XV.

Veroordeeling.

Ongeveer een uur later werd Gilbert Burbank op de kade te Jacksonville aangebracht.

Men had daar de revolverschoten, die op den benedenstroom gelost waren, gehoord. Gold het daar eene schermutseling tusschen de vaartuigen der geconfedereerden en die van de federalistische vloot?

Viel er niet te vreezen, dat zelfs de kanonneerbooten van het smaldeel van den kommandant Stevens de vaargeul daar ter plaatse verkend en over de bank gestevend waren?

Dat alles had natuurlijk eene ernstige opschudding onder de bevolking der stad veroorzaakt. Een gedeelte der bevolking was met spoed naar den rivierkant geijld. De plaatselijke autoriteiten verschenen in de personen van Texar en zijn aanhangers eveneens daar met bekwamen spoed. Allen keken uit naar den kant der bank, die duidelijk te ontwaren was, nu de nevel opgetrokken was. Tooneelkijkers, verrekijkers en scheepsteleskopen waren druk in de weer.

Maar de afstand, ongeveer drie mijlen, was nog te groot om over de belangrijkheid van die schermutseling en over hare gevolgen te kunnen oordeelen.

Wat men in ieder geval duidelijk zag, was dat de flottilje van den kommandant Stevens nog altijd voor de bank geankerd lag en dat de havenplaats Jacksonville nog geen onmiddellijken aanval vanwege de kanonneerbooten te duchten had. Zij van de bewoners der hoofdplaats, die zich bij de oproerige gebeurtenissen het meest gecompromitteerd hadden, zouden tijd genoeg hebben om hunne beschikkingen te nemen, ten einde, als het moest, de wijk naar het binnenland van Florida te nemen.

Maar, al hadden Texar en zijne aanhangers ook al redenen om meer dan de overige bewoners beducht voor hunne eigene veiligheid te zijn, zoo bleek het toch duidelijk, dat er geen aanleiding bestond, om zich over dit voorval te verontrusten.

De Spanjaard daarenboven giste, dat die schermutseling het aanhouden van de giek gold, welker bemachtiging hij zoo innig en zoo vurig wenschte.

»Ja, die aanhouding wensch ik, verlang ik, tot welken prijs ook!” prevelde en herhaalde Texar voortdurend, terwijl hij met zijn tooneelkijker aandachtig de sloep gadesloeg, welke naar de haven stevende. »Ja, tot welken prijs ook!”

»Dat is boud gesproken!” meende een zijner makkers.

»Maar bedenk dan toch, dat het den zoon van James Burbank geldt!”

»De zoon van James Burbank?... Ja, dat is wat anders!”

»Als die in den strik gevallen is, dien ik hem gespannen heb,” vervolgde Texar opgewonden, »dan heb ik het bewijs, dat James Burbank gemeenschap met de federalisten onderhoudt....”

»Dat is zoo; maar....”

»En, bij God!... wanneer de zoon doodgeschoten zal zijn, dan zullen geen vier-en-twintig uren verloopen, alvorens de vader hetzelfde lot ondergaan zal hebben! Dat zweer ik!”

En, inderdaad, hoewel zijne partij thans te Jacksonville den baas speelde, had Texar, nadat de laatste rechtszaak ten voordeele van James Burbank uitgesproken was, eene gunstige gelegenheid willen afwachten, om den eigenaar van Camdless-Bay gevangen te doen nemen. De gelegenheid om Gilbert Burbank in een valstrik te lokken, had zich aangeboden. Wanneer die Gilbert Burbank, die als federalistisch officier bekend stond, op vijandelijk grondgebied opgepakt werd, dan zou zijne veroordeeling als spion niet uitblijven, en dan kon de Spanjaard zijne wraakzucht in haren geheelen omvang volvoeren.

De ellendeling werd maar al te zeer door de omstandigheden geholpen.

Het was wel degelijk de zoon van den eigenaar van de plantage Camdless-Bay, de zoon van James Burbank, die daar in de haven van Jacksonville aangebracht werd. Dat Gilbert slechts alleen gevangen genomen was, dat zijn makker verdronken of ontsnapt was, dat kon den Spanjaard bitter weinig schelen. Het voornaamste was, dat hij den jeugdigen marine-officier in handen had.

