als men ziet, lag dat eilandje van de Zwarte Kreek nog al verwijderd van de rijke ondernemingen, die op de beide oevers der Sint John aangetroffen werden. Onmogelijk zouden Texar en zijne makkers, hoe weinig eischend zij ook waren, daar hebben kunnen bestaan. Zij bezaten slechts eenige huisdieren en verder eenige roeden bouwgrond, waarop zij pataten, maniokwortels, komkommers teelden, en waarop zich eenige vruchtboomen, die evenwel schier verwilderd waren, verhieven. Dat was alles. Het is waar, zij konden in de nabijgelegen wouden jagen en in de kanalen en bochten der lagune visschen, hetgeen in ieder seizoen kon geschieden; maar dat alles was onvoldoende, om hun bestaan te rekken, en dus moesten daartoe andere middelen te baat genomen worden, middelen, waarvan Texar en Squambô alleen het geheim bezaten.

Wat de veiligheid van het blokhuis betrof, die was door zijne ligging te midden van die onbereikbare schuilplaats verzekerd. Daarenboven, wie zou getracht hebben dat nest aan te vallen, en waarom zou zoo iets geschieden? In ieder geval zou iedere verdachte nadering dadelijk verraden worden door het geblaf der honden, op het eilandje aanwezig. Dat waren woeste speurhonden, vroeger door de Caraïben ingevoerd, die weleer gebruikt waren geworden door de Spanjaarden, om de gevluchte slavennegers op te sporen.

Ziedaar eene beschrijving van het verblijf van Texar, dat hem ten volle waardig was.

Texar was iemand van omstreeks dertig jaren. Hij was van middelmatige gestalte, maar van een stevig gestel, een gestel, dat gehard was geworden door dat leven in de open lucht, door dat leven vol avonturen, hetwelk hij sedert zijne kindsheid geleid had. Hij was van Spaansche afkomst, en die afkomst was in allen deele in hem herkenbaar. Hij had zwart en ruw hoofdhaar, dikke wenkbrauwen, zwartgroene oogen, een breeden mond met dunne naar binnen gekeerde lippen, alsof zij met een sabelhouw gespleten waren, een korten dikken neus met neusgaten als die van een wild dier. Zijn geheel uiterlijk duidde op een heftig, maar tevens listig karakter.

Vroeger droeg hij een vollen baard, maar nadat deze door een geweerschot bij het een of andere gevecht tot in de huid geschroeid was, schoor hij zich, hetgeen de scherpheid en hoekigheid zijner gelaatstrekken nog meer deed uitkomen.

Die gelukzoeker had zich een twaalftal jaren geleden hier in Florida komen vestigen en zijn intrek genomen in dat verlaten fortje, dat niemand ter wereld hem betwistte.

Vanwaar kwam hij? Dat wist niemand en daaromtrent vertelde hij nooit iets.

Wat was nopens zijne vroegere levenswijze bekend? Ook hoegenaamd niets.

Er waren er, die beweerden,—en die hadden het bij het rechte eind,—dat hij slavenhaler geweest was en dat hij geheele scheepsladingen van negers in de havenplaatsen van Georgië, Florida en van Noord- en Zuid Carolina had aan den wal gebracht. Had hij bij dien afschuwelijken menschenhandel eenig vermogen vergaard? Dat bleek niet. Zooveel is zeker, dat hij niet de minste achting genoot, zelfs niet in dat land, waar toch menschen van zijn allooi bij de vleet voorkwamen.

Intusschen, al moest het erkend worden, dat Texar volstrekt niet in een reuk van heiligheid in de streken stond, zoo belette zulks niet, dat hij toch veel invloed in het geheele graafschap, maar voornamelijk te Jacksonville uitoefende. Het is waar, dat dit op het minst aanbevelingswaardige gedeelte der bevolking van die hoofdplaats geschiedde, maar die invloed was onmiskenbaar en daarom juist des te gevaarlijker.

Hij begaf zich zeer dikwijls naar die hoofdplaats voor zaken, waarover hij met niemand sprak. Hij had daar vele vrienden onder de half blanken en onder de meest verfoeielijke wezens der stad. Men heeft dit reeds kunnen ontwaren, toen hij in gezelschap van een half dozijn kerels van zeer verdacht allooi van Sint Augustijn aan boord van de stoomboot Shannon wederkeerde.

Zijn invloed strekte zich over eenige kolonisten in de streken van het Sint John-gebied uit. Hij bezocht dezen meermalen, en wanneer men hem geen bezoek terugbracht, dan was dat, omdat niemand zijne schuilplaats in de Zwarte Kreek kende. Maar dat belette niet, dat hij tot verscheidene ondernemingen op de beide oevers der rivier toegang had.

De jacht was natuurlijk een voorwendsel van die bijeenkomsten en die betrekkingen, die zoo spoedig aangegaan worden tusschen lieden van dezelfde zeden, van dezelfde gebruiken en van denzelfden smaak.

Die invloed had van een anderen kant in de laatste jaren zeer gewonnen, ten gevolge der heerschende meeningen, tot welker vurigste voorvechter Texar zich opgeworpen had.

Nauwelijks had de slaven-quaestie eene scheuring tusschen de beide helften van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika teweeggebracht, of de Spanjaard had zich als de hardnekkigste, als de meest vastbeslotene der voorstanders van de slavernij opgeworpen. Zooals hij dat luide uitbazuinde, kwam daarbij bij hem geen eigenbelang in het spel, daar hij slechts een half dozijn negers in eigendom bezat. Maar hij verklaarde het grondbeginsel van eigendom te willen verdedigen. Met welke middelen evenwel? Ja, het moet gezegd worden, door beroep te doen op de meest verfoeielijke van alle hartstochten, door de hebzucht van de lage volksklasse op te zweepen, door haar tot plundering, tot brandstichting, zelfs tot moord aan te zetten jegens de bewoners of kolonisten, die de meer edelaardige denkbeelden der Noordelijken deelden.

Begaf zich naar het fortje, stapte de poterne door en de trap van het blokhuis op. (Bladz. 70).

Begaf zich naar het fortje, stapte de poterne door en de trap van het blokhuis op. (Bladz. 70).

En thans strekten de plannen van dien gevaarlijken gelukzoeker tot niets minder dan tot omverwerping van het gezag der bestaande civiele autoriteiten te Jacksonville, ten einde de vertegenwoordigers van dat gezag, die hem te gematigd in hunne staatkundige denkbeelden waren, te vervangen door de meest geestdriftvolle aanhangers der zijne. Wanneer hij zoodoende door oproer en muiterij meester van het graafschap zou zijn geworden, zou hij den tijd gekomen achten, om aan zijne personeele wraaknemingen den vrijen teugel te vieren.

