VII.

In weerwil van alles.

Wanneer dat de donderslag nog niet was, dan was het toch de bliksemstraal die hem voorafgaat.

En al toonde James Burbank zich niet ontsteld bij de ontvangst van dien brief, dan toch vervulde die de geheele familie met angst en ontzetting. En dat niet zonder reden.

Waarom toch was de eigenaar van Camdless-Bay naar de hoofdplaats Jacksonville opgeroepen? Ja, opgeroepen! Want het was degelijk een bevel en geene uitnoodiging om voor de autoriteiten te verschijnen.

Wat verlangde men toch van hem?

Was het een maatregel, welke een gevolg was van een voorstel tot onderzoek, dat tegenover hem ingesteld werd?

Werd zijne vrijheid, zijn leven wellicht daarom bedreigd?

En zou men hem, wanneer hij gehoorzaamde, wanneer hij de zijnen verliet, naar Castle-House laten wederkeeren?

En zou men, wanneer hij niet gehoorzaamde en niet naar Jacksonville ging, geweld gebruiken om hem te noodzaken?

O, aan welke gevaren, aan welke gewelddadigheden zou hij de zijnen in dit laatste geval niet blootstellen?

»Ge zult niet gaan, James!”

Het was mevrouw Burbank die zoo sprak en die—men gevoelde het—het woord uit aller naam voerde.

»Neen, mijnheer Burbank!” sprak miss Alice op hare beurt. »Gij kunt, gij moogt er niet aan denken om ons te verlaten...”

»Neen, dat mag niet!” herhaalde Walter Stannard.

»En waarom zoudt gij zoo iets doen?” vroeg master Edward Carrol.

James Burbank keek zijn vriend met doordringenden blik aan.

»Ja, kijk mij maar aan!” hernam deze. »Ik herhaal mijne vraag: waarom zoudt gij zoo iets doen? Om u aan de genade of beter aan de willekeur van dergelijke lieden over te geven?”

»Gaat gij ons dan verlaten, paatje-lief?” vroeg de kleine Dy met tranen in de oogjes. (Bladz. 92).

»Gaat gij ons dan verlaten, paatje-lief?” vroeg de kleine Dy met tranen in de oogjes. (Bladz. 92).

James Burbank bleef nog steeds zwijgen. In de eerste oogenblikken was bij de ontvangst van die brutale oproeping zijne verontwaardiging opgewekt geworden, en die kon hij zoo spoedig niet bedwingen.

Maar wat was er toch geschied, dat die magistraten zoo stoutmoedig maakte? Waren de makkers en aanhangers van Texar reeds meester van het bestuur?

Hadden zij de regeering, die nog eenige gematigdheid aan den dag legde, reeds omver geworpen? En hadden zij hare plaats reeds ingenomen?

Neen, dat was het geval niet! De administrateur, master Perry, was dienzelfden namiddag van Jacksonville op de plantage teruggekeerd en had geene tijding medegedeeld, die zoo iets kon doen vermoeden.

»Misschien is in de laatste dagen een oorlogsfeit in het voordeel der Zuidelijken uitgevallen,” meende master Walter Stannard, »hetwelk de Floridasche autoriteiten kan aanzetten om meer gewelddadig tegenover ons op te treden.”

»Ik vrees waarlijk dat dit het geval is,” antwoordde Edward Carrol.

»En waaraan ontleent gij die vrees?” vroeg mevrouw Burbank.

»Wanneer de Noordelijken eene nederlaag geleden hebben, dan zullen de boosdoeners vermeenen geen redenen meer te hebben, om de nadering van den Commodore Dupont te duchten, en dan zijn zij in staat tot alle uitspattingen en losbandigheden over te slaan.”

»Men verhaalde dat de federalistische troepen in den Staat Texas voor de militietroepen van Sibley het veld hebben moeten ruimen,” hernam master Walter Stannard, »en dat zij, na eene vrij ernstige nederlaag bij Valvesde geleden te hebben, den Rio Grande weer hebben moeten overtrekken.”

»Maar is dat waar?”

»Zoo vertelde mij althans ongeveer een uur geleden een man van Jacksonville.”

»Klaarblijkelijk heeft die tijding,” meende Edward Carrol, »die kerels zoo stoutmoedig gemaakt.”

»Zullen het leger van Generaal Sherman en de flottilje van den Commodore Dupont dan nimmer komen?” riep mevrouw Burbank uit.

»Wij hebben nog slechts den 26sten Februari,” antwoordde miss Alice, »en volgens den brief van Gilbert zullen de schepen van den Commodore eerst op den 28sten zee kiezen.”

»En dan zal er nog tijd noodig zijn om de mondingen der Sint John te bereiken,” antwoordde master Walter Stannard, »daarna andermaal tijd om de vaarwaters te bemachtigen, om de bank over te stevenen, om eene landing te Jacksonville te bewerkstelligen... Gij kunt gerust op tien dagen rekenen, alvorens...”

»Tien dagen?” mompelde miss Alice.

»Nog tien dagen!”... herhaalde mevrouw Burbank.

»Ja, nog tien dagen!” antwoordde Stannard.

»En wie weet hoeveel ongelukken wij in dat tijdsverloop kunnen ondervinden,” vervolgde de arme vrouw.

»Ja, God weet dat alleen!”

James Burbank had aan dat gesprek geen deel genomen. Hij peinsde; met de oproeping voor zich, vroeg hij zich af, wat hij doen moest.

Zou hij weigeren te antwoorden? Maar was dat het gevaar niet uitlokken om de geheele bevolking van Jacksonville, onder openlijke of stilzwijgende goedkeuring der autoriteiten, naar Camdless-Bay te zien stormen? En welke gevaren zouden dan aan zijne familie niet te wachten staan?

Neen, het was beter dat hij slechts zijn eigen persoon waagde. Al zou zijn leven of zijne vrijheid gevaar loopen, dan kon hij ten minste hopen, dat dit gevaar slechts hem zoude dreigen.

Mevrouw Burbank gevoelde de hevigste ongerustheid in haar gemoed opwellen en hield het oog op haren echtgenoot gevestigd. Zij kende hem en wist dat een hevige strijd in zijn binnenste woedde. Zij aarzelde evenwel eene vraag tot hem te richten.

En van hun kant aarzelden miss Alice, master Walter Stannard en Eduard Carrol ook om hem te vragen, welk antwoord hij vermeende te moeten geven op dat bevel van Jacksonville.

Het was de kleine Dy, die zich, ongetwijfeld geheel en al onbewust, tot tolk der geheele familie maakte. Zij was tot haren vader gegaan, die haar opgenomen en op zijn schoot geplaatst had.

»Papa?” zeide zij op vragenden toon.

»Wat wilt ge, lieve?”

»Zult gij naar die booze menschen gaan, die ons zooveel leed willen berokkenen?”

»Ja... kindlief... ik zal gaan...”

»James!...” riep mevrouw Burbank uit.

»Papa!”... kreet het kleine meisje ontzet.

»Het moet!... Het is mijn plicht!... Ja, ik zal gaan!”

James had met zulk een vastbesloten stem gesproken, dat iedereen gevoelde, dat het nutteloos zou zijn dit voornemen te bestrijden, waarvan hij de gevolgen, hoe schrikkelijk ook, voorzeker berekend en gewogen had. Zijne echtgenoote had naast hem plaats genomen; zij omhelsde hem, zij sloot hem in hare armen; maar zij sprak geen enkel woord. Wat zou zij bovendien ook hebben kunnen zeggen?

»Vrienden,” sprak James Burbank, »het is, alles wel beschouwd, zeer goed mogelijk, dat wij de gevolgen van dat willekeurig bevel zeer ver overdrijven.”

»Ja, die mogelijkheid bestaat,” zei Edward Carrol.

»Waarvan kan men mij beschuldigen?” ging master Burbank voort. »Feitelijk van niets. Dat weet men zeer goed. Men kan mij mijne meeningen ten laste leggen, dat is zoo! Maar mijne meeningen zijn mijn eigendom, niet waar? Nimmer heb ik ze voor mijne tegenstanders onder stoelen of banken gestoken, en ik zal niet aarzelen hen in het aangezicht te zeggen, wat ik mijn geheele leven lang gedacht heb.”

»Maar dat zou juist gevaarlijk zijn!” kreet mevrouw Burbank handenwringend.

»Wij zullen u vergezellen, James,” zei Edward Carrol.

»Ja, wij gaan met u!” beaamde master Walter Stannard. »Wij zullen u niet zonder ons naar Jacksonville laten vertrekken. Neen, dat zullen wij niet.”

»Neen, dat kan niet, vrienden,” sprak James Burbank. »Ik alleen heb bevel gekregen, om voor de magistraten van Court-Justice te verschijnen; ik zal alleen naar Jacksonville gaan.”

»Maar... James!” riep mevrouw Burbank wanhopend uit.

»Het zou kunnen wezen,” vervolgde de eigenaar van Camdless-Bay, »dat ik eenige dagen opgehouden werd. Gij Edward en gij Carrol moet dus gebiedend op de plantage blijven; want aan u moet ik thans mijne familie toevertrouwen.”

»Gaat gij ons dan verlaten, paatje-lief?” vroeg de kleine Dy met tranen in de oogjes.

»Ja, kleine meid,” antwoordde haar vader op luchtigen toon. »Maar...”

»Maar wat, papa?” vroeg het kleine ding.

»Als ik morgen niet met u ontbijt, dan reken ik er toch op, dat ik terug zal zijn om te dineeren. En... dan zullen wij den geheelen avond te zamen doorbrengen....”

Het kind sloeg hare betraande oogjes naar haren vader.

»Kom, zeg mij,” vervolgde hij medelijdend, »al zal ik niet veel tijd te Jacksonville hebben, zoo zal mij toch nog wel een kwartiertje overblijven, om wat voor je in te koopen. Zeg mij dus wat je genoegen zal doen? Wat moet ik voor je meebrengen?”

»Meebrengen?.... O, papa, breng u zelve mee!” antwoordde het lieve kind.

Na dat woord, hetwelk zoozeer het verlangen van allen schetste, ging de familie uiteen, om rust te zoeken. James Burbank beijverde zich evenwel, alvorens ook zoo te doen, al die veiligheids-maatregelen te treffen, welke door de omstandigheden geboden werden.

Toen hij van de pier naar Castle-House terugkeerde, sprak hem Zermah, die hem ontmoette, aan. (Bladz. 94).

Toen hij van de pier naar Castle-House terugkeerde, sprak hem Zermah, die hem ontmoette, aan. (Bladz. 94).

De nacht ging zonder bijzonder voorval voorbij.