Er bleef nu niets anders te doen over, dan den gevangene voor eene rechtbank te doen verschijnen, welker leden allen uit aanhangers van de partij van Texar zouden bestaan, eene rechtbank, die door hem zelven voorgezeten zoude worden.

Gilbert Burbank werd met veel gejouw en met bedreigingskreten, door de bevolking van Jacksonville, die hem maar al te goed kende, ontvangen. Hij beantwoordde dat alles met een trotschen blik van minachting. Zijne houding toonde genoegzaam aan, dat hij geen vrees koesterde, hoewel eene afdeeling soldaten te hulp was moeten geroepen worden, om zijn leven tegen de gewelddadigheden van het grauw te beveiligen.

Zijne houding toonde genoegzaam aan, dat hij geen vrees koesterde. (Bladz. 236).

Zijne houding toonde genoegzaam aan, dat hij geen vrees koesterde. (Bladz. 236).

Toen de jonge luitenant evenwel Texar ontwaarde, was hij zich zelven niet meer meester, en voorzeker zou hij zich op dien schavuit geworpen hebben met het doel om hem te verwurgen, wanneer hij niet door de soldaten zijner bewaking weerhouden was geworden.

Texar had geen enkele beweging gemaakt, geen woord gesproken. Hij deed zelfs alsof hij den jongen officier niet zag en liet hem met het onverschilligste gelaat der wereld wegvoeren.

Weinige minuten later zat Gilbert Burbank in de gevangenis van Jacksonville opgesloten. Er waren geene illusiën omtrent het lot, dat hem vanwege de Zuidelijken wachtte, te scheppen.

De heer Harvey, de correspondent van meester James Burbank, ging een uur later naar de gevangenis en verzocht den jongen man te zien. Dat werd hem evenwel geweigerd. Op bevel van Texar mocht niemand, volstrekt niemand bij den gevangene toegelaten worden.

Die poging had zelfs tot gevolg, dat master Harvey zelf zeer streng bespied zou worden.

Men was inderdaad bekend met zijne betrekking tot de familie Burbank, en het lag in de plannen van den Spanjaard, dat de gevangenneming van Gilbert Burbank niet onmiddellijk te Camdless-Bay bekend werd.

Wanneer het rechtsgeding beëindigd en het vonnis uitgesproken zoude zijn, dan was het tijd genoeg om James Burbank het gebeurde mede te deelen. Wanneer hij het evenwel dan zou vernemen, zou het te laat zijn om Castle-House te verlaten en de vlucht naar de noordelijke Staten te nemen, om zoo aan de wraakzucht van Texar te ontkomen.

Master Harvey kon dus onmogelijk een bode naar Camdless-Bay zenden. Er was een soort embargo op al de vaartuigen van de havenplaats gelegd. Iedere gemeenschap tusschen den rechter- en den linkeroever van de Sint John was verbroken, en zoo kon de familie Burbank niets vernemen van de gevangenneming van Gilbert. Integendeel, zij verkeerde in de stellige meening, dat hij aan boord van de kanonneerboot van Stevens was teruggekeerd; terwijl hij daarentegen in de gevangenis van Jacksonville opgesloten zat.

Met welke spanning spitste men te Castle-House de ooren, om te vernemen of de een of andere ver verwijderde knal de aankomst der federalistische kanonneerbooten niet zou vermelden, die eindelijk over de zandbank geraakt zouden zijn.

Wanneer toch Jacksonville in handen der Noordelijken gevallen zoude zijn, zou dat gelijk staan met Texar in handen van James Burbank! Dan kon de vader van de kleine Dy gezamenlijk met zijn zoon en met zijne vrienden de nasporingen hervatten, die tot nu toe tot niets geleid hadden!

Niets werd evenwel op het benedengedeelte der rivier waargenomen. Geen geluid liet zich van die zijde hooren.

Master Perry, de administrateur van de plantage Camdless-Bay, had de Sint John tot in de nabijheid van de sloepen, welke de afsluitingslinie vormden, doorkruist. Hij had evenwel niets gevonden, dat hem op het spoor kon doen komen.

Pyg en een der opzichters waren over land langs den oever gezonden en hadden hunne nasporingen tot op drie mijlen benedenstrooms van de plantage uitgestrekt; maar waren verplicht hetzelfde rapport uit te brengen.

