XIII.

Gedurende eenige uren.

James Burbank was ook naar de deur toegetreden. Hij verwachtte in dit oogenblik niemand.

Maar... wellicht werd hem een belangrijk bericht van Jacksonville door John Bruce vanwege zijn correspondent, den heer Harvey, aangebracht!

Een derde maal werd op de deur geklopt, thans echter met ongeduldige hand.

»Wie is daar?” vroeg James Burbank.

»Ik!” kreeg hij ten antwoord.

»Ik?... Wie is die ik?”

»Ik!”

»Gilbert!” kreet miss Alice.

Ja, zij had zich niet vergist. Haar hart had het geraden.

Gilbert te Camdless-Bay!... Gilbert te midden der zijnen, overgelukkig om eenige uren in hun midden te komen doorbrengen en natuurlijk geheel onbekend met de rampen, die hen getroffen hadden!

In een oogwenk lag de jonge man in de armen zijns vaders, die hem aan de borst klemde. Een man vergezelde hem; deze sloot zorgvuldig de deur, na een bespiedenden blik naar buiten geworpen te hebben.

Dat was Mars, de echtgenoot van Zermah, de toewijdingsvolle mesties van den jongen Gilbert Burbank.

Toen hij zijn vader omhelsd had, keerde Gilbert zich om. Hij ontwaarde toen miss Alice. Hij greep hare hand en drukte die met innige maar onweerstaanbare teederheid.

»Maar, mijne moeder?” vroeg hij. »Waar is mijne moeder?.... Is het waar, dat zij ziek, dat zij stervende is?”

»Gij weet dus, mijn zoon?....” vroeg James Burbank.

»Ik weet alles, vader!”

»Alles?... Ook de vernieling der plantage door de bandieten van Jacksonville?... Ook den aanval op Castle-House?...”

Daar had hij eensklaps de beide negers overvallen. (Bladz. 174).

Daar had hij eensklaps de beide negers overvallen. (Bladz. 174).

»Ja, vader!... Maar, mijne moeder?... mijne moeder?... Zij is toch niet dood?”

»Neen, Gilbert! Neen, goede jongen. Zij is niet dood! Stel u gerust.”

De aanwezigheid van den jongen man in deze streek, alwaar hij persoonlijk zooveel gevaar liep, vond thans hare gereede verklaring, niet waar?

Ziehier, wat er gebeurd was.

Sedert den vorigen dag waren ettelijke kanonneerbooten van het eskader van den Commodore Dupont, in weerwil van den buitengewoon lagen waterstand op de bank buiten de rivier, de monding der Sint John binnengedrongen. Na eenigen tijd stroomopwaarts gestevend te hebben, waren zij genoodzaakt geweest voor eene tweede bank op vier mijlen beneden Jacksonville halt te houden en ten anker te komen. Weinige uren later was er een man aan boord van de kanonneerboot van den gezagvoerder Stevens gekomen, waarop Gilbert Burbank als eerste officier dienst deed. Die man gaf te kennen, dat hij lichtwachter op den vuurtoren van Pablo was, en deelde alles mede, wat te Jacksonville voorgevallen was, alsook den inval, waaraan Camdless-Bay blootgesteld had gestaan, de uiteenjaging der negers en den wanhopigen toestand, waarin mevrouw Burbank zich bevond.

De lezer kan oordeelen, wat er in het gemoed van Gilbert Burbank omging, toen hij het verhaal van die betreurenswaardige gebeurtenissen vernam.

Toen overviel hem een onweerstaanbare begeerte, om zijne innig geliefde moeder weer te zien.

Hij vroeg en verkreeg verlof van den gezagvoerder Stevens, om de flottilje te mogen verlaten. Hij steeg in een van die kleine vaartuigen, die gieken genoemd worden, en vergezeld van zijn getrouwen Mars, slaagde hij er in,—zooals hij althans meende,—onopgemerkt te midden der duisternis voort te spoeden. Hij voer naar den wal en verliet het vaartuigje op een halve mijl afstands van Camdless-Bay, om te vermijden in de kleine havenkom aan te leggen, die voorzeker bewaakt en bespionneerd zoude zijn.

Maar, wat hij niet wist en ook niet weten kon, was dat hij in een strik gevallen was, die hem door den laaghartigen Texar met de meeste behendigheid gespannen was.

De Spanjaard had besloten, het mocht kosten wat het wilde, dat bewijs te erlangen, hetwelk door de magistraten van Court-Justice geëischt was, het bewijs namelijk dat James Burbank, de Noordelijke, de eigenaar van Camdless-Bay, briefwisseling met den vijand onderhield. Om dan ook den jongen officier naar de plantage te lokken, had de Spanjaard een lichtwachter van den vuurtoren te Pablo, die aan hem verknocht was, opgedragen, naar de kanonneerboot van Stevens te roeien, om aan Gilbert Burbank een gedeelte der gebeurtenissen mede te deelen, die op Castle-House voorgevallen waren, maar om hem vooral op de hoogte te brengen van den onrustbarenden gezondheidstoestand zijner moeder.

Zooals wij weten, was de jeugdige luitenant vertrokken; maar wat hij alweer niet wist, was dat hij behoorlijk bespied werd, terwijl hij de Sint John oproeide. Intusschen was hij er toch in geslaagd, door vlak langs het dichte riet en de biezen, die zich op den oever der rivier bevonden, te roeien, de verspieders van den Spanjaard, die in last hadden hem te volgen, het spoor bijster te maken. Maar hadden die spionnen hem ook al niet op den oever beneden Camdless-Bay zien aan wal stappen, dan hoopten zij toch hem bij zijn terugkeer naar boord in handen te krijgen en dit niet zonder grond, daar dat benedengedeelte der rivier door hen en hunne partijgangers stipt bewaakt werd.

»Mijne moeder?... Waar is mijne moeder?” herhaalde Gilbert Burbank ongerust.

»Hier ben ik, mijn zoon, mijn Gilbert!” antwoordde mevrouw Burbank.

Zij verscheen op het portaal van de trap der hal en klom langzaam naar beneden, terwijl zij zich krampachtig aan de leuning vasthield. Beneden gekomen, viel zij uitgeput op een divan neder, maar had toch nog kracht genoeg om haren zoon, haren Gilbert, die haar met kussen overdekte, in de armen te sluiten en aan het moederlijk hart te drukken.

In hare sluimering had de zieke op de deur van Castle-House hooren kloppen. Toen had zij zich reeds opgewekt gevoeld, maar toen zij de stem van haren zoon herkend had, had zij krachten genoeg gevonden om op te staan, om naar haren Gilbert te gaan en om met hem en met al de haren te weenen en de gebeurde zaken te betreuren.

De jonge man klemde haar in zijne armen.

»Moeder!... Moeder!...” sprak hij met ontroerde stem. »Ik zie u dan toch weer!... O, wat ziet gij er lijdende uit!”

»Dat’s niets, mijn jongen,” antwoordde de ongelukkige moeder, »zie, ik leef nog en dat is het voornaamste!”

»Ja, moeder, dat is het voornaamste!... En wij zullen u door onze zorgen, door onze verpleging genezen!... Ja, dat zullen wij!... O, de ongeluksdagen zijn thans voorbij!”

»God verhoore je, mijn Gilbert!” bad mevrouw Burbank; terwijl zij het hoofd van haren zoon in hare handen omklemd hield en hem in de heldere oogen keek.

»Ja, moeder, wij zullen weldra allen vereenigd zijn!... Gij zult uwe gezondheid herwinnen!... En wat mij betreft, vrees voor mij niets!... Niemand dan Mars en ik weten dat wij hierheen gekomen zijn!...”

En terwijl hij sprak, liefkoosde hij zijne moeder, en trachtte haar door zijne vroolijke hoopvolle woorden op te beuren. Helaas, hoe zou de arme vrouw opgebeurd hebben kunnen worden. Slechts een flauwe treurige glimlach vloog over haar gelaat, terwijl zij de liefkoozingen haars zoons ontving.

Intusschen scheen Mars te begrijpen, dat noch Gilbert noch hij, de ramp, die hem en het gansche gezin getroffen had, in haren geheelen omvang kende. James Burbank en naast hem de heeren Edward Carrol en Walter Stannard stonden daar stilzwijgend en met gebukt hoofd. Miss Alice trachtte hare tranen te drogen en kon hare snikken niet bedwingen. Wat was er dan toch nog gebeurd?

»Maar... waar zou de kleine Dy zijn?” vroeg zich de trouwhartige kleurling af. »En waar Zermah? Die had moeten raden, dat haar echtgenoot op Camdless-Bay aangekomen was, dat hij binnen het woonhuis was, dat hij zijne vrouw wachtte, met ongeduld wachtte...”

Zijn hart kneep te zamen. Een onuitsprekelijke angst overviel hem. Hij keek rond, onderzocht met den blik iederen hoek der hal, en het eindelijk niet meer kunnende uithouden, vroeg hij aan master James Burbank:

»Wat is er toch, meester?”

James Burbank schudde treurig, ja wanhopig het hoofd.

In dit oogenblik wierp Gilbert, na nog eene laatste liefkoozing met zijne moeder gewisseld te hebben, een blik rondom zich.

»Waar is Dy?”... vroeg hij. »Is kleine Dy reeds te bed?... Maar, waar is mijn lief zusje dan toch?”

»En waar is mijne vrouw?” vroeg Mars.

Helaas, nu begon een verhaal van het gebeurde, dat, meermalen door snikken, door onbedwingbare snikken, door geween, door angstgegil, door wanhoopskreten afgebroken, maar ten slotte toch ten einde gebracht werd. Toen wisten de jeugdige zeeofficier en Mars alles.

Bij het voortschrijden van den oever der Sint John, van de plek af, waar hunne sloep hen wachtte, hadden de beide mannen wel bouwvallen op de plantage in het duister ontwaard. Maar zonder zich daaromtrent veel te bekommeren, hadden zij de meening gekoesterd, dat de geheele ramp zich tot een min of meer belangrijke materieele schade, onafscheidelijk verbonden aan de vrijstelling der slaven, bepaalde!... Thans evenwel was hen alles bekend. De eene miste zijn zusje; de andere miste zijne echtgenoote... En niemand kon hen zeggen, waarheen die ellendige Texar de twee onschuldige wezens in de laatst verloopen zeven dagen vervoerd had.

Gilbert keerde zich weer naar zijne moeder, knielde naast haar neder en weende bitterlijk met haar.

Mars daarentegen liep, met hevige als met bloed beloopen oogen, met hijgende borst op en neder en kon zich onmogelijk bedwingen.

Eindelijk barstte zijn toorn los.

»O, ik zal dien Texar dooden!” riep hij uit. »Ja, ik zal hem vermoorden!... Ik zal naar Jacksonville gaan... morgen... neen, dezen nacht nog... dadelijk... oogenblikkelijk...”