Uit het vorenstaande zal de lezer gemakkelijk begrepen hebben, welke belangen James Burbank en eenige andere eigenaren van ondernemingen bij de bestaande omstandigheden hadden, om de handelingen van zoo’n kerel, die reeds in gewone tijden door zijne slechte geaardheid te duchten was, van zeer nabij gade te slaan. Uit dien toestand waren aan den eenen kant een ingekankerde haat, en aan den anderen kant een diep ingeworteld wantrouwen ontstaan, die door de aanstaande gebeurtenissen nog zouden toenemen.

Er kwam nog iets bij, namelijk dat, onder hetgeen men omtrent het verleden van Texar, sedert hij het baantje van slavenhandelaar had laten varen, meende te weten, zeer verdachte daadzaken voorkwamen. Alles scheen er toch op te wijzen dat hij, bij den laatsten inval van de Seminool-Indianen, in geheime betrekking tot hen gestaan had. Had hij hun de aanslagen aangeduid, die zij moesten uitvoeren? Of had hij hen de plantages aangewezen, die aangevallen moesten worden?

Had hij hen hulp verstrekt bij het leggen van hinderlagen of bij het doen van aanvallen?

Vele omstandigheden droegen er toe bij, om iedere twijfel dienaangaande te doen verdwijnen, en zelfs ten gevolge van een der laatste aanslagen van die Indianen, zagen de magistraten zich genoodzaakt den Spanjaard gerechtelijk te vervolgen, hem gevangen te nemen en voor de rechtbank te brengen. Maar Texar beriep zich op een alibi—een reddings-systeem, dat hem later ook dienen zou,—en hij leverde het bewijs, dat hij onmogelijk had kunnen deelnemen aan den aanval op eene pachthoeve in het graafschap Duval, omdat hij zich in datzelfde oogenblik te Savannah in den Staat Georgië bevonden had, op ruim veertig mijlen ten noorden en buiten de grenspalen van Florida gelegen.

Gedurende de daaropvolgende jaren werden verscheidene zeer belangrijke diefstallen gepleegd, hetzij op nabijgelegen ondernemingen, hetzij op reizigers, die op den openbaren weg in Florida aangevallen waren. Was Texar medeplichtig aan of bewerker van die misdaden? Hoe het ook zij, men verdacht hem zeer; maar alweer door gebrek aan bewijzen, moest men er van afzien het schuldig uit te spreken.

Eindelijk deed zich eene gelegenheid voor, waarbij men dacht den misdadiger, die tot heden onaantastbaar geweest was, op heeter daad betrapt te hebben. Het was juist voor die zaak, dat hij daags te voren voor den rechter van instructie te Sint-Augustijn opgeroepen was.

Die zaak was namelijk deze: Toen James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard op een avond zoo omstreeks tegen zeven uren, nu ongeveer acht dagen geleden, van een bezoek op eene naburige onderneming naar Camdless-Bay terugkeerden, vernamen zij angstgegil, hetwelk tot hen doordrong. Zij haastten zich naar de plek te ijlen, vanwaar die kreten kwamen, en bereikten zoo de gebouwen van eene alleenstaande pachthoeve.

Die gebouwen stonden in brand. De pachthoeve was vooraf door een bende boosdoeners, die zich verstrooid hadden, geplunderd geworden. De misdadigers konden niet verre zijn; men kon nog twee van die schurken ontwaren, die trachtten door het woud te ontvluchten.

James Burbank en zijne vrienden zetten die kerels, welke juist in de richting van Camdless Bay vluchtten, onmiddellijk en zonder aarzeling na. Die poging was evenwel tevergeefs. De brandstichters, door de terreinhindernissen te midden van dat woeste bosch begunstigd, slaagden er in te ontkomen.

Intusschen hadden de heeren Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard een hunner zeer goed kunnen herkennen en die eene was de Spanjaard.

Bovendien, eene andere bewijsvoerende omstandigheid sloot zich daarbij aan, namelijk toen die kerel bij een der krommingen van de woudgrens bij Camdless-Bay verdween, liep hij Zermah, die daar voorbijkwam, bijna tegen het lijf aan. De mestiesche vrouw schrikte hevig, maar zij herkende hem. Volgens haar was het wel degelijk Texar, die daar in alle haast vluchtte.

Zooals men wel begrepen zal hebben, baarde die zaak groot opzien in het graafschap.

Een diefstal gevolgd door brandstichting, is wel de misdaad, welke de kolonisten, die over eene groote uitgestrektheid van het grondgebied meestal eenzaam wonen, het meest duchten. Master James Burbank aarzelde dan ook geen oogenblik, om met eene formeele aanklacht op te treden.

Ten gevolge van zijne pertinente aanwijzingen, konden de autoriteiten niet anders doen, dan rechtsingang tegen Texar verleenen.

De Spanjaard werd te Sint-Augustijn voor den recorder gedaagd, om tegenover de getuigen gehoord en bij ontkentenis met hen geconfronteerd te worden.

James Burbank, Walter Stannard, Edward Carrol en Zermah verklaarden eenparig, dat zij Texar herkend hadden in den kerel, die de in brand staande pachthoeve ontvluchtte. Volgens hen was hier geene vergissing mogelijk. Texar was een der euveldaders bij die misdaad.

Maar van zijn kant had de Spanjaard een zeker aantal tegengetuigen naar Sint-Augustijn doen oproepen. Dezen nu verklaarden formeel, dat zij zich dienzelfden avond, toen de misdaad bedreven werd, in gezelschap van Texar in de »tienda” de Torillo te Jacksonville bevonden hadden. Die tienda was eene slecht befaamde kroeg, die als zoodanig bij iedereen bekend was. Texar zou dat krot gedurende den geheelen avond niet verlaten hebben.

Eene nog meer bevestigende bijzonderheid werd er bij gevoegd, namelijk dat Texar, juist op het oogenblik dat de misdaad gepleegd werd, een twist had met een der gasten van die kroeg van Torillo, welke twist door bedreigingen gevolgd en met slagen geëindigd was, waarvoor ongetwijfeld klachten tegen hem zouden ingebracht worden.

Tegenover deze getuigenissen, die men niet wantrouwen kon, omdat zij door personen afgelegd werden, die den Spanjaard geheel vreemd waren, zag de magistraat van Sint-Augustijn zich verplicht de rechtsvervolging te staken en den beschuldigde vrij en frank te laten gaan.

De alibi was dan ook ditmaal ten voordeele van dezen vreemdsoortigen kerel ten volle bewezen geworden.

Het was na die rechtszaak, dat Texar in gezelschap van zijne getuigen van Sint-Augustijn, den zetel der arrondissements-rechtbank, in den avond van den 7den Februari terugkeerde. Men weet, welke houding hij aan boord van de Shannon, terwijl die boot den stroom afstoomde, aangenomen had.

Toen later de squif, door Squambô gevoerd, hem opgenomen had, was hij naar het verlaten fortje teruggekeerd, alwaar hij, zooals wij weten, moeielijk te volgen ware geweest.