Zooveel bleek evenwel uit de ingekomen berichten, dat de kanonneerbooten nog steeds voor anker lagen; terwijl hoegenaamd geene voorbereidende maatregelen, om onder stoom of onder zeil te gaan, bespeurd waren. Een aanslag op Jacksonville scheen dus nog niet in de bedoeling te liggen.

Maar daarenboven, hoe zou die flottilje over de zandbank geraken? Dat was toch eene vraag, die men zich stellen moest. Aangenomen ook al dat de vloed genoegzaam doorzette, om het vaarwater vroeger dan men dacht bruikbaar te maken, hoe zou men zich dan nog durven wagen in die smalle en bochtige toegangen tot de geul, nu de eenige loods, die er al de kronkelingen van kende, niet meer aanwezig was?

En inderdaad, Mars was niet meer te voorschijn gekomen.

Als James Burbank had kunnen vernemen, wat er na het gevangennemen van zijn zoon Gilbert en het oppikken van de giek gebeurd was, dan moest hij in de meening verkeeren, dat de stoutmoedige makker van den jeugdigen marine-officier in de kolkende branding op de zandbank omgekomen was. Voor het geval toch, dat Mars zich met zwemmen gered had, zou hij immers getracht hebben den rechteroever der Sint John te bereiken en zich gehaast hebben zich naar Camdless-Bay te begeven, daar het hem niet meer mogelijk was, naar boord terug te keeren.

Maar Mars was ook niet op de plantage verschenen.

Den volgenden dag—den 11den Maart—was de geheele Raad tegen elf uren onder het voorzitterschap van Texar in persoon, in dezelfde zaal van Court-Justice vereenigd, waarin de Spanjaard vroeger reeds als aanklager tegen James Burbank was opgetreden. Ditmaal waren de beschuldigingen, welke tegen den jeugdigen marine-officier ingebracht werden, van zeer ernstigen aard en zelfs zoo zwaar, dat hij aan zijn noodlot niet zou kunnen ontsnappen.

Hij was dan ook reeds bij voorbaat veroordeeld.

Wanneer de zaak van den zoon maar eenmaal beëindigd zoude zijn, dan zou Texar zich met die van den vader onledig houden. Hij hield de kleine Dy gevangen. De gezondheidstoestand van mevrouw Burbank, die onder de vele slagen, door de hand van dien ellendeling toegebracht, zooveel geleden had, was in deerniswaardigen staat. Nu nog de vader, dan zou hij goed en wel gewroken zijn.

Waarlijk, het was alsof alles hem meeliep, om het botvieren van zijne wraakzucht te bevorderen.

Gilbert Burbank werd uit de gevangenis gehaald. Evenals den vorigen dag vervolgde hem het grauw met bedreigingen, met gehuil en met hoonkreten.

Toen hij de zaal van Court-Justice, waar hij de meest verwoede aanhangers van den Spanjaard bijeen vond, binnentrad, werd hij met verwenschingen en met kreten van woede ontvangen.

»Weg met den spion!”

»De spion ter dood!”

»Schiet hem neer!”

»Neen, niet doodschieten!”

»Dat is een te eerlijke dood voor een spion!”

»De strop!”

»Ja, de strop!”

»Hang hem op!”

»Ja, hang den spion op!”

Spion!... Ja, dat was de beschuldiging, welke dat grauw, welke die ellendelingen lieten hooren! Dat was de beschuldiging, welke door Texar ingefluisterd was!

Gilbert, door die hatelijke beschuldiging een oogenblik uit het veld geslagen, had intusschen zijne geheele koelbloedigheid herkregen. Hij slaagde er in kalm te blijven, zelfs toen hij den Spanjaard ontwaarde, wien het aan kieschheid en aan de noodige schaamte ontbroken had, om zich als rechter in deze zaak te recuseeren.

»Uw naam?” vroeg Texar.

»Ik heet Gilbert Burbank,” antwoordde de beklaagde.

»Gij zijt officier van de federalistische krijgsmacht, niet waar?”

»Ja.”

»Marine-officier?”

»Ja.”

»Gij zijt eerste officier aan boord van een der kanonneerbooten onder de bevelen van den kommandant Stevens?”

»Ja.”

»Gij zijt de zoon van James Burbank, een Amerikaan uit een der Noordelijke Staten afkomstig?”

»Ja.”

»De zoon van den eigenaar van de plantage Camdless Bay?”