»Ja, kom, Mars, kom!...” antwoordde Gilbert.

James Burbank weerhield hen.

»Waar wilt gij heen?” vroeg hij.

»Naar Jacksonville!”

»Zoudt gij dan denken, mijn zoon, dat wanneer dat doenlijk ware, ik tot uwe terugkomst zoude gewacht hebben?” kreet de wanhopige vader. »Kunt gij denken, dat ik die taak aan u zou overlaten?... Neen, bij God! neen! Dan had de ellendeling al lang het kwaad, dat hij ons gedaan heeft, met zijn leven betaald!...”

»Maar... maar...” wilde Gilbert in het midden brengen.

»Maar wat, mijn zoon?”

»Die aterling kan toch niet ongestraft blijven!”

»Neen, bij God! dat zal hij niet!—Maar eerst zal hij ons moeten mededeelen, wat hij alleen weet...”

»Vader!...”

»Ja, dat gaat voor! En als ik u en Mars aanmaan om te wachten,” sprak James Burbank hoogst ernstig, »gelooft mij, dan moet er gewacht worden!”

» Welnu, het zij zoo, vader! Gij kunt gelijk hebben.”

»Ik heb gelijk, Gilbert, geloof mij!”

»Welnu, ik herhaal: het zij zoo! Wij zullen niet naar Jacksonville gaan. Maar gij zult mij toch wel veroorloven, hoop ik, om het geheele grondgebied, de geheele streek te doorzoeken, om...”

»Maar... denkt ge dan, dat ik dat niet gedaan heb?” riep master James Burbank uit.

»Daaraan twijfel ik niet, vader. Maar het zou kunnen...”

»Geen dag is er voorbijgegaan, zonder dat wij de oevers der Sint John en de eilandjes, die Texar eene schuilplaats konden aanbieden, hebben doorzocht...”

»En... hebt gij niets gevonden?”

»Niets!... Niets!... geen enkele aanwijzing, die mij op het spoor kon brengen van uwe zuster, Gilbert, van uwe echtgenoote, Mars! Hier, de heeren Edward Carrol en Walter Stannard hebben met mij gezocht; zij hebben alles ondernomen... alles gewaagd... en hunne nasporingen zoowel als de mijne zijn vruchteloos gebleven!”

»Waarom geen klacht ingebracht te Jacksonville?” vroeg de jeugdige officier.

»Te Jacksonville?...”

»Waarom dien ellendigen Texar niet voor de rechtbank vervolgd, als schuldig aan ophitsing tot plundering van Camdless-Bay, als schuldig aan ontvoering?...”

»Waarom?... Wilt ge weten waarom ik dat niet deed?” vroeg James Burbank. »Omdat Texar thans baas is; omdat ieder, die tot de eerlijke lieden behoort, voor de schurken beeft, welke aan hem verknocht zijn; omdat het grauw voor hem gestemd is; omdat ook de militietroepen zijne partij gekozen hebben...”

»O, ik zal Texar vermoorden!” herhaalde Mars, alsof zijn brein door die standvastige gedachte, die niet te verjagen was, slechts vervuld was.

»Gij kunt hem dooden,” hernam master James Burbank, »evenwel dan eerst, wanneer het tijd zal zijn. Gebeurde dat thans, dan werd de toestand slechts verergerd.”

»En, wanneer zal het tijd zijn?...” vroeg Gilbert.

»Als de federalistische troepen Florida zullen binnengerukt zijn en zij Jacksonville zullen bezet hebben.”

»En, als het dan te laat is?”

»O, Gilbert!... mijn zoon!...” kreet mevrouw Burbank met hartverscheurende stem. »Ik bid, ik smeek je, zeg dat toch niet.”

»Neen, Gilbert, zeg dat toch niet!” herhaalde miss Alice.

James Burbank greep de hand van zijn zoon.

»Gilbert, hoor mij aan!” sprak hij. »Evenals gij en Mars wildet doen, wilden wij kort recht over Texar spreken en kort en bondig met hem handelen, voor het geval hij geweigerd zoude hebben te verhalen, wat er met zijne slachtoffers gebeurd is. Maar in het belang van uwe zuster, Gilbert, in het belang van uwe echtgenoote, Mars, hebben wij voorzichtigheid moeten betrachten en onzen gerechten toorn aan die voorzichtigheid ten offer brengen. Het is toch aan te nemen inderdaad, dat de kleine Dy en Zermah in handen van Texar als gijzelaars te beschouwen zijn, waarvan hij zich een vrijgeleide maken wil, wanneer de zaken der Zuidelijken verkeerd loopen. Want die ellendeling verkeert dan in gevaar om vervolgd te worden ter zake van rebellie en van verjaging der wettige autoriteiten te Jacksonville, ter zake van opruiïng eener bende boosdoeners tegen Camdless-Bay en ter zake van brandstichting en vernieling op de plantage van een Noordelijke! Ziet, als ik die meening niet koesterde, Gilbert, zou ik dan wel met die overtuiging tot je spreken? Zou ik dan den treurigen moed, de lakenswaardige geestkracht van het wachten kunnen ontwikkelen!...”

»Zou ik dan niet bezweken, zou ik dan niet dood zijn?” zei mevrouw Burbank.

De rampzalige moeder begreep maar al te goed, dat wanneer haar zoon naar Jacksonville ging, hij zich als het ware aan Texar uitleverde. En wie zou dan het leven van een officier van de federalistische krijgsmacht hebben kunnen redden, die in de handen der Zuidelijken zoude gevallen zijn en dat nog wel in een tijdperk, dat een troepenafdeeling der Noordelijken Florida bedreigde.

Maar de jeugdige officier bezat geene zelfbeheersching meer. Hij wilde en zou vertrekken en toen Mars herhaalde:

»Ik zal Texar vermoorden!”

»Kom, laten wij vertrekken!” sprak hij.

»Ge zult niet gaan, Gilbert!”

Mevrouw Burbank was, in weerwil harer zwakte, door eene buitengewone inspanning harer wilskracht opgestaan, en plaatste zich voor de deur. Maar door die poging uitgeput, en zich niet meer overeind kunnende houden, zeeg zij op den grond neder.

»Moeder!... Moeder!...” riep de jonge man uit.

»Blijf, Gilbert!” zei miss Alice.

Gilbert Burbank boog het hoofd.

Men moest mevrouw Burbank naar hare kamer dragen, waar het jonge meisje haar bleef bewaken.

Daarna keerden James Burbank, Edward Carrol en Walter Stannard naar de hal terug.

Gilbert was toen in voorovergebukte houding op den divan gezeten en hield het hoofd door beide handen ondersteund. Mars stond ter zijde en nam een diep stilzwijgen in acht.

»Nu, Gilbert, nu ge weer kalm zijt,” sprak zijn vader James Burbank, »nu ge uwe zelfbeheersching herwonnen hebt, spreek nu. Van hetgeen ge ons zeggen zult, zal de beslissing afhangen omtrent hetgeen ons te doen staat. Wij stellen onze eenige hoop in eene spoedige aankomst der federalistische troepen in het graafschap...”

Gilbert zat als wezenloos voor zich te kijken. Hij hoorde evenwel aandachtig toe.

»Hebben zij hun plan om Florida te bezetten laten varen?” vervolgde James Burbank.

»Neen, vader.”

»Waar bevinden zij zich thans?”

»Een gedeelte van het eskader is thans onder stoom en zet koers naar Sint Augustijn, om de blokkade tot naar dien kant uit te strekken.”

»Maar denkt de Commodore Dupont er niet aan?...” vroeg Edward Carrol aarzelend.

»Waaraan?”

»Om zich meester van de Sint John te maken.”

»Het benedengedeelte van den stroom is in onze macht,” antwoordde de jeugdige zeeofficier. »Onze kanonneerbooten, onder de bevelen van den Kommandant Stevens, liggen reeds in de Sint John ten anker.”

»In de Sint John?” riep master Walter Stannard uit.

»Ja, in de Sint John!”

»En zij hebben nog geene pogingen gedaan, om zich van Jacksonville meester te maken?”

»Neen.”

»Waarom niet?”

»Omdat zij bij de binnenbank gekomen, die op vier mijlen beneden de havenplaats ligt, niet verder konden.”

»Niet verder konden?” vroeg James Burbank ontsteld.

»Neen, vader.”

»De kanonneerbooten worden weerhouden door een hinderpaal en nog wel door een onoverkomelijken hinderpaal!”

»Ja, vader, weerhouden door gebrek aan water, door gebrek aan diepte. De vloed moet sterk doorzetten om te veroorloven die bank te overschrijden, en dan nog zal het zeer moeielijk zijn. Mars kent de geul volkomen en die zal ons moeten loodsen.”

»Wachten!... Steeds wachten!...” riep James Burbank wanhopig uit. »En hoe lang zullen wij nog moeten wachten? Zeg, Gilbert, hoe lang nog?”

»Hoogstens nog drie dagen, dan is het springvloed; maar.... wanneer...”

»Maar, wanneer wat? Ga voort.”

»Maar nog slechts vier-en-twintig uren, wanneer de wind draaide en uit volle zee op de riviermonding stond.”

»Dat is een kans, waarop in dit seizoen niet te vertrouwen valt,” zei Walter Stannard.

Drie dagen, of in het gunstigste geval nog vier-en-twintig uren! O, wat was dat nog eene lange tijdsruimte voor de bewoners van Castle-House!

En wanneer de geconfedereerden middelerwijl tot het besef zouden komen, dat zij de stad niet zouden kunnen verdedigen, en wanneer zij haar dientengevolge ontruimden, zooals zij de havenplaats Fernandina, het fort Clinch en zoovele andere plaatsen van noordelijk Florida en van Georgië ontruimd hadden, zou Texar dan niet met hen vluchten? En waar zou men hem dan moeten gaan opsporen?

Gingen James Burbank en Walter Stannard dagelijks nasporingen doen. (Bladz. 184).

Gingen James Burbank en Walter Stannard dagelijks nasporingen doen. (Bladz. 184).

Van een anderen kant hem in dit oogenblik gaan aanvallen, nu hij heer en meester te Jacksonville was, nu het grauw hem bij alle zijne gewelddadigheden hielp en steunde; neen, dat was en bleef onmogelijk. Daarop viel niet meer terug te komen. Dat begreep iedereen.

Master Walter Stannard vroeg toen aan Gilbert, of het waar was, dat de federalistische troepen in het noorden wederwaardigheden ondervonden hadden en wat er van de nederlaag te Bentonville aan was?