Wat dien Squambô betreft,—waarover wij toch ook een enkel woord dienen te zeggen,—dat was een schrandere en listige Seminool-Indiaan, die de vertrouweling van Texar geworden was. Deze had hem, juist bij het einde dier laatste expeditie van die inboorlingen binnen het grondgebied van Florida, waarbij zijn naam zoo ten rechte gecompromitteerd was geworden, in dienst genomen.

De Spanjaard kon natuurlijk in den geestestoestand, waarin hij zich tegenover James Burbank bevond, aan niets anders denken, dan zich door alle mogelijke middelen te wreken. En nu, door de gebeurlijkheden, die door den oorlog dagelijks konden in het leven geroepen worden, zou Texar, wanneer hij er in slaagde, het bestaande bestuur te Jacksonville omver te werpen, voor Camdless-Bay zeer gevaarlijk worden en derhalve zeer te duchten zijn.

Het is waar, dat de geaardheid van master James Burbank hem niet gedoogde voor iemand van zulk gehalte te beven; maar dat nam niet weg, dat mevrouw Burbank redenen te over meende te hebben, om voor haren echtgenoot en voor allen, die haar lief waren, te vreezen.

En wanneer die eerlijke familie nu nog had geweten, dat Texar vermoedde, dat Gilbert Burbank dienst had genomen in de gelederen van de strijdmacht der Noordelijken, dan zou zij voorzeker in onophoudelijke angsten geleefd hebben.

Hoe had die kerel die bijzonderheid toch vernomen? Gilbert was toch in stilte heengegaan en zijn vertrek was voor een ieder geheim gehouden. Daarop is geen antwoord te geven. Voorzeker had hij hen, die hij haatte, laten bespieden, en hij was gewoon, zooals wij wel later zullen zien, zich van spionnen te bedienen.

En inderdaad, zou men niet moeten duchten, nu Texar vermeende dat de zoon van master James Burbank in de gelederen der federalisten, onder de bevelen van den Commodore Dupont diende, dat hij zou pogen den jeugdigen officier een strik te spannen? Ja, dat zeker. Ook dat, wanneer hij er in slagen mocht, hem op het Floridasche grondgebied te lokken, hij zoude trachten zich van zijn persoon meester te maken, om hem aan de Zuidelijke autoriteiten over te leveren. Men begrijpt welk lot Gilbert zoude wachten, wanneer hij zich in handen zoude bevinden van die slavenhouders, die door den voorspoed der Noordelijken ten zeerste verbitterd waren.

Zoo stond de staat van zaken op het oogenblik, dat dit verhaal begint.

Zoo was de toestand der federalisten, die tot dicht bij de zeegrenzen van Florida genaderd waren.

Zoo was de toestand van master James Burbank te midden van het graafschap Duval.

Zoo was de positie van Texar niet alleen te Jacksonville, maar in de geheele uitgestrektheid van het slavenhoudende grondgebied van Florida.

Wanneer de Spanjaard er in slaagde, de bestaande regeering omver te werpen of hare macht te verlammen, dan zou het voor hem eene zeer gemakkelijke taak zijn, om de dweepzieke bevolking, die tot de grootst mogelijke woede ten opzichte van de tegenstanders van de slavernij opgezweept zoude zijn, aan te zetten zich op Camdless-Bay te werpen.

Beiden waren gezeten in een der pleizier-vaartuigen van Camdless-Bay. (Bladz. 72).

Beiden waren gezeten in een der pleizier-vaartuigen van Camdless-Bay. (Bladz. 72).

Een uur ongeveer nadat hij Texar verlaten had, was Squambô weer op het centraal-eilandje terug. Hij trok zijne squif op de oeverhelling, begaf zich naar het fortje, stapte de poterne door en de trap van het blokhuis op.

»Hebt gij gedaan, wat ik u bevolen had?” vroeg Texar hem.

»Ja, meester.”

»En.... niets?”

»Neen, niets.”

VI.

Jacksonville.

»Ja, Zermah, ja, je bent geschapen en ter wereld gebracht, om slavin te zijn!” herhaalde de administrateur Perry, wie weet voor de hoeveelste maal. »Ja, om slavin te zijn en volstrekt geen vrij schepsel!”

Als die man zijn stokpaardje bereed, was hij er onmogelijk af te brengen.

»Ik deel uwe meening niet,” sprak Zermah kalm en zonder van eenige aandoening te laten blijken.

Het goedige schepsel was gewoon geraakt aan het geleuter van den administrateur van Camdless-Bay.

»Zoo, deel je mijne meening niet?”

»Neen, master Perry!”

»Nu, om het even, Zermah! Mij kan het niet schelen, wat uwe meening ook zijn moge; maar gij zult toch eindigen moeten met de meening te deelen, dat er redelijkerwijze geene gelijkheid kan bestaan of in het leven geroepen worden tusschen blanken en zwarten.”

»Och, die gelijkheid is reeds in het leven geroepen, mijnheer Perry, en zij is dat door de natuur zelve.”

»Gij vergist u, Zermah.”

»Vergis ik mij, master Perry?”

»Ja, Zermah, en het bewijs daarvan is, dat het aantal blanken over de oppervlakte der aarde verspreid, tienmalen, twintigmalen...; maar wat raaskal ik?... honderdmalen dat der zwarten overtreft!”

»En daarom hebben zij hen tot slavernij gedoemd!” antwoordde Zermah.

»Juist.... Maar....”

»Omdat zij de macht hadden, hebben zij er misbruik van gemaakt!”

»Maar luister dan toch, Zermah!”

»Wanneer de zwarten evenwel de getalsterkte aan hunne zijde hadden gehad, dan zouden zij de blanken tot slaaf gemaakt hebben!... Maar neen! Driemaal neen! Zij zouden veel meer rechtvaardigheidszin en veel minder wreedheid hebben aan den dag hebben gelegd!”

»Dat zou nog te bezien staan,” pruttelde de oude administrateur, niet tevreden over den loop van het gesprek. »God weet, wat die zwarte schelmen zouden uitvoeren, als zij eens de baas waren!”

Men moet nu uit dit gesprek, dat zoo nu en dan maar eens gevoerd werd, niet afleiden, dat de administrateur Perry en de gewezen min Zermah vijandig tegenover elkander stonden. O, zeker niet! Het tegendeel was waar; maar zij hadden voor het oogenblik niets anders te doen dan te babbelen en te kibbelen.

Er zou kunnen aangenomen worden, dat het onderwerp van hun onderhoud eene meer nuttige strekking zou kunnen gehad hebben, en dat zou ook waarschijnlijk het geval zijn, zonder het zwak van den administrateur, die steeds over de slavernij-quaestie wilde twisten.