»Ja.”

»Bekent gij de vijandelijke flottilje, die voor de zandbank in de monding der Sint John ten anker ligt, in den nacht van den 10den Maart verlaten te hebben?”

»Ja.”

»Bekent gij krijgsgevangen gemaakt te zijn, terwijl gij, te zamen met een matroos van dezelfde kanonneerboot, poogdet naar boord terug te keeren?”

»Ja.”

»Wilt gij ons mededeeling doen van hetgeen gij in deze streken kwaamt uitrichten?”

»Voorzeker, wil ik dat.”

»Welnu, wij luisteren.”

Gilbert Burbank streek zich met de hand over het gelaat en scheen gedurende een oogenblik zijne gedachte te verzamelen. Daarop sprak hij zonder aarzeling:

»Daags te voren was een man aan boord van de kanonneerboot gekomen, waarop ik als eerste officier dienst doe. Hij deelde mij mede, dat de plantage mijns vaders door eene bende booswichten en misdadigers verwoest en dat Castle-House door een troep bandieten belegerd was geworden...”

»Ik zie mij verplicht den beschuldigde aan te manen, zijne uitdrukkingen te matigen,” sprak Texar met gemaakte kalmte en deftigheid.

»Ik zal aan den voorzitter van deze rechtbank wel niet behoeven voor te houden, op wien de verantwoordelijkheid der misdaden, die ik daar onthulde, neerkomt,” vervolgde de beklaagde kalm.

»En ik,” viel Texar hem in de rede, »ik antwoord Gilbert Burbank daarop, dat zijn vader de openbare meening getrotseerd, ja getart heeft, door zijne slaven in vrijheid te stellen, dat daarop een besluit verschenen is, hetwelk de verstrooiing van die nieuw bevrijden gebood, dat dit besluit moest worden ten uitvoer gelegd...”

»Door middel van plundering en brandstichting, niet waar?”

Texar grinnikte hoonend; maar antwoordde niet.

»En door middel van ontvoering van personen, waaraan Texar zich persoonlijk heeft schuldig gemaakt!”

De Spanjaard keek eens rond, alsof hij de stemming van het publiek wilde opnemen, daarop antwoordde hij koeltjes:

»Wanneer ik in rechten te dezer zake betrokken zal zijn, zal ik daarop antwoorden;.... maar... Gilbert Burbank, gij moet niet pogen de rollen te verwisselen. Vergeet niet, dat gij thans beschuldigde en niet aanklager zijt!”

»Ja... ik ben thans beschuldigde... toch maar voor het tegenwoordige oogenblik...” antwoordde de jeugdige marine-officier. »Vergeet gij niet, dat de federalistische kanonneerbooten slechts de zandbank der Sint-John hebben over te stevenen, om Jacksonville in hunne macht te hebben, en dat dan....”

Een gehuil van woede, een storm van bedreigingen barstte in dit oogenblik over den jeugdigen marine-officier, die de Zuidelijken zoo in het aangezicht durfde braveeren, los.

»Ter dood!”

»Hang hem op!”

»Vierendeel hem!”

Dergelijke liefelijke kreten kruisten elkander allerwege.

Den Spanjaard gelukte het eindelijk, na zeer veel moeite, de volkswoede in bedwang te houden. Daarop vervolgde hij het gerechtelijk onderzoek.

»Wilt gij ons mededeelen, Gilbert Burbank,” vroeg hij, »waarom gij verleden nacht uwe kanonneerboot verlaten hebt?”

»Ik heb haar verlaten, om mijne stervende moeder te bezoeken. Wie zal dat wraken?”

»Gij bekent dus, dat gij te Camdless-Bay aan wal gegaan zijt?”

»Ja, dat beken ik. Ik maak daar geen geheim van.”

»Zijt gij alleen aan wal gegaan, om uwe moeder te bezoeken?”

»Daarom alleen.”

»Is dat waar?”

»Ja, dat is waar.”

»Toch meenen wij redenen te hebben om te gelooven, dat gij een ander doel hadt.”

»Welk?”

»Namelijk: om met uwen vader, met James Burbank in verbinding te komen, met dien Noordelijke, die reeds lang verdacht wordt in betrekking met de federalistische legerafdeeling te staan.”

»Gij weet zeer goed, dat wat gij daar zegt, eene