De jeugdige officier gaf een overzicht van den stand van zaken en eindigde aldus:

»De overwinning te Pea-Ridge behaald, heeft aan de troepen van Generaal Curtis veroorloofd, het terrein, dat zij kortstondig verloren hadden, te hernemen. De toestand der Noordelijken mag uitmuntend heeten en de einduitslag of beter het eindwelslagen is verzekerd. Wanneer? Ja, dat tijdstip is moeielijk te bepalen of ook maar te voorzien. Wanneer zij de voornaamste punten van Florida zullen bezet hebben, dan zullen zij de oorlogscontrabande kunnen beletten, die nu op zeer vele punten van het kustland gedreven wordt. Als dat zal kunnen geschieden, dan zullen weldra zoowel de wapens als de munitie aan de geconfedereerden gaan ontbreken. Dus dit grondgebied zal binnen kort onder de bescherming van ons eskader de rust en veiligheid herkregen hebben!... Binnen kort... Ja... over ettelijke dagen!... Maar, wat kan er in dien tusschentijd gebeuren?...”

Toen rezen hem de talrijke gevaren voor den geest, waaraan zijn zusje blootgesteld was en kwam de zucht, om heen te ijlen en haar te gaan wreken, weer zoodanig bij hem op, dat James Burbank zich genoodzaakt zag, ten einde hem van dat denkbeeld af te brengen, het gesprek weer op de oorlogvoerende partijen te brengen. Gilbert kon hen toch nog veel mededeelen van de gebeurtenissen, die noch te Jacksonville vernomen, althans niet naar Camdless-Bay overgebracht waren.

En werkelijk, er waren feiten gebeurd die van zeer groot belang waren, vooral voor de federalistisch gezinde bewoners van den Staat Florida.

De lezer zal zich herinneren, dat de Staat Tennessee, als gevolg van de overwinning te Donelson, geheel en al onder het bestuur der Unionistische regeering was teruggekeerd. Deze was er nu op bedacht, zich door de samenwerking van haar landleger en hare vloot, van den geheelen loop der Mississippi meester te maken. Dientengevolge waren de federalisten dien stroom tot bij het eiland nummer 10 afgezakt, alwaar zij met de troepen van den Generaal Beauregard, wien de verdediging van den stroom was opgedragen, in botsing zouden komen.

Reeds op den 24sten Februari waren de brigades van den Generaal Pope, die te Commercie op den rechteroever van de Mississippi ontscheept waren, er in geslaagd het legerkorps van den Generaal John Thomson terug te dringen. Het is waar, dat, toen zij in de nabijheid van het eiland nummer 10 en van het dorp New-Madrid gekomen waren, zij tegengehouden werden door een zeer sterk stelsel van redoutes of gesloten versterkingen, tot dat doel door Generaal Beauregard aangelegd.

Maar al moesten ook, sedert dat Donelson en Nashville door de Noordelijken genomen waren, al de positiën langs de rivier, boven Memphis gelegen, als verloren voor de Zuidelijken beschouwd worden, zoo konden die, meer benedenstrooms gelegen, nog verdedigd worden.

Het was dan op dit punt, dat een slag geleverd zou worden, die misschien beslissend zoude zijn.

Intusschen was de reede van Hampton Road, in de monding van de James-Rivier, het tooneel van een gedenkwaardig gevecht geweest. Bij dat gevecht kwamen de eerste staaltjes van die gepantserde vaartuigen, welker gebruik de geheele zeetaktiek veranderd en den aard van den bouw der oorlogsvaartuigen van al de maritieme rijken van de beide halfronden gewijzigd hebben, tegenover elkander.

Op den 5den Maart hadden de Monitor, een pantserschip door den Zweedschen ingenieur Erikson, en de Virginia, vroeger Merrimac genaamd, thans getransformeerd, het anker gelicht en waren vertrokken, het eerstgenoemde vaartuig van New-York en het andere van Norfolk.

Op dat tijdstip lag eene divisie federalistische vaartuigen, vereenigd onder de bevelen van den kapitein ter zee Marston, te Hampton Road, in de nabijheid van Newport-News ten anker. Die scheepsafdeeling bestond uit de zeilfregatten Congress, de Sint Laurens, de Cumberland en verder uit twee stoomvaartuigen.

Eensklaps verscheen in den morgen van den 2den Maart de Virginia, die door den kapitein der geconfedereerden Buchanan gekommandeerd werd. Gevolgd door een paar andere schepen van minder belangrijkheid, wierp dat vaartuig zich eerst op de Congress, vervolgens op de Cumberland, die hij met zijn spoor in de zijde liep, zoodat dit fregat met honderd en twintig man van zijne equipage in de diepte wegzonk, welke lieden hun graf in de golven vonden. Toen zich andermaal naar de Congress wendende, die, om het gevaar te ontkomen, op eene modderige ondiepte geloopen was, beschoot de Virginia haar met granaten, vernielde als het ware dit vaartuig door dat vuur en stak het ten slotte in brand. Alleen de nacht belette, dat ook de drie andere vaartuigen van de federalistische scheepsafdeeling vernield werden. Deze konden onder begunstiging van de duisternis de vlucht nemen en eene veilige haven opzoeken.

Men zou zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den indruk, door die volledige overwinning van zoo’n klein gepantserd vaartuig bij dien strijd tegen de grootste oorlogsschepen van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika gevoerd, door de geheele beschaafde wereld, maar vooral in het grondgebied der oorlogvoerende partijen teweeggebracht. Bij de eene, bij de Noordelijken en hunne aanhangers, veroorzaakte zij eene diepe verslagenheid, omdat het aan een nietig vaartuigje als de Virginia mogelijk was geweest tot in de Hudsonrivier de schepen van New-York te komen rammen.

Bij de andere partij, bij de Zuidelijken, en alle slavenhoudende Staten veroorzaakte zij eene buitengewone vreugde en hoop. Men zag toch reeds in de verbeelding de zoo gehate blokkade verbroken en opgeheven en den handel weer vrij en verlevendigd langs de kusten der zoo geteisterde landstreken.

Het was inderdaad dat buitengewone succes, dat daags te voren te Jacksonville zoo luidruchtig gevierd was.

De geconfedereerden mochten nu toch hopen, dat zij voor den aanval der vaartuigen van het federalistische gouvernement veilig waren. Want onmogelijk was het toch niet, dat het eskader van den Commodore Dupont, ten gevolge van de overwinning te Hampton Roads, dadelijk naar de Potomac- of Chesapeake-monding teruggeroepen zoude worden.

Geen debarkement van vijandelijke troepen zou dan meer voor Florida te duchten zijn. De denkbeelden der slavenhoudende planters, gesteund door het meest woeste gedeelte van de bevolking der Zuidelijke Staten, zouden zonder verdere hinderpalen zegevieren!

Dat zou de bevestiging van Texar en zijne aanhangers zijn in een toestand, waarin zij zooveel kwaad doen en zooveel onheil stichten konden!

Intusschen had men zich bij de geconfedereerden te zeer gehaast om victorie te kraaien.

Want, er waren toch latere berichten, die in Noord-Florida reeds bekend waren, en die Gilbert Burbank vernomen had juist toen hij de kanonneerboot van den gezagvoerder Stevens wilde verlaten en thans tot geruststelling zijner familiebetrekkingen en vrienden kon mededeelen.

Inderdaad, den tweeden dag na het scheepsgevecht van Hampton Roads had een ander plaats, dat eene andere uitkomst had, geheel verschillend met die van het eerstgenoemde.

Aanval op het eiland No. 10 door de federalisten. (Bladz. 203).

Aanval op het eiland No. 10 door de federalisten. (Bladz. 203).

In den ochtend van den 9den Maart, op het oogenblik dat de Virginia zich gereed maakte op het federalistische stoomfregat Minnesota, hetwelk deel uitmaakte van de scheepsmacht van Hampton Road, in te loopen en met zijn spoor in den grond te boren, verscheen een vijand, welks tegenwoordigheid het geconfedereerde pantserschip zelfs niet vermoed had. Het was een zonderling vaartuigje, dat zich als het ware van de flanken van het fregatschip losmaakte.

»Het is net een kaasstolp op een vlot,” zeiden de geconfedereerden.

Maar die kaasstolp was de Monitor, die door den luitenant ter zee Warden gekommandeerd werd. Dat vaartuig was naar deze wateren heengezonden, om de strandbatterijen der Potomac te beschieten en te vernielen, maar bij de uitwatering van de James-Rivier gekomen, had luitenant Warden het kanongebulder van Hampton Road vernomen en van den nacht gebruik makende, was het hem gelukt ongemerkt het strijdperk te naderen en zich achter de Minnesota verdekt op te stellen.

Op tien meter afstand van elkander gekomen, begonnen die beide geduchte oorlogsgevaarten elkander met al hun geschut te beschieten. Dat vuur duurde vier uren, maar bleef zonder uitwerking. De vaartuigen liepen elkander herhaaldelijk aan boord en poogden elkander met den ram te treffen, maar tevergeefs. De bewegingen van den bedreigde waren steeds zoo snel en zoo wel uitgevoerd, dat een gevaarlijke schok of stoot vermeden werd.

Eindelijk werd de Virginia, die slechts tot aan de waterlijn gepantserd was, daar beneden gevaarlijk getroffen. Zij dreigde te zinken en was verplicht zich door de vlucht in de richting van Norfolk te redden.

De Monitor, die zelf negen maanden later zou zinken, had zijn tegenstander volkomen overwonnen, en het was aan dat vaartuig te danken, dat het federalistisch gouvernement zijne meerderheid in de wateren van Hampton-Road kon hernemen.

»Neen, vader,” zei Gilbert Burbank, terwijl hij zijn verhaal eindigde, »ons eskader is niet naar het noorden teruggeroepen geworden. De kanonneerbooten van Stevens liggen in de Sint John voor de tweede bank ten anker.”

»Wachten!... steeds wachten!” prevelde master Walter Stannard.

»Ja, helaas... wachten... Maar, ik herhaal het u, uiterlijk over drie dagen zullen wij Jacksonville bemachtigd hebben. Wees daar verzekerd van!”

»Gij ziet dus, Gilbert,” sprak James Burbank, »dat ook gij moet wachten en dat gij naar boord van uwe kanonneerboot moet terugkeeren.”

Gilbert antwoordde daarop niet, maar boog toestemmend met het hoofd.

»Maar,” vervolgde zijn vader, »vreest gij niet dat, terwijl gij naar Camdless-Bay roeidet, gij bespied, gevolgd zijt geworden?...”

»Neen, vader,” antwoordde de jeugdige officier. »Mars en ik zijn aan aller oog ontsnapt. Daar ben ik zeker van.”

»En die man?”...

»Welke man?”

»Die u bericht is komen geven van de gebeurtenissen op de plantage, van de brandstichtingen, van de verwoestingen, van de plunderingen, van de ziekte uwer moeder. Wie is hij?”

»Dat weet ik niet.”

»Weet gij dat niet?”