Beiden waren gezeten in eene der pleizier-vaartuigen van Camdless-Bay, dat door vier varensgezellen van de plantage geroeid werd. Zij staken de rivier in schuine richting over en begaven zich naar Jacksonville, waarbij zij door de ingetreden eb goed geholpen werden. De administrateur had eenige zaken voor rekening van James Burbank ter hoofdplaats te behandelen, en Zermah vergezelde hem, om eenige toiletartikelen voor de kleine Dy in te koopen.

Men telde toen den 10den Februari.

Master James Burbank was te Castle-House en Texar in de Zwarte Kreek sedert drie dagen na het proces, te Sint-Augustijn gevoerd, teruggekeerd.

Het spreekt vanzelf dat master Walter Stannard en zijne dochter den volgenden ochtend een briefje van Camdless-Bay ontvingen, waarin hun in korte trekken van den inhoud van Gilberts brief mededeeling gedaan werd. Waarlijk, die tijdingen kwamen niet te vroeg, om miss Alice, die hare dagen, sedert het uitbreken van dien onzaligen burgeroorlog tusschen het zuidelijk en noordelijk gedeelte van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, in voortdurende ongerustheid doorbracht, eenigermate tot bedaren te stemmen.

Het vaartuig, waarin Perry en Zermah gezeten waren, was getuigd met een soort barkzeil en stevende flink vooruit. Nog een klein kwartieruur, dan zou het de haven van Jacksonville bereikt hebben. Er bleef den administrateur dan nog maar zeer luttel tijd over, om zijne geliefkoosde denkbeelden grondig te ontwikkelen. Hij liet dan ook de gelegenheid niet ontsnappen.

Wachtten de aankomst der stoomboot af, welker rookpluim benedenstrooms ontwaard werd. (Bladz. 76).

Wachtten de aankomst der stoomboot af, welker rookpluim benedenstrooms ontwaard werd. (Bladz. 76).

»Neen, Zermah, neen, geloof mij,” hernam hij. »Al hadden de zwarten ook al de getal-meerderheid gehad, dan nog zou dat niets aan den staat van zaken veranderd hebben”....

»Hetgeen te bezien zou staan,” mompelde de mestiesche vrouw.

»En ik ga verder,” vervolgde Perry, »en beweer dat, welke ook de uitkomsten van den oorlog mogen zijn, men steeds tot de slavernij zal terugkeeren....”

»En dat waarom?” vroeg Zermah ietwat bits.

»Eenvoudig, omdat er slaven noodig zijn voor den dienst der plantages.”

»Zoo denkt master Burbank er toch niet over, zooals gij zeer goed weet!” antwoordde Zermah.

»Ja, dat weet ik, maar in weerwil van den eerbied, dien ik voor hem koester, durf ik beweren, dat master James Burbank zich vergist. Een zwarte behoort tot den inventaris eener onderneming, evengoed als de huis- en trekdieren, evengoed als de landbouwgereedschappen.”

»Het is wat moois!” bromde de mestiesche.

»Verbeeld je dat een paard kon weggaan, wanneer het wilde,” vervolgde de administrateur, »dat een ploeg het recht had uit eigen beweging in andere handen dan in die van zijn meester over te gaan, wanneer dat in zijn kraam te pas kwam, dan zou...”

»Maar dat is eenvoudig bespottelijk!” sprak Zermah heftig.

»Dan zou geene exploitatie meer mogelijk zijn,” ging Perry onverstoorbaar voort. »Juist Zermah, gij hebt het gezegd: dat zou eenvoudig bespottelijk zijn!”

»Maar, master Perry...”

»Laat master James Burbank zijne slaven in vrijheid stellen, dan zullen wij eens zien, wat er van Camdless-Bay terecht zal komen.”

»Hij zou dat reeds gedaan hebben, wanneer de omstandigheden zulks gedoogd hadden, dat weet gij ook wel, master Perry. En wilt gij weten, wat er gebeurd zoude zijn, wanneer de slaven in vrijheid gesteld waren?”

»Ja, dat wou ik wel eens weten, Zermah!”

»Welnu, dan zou geen enkele neger de plantage verlaten hebben.”

»Niet? Een mooie vrijheid dan.”

»Er zou niets veranderd zijn, dan het recht om hen als lastdieren te kunnen behandelen. En daar gij nimmer van dat recht gebruik gemaakt hebt, master Perry, zou Camdless-Bay, na de invrijheidstelling der slaven, gebleven zijn wat het tot dusver was.”

»Denkt gij mij bij geval tot uwe denkbeelden bekeerd te hebben, Zermah?” vroeg de administrateur.

»In geenen deele, master Perry. Daarenboven, dat zou geheel nutteloos wezen.”

»Nutteloos?”

»Ja, geheel en al nutteloos, en weet gij waarom?”

»Welnu?”

»Om eene zeer eenvoudige reden...”

»En welke?”

»Wel, omdat gij in het wezen der zaak over die quaestie denkt evenals master Burbank, als master Edward Carrol, als master Walter Stannard en evenals alle anderen, die een edelmoedig hart en een rechtvaardigen geest hebben.”

»Nooit, Zermah, nooit!”

»Gij hebt mooi praten.”

»Nooit, Zermah, nooit! En ik beweer zelfs, dat, wat ik aanvoer, geheel en al in het voordeel der zwarten is. Als men hen aan hun eigen wil overlaat, dan zullen zij van ellende omkomen en hun ras zal onvermijdelijk te niet gaan.”

»Dat geloof ik niet, master Perry, al verteldet gij dat honderd malen!”

»Gij zult het zien.”

»Neen, nooit! nooit!... En al ware dat zoo... welnu, dan zou het beter zijn, dat het ras te niet ging, dan dat het aan de eeuwigdurende vernederende slavernij zoude gewijd zijn!”

De administrateur, die, zooals men wel bevroeden zal, zijne bewijsgronden nog lang niet uitgeput had, zou wel hebben willen antwoorden, maar het zeil was reeds ingenomen en het vaartuig schoot het houten staketsel van de aanlegplaats op zijde. Daar moest het op den administrateur en Zermah blijven wachten. Beiden ontscheepten weldra en spoedden zich heen, om zich ieder van hunnen kant aan hunne zaken te wijden.

Jacksonville is op den linkeroever der Sint-John aan de grens van een vrij lage vlakte gelegen. Die vlakte is door prachtige bosschen omzoomd, die haar eene steeds groene omlijsting schenken. Uitgestrekte velden van maïs of Turksche tarwe en van suikerriet besloegen dat geheele terrein, terwijl in de nabijheid der rivier rijstvelden aangetroffen werden.

Jacksonville was, nog slechts een tiental jaren geleden, niets meer dan een groot dorp, een stadje, bestaande uit hutten van »torchis” of biezen, die slechts tot woningen van de negerbevolking dienden.

In het tegenwoordige tijdvak was het dorp op weg om eene stad te worden. Men ontwaarde dat uit de meer voorname woningen, uit de beter aangelegde straten, die daarenboven goed onderhouden werden, uit het groote aantal inwoners, dat meer dan verdubbeld was. In het volgend jaar daarenboven zou die hoofdplaats van het graafschap Duval in belangrijkheid stijgen, door de spoorbaan, welke haar met Tallahassee, de hoofdstad van geheel Florida, in verbinding zoude brengen.

De administrateur en Zermah hadden reeds bij hunne aankomst kunnen bemerken, dat eene groote opgewondenheid in de stad heerschte. Eenige honderden harer inwoners, waarvan de eene helft Zuidelijken van Amerikaanschen oorsprong, de andere helft mulatten of Spaansche mestiezen waren, wachtten de aankomst der stoomboot af, welker rookpluim boven het geboomte van een lagen hoek van de Sint-John benedenstrooms ontwaard werd.

Eenigen van die menigte, ongeduldig om des te spoediger in verbinding met dat stoomschip te komen, waren in de aanwezige havensloepen gesprongen en roeiden het tegemoet; anderen hadden plaats genomen in »dogres”, een soort vaartuig met een mast, hetwelk in de wateren van Jacksonville veelvuldig aangetroffen wordt.

En voor dat ongeduld bestond wel reden.

Sedert den vorigen dag toch waren ernstige berichten van het tooneel des oorlogs ingekomen. De projecten der krijgsverrichtingen, in den brief van Gilbert Burbank aangeduid, waren gedeeltelijk uitgelekt. Men wist, dat de vloot van den Commodore Dupont zeer spoedig onder stoom zoude gaan, en dat bij Generaal Sherman het plan bestond, hem met een sterk korps debarkementstroepen te vergezellen.

Waarheen zou die krijgsmacht zich wenden? Daarop wist niemand een bepaald antwoord te geven. Maar het lag voor de hand, dat de Sint-John en het Floridasche kustland het objectief zouden zijn.

Na Georgië was Florida dus direct aan een inval van de federalistische troepen blootgesteld.

Toen de stoomboot, welke van den kant van Fernandina kwam, bij de pier van Jacksonville aangelegd had, konden hare passagiers die tijdingen slechts bevestigen. Zij voegden er bij, dat de Commodore Dupont zeer waarschijnlijk in de baai Sint-Andrews zou ankeren, ten einde daar het gunstige oogenblik af te wachten, om het vaarwater van het eiland Amelia en de hoofdmonding der Sint-John te kunnen bemachtigen.

Dadelijk verbreidden zich benden door de stad, die luidruchtig de vele »urubus”, een soort van grooten aasvogel, wien alleen de reinigingsdienst van de straten overgelaten is, deden opvliegen. Men tierde en schreeuwde: »Op tegen de Noordelijken! Dood aan de Noordelijken!”

Dat waren woeste ophitsingen, welke uitgingen van de volksmenners, die de partij van Texar toegedaan waren, ja, in zijn dienst stonden. Natuurlijk vonden zij een gretig oor bij de reeds zoo opgewonden bevolking.

Diens huis was eene bevallige en gemakkelijk ingerichte woning, in een soort van groene oase gelegen. (Bladz. 78).

Diens huis was eene bevallige en gemakkelijk ingerichte woning, in een soort van groene oase gelegen. (Bladz. 78).

Volksoploopen en betoogingen hadden op het groote plein voor Court-House, voor het paleis van justitie en zelfs tot in de bisschoppelijke kerk plaats. De autoriteiten der stad hadden veel moeite, om die volksbewegingen te bedwingen, hoewel de bewoners van Jacksonville, zooals wij reeds gelegenheid hadden te doen uitkomen, omtrent de quaestie der slavernij nog in twee kampen verdeeld waren.

Maar in zulke oproerige tijden zijn het de levenmakers en de schreeuwers, die het veld behouden, terwijl de meer gematigden en de andersdenkenden genoodzaakt zijn het hoofd voor den drang der omstandigheden te buigen.

Natuurlijk was de gelegenheid te schoon, om er geen gebruik van te maken om in de kroegen en in de tienda’s de keelen met sterken drank te bevochtigen. Daar werd ontzettend gesproken en geschreeuwd. De kamerstrategen, de generaals van den praat ontwikkelden er hunne onfeilbare plannen, om den inval der Noordelijken een onoverwinnelijken dam tegen te stellen.

»Men moet de militaire troepen naar Fernandina zenden!” riep de een.

»Met artillerie en cavalerie!” schreeuwde een ander.

»Men moet geballaste schepen in de vaarwaters van de Sint-John laten zinken,” brulde een derde.

»Schepen met rotsblokken geladen,” vulde een vierde aan.

»Men moet versterkingen aanleggen!” riep een vijfde.

»Ja, rondom de stad!” schreeuwde een zesde.

»En ze met geschut bewapenen, anders heb je er niets aan!”

»Juist! Versterkingen zonder geschut beteekenen niets!”

»Men moet hulp te Keys vragen!”

»Perfect! Die kan gemakkelijk met den spoorweg naar Fernandina overgevoerd worden!”

»Ja, het is gemakkelijker anderen voor ons te laten vechten!”

»Men moet het kustlicht van Pablo uitblusschen, om te beletten dat de flottilje bij nacht de Sint-John binnenstevent!”

»Dat is een goed idee!”

»En de rivierbedding met torpedo’s bezaaien!”

»Dat is een nog beter denkbeeld!”

Omtrent dit laatste vernielings-werktuig, hetwelk van nieuwere vinding, bij het uitbreken van den secessie-oorlog ternauwernood bekend was, hadden de schreeuwers zeer onvoldoende opvattingen. Toch begreep men, dat dit het meest afdoende verdedigingsmiddel in de gegeven omstandigheden zou zijn. Maar, vanwaar het nu vandaan gehaald? Vooral om oorlog te kunnen voeren, is degelijke voorbereiding noodig.

»Maar voor alles,” schreeuwde een der meest hartstochtelijke sprekers in de tienda de Torillo, »moeten al de Noordelijken der stad gevangengenomen worden, zoo ook die Zuidelijken, die hunne meeningen deelen!”

Het zou waarachtig te verwonderen zijn geweest, wanneer niemand dien maatregel, die ultima ratio bij alle burgeroorlogen, waar ook ter wereld, voorgesteld had. Gelukkig voor de eerlijke lieden te Jacksonville, zouden de autoriteiten nog eenigen tijd aarzelen, alvorens aan dien volkswensch toe te geven.

Zermah had inmiddels, terwijl zij door de straten ging, alles trachten waar te nemen wat onder haar bereik kwam, om haren meester, die toch in het bijzonder kon bedreigd worden, dadelijk te kunnen waarschuwen.

»Wanneer men toch tot feitelijkheden, tot daden van geweld overging,” zoo dacht zij, »zouden de booswichten zich niet tot de stad bepalen. Neen, zij zouden hunne gewelddadigheden spoedig naar de omstreken, ja tot op de meest verwijderde plantages van het graafschap overbrengen. Ja, en in dat geval zou Camdless-Bay het eerst aan de beurt liggen!”

Zoo was de gedachtengang der mestiesche vrouw, en daarom trachtte zij alles uit te visschen wat haar zou kunnen inlichten. Om goed op de hoogte te komen, ging zij een bezoek brengen bij master Walter Stannard, die in eene soort voorstad buiten Jacksonville woonde.

Diens huis was eene bevallige en gemakkelijk ingerichte woning, welke in een soort van groene oase gelegen was, die door de woudontginners in dit hoekje van de vlakte uitgespaard was. Door de goede zorgen van miss Alice had dit woonhuis, zoowel innerlijk als uiterlijk, een goed voorkomen en werd dan ook op de meest onberispelijke wijze bestuurd. Men gevoelde, dat zich in dit jonge meisje, dat door den dood harer moeder op jeugdigen leeftijd geroepen werd om aan het hoofd van het huishouden van haren vader te staan, eene schrandere, degelijke en toewijdingsvolle huisvrouw ontwikkelde.

Zermah werd door het jonge meisje met zeer veel voorkomendheid bejegend. Miss Alice sprak haar dadelijk over den brief van Gilbert, waarvan Zermah haar de volzinnen bijna woordelijk kon mededeelen.

»Ja, hij is thans niet meer ver van ons,” zei miss Alice.

»Zoo denk ik ook,” antwoordde Zermah.

»Maar onder welke omstandigheden zal hij in Florida terugkeeren?” vervolgde het jonge meisje.

»Wie kan daarop antwoorden?” zuchtte de mestiesche.

»En welke gevaren kunnen hem nog dreigen, vóór die veldtocht afgeloopen zal zijn?”

»Gevaren, Alice?” kwam master Walter Stannard tusschenbeiden. »Stel u gerust! Gilbert heeft er veel grootere gedurende den kruistocht langs de kusten van Georgië en vooral bij het gevecht te Port Royal getrotseerd.”

»Ja, maar, pa...”

»Volgens mij zal de tegenstand hier in Florida noch ernstig, noch langdurig zijn. Wat willen zij toch uitvoeren in de gegeven omstandigheden, nu de Sint-John aan de kanonneerbooten gedoogen zal, tot in het hart der graafschappen door te dringen.”

»Dat is waar, pa; maar...”

»Iedere verdediging komt mij hoogst moeielijk, zoo niet onmogelijk voor.”

»Och, dat gij toch waarheid mocht spreken, waarde vader!” zei Alice. »En dat toch aan dezen wreeden oorlog een einde moge komen!”

»Daaraan kan geen einde komen dan door de volkomene onderwerping, door de verplettering van de Zuidelijken,” antwoordde Walter Stannard.

»Maar dan kan het nog lang duren, pa!...”

»Dat kan het zeker; want ik twijfel er niet aan, of Jefferson Davis en met hem zijne Generaals Lee, Johnson en Beauregard zullen zich nog lang in de Staten, meer binnenlands gelegen, verdedigen.”

»Och, God!”

»Hij, die vermeent, dat de federalisten de geconfedereerden gemakkelijk zullen onderwerpen, vergist zich schromelijk.”

»Dat is verschrikkelijk!”

»Wat Florida evenwel betreft, dat zal niet moeielijk tot onderwerping te brengen zijn.”

»Denkt gij!”

»Ja zeker; maar ongelukkig levert die onderwerping de eindoverwinning niet op!”

»Als Gilbert nu maar geene onvoorzichtigheden of roekeloosheid begaat!” zei miss Alice, terwijl zij de handen vouwde.

»O, dat zal hij niet doen,” zei Zermah. »Waarom zou hij dat doen?”

»Och, als hij eens aan het verlangen gehoor gaf om zijne familie voor eenige uren weer te zien! Hij bevindt zich thans zoo nabij haar...”

»Zoo nabij haar en u, niet waar, miss Alice,” hernam Zermah. »Behoort gij niet reeds tot de familie Burbank?”

»Ja, Zermah, reeds door het hart!”

»Neen, vrees niet, Alice,” zei master Walter Stannard. »Gilbert is te verstandig om zich zoo bloot te stellen, vooral nu het den Commodore Dupont nog slechts weinige dagen zal kosten om Florida te bezetten. Nu zou zoo’n uitstapje in eene landstreek, waar de federalisten nog niet baas zijn, eene onverschoonbare roekeloosheid wezen.”

»Vooral, nu de gemoederen meer dan anders tot gewelddadige buitensporigheden geneigd zijn,” sprak Zermah.

Een vaartuig wachtte hen in eene kleine kreek van de Sint John. (Bladz. 85).

Een vaartuig wachtte hen in eene kleine kreek van de Sint John. (Bladz. 85).

»Inderdaad, de stad is dezen morgen zeer woelig,” hernam master Walter Stannard. »Ik heb die volksmenners gezien. Ik heb ze hooren schreeuwen! Texar verlaat hen in de laatste acht of tien dagen niet meer. Hij dwingt hen, hij hitst hen op, en die boosdoeners zullen eindelijk de lagere volksklassen in opstand brengen, niet alleen tegen de bestaande autoriteiten, maar ook tegen die inwoners, welke hunne zienswijze niet deelen.”

»Zoudt gij niet wèl doen, master Stannard,” zei toen Zermah, »door Jacksonville, althans voor eenigen tijd, te verlaten? Het zou dan voorzichtig zijn er niet weer te keeren, dan na de bezetting van Florida door de federalistische troepen. Master Burbank heeft mij opgedragen, u nogmaals te verzekeren, dat hij zich gelukkig gevoelen zou, wanneer miss Alice en gij uwen intrek in Castle-House zouden nemen.”

»Jawel... jawel!...” antwoordde master Walter Stannard. »Ik heb het aanbod van Burbank niet vergeten.”

»Welnu?” vroeg de mestiesche.

»Maar,” ging Stannard voort, »zal Castle-House zooveel veiliger zijn dan Jacksonville? Wanneer die gelukzoekers, die kerels zonder God of gebod, die verdwaasden, hier meester zullen zijn, zullen zij zich dan ook niet over de omstreken uitstorten en zullen de plantages een bolwerk zijn tegen hunne vernielzucht?”

»Mijnheer Stannard,” antwoordde Zermah, »mij dunkt dat het in oogenblikken van gevaar verkieselijk is, vereenigd en bij elkander te zijn.”

»Zermah heeft gelijk, pa,” zei Alice. »Mij dunkt ook dat het beter is, allen bij elkander te Camdless-Bay te zijn.”

»Ongetwijfeld, Alice,” antwoordde master Stannard. »Ik wijs het voorstel van mijn vriend Burbank niet van de hand. Maar ik geloof aan een anderen kant ook niet, dat het gevaar zoo onmiddellijk dreigend is. Zermah zal onze vrienden mededeelen, dat ik nog eenige dagen behoef, om regel op mijne zaken te stellen, en dan...”

»En dan?” vroeg Zermah.

»En dan?” herhaalde Alice. »Waarom aarzelt gij, pa?”

»Dan zullen wij te Castle-House de gastvrijheid inroepen,” voleindigde Stannard.

»En als mijnheer Gilbert terugkomt, dan zal hij allen, die hij liefheeft, vereenigd vinden,” zei Zermah.

Zermah nam afscheid van master Walter Stannard en zijne dochter. Daarna begaf zij zich, zonder zich om de heerschende volksopgewondenheid, die al meer en meer toenam, te bekreunen, naar den kant der kaden en der haven, waar de administrateur Perry haar reeds wachtte. Beiden stegen in het vaartuig, dat hen aangebracht had en staken de rivier over. Natuurlijk hervatte master Perry het gesprek juist ter plaatse, waar het door hunne aankomst te Jacksonville afgebroken was geworden.

Misschien vergiste zich master Walter Stannard, toen hij beweerde dat het gevaar nog niet zóó dreigend was. Misschien had hij dat ook maar gezegd, om Alice gerust te stellen.

Maar de gebeurtenissen zouden sneller vooruitgaan dan menigeen denken kon, en Jacksonville zou daarvan het eerst den weerslag ondervinden.

Het moet evenwel erkend worden, dat het federalistisch gouvernement steeds met zeer veel omzichtigheid te werk ging, met het onmiskenbare doel, om de belangen der Zuidelijken zooveel mogelijk te sparen. Het wilde slechts langzaam met op elkander volgende maatregelen te werk gaan.

De voorzichtige Abraham Lincoln had twee jaren nadat de vijandelijkheden begonnen waren, de afschaffing der slavernij binnen het geheele grondgebied der Vereenigde Staten van Noord-Amerika nog niet afgekondigd. Verscheidene maanden zouden nog voorbijspoeden, alvorens eene boodschap van den President der Republiek de oplossing van het vraagstuk zoude voorstellen, door den terugkoop en de daardoor mogelijke invrijheidstelling der slaven, voordat de afschaffing der slavernij zoude afgekondigd worden.

Tot dat doeleinde werd bij de opening van het Congres eene som van twee en een half millioen dollars toegestaan, met bepaling dat voor iederen in vrijheid gestelden slaaf eene som van vijf honderd dollars bij wijze van schadeloosstelling zoude kunnen worden uitbetaald.

Eenige generaals van het leger der Noordelijken hadden zich gemachtigd gerekend, om de slavernij in de streken, door hunne troepen bezet, af te schaffen; maar tot heden waren zij gedesavoueerd geworden. De opinie omtrent die bevoegdheid was nog niet onverdeeld gevestigd, en men beriep zich op verscheidene militaire opperhoofden der Noordelijken, die hunne meening niet onder stoelen of banken verborgen, dat zij die maatregelen noch logisch noch ter goeder tijd getroffen vonden.

Middelerwijl had de oorlog zijn voortgang en viel geheel en al ten nadeele van de geconfedereerden of Zuidelijken uit. Hun Generaal Price had op den 12den Februari den Staat Arkansas met het contingent van de militietroepen van den Staat Missouri moeten ontruimen. Men had het reeds ervaren, dat het fort Henry door de federalistische troepen genomen en bezet gehouden was. Thans waren deze bezig met de belegering van het fort Donelson, hetwelk door een machtig artilleriepark verdedigd en door buitenwerken, die eene uitgestrektheid van vier kilometers hadden, en de kleine stad Dover daarin opnamen, gedekt werd.

Toch, in weerwil van de koude en de sneeuwjachten, viel dit zoo sterke fort, van twee kanten besprongen, aan de landzijde door de vijftienduizend man van Generaal Grant, en aan de rivierzijde door de kanonneerbooten van den Commodore Foote, op den 14den Februari in handen van de Noordelijken, waarbij eene geheele divisie der Zuidelijke troepen in krijgsgevangenschap geraakte en hunne tegenstanders een aanzienlijken buit aan wapentuig, munitie en levensbehoeften maakten.

Dat was inderdaad een gevoelige nederlaag voor de geconfedereerden. De indruk, daardoor teweeggebracht, was dan ook in den volsten zin des woords onmetelijk te noemen.

Als onmiddellijk gevolg daarvan moest de terugtocht van Generaal Johnston beschouwd worden, waardoor de belangrijke stad Nashville, aan de Cumberland-rivier gelegen, de hoofdplaats van den Staat Tennessee prijs gegeven werd. Hare bewoners, door een panischen schrik overvallen, verlieten haar, terwijl die van de stad Columbus in den Staat Ohio weinige dagen later hetzelfde lot ondergingen. Daardoor geraakte de geheele Staat Kentucky weer in de macht van het federalistisch gouvernement.

Men zal zich gemakkelijk kunnen voorstellen met welke gevoelens van toorn, met welke denkbeelden van wraak die gebeurtenissen in den Staat Florida ontvangen en opgenomen werden. De autoriteiten zouden inderdaad onvermogend geweest zijn, om de beweging, welke ontkiemde en zich tot in de verst afgelegen gehuchten van de graafschappen voortplantte, te smoren of maar te breidelen.

Waarlijk, men kon gerust zeggen, dat het gevaar voor hen die de algemeene meeningen van de Zuidelijken niet deelden en hunne plannen van weerstand tegen de federalistische legerkorpsen niet omhelsden en schraagden, ieder uur grooter werd. Te Tallahassee en te Sint Augustijn hadden oproerige bewegingen plaats, die zeer moeielijk te onderdrukken waren. Maar voornamelijk dreigde de volksberoering zich te Jacksonville in ergerlijke daden van geweld te uiten.

Men begrijpt dat de toestand te Camdless-Bay in deze omstandigheden al meer en meer onrustbarend werd. Intusschen zou master James Burbank met zijne dienstbaren, die vol toewijding voor zijn persoon waren, wellicht weerstand kunnen bieden, althans de eerste aanvallen afslaan, hoewel het in die tijden zeer moeielijk was zich van munitie en wapenen te voorzien. Master Walter Stannard daarentegen, meer dadelijk bedreigd, had alle redenen om voor de veiligheid zijner woning en voor de toekomst van zijne dochter, van al de zijnen en ook van zich zelven te vreezen.

James Burbank, die al de gevaren van dien toestand inzag, schreef hem brief op brief. Hij zond verscheidene boden naar hem toe, om hem uit te noodigen dadelijk en zonder uitstel naar Castle-House te komen.

Daar zou men betrekkelijk in veiligheid zijn, en wanneer men genoodzaakt werd eene andere schuilplaats te zoeken, wanneer men gedwongen werd meer binnenslands eene toevlucht te zoeken, totdat de federalistische troepen door hunne aanwezigheid de veiligheid zouden hersteld hebben, dan zou dat van daar uit gemakkelijk te volvoeren zijn.

Tegenover dien aandrang kon master Walter Stannard geen weerstand bieden. Hij besloot dan ook Jacksonville voor een korten tijd—zoo hij hoopte—te verlaten, om zijn intrek op Castle-House te nemen.

Hij vertrok in den ochtend van den 23sten Februari zoo geheimzinnig mogelijk en zonder zelfs iets omtrent zijne voornemens te hebben laten gissen. Een vaartuig wachtte hem in eene kleine kreek van de Sint John, op een afstand van ongeveer eene mijl bovenstrooms gelegen. Miss Alice en hij scheepten zich daarin in, staken de rivier over en kwamen in de kleine havenkom aan, alwaar hen de familie Burbank wachtte.

Het is niet moeielijk zich de ontvangst voor te stellen, die hen ten deel viel. Was toch miss Alice niet reeds eene dochter van mevrouw Burbank? Allen waren thans vereenigd, niet waar? Men zou die kwade dagen te zamen doorbrengen en men zou zich daardoor meer veilig gevoelen en minder angsten ondervinden.

Om de waarheid onverholen te zeggen, het was waarlijk meer dan tijd, dat de familie Stannard Jacksonville verlaten had. Den volgenden ochtend viel eene bende boosdoeners het huis van master Walter aan, die hunne euveldaden en hunne gewelddadigheden eene kleur van vermeende vaderlandsliefde verleenden. De autoriteiten hadden de grootste moeite om de plundering van die woning te beletten en slaagden daarin maar ternauwernood, zoo ook om eenige andere heerenhuizen te beveiligen, welke aan eerbare burgers toebehoorden, die evenwel geen aanhangers van de separatistische denkbeelden waren. Het was duidelijk dat het oogenblik naderde, dat die magistraten overvleugeld en door opperhoofden der muiters vervangen zouden worden.

En die laatsten, wel verre van de gewelddadigheden met kracht en ernst tegen te gaan, zouden eerder daartoe aansporen.

En inderdaad, zooals master Walter Stannard aan Zermah medegedeeld had, was Texar eenige dagen geleden er toe overgegaan om zijn onbekend woonoord te verlaten en naar Jacksonville te komen. Daar had hij zijne gewone makkers weergevonden, die onder het meest onzedelijke en walgelijke gedeelte der Floridasche bevolking van de verschillende plantages, op de beide oevers der Sint John gelegen, te zamen gestroomd, aangeworven waren. Die woestelingen verkondigden luid, dat zij hunnen wil zoowel bij de bewoners der stad als bij die der omstreken zouden doen zegevieren. Zij hielden briefwisseling met het meerendeel hunner aanhangers in de verschillende graafschappen van Florida. Door het beginsel der slavenquaestie behendig op den voorgrond te plaatsen, wonnen zij dagelijks terrein.

Nog slechts weinige dagen, dan zouden zij zoowel te Jacksonville als te Sint Augustijn, alwaar reeds al de zwervelingen, al de gelukzoekers, al de woudloopers, die zoo veelvuldig in dat land werden aangetroffen, samenschoolden, meester van den toestand zijn, dan zouden zij over de macht beschikken, en dan zouden zij zoowel over de militaire als over de civiele aangelegenheden te beschikken hebben. De militie-korpsen, de geregelde krijgsmacht zou dan niet dralen gemeene zaak met die woestelingen te maken, hetgeen toch gewoonlijk en noodlottig genoeg geschiedt in die dagen van oproer en muiterij, waarin de gewelddadigheden aan de orde van den dag zijn.

James Burbank bleef niet onbekend met hetgeen buiten Camdless-Bay voorviel.

Verscheidene zijner vertrouwelingen, waarop hij volkomen staat kon maken, hielden hem voortdurend op de hoogte van de woelingen en bewegingen, die te Jacksonville voorbereid werden. Hij wist dat Texar daar weer opgetreden was, dat zijn verfoeielijke invloed op de lagere volksklasse, die evenals hij van Spaanschen oorsprong was, zich al meer en meer uitbreidde.

Zulk een man aan het hoofd der stedelijke regeering was eene voortdurende directe bedreiging tegen Camdless-Bay! James Burbank bereidde zich dan ook op iedere mogelijke gebeurlijkheid voor, zoowel tot het bieden van tegenstand, wanneer de mogelijkheid daarvan mocht blijken, als tot het aannemen van den terugtocht, wanneer men genoodzaakt mocht worden Castle-House aan plundering en brandstichting ten prooi te laten.

Vóór alles was het voorzien in de veiligheid van zijne familie en van zijne vrienden het onderwerp zijner gedachten.

Zermah betoonde gedurende die weinige dagen inderdaad eene grenzenlooze toewijding. Zij bewaakte ieder uur van den dag de toegangen naar de plantage, vooral die, welke van den kant der rivier kwamen. Eenige slaven, door haar onder de schrandersten en van de meest welwillende geaardheid uitgezocht, bleven nacht en dag op de posten, welke zij hun aangewezen had.

Zoo was men eenigermate tegen een overval beveiligd. Iedere poging toch om de plantage Camdless-Bay aan te tasten, zou onmiddellijk en bijtijds ontdekt worden, zoodat de familie Burbank nimmer onverhoeds kon overvallen worden, maar steeds tijd zoude hebben, om binnen Castle-House hare toevlucht te kunnen nemen.

Maar James Burbank zou voorshands althans niet door een directen aanval, gewapenderhand uitgevoerd, verontrust worden. Zoolang de openbare macht niet in handen van Texar en zijne volgelingen gevallen was, zouden dezen met omzichtigheid te werk moeten gaan. Maar intusschen werden toch de nog aan het roer zijnde magistraten door de openbare meening genoopt om een maatregel te nemen, die eene soort van genoegdoening zoude verschaffen aan de aanhangers van de slavernij, als verbitterde vijanden tegen hunne tegenstanders, de Noordelijken.

James Burbank kon als de meest gewichtige van de kolonisten van Florida, ook als de meest rijke beschouwd worden, en men was maar al te zeer bekend met zijne vrijzinnige denkbeelden. Men had het vooral dan ook op hem gemunt, en hij was het die het eerst opgeroepen werd om uitleg te geven van zijne persoonlijke denkbeelden omtrent de bevrijding der slaven. Dat was waarlijk eene lastig op te lossen vraag te midden van eene slavenhoudende bevolking.

In den avond van den 26sten Februari kwam een ordonnans, die door het stedelijk bestuur van Jacksonville afgezonden was, te Camdless-Bay aan en overhandigde aan James Burbank een officieel schrijven, hetwelk aan hem geadresseerd was.

Ziehier wat dat schrijven inhield:

»Bevel aan master James Burbank, om zich morgen den 27sten Februari, des ochtends te elf uren in persoon te vervoegen bij de autoriteiten van Jacksonville op Court-Justice.”

Overigens behelsde dat papier geen woord!