James Burbank, zijne beide makkers en het meerendeel der negers waren geheel tot het gevecht gereed.
Zij hadden slechts den aanval af te wachten. Alle maatregelen waren genomen, om zich eerst achter de palissadeering der omwalling, die het park omgaf, te verdedigen, vervolgens achter de muren van Castle-House, alwaar men beschutting zoude zoeken voor het geval namelijk, dat het park door de overmacht overrompeld en genomen zoude worden.
Het was omstreeks vijf uren, toen verwijderd geschreeuw, dat evenwel reeds duidelijk weerklonk, er op duidde dat de aanvallers niet meer ver af waren. Op hun getier afgaande, was het gemakkelijk te gissen, dat zij thans het geheele noordelijke gedeelte van de plantage bezetten. Op menig punt dwarrelden dikke rookwolken boven het woud, dat aan dien kant den gezichteinder begrensde.
De houtzaagmolens waren in brand gestoken, zoo ook de barakken der negers, nadat zij vooraf geplunderd waren geworden. Die arme sukkels hadden den tijd niet gehad, om hunne schamele have en goed in veiligheid te brengen en die zij nu hadden moeten achterlaten in hunne hutten, waarvan zij na hunne invrijheidstelling door schenking van den eigenaar van Camdless-Bay, ruim een dag geleden, bezitters waren geworden.
Men kan begrijpen, welke wanhoopskreten, welke kreten van woede het gehuil van den aanvallenden troep beantwoordden. Het was toch hun goed, dat daar door die onverlaten, die de plantage overvielen, vernield werd.
Het geschreeuw en getier naderde inmiddels langzamerhand Castle-House. Angstverwekkende vuurstralen verlichtten den noordelijken gezichteinder, alsof de zon in die richting bloedrood ware ondergegaan. Soms joeg de wind met een zwarten rook, een heeten luchtstroom naar den kant van het heerenhuis. Geweldige knallen, afkomstig van het brandende droge hout, dat in de timmerwerven en in de houtstapelplaatsen van de plantage opgehoopt lag, werden vernomen. Weldra duidde eene nog geweldiger losbarsting aan, dat een stoomketel van een der houtzaagmolens in de lucht gesprongen was.
In één woord, de naderende verwoesting uitte zich onder de verschrikkelijkste vormen.
James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard bevonden zich in dit oogenblik voor de poterne der binnenomwalling. Daar verbeidden zij de laatste detachementen negers, die op het heerenhuis terugtrokken, en stelden hen doelmatig op. Men moest er op bedacht zijn, dat de aanvallers ieder oogenblik te voorschijn konden treden. Een sterker onderhouden geweervuur zou ongetwijfeld het tijdstip aankondigen, dat zij zich nog slechts op een korten afstand van de palissadeering zouden bevinden.
Zij zouden de omwalling des te gemakkelijker kunnen berennen, daar de eerste boomgroepen zich op slechts vijftig passen van de palissadeering bevonden, zoodat het hen mogelijk was gedekt te naderen en hunne kogels af te zenden nog vóór dat hunne geweren ontwaard werden.
Na een oogenblik beraadslaagd te hebben, achtten James Burbank en zijne vrienden het oogenblik gekomen, om hun personeel achter de palissadeering in veiligheid te brengen. Daar zouden diegenen der negers, die gewapend waren, minder blootgesteld zijn, wanneer zij door den hoek, gevormd door de aangepunte uiteinden van twee aan elkander grenzende palissaden, vuur zouden geven.
Wanneer de aanvallers dan zouden willen beproeven om den overgang van de ringgracht te bewerkstelligen, dan zou men wellicht er in slagen, hen met groot verlies terug te drijven.
Die maatregel werd ten uitvoer gelegd.
De negers rukten naar binnen, en de poterne zou gesloten worden, toen James Burbank nog een blik op het voorgelegen terrein willende werpen, eensklaps een man ontwaarde, die uit al zijn macht rende, alsof hij te midden der verdedigers van Castle-House eene toevlucht wilde komen nemen.
Dat was ook blijkbaar het doel van dien man. Eenige geweerschoten, op hem gelost, knalden hem achterna, zonder hem evenwel te treffen; met een sprong als het ware vloog hij het bruggetje over en bevond hij zich weldra in de omheining, waarvan de poort dadelijk achter hem gesloten, behoorlijk gegrendeld en verzekerd werd, in veiligheid.
»Wie zijt gij?” vroeg hem James Burbank.
Maar de man kon hem niet antwoorden, zoozeer was hij buiten adem van het snelle loopen.
Na een poos gewacht te hebben, ten einde hem tijd te gunnen om tot verhaal te komen, herhaalde de eigenaar van Camdless-Bay zijne vraag:
»Wie zijt gij?”
»Een der geëmployeerden van master Harvey, uwen correspondent te Jacksonville,” antwoordde de man.
»Zijt gij door mijnheer Harvey gezonden?”
»Ja, master Burbank.”
»Om eene mededeeling over te brengen?”
»Ja, en daar de rivier streng bewaakt werd, kon ik onmogelijk den kortsten weg langs de Sint John nemen.”
»Hoe hebt gij toen gedaan?”
»Ik heb mij bij de militietroepen gevoegd.”
»Bij de militietroepen? Bij de aanvallers dus?” vroeg James Burbank.
»Ja, master Burbank.”
»Maar hoe hebt gij dat kunnen doen?”
»Die troepen worden door een geheele bende plunderaars gevolgd...”
»En?”
»Ik heb mij onder hen gemengd en ben met hen meegegaan.”
»Maar, verder?”
»Verder is er niets. Toen ik hier in de nabijheid kwam en de kans schoon zag om de plaat te poetsen, heb ik dat gedaan en had slechts het gevaar van eenige achterna gezonden geweerschoten te trotseeren.”
»Ik dank u, mijn vriend, voor uw opofferend moedbetoon,” antwoordde James Burbank.
»Mij moet gij niet danken, maar master Harvey, die mij gezonden heeft.”
»Gij hebt zeker een brief van Harvey aan mijn adres?”
»Ja, master Burbank. Hier is hij.”
»Ik dank u, mijn vriend.”
James Burbank nam den brief en las dien met alle aandacht.
De heer Harvey zeide daarin, dat hij alle vertrouwen kon stellen in John Bruce, zijn bode, omtrent wiens toewijding hij verzekerd kon zijn. Na dien man in verhoor genomen te hebben, zou de eigenaar van Camdless-Bay overwegen, wat ter beveiliging zijner familieleden en zijner makkers gedaan moest worden.
Maar in dit oogenblik knetterden buiten een twaalftal geweerschoten. Daar was dus iets aan de hand en er mocht natuurlijk geen tijd verloren worden. Toen hij zich evenwel omtrent den stand van zaken vergewist had, kwam hij haastig bij John Bruce terug.
»Wat laat master Harvey door uwe tusschenkomst mij weten?” vroeg hij.
»Vooreerst, dat de gewapende troep, die de rivier overgestoken is,” antwoordde John Bruce, »om tegen Camdless-Bay op te rukken, veertien- of vijftienhonderd man sterk is.”
»Ik had hem ook op die sterkte geschat,” zei master James Burbank. »Maar verder?”
»Wat wenscht gij verder te weten, master Burbank?”
»Staat Texar aan het hoofd van dien troep?”
»Dat heeft master Harvey onmogelijk kunnen te weten komen,” antwoordde John Bruce. »Wat evenwel voor zeker aangenomen kan worden, dat is, dat Texar zich sedert vier-en-twintig uren niet meer te Jacksonville bevindt.”
»Daarachter moet weer eene nieuwe kuiperij van dien ellendeling schuilen, meent gij ook niet?” vroeg James Burbank.
»Ja, master Burbank,” antwoordde John Bruce.
»En wat denkt uw heer er van?”
»O, master Harvey deelt dezelfde meening. Daarenboven....”
»Wat wilt ge zeggen?”
»Daarenboven, master Burbank, Texar heeft niet noodig tegenwoordig te zijn om het bevel tot uiteenjaging der vrijgestelde slaven ten uitvoer te doen brengen...”
»Uiteenjaging?...”
»Ja, uiteenjaging, master Burbank, dat is tegenwoordig de gebezigde term.”
»Uiteenjaging!...” ging James Burbank vertoornd voort. »Uiteenjaging... ja door brandstichting en plundering!”
»Master Harvey is dan ook van meening...”
»Spreek vrij uit, John Bruce!”
»Dat nu het nog tijd is, gij wèl zoudt doen met uw gezin in veiligheid te stellen...”
»Hoe bedoelt gij?”
»Ik bedoel niets, master Burbank. Ik spreek slechts uit naam van master Harvey.”
»Nu, wat bedoelt master Harvey dan?”
»Dat uw gezin dadelijk Castle-House moet verlaten,” antwoordde John Bruce.
»Maar Castle-House is in staat om weerstand te bieden,” hernam James Burbank. »Ik ben vast besloten het heerenhuis niet te verlaten, dan wanneer de toestand onhoudbaar zal worden.”
»Dat is een onvoorzichtig besluit, master Burbank.”
»Dat is mogelijk; maar... ik kan niet anders handelen.—Is er overigens geen nieuws te Jacksonville?”
»Niets, master Burbank.”
»Hebben de federalistische troepen nog geene beweging naar de grenzen van Florida gemaakt?”
»Geen enkele, sedert zij de havenplaats Fernandina en de baai Sint-Mary bezet hebben.”
»Het doel van uwe zending is dus, master Bruce...?”
»Vooreerst om u mede te deelen, dat het uiteenjagen der vrijgestelde slaven slechts een voorwendsel is...”
»Een voorwendsel?...”
»Ja, een voorwendsel, om uwe plantage te kunnen verwoesten en om uwen persoon in handen te krijgen!”
»Weet gij dus niet,” drong James Burbank verder aan, »of Texar zich aan het hoofd van die bende boosdoeners bevindt?”
»Neen, master Burbank. De heer Harvey heeft al het mogelijke gedaan om dat te weten te komen, maar te vergeefs.”