»Neen. Hij heeft mij alleen gezegd, dat hij een lichtwachter van den vuurtoren van Pablo geweest is, die door de autoriteiten van zijn post ontzet en weggejaagd is. Hij kwam den kommandant Stevens verwittigen van het gevaar, dat de Noordelijk-gezinden in dit gedeelte van Florida liepen.”

»Wist hij, dat gij aan boord van de kanonneerboot waart?” vroeg James Burbank bezorgd.

»Neen, vader.”

»Niet?”

»Neen. Hij scheen zich zelfs over mijne aanwezigheid te verbazen,” antwoordde de jeugdige officier. »Maar waarom toch al die vragen, beste vader?”

»Omdat ik waarlijk ducht, dat u een valstrik door Texar gespannen is.”

»Een valstrik, vader?”

»Ja, hij doet meer dan op gissing afgaan; hij weet zeker dat ge in dienst van de federalistische krijgsmacht zijt.”

»Zou dat?... Maar dan weet hij nog niet, dat ik aan boord van een der vaartuigen van dit eskader ben...”

»Dat kan hij vernomen hebben.”

»Van wien?”

»Ja, wie weet?... Maar als hij weet, dat gij onder de bevelen van den kommandant Stevens staat... dan is het niet onmogelijk, dat hij u hierheen heeft gelokt.”

»Vrees niets, vader. Mars en ik zijn op Camdless-Bay aangekomen, zonder door iemand gezien te zijn, terwijl wij de rivier oproeiden. En wees verzekerd, dat wij onze maatregelen zullen nemen, om even onbemerkt weer heen te gaan...”

»Waarheen?” vroeg de vader met driftigen angst.

De jonge officier antwoordde niet dadelijk. Hij scheen zich te bedenken.

»Om naar boord terug te keeren, niet waar?...” vervolgde zijn vader, terwijl hij Gilberts hand greep.

»Dat heb ik u beloofd, vader,” was het kalme antwoord. »Ja, Mars en ik gaan naar boord en morgen vóór het aanbreken van den dag zullen wij daar terug zijn.”

»Hoe laat wilt gij vertrekken?”

»Als de eb ingetreden zal zijn, dat wil zeggen: tegen half drie in den ochtend.”

»Maar zou vóór dien tijd?...” begon Edward Carrol.

»Wat bedoelt gij?” vroeg James Burbank. »Spreek.”

»Zou het niet mogelijk zijn, dat de kanonneerbooten van den kommandant Stevens geen zoolang oponthoud zullen ondervinden voor de bank van de Sint John als Gilbert wel meent?”

»Ja!...” antwoordde de jeugdige officier. »Het zou voldoende zijn dat de zeewind wat aanwakkerde, om voldoend diep water op de bank te hebben.”

»Och, dat dit toch geschiede!” zuchtte James Burbank, zijn vader.

»Ja, en al moest er een storm blazen!” zei Gilbert. »Dat hij kome! Uit dien hoek zal hij welkom zijn!”

»Ja, welkom!” kreet Mars met rauwe stem.

»Dan zouden wij met die ellendelingen kunnen afrekenen,” dreigde Gilbert. »Dan...”

»Dan, dan zal ik Texar vermoorden!” brulde Mars, terwijl hij zijne woorden met een ontzettend gebaar aanvulde.

Het was toen iets over middernacht. Gilbert Burbank en Mars zouden Castle-House eerst tegen twee uren verlaten. Zij moesten toch het intreden der eb afwachten, om de flottilje van den kommandant Stevens te kunnen bereiken.

De duisternis zou dan zeer groot zijn en dan waren de kansen het allergunstigst om onbemerkt tusschen de vele vaartuigen, die de opdracht hadden de Sint John beneden Camdless-Bay te bewaken, door te sluipen.

De jeugdige officier ging toen naar de kamer zijner moeder. Toen hij binnentrad, zat miss Alice bij het hoofdeneind van het ledikant. Mevrouw Burbank, die uitgeput was door de laatste krachtsinspanning, die zij volvoerd had, was in eene soort van zeer pijnlijke verdooving geraakt, althans te oordeelen naar de snikken, die aan hare borst ontsnapten.

Gilbert wilde dien staat van verdooving, die meer aan neerslachtigheid en uitputting dan wel aan een gerust slapen te wijten was, niet storen. Hij zette zich, nadat miss Alice hem met de hand een teeken gegeven had, om niet te spreken, naast het bed neder.

Daar zaten zij te zamen en waakten stilzwijgend bij die rampzalige vrouw, die zoozeer door het ongeluk vervolgd was en misschien nog zou worden!

Hadden die twee jongelieden woorden noodig om hunne gedachten te vertolken?

De jonge man klemde haar in zijne armen. (Bladz. 195.)

De jonge man klemde haar in zijne armen. (Bladz. 195.)

Waarlijk neen; zij gevoelden dezelfde smarten, zij begrepen elkander, al uitten hunne monden geen woord, zij spraken tot elkander door het hart.

Eindelijk was het oogenblik aangebroken, om Castle-House te verlaten. Gilbert Burbank reikte aan miss Alice de hand en beiden bukten zich over mevrouw Burbank, die daar bewusteloos en met half gesloten oogen terneerlag en die twee jongelieden derhalve niet kon zien.

Toen drukte Gilbert een kus op het voorhoofd zijner moeder, waarna het jonge meisje hetzelfde op dezelfde plaats deed. Mevrouw Burbank ondervond als eene pijnlijke rilling, die haar door de ledematen voer; maar zij zag haren zoon niet heengaan, ook niet dat miss Alice hem volgde, om hem nog eens de hand te drukken en een laatst vaarwel te zeggen.

Gilbert en het jonge meisje vonden James Burbank, Walter Stannard en Edward Carrol in de hal van het heerenhuis terug, welke zij niet verlaten hadden.

Mars, die naar buiten getreden was, om den omtrek van Castle-House te verkennen, kwam in dit oogenblik terug.

»Het is tijd!” zei hij.

Gilbert keek hem als wezenloos aan. Hij was met zijne gedachten elders.

»Het is tijd om te vertrekken,” herhaalde Mars.

»Ja, Gilbert,” hernam James Burbank. »Het is tijd; draal dus niet. Vertrek...”

»Vader!...”

»Geen verteederingen, mijn zoon! Vertrek... en te Jacksonville zullen wij elkander wederzien!”

»Ja!... te Jacksonville,” antwoordde de zoon, »en morgen reeds wellicht, wanneer de vloed flink komt doorzetten en veroorloven zal, dat wij de bank overstevenen!”

»Dat God je verhoore, mijn Gilbert!”

»En wat Texar betreft...”

»Wij moeten hem levend in handen hebben! Levend!... Denk er aan, Gilbert!”

»Ja!... Levend!...”

De jonge man omhelsde zijn vader, wisselde een handdruk met zijn oom Edward Carrol, en met Walter Stannard, den vader van miss Alice.

Daarop zei hij met vastberaden stem:

»Kom Mars!”

En beiden traden naar buiten en stapten langs den rechteroever der Sint John, die daar de plantage begrensde, voort en volgden haar gedurende een half uur. Zij ontmoetten gelukkig niemand op hun weg.

Bij de plek gekomen, waar zij hunne giek tusschen de biezen verstopt hadden, stapten zij in het vaartuigje en brachten het zoo spoedig mogelijk in den vollen stroom, die hen met de meeste snelheid naar de bank in de Sint John zoude voeren.

XIV.

Op de Sint John.

De oppervlakte van den stroom was eenzaam in dit gedeelte van zijn loop.

Geen enkel lichtje verscheen op den tegenovergestelden oever. De lichten van Jacksonville werden gedekt door den hoek of elleboog, dien de kreek van Camdless-Bay daar vormde, terwijl de oever zich in noordelijke richting afrondde. Alleen hun schijnsel werd boven dien hoek ontwaard en tintte eenigermate de onderste wolkenlaag.

Hoewel de nacht zeer donker was, kon toch de giek gemakkelijk koers in de richting van de bank houden. Daar geen nevel of waterdamp zich van de oppervlakte der Sint John ontwikkelde, zou het gemakkelijk zijn de giek te volgen, ja te vervolgen, wanneer eenig vaartuig der geconfedereerden haar opgewacht had, wat Gilbert en zijn reisgenoot, zooals wij weten, niet te duchten meenden te hebben.

Beiden bewaarden een diep stilzwijgen. Zij zouden den stroom wel hebben willen oversteken, in plaats van hem af te roeien, om Texar tot binnen Jacksonville te gaan opzoeken en hem in het wit der oogen te zien.

Zij zouden daarna de Sint John weer kunnen opvaren, om al hare oeverwanden, al hare kreken, al hare eilandjes te doorzoeken, en wie weet? waarschijnlijk zouden zij slagen, waar master James Burbank slechts teleurstellingen gevonden had.

Zoo dachten zij, terwijl de stroomdraad hun vaartuig medevoerde. En, alles wel bedacht, was het toch verstandiger maar te wachten en die wraakoefening en die nasporingen uit te stellen.

Op tien meters afstands van elkander gekomen, begonnen die beide geduchte oorlogsgevaarten elkander te beschieten. (Bladz. 206).

Op tien meters afstands van elkander gekomen, begonnen die beide geduchte oorlogsgevaarten elkander te beschieten. (Bladz. 206).

Wanneer de federalistische troepen in Florida de baas zouden zijn, dan zouden Gilbert Burbank en Mars met veel meer kans van slagen tegenover dien ellendigen Spanjaard kunnen optreden. Daarenboven, de plicht gebood om op de flottilje van den kommandant Stevens terug te zijn, vóórdat de dag aanbrak. Wanneer toch de vloed flink doorkwam en de mogelijkheid voor de kanonneerbooten, om de bank over te stevenen, zich vroeger instelde dan aangenomen of verondersteld werd, dan was het noodzakelijk dat de jeugdige officier bij het te verwachten gevecht op zijn post was, dan was het noodig dat Mars present was, om de oorlogsvaartuigen te loodsen door de eenig bruikbare geul, waarvan hij de breedte en diepte bij alle waterstanden, bij eb of bij vloed of bij de hoogwater- of laagwaterkenteringen kende.

Mars was op de achterplecht der giek gezeten en hanteerde zijne pagaai met kracht en behendigheid. Bij hem zat Gilbert, die de rivieroppervlakte met zorgzamen blik zoowel boven- als benedenstrooms gadesloeg, om bijtijds iederen hinderpaal te kunnen aanduiden, hetzij een drijvenden boomstam, die met het vaartuig in botsing zou kunnen komen, hetzij eene sloep, waarvan de opvarenden nog meer te duchten konden zijn.

Na zich in schuine richting van den rechteroever verwijderd te hebben, om het midden van de geul te kunnen volgen, zou het lichte schuitje slechts den stroomdraad te volgen hebben, om in het goede vaarwater te blijven, en daar zou eene enkele handbeweging van Mars met zijne pagaai langs stuurboord of bakboord voldoende zijn, om in de gewenschte richting te blijven.

Het zou voorzeker veel verkieselijker geweest zijn, zich niet van den oever, die met zwaar en somber geboomte begroeid en met reusachtig hoog riet omzoomd was, te verwijderen. Wanneer zij onder de beschutting der groote takken en der dichte loofkruinen zich evenwijdig aan den oever bewogen hadden, dan zouden zij minder gevaar loopen ontwaard te worden. Maar, iets benedenstrooms van de plantage, vormde de Sint John een scherpen elleboog, waarop de stroom der rivier brak en naar de overzijde zette. Daar bij dien hoek bestond eene zeer sterke wieling, die het voortroeien van de giek oneindig meer vermoeiend gemaakt en haren gang ook merkbaar vertraagd zoude hebben.

Mars, die dan ook hoegenaamd niets verdachts op de oppervlakte der rivier bespeurde, beijverde zich om het midden van den snellen stroom te bereiken, die hen vlug naar de riviermonding zou voeren. De afstand van af de kleine havenkom van Camdless-Bay tot aan de plek, waar de flottilje van den kommandant Stevens buiten de bank ten anker gekomen was, werd gerekend vier of vijf mijlen te bedragen; en met behulp van de krachtig doorslaande eb en van de krachtsinspanning van Mars, die zijne pagaai verbazend repte, was die afstand in kleine twee uren tijds af te leggen. Zij zouden dus aan boord der kanonneerboot terug zijn vóórdat het aanbreken van den dag het varen op de Sint John gevaarlijk kon maken.

Gilbert Burbank en Mars bevonden zich dan ook een klein kwartieruurs na hun vertrek in het midden van den stroom. Daar bemerkten zij, dat hunne snelheid wel is waar aanmerkelijk was, maar ook dat de richting van dien stroom hen naar Jacksonville voerde. Wie weet; misschien hield Mars geheel onbewust naar dien kant aan, alsof hij onder den invloed eener onweerstaanbare aantrekkingskracht stond. Toch moest dat gevloekte oord gemeden worden, omdat het te voorzien was, dat de toegangen tot die havenplaats in de gegeven tijdsomstandigheden beter bewaakt zouden zijn dan eenig ander gedeelte van de Sint John.

»Recht vooruit, Mars! Recht vooruit!” vergenoegde zich de jeugdige zeeofficier te zeggen.

En de giek bleef den stroomdraad op een kwartmijl van den linkeroever der rivier volgen.

In de haven van Jacksonville was het noch somber noch stil. Integendeel; talrijke lichten bewogen zich op de kaden of schitterden in de vaartuigen, terwijl zij op de oppervlakte van het water weerkaatsten. Eenigen hunner zelfs verplaatsten zich met snelheid, alsof eene bedrijvige waakzaamheid, die zich over een uitgestrekten straal uitbreidde, georganiseerd werd.

Terzelfder tijd duidden gezangen, met woeste kreten vermengd, er op, dat de ergerlijke tooneelen van uitspattingen en brasserijen steeds de rust der stad verstoorden. Geloofden Texar en zijne aanhangers dan nog steeds aan de nederlaag der Noordelijken in den staat Virginia? Meenden zij nog, dat het mogelijk ware, dat de federalistische flottilje den terugtocht zoude aannemen?

Of—en dat was wel het meest aanneembare—benuttigden zij hunne laatste dagen van macht, om zich aan alle mogelijke buitensporigheden, te midden van eene lagere volksklasse, die dronken van wiskey en gin was, over te geven?

Maar om het even, de giek volgde middelerwijl den stroomdraad met spoed, en Gilbert kon met reden hopen, dat hij weldra het grootste gevaar achter den rug zoude hebben, als zij maar Jacksonville voorbijgestevend zouden zijn.

Maar wat was dat?... Plotseling gaf de jeugdige zeeofficier aan Mars een teeken om stil te houden....

Hij wreef zich de oogen en keek daarna scherp uit.

Op minder dan een mijl afstands beneden de haven van Jacksonville, bespeurde hij een lange lijn van zwarte punten, als het ware eene reeks van rotsklippen, op de oppervlakte van de rivier van den eenen oever tot den anderen gezaaid.

Dat was eene lijn van sloepen, die daar ter plaatse voor een licht werpanker lagen en de geheele Sint John afdamden. Die vaartuigen zouden blijkbaar niet bij machte zijn, om de kanonneerbooten tegen te houden, wanneer dezen er in slaagden over de bank te komen, en zij zouden verplicht zijn alsdan de wijk te nemen; maar voor het geval dat federalistische sloepen pogen zouden de rivier op te stevenen, zouden zij wellicht krachtigen weerstand kunnen bieden, wanneer de doortocht met geweld beproefd zoude worden.

Daarom hadden die vaartuigen die afdamming gedurende den nacht gevormd. Allen lagen stil dwars in de Sint John, hetzij zij zich op de hun aangewezen plaats door middel van hunne roeiriemen hielden, hetzij zij voor hunne dreggen ten anker lagen.

Hoewel onze beide zeelieden daarvan bij de heerschende duisternis niets konden ontwaren, konden zij toch verzekerd zijn, dat zich een groot aantal mannen aan boord van die vaartuigen bevond, die behoorlijk gewapend waren, om zoowel verdedigender- als aanvallenderwijze te werk te kunnen gaan.

Gilbert Burbank maakte intusschen de opmerking, dat die reeks van vaartuigen de rivier nog niet afdamde, toen hij de Sint John opgestevend was, om naar Camdless-Bay te gaan. Die voorzorgsmaatregel was dus eerst genomen, toen de giek reeds voorbij was. Dat was zeer waarschijnlijk geschied met het oog op een mogelijken aanval, waarvan evenwel geen sprake was, toen onze jeugdige marine-officier de flottilje van den kommandant Stevens verlaten had.

De opvarenden van de giek waren nu verplicht het midden der rivier te verlaten, om zich zooveel mogelijk onder de takken en het loof van het hooge geboomte van den rechteroever te verschuilen. Misschien zou het nietige vaartuigje onbemerkt blijven, wanneer het zich een weg door de dichte biezen zou kunnen banen.

In ieder geval bestond geen ander middel om die afdamming van de Sint John te vermijden.

»Tracht te roeien zonder gedruisch te maken, Mars,” zeide de jeugdige zeeofficier.

»Ja, master Gib.”

»Totdat wij de lijn dier afsluitingsvaartuigen achter den rug zullen hebben.”

»Goed, master Gib.”

»Gij zult waarschijnlijk tegen wielingen op te werken hebben.”

»Dat denk ik ook, master Gib.”

»Dan zal ik ook een pagaai ter hand nemen en u helpen, Mars!”

»Dat zal wel niet noodig zijn, master Gib!” grinnikte de kleurling.

»Anders, reken op mij.”

»Niet noodig.”

Plotseling gaf de jeugdige zeeofficier aan Mars een teeken om stil te houden. (Bladz. 215).

Plotseling gaf de jeugdige zeeofficier aan Mars een teeken om stil te houden. (Bladz. 215).

En de giek met vaste hand een halve wending latende maken, voerde hij haar snel naar den kant van den rechteroever, dien hij bereikte, toen zijn vaartuigje nog slechts op een afstand van drie honderd meters van de afsluitingslijn gekomen was.

Daar de giek niet bespeurd was geworden, terwijl zij de rivier dwars overstak,—en toen kon zij ontwaard zijn geworden,—kon men het tot de onmogelijkheden rekenen, dat zij thans bemerkt zoude worden, nu zij onder de schaduwrijke oevers voortstevende en zij zich in het donker daarvan als het ware verloor. Het was zoo goed als zeker, dat zij door de afsluitingslinie zou kunnen sluipen, althans wanneer deze niet aan den oever aansloot, hetgeen niet waarschijnlijk was. Daarentegen bestond er in de vaargeul van de Sint John zeer veel gevaar, en zou het meer dan onvoorzichtig, ja roekeloos moeten heeten, die te blijven volgen.

Men bevond zich in eene dikke duisternis, die nog zwaarder gemaakt werd door de dichte gordijn van zwaar geboomte met volle loofkruin, dat op den oever verrees.

Mars pagaaide met kracht en zorgde ervoor, tegen geene boomstronken aan te varen, welker toppen hier en daar boven de wateroppervlakte uitstaken. Ook vermeed hij zorgvuldig met zijn schepper of pagaai luidruchtig in het water te plassen, hoewel hij nogal in de noodzakelijkheid kwam om krachtsinspanning aan te wenden, ten einde den weerstand van een tegenstroom of van eene draaiwieling te breken en te overwinnen.

In die gegeven omstandigheden zou Gilbert Burbank op zijn tocht eene vertraging van ruim een uur ongetwijfeld ondervinden. Maar, alles wel beschouwd, kon het hem niets schelen of het dan dag zoude zijn. Hij zou dan dicht genoeg bij de ankerplaats der kanonneerbooten van den kommandant Stevens zijn, om niets meer van de kwaadwilligen van Jacksonville te duchten te hebben.

Het vaartuigje was zoo omstreeks vier uren ter hoogte van de sloepen gekomen, die de afsluitingslinie vormden. Zooals Gilbert Burbank voorzien had, was, op grond van de geringe diepte der rivier in dit gedeelte der vaargeul, de doorvaart langs den oever geheel en al onbewaakt en vrij. Een paar honderd voeten verder stak eene landpunt zeer ver in de Sint John uit en vormde eene kaap, die met zware bamboestruiken en dicht ineen gestrengelde wortelboomen begroeid was.

Het was thans zaak die kaap te ronden. Zij vertoonde zich naar den bovenstroomschen kant zeer somber en bedekt. Naar den benedenstroomschen kant evenwel, werd het beschermende loofdak plotseling afgebroken. De kuststrook daalde al meer en meer, naarmate zij de monding van de Sint John naderde, en ging in een onuitwarbaar net van kreken, poelen, plassen en moerassige strooken over, hetwelk een uiterst laag en onbedekt strand vormde.

Het was bijgevolg niet onmogelijk, dat een zwart en bewegelijk punt, zooals de giek vormde, die te klein was om te gedoogen dat die twee mannen daarin konden liggen om zich te verbergen, bespeurd werd door het een of andere vaartuig, dat ter hoogte van die kaap rondzwierf.

Voorbij die vooruitstekende punt liet zich de tegenstroom van de wieling niet meer gevoelen. Integendeel, daar schoot hij met kracht langs den oever vooruit zonder de vaargeul te volgen.

Gelukte het de giek die kaap zonder ongeval te ronden, dan zou zij met de meest mogelijke snelheid naar de bank gevoerd worden, alwaar zij dan in zeer weinig tijds op de ankerplaats van den kommandant Stevens zoude aankomen.

Mars stuurde dus het vaartuigje met de grootste voorzichtigheid langs den oever. Hij gleed, hij sloop als het ware voort. Zijne oogen poogden de duisternis te doorboren. Hij scheerde den oever van zoo nabij mogelijk en kampte met de wieling, die als tegenstroom aan deze zijde van de kaap nog zeer sterk was. De pagaai boog en zwiepte onder den druk zijner gespierde armen, bij het te water slaan van dat roeiwerktuig. Intusschen zat Gilbert Burbank naar den bovenstroomschen kant van de Sint John, vanwaar hij dacht dat het gevaar zoude opduiken.

Zoo naderde de giek middelerwijl die landpunt. Nog eenige weinige minuten, dan zou zij het uiteinde er van, dat zich als eene lange zandtong in de rivier uitstrekte, bereikt hebben. Het vaartuigje was er nog slechts vijf-en-twintig of dertig meters van verwijderd, toen Mars eensklaps ophield met roeien.

»Wat is er?” vroeg de jeugdige zeeofficier.

»Shut!” blies de kleurling meer dan hij sprak.

»Zijt ge vermoeid?” vervolgde Gilbert Burbank.

»Shut!”

»Wilt ge, dat ik u vervang?”

»Shut! master Gib.”

»Maar, wat is er dan toch, Mars?”

»Shut! Thans geen woord!” antwoordde de kleurling.

Terzelfder tijd wendde hij de giek met driftige pagaaislagen, en stuurde haar in schuine richting, alsof hij haar op den oever op het droge wilde zetten. Dicht bij de kustlijn gekomen, greep hij een der over het water afhangende takken; toen hij die bereiken kon, trok hij zich daaraan voort en deed zoo het vaartuigje onder een dicht loofdak verdwijnen.

Een oogenblik later sloeg hij een eind touw om een der steltwortels van een rysophoor en lag de giek eindelijk onbewegelijk stil, en bewegingloos zaten Gilbert Burbank en Mars daar te midden van eene zoo diepe duisternis, dat zij elkander niet konden zien.

Die geheele manoeuvre had geen tien seconden geduurd, zoo vlug was alles in zijn werk gegaan.

De jeugdige zeeofficier greep toen zijn makker bij den arm en was op het punt hem de verklaring van zijne plotselinge handelwijze te vragen, toen Mars met den arm naar het gebladerte wees en op een beweegbaar punt duidde, dat zich op het minst donkere gedeelte van de wateroppervlakte vertoonde.

»Wat is dat?” vroeg hij zoo zacht mogelijk aan het oor van zijn makker.

»Kijken!” antwoordde deze even zacht fluisterend.

Wat zij daar zagen, was eene sloep, die door vier mannen geroeid werd en na de landspits gerond te hebben, de rivier langs den oever boven de kaap opstevende.

De beweging van dat vaartuig was duidelijk. Daarin kon men zich niet vergissen.

Gilbert Burbank en Mars hadden toen een en dezelfde gedachte, namelijk: vóór alles en in weerwil van alles naar boord van de kanonneerboot terug te keeren. Wanneer hun vaartuigje ontdekt werd, zouden zij niet aarzelen om aan wal te springen. Zij zouden dan tusschen de boomen van het woud doorsluipen; zij zouden dan voortvluchten langs den oever, tot zij ter hoogte van de bank gekomen zouden zijn. Daar zouden zij dan wachten tot de dag aanbrak. Zij zouden dan seinen geven aan de meest nabij geankerde kanonneerboot, en werden die niet bespeurd....

»Welnu,” sprak Mars, »dan springen wij in de rivier en zwemmen naar de ankerplaats. Niets eenvoudiger dan dat!” Zeker was het eenvoudig, maar de uitvoering?

Zooveel is onbetwistbaar, dat die mannen vastbesloten waren, alles te doen, om op hunnen post terug te zijn.

Maar.... de mensch wikt en God beschikt.

Een kort oogenblik later zouden zij de ervaring opdoen, dat iedere terugtocht ook over land afgesneden was.

Toen de sloep, welke zij ontwaard hadden, dan ook op een afstand van hoogstens twintig voet genaderd was tot de plek waar zij onder het dichte loof met hun vaartuig verscholen lagen, werd er een gesprek gevoerd door de lieden, die haar roeiden met een half dozijn andere kerels, waarvan men de omtrekken tusschen het geboomte op den oevernok kon ontwaren.

»Ohoi!” praaiden de sloeproeiers.

»Ohoi!” werd er van den wal geantwoord.

»Het zwaarste werk is verricht.”

»Dat dunkt mij ook.”

»Drommels!” werd er van den rivierkant geroepen. »Het was een taai stuk werk met de zwaar doorstaande eb tegen den stroom op te roeien.”

»Dat zal het wel geweest zijn.”

»Bijna zoo zwaar, als een vaartuig tegen eene stroomversnelling op te voeren.”

»Gaat gij nu ten anker?”

»Waar?”

»Hier bij deze plek, waar wij op deze kaap eindelijk ontscheept zijn?”

»Ja, dat zullen wij doen.”

»Maar, alsjeblieft gauw.”

»Wij moeten eerst in de tegenstrooming van de wieling zijn.”

»Zeer juist.”

»Dan maken wij het uiteinde van de afsluitingslinie uit en kunnen die afdoende bewaken.”

»Goed! Intusschen zullen wij den oever in het oog houden....”

»Perfect!”

»En tenzij die schoften zich door het moeras baan breken....”

»Dat kunnen zij niet.”

»Welnu, dan is het niet mogelijk, dat zij ons ontsnappen....”

»Als dat maar niet reeds geschied is?”

»Te drommel, neen, dat is onmogelijk!”

»Waarom niet?”

»Wel, omdat zij tot laat op de plantage zullen gebleven zijn.”

»Dat kan wel.”

»Blijkbaar zullen zij bij het intreden van de eb in hun vaartuig gestapt zijn, om bij het aanbreken van den dag aan boord terug te zijn.

»Zoo stel ik mij ook voor, dat zij gehandeld zullen hebben.”

»Daar zij wel zullen inzien, dat door de afsluitingslinie niet heen te sluipen is, zullen zij dat langs den oever pogen te doen. Gij zult zien, dat ik gelijk heb.”

»Jawel; maar wij zijn er om hen bij den kraag te vatten!”

»Ja, wij zijn er!”

Dat gesprek, die duidelijke volzinnen gaven genoegzaam aan wat er gebeurd was.

Het vertrek van boord van Gilbert Burbank en van Mars was bekend geworden. Geen twijfel kon daaromtrent bestaan. En al was het hun ook bij hun tocht naar Camdless-Bay, terwijl zij de rivier oproeiden, gelukt om aan de vaartuigen, die uitgezonden waren om hun den pas af te snijden, te ontkomen, zoo zou het thans, nu de geheele rivier afgesloten was en men hun terugkeer bespiedde, uiterst moeielijk, ja onmogelijk zijn om de ankerplaats der kanonneerbooten van den kommandant Stevens te bereiken.

Bij het overzien van den toestand bleek het, dat de giek gevangen zat tusschen de mannen van de sloep en tusschen diegenen hunner makkers, die op de landspits ontscheept waren en den rivieroever daar bewaakten. De ontvluchting was dus onmogelijk zoowel langs de rivier, als langs den smallen oever, die zich tusschen de Sint John en de moerassen der kuststreek uitstrekte.

Gilbert Burbank had dus vernomen, dat zijn tocht langs de Sint John verraden was. Intusschen was het toch mogelijk, dat men niet wist, dat zijn makker en hij op de plantage Camdless-Bay aan wal geweest waren. Misschien wist men niet eens, dat een hunner de zoon van James Burbank was, dat de een een federalistische marine-officier, de ander een federalistische matroos was. Helaas, zoo was het niet. Zij zouden dienaangaande spoedig ontgoocheld worden. De jeugdige luitenant kon weldra niet meer twijfelen omtrent het gevaar, dat hem bedreigde, toen hij de volgende volzinnen vernam van het gesprek, hetwelk hervat werd.

»Ohoi!”

»Ohoi!”

»Weest waakzaam en goed opgepast!” riep men van den kant van den wal.

»Jawel, jawel!” werd er geantwoord.

»Een federalistisch officier is een goede buit, dat weet ge!”

»Vooral, wanneer die officier de eigen zoon van een dier gevloekte Noordelijken is!”

»Die zich in ons schoon Florida gevestigd hebben!”

»Denk er om, dat deze goed betaald zal worden!”

»En zeer goed zelfs, daar Texar er veel belang bij schijnt te hebben!”

»Ik hoop zoo. Hoe meer dollars, hoe liever!”

»Het zou toch mogelijk kunnen zijn, dat wij ze heden nacht niet te pakken krijgen....”

»Waarom niet?”

»Zij kunnen zich in den een of anderen schuilhoek van den oever verstopt hebben!”

»Nu, dat zal hen niet veel geven. Als het dag wordt, zullen wij al de schuilhoeken zoo doorzoeken, dat....”

»Dat een waterrat ons niet ontsnappen zal.”

»Juist! Denk er evenwel aan....”

»Waaraan?”

»Dat wij uitdrukkelijk bevel hebben, hen levend in handen te krijgen!”

»Mooi!... Dat is afgesproken!”

»Perfect!... maar laten wij ook afspreken, dat voor het geval zij op den oever aangehouden worden, wij ulieden slechts te praaien zullen hebben, om hen aan boord te nemen, en hen naar Jacksonville over te voeren!”

»Afgesproken! Dat kan te gemakkelijker, daar wij hier ten anker zullen blijven liggen, wanneer wij niet genoodzaakt zullen worden hen op de rivier na te jagen!”

»Goed zoo!... Wij zijn dwars over den oever geposteerd, zoodat geen muis door kan!”

»Nu, goed geluk!”

»Dankje. Ik voor mij, ik zou liever in eene heerlijke kroeg van Jacksonville zitten!”

»Ik ook!... maar als wij die twee schoften maar niet laten ontsnappen! En wij hen aan handen en voeten gebonden aan Texar kunnen overleveren!... dan... dan kunnen wij de kroegen bezoeken, zooveel wij willen!”

Daarop verwijderde de sloep zich op een afstand van twee roeiriemslengten. Vervolgens werd het geluid van een ketting vernomen, die van een spil afliep. Dat duidde er op, dat een anker uitgeworpen werd en dit den grond geraakt had.

Wat de mannen betreft, die den oeverrand bezetten, dezen spraken niet meer, maar men vernam toch het geluid hunner passen op het afgevallen droog gebladerte, dat den grond bedekte.

De vlucht was dus zoowel aan den kant van den wal als langs de rivier totaal onmogelijk.

Daarover zaten Gilbert Burbank en Mars te peinzen. Geen hunner had zich eene beweging veroorloofd noch een enkel woord durven spreken. Niets verraadde dan ook de aanwezigheid van de giek, welke onder het sombere loofdak, dat inderdaad eene gevangenis geworden was, verscholen lag. Ja, eene gevangenis; want het was onmogelijk die schuilplaats te verlaten.

Maar al nam men ook al aan, dat het vaartuig gedurende den nacht niet ontdekt werd, hoe zou Gilbert Burbank kunnen hopen, dat het bij het aanbreken van den dag niet bespeurd zoude worden?

En nu was de gevangenneming van den federalistischen officier niet alleen een dreigend gevaar voor zijn leven,—dat hij als goed soldaat gaarne opgeofferd zoude hebben,—maar wanneer men zoude kunnen bewijzen dat hij op Camdless-Bay gedebarkeerd, dat hij op Castle-House geweest was, dan zou zijn vader andermaal in verzekerde bewaring genomen worden, dan zou zonder vrees voor tegenspraak het heulen van master James Burbank met de federalisten als afdoende bewezen, beweerd kunnen worden. Ja, dat bewijs had den Spanjaard ontbroken, toen hij den eigenaar van Camdless-Bay voor den eersten keer van landverraad beschuldigde. Maar thans zou hij het in handen hebben, wanneer Gilbert Burbank, de zoon van zijn gezworen vijand, in zijne macht zoude zijn!

En wat zou dan van mevrouw Burbank worden?

En wat van zijn zusje, de kleine Dy? En wat van Zermah? Wanneer de vader, de broeder, de echtgenoot niet meer in staat zouden wezen om hunne nasporingen voort te zetten?

In een ondeelbaar oogenblik vertoonden zich al die gevolgen met de bliksemsnelheid der gedachten in het brein van den jeugdigen marine-officier.

Dus, alles wel beschouwd, bleef hen voor het geval, dat zij beiden gevangen genomen werden—en dat geval was zeer waarschijnlijk—slechts één kans over, namelijk dat de federalisten Jacksonville zouden ingenomen hebben, vóórdat Texar in staat zoude zijn kwaad te kunnen stichten.

Wellicht zouden zij nog tijdig genoeg verlost worden, om te verhoeden, dat het vonnis, hetwelk zij onmogelijk ontgaan konden, ten uitvoer gelegd zoude worden. Ja, dat was hunne geheele, hunne eenige hoop!

Maar, hoe zou men er in slagen, de aankomst van den kommandant Stevens met zijn kanonneerbooten in de bovenrivier te verhaasten? Hoe moest de flottilje over de bank der Sint John geraken, wanneer gebrek aan diep water dat belette?

Wie zou dat smaldeel door de veelvuldig kronkelende geul van het vaarwater loodsen, wanneer Mars, die de taak van loods moest vervullen, in krijgsgevangenschap der Zuidelijken zoude geraken?

Gilbert Burbank moest dus het onmogelijke beproeven en wagen om, voordat de dag aanbrak, aan boord zijner kanonneerboot terug te zijn. Maar, daartoe moest hij zonder verwijl vertrekken, vluchten kunnen zonder een oogenblik verloren te laten gaan.

Maar... was dat doenlijk? Kon Mars de giek niet door eene plotselinge wending, in schuine richting door de tegenstrooming van de wieling, hare vrijheid hergeven? En al werden zij ook al bespeurd, dan zouden de lieden van de bewakingssloep verplicht zijn, tijd te laten verloren gaan, hetzij door het ophalen van hun anker, hetzij door het laten slippen van den ankerketting. Zouden zij daardoor niet zoo’n voorsprong kunnen verkrijgen, dat zij spoedig buiten bereik zouden zijn?

Neen! Neen! Dat ware alles in de waagschaal stellen. Ja erger, dat ware alles verderven. Dat wist de jeugdige marine-officier maar al te goed. Mars kon met zijne eenige pagaai geen wedstrijd aangaan met de vier roeiriemen van de sloep. De giek zou, terwijl zij pogen zou langs den rivieroever voort te spoeden, al ras ingehaald zijn. Door zoo te handelen, liep men het gevaar zeker en onbetwistbaar in den mond.

Wat zij daar zagen, was eene sloep, die door vier mannen geroeid werd. (Bladz. 219).

Wat zij daar zagen, was eene sloep, die door vier mannen geroeid werd. (Bladz. 219).

»Maar... wat dan toch te doen?”

Dat vroegen zich de twee in nood verkeerende schepelingen af.

»Moeten wij wachten?” prevelde Gilbert Burbank besluiteloos.

Mars trok de schouders op, alsof hij zeggen wilde:

»Ik laat de beslissing aan master Gib over.”

De dag zou spoedig aanbreken. Het was reeds half vijf. Een lichtende band werd reeds boven den oostelijken gezichteinder waargenomen. Dat was de naderende dageraad.

Men moest noodzakelijk tot een besluit komen, en ziehier waarbij Gilbert zich meende te moeten bepalen:

Hij boog zich naar Mars over en fluisterde dien zoo zacht mogelijk in het oor.

»Wij kunnen onmogelijk langer hier wachten,” zei hij. »Wij zijn beiden met een revolver en een sabel gewapend. In de sloep bevinden zich slechts vier man.”

»Dat is twee tegen een,” grinnikte Mars.

»Ja, maar wij zullen het voordeel der overvalling kunnen laten meetellen. Dat zal de partij meer gelijk maken.”

»Dat’s waar.”

»Gij brengt de giek met eenige krachtige pagaaislagen dwars door de wieling en stuurt haar vlak op de sloep aan. Deze, die ten anker ligt, zal de aanvaring en het aan boord klampen niet kunnen ontwijken. Wij zullen die menschen overvallen, wij zullen op hen inhouwen, voordat zij tijd zullen hebben tot bezinning te komen. Daarna zullen wij zoo spoedig mogelijk een goed heenkomen zoeken. Vervolgens zullen wij, alvorens de oeverbewakers aan den wal alarm zullen hebben kunnen maken, de bank en daarmede de kanonneerbooten bereikt hebben.”

»Ja, master Gib,” grinnikte de lotgenoot van den jeugdigen marine-officier.

»Hebt gij begrepen, Mars?”

De kleurling gaf geen antwoord, maar greep zijn sabel, die hij uit de scheede trok en zoo bij zijn revolver aan zijn buikriem bevestigde. Toen hij daarmede klaar was, maakte hij het touw los, waarmede de giek aan den boomtak vastgemaakt was, en greep zijne pagaai om hem met kracht te water te slaan.

Maar juist op het oogenblik, dat hij daarmede wilde beginnen, werd hij door Gilbert Burbank weerhouden.

»Wacht nog een oogenblik,” fluisterde deze, terwijl hij den schouder van den kleurling met de hand aanraakte.

Eene onverwachte omstandigheid bracht hem er toe zijne beschikkingen dadelijk te wijzigen.

Met het eerste daglicht begon zich een dikke nevel over de oppervlakte van de Sint John te verspreiden. Men zou gezegd hebben, dat een onmetelijke maar vochtige wattenvlok zich over het water ontwikkelde, die het daarbij met hare voortschrijdende spiraalvormige krullen aanraakte, en voortgestuwd door eene zachte bries langzaam van uit zee opkomende, naar het bovengedeelte der rivier voortbewoog.

Wanneer zij nog een kwartier wachtten, dan zoude zoowel Jacksonville op den linkeroever der rivier, als de boomgroepen op den rechteroever verdwenen zijn in dien nevel, die in deze streken gewoonlijk ietwat geelachtig van kleur is en met een karakteristieken geur bedeeld is, en dan de geheele vallei van het stroomgebied van de Sint John vervult.

Was dat niet de redding, die daar den jeugdigen marine-officier en zijn makker aangeboden werd?

Waarom zouden zij niet van dien nevel pogen gebruik te maken, om onzichtbaar en onbemerkt door de mazen van het net te sluipen, wat hen omstrikt hield, in stede van een ongelijken strijd aan te gaan, waarin beiden toch het onderspit konden delven? Gilbert Burbank meende ten minste, dat dit het beste zou zijn. Daarom weerhield hij Mars, toen deze de giek plotseling wilde laten vooruitschieten en haar van den oever laten verwijderen. Integendeel moest men dezen thans zeer voorzichtig en in alle stilte naderen, en daarbij de sloep mijden, welker omtrekken, thans reeds zeer onduidelijk, weldra geheel verdwenen zouden zijn.

Maar toen begonnen de stemmen elkander weer te praaien. Van den oever hoorde men het langgerekte scheepsgeroep:

»Ohoi!”

»Ohoi!” werd er van de sloep geantwoord.

»Opgepast met den mist!”

»Jawel!”

»En uitkijken! Dat is de boodschap!”

»Jawel!.... Wij gaan ons anker winden en dichter bij den oever halen.”

»Goed. Maar blijf ook in verbinding met de andere vaartuigen van de afsluitingslinie.”

»Opperbest!”

»En, als gij er ontmoet, beveelt hen aan, om heen en weer te kruisen, totdat de nevel opgetrokken zal zijn.”

»Jawel! Jawel! Vreest niet en waakt gij van uwen kant, dat die schoften niet over land ontkomen! Dat zou niet onmogelijk zijn, niet waar?”

»Zeker niet. Maar weest gerust; wij hebben het terrein goed bezet en doen de kijkers goed open.”

Klaarblijkelijk werden die maatregelen, die als het ware door de omstandigheden geboden werden, genomen. Een zeker aantal sloepen zouden zich beijveren, van den eenen rivieroever tot den anderen te kruisen. Dat begreep Gilbert Burbank; hij aarzelde dan ook niet.

De giek, die in de grootste stilte door Mars bestuurd en gevoerd werd, verliet het loofdak, waaronder zij verscholen was geweest, en stevende door de wieling, welke daar bij die kaap gevormd werd.

De mist verdichtte zich al meer en meer, hoewel hij het zwakke bleeke licht van den aanbrekenden dag niet weerhield, maar toch aanmerkelijk temperde. Dat licht was niet ongelijk aan het schijnsel, hetwelk men bespeurt, wanneer eene lamp in eene hoornen lantaarn brandt. Men zag niets meer, zelfs niet binnen een kring van slechts weinige meters straal.

Wanneer de giek gelukkig genoeg was niet tegen de sloep, die zich meer in het midden der rivier bevond, aan te varen, dan bestonden er zeker kansen, dat zij ongemerkt zou doorsluipen. En inderdaad, het gelukte haar dat vijandelijke vaartuig te mijden, terwijl de mannen daarop bezig waren met het anker lichten en het geratel van den ketting bij het binnenpalmen, de plaats die vermeden moest worden, vrij nauwkeurig aanduidde.

De giek passeerde dus, waarna Mars gelegenheid had zijne pagaai met meer kracht te kunnen hanteeren, waardoor meer vaart kon gemaakt worden.

Het moeielijkste was, een doelmatigen koers te volgen zonder in de geul van het midden der rivier terecht te komen. Men moest integendeel op een kleinen afstand van den rechter rivieroever houden en daaraan nagenoeg evenwijdig blijven. Maar niets was er om Mars te midden van dien dikken nevel te geleiden; niets dan het gekabbel en geruisch van het voortstroomende water, hetwelk den oever schuurde. Men voelde eerder dan men zag, dat het dag werd. Het werd meer en meer licht boven de nevelmassa, hoewel die zich nog zeer dik op de oppervlakte der rivier vertoonde.

De giek dwaalde zoo gedurende een half uur, om het zoo uit te drukken, op Gods genade. Soms verscheen er plotseling en op het onverwachtst een ijle omtrek. Men kon in de meening verkeeren dat het eene sloep was, die door de straalbreking buitengewoon vergroot werd, een natuurverschijnsel, dat bij mist op volle zee veelvuldig waargenomen wordt. Inderdaad, ieder voorwerp dat zich alsdan eensklaps en zonder voorbereiding aan het oog voordoet, vertoont zich dan uiterst vreemdsoortig en verwekt den indruk, alsof het buitengewone afmetingen verkregen heeft. Dit deed zich op dien tocht veelvuldig voor.

Verscheidene vogelparen met eene onmetelijke vlucht verschenen ook. (Bladz. 230).

Verscheidene vogelparen met eene onmetelijke vlucht verschenen ook. (Bladz. 230).

Gelukkig, dat wat Gilbert Burbank voor eene sloep aanzag, niets anders was dan òf eene boei, die het vaarwater in de geul moest aanwijzen, òf een rotstop, die boven water uitstak, of een boomstam, die daarheen dreef, of een paal, die in den rivierbodem geheid was, maar zijn hoofd in het neveldak stak.

Verscheidene vogelparen, met eene onmetelijke vleugelvlucht, verschenen ook. Zag men hen ook al ternauwernood in den nevel verschijnen en verdwijnen, dan hoorde men toch den doordringenden kreet, dien zij in het luchtruim lieten weerklinken. Andere vlogen van de oppervlakte der rivier zelve op, wanneer de nadering van de giek hen op de vlucht dreef. Het was onmogelijk te bepalen of zij op den oever op slechts weinig passen afstand gingen rusten, of dat zij in de Sint John onderdoken, om zich aan de onbescheiden blikken van de opvarenden van het vaartuigje te onttrekken.

Daar evenwel de eb steeds flink doorstond, was Gilbert Burbank er zeker van, dat de giek, door den stroom medegevoerd, de ankerplaats der kanonneerbooten onder de bevelen van den kommandant Stevens al meer en meer naderde. Maar hoewel nog flink, zoo was die ebstroom toch reeds zooveel verzwakt, dat onze jeugdige marine-officier het er voor houden moest, dat zijn vaartuig de afsluitingslinie, door de vijandelijke sloepen gevormd, nog niet voorbijgestevend was. Integendeel, hij meende alle redenen te hebben om te gelooven, dat hij zich nu juist op dezelfde hoogte bevond en dat derhalve het gevaar groot was, van plotseling op een dier sloepen te stooten.

Dus was ieder gevaar nog lang niet voorbij. Het bleek integendeel al heel spoedig, dat de giek nog nimmer in grooter gevaar verkeerd had dan thans.

Mars hield dan ook gedurende korte tusschenpoozen op met roeien, waarbij hij dan, om steeds gereed te zijn in de een of andere richting te kunnen wenden, zijne pagaai boven de watervlakte verheven hield. Het geluid van roeiriemen werd nu eens heel dichtbij, dan weer iets verder af, maar toch steeds in de onmiddellijke nabijheid vernomen. Verscheidene kreten werden op die sloepen voortdurend uitgestooten en door anderen beantwoord. Dat geschiedde natuurlijk om met elkander in verbinding te blijven. Hier en daar doken in het ijle van den nevel vormen op, welker omtrekslijnen als gedoezeld schenen. Dat waren vaartuigen, die voortgleden en vermeden moesten worden.

Plotseling openden zich ook de dampen, alsof een onmetelijke blaasbalg zijne horizontale luchtkolom in hunne massa gedrongen had. Dan verruimde zich de gezichtskring tot op een afstand van eenige honderden meters.

Gilbert Burbank en Mars poogden alsdan hun stand op de rivier te verkennen. Maar die opklaring van den nevel ging weer even spoedig voorbij als zij gekomen was, en de giek was weer verplicht zich geduldig aan den stroomdraad over te geven.

Zoo was het eindelijk vijf uren geworden.

Gilbert Burbank rekende, dat hij thans nog twee mijlen van de ankerplaats der kanonneerbooten verwijderd was. En inderdaad, de bank in de rivier was nog niet bereikt. Zij zouden die bank gemakkelijk herkend hebben aan het meerdere geluid en geweld van den stroom, aan de kabbelingen van het water, waaromtrent zeelieden als Gilbert en Mars zich niet vergissen konden.

Wanneer de bank overschreden zoude zijn, dan zou Gilbert Burbank zich betrekkelijk in veiligheid gerekend hebben, want het was niet waarschijnlijk dat de sloepen zich op zoo’n verren afstand van Jacksonville en tot onder het geschutvuur der kanonneerbooten zouden gewaagd hebben.

Beiden luisterden dus aandachtig en bogen zich voorover, om de oorschelp zoo nabij mogelijk aan de wateroppervlakte te brengen. Hun zeer geoefend oor had nog niets kunnen opvangen. Het kon bijna niet anders of zij moesten hetzij ter rechter- hetzij ter linkerzijde op een dwaalspoor geraakt zijn.

Zou het niet de beste partij zijn, die genomen kon worden, om namelijk in eene richting schuins met den stroom voort te stevenen, om zoo een der oevers te bereiken?

Of ware het beter, stil te blijven wachten, totdat de nevel opgetrokken zoude zijn, om dan weer, natuurlijk na zich behoorlijk verkend te hebben, in den goeden koers voort te roeien?

Dit laatste werd als het best uitvoerbare geacht; vooral nu men ontwaarde, dat de dampen naar hoogere luchtlagen begonnen op te stijgen. De zon, die men als het ware daar boven voelde, trok hen aan en verwarmde hen. Men kon waarlijk de oppervlakte van de Sint John over eene groote uitgestrektheid en zelfs voordat het uitspansel duidelijk zichtbaar werd, zien te voorschijn treden.

Het was te voorzien, dat de gordijn, die hun blik als het ware gevangen had gehouden, zoude vaneenscheuren en dat de gezichteinder uit den nevel zoude te voorschijn treden. Misschien zou dan Gilbert Burbank de kanonneerbooten ontwaren, die achter de bank op een mijl afstands daarvan ten anker lagen, en het zou mogelijk zijn die oorlogsvaartuigen te bereiken.

In dit oogenblik werd een sterk watergeklots vernomen, en bijna tegelijkertijd begon de giek te draaien, alsof zij in een soort maalstroom geraakt was.

Vergissing was onmogelijk.

»De bank!” riep Gilbert uit.

»Ja, de bank!” herhaalde Mars opgetogen.

»En eenmaal daarover!...”

»Dan zijn wij op de ankerplaats!”

»Goddank!”

»Goddank!”

Zoo klonken beider stemmen tegelijkertijd.

Mars had zijn pagaai gegrepen en poogde nu de giek in de gewilde richting te houden.

Eensklaps greep Gilbert Burbank hem bij den schouder en noodzaakte hem het pagaaien te staken. Hij had in een der nevelbanken, die nog over de rivier zweefden, een vaartuig ontwaard, dat met snelheid voortgeroeid werd en denzelfden koers volgde als de giek.

Hadden de mannen, die zich in dat vaartuig bevonden, de giek bespeurd? En wilden zij haar den doortocht betwisten?

»Over bakboord wenden!” zei de jeugdige marine-officier.

Mars gehoorzaamde, en weinig pagaaislagen waren voldoende om de gewenschte wending te doen uitvoeren.

Maar van dien kant werden stemmen vernomen, welke elkander luidruchtig praaiden. Ongetwijfeld bevonden zich op dit gedeelte van de rivier verscheidene sloepen, die in verband met elkander kruisten.

Eensklaps en alsof zij door een onmetelijken luchtdruk weggeveegd werden, verdwenen de neveldampen en vielen als fijn verdeelde waterstofdeeltjes op de oppervlakte der Sint John neder.

Gilbert Burbank kon den kreet, die hem ontsnapte, onmogelijk weerhouden.

De giek bevond zich te midden van een dozijn sloepen, welke in opdracht hadden dit gedeelte van de vaargeul, welke zich door de bank in zeer bochtige en schuine richting slingerde, te bewaken.

»Daar zijn ze!... Daar zijn ze!”

Dat waren de kreten, die tusschen de sloepen gewisseld werden en waarmede de opvarenden de vluchtelingen begroetten.

»Ja, hier zijn wij!” antwoordde de jeugdige marine-officier op dien kreet.

»Ja, hier zijn wij!” herhaalde Mars even uitdagend.

»Revolver en sabel in de hand, Mars!”

»En er op in, ja master Gib!”

Maar.... twee tegen dertig! Was die strijd mogelijk?

In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek aan boord geklampt. (Bladz. 234).

In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek aan boord geklampt. (Bladz. 234).

In een ondeelbaar oogenblik hadden drie of vier sloepen de giek aan boord geklampt. Eenige schoten knalden. Dat waren slechts de revolvers van Gilbert Burbank en van Mars, die zich in het gevecht hooren lieten. De tegenpartij maakte van geen vuurwapenen gebruik, omdat last was gegeven de vluchtelingen levend gevangen te nemen. Drie of vier opvarenden der sloepen werden gedood of gewond. Maar, was het wonder, dat Gilbert en zijn makker in dien ongelijken strijd het onderspit delfden?

De jeugdige officier werd, in weerwil van zijn schier ontembaren tegenstand, gekneveld en daarna in een der sloepen overgedragen.

»Vlucht.... Mars!... Vlucht!”

Dat waren de laatste woorden, die hij zijnen wakkeren matroos nog vermocht toe te roepen. Een oogenblik later lag hij met een prop in den mond en aan handen en voeten geboeid op den bodem eener sloep.

Mars had de aanbeveling van zijn officier niet noodig gehad.

Met een flinken sabelslag ontdeed hij zich van den man, die hem gegrepen had, en alvorens een ander had kunnen bijspringen om hem tegen te houden, was de koene echtgenoot van Zermah in de rivier gesprongen.

Alle pogingen om hem op te visschen waren tevergeefs. De kleurling was te midden van de kolken der bank verdwenen. Bij het intreden van den vloed toch kookt en woelt het op die ondiepten en verandert de anders zoo kalme stroom gewoonlijk in woedende stortvloeden.

Men moest het er voor houden, dat Mars verdronken was.