Den volgenden ochtend ging James Burbank, die reeds bij het aanbreken van den dag opgestaan was, de bamboelaan door en richtte zijne schreden naar de kleine havenkom. Daar gaf hij de noodige bevelen, dat een vaartuig tegen acht uren zoude gereed zijn, om hem naar de overzijde der rivier over te zetten.

Toen hij van de pier naar Castle-House terugkeerde, sprak hem Zermah, die hem ontmoette, aan.

»Meester,” vroeg zij, »zijt gij vast besloten om naar Jacksonville te gaan?”

»Ja, Zermah,” antwoordde hij, »en ik ben in het belang der veiligheid van allen verplicht zoo te handelen. Gij begrijpt mij toch, niet waar?”

»Ja, meester. Ik gevoel dat eene weigering uwerzijds waarschijnlijk de benden van Texar naar Camdless-Bay zal lokken.”

»En dat gevaar, hetwelk als het grootste van alle te beschouwen is, moet, het koste wat het wil, vermeden worden!”

»Verlangt gij, dat ik u vergezellen zal?”

»Ik verlang integendeel, Zermah, dat gij op de plantage zult blijven. Gij moogt mijne echtgenoote, mijne dochter niet verlaten, voor het geval, dat een gevaar haar vóór mijne terugkomst zou kunnen bedreigen.”

»Welnu, ik zal ze niet verlaten, meester!”

»Geen enkel oogenblik, Zermah?”

»Geene minuut, geene seconde; daar kunt gij verzekerd van zijn. Wees dus gerust.”

»Hebt gij niets nieuws vernomen?”

»Neen. Het is evenwel vrij zeker, dat verdachte lieden rondom de plantage dwalen. Men zou zeggen dat zij haar bewaken en bespieden. Gedurende den nacht hebben nog twee of drie vaartuigen op de rivier gekruist.”

»Weet gij dat zeker?”

»Ja, master Burbank. En het komt mij voor alsof men gist, dat mijnheer Gilbert vertrokken is om dienst te nemen bij de federalistische krijgsmacht, dat hij onder de bevelen van den Commodore Dupont staat en dat hij door den lust bekropen kan worden om heimelijk naar Camdless-Bay te komen.”

»Mijn brave jongen!” antwoordde James Burbank. »Neen, zoo iets vrees ik niet. Hij is te verstandig om zulk eene onvoorzichtigheid te bedrijven.”

»Ik vrees, meester, dat Texar dienaangaande eenigen argwaan koestert,” hernam Zermah. »Men verzekert dat de invloed van dien schavuit iederen dag grooter wordt. Wantrouw vooral dien Texar, meester, wanneer gij te Jacksonville zult zijn. Wantrouw hem!

»Ja, zooals ik een vergiftige slang zou doen, Zermah. Ja, ik zal voorzichtig zijn en goed uitkijken. Maar wanneer hij gedurende mijne afwezigheid een aanslag op Castle-House ondernam....”

»Wees slechts bezorgd voor u zelven, meester, en vrees niets voor ons. Uwe slaven zullen de plantage wel weten te verdedigen. Als het zal moeten zijn, zullen zij zich tot den laatsten man laten dooden. Allen zijn vol toewijding voor u. Zij hebben u lief. Ik weet wat zij denken, wat zij zeggen en wat zij, als het oogenblik daar zal zijn, doen zullen. Men is reeds van andere plantages herwaarts gekomen, om hen tot opstand aan te zetten... Maar zij willen er niets van weten. Allen maken slechts ééne groote familie uit, die u innig verknocht is. Gij kunt op hen rekenen.”

»Ik weet het Zermah, ik weet het, en ik reken ook op hen.”

James Burbank ging naar het woonhuis terug. Toen het oogenblik tot vertrek gekomen was, zeide hij vaarwel aan zijne echtgenoote, aan zijn dochtertje, aan miss Alice. Hij beloofde hen, in tegenwoordigheid van die magistraten te Jacksonville, welke hem voor zich ontboden hadden, kalm te blijven en niets te doen of te zeggen wat hen tot gewelddadigheden zoude kunnen verlokken, onverschillig wie zij ook zijn mochten. Zeer zeker zou hij dienzelfden dag weer op Camdless-Bay terug zijn.

Daarna nam hij afscheid van al de zijnen en vertrok.

Zeer zeker had James Burbank alles voor zich zelven te duchten. Hij was evenwel veel meer ongerust over zijne familie, die hij op Castle-House moest achterlaten en die aan zoovele gevaren blootgesteld kon zijn.

Walter Stannard en Edward Carrol vergezelden hun vriend tot bij de kleine haven, die, zooals men weet, aan het uiteinde der bamboelaan gelegen was. Daar beval hij hun nogmaals zijne lievelingen aan en stapte toen in het vaartuig, dat, door eene flink doorstaande zuidwesten bries voortgestuwd, zich met snelheid van de aanlegplaats van Camdless-Bay verwijderde.

Een uur later, zoo omstreeks tegen tien uren, landde James Burbank op de kade te Jacksonville.

Die kade was toen nagenoeg verlaten. Er bevonden zich slechts eenige weinige vreemde zeelieden, die zich onledig hielden met het lossen van vrachtgoederen uit de doggers. James Burbank werd dus bij zijne aankomst niet herkend, en kon hij zich, zonder dat daarvan door iemand melding gemaakt werd, naar master Harvey, een zijner correspondenten, begeven, die aan het andere uiteinde der haven woonde.

Master Harvey was zeer verbaasd hem te zien en ontveinsde zijne ongerustheid deswege niet. Hij had de hoop gekoesterd, dat de heer Burbank niet aan de oproeping, om voor de Court-Justice te verschijnen, zoude gehoorzamen. In de stad koesterde het meerendeel der bevolking dezelfde meening. Wat aanleiding tot dat kort en bondig bevelschrift had gegeven, om voor de magistraten te verschijnen, daaromtrent kon master Harvey niets mededeelen.

Zeer waarschijnlijk wilde men, om aan de openbare meening voldoening te schenken, aan James Burbank inlichtingen vragen over zijne houding sedert het uitbreken van den oorlog en over zijne denkbeelden ten opzichte der slavernij. Dit kon vrij overbodig geacht worden, daar èn die houding èn die denkbeelden genoegzaam bekend waren. Misschien wilde men zich van zijn persoon verzekeren, om in hem, die als aanhanger der Noordelijken en als de rijkste kolonist van geheel Florida beschouwd werd, een gijzelaar te hebben. Had hij niet beter gedaan met te Camdless-Bay te blijven? Zoo althans was de meening van master Harvey.

»En kunt gij niet dadelijk terugkeeren,” vroeg de waardige correspondent, »daar, zooals gij zegt, niemand te Jacksonville weet, dat gij aangekomen zijt?”

Neen, dat ging niet, James Burbank was niet gekomen om heen te gaan.

Hij wilde weten, waaraan hij zich voortaan te houden zoude hebben, en dat zou hij weten.

Hij richtte toen eenige vragen tot zijn correspondent, die in innig verband met den toestand, waarin hij zich bevond, stonden.

»Zijn de autoriteiten weggejaagd?”

»Nog niet. Maar hunne positie is niet benijdenswaardig en wordt wel bedreigd.”

»Dus de volksmenners zijn te Jacksonville nog niet op het kussen?”

»Neen, maar bij het eerste opstootje zullen zij er wel op komen. De toestand van de oude autoriteiten is volkomen onhoudbaar; bij de eerste beweging moeten zij omvergeworpen worden.”

»Heeft de Spanjaard Texar de hand in de oproerige beweging, die onder de bevolking voorbereid werd?”

»Ja, zeker.”

»Heeft hij invloed?”

»Men beschouwt hem als het hoofd van het meest geavanceerde gedeelte der partij van de aanhangers der slavernij.”

»En beschikt die partij over eenige macht?”

»Men rekent er op als op het onvermijdelijke, dat hij en zijne makkers weldra het gezag over de stad in handen zullen hebben.”

»Zijn de laatste wapenfeiten, waarvan de berichten zich over geheel Florida beginnen te verspreiden, al dan niet bevestigd geworden?”

»Ja, dat zijn zij thans. De organisatie der Zuidelijke Staten heeft geheel en al plaats gegrepen. Het gouvernement is op den 22sten Februari geïnstalleerd geworden.”

James Burbank had zijne stem herkend. Maar hij draaide zelfs zijn hoofd niet naar dien kant. (Bladz. 100).

James Burbank had zijne stem herkend. Maar hij draaide zelfs zijn hoofd niet naar dien kant. (Bladz. 100).

»Wie zijn tot regeeringsleden gekozen?”

»Tot president is Jefferson Davis en tot vice-president Stephens gekozen. Beiden zijn voor een tijdvak van zes jaren met het gezag bekleed. Drie dagen later heeft Jefferson Davis aan het Congres, dat uit twee kamers samengesteld en te Richmond te zamen geroepen is, het voorstel gedaan om den verplichten persoonlijken diensttijd in te voeren, en is dat met overgroote meerderheid van stemmen aangenomen.”

»En verder? Hoe is de loop der gebeurtenissen?”

»Sedert dat tijdstip hebben de geconfedereerden eenige partieele voordeelen behaald, die evenwel op geene groote belangrijkheid kunnen bogen. Daarenboven, een groot gedeelte van het leger van den Generaal Mac Clellan was, zooals men beweerde, op den 24sten Februari de boven-Potomac overgetrokken en had daardoor de ontruiming van Columbus door de Zuidelijken noodzakelijk gemaakt.”

»Maar dat zijn zeer gewichtige tijdingen, master Harvey.”

»Als ze zich bevestigen, zeker! Men vertelt ook, dat in de nabijheid van de Mississippi een groote veldslag aanstaande is. Daardoor zou het leger der Zuidelijken voeling met dat van Generaal Grant krijgen.”

»En hoe staat het met het smaldeel, hetwelk de Commodore Dupont naar de mondingen der Sint John gericht heeft?”

»Het gerucht heeft zich verspreid, dat de flottilje van dien zeevoogd de vaarwaters binnen een tiental dagen zou bemachtigen.”

»Dat zal den toestand hier nog meer gespannen maken, dunkt u niet?”

»Ja, zeker zal het dat! Wanneer Texar en zijne aanhangers een aanslag in den zin hebben, die hen het gezag over de stad in handen moet spelen en die hen veroorloven zal aan hunne persoonlijke wraakzuchtige gevoelens bot te vieren, dan moeten zij zich inderdaad haasten.”

Zoo was de stand van zaken te Jacksonville, en ... wie weet of het voorval met James Burbank de ontknooping niet ging verhaasten?

Toen het vastgestelde uur om te verschijnen gekomen was, verliet James Burbank de woning van zijn correspondent en richtte zijne schreden naar het plein, alwaar het gebouw van Court-Justice verrees. Er heerschte eene groote opgewondenheid in de straten. De bevolking drong in grooten getale naar dien kant. Men gevoelde als het ware, dat uit die zaak, welke uit haar zelve weinig belangrijk was, een oproer kon groeien, welks gevolgen betreurenswaardig konden zijn.

Het bedoelde plein was overvuld. Half blanken, mestiezen, mulatten en negers krioelden daar en waren natuurlijk zeer onstuimig. Wanneer ook al het getal van hen, die eene plaats binnen de gerechtszaal van Court-Justice bekomen hadden, vrij beperkt was, zoo waren toch vooral aanhangers van Texar er in geslaagd daar binnen te dringen en bevonden zich te midden van een zeker aantal eerlijke lieden, die tegen iedere daad van onrechtvaardigheid en onbillijkheid gekant waren. Het zou dezen evenwel zeer moeielijk zijn weerstand te bieden aan dat gedeelte van de bevolking, dat er op uit scheen, het bestaande stedelijke bestuur van Jacksonville omver te werpen.

Toen James Burbank op het plein verscheen, werd hij dadelijk herkend. Heftige kreten, die hem volstrekt niet gunstig in de ooren konden klinken, barstten toen los. Eenige moedige burgers evenwel sloten zich bij hem aan en vormden een kring rondom hem. Zij wilden niet, dat een eervol man, zoo geacht als de grondbezitter van Camdless-Bay, zonder verdediging blootgesteld zoude zijn aan de handtastelijkheden van eene verdwaasde menigte.

Volgens hen had James Burbank, door aan de oproeping, die hij ontvangen had, te gehoorzamen, bewijzen gegeven van vastberadenheid en waardigheid. En daarvoor moest men hem dankwijten.

James Burbank was dus in staat, zich over dat plein een doortocht te banen. Hij betrad ongehinderd den drempel van de deur van Court-Justice, ging naar binnen en bleef voor den rechterstoel staan, waarvoor hij tegen alle recht en billijkheid in gedaagd was.

De eerste magistraat der stad en zijne hulpofficieren hadden hunne zetels reeds ingenomen. Dat waren gematigde mannen, die terecht den eerbied en het ontzag, welke zij genoten, verdienden. Aan welke schimpscheuten en aan welke bedreigingen die lieden sedert het uitbreken van den secessie-oorlog blootgestaan hadden, zal wel niet behoeven verteld te worden. Zij hadden meer dan buitengewonen moed moeten ten toon spreiden, om op hun post te blijven, meer dan buitengewone geestkracht moeten ontwikkelen, om zich daarop te handhaven. En dat zij er in geslaagd waren om aan alle aanslagen van de omwentelings-gezinden weerstand te bieden, vond daarin zijne afdoende reden, dat de quaestie der slavernij de gemoederen in Florida slechts middelmatig opwond, terwijl zij de hoofden in de naburige Staten hartstochtelijk in beroering bracht.

Het viel evenwel niet te ontkennen, dat de separatistische meeningen langzamerhand al meer en meer veld wonnen. En met haar werd de invloed der kerels, die op onverwachte aanslagen uit waren, der gelukzoekers, der zwervelingen, in aanzienlijken getale in het graafschap aanwezig, al meer en meer beduidend. En het was zelfs om eene soort van genoegdoening te verschaffen aan de openbare meening, die onder den druk der woestelingen stond, dat de magistraten er toe overgegaan waren om James Burbank, toen die door den Spanjaard Texar, door dat hoofd van de partij der onverzoenlijken, aangeklaagd werd, voor hunnen rechterstoel te dagen.

Het gemompel, dat zich van den eenen kant goedkeurend en van den anderen kant afkeurend had laten hooren, toen de eigenaar van Camdless-Bay de gerechtszaal binnentrad, verstomde weldra.

James Burbank stond voor den rechterstoel rechtop, met den blik van iemand, die geen zwak oogenblik ondervond, en alvorens de magistraat hem de gewone vragen kon stellen, zei hij met heldere en onbewogen stem:

»Gij hebt James Burbank voor u gedaagd, heeren; James Burbank staat voor u!”

Daarna vroeg hij, nadat de gebruikelijke formaliteiten in dergelijke gevallen volbracht waren, waarbij hij op eenvoudigen toon maar zeer kortaf antwoordde:

»Waarvan beschuldigt men mij?”

»Men beschuldigt u, dat gij door woorden en misschien ook door daden tegenstand tracht te bieden aan de meeningen en aan de hoop, die thans in Florida geldig zijn!”

»En wie beschuldigt mij?” vroeg James Burbank.

»Ik!”

Dat was Texar, die sprak. James Burbank had zijne stem herkend. Maar hij draaide zelfs zijn hoofd niet naar dien kant. Hij vergenoegde zich met de schouders op te trekken, als een teeken van minachting voor den ellendigen aanklager, die tegen hem optrad.

De makkers en aanhangers van Texar moedigden hun hoofd met stem en gebaren aan.

»En waarop steunt de aanklacht van die zijde ingebracht?” vroeg James Burbank aan den magistraat.

Deze keek Texar vragend aan.

»Vooreerst,” zei deze, »zal ik James Burbank zijne qualiteit van Noordelijke in het aangezicht werpen. Zijne tegenwoordigheid te Jacksonville is eene voortdurende beleediging voor de bevolking van een geconfedereerden Staat. Daar hij zoowel door afkomst als door overtuiging de zienswijze der Noordelijken toegedaan is, waarom is hij dan niet naar het Noorden teruggekeerd?”

»Ik ben in Florida gekomen, eenvoudig omdat mij dat goed dacht,” antwoordde James Burbank, »en om dezelfde reden ben ik er gebleven. Ik woon nu sedert twintig jaren in het graafschap. Al ben ik er niet in geboren, dan weet toch iedereen vanwaar ik kom. Ik zeg dat voor hen, wier verleden onbekend is, die een verborgen bestaan leiden en wier daden eerder aan een onderzoek zouden moeten onderworpen worden dan de mijne.”

Texar, die door dat antwoord direct aangevallen was, werd daardoor niet uit het veld geslagen. Integendeel, hij zette een nog hoogere borst dan vroeger.

»En nu verder?” zei James Burbank.

»Verder?”... antwoordde de Spanjaard.

»Ja, verder? Is dat alles, waarvoor ik hier heb moeten komen?”

»Welnu,” sprak Texar met de grootste heftigheid. »In dit oogenblik dat het land in opstand komt, om de instelling der slavernij te behouden, in dit oogenblik dat ieder goedgezind ingezetene van dezen Staat gereed is zijn bloed veil te hebben, om de federalistische troepen, die ons met een inval bedreigen, terug te slaan, beschuldig ik James Burbank, dat hij meeningen toegedaan is, die de instandhouding der slavernij verhinderen en dat hij voor die meeningen propaganda maakt!”

»James Burbank,” zei de magistraat, »gij zult begrijpen, dat die beschuldiging in de tijdsomstandigheden, welke wij doorworstelen, buitengewoon ernstig en belangrijk is. Ik moet u dus verzoeken daarop te antwoorden.”

»Mijnheer,” hernam James Burbank, »mijn antwoord zal zeer eenvoudig zijn. Ik heb nimmer eenige propaganda gemaakt en zal dat ook nimmer doen. Die beschuldiging is valsch!”

»Maar uwe meeningen omtrent de slavernij?”

»Wat die meeningen betreft, veroorloof mij, heer rechter, die hier uit te drukken. Ja! ik ben voor de afschaffing der slavernij! Ja! ik betreur innig den strijd, dien het Zuiden tegen het Noorden volhoudt! Ja! ik vrees, dat het Zuiden rampen tegemoet gaat, die het had kunnen vermijden! En in het belang van dat ongelukkige land zelve had ik gewenscht, dat het een anderen weg had ingeslagen, dan over te gaan tot dien noodlottigen oorlog, die tegen de reden en tegen het algemeen gezond verstand gevoerd wordt. Er zal een dag komen, dat gij u herinneren zult, dat zij die u woorden doen hooren, als die welke ik uitsprak, geen ongelijk hadden...”

Een gehuil van woede, dat in de zaal opsteeg, brak hier de rede van den spreker af. Met over elkander geslagen armen wachtte hij.... en toen de stilte weer eenigermate ingetreden was, toen hij zich althans weer kon doen verstaan, vervolgde hij:

»Wanneer het uur van een moreelen vooruitgang, van eene hervorming, eene herschepping geslagen heeft, dan is het dwaasheid zich daartegen te verzetten. Daarenboven, de afscheiding van het Noorden van het Zuiden zou eene misdaad tegenover het Amerikaansche vaderland zijn! Noch het gezond verstand, noch de rechtvaardigheid, noch de billijkheid, noch de macht zijn op uwe zijde, en derhalve, geloof mij, zal die misdaad niet voltrokken worden!”

Thans heerschte er stilte in de gerechtszaal. Dat duurde evenwel slechts kort. Toen eenig goedkeurend gemompel die vaderlandslievende woorden begroette, werd dat onmiddellijk door een heftig geschreeuw overstemd. De meerderheid van het publiek, hetwelk uit lieden van zeer gering allooi bestond, kon zulke taal niet verdragen.

Toen eindelijk de magistraat er in geslaagd was, de stilte in de gerechtszaal te herstellen, hernam James Burbank het woord:

»En nu,” zei hij, »wacht ik dat er meer stellige beschuldigingen zullen worden ingebracht, maar betreffende feiten, niet betreffende meeningen. Als men ze mij bekend zal gemaakt hebben, zal ik er op kunnen antwoorden.”

Tegenover eene zoo waardige houding moesten de magistraten zich in het nauw gedrongen gevoelen. Hun was geen enkel feit bekend, dat James Burbank kon ten laste gelegd worden. Hunne rol bestond slechts daarin: gelegenheid te geven om beschuldigingen in te brengen, natuurlijk met de bewijzen tot staving, wanneer het althans mogelijk was die te leveren.

Texar begreep, dat van hem gevergd werd zich nader te verklaren, wanneer hij namelijk zijn doel wilde bereiken.

»Welnu, het zij zoo!” zeide hij. »Ik deel de meening niet, dat men zich op het punt der quaestie omtrent de slavernij op de vrijheid van denken kan beroepen, vooral wanneer een geheel land in opstand geraakt om die quaestie te steunen. Maar, al is het waar, dat James Burbank het recht heeft te denken zooals hij wil over dat vraagstuk, al is het waar, dat hij zich onthouden heeft aanhangers voor zijne meeningen te werven, dan toch ontziet hij zich niet gemeenschap te onderhouden met den vijand, die de grenzen van Florida genaderd is.”

Die beschuldiging van medeplichtigheid met de Noordelijken was zeer gewichtig in de gegeven omstandigheden. Iedereen begreep dat en allerwege werd dan ook hartstochtelijk gemompeld. Intusschen was het gesprokene nog slechts eene beschuldiging vervat in woorden. Wilde zij eenige waarde erlangen, dan moest zij door onwraakbare feiten gestaafd worden.

»Gij beweert, dat ik in verbinding met den vijand sta?” vroeg James Burbank.

»Ja!” bevestigde Texar.

»Gij zult dat wel kunnen bewijzen, niet waar?”

»Zooals gij verkiest,” hernam Texar.

»Komaan, ik luister.”

»Wij luisteren,” herhaalden de magistraten.

»Het is nu ongeveer drie weken geleden,” getuigde Texar, »dat een man, die naar James Burbank gezonden was, het federalistisch leger of de flottilje van den Commodore Dupont verlaten heeft. Die man is naar Camdless-Bay gegaan en hij is gevolgd en bespied geworden van het oogenblik af, dat hij de grens van den Staat Florida overschreden heeft en gedurende den tijd, dien hij op de plantage doorgebracht heeft.—Zult gij dat loochenen, James Burbank?”

Klaarblijkelijk gold het hier den bode, die den brief van den jeugdigen luitenant aangebracht heeft. De spionnen van Texar hadden zich dienaangaande niet vergist. Dezen keer klonk de beschuldiging afdoende, en men wachtte niet zonder ongerustheid, welk antwoord James Burbank daarop zou geven.

Deze aarzelde geen enkel oogenblik om de stipte waarheid mede te deelen.

»Inderdaad,” zei hij, »is tegen dat tijdstip een man op Camdless-Bay aangekomen. Maar hij was geen vijand; hij was slechts een bode. Hij behoorde in geenen deele tot het federalistisch leger en bracht eenvoudig een brief van mijn zoon over.”

»Een brief van uw’ zoon!” riep Texar uit.

»Ja, van mijn zoon. Wat is daar vreemds in? Zou dat ook bij geval verboden zijn?”

»Van uw zoon,” vervolgde Texar, »die, als ik goed ingelicht ben, dienst genomen heeft bij de krijgsmacht der Noordelijken! Van uw zoon, die zich misschien in de voorste gelederen bevindt van de troepen, die op marsch zijn om een inval in Florida te bewerkstelligen!”

De woestheid, waarmede Texar die woorden uitgalmde, bleef niet in gebreke grooten invloed op het publiek in de gerechtszaal uit te oefenen. Wanneer James Burbank, na erkend te hebben, dat hij een brief van zijn zoon ontvangen had, thans zou bekennen dat Gilbert zich in de gelederen van de federalistische krijgsmacht bevond, hoe zou hij zich dan met vrucht kunnen verdedigen tegen de beschuldiging, briefwisseling gehouden te hebben met de vijanden van de Zuidelijken?

»Wenscht gij te antwoorden op de beschuldigingen, die tegen uwen zoon ingebracht zijn?” vroeg de magistraat.

»Neen, mijnheer,” antwoordde James Burbank met kalme maar vastberaden stem. »Ik heb daarop niet te antwoorden. Voor zoover ik weet, geldt het thans mijn zoon niet. Ik alleen ben beschuldigd in verbinding gestaan te hebben met het federalistisch leger. Welnu, dat loochen ik, en ik tart dien man, die mij slechts uit persoonlijken haat aanvalt, te bewijzen wat hij zegt!”

»Hij bekent dus,” riep Texar uit, »dat zijn zoon zich in de gelederen bevindt van hen, die tegen de geconfedereerden strijden!”

»Ik heb daaromtrent niets te bekennen,” antwoordde James Burbank »Gij poogt de rollen te verwisselen.”

Texar knarsetandde van woede. Burbank vervolgde echter onverstoorbaar kalm:

»Gij moet eene beschuldiging met bewijzen staven.”

»Welnu, dat zal ik!” riep de Spanjaard uit.

»Ik ben geheel gehoor,” zei James Burbank hoonend.

»Wij luisteren,” zeiden de magistraten ernstig.

»Binnen weinige dagen zal ik in het bezit zijn van dat bewijs, dat men thans van mij vergt, en als ik het zal hebben....”

»Als gij het zult hebben,” sprak de magistraat, »dan zullen wij kunnen oordeelen, dan zullen wij uitspraak kunnen doen. Maar, tot nu toe zie ik nog niets, wat op eenige schuld van James Burbank zou wijzen.”

Die magistraat sprak, toen hij die woorden deed hooren, als een onkreukbaar eerlijk man. En ongetwijfeld had hij gelijk. Maar hij had tegenover een publiek, hetwelk zoo vooringenomen tegen den kolonist van Camdless-Bay was, ongelijk gelijk te hebben. Hieruit ontstond gemompel, zelfs protest tegen de makkers van Texar, welke zijne beschuldigingen steunden. De Spanjaard gevoelde dat wel. Hij liet dan ook de daadzaken betreffende Gilbert Burbank varen en herhaalde zijne beschuldigingen tegen den vader.

»Ja,” zei hij, »ik zal alles bewijzen, wat ik beweerd heb, namelijk dat James Burbank briefwisseling onderhoudt met den vijand, die zich gereed maakt om Florida binnen te rukken. In afwachting meen ik dat de meeningen, die hij koestert en verkondigt, en die heilloos voor de zaak der slavernij moeten gerekend worden, een publiek gevaar voor den Staat daarstellen. Ik verg dan ook in naam van al de slavenbezitters, die zich nimmer aan het juk zullen onderwerpen, hetwelk de Noordelijken hen wenschen op te leggen, dat men hem gevangenneme, om hem onschadelijk te maken!”

»Ja!... Ja!...” riepen al de aanhangers van Texar, terwijl een gedeelte van de aanwezigen tevergeefs poogde te protesteeren tegen zulk een niet te qualificeeren eisch.

Het rumoer was vreeselijk en duurde geruimen tijd. Het gelukte den rechter evenwel, na herhaalde pogingen, eenigermate stilte te verkrijgen. James Burbank nam toen het woord.

»Ik verzet mij uit alle macht, krachtens het recht,” zei hij, »tegen den willekeurigen maatregel, waartoe men de rechtbank dwingen wil. Dat ik voor de afschaffing der slavernij gestemd ben! Ja! dat is waar. Ik heb dat reeds beleden. Maar in het vrije Amerika, onder een bestuurs-stelsel, dat geheel en al op vrijheid gegrond is, zijn de meeningen vrij. Het is geene misdaad, geene overtreding, tegen den slavenhandel te zijn, en derhalve waar geen schuld, geen overtreding bestaat, kan de wet onmogelijk straf opleggen!”

Luide en talrijke goedkeuringen schenen James Burbank gelijk te geven. Thans scheen het Texar toe, dat de gelegenheid gekomen was om van taktiek te veranderen, daar zijne aanvallen tot nu toe mislukt waren. Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat hij eensklaps en geheel onverwacht James Burbank toevoegde:

»Welnu, stel dan uwe slaven in vrijheid, daar gij verklaart tegen de slavernij gestemd te zijn!”

»Dat zal ik doen,” antwoordde James Burbank.

»Zoo? maar wanneer?”

»Wanneer het oogenblik daartoe aangebroken zal zijn.”

»Inderdaad? Ja, wanneer het federalistisch leger meester in Florida zal zijn, niet waar?” grinnikte Texar hoonend. »Gij wacht op de soldaten van Sherman en op de mariniers van Dupont, om den moed te hebben uwe daden met uwe denkbeelden in overeenstemming te brengen! Dat is voorzichtig, maar tevens laf!”

»Laf?...” riep James Burbank, die niet begreep dat zijn ellendige tegenstander hem een strik spande, verontwaardigd uit.... »Laf?....”

»Ja, laf!” herhaalde Texar tartend. »Kom, laat zien. Heb toch den moed om uwe meeningen en denkbeelden in praktijk uit te voeren!”

»Ja, dien moed dient men te bezitten, wanneer men tegen de slavernij gekant is!” huilden verscheidene stemmen in de zaal.

»Stilte!” gebood de magistraat.

»Stilte!” schreeuwde de deurwaarder.

Toen die verkregen was, vervolgde Texar steeds hoonend:

»Waarlijk, ik geloof, dat ik niet ver van de waarheid verwijderd ben, wanneer ik beweer, dat gij slechts een gemakkelijk middel aanwendt om eene soort populariteit bij de Noordelijken na te jagen!”

James Burbank knarsetandde en balde de vuisten bij die zoo beleedigende woorden.

Texar vervolgde:

»Ja, anti-slaafsgezinde voor de leus, en in schijn zijt gij slechts een huichelaar; want inderdaad zijt gij in den grond van uw hart uit eigenbelang een voorstander van het behoud der slavernij!”

James Burbank had onder dien hoon zijne gestalte verheven. Dat was meer dan hij verdragen kon. Zoo’n verwijt van huichelarij was blijkbaar in tegenspraak met zijn geheele leven, hetwelk een leven van toewijding en loyauteit kon genoemd worden. Hij wierp een grimmigen blik van verachting op den ellendeling, en niemand verwonderde zich toen hij met eene luide en heldere stem, die door allen gehoord werd, antwoordde:

»Bewoners van Jacksonville, van heden af bezit ik geen enkelen slaaf meer! Van heden af proclameer ik de invrijheidstelling van alle mijne slaven, en de afschaffing der slavernij op mijne geheele bezitting van Camdless-Bay! En die woorden zal ik gestand doen!”

In het eerste oogenblik werd die stoutmoedige verklaring met eenige hoerah-kreten beantwoord.

Ja, er was waarlijk moed toe noodig. Ja, moed! Maar of James Burbank voorzichtig gehandeld had? Instinctmatig gevoelde hij, dat hij zich door zijne verontwaardiging had laten vervoeren.

Nu was het maar al te duidelijk, dat die maatregel de belangen der andere planters in Florida zeer zou benadeelen. Dit bewustzijn bracht eene plotselinge verkoeling teweeg, die hare terugwerking op de aanwezigen in de gerechtszaal van Court-Justice niet miste. De eerste goedkeurende kreten voor den kolonist van Camdless-Bay werden spoedig overstemd en gesmoord door verwenschingen, die niet alleen geuit werden door hen, die uit grondbeginsel de slavernij toegedaan waren, maar zelfs door hen, die zich tot nu toe onverschillig voor het vraagstuk van den slavenhandel gevoeld hadden. En de vrienden en aanhangers van Texar zouden voorzeker van dien ommekeer der gevoelens en de gemoederen gebruik gemaakt hebben, om zich aan daden van geweld tegen James Burbank over te geven, wanneer de Spanjaard zelf hen niet weerhouden had.

»Laat af!” sprak hij bevelend.

En toen zijne makkers hem verwonderd aankeken, vervolgde hij:

»Laat begaan! James Burbank heeft zich zelven ontwapend!... Thans is hij ons!”

Die woorden, waarvan de lezer weldra de beteekenis zal begrijpen, waren voldoende, om zijne aanhangers van gewelddadigheden te doen afzien.

James Burbank werd dan ook in het geheel niet verontrust of lastig gevallen, toen de magistraten hem gezegd hadden, dat hij kon vertrekken. Bij afwezigheid zelfs van het geringste bewijsstuk, had men onmogelijk den eisch tot gevangenneming, door Texar gesteld, kunnen inwilligen.

Wanneer de Spanjaard, die zijne beweringen bleef volhouden, later deugdelijke en afdoende bewijzen zoude leveren omtrent de beweerde strafbare mededeelingen van James Burbank aan den vijand, dan zouden de overheden de vervolging hervatten. Maar tot zoolang moest de eigenaar van Camdless-Bay in vrijheid blijven.

Het is waar, die verklaring van de invrijheidstelling van het slavenpersoneel van Camdless-Bay, in het publiek afgelegd, zou later tegen de autoriteiten der stad en in het voordeel der muiterspartij aangewend worden.

Hoe het ook zij, hoewel James Burbank bij het verlaten van Court-Justice, door een menigte gevolgd werd, die zeer veel kwaadgezindheid jegens hem aan den dag legde, slaagden de politie-agenten er toch in, om te beletten dat gewelddadigheid werd gepleegd. Hij werd uitgejouwd, ja zelfs bedreigd; maar hij ondervond geen enkele daad van mishandeling. Blijkbaar beschermde de invloed van Texar hem.

James Burbank kon dus ongehinderd de havenkade bereiken, alwaar zijn vaartuig hem wachtte. Daar nam hij afscheid van master Harvey, zijn correspondent, die hem geen oogenblik verlaten had.

Toen hij in de boot gestapt was, werd dadelijk van wal gestoken, en dank zij der lichaamskracht zijner roeiers, was hij weldra buiten het bereik van het schelden en schreeuwen, waarmede het plebs van Jacksonville zijn vertrek had meenen te moeten begroeten.

Daar de eb zwaar doorstond, had het vaartuig, dat met den zeer sterken stroom te worstelen had, niet minder dan twee uren noodig, om de aanlegplaats van Camdless-Bay, alwaar de geheele familie en de gasten van Castle-House James Burbank stonden op te wachten, te bereiken. Het zal wel onnoodig zijn de vreugde te beschrijven van dien kleinen kring bij dat weerzien. Er hadden toch zooveel redenen bestaan om te vreezen, dat men den edelaardigen man weerhouden zou hebben.

»Dus niet weggebleven, paatjelief!” riep de kleine Dy, terwijl zij in de handjes klapte.

»Neen, neen! mijn dotje!” riep de gelukkige vader, terwijl hij het kleine meisje optilde en haar met kussen overdekte. »Neen, neen!... Ik had je beloofd om vóór het diner terug te zijn. En je weet, lieveling, dat ik mijne beloften steeds stipt nakom.”

»Ja, dat weet ik!” juichte het kind. »Ja, dat zie ik, beste papa!”

VIII.

De laatste slavin.

Dienzelfden avond, toen de kleine Dy te bed gebracht was, en de familie met hare vrienden te zamen vereenigd zat, stelde James Burbank allen op de hoogte van hetgeen in de gerechtszaal van Court-Justice voorgevallen was.

Hij deelde hen de hatelijke handelingen van Texar mede en stelde in het licht, hoe de dagvaarding, om voor de magistraten te verschijnen, aan den invloed van dien man en aan den aandrang van de lagere volksklasse van Jacksonville toe te schrijven was. Toch verdienden de magistraten slechts lof voor hunne houding in deze zaak. Op de beschuldiging van verstandhouding met de Noordelijken, hadden zij geantwoord met de opvordering van het bewijs der misdaad. En daar Texar dat bewijs niet had kunnen leveren, was James Burbank in vrijheid gelaten.

Intusschen viel het niet te ontkennen, dat te midden dier onbewezen beschuldigingen, de naam van Gilbert uitgesproken was geworden. Het scheen, dat niet in twijfel was getrokken geworden, dat de jonge man in de gelederen van de krijgsmacht der Noordelijken diende. En zou nu de weigering van James Burbank, om zich dienaangaande duidelijk te verklaren, niet als eene soort van erkenning uitgelegd worden?

Die omstandigheid verlevendigde de vrees en de angsten van mevrouw Burbank, van miss Alice en van die geheele familie, die zich toch al niet op haar gemak gevoelde. En die vrees was maar al te zeer gewettigd.

Zouden de woestelingen van Jacksonville, nu de zoon zich buiten hun bereik bevond, zich niet willen wreken op den vader?

Texar had ongetwijfeld gesnoefd, toen hij beloofd had, binnen weinige dagen het bewijs te leveren van de uitgesproken beschuldiging. Maar zou het niet mogelijk zijn, alles wel beschouwd, dat hij er in slaagde om dat bewijs in handen te krijgen? En wanneer dat geschiedde, dan zou de toestand in de hoogste mate onrustbarend worden. Dat moesten allen inderdaad erkennen.

»Mijn arme Gilbert!” riep mevrouw Burbank uit. »Te weten, dat hij zich zoozeer in de nabijheid van dien Texar bevindt, die tot alles in staat is om zijn doel te bereiken!”

»Ja, dat is die ellendeling!” beaamde James Burbank.

»Maar, zou men Gilbert niet op de hoogte kunnen stellen van hetgeen te Jacksonville voorgevallen is?” vroeg miss Alice.

»Mij dunkt van ja,” zei Edward Carrol.

»Mij dunkt, dat zoo iets moet geschieden,” beaamde master Walter Stannard. »Vooral zouden wij hem moeten aanbevelen, dat iedere onvoorzichtige daad zijnerzijds de meest noodlottige gevolgen voor zijne familie-betrekkingen en ook voor hem zelven zoude hebben.”

»Maar hoe in verbinding met hem te komen?” vroeg James Burbank bezorgd.

»Ja, hoe? Die vraag heb ik mij al gedaan,” zei Edward Carrol.

»Het is maar al te zeker,” ging James Burbank voort, »dat voortdurend spionnen rondom Camdless-Bay zwerven. Reeds is de bode, dien Gilbert ons toegezonden heeft, bij zijn terugkeer gevolgd en bespied geworden. Iedere brief, dien wij Gilbert zouden schrijven, loopt gevaar in handen van Texar te vallen. Ieder man, dien wij met eene mondelinge boodschap tot hem zouden zenden, loopt gevaar onderweg aangehouden te worden.”

»Dat is waar,” beaamde master Walter Stannard met een hoofdknik.

»Neen, vriend,” vervolgde de eigenaar van Camdless-Bay, »laten wij niets beproeven of ondernemen, hetgeen den toestand zou kunnen verergeren.”

»En geve de hemel!” zuchtte mevrouw Burbank, »dat het federalistisch leger Florida spoedig moge bezetten!”

»Ja, waarlijk, dat wordt inderdaad wenschelijk voor de minderheid der eerlijke lieden,” zei Walter Stannard, »die zoo ergerlijk door de meerderheid der schurken in het land bedreigd wordt.”

Inderdaad, James Burbank had gelijk. Het zou ten gevolge van het toezicht, dat ongetwijfeld rondom de plantage uitgeoefend werd, zeer onvoorzichtig zijn geweest, briefwisseling met Gilbert te houden. Daarenboven, het oogenblik naderde ras, waarin James Burbank en met hem alle noordelijk-gezinden onder de bescherming van het federalistisch leger volkomen in veiligheid zouden zijn.

En waarlijk, den volgenden morgen reeds zou de Commodore Dupont het anker lichten om van de reede te Edisto te vertrekken. Vóor dat drie dagen verloopen zouden zijn, zou men ongetwijfeld de tijding vernemen, dat de flottilje, na de kuststreek van Georgië voorbij gestevend te zijn, in de baai van Sint Andrews aangekomen was.

James Burbank vertelde toen ook de ernstige mededeeling, in tegenwoordigheid der magistraten van Jacksonville gedaan. Hij deelde mede, hoe hij genoodzaakt was geworden, door de uitdaging van Texar met betrekking tot de slaven van Camdless-Bay, om te handelen zooals hij deed. Door zijn goed recht en door zijn geweten gesteund, had hij in het openbaar de afschaffing der slavernij op zijn landgoed verklaard. Wat nog geen Zuidelijke Staat had durven afkondigen, zonder daartoe door wapengeweld genoodzaakt te zijn, had hij vrijwillig en geheel en al uit vrije beweging gedaan.

Die invrijheidstelling was even stoutmoedig als edelmoedig, voorwaar!

Welke zouden er de gevolgen van zijn? Dat kon natuurlijk niemand voorspellen.

Klaarblijkelijk evenwel was zij weinig geschikt, om den toestand van James Burbank minder bedreigd en onrustwekkend te midden van die slavenhoudende bevolking te maken. Misschien zou zij zelfs aanleiding geven, om de neiging tot opstand onder de slaven der andere plantages eenigermate voedsel te verschaffen.

Maar die bijomstandigheid mocht niet wegen! De familie Burbank, bewogen door de grootschheid der daad, keurde ten volle en geheel onvoorwaardelijk de gedragslijn van haar hoofd goed.

»James,” zei mevrouw Burbank, »wat er ook gebeuren moge, gij hebt gelijk gehad met de hatelijke insinuatiën, welke u door dien Texar, dien ellendeling, naar het hoofd geslingerd werden, te beantwoorden zooals gij gedaan hebt.”

»Wij zijn trotsch op u, vader,” vulde miss Alice aan, die voor den eersten keer aan master Burbank den naam van vader gaf, »ik sluit mij aan bij de gedachte van Gilberts moeder.”

»Gij hebt goed gehandeld, master James Burbank!” betuigden èn Edward Carrol èn Walter Stannard.

»En thans, geliefde dochter,” sprak de eigenaar van Camdless-Bay, terwijl hij Alice’s wangen streelde. »En thans, wanneer Gilbert en de federalistische troepen Florida zullen binnenrukken, dan zullen zij op mijn landgoed geen enkelen slaaf meer aantreffen.”

»Ik dank u, mijnheer Burbank,” sprak Zermah, »ik dank u voor mijne lotgenooten en voor mij.”

»Gij behoeft mij daarvoor niet te bedanken, Zermah,” zei James Burbank.

»Zeker, master Burbank, zijn wij u dank schuldig, voor de groote gave, die gij ons verleent,” antwoordde de mestische.

»Gij beschouwt dus de vrijheid als eene groote gave, Zermah?”

»Wat mij betreft, master Burbank,” vervolgde de kleurlinge, »ik heb nimmer den druk, van slavin te zijn, bij u gevoeld. Uwe goedheid en uwe edelaardigheid verschaften mij eene groote mate van vrijheid en ik gevoelde mij even vrij als thans.”

»Gij hebt volkomen gelijk, Zermah,” hernam mevrouw Burbank. »En verlies nimmer uit het oog, dat slavin of vrij, om het even, wij zullen u steeds liefhebben!”

Zermah poogde, maar tevergeefs, hare aandoening te verbergen. Zij greep de kleine Dy in hare armen, drukte haar aan hare borst en overdekte het kind zenuwachtig met kussen.

De heeren Edward Carrol en Walter Stannard hadden de hand van James Burbank gegrepen en drukten die met de meeste innigheid. Dat strekte hem duidelijk tot bewijs, dat zij zijne daad van stoutmoedigheid, maar ook van volkomen rechtvaardigheid in allen deele goedkeurden.

Blijkbaar vergat de familie Burbank onder den indruk dier edelaardige gevoelens, de verwikkelingen, welke uit die gedragslijn van haar hoofd voor de toekomst konden geboren worden.

Niemand dacht er dan ook aan te Camdless-Bay om James Burbank te gispen, of het zou ongetwijfeld de administrateur Perry moeten zijn, wanneer hij op de hoogte gesteld zoude wezen van hetgeen gebeurd was. Maar hij deed juist eene inspectie-reis op de plantage en zou eerst bij het vallen van den avond terugkomen.

Het was reeds laat toen men scheidde. James Burbank ging evenwel niet rusten alvorens verklaard te hebben, dat hij reeds den volgenden ochtend aan ieder zijner slaven hun bewijs van invrijheidstelling zoude overhandigen.

»Ik wensch daar haast mede te maken,” zei hij tot zijne huisgenooten en vrienden.

»Wij zullen bij u zijn, James,” antwoordde mevrouw Burbank, »wanneer gij hun zult mededeelen, dat zij vrij zijn.”

»Ja, dat zullen wij!” zei Edward Carrol.

»Ja, dat zullen wij allen!” voegde Walter Stannard er aan toe. »Niet waar, Alice?”

»Voorzeker papa!” antwoordde de jeugdige miss geestdriftvol.

»En ik ook, papa?” vroeg de kleine Dy vleiend aan haren vader.

»Ja, gij ook, lieveling!”

»Goede Zermah,” vervolgde het bekoorlijke kind, »zult gij ons thans gaan verlaten?”

»Neen, mijn kind!” antwoordde Zermah. »Wees gerust, ik zal u nimmer verlaten!”

»En nu, goeden nacht, allen!” sprak James Burbank, terwijl hij een kus met de eenen en een handdruk met de anderen wisselde.

»Goeden nacht!”

En iedereen ging naar zijne kamer, ook James Burbank, die alvorens evenwel zich vergewiste, dat alle veiligheidsmaatregelen voor Castle-House genomen waren.

De eerste persoon, dien de eigenaar van Camdless-Bay den volgenden ochtend in het park ontmoette, was juist de administrateur, master Perry. Daar het geheim van het gebeurde stipt bewaard was gebleven, zoo wist die waardige man nog van niets. Hij vernam spoedig evenwel alles uit den mond van James Burbank, die zich intusschen op de verbazing van master Perry voorbereid hield.

»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!” zei hij.

De brave kerel kon waarlijk in zijne verbijstering geen andere woorden uitbrengen dan:

»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!”

»Ontstel toch zoo niet, master Perry,” meende James Burbank ter bedaring van den waardigen administrateur te moeten zeggen.

»O! mijnheer James!... O! mijnheer James!” herhaalde deze schier wezenloos.

»Mijne handeling kon u toch niet zoo verrassen, Perry,” ging James Burbank voort. »Ik ben slechts de gebeurtenissen vooruitgeloopen. Gij weet, dat de bevrijding der negers eene daad is, welke zich opdringt aan elken Staat, die eenig begrip van zijne waardigheid heeft...”

»Van zijne waardigheid, master James?”

»Ja, van zijne waardigheid, Perry!”

»Wat heeft waardigheid hierbij te maken, master James?”

»Vat gij dat woord waardigheid niet, Perry? Welnu het zij zoo! Laten wij dan zeggen, dat de bevrijding der negers zich opdringt aan elken Staat, die zijne belangen behartigt.”

»Zijne belangen!... zijne belangen, master James!... Gij durft zeggen: die zijne belangen behartigt?”

»Zeker durf ik dat!”

»O, God!... O, God!” prevelde de administrateur wanhopend.

»En de toekomst zal zich met het bewijs van de degelijkheid belasten, waarde Perry,” vervolgde master James Burbank.

»Maar waar zal men voortaan het dienstpersoneel, voor de plantages benoodigd, aanwerven, mijnheer Burbank?”

»Dat zal steeds onder de vrije negers gevonden worden, Perry.”

»Maar wanneer de negers in vrijheid gesteld zullen zijn, zullen zij niet meer willen werken.”

»Integendeel, zij zullen met meer ijver werken, daar het niet meer gedwongen, maar vrijwillig zal geschieden; zij zullen ook met meer genoegen werken, daar hun toestand zooveel verbeterd zal worden.”

»Maar uwe slaven... master James?”

De slaven waren met hunnen gewonen arbeid bezig, te midden der rijstvelden. (Bladz. 114).

De slaven waren met hunnen gewonen arbeid bezig, te midden der rijstvelden. (Bladz. 114).

»Wat! mijne slaven, Perry? Wat bedoelt gij?”

»Uwe slaven zullen beginnen met ons te verlaten!”

»Het zou mij zeer verwonderen, waarde Perry, wanneer één enkele ook maar de gedachte koesterde om dat te doen.”

»Gij meent? God geve, dat gij gelijk hebt!”

»Gij zult zien dat ik gelijk heb.”

»Maar, o, God! Intusschen ben ik geen administrateur meer van de slaven van Camdless-Bay?”

»Gij zijt en blijft steeds de administrateur van het landgoed Camdless-Bay en ik vermeen dat uw toestand niet verminderd zal zijn door de omstandigheid, dat gij het opzicht over vrije menschen zult hebben, instede van bevelen aan slaven uit te deelen.”

»Maar...”

»Waarde Perry, ik moet u waarschuwen, dat ik op alle uwe »maren” een antwoord gereed heb, en geloof vrij: een steeds afdoend antwoord. Schik u dus in het onvermijdelijke en tracht vrede te hebben met een maatregel, die vroeg of laat toch moest getroffen worden en waaraan mijn gezin—ik voeg er dat uitdrukkelijk bij—zijne volle goedkeuring gehecht heeft.”

»En weten onze negers er reeds van, master James?...”

»Neen, nog niet,” antwoordde James Burbank. »En ik verzoek u, Perry, om er nog niet over te spreken.”

»Daaraan zal ik voldoen, master James,” beloofde de administrateur.

»Intusschen zullen zij heden die belangrijke tijding nog vernemen. Gij zult hun tegen drie ure in den namiddag in het park van Castle-House te zamen brengen...”

»En wanneer zij mij vragen, waartoe die samenkomst moet dienen, master James?”

»Dan kunt gij antwoorden, dat ik hun een belangrijke mededeeling te doen heb. En dat zal de volle waarheid zijn.”

Daarop vertrok de administrateur, terwijl hij groote gebaren van verbazing maakte en terwijl hij tusschen de tanden mompelde:

»Zwarten, die geen slaven meer zijn! Wie heeft dat ooit op een viool hooren spelen? Negers, die voor hun eigen rekening gaan werken! Zwarten, die verplicht zullen zijn in hunne eigen behoeften te voorzien! Dat is eene omwenteling, dat is eene omkeering van de sociale maatschappij. Dat is de omverwerping van alle menschelijke wetten! Dat is tegennatuurlijk!... Ja, tegennatuurlijk!”

James Burbank ging met Walter Stannard en Edward Carrol gedurende den voormiddag in een licht rijtuig een bezoek brengen aan een gedeelte der plantage, bij de noordelijke grens gelegen.

De slaven waren met hunnen gewonen arbeid bezig te midden der rijstvelden, te midden der koffie-aanplantingen en der suikerriettuinen. Dezelfde ijver werd ook in de werkloodsen, in de keten en in de houtzaagmolens opgemerkt. Het groote geheim was dus stipt bewaard geworden. Geen gemeenschap tusschen Jacksonville en Camdless-Bay, waar langs het nieuws verspreid had kunnen worden, had nog plaats gevonden; zoodat zij, die er het meest bij betrokken waren en er dus het meeste belang bij hadden, nog niets van de plannen van James Burbank afwisten.

Bij dat bezoek langs de meest blootgestelde grens der plantage, wilden James Burbank en zijne vrienden er zich van verzekeren, dat daar niets verdachts aangetroffen werd. Na de verklaring, daags te voren in het openbaar afgelegd, was het te vreezen, dat een gedeelte der bevolking van Jacksonville of van de naburige streek er toe aangezet werd, om naar Camdless-Bay te trekken. Tot nu toe werd daarvan evenwel niets bespeurd. Men had zelfs geen zwervers, anders zoo talrijk in die streken, aan den rivierkant, of op de Sint John zelve ontwaard. De Shannon, die tegen tien uren de rivier opstoomde, legde zelfs aan de pier van de kleine havenkom der plantage niet aan en vervolgde haren koers naar Picolata. Neen, noch bovenstrooms, noch benedenstrooms werd iets ontwaard, dat voor de bewoners van Castle-House onrustwekkend mocht heeten.

Een weinig vóór het middaguur keerden James Burbank, Walter Stannard en Edward Carrol naar het woonhuis terug en reden de brug van de ringgracht van het park over. De geheele familie wachtte hen met het ontbijt.

Men was nu meer gerustgesteld. Men praatte meer onbelemmerd. Het was alsof eene ontspanning, eene verandering in den toestand had plaats gehad. Ongetwijfeld hadden het plichtbesef en de geestkracht der magistraten van Jacksonville ontzag ingeboezemd aan de drijvers van de partij van Texar.

Wanneer dat nu het geval was en wanneer die staat van zaken nog slechts weinige dagen aanhield, dan zou Florida door de federalistische troepen onder Generaal Sherman bezet zijn en dan konden zich de voorstanders van de afschaffing der slavernij, hetzij zij van afkomst tot de Noordelijken, hetzij zij tot de Zuidelijken behoorden, in veiligheid in den Staat rekenen.