»Dat is jammer.”
»Ik zelf heb, sedert ik in gezelschap van de bende plunderaars Jacksonville verlaten heb, daaromtrent niets, volstrekt niets kunnen vernemen.”
»Zijn er veel mannen van de militietroepen bij die bende aanvallers aanwezig?”
»Hoogstens een honderdtal, master Burbank.”
»Dat is niet veel.”
»Neen, maar....”
»Maar wat?”
»Dat grauw, hetwelk in hun gevolg medegekomen is, bestaat uit de ergste misdadigers van het geheele land. Texar heeft die gemeene kerels doen wapenen, en....”
»Nu, ga voort, master Bruce.”
»En het is te vreezen, dat dezen zich aan de grootste uitspattingen zullen schuldig maken. Ik herhaal het, master Burbank, dat het de meening van master Harvey is, dat gij wèl zoudt doen door Castle-House dadelijk te verlaten.”
»Dat is onmogelijk! Waar zou ik heen moeten gaan met de mijnen?”
»Gij laat mij niet uitspreken, master Burbank.”
»Welnu dan, ga voort.”
»Bij dien raad heeft master Harvey mij tevens opgedragen, u mede te deelen, dat hij zijn buiten Hampton Red ter uwer beschikking stelt.”
»Hampton Red?... Waar ligt dat?”
»Ongeveer tien mijlen bovenstrooms, op den rechteroever der Sint John. Daar zult gij althans gedurende eenige dagen in veiligheid zijn....”
»Ja.... dat zou kunnen....”
»Welnu, ik kan er uw gezin en ook u zelven, zonder dat iemand zulks gewaar zal worden, brengen, evenwel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat gij Castle-House dadelijk zult verlaten, om te voorkomen dat u de nu nog mogelijke aftocht afgesneden wordt...”
»Ik dank den heer Harvey en ook u, goede vriend...” antwoordde James Burbank.
»Dat is alles goed en wel... Maar neemt gij het voorstel aan?... Gij moet dadelijk beslissen.”
»Integendeel, master Bruce.... Zoo erg zie ik den toestand niet in.”
»Zooals gij wilt, master Burbank,” antwoordde John Bruce. »Ik blijf in ieder geval ter uwer beschikking....”
»Keert gij niet naar Jacksonville terug?”
»Neen, ik blijf bij u, voor het geval gij mijne hulp mocht behoeven.”
»Dat blijft dan afgesproken,” zei James Burbank, terwijl hij hem de hand drukte.
De aanval, die thans in werkelijkheid begon, nam de geheele aandacht van den eigenaar van Camdless-Bay in beslag.
Een vreeselijk geweervuur ontbrandde plotseling, zonder dat men de aanvallers nog kon ontwaren, die zich zorgvuldig achter de voorste rij boomen gedekt hielden. De kogels kletterden als een zware hagelslag tegen de palissadeering, zonder daaraan wel is waar groote schade aan te richten.
Ongelukkig konden James Burbank en zijne makkers dat geweervuur slechts flauw beantwoorden, daar zij ternauwernood een veertigtal vuurwapens ter hunner beschikking hadden. Maar daar zij in betere stellingen stonden en betere gelegenheid hadden om rustig te schieten, waren hunne schoten veel wisser dan die der militie-troepen, welke zich aan het hoofd der aanvalskolonne bevonden. Het gevolg daarvan was, dat een zeker getal der laatstbedoelden op de grens van het bosch getroffen werd.
Dat gevecht op een afstand duurde ongeveer een half uur en viel natuurlijk geheel in het voordeel van de verdedigers van Camdless-Bay uit.
Nu ijlden de aanvallers naar de omwalling, om haar stormenderhand te veroveren. Daar zij haar op verscheidene punten tegelijk wilden aantasten, hadden zij een voorraad planken en balken, afkomstig van de timmerwerven der plantage, die nu in brand stonden, medegenomen.
Die balken werden op twintig plaatsen tegelijk dwars over de ringgracht geworpen en veroorloofden aan de aanvallers om den teen der palissadeering te bereiken, evenwel niet zonder ernstige verliezen aan dooden en gekwetsten ondervonden te hebben.
Eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand. (Bladz. 162).
Toen klemden zij zich aan de palissaden vast, zij heschen elkander op; maar zij slaagden er niet in om de omwalling te overschrijden. De negers, die ten zeerste verbitterd tegen die brandstichters waren, dreven hen met waren heldenmoed terug. Het bleek evenwel bij deze gelegenheid helder als de dag, dat de verdedigers van Camdless-Bay niet op alle punten, die door den overmachtigen vijand bedreigd werden, tegelijk konden optreden.
Toch slaagden zij er in, om tot het invallen van den nacht den weerstand te rekken. Weinige hunner waren gewond geworden en dan nog niet eens ernstig. James Burbank en Walter Stannard, hoewel zij zich, om het voorbeeld van stoutmoedigheid te geven, meermalen roekeloos blootgesteld hadden, waren zelfs niet geraakt geworden.
Edward Carrol alleen werd door een kogel getroffen, die hem zeer pijnlijk het vleezige gedeelte van den schouder doorboorde. Hij was verplicht zich naar het heerenhuis te begeven, alwaar hij door mevrouw Burbank, door miss Alice en door Zermah op de meest liefderijke wijze verbonden en verpleegd werd.
Intusschen was de nacht gekomen en deze zou met zijne duisternis den aanvallers ten goede komen.
Een vijftigtal der dappersten, van die gunstige omstandigheid gebruik makende, konden tot bij de poterne naderen en begonnen dadelijk haar met bijlslagen aan te tasten. De poortbladen waren evenwel voldoende stevig en weerstonden dien aanval. Die poging zou voorzeker schipbreuk geleden hebben, en nimmer zouden die mannen hebben kunnen binnendringen, wanneer niet eene stoutmoedige daad eene bres voor hen geopend had.
En inderdaad, eensklaps stond een gedeelte der bijgebouwen van Castle-House in brand, en de vlammen, die in dat droge hout, waaruit die gebouwen bestonden, een gereed voedsel gevonden hadden, tastten nu ook dat gedeelte der palissadeering aan, waartegen zij opgetrokken waren.
James Burbank stormde naar dat verbrande gedeelte der omwalling, niet zoozeer om het te blusschen, dan wel om het te verdedigen.
In dit oogenblik kon men bij het schijnsel der vlammen een man te midden van den rook zien springen, naar buiten ijlen en de ringgracht oversteken, langs de balken die daarover gelegd waren.
Dat was een der aanvallers, die er in geslaagd was het park, aan den kant der Sint John, door te midden der biezen te kruipen, heimelijk binnen te dringen. Zonder door iemand gezien te zijn, was hij een der stallen binnengeslopen. En daar, op gevaar af van in de vlammen om te komen, had hij eenige bossen stroo in brand gestoken, met het doel om zoodoende dat gedeelte der palissadeering door het vuur te doen vernielen.
Thans was de bres geopend en voor de aanvallers bruikbaar.
Tevergeefs poogden James Burbank en zijne makkers de opening te verdedigen en het binnendringen te beletten. Een dichte drom van aanvallers stormden er door en weldra was het park door een paar honderd hunner bezet.
Aan weerszijden vielen toen velen, want men vocht toen man tegen man. De geweerschoten weerklonken van alle kanten. Castle-House was weldra aan alle zijden ingesloten, terwijl de negers, door den overmachtigen vijand buiten het park teruggedrongen, genoopt waren de vlucht te nemen naar de bosschen, die Camdless-Bay allerwege omgaven.
Zij hadden gestreden, zoolang zij konden. Zij hadden dat met veel toewijding en met veel moed gedaan; maar nu de aanvallers binnengedrongen waren, was verdere tegenstand totaal onmogelijk, tenzij zij zich wilden laten neerhouwen. Neen, de partij stond te ongelijk!
James Burbank, Walter Stannard, master Perry en zijne opzieners, ook John Bruce, die even moedig gevochten had, en verder nog eenige negers waren eindelijk genoodzaakt geweest eene toevlucht achter de beschermende muren van Castle-House te zoeken.
Het was toen ongeveer acht uren in den avond. In het westen was de duisternis zwart. In het noorden werd de gezichteinder nog eenigermate verlicht door het schijnsel der vlammen van den brand, die op verschillende punten der plantage gesticht was.
James Burbank en Walter Stannard traden in dit oogenblik het woonhuis in allerijl binnen.
»Gij moet vluchten,” sprak de eigenaar van Camdless Bay, »dadelijk vluchten!”
»Mijn God!” kreet mevrouw Burbank.
»Hetzij die bandieten met geweld hier binnendringen,” vervolgde James Burbank, »hetzij zij buiten rondom Castle-House het oogenblik zullen afwachten, dat wij door honger en gebrek genoodzaakt zullen zijn ons over te geven; in beide gevallen blijft het gevaarlijk hier langer te verwijlen!”
»Is het inderdaad zoo ver gekomen?” vroeg mevrouw Burbank jammerend en handenwringend.
»Volgens mijn inzien, ja,” antwoordde haar echtgenoot.
»Wat moet er dan gedaan worden?”
»De sloep ligt klaar! Het is tijd om te vertrekken,” sprak de eigenaar van Camdless-Bay, zoo kalm en bedaard als de omstandigheden slechts gedoogden.
»O, God!... O, God!...” kreten de vrouwen.
»Kom, vrouwlief, moed! Alice, neem haar onder den arm en volgt Zermah met Dy naar de Ceder-Rots! Daar zult gij in veiligheid wezen, en... wanneer wij genoodzaakt worden Castle-House te ontruimen, dan zullen wij ulieden daar komen opzoeken, dan zullen wij u wel terugvinden...”
»Vader,” sprak miss Alice tot Walter Stannard, »gij gaat immers met ons mede, en gij ook mijnheer Burbank?”
»Ja!... James!...” riep mevrouw Burbank uit.
»Ik!” antwoordde de heer Burbank.
»Ja! James!... Kom met ons mede!” smeekte zijne echtgenoote.
»Ik!... Ik zou Castle-House ontruimen en in de macht van die ellendelingen laten! Nooit!... zoolang tegenstand nog mogelijk zal zijn!...”
»Maar.... James!”
»Wij kunnen nog lang in het heerenhuis stand houden!... En wanneer wij het bewustzijn zullen bezitten, dat gijlieden in veiligheid zult zijn, dan zullen wij ons sterker en krachtiger gevoelen, om de verdediging te voeren!”
»James!...”
»Ga niet voort, vrouwlief!”
»James!...” hield mevrouw Burbank handenwringend aan.
»Het kan niet; wij moeten hier stand houden!”
Een verschrikkelijk gehuil werd in dit oogenblik vernomen. De poort dreunde en weergalmde onder de bijlslagen, die haar door de aanvallers toegebracht werden. Eene bende dier plunderaars viel thans de voorpoort van Castle-House, naar den kant van de rivier gekeerd, aan.
»Kom, vertrekt!” riep James Burbank uit.
»Vertrekken!” gilden de vrouwen.
»Ja!... de nacht is reeds gevorderd. De duisternis is voldoende, men zal u thans niet ontwaren!... Kom, vertrekt!”
»O, James!...”
»Gij verlamt door te blijven onze pogingen... In Gods naam, vertrekt dan toch!”
Na veel wijfelens, gaven de vrouwen eindelijk aan dien aandrang gehoor.
Zermah stapte vooruit en hield de kleine Dy bij de hand. Mevrouw Burbank moest zich geweld aandoen, om zich aan de armen van haren echtgenoot te ontrukken. Zoo ging het ook met miss Alice, die een toevlucht aan de borst van haren vader gezocht had.
Beiden verdwenen langs de trap, die naar de benedenverdieping geleidde, alwaar de ingang was van de tunnel, die naar de Marino-Kreek voerde.
»En thans,” sprak James Burbank, terwijl hij zich tot master Perry, tot de opzichters en tot de weinige negers wendde, die hem niet verlaten, maar met hem den terugtocht naar het heerenhuis aangenomen hadden. »En thans, vrienden, zullen wij ons tot onzen laatsten snik verdedigen!”
Aan weerszijden vielen toen velen; want men vocht toen man tegen man. (Bladz. 162).
Allen stapten met hem de groote trap van het woonhuis op en namen stelling bij de ramen van de eerste verdieping. Van daar beantwoordden zij de honderden geweerschoten, die op het voorfront van Castle-House gelost werden en waarvan de kogels tegen de arduinsteenen gevels knetterden. Hunne schoten waren lang zoo talrijk niet als die der aanvallers, maar daarentegen waren die schoten juister gemikt en werden op een vrij dichten drom afgevuurd, zoodat menigeen van den woesten troep getroffen nederviel.
De belegeraars van Castle-House zagen dan ook ras in, dat het zaak voor hen was, de poort open te krijgen, door bijlslagen of door vuur. Ditmaal was er niemand om voor hen eene bres te openen, die toegang tot het heerenhuis kon geven. Wat daar buiten tegen eene houten palissadeering met welslagen ondernomen was geworden, zou hier schipbreuk lijden tegenover die vuurvaste muren.
Intusschen naderden toch een twintig vastberaden kerels, die zich zooveel mogelijk tegen de kogels der verdedigers dekten en van den duisteren nacht gebruik maakten, het perron. De deur werd toen meer krachtdadig aangetast, en zij mocht wel sterk en stevig heeten, nu zij aan die tallooze bijlslagen en piekstooten weerstand bood.
Die poging kostte evenwel het leven aan verscheidene der aanvallers; want door de aangebrachte schietgaten was het mogelijk een kruisvuur op het aangevallen punt te richten.
Eene omstandigheid kwam in dit oogenblik den toestand nog verergeren. De munitievoorraad spoedde ten einde. James Burbank, zijne vrienden, zijne opzichters en de negers, die met geweren gewapend waren, hadden gedurende de drie uren, dat die aanval duurde, het grootste gedeelte der voorradige patronen verbruikt. En hoe zou men nog langer weerstand kunnen bieden, althans wanneer de verdediging nog langer gerekt moest worden, wanneer de laatste patronen verschoten zouden zijn?
Zou men dan Castle-House moeten ontruimen en in handen van die misdadigers laten?
Maar die zouden er slechts puinhoopen van laten overblijven!
En toch, er bleef niets anders te doen over, wanneer de aanvallers er in slaagden, de deur, die reeds wankelde, open te breken. James Burbank begreep den toestand maar al te goed; toch wilde hij nog wachten. Kon toch niet ieder oogenblik eene afleiding geschieden, waarvan dan partij te trekken zoude zijn?
Thans had men niet meer voor het lot van mevrouw Burbank, noch voor haar dochtertje, de kleine Dy, noch voor miss Alice Stannard te vreezen! En, mannen waren het aan zich zelven verplicht tot het uiterste weerstand te bieden aan dat samenraapsel van moordenaars, brandstichters, dieven en plunderaars.
»Wij hebben nog patronen voor een uur!” riep James Burbank uit. »Vrienden, die moeten wij eerst verschieten en doelmatig verschieten, alvorens Castle-House te ontruimen!”
Maar nauwelijks had James Burbank dien volzin geëindigd, toen de doffe knal eener ver verwijderde losbranding vernomen werd.
»Een kanonschot!” riep hij uit.
Een tweede losbranding liet zich andermaal en ook evenals de eerste in westelijke richting hooren. Blijkbaar kwam zij van de overzijde van de rivier.
»Een tweede kanonschot!” zei master Walter Stannard.
»Luisteren!... Wij moeten luisteren!” zeide master James Burbank.
Een derde schot, dat door eene windvlaag naar Castle-House overgebracht werd, klonk duidelijker dan de beide vorige losbarstingen.
»Zou dat een sein zijn?” vroeg master Walter Stannard.
»Welk sein?”
»Misschien om de aanvallers naar den rechter-rivieroever terug te roepen?”
»Wie zal dat kunnen zeggen?”
»Misschien gebeurt daar iets...”
»Dat denk ik ook,” zei master Perry, »en...”
»En... wat? Spreek vrij uit, Perry!” zei master James Burbank.
»En als die drie kanonschoten niet te Jacksonville gelost zijn,” vervolgde de administrateur, »dan...”
Maar hij kon niet eindigen. Ieder had zijne gedachte geraden.
»Dan zijn zij door de federalistische vaartuigen gelost!” riep James Burbank uit.
»Zou de flottilje van den Commodore Dupont eindelijk de monding van de Sint John bemachtigd hebben en thans de rivier opstevenen?” vroeg Walter Stannard.
Alles wel beschouwd, was het volstrekt niet onmogelijk, dat die vlootvoogd thans meester van de rivier, althans van het benedengedeelte van haar stroombekken was.
Toch was dat het geval niet.
Die drie kanonschoten waren van de landingsbatterij te Jacksonville gelost geworden. Dat bleek al spoedig; want het bleef bij die drie losbrandingen.
Er had dus geen gevecht plaats tusschen de vaartuigen der Noordelijken en de troepen der geconfedereerden, hetzij op de Sint John, hetzij in de vlakten van het graafschap Duval.
Weldra bleef er geen twijfel meer over, dat het een sein tot terugroeping was voor de opperhoofden van het detachement militietroepen. Toen toch master Perry een der zij-schietgaten genaderd was, riep hij eensklaps uit:
»Zij trekken af!... Zij trekken af!...”
Niemand had te vragen wie aftrok. Die uitkomst kwam te zeer met aller wenschen en verwachtingen overeen om niet terstond voor onbetwistbaar waar aangenomen te worden.
James Burbank en zijne makkers traden dadelijk op het middenvenster toe en openden dat.
De bijlslagen weerklonken niet meer op de deur. De geweerschoten knalden niet meer en men bespeurde geen enkele der aanvallers meer. Wel werd nog geschreeuw en gehuil vernomen, maar klaarblijkelijk verwijderde zich dat al meer en meer.
Er was dus iets gebeurd, hetgeen de aan het roer zijnde autoriteiten van Jacksonville genoopt had dien geheelen troep op den anderen rivieroever van de Sint John terug te roepen. Ongetwijfeld was men met elkander overeengekomen, dat drie kanonschoten zouden gelost worden, wanneer de eene of de andere beweging van het noordelijk smaldeel de stellingen der geconfedereerden mocht bedreigen.
De aanvallers hadden dan ook plotseling hunne laatste poging om Castle-House te bemachtigen gestaakt.
Thans volvoerden zij door de verwoeste velden van de plantage, langs dien weg, die nog door de vlammen van de gepleegde brandstichtingen verlicht werd, den terugtocht, en een uur later bereikten zij de plaats, waar hunne sloepen en vaartuigen op twee mijlen beneden Castle-Bay, hen wachtten en staken zij de rivier over.
Hunne kreten verzwakten weldra in de verte en verstomden eindelijk geheel. Op het luidruchtig geschreeuw en het geknetter van het geweervuur volgde thans eene diepe stilte. Het was alsof het de stilte des doods was, die op de plantage heerschte.
Het was toen ongeveer half tien des avonds. James Burbank en zijne makkers daalden naar de hal, op de benedenverdieping gelegen, af. Daar vonden zij Edward Carrol, op een divan uitgestrekt liggen. Hij was slechts licht gekwetst en gevoelde zich maar wat zwak door het bloedverlies.
Men vertelde hem wat er voorgevallen was en dat Castle-House ten gevolge van het sein, van den kant van Jacksonville uitgegaan, voor het oogenblik althans niets meer van de bende van Texar te vreezen had.
»Ja, ik hoop zoo,” zei James Burbank, »maar intusschen heeft het ruwe geweld en de vreeselijkste willekeur hier huis gehouden.”
“Gij verlamt door te blijven onze pogingen.... In Gods naam vertrek dan toch.” (Bladz. 164).
»Denk daar nu niet aan!” sprak Edward Carrol.
»Die Texar, die ellendeling, heeft besloten, dat mijne bevrijde negers verspreid en uiteengejaagd zouden worden. En ziet, zij zijn heinde en ver verspreid! Hij wilde uit wraakzucht de plantage verwoesten, en ziet, er blijven slechts puinhoopen over!”
»James,” antwoordde master Walter Stannard, »grooter onheilen en rampen hadden ons kunnen overkomen. Niemand onzer is bij de verdediging van Castle-House omgekomen; alleen Edward Carrol is licht gekwetst. Uwe echtgenoote, uwe dochter en de mijne hadden in handen van die onverlaten kunnen vallen. En wat ware dan hun lot geweest! En ziet, zij bevinden zich in veiligheid!”
»Gij hebt gelijk, Stannard, en dat God geloofd en geprezen zij!” zei James Burbank plechtig.
»Ja, dat God geloofd en geprezen zij!” herhaalden allen met aandoening en dankbaarheid.
»Overigens,” ging James Burbank voort, »wat op bevel van Texar uitgevoerd is, zal niet ongestraft blijven. Ik zal wel zorgen, dat er over het vergoten bloed recht gesproken worde!...”
»Wellicht is het thans te betreuren,” zei Edward Carrol, »dat mevrouw Burbank, miss Alice, de kleine Dy en Zermah Castle-House verlaten hebben.”
»Wat bedoelt gij?” vroeg James Burbank.
»Ja, ik weet wel, dat onze toestand toen vrij benard was... Toch zou ik het thans wenschelijk achten, dat zij weer bij ons waren.”
»Morgen, vóór dat de dag nog aangebroken zal zijn, ga ik naar haar toe,” antwoordde James Burbank.
»Dat is een goed voornemen,” zei Walter Stannard.
»Zij moeten in doodelijke ongerustheid verkeeren,” vervolgde James Burbank. »Ik kan hen dan geruststellen. Ik zal dan beslissen of zij naar Camdless-Bay teruggevoerd zullen kunnen worden, of dat zij nog eenige dagen op Ceder-Rots zullen moeten verblijven!”
»Ja, niets mag met overhaasting geschieden,” antwoordde master Walter Stannard. »Misschien is alles nog niet ten einde... en zoolang Jacksonville zich nog in de macht van Texar bevindt, hebben wij nog alles te duchten.”
»Daarom zal ik zoo voorzichtig mogelijk te werk gaan,” hernam James Burbank.
En zich tot master Perry, den administrateur, wendende, vervolgde hij:
»Zorg er voor, Perry, dat morgenochtend vóór het aanbreken van den dag een vaartuig gereed ligt.”
»Goed, master Burbank,” antwoordde Perry. »Hoeveel roeiers wenscht gij?”
»Ik geloof aan één man genoeg te hebben, om...”
Een angstverwekkende kreet, een wanhopig hulpgeschreeuw werd er in dit oogenblik vernomen en brak den volzin van James Burbank af.
Die kreet kwam van den kant van het grasperk in den tuin, hetwelk zich voor het heerenhuis uitstrekte.
Weldra werden deze woorden duidelijk vernomen:
»Vader!... Vader!...”
»God!... het is de stem mijner dochter!” riep master Walter Stannard uit.
»O, God!... Een nieuw ongeluk!...” was de kreet van James Burbank.
Hij vloog naar de deur, opende die en allen stormden naar buiten.
Miss Alice stond daar op weinige passen afstand van het woonhuis bij mevrouw Burbank, die op den grond uitgestrekt lag.
Noch Zermah, noch de kleine Dy bevonden zich bij haar.
»Mijn kind?... Waar is mijn kind?” riep James Burbank in den grootsten angst uit.
Bij het hooren van die stem richtte mevrouw Burbank zich op.
Zij kon niet spreken... Met angstig gebaar strekte zij de hand naar den kant van de rivier uit.
»Ontvoerd!...” sprak zij met schorre stem.
»Ontvoerd?” vroeg de vader, schier waanzinnig van ontzetting.
»Ja,” knikte zijne vrouw.
»Door wien?”
»Door... Texar!...” antwoordde miss Alice.
En bij het uitspreken van die woorden zeeg het jonge meisje naast mevrouw Burbank op den grond neder.
Wat was er met de drie vluchtende vrouwen gebeurd? Ziehier:
Toen mevrouw Burbank en miss Alice Stannard de tunnel intraden, die van het heerenhuis naar de kleine Marino-kreek op den linkeroever der Sint John-rivier voerde, stapte Zermah vooruit. Zij hield het kleine meisje bij de hand. In de andere hand droeg zij eene lantaarn, welker zwak schijnsel haren weg verlichtte.
Bij het uiteinde van de tunnel aangekomen, had Zermah mevrouw Burbank verzocht haar te wachten. Zij wilde zich vergewissen, dat de sloep en de twee negers, die haar naar Ceder-Rots moesten brengen, gereed en op hun post waren. Zij opende de deur, die daar toegang tot de tunnel verleende, en naderde de rivier.
Zij kon zich nog nauwelijks gedurende hoogstens eene minuut verwijderd hebben, toen mevrouw Burbank en miss Alice, die den terugkeer van de slavin ongeduldig afwachtten, ontwaarden dat de kleine Dy zich niet meer bij haar bevond.
»Dy?... Dy?...” riep mevrouw Burbank met luide stem, op gevaar af hare tegenwoordigheid te dezer plaatse te verraden.
Geen antwoord.
Het kind, gewoon om steeds Zermah te volgen, was met haar buiten de tunnel getreden en begaf zich, zonder dat hare moeder het bemerkte, naar den kant der kreek.
Plotseling werd gejammer vernomen. Een voorgevoel waarschuwde de arme moeder, dat een nieuw ongeluk haar getroffen had; en zonder zich af te vragen of zich rekenschap te geven, of zij zelve geen gevaar liepen, vlogen mevrouw Burbank en miss Alice naar buiten, liepen naar den rivieroever en kwamen helaas! nog juist bijtijds bij den waterkant, om eene sloep in het duister van den nacht te zien verdwijnen.
»Help!... Help!...” riep Zermah met wanhopige stem. »Help!... Het is Texar!”
»Texar!... Texar!...” riep Alice op hare beurt. »Ja,... het is Texar!”
En met de hand wees zij naar den Spanjaard, die rechtopstaande op de achterplecht van het vaartuig, een oogenblik door het schijnsel van de vlammen van een nog brandende keet van Camdless-Bay verlicht werd, maar spoedig daarop in het donker verdween.
Daarna was alles stil.
De beide negers van de sloep lagen vermoord en akelig bloedend op den grond.
Toen vloog mevrouw Burbank, waanzinnig van angst en ontzetting, en gevolgd door miss Alice, die haar niet had kunnen weerhouden, naar den rivieroever en riep met luide stem haar dochtertje. Geen enkele kreet beantwoordde haar angstig geroep. Het vaartuig, dat haar schat bevatte, was uit het gezicht verdwenen. Wellicht was het achter een hoek der vele rivierkronkelingen voortgeschoten, of wel was het den stroom overgestoken, om bij het een of andere punt van den linkeroever aan te leggen.
Hare nasporingen duurden ruim een uur lang; maar waren natuurlijk tevergeefs. Eindelijk viel mevrouw Burbank, wier krachten uitgeput waren, op den oever neder. Miss Alice Stannard ontwikkelde toen eene buitengewone geestkracht; zij slaagde er in de rampzalige moeder op te tillen, haar te ondersteunen. Zij trok haar met zich voort, ja, zij droeg haar schier. In de verte, in de richting van Castle-House, donderde en ratelde het geweervuur en bij wijlen werd het vreeselijk jankend gehuil van den aanvallenden troep vernomen.
En toch moesten die twee vrouwen in die richting voorwaarts treden!
Zij moesten pogen door de tunnel weer in het heerenhuis te geraken; zij moesten trachten te bewerken, dat haar de deur geopend werd, die van de benedenverdieping van het woonhuis toegang tot die onderaardsche gang verleende.
Maar zou miss Alice, wanneer zij die deur met de ongelukkige moeder bereikt zoude nebben, er in slagen om zich door de bewoners te doen hooren?
Zij trok, zij sleurde als ’t ware mevrouw Burbank, die geheel onbewust was van hetgeen rondom haar voorviel, met haar voort. Terwijl zij langs den rivieroever terugkeerden, waren zij verplicht zeker wel twintigmalen stil te blijven staan. Beiden konden toch ieder oogenblik in handen vallen van een dier benden, die op de plantage overal rondzwierven om te plunderen en te vernielen, wat maar te vernielen was.
Het ware misschien beter geweest den dag af te wachten! Maar hoe zou het mogelijk zijn, aan mevrouw Burbank op dien rivieroever die verpleging te wijden, welke haar toestand toch vorderde? Miss Alice besloot dan ook, in weerwil van alles naar Castle-House te gaan. Daar zij evenwel begreep, dat het volgen van de kronkelingen van de Sint John den weg aanmerkelijk en noodeloos verlengde, kwam zij op de gedachte dwars door de weilanden te steken en zich daarbij te richten op de barakken, die in lichte laaie stonden.
Zoo deed zij, en wij hebben gezien, hoe zij in de nabijheid van het heerenhuis aangekomen was.
Daar viel mevrouw Burbank bewegingloos op den grond neder en stond miss Alice naast haar, die zelf onmachtig was overeind te blijven.
In dit oogenblik was het detachement militietroepen, gevolgd door de bende plunderaars, na den stormaanval gestaakt te hebben, reeds ver van de omwalling verwijderd.
Men hoorde geene kreten meer noch buiten noch binnen het heerenhuis.
Miss Alice kon inderdaad meenen, dat de aanvallers, na Castle-House ingenomen te hebben, het verlaten hadden, zonder er een der verdedigers levend achtergelaten te hebben.
Toen overviel haar een doodelijke angst. Uitgeput viel ook zij op den grond neder; maar zij had nog de kracht een laatste gejammer te uiten, een laatsten kreet om hulp te doen hooren.
En die kreet was gehoord geworden!
James Burbank en zijne makkers waren toen naar buiten geijld en nu wisten zij alles, wat bij de Marino-kreek voorgevallen was. Wat kon het hun thans schelen of de vijanden afgetrokken waren? Wat ging het hun aan, dat zij het vreeselijke lot niet meer te duchten hadden van in hunne handen te kunnen vallen? Dat alles liet hen koud en gevoelloos. Een vreeselijke ramp had hen getroffen, die hen gevoelloos voor alles maakte. De kleine Dy was in de macht van Texar!
Ziedaar, wat miss Alice met horten en stooten en meermalen afgebroken door zuchten en snikken verhaalde.
Ziedaar, wat mevrouw Burbank onder een stortvloed van tranen vernam, toen zij van hare onmacht bijgebracht was.
Ziedaar, wat James Burbank, Walter Stannard, Edward Carrol, master Perry en hunne overige lotgenoten vernamen.
Dat arme kleine meisje ontvoerd, meegesleept God weet waar, en... wat het ergst was... in handen van den wreedsten vijand haars vaders!...
Wat was er erger te bedenken?... En zou het mogelijk zijn, dat de toekomst nog zwaardere rampen voor deze familie voorbereidde?
Allen waren ten zeerste terneer geslagen door dien slag. Zij waren inderdaad vernietigd.
Mevrouw Burbank werd naar hare kamer gebracht en te bed gelegd, en miss Alice bleef tot hare verpleging liefderijk bij haar.
Beneden in de hal trachtten James Burbank en zijne vrienden tot overeenstemming te geraken, omtrent hetgeen verricht moest worden, om de kleine Dy op het spoor te komen en haar met Zermah uit de handen van Texar te verlossen.
Ongetwijfeld zou de getrouwe en verknochte mestiesche vrouw alles beproeven om het kind te verdedigen! Daartoe zou zij zelfs haar leven veil hebben! Maar zij was de gevangene van een ellendeling, die een persoonlijken haat jegens haar koesterde. En zou die er niet op uit zijn, haar met haar leven te doen boeten voor de in zijn oogen zoo groote misdaad, dat zij hem vroeger voor de rechtbank aangeklaagd had?
Toen beschuldigde James Burbank zich, dat hij zijne echtgenoote genoodzaakt had Castle-House te verlaten, dat hij een ontvluchtingsmiddel had uitgedacht, hetwelk zoo verkeerd gewerkt had.
Maar, was het aan het toeval wel alleen te danken, dat Texar zich juist bij die ontvluchting bij de Marino-Kreek bevonden had?
Zeker niet. Blijkbaar had de Spanjaard op de een of andere wijze kennis bekomen van het bestaan van de tunnel. Hij had begrepen, dat de verdedigers van Camdless-Bay pogen zouden daar langs te ontsnappen, wanneer zij het in het heerenhuis niet meer zouden kunnen houden. En na zijn troep op den rechteroever der rivier overgebracht te hebben, na de palissadeering der omwalling bemachtigd te hebben, na James Burbank genoodzaakt te hebben met de zijnen een toevluchtsoord achter de beschermende muren van Castle-House te zoeken, toen ongetwijfeld had hij het strijdperk verlaten, om met eenigen zijner afschuwelijkste medeplichtigen in de nabijheid van de Marino-Kreek post te komen vatten.
Daar had hij eensklaps de beide negers overvallen, die op de sloep pasten en die bij de ontvluchting behulpzaam moesten zijn. Hij had die ongelukkigen doen afmaken, wier hulpgeschreeuw te midden van het geknetter der geweerschoten en het verdere tumult van het gevecht niet vernomen was geworden.
Toen had de Spanjaard geduldig gewacht totdat Zermah en een oogenblik na haar de kleine Dy te voorschijn traden. Toen hij die twee alleen zag verschijnen, moest hij wel denken, dat noch mevrouw Burbank, noch haar echtgenoot, noch diens vrienden tot de ontruiming van Castle-House hadden kunnen besluiten. Hij moest zich dus met die prooi vergenoegen.
Hij had toen het kleine meisje en de mestiesche vrouw ontvoerd, om ze naar eene onbekende schuilplaats te brengen, alwaar het onmogelijk zoude zijn ze op te sporen!
Dat was wel de wreedste slag, waarmede die ellendeling de familie Burbank had kunnen treffen.
Zou hij dien vader, die moeder meer hebben doen lijden, wanneer hij hun het hart uit het lijf had gerukt? Ja, de ontvoering van dat kleine meisje was eene onmenschelijke daad!
De overgebleven verdedigers van Camdless-Bay brachten een vreeselijken nacht door.
Moesten zij daarenboven niet vreezen, dat de aanvallers zouden terugkomen en dan talrijker en beter bewapend dan bij den eersten inval, om de laatste verdedigers van Castle-House te noodzaken zich over te geven?
Gelukkig geschiedde dat niet. De dag brak eindelijk aan, zonder dat James Burbank en zijne lotgenooten door een nieuwen aanval verontrust werden.
Het kon evenwel nuttig geacht worden, te weten waarom daags te voren die drie kanonschoten gelost waren, en waarom de aanvallers op dat sein hun stormaanval gestaakt hadden? Toen was het toch voor iedereen duidelijk, dat een laatste pogen, dat de volharding slechts gedurende een uur, het heerenhuis in hunne handen zoude doen vallen!
Mocht men gelooven, dat die terugroeping veroorzaakt werd door een aanvallend vertoon van de federalistische scheepsmacht bij de monding van de Sint John?
Hadden de vaartuigen van den Commodore Dupont Jacksonville reeds bemachtigd?
In het belang van James Burbank en de zijnen was natuurlijk niets wenschelijker. Zij zouden dan volkomen veilig de meest ijverige nasporingen hebben kunnen beginnen en voortzetten, om de kleine Dy en Zermah weer te vinden. Zij zouden dan Texar in persoon aansprakelijk hebben kunnen stellen, namelijk wanneer de Spanjaard niet met zijne handlangers de vlucht genomen hadden, en hem vervolgen als de opstoker, de belhamel bij de verwoestingen, op Camdless-Bay aangericht, en vooral als de schuldige aan de dubbele schaking van de mestiesche vrouw en het kind.
Wanneer ook al aanvankelijk betwijfeld werd of Texar aan het hoofd van die booswichten gestaan had, die Camdless-Bay aangevallen hadden,—wij weten toch dat John Bruce, de bode van master Harvey, dienaangaande aan master James Burbank niets met zekerheid had kunnen mededeelen; thans had de laatste kreet van Zermah dien twijfel verdreven en genoegzaam onthuld, welk aandeel hij in die ontvoering had of beter wie de eenige schuldige was. Daarenboven, had miss Alice hem niet herkend, op het oogenblik toen hij zich met zijne sloep verwijderde?
Ja, de gerechtigheid der federalisten zou dien ellendeling wel weten tot bekentenis te brengen, waarheen hij zijn slachtoffers vervoerd had! Ja, zij zou hem weten te straffen en ernstig te straffen, wegens de gruwelijke misdaden, die hij niet meer zoude kunnen loochenen.
De deur werd toen meer krachtdadig aangetast. (Bladz. 166).
Ongelukkig, niets kwam de veronderstellingen van James Burbank, met betrekking tot de aankomst van de flottilje der Noordelijken in de wateren der Sint John, bevestigen.
Op dien datum—den 3den Maart—had nog geen enkel vaartuig de baai Sint-Mary verlaten. Dat bleek weldra maar al te zeer uit de tijdingen, die een der opzieners van de plantage Camdless-Bay op den anderen rivieroever was gaan inwinnen.
Geen enkel vaartuig was nog ter hoogte van den vuurtoren van Pablo verschenen. Tot nu toe hadden de federalisten er zich bij bepaald, de havenplaats Fernandina en het fort Clinch te bezetten.
Het scheen, dat de Commodore Dupont slechts met de uiterste omzichtigheid tot in het hart van Florida wilde doordringen. Wat Jacksonville betrof, daar was de partij der muiters steeds de baas. Texar had zich na den verwoestingstocht op Camdless-Bay weer in de stad vertoond. Hij bereidde de verdediging voor, voor het geval dat de kanonneerbooten van Stevens zouden beproeven de bank in de rivier over te stevenen.
Zonder twijfel was het een valsch bericht, hetwelk hem daags te voren met zijne aanhangers naar Jacksonville had teruggeroepen.
Maar was, alles wel beschouwd, de wraakgierigheid van Texar niet voldoende bevredigd? De geheele plantage was toch verwoest, de timmerwerven waren door de vlammen verteerd, de negers waren verjaagd en in de omliggende bosschen van het graafschap heinde en ver verspreid zonder huisvesting, daar hunne barakken verbrand waren, en eindelijk de kleine Dy was aan hare ouders ontroofd en niemand kon op het spoor van het ontvoerde kind komen.
James Burbank kreeg van dit laatste de zekerheid, toen hij en Walter Stannard de rivier langs den rechteroever den volgenden ochtend opvoeren; tevergeefs doorzochten zij de verschillende inhammen, de kleinste kreken, nergens vonden zij eenig teeken, dat hen op het spoor kon brengen der richting, welke het vaartuig, dat het kind ontvoerde, genomen had.
Maar deze nasporing had toch slechts zeer onvolledig kunnen geschieden, want om er eenige meening op te kunnen bouwen, had men haar ook over den linkeroever moeten uitstrekken.
Was dat evenwel in de tegenwoordige tijdsomstandigheden mogelijk?
Zou het niet beter zijn te wachten, totdat Texar en zijne aanhangers door de aankomst der federalistische troepen tot onmacht gedoemd zouden zijn?
Zou het niet meer dan onvoorzichtig moeten heeten, wanneer men èn mevrouw Burbank, in den toestand waarin zij zich bevond, èn miss Alice, die de waardige vrouw onmogelijk verlaten kon, èn Edward Carrol, die tengevolge zijner wel is waar lichte verwonding toch bedlegerig was, alleen in Castle-House zou achterlaten, daar immers een terugkeer van den woesten troep tot de mogelijkheden, ja tot de waarschijnlijkheden gerekend moest worden?
En wat den toestand nog wanhopiger maakte, dat was dat master James Burbank er niet aan denken kon om Texar aan te klagen noch wegens de verwoesting der plantage, noch wegens de ontvoering van Zermah en van het kleine meisje. Aan wien zou hij zich toch met zijne klacht moeten wenden? De eenige magistraat, die haar immers in ontvangst had kunnen nemen, was de misdadiger zelf.
Hij moest dus wachten, totdat de geregelde rechtspleging te Jacksonville weer uitgeoefend kon worden.
»James,” sprak master Walter Stannard, »al zijn ook de gevaren, die uw kind bedreigen, groot en verschrikkelijk te noemen, toch is het een troost voor u, te weten, dat Zermah bij het lieve meisje is. En niet waar? de toewijding van die goede vrouw is zoo onbegrensd, dat...”
»Dat zij haar leven voor het kind zal opofferen, dat is waar,” zeide James Burbank, »maar... wanneer...”
Hij aarzelde voort te gaan.
»Wat wilt ge zeggen?” vroeg Walter Stannard.
»Maar... wanneer Zermah dood zal zijn...”
»Dat zou verschrikkelijk wezen, James!”
»Niet waar?... O, die gedachte foltert mij!” steende James Burbank.
»Luister evenwel, waarde James,” hernam Walter Stannard. »Als wij goed nadenken, dan brengt het belang van Texar niet mede om het tot dat uiterste te drijven.”
»Dunkt u?”
»Zoo is mijne overtuiging, James. Texar heeft Jacksonville nog niet verlaten, niet waar?”
»Dat is zoo.”
»Welnu, zoolang hij daar zal verwijlen, zal van zijn kant geene gewelddadigheid te duchten zijn. Zal hij in uw kind niet een soort van bescherming, van gijzelaar zien tegen de weerwraak, die hij te vreezen heeft, zoowel van uwe zijde als van den kant der federalistische gerechtigheid, wegens het omverwerpen der wettelijke regeering te Jacksonville en wegens het verwoesten eener plantage, aan een Noordelijke toebehoorende?”
»Daar is wel iets van aan!”... aarzelde James Burbank te erkennen.
»Dat is voor mij helder als de dag,” ging Walter Stannard voort. »Zijn belang brengt mede, die vrouw en dat meisje te sparen en te ontzien, en in dit geval moeten wij geduldig wachten, totdat de Commodore Dupont en de Generaal Sherman meester van het grondgebied van Florida zullen zijn, om tegen hem te kunnen handelen.”
»Maar, wanneer zullen zij meester zijn?”... riep James Burbank wanhopig uit.
»Morgen,... heden reeds wellicht!... Ik herhaal het u: de kleine Dy is onbewust de beschermster van Texar.”
»Welaan!”
»Daarom heeft hij de gelegenheid aangegrepen, om haar te ontvoeren, geloof mij!”
»Slechts daarom?” vroeg James Burbank bitter.
»O, hij wist ook, dat hij u daarmede het hart verbrijzelen zou, arme James, en de ellendeling is daarin maar al te wel geslaagd!”
Zoo redeneerde master Walter Stannard en zoo trachtte hij zijn vriend een hart onder de riem te steken. Toch moet erkend worden, dat ernstige motieven voor de juistheid zijner redeneering pleitten. Maar gelukte het hem James Burbank te overtuigen? Ongetwijfeld, neen. Of slaagde hij er in, hem eenige hoop in te boezemen? Ook dat niet. Helaas, dat was het onmogelijke verlangen!
Toch begreep James Burbank, dat hij zich dwingen moest om in tegenwoordigheid zijner echtgenoote te redeneeren, zooals Walter Stannard tegenover hem gedaan had. Als hij anders handelde, als hij de hoop in het moederlijke hart niet zou weten aan te kweeken, dan zou mevrouw Burbank die laatste ramp zeer zeker niet overleven.
Toen hij dan ook in het heerenhuis teruggekeerd was, deed hij al die argumenten, waaraan hij zelf zoo bitter weinig geloofde, krachtig gelden.
Middelerwijl liep master Perry, de administrateur, met zijne ondergeschikten, de opzieners, Camdless-Bay rond, om de plantage in oogenschouw te nemen.
Helaas, het was een treurig tooneel, dat zij te zien kregen; zelfs zoo treurig, dat het een diepen indruk op Pygmalion, die hen bij dien tocht vergezelde, scheen te maken. Die »vrije man” had gemeend de bevrijde slaven, op last van en door Texar uiteen gejaagd, niet te moeten volgen. Die vrijheid om in het woud te moeten gaan slapen, om daar honger, dorst en koude te gaan lijden, kwam hem een beetje al te dwaas voor. Hij verkoos dan ook op Castle-House te verblijven, al zou hij, om daartoe het recht te verkrijgen, ook, evenals Zermah gedaan had, zijne acte van invrijheidstelling hebben moeten verscheuren.
»Gij ziet het, Pyg?” vroeg hem de administrateur Perry. »Gij ziet het.”
»Ja, ik zie het, master Perry.”
»De plantage is verwoest, onze werkplaatsen zijn verbrand. Alles is vernield!”
»Ja, ja, master Perry, het is erg.”
»Zie, dat zijn de gevolgen, wanneer men de vrijheid geeft aan lummels van uw kleur!”
»Master Perry,” antwoordde Pygmalion, »het is toch mijne schuld niet, dat...”
»Het is integendeel wel je schuld, domme neger!” hernam de administrateur.
»Dat zou ik wel eens willen vernemen.”
»Wanneer gij en uwe gelijken niet al die schreeuwers, die tegen de slavernij donderden en preekten, toegejuicht hadt; wanneer gij ernstig tegen de denkbeelden van de Noordelijken geprotesteerd hadt; wanneer gij de wapenen opgevat hadt!...”
»Om wat te doen, master Perry” vroeg de neger verbouwereerd.
»Om de federalistische troepen terug te drijven, dom dier! Ziet, dan zou master James Burbank nimmer op de gedachte gekomen zijn om ulieden vrij te verklaren en dan zouden de rampen van Camdless-Bay ver verwijderd gebleven zijn!”
Pygmalion stond bij die redeneering geheel versteld.
»Maar wat kan ik er thans aan doen?” vroeg hij met beklemd gemoed. »Zeg, goede master Perry, wat kan ik er thans aan doen?”
»Wat je er aan doen kunt?... Luister, ik zal het je zeggen, Pyg. En als je nog een enkel grijntje gevoel van rechtvaardigheid in het lijf hebt, dan...”
»Dan, master Perry?”
»Dan zul je doen, wat ik je zeggen zal. Doe goed je zwarte ooren open, Pyg.”
»Ik luister, master Perry.”
»Je bent vrij, niet waar?”
»Ja, het schijnt zoo.”
»Bijgevolg behoor je aan niemand anders toe dan aan je zelven, niet waar?”
»Ongetwijfeld, master Perry.”
»En als je je zelven toebehoort...”
»Hoe zegt gij, master Perry?”
»Als je de eigenaar van je eigen persoon bent... begrijp je thans?”
»O, ja.”
»Welnu, dan kan je over je lichaam beschikken, zooals je wilt, niet waar?”
»Voorzeker, master Perry!”
»Dat kan niemand je beletten, niet waar?”
»Neen, niemand.”
»Welnu, als ik in je plaats was, Pyg, dan zou ik geen oogenblik aarzelen...”
»Wat zoudt ge dan doen, master Perry?” vroeg Pygmalion.
»Ik zou mij op de naastbij gelegen plantage gaan aanbieden. Ik zou mij zelven daar als slaaf verkoopen en ik zou de opbrengst of beter het bedrag van dien verkoop aan mijn ouden meester brengen, om hem schadeloos te stellen voor het nadeel, dat ik hem toebracht, door mij in vrijheid te laten stellen. Ziedaar, beste Pyg, nu weet je, wat ik doen zou, als ik met een zwart vel bedeeld was en in jou geval verkeerde.”
Sprak de administrateur ernstig of gekscheerde hij slechts? Wie zal dat uitmaken? De goede man was tot alles in staat, zelfs tot het spreken van wartaal, van onzin, wanneer hij zijn stokpaardje besteeg.
In ieder geval stond de dwaze Pygmalion daar, verbouwereerd te kijken en wist niet wat te antwoorden.
Intusschen was het onbetwistbaar waar, dat de daad van edelmoedigheid, door James Burbank bedreven, ongeluk, verwoesting en verderf over de plantage gebracht had. De materieele verwoesting en de daaruit voortspruitende geldelijke nadeelen zag men voor oogen en moest tot een vrij hoog bedrag becijferd worden. Van de barakken was niets overgebleven; zij waren door de vlammen verteerd, nadat zij door die ellendige bandieten geplunderd waren. Van de houtzagerijen, van de werkplaatsen, van de loodsen, van de timmerwerven bleef niets anders over dan een hoop asch en eenige zwaar verkoolde balken en stijlen. Uit die treurige overblijfselen van den gewoed hebbenden brand ontsnapten hier en daar nog eenige blauwachtige rookwolken, die spiraalvormig naar boven kronkelden.
Ter plaatse waar de keten stonden, die tot opschuring dienden van de reeds gezaagde en afgewerkte houtdeelen, ter plaatse waar de fabrieken verrezen, waarin de werktuigen aanwezig waren, om de katoenvlokken uit de zaaddoozen te halen en, zonder de vezel te verbreken, van de vrucht te scheiden, waarin de hydraulische persen werkten, die de katoen tot balen, voor het vervoer geschikt, moesten verwerken, waarin de rietmolens, de diffusie-machineriën en de vacuumpannen van de rietsuikerkokerijen te vinden waren, stonden niets meer dan eenige geblakerde en roetzwarte muurpanden, die ieder oogenblik konden omstorten. Men zag er slechts hoopen baksteenen, die ter plaatse, waar de schoorsteenen der fabrieken zich hoog verheven hadden, eenmaal door het heftige vuur der ovens roodgloeiend gemaakt waren.
Ter plaatse waar eenmaal lachende koffietuinen, met hun fraai glinsterend groen, aangetroffen werden, waar de halmen der rijstvelden onder den zachten druk der bries golfden, waar de groenten, voor de tafel des meesters bestemd, geteeld werden, waar de fourages voor het slacht- en trekvee der plantage, voor de paarden en het pluimgedierte verbouwd werden, werden niets anders dan sporen van vernieling en verwoesting aanschouwd. De vernielzucht had zoodanig gewoed, dat het was, alsof wilde dieren gedurende langen tijd op de plantage huisgehouden hadden.
Bij het gezicht van die bewijzen der misdadige bedoelingen van de aanvallers, kon master Perry zijne verontwaardiging niet meer inhouden. Zijn toorn ontlastte zich in een vloed van verwenschingen en dreigementen. Pygmalion voelde zich niets op zijn gemak, wanneer hij de woeste blikken van den bulderenden administrateur op zich voelde rusten. Hij besloot dan ook hem alleen te laten en naar Castle-House te sluipen, »om,” zooals hij zeide, »meer op zijn gemak te kunnen nadenken over het voorstel om zich zelven te koop aan te bieden, hetwelk de administrateur hem gedaan had.” En voorzeker was een dag niet voldoende om zijn gedachtengang dienaangaande te bepalen; want toen de avond gevallen was, had hij nog geen besluit genomen.
Toch waren eenige oude slaven dienzelfden dag heimelijk op Camdless-Bay teruggekeerd. Men zal zich wel kunnen voorstellen, hoe groot hunne droefheid was, toen zij allen hunne hutten verbrand vonden.
James Burbank verstrekte dadelijk de noodige bevelen, opdat zooveel mogelijk in de behoeften van die arme drommels voorzien zou worden. Een zeker getal van die zwarten kon binnen de omwalling gehuisvest worden, namelijk in de bijgebouwen, die door den brand gespaard waren geworden. Men zette hen dadelijk aan den arbeid, en hun eerste werk was om de lijken te begraven van hunne makkers, die bij de verdediging van Castle-House gesneuveld waren, alsook de lijken der aanvallers, die bij het beleg omgekomen waren. De woeste troep had bij zijn aftocht slechts de gekwetsten medegenomen.
Ook werden de beide ongelukkige negers, die in de kleine Marino-kreek vermoord waren, toen zij door Texar en zijne medeplichtigen overvallen werden, terwijl zij de sloep bewaakten, waarmede de vrouwen van Castle-House zouden ontvluchten, met alle plechtigheid ter aarde besteld.
Toen dat gedaan was, kon James Burbank nog niet aan de reorganisatie van zijne plantage denken. Daarmede moest hij wachten tot het hoofdgeschil tusschen de Noordelijken en Zuidelijken in den Staat Florida beslecht was. Maar middelerwijl bestormden hem andere beslommeringen, die hem dag en nacht bezig hielden. Hij wendde natuurlijk alle mogelijke pogingen aan, om zijn dochtertje op het spoor te komen. Van een anderen kant was de gezondheidstoestand van mevrouw Burbank, ten gevolge van al die wederwaardigheden, ten gevolge van den doorgestanen angst en schrik, zeer bedenkelijk geworden en boezemde dit haren echtgenoot groote bekommering. Miss Alice verliet haar geen oogenblik en verzorgde en verpleegde haar met kinderlijke toegenegenheid. Maar in weerwil daarvan verergerde de toestand en het werd dringend noodig, dat geneeskundige hulp ingeroepen werd.
Te Jacksonville woonde een geneesheer, die het vertrouwen der familie Burbank volkomen bezat. Deze aarzelde geen oogenblik om naar Camdless-Bay te komen, toen hij daarheen geroepen werd. Ja, de waarde Esculaap schreef geneesmiddelen voor, maar kon men daarvan ook maar de geringste uitwerking verwachten, zoolang de kleine Dy niet aan hare moeder zou weergegeven zijn?
Terwijl Edward Carrol, die genoodzaakt was eenige dagen zijn kamer te houden, op het heerenhuis achterbleef, gingen James Burbank en Walter Stannard dagelijks nasporingen op de beide rivieroevers doen. Zij doorzochten de eilandjes van de Sint John; zij ondervroegen de bewoners der landstreek; zij strekten hunne verkenningen tot in de kleinste gehuchten van het graafschap uit; zij loofden geld, veel geld uit aan hen, die eenige aanwijzing omtrent het verdwenen meisje konden doen.
Alles, alles vruchteloos!
Hoe toch zou men te weten hebben kunnen komen, dat die ellendige Spanjaard zich in de Zwarte Kreek schuil hield? Dat was niemand bekend. En daarenboven kon Texar, om zijne slachtoffers des te beter aan iedere nasporing te onttrekken, haar niet naar het boven-gedeelte van de Sint John vervoerd hebben? Het grondgebied was groot genoeg. Er waren genoeg schuilplaatsen in de uitgestrekte bosschen van het binnenland, te midden van de onmetelijke moerassen van Zuid-Florida in de streek van de onbereikbare Everglade, waar Texar de beide vrouwen zoo goed zoude kunnen verbergen, dat niemand tot haar zoude kunnen komen.
Door dien geneesheer, die dagelijks op Camdless-Bay kwam, kreeg James Burbank geregeld tijdingen en werd hij zoo op de hoogte gehouden van hetgeen zoowel te Jacksonville als in het noordelijk gedeelte van het graafschap Duval gebeurde.
De federalistische krijgsmacht had nog geene nieuwe demonstratie tegen het Floridasche grondgebied ondernomen. Dat was onbetwistbaar.
Waren nu bijzondere voorschriften door de Regeering te Washington uitgevaardigd, waarbij bevolen werd om op de grens halt te houden en haar niet te overschrijden?
Daar viel mevrouw Burbank bewegingloos op den grond neder. (Bladz. 174).
Dat zou eene rampvolle beslissing geweest zijn voor de belangen der Unionisten, die op het grondgebied der Zuidelijken gevestigd waren. Zij zou vooral noodlottig voor James Burbank zijn, wiens toestand, door zijne laatste zoo vijandige daden tegenover de geconfedereerden, toch reeds zoo hachelijk te noemen was.
Maar om het even, het smaldeel van den Commodore Dupont bevond zich nog in de monding der Sint Mary en had nog geene voorwaartsche beweging beproefd. Dat de lieden van Texar in den avond van den tweeden Maart door drie kanonschoten waren teruggeroepen, was veroorzaakt geworden doordat de autoriteiten zich door een valsch bericht hadden laten beetnemen. Dat bericht was evenwel aan de verongelijkten zeer te stade gekomen, dewijl daardoor de geheele verwoesting en plundering van Castle-House voorkomen was geworden.
Maar.... dacht de ellendige Spanjaard er niet aan om dien rooftocht te hervatten?
Hij voor zich moest het er toch voor houden, dat zijne wraakoefening onvolkomen was, daar James Burbank zich niet in zijne handen bevond. Die veronderstelling kon als weinig waarschijnlijk aangenomen worden. Ongetwijfeld zou de verwoesting der plantage, de aanval op Castle-House en de ontvoering van Zermah en van de kleine Dy hem volledige genoegdoening verschaffen en zijne inzichten bevredigen.
Daarenboven, eenige goedgezinde ingezetenen hadden niet geschroomd hunne afkeuring over het gebeurde op Camdless-Bay luide uit te spreken, en hunnen afkeer voor het opperhoofd van de muitelingen van Jacksonville aan den dag te leggen. Dat kon evenwel niet veel baten en vooral kon dat Texar geene zorgen baren, daar die goedgezinden de minderheid uitmaakten.
De Spanjaard en zijne woeste aanhangers waren dus machtiger dan ooit in het graafschap Duval. Die troep leegloopers, die gewetenlooze gelukzoekers handelden alsof niets ter wereld hen kon deren. Zij brachten de dagen door met feestvieren, hetgeen veelal in walgelijk brassen ontaardde. Zij maakten daarbij dan zoo’n geweld, dat hun spektakel tot op Camdless-Bay vernomen werd; terwijl intusschen het uitspansel den glans van de talrijke illuminatiën weerkaatste en wel zoodanig, dat men andermaal aan brandstichting kon gelooven.
Ja, de schrik zat er op Castle-House nog in.
De bedaagde en gematigde lieden waren in die omstandigheden genoodzaakt te zwijgen en moesten zich het juk van die ellendelingen, die door het grauw van het graafschap gesteund werden, laten welgevallen.
Inderdaad, de tegenwoordige werkeloosheid van de federalistische krijgsmacht kwam de nieuwe autoriteiten van Jacksonville bijzonder wel te stade. Zij maakten behendig gebruik van die omstandigheid, om het gerucht te verbreiden, dat de Noordelijken de grens van Florida niet zouden overschrijden, dat zij integendeel reeds bevel uit Washington ontvangen hadden, om Georgië en de beide Carolina’s te ontruimen, zoodat het Floridasche schiereiland niet aan den inval der legerscharen van de anti-slaven-gezinden zoude blootgesteld zijn. Voor dit laatste was volgens die oproerkraaiers eene afdoende reden, namelijk dat de Staat Florida in zijne hoedanigheid van weleer eene Spaansche volksplanting te zijn geweest, buiten den kring der Staten viel, wier belangen door de Unie door middel van wapengeweld konden beslecht worden. Deze en meer dergelijke praatjes werden natuurlijk voor goede munt opgenomen.
Het gevolg daarvan was, dat zich in al de graafschappen eene strooming, eerder gunstig dan nadeelig, voordeed ten aanzien der denkbeelden, welke die woestelingen predikten. Die openbare meening werd vertolkt door de gruwelen, die allerwege gepleegd werden, en op vele plaatsen, maar vooral in het noordelijk gedeelte van Florida, aan den kant der grenzen van Georgië, werden plantage-bezitters, wanneer het mannen waren, uit de federalistische streken afkomstig, zeer mishandeld, hunne slaven op de vlucht gedreven, hunne houtzaagmolens, hunne timmerwerven in brand gestoken en hunne ondernemingen door de troepen der geconfedereerden verwoest, zooals dat met Camdless-Bay door het grauw van Jacksonville, gesteund door een afdeeling militie-troepen, geschied was.
Intusschen bleek het niet, dat de plantage—althans voorshands—een nieuwen inval en Castle-House een nieuwe belegering te duchten had. Toch begon James Burbank ongeduldig te worden ten aanzien van de inbezitneming van het Floridasche grondgebied door de federalistische troepen. Die draalden hem te lang. Bij den tegenwoordigen staat van zaken was toch tegen Texar direct niets uit te voeren. Hoe zou het mogelijk zijn, hem in deze omstandigheden voor de rechtbank te dagen voor feiten, die hij ditmaal wel is waar niet zoude kunnen loochenen, maar waaromtrent toch geen recht zoude gesproken worden? Hoe zou men hem kunnen nopen de plaats te openbaren, waar hij de kleine Dy en Zermah gevangen hield?
Welk een reeks van angstige gevoelens moesten James Burbank, zijne echtgenoote en vrienden niet ondervinden door die eindelooze vertragingen! Toch konden zij niet aannemen, dat de federalistische troepen op de grens van Florida onbeweeglijk zouden blijven. De laatste brief van Gilbert Burbank meldde toch bepaald, dat het doel van den krijgstocht van den Commodore Dupont en van den Generaal Sherman was: Florida met hunne scheepsmacht en troepen te bezetten. Zou nu het federalistisch gouvernement sedert het afzenden van dien brief op zijne besluiten terug zijn gekomen en tegenbevelen naar de baai van Edisto gezonden hebben, waar het smaldeel het gunstige tijdstip om zee te kunnen kiezen verbeidde? Had een welgeslaagd wapenfeit, door de geconfedereerde troepen in Virginia of in een der beide Carolina’s behaald, de legermacht der Unie genoodzaakt haren tocht naar het zuiden te staken?
Welke voortdurende onrust voor die familie toch, die reeds van het uitbreken van dezen rampzaligen oorlog af zoo beproefd was geworden! En op hoevele rampvolle gebeurtenissen moest zij zich niet nog voorbereid houden!
Zoo verliepen de vijf eerste dagen, die op het noodlottige etmaal van den inval in Camdless-Bay volgden.
Geen enkele tijding werd ontvangen nopens de maatregelen, welke de federalisten dachten te nemen. Geen enkele tijding kwam er van de kleine Dy of van Zermah in, hoewel James Burbank geen enkele poging onbeproefd had gelaten, om die twee op het spoor te komen, hoewel geen enkele dag voorbij was gegaan, zonder dat in de eene of andere richting verkenningen en nasporingen gedaan waren.
Zoo bereikte men den 9den Maart.
Edward Carrol was toen geheel genezen. Hij kon weder deelnemen aan de veelvuldige tochten, die door zijne vrienden beraamd en uitgevoerd werden.
Mevrouw Burbank verkeerde steeds in een staat van onrustbarende zwakheid. Het was alsof hare levensvonk met hare tranen dreigde te vervlieten. In hare ijlhoofdigheid riep zij met hartverscheurende stem om haar dochtertje en wilde naar buiten om haar op te zoeken. Die telkens terugkeerende crisissen eindigden steeds met een zenuwtoeval, waardoor haar leven in gevaar gebracht werd.
Hoeveel keeren vreesde miss Alice toch, dat die rampzalige moeder den laatsten adem in hare armen zoude uitblazen!
Een enkel bericht van het oorlogstooneel werd in den ochtend van den 9den Maart te Jacksonville aangebracht. Ongelukkig was het van dien aard, dat het de denkbeelden van de afscheidingspartij van de Unie stijfde.
Volgens dat bericht zou de Generaal Van Doorn der geconfedereerden, de federalistische troepenmacht onder Generaal Curtis op den 6den Maart bij het gevecht te Bettonville in den Staat Arkansas geslagen en tot een volledigen terugtocht genoodzaakt hebben. In waarheid had slechts een onbeduidend achterhoedegevecht plaats gehad van eene kleine legerafdeeling der Noordelijken, waarbij dezen het onderspit gedolven hadden. Maar die nederlaag werd eenige dagen later ruimschoots opgewogen door de overwinning te Pea-Ridge.
Dat kleine voordeel te Bettonville evenwel was voldoende om de overmoedige houding der Zuidelijken te verhoogen. Te Jacksonville vooral werd die onbeduidende achterhoede-schermutseling als eene volkomene nederlaag der federalistische legermacht voorgesteld. Dit gaf weer aanleiding tot feestvieringen, tot braspartijen en uitspattingen, waarvan het spektakel tot bij de droefgeestige bewoners van Castle-House doordrong.
Zie hier welke tijdingen James Burbank, toen hij tegen zes uren des avonds van eene verkenning op den linkerrivieroever op Camdless-Bay wederkeerde, vernam:
Een ingezetene van het naburige graafschap Putnam, meende sporen der ontvoering van de kleine Dy en Zermah ontdekt te hebben op het innerlijke gedeelte van een eilandje, in de Sint-John eenige mijlen bovenstrooms van de Zwarte-Kreek gelegen. Gedurende den afgeloopen nacht meende die man een wanhopig hulpgeroep gehoord te hebben, en het was dat feit, hetwelk hij ter kennis van James Burbank kwam brengen. Daarenboven, de Indiaan Squambô, de bekende vertrouweling van Texar, was in die buurt met zijn squif gezien geworden. Dat was ontwijfelbaar, en die bijzonderheid werd ten volle bevestigd door een passagier van de Shannon, die van Sint-Augustijn terugkeerende, dien dag aan de pier van de kleine havenkom van Camdless-Bay ontscheept was.
Meer was er niet noodig om James Burbank er toe aan te zetten, dat spoor te volgen. Hij en Edward Carrol, vergezeld van twee negers, bestegen eene sloep en roeiden ijverig de rivier op. In de nabijheid gekomen, staken zij naar het bedoelde eilandje over en onderzochten het zorgvuldig. Zij drongen zelfs eenige visschershutten binnen, die evenwel sedert eenigen tijd bleken onbewoond te zijn. Onder het schier ondoordringbare weelderige struikgewas van het eilandje werd geen enkel spoor van een menschelijk wezen aangetroffen. Op de oevers duidde niets ter wereld aan, dat iemand daar aan land gekomen was. Squambô werd nergens ontwaard, en was hij in zijn squif gezeten, in de nabijheid van het eilandje ontwaard, dan was hij er zeker niet op ontscheept.
Die tocht bleef dus als zoovele anderen geheel zonder gevolgen; men moest naar de plantage terugkeeren met de overtuiging, dat men ook ditmaal door een onwaar bericht op een valsch spoor gebracht was.
James Burbank, Walter Stannard en Edward Carrol zaten des avonds bij elkander in de hal van Castle-House en bespraken die vruchtelooze poging en wat er de aanleidende oorzaak van geweest was. Miss Alice Burbank kwam tegen negen uren, toen mevrouw Burbank meer in eene sluimering dan wel in slaap geraakt was, zich voor een oogenblik bij hen voegen en vernam den vruchteloozen uitslag van den tocht.
De nacht was zeer duister. De maan, die wassende en in het eerste kwartier was, was reeds onder den gezichteinder verdwenen. Eene diepe stilte heerschte rondom Castle-House, alsook over de geheele plantage en over de gansche oppervlakte der rivier. De weinige negers, op het heerenhuis aanwezig en in de bijgebouwen gehuisvest, waren op het punt om in slaap te geraken, toen plotseling de stilte door een ver verwijderd gerucht afgebroken werd. Heftig geschreeuw werd gehoord, losbarstingen en knallen als van vuurwerk werden in de richting van Jacksonville vernomen, alwaar men toen de zoogenaamde overwinningen van de geconfedereerden met de meeste luidruchtigheid vierde.
Telkenmale wanneer die losbarstingen en dat geschreeuw in de hal van Castle-House vernomen werden, was het alsof der familie Burbank een nieuwe slag werd toegebracht.
»Wat mag dat toch zijn, vader?” vroeg miss Alice, die angstig luisterde.
»Ik weet het niet, mijne dochter,” antwoordde Master Walter Stannard.
»Ik ook niet,” zei James Burbank zeer ongerust.
»Mij dunkt, het is vreugdegejuich,” zei Edward Carrol.
»Ja, het zijn vreugdeschoten, het is het geknetter van vuurwerk,” zei Walter Stannard.
»Zouden er slechte tijdingen zijn?”
»Wie weet!”
»Wij dienen toch op de hoogte te zijn van hetgeen er gebeurt,” zei Edward Carrol.
»Zeker.”
»En trachten te weten te komen, of de federalistische-legerafdeeling van de bezetting van Florida heeft afgezien.”
»Ja, dat moet,” zei James Burbank.
»Wij kunnen onmogelijk in die onzekerheid blijven!” vervolgde Walter Stannard.
»Welnu,” zei James Burbank, »ik zal morgen ochtend naar Fernandina gaan en... daar zal ik berichten inwinnen... wanneer althans de havenplaats nog in handen der federalisten is.”
»Zou dat niet al te gevaarlijk zijn, James?” vroeg Walter Stannard.
»Om het even; het moet!”
In dat oogenblik werd zacht op de hoofddeur van Castle-House geklopt, die toegang verleende tot de bamboelaan, die naar den oever der Sint John voerde.
Een kreet ontsnapte aan miss Alice. Het jonge meisje sprong op en vloog naar de deur, in weerwil van de poging van James Burbank, die haar wilde grijpen om haar te weerhouden.
Maar daar van binnen nog geen antwoord verleend was, werd andermaal geklopt, doch thans duidelijker.