James Burbank wou dus overgaan tot de plechtigheid van de invrijheidstelling zijner slaven. Dat zou de eerste daad van dien aard zijn, welke vrijwillig in een Slavenstaat verricht zoude worden.

Van al de negers van de geheele plantage van Camdless-Bay, was er een, die wel het meest vergenoegd van allen zou wezen. Dat was een lummel van ongeveer twintig jaren, die Pygmalion—in het dagelijksch leven bij verkorting Pyg—geheeten werd. Pyg was bij den dienst van het woonhuis Castle-House zelve geplaatst en woonde dan ook in de bijgebouwen daarvan. Hij behoefde niet in het veld of in de werkplaatsen of keten of werven van Camdless-Bay te arbeiden. Het moet erkend worden, dat Pygmalion een bespottelijke kerel was, een snoever en een luiaard, van wien zijn meester uit goedhartigheid veel door de vingers zag.

Sedert de slaven-quaestie op het tapijt was gekomen, zette die lummel een hooge borst en men had hem eens moeten hooren hoogdravende volzinnen opdreunen over de vrijheid der menschen. Iedere gelegenheid greep hij aan, om pedante redevoeringen voor zijne rasgenooten te houden, die hem hartelijk in het gezicht uitlachten. Hij poogde eene belangrijke rol te vervullen, terwijl hij nauwelijks voor schoenpoetsen geschikt was. Maar daar hij, alles wel beschouwd, volstrekt niet kwaadaardig van inborst was, liet men hem praten. Maar de lezer zal wel reeds bevroeden welke twistredenen hij met den administrateur, master Perry, moest hebben, wanneer deze namelijk in eene gunstige stemming was, om naar hem te luisteren, alsook welke tevredenheid die lummel zal betuigen, wanneer hij in vrijheid zal gesteld zijn, en hij zich in zijne waardigheid van mensch hersteld zal gevoelen.

Zooals verhaald is, werd den negers bevolen zich tegen drie uren in het park van Castle-House te verzamelen. Dan zou hun eene belangrijke mededeeling gedaan worden door den eigenaar van Camdless-Bay.

Toen het vastgestelde uur naderde, begon het geheele personeel de barakken te verlaten en naar het park voor Castle-House toe te stroomen. Die brave lieden waren na hun middagmaal niet naar de werkplaatsen, naar de velden en ook niet naar de perceelen bosch gegaan, die geveld moesten worden. Zij hadden zich een weinig willen opschikken en hunne werkkleederen voor hun Zondagspak willen verwisselen, zooals trouwens gebruikelijk was, wanneer de poterne der palissadeering voor hen ontsloten werd. Er ontstond dus eene groote opgewektheid onder hen, een eindeloos heen en weer geloop van de eene hut naar de andere; terwijl de administrateur, master Perry, tusschen de barakken op en neer wandelde en tusschen de tanden mompelde:

»Als ik bedenk, dat in dit oogenblik nog handel te drijven is met die zwarten, dat zij nog steeds als koopwaar te beschouwen zijn! En over een uur, dan zal het niet meer geoorloofd zijn hen te koopen of te verkoopen! Ja, ja! ik herhaal het en ik zal het tot mijn laatsten ademsnik herhalen! Master Burbank heeft mooi praten en mooi handelen, en met hem de president der republiek Abraham Lincoln, en met den president Abraham Lincoln al de federalisten van het Noorden en met die al de vrijheidsgezinden van de beide halfronden, van de geheele wereld, ik blijf er bij: het is tegennatuurlijk!”

Trok hij hem duchtig aan zijne ooren, die toch al reeds eene vrij aanzienlijke lengte bezaten. (Bladz. 118).

Trok hij hem duchtig aan zijne ooren, die toch al reeds eene vrij aanzienlijke lengte bezaten. (Bladz. 118).

In dit oogenblik van innerlijke opgewondenheid bevond de waardige administrateur zich eensklaps van aangezicht tot aangezicht met Pygmalion.

»Zoo ben jij daar?” vroeg hij den neger.

»Ja, master Perry!” antwoordde deze.

»Het is je geluk, dat je bijtijds bent.”

»Dat ben ik altijd, als ik geroepen word,” zei de vlegel vrij brutaal. »Maar waarom worden wij opgeroepen, master Perry? Wilt gij de goedheid hebben mij dat te zeggen?”

»Zeker, domoor! Het is om je...”

Maar plotseling zweeg de administrateur stil. Hij bedacht, dat het hem verboden was de reden der samenkomst te verraden. Toen viel hem eene gedachte in.

»Kom hier, Pyg!” zeide hij.

Pygmalion naderde.

»Luister. Ik trek je wel eens aan je ooren, niet waar, lummel?”

»Ja, master Perry, dat doet gij, omdat gij daartoe het recht hebt, al strijdt dit ook met alle rechtvaardigheid, hetzij van goddelijken of menschelijken oorsprong!”

»Dus, je erkent, dat ik dat recht heb, niet waar?”

Pygmalion knikte ja.

En zonder zich toen om de kreten van den kerel te bekommeren, of zich daardoor te laten weerhouden, trok hij hem, hoewel hij zorgde hem daarbij niet te veel pijn te doen, duchtig aan zijne ooren, die toch al reeds eene vrij aanzienlijke lengte bezaten. Waarlijk, het schonk den administrateur eene soort van verlichting, nu hij nog eens, misschien wel voor den laatsten keer, zijn recht op een der slaven van de plantage kon doen gelden.

Toen het drie uren sloeg, verschenen James Burbank en zijne huisgenooten op het perron van Castle-House. Voor hen stonden op het groote grasveld voor het heerenhuis zevenhonderd slaven, mannen, vrouwen en kinderen gegroepeerd. Onder hen bevonden zich zelfs een twintigtal oude negers, grijsaards in den volsten zin des woords, die, toen erkend werd dat zij voor iederen arbeid ongeschikt waren, eene veilige toevlucht voor hun ouden dag in de barakken van Camdless-Bay gevonden hadden.

Zoodra de familie Burbank op het perron verscheen, trad eene diepe stilte in.

Master Perry en zijne onderopzieners deden op een gebaar van James Burbank, het personeel tot bij de trappen van Castle-House naderen, opdat allen de mededeeling, welke gedaan zoude worden, duidelijk zouden hooren.

Toen allen aandachtig en met open mond luisterden, nam de eigenaar van Camdless-Bay het woord.

»Vrienden,” sprak hij, »gij weet dat een burgeroorlog, die reeds al te lang duurt en helaas! maar al te veel bloed gekost heeft, de bevolking van onze Vereenigde Staten van Noord-Amerika verdeelt. De ware oorzaak van dien oorlog is de slavenquaestie. Het Zuiden, dat zich slechts door een gevoel van eigenbelang heeft laten leiden, heeft het behoud der slavernij geëischt. Het Noorden, hetwelk in het belang der menschheid handelde, wilde die menschonteerende instelling uitroeien. God heeft de verdedigers van die rechtvaardige zaak gezegend en de overwinning heeft zich reeds meermalen ten voordeele van hen verklaard, die voor de bevrijding van een geheel menschenras strijden.

»Niemand is er onbekend mede, dat ik, getrouw aan mijne afstamming, steeds de meening der Noordelijken gedeeld heb, zonder evenwel in de gelegenheid gekomen te zijn, haar in de praktijk te kunnen toepassen. Nu hebben zich sedert gisteren zoodanige omstandigheden voorgedaan, dat ik in staat ben het oogenblik te verhaasten, om mijne daden en handelingen in overeenstemming met mijne meeningen te brengen.

»Luistert nu goed naar hetgeen ik u ook namens mijne geheele familie mede te deelen heb.”

Een dof gemompel van aandoening liep door de verzamelde menigte. Dat duurde evenwel slechts zeer kort; want bij het herhaald shut! shut! van master Perry en van zijne opzieners verstomde het dadelijk.

James Burbank uitte toen met eene heldere stem, die door iedereen duidelijk vernomen werd, de navolgende verklaring:

»Van heden af, den 28sten Februari 1862, zijn al de slaven van mijne plantage in vrijheid gesteld en bijgevolg van alle verplichte dienstbaarheid ontslagen. Zij kunnen onbeperkt over hunne eigene persoon beschikken. Er bevinden zich thans slechts vrije menschen op Camdless-Bay!”

De eerste uiting, dat zich van die nieuw bevrijden vernemen liet, was een doordringend hoerageschreeuw, hetwelk van alle kanten losbarstte. De armen strekten zich uit en bewogen, de handen wuifden ten teeken van dank. De naam van Burbank werd luide verheerlijkt. Allen drongen naar het perron. Mannen, vrouwen en kinderen wilden de handen kussen van hunne bevrijders. Het was eene onbeschrijfelijke geestdrift, welke zich daar ontwikkelde en die te meer aangrijpend was, daar zij niet voorbereid was, dus geheel onverwacht kwam. De lezer zal kunnen oordeelen, hoe Pygmalion zich als een bezetene aanstelde, hoe hij gesticuleerde en een voorname houding trachtte aan te nemen.

Toen trad een oude neger, de deken als het ware van het personeel, vooruit, steeg de trappen van het perron op en daar aangekomen, verhief hij het grijze hoofd en sprak met eene diep bewogen stem:

»In naam van de slaven van Camdless-Bay, die thans vrij zijn, dank ik u, master Burbank, dat gij ons de eerste woorden van bevrijding hebt doen hooren, die in den Staat Florida uitgesproken zijn!”

Terwijl hij zoo sprak, was de oude neger langzaam nader getreden. Hij had de handen van James Burbank gegrepen en overdekte die met kussen; en toen de kleine Dy hem de mollige armpjes toestak, greep hij het kind, keerde zich om en vertoonde het zoo op zijn arm gezeten, aan zijne overgelukkige lotgenooten.

»Hoera!... Hoera, voor master Burbank!”

Die kreet weerklonk machtig en geweldig door de lucht en moest te Jacksonville aan de overzijde der Sint John gehoord worden, alwaar hij de tijding overbracht van de grootsche daad van menschenmin, die verricht was.

De familie Burbank stond daar diep bewogen. Tevergeefs poogde ieder harer leden die teekenen van geestdrift te doen bedaren. Eindelijk gelukte het aan Zermah, om eenigermate stilte te verkrijgen toen zij naar het perron toetrad, om op hare beurt het woord te voeren.

»Vrienden,” zei zij, »wij zijn thans vrij, dank zij der edelmoedigheid en der menschlievendheid van hem, die onze meester en de beste van alle meesters was!”

»Ja, ja!...” riepen honderden stemmen uit in eene edelaardige opwelling van dankbaarheid.

»Ieder onzer kan dus voortaan over zijn eigen persoon beschikken,” ging Zermah voort.

»Ja!... Ja!...” joelde de menigte.

»Ieder onzer kan dus de plantage verlaten, als hij dat wil. Hij is vrij en mag dus vrij handelen, zooals hem dat door zijn belang ingegeven wordt,” vervolgde de mestiesche.

»Ja!... Ja!...” jubelden de negers en negerinnen.

»Wat mij betreft,” ging Zermah steeds voort, zonder zich van haar stuk te laten afbrengen, »ik zal slechts den aandrang van mijn hart volgen en ik houd mij overtuigd, dat het meerendeel uwer niet anders zal handelen dan ik zal doen....”

»Laat hooren!... Laat hooren!...” riepen vele stemmen.

»Het is ruim zes jaren geleden, toen ik op Camdless-Bay aangebracht werd. Ik heb er met mijn echtgenoot tevreden geleefd en wij wenschen er ons leven te eindigen!”

Zoodra de familie Burbank op het perron verscheen, trad eene diepe stilte in. (Bladz. 118.)

Zoodra de familie Burbank op het perron verscheen, trad eene diepe stilte in. (Bladz. 118.)

»Wij ook!... Wij ook!...” riep de overgroote meerderheid.

»Ik verzoek master Burbank dus,” vervolgde de kleurlinge, »om ons bij zich te houden nu wij vrij zijn, zooals hij ons bij zich hield, toen wij zijne slaven waren.... Dat zij dus, wiens wensch dat ook is....”

»Allen!... Allen!... Wij allen wenschen dat!”

En die woorden, duizendvoudig herhaald, verkondigden genoegzaam, welke edele waardeering de eigenaar van Camdless-Bay genoot, welke vriendschapsband en welke gevoelens van dankbaarheid hem met al die vrijgestelden van zijn landgoed verbonden.

James Burbank nam toen het woord. Hij verklaarde, dat allen, die zulks zouden verlangen, op de plantage konden blijven, zelfs nu hun toestand, hunne omstandigheden gewijzigd waren. Men behoefde nu slechts de belooning van den vrijwilligen arbeid en de rechten van de nieuw vrijgestelden te regelen.

De eigenaar van Camdless-Bay voegde er bij, dat eerst en vooraf de nieuwe toestand wettig bevestigd moest worden. Daarom zou iedere neger, zoowel voor zich zelven als voor zijn gezin, eene akte van invrijheidstelling ontvangen, die hem veroorloven zoude den rang en de plaats in de maatschappij in te nemen, die hem rechtens toekwamen.

Dat werd dadelijk door de goede zorgen van den administrateur Perry, geholpen door de onderopzieners, ten uitvoer gebracht.

Daar James Burbank reeds sedert lang voornemens geweest was zijne slaven in vrijheid te stellen, zoo had hij die documenten bijtijds doen in gereedheid brengen, en iedere neger ontving het zijne met alle teekenen der innigst gevoelde dankbaarheid.

Het einde van dien heugelijken dag werd aan vreugdebedrijven gewijd. Zou ook al het geheele personeel den volgenden dag den arbeid met ijver en vlijt hervatten, deze dag moest in eene feestelijke stemming doorgebracht worden.

De familie Burbank, welke tusschen de gelukkigen, die zij gemaakt had, bleef verwijlen, ontving de meest hartelijke en oprechte betuigingen van vriendschap, zoowel als de verzekering eener onbegrensde toewijding.

Middelerwijl dat alles plaats vond, stapte de administrateur Perry, na de bezorging der akten van invrijheidstelling geregeld te hebben, te midden zijner oude kudde van menschelijke wezens, als eene ziel in het vagevuur op en neer, en antwoordde op de vraag van James Burbank:

»Wel, Perry, wat zegt gij er van!”

»Wat ik zeg, master James? Ik zeg alleen en blijf er bij, dat al zijn die Afrikanen ook al vrij verklaard, zij daarom niet minder in Afrika geboren en dat zij ook niet van kleur veranderd zijn! Dus daar zij dientengevolge zwart ter wereld gekomen zijn, zullen zij wel zwart blijven, en zwart sterven....”

»Maar zij zullen als blanken leven,” hernam James Burbank glimlachend, »en dat is, dunkt mij, het voornaamste!”

Dien avond vereenigde het diner de geheele familie Burbank en hare gasten, die allen de toekomst vol vertrouwen te gemoet zagen, rondom de tafel van Castle-House. Vooral de eigenaar van Camdless-Bay gevoelde zich gelukkig en genoot het bewustzijn zijner daad ten volle. Nog weinige dagen, dan zou de veiligheid in Florida ten volle verzekerd zijn. Daarenboven, geen enkele Jobs-tijding was van Jacksonville ontvangen. Het was toch niet onmogelijk, dat de houding van James Burbank voor de magistraten van Court-Justice op het meerendeel der bewoners een voldoenden gunstigen invloed had gehad.

Ook master Perry, de administrateur van Camdless-Bay, die wel genoodzaakt was, zich bij de genomen maatregelen, die hij niet had kunnen verhinderen, neer te leggen, woonde dat diner bij. Hij was zelfs geplaatst tegenover den deken der negers, die door James Burbank opzettelijk uitgenoodigd was, om in diens persoon goed te doen uitkomen, dat de invrijheidstelling, aan hem en zijne lotgenooten verleend, geen ijdele verklaring in mond of gedachte van den eigenaar van Camdless-Bay was.

Buiten barstten allerwege vreugdekreten los, en het park van Castle-House werd prachtig verlicht met illumineerglazen en feesttoortsen, die allerwege ontstoken waren en zelfs op de verst verwijderde punten van de plantage schitterden. Bij het eindigen van het feestmaal vertoonde zich eene deputatie der negers, die aan de kleine dochter van den eigenaar een prachtigen bouquet aanboden, voorzeker de mooiste, dien »mejuffrouw Dy Burbank van Castle-House” ooit ontvangen had.

Natuurlijk werden plichtplegingen en dankzeggingen, waarbij de gemoederen zeer aangedaan waren, over en weer gewisseld.

Daarna ging ieder naar huis en begaf de familie Burbank zich naar de hal van het woonhuis, in afwachting dat het uur gekomen zoude zijn, om zich naar de slaapvertrekken te begeven.

Het scheen een ieder toe, dat een dag, die zoo goed begonnen en zoo goed besteed was, niet dan prettig zou kunnen eindigen.

Het was ongeveer acht uren in den avond. Alles was rustig op de geheele plantage en de meening mocht gegrond heeten, dat niets die rust zoude komen storen, toen eensklaps buiten af een gerucht van verscheidene stemmen vernomen werd.

James Burbank stond dadelijk op en ging de groote deur der hal openen.

Buiten stonden ettelijke personen, die met luide stem met elkander praatten, onder aan de trap van het perron te wachten.

»Wie is daar?” vroeg James Burbank.

»Ik ben het, master Burbank,” antwoordde een der opzieners van de plantage, die daarbij zijn naam noemde.

»En wat is er?”

»Er is bij de aanlegplaats van de havenkom een vaartuig aangekomen, mijnheer Burbank,” antwoordde de opziener.

»En vanwaar komt dat vaartuig?”

»Van de overzijde der rivier.”

»Wie bevindt zich aan boord?”

»Een bode, die vanwege de magistraten van Jacksonville naar u toegezonden is.”

»Een officieele bode?”

»Ja, master Burbank.”

»En, wat verlangt hij?”

»Hij verzoekt u een mededeeling te mogen doen.”

»Zoo!”

»Mag hij aan wal stappen?”

»Wel zeker, verzoek hem om hier te komen.”

Mevrouw Burbank was haren echtgenoot genaderd. Ook miss Alice was vlug op een der vensters van de hal toegetreden, terwijl master Walter Stannard en master Edward Carrol naar de deur gingen. Zermah, die het handje van de kleine Dy gegrepen had, was opgestaan.

Allen hadden er al een voorgevoel van, dat eene ernstige verwikkeling op til was.

De opziener was naar de aanlegplaats teruggekeerd en tien minuten later bracht hij den bode op Castle-House, die door het vaartuig van Jacksonville naar Camdless-Bay was overgebracht.

Dat was een man, die in de uniform der militie van het graafschap gekleed was. Hij werd de hal binnengeleid en vroeg den heer Burbank te spreken.

»Dat ben ik,” antwoordde de eigenaar van Camdless-Bay. »Wat verlangt gij van mij?”

»Mij is opgedragen u dezen brief te overhandigen,” antwoordde de bode.

Hij reikte hem een grooten omslag van officiëelen vorm over, die in een der hoeken het zegelstempel van Court-Justice voerde.

James Burbank brak den briefomslag open en las het volgende:

»Bevel van de nieuw opgetreden autoriteiten te Jacksonville, dat iedere slaaf, die, in weerwil der besluiten van de Zuidelijken, in vrijheid zal gesteld zijn, onmiddellijk van het grondgebied van den Staat zal verwijderd worden.

»Aan dezen maatregel zal binnen de tweemaal vierentwintig uren uitvoering gegeven moeten zijn. In geval van weigering zal die verwijdering door den sterken arm geschieden.

»Uitgevaardigd te Jacksonville, den 28sten Februari 1862.

»Texar.”

De regeering, waarin de eerlijke lieden vertrouwen konden stellen, was omvergeworpen en de Spanjaard Texar, gesteund door zijne aanhangers, was thans aan het hoofd van het stedelijke bestuur van Jacksonville gekomen.

James Burbank dacht een oogenblik na.

»Wat moet ik antwoorden?” vroeg de bode.

»Niets!” hernam James Burbank.

De bode vertrok en werd naar zijn vaartuig teruggeleid, dat dadelijk van de aanlegplaats afstak en naar de overzijde van de rivier geroeid werd.

Dus op bevel van dien ellendigen Spanjaard zouden de gewezen slaven van de plantage Camdless-Bay verwijderd en heinde en verre verspreid worden! Dus door het feit, dat zij in vrijheid gesteld waren, zouden zij het recht missen om in vrijheid op het grondgebied van Florida te mogen leven! Camdless-Bay zou van zijn geheel personeel verstoken zijn, waarop James Burbank ten volle had kunnen rekenen om de plantage te verdedigen!

»Op die voorwaarden bevrijd?” vroeg Zermah.

»Gij ziet het, Zermah,” antwoordde James Burbank, terwijl hij op het noodlottige papier wees. »Kom hier en lees!”

»De vrijheid voor dien prijs!” vervolgde de mestiesche vrouw vertoornd en opgewonden. »Neen, dat nooit! Ik weiger de vrijheid. En daar het gemis mijner vrijheid noodig is, om bij u, waarde meester, te mogen blijven, wil ik liever weer slavin worden!”

En hare bevrijdings-akte grijpende, verscheurde Zermah dat document en viel toen voor de voeten van James Burbank op den grond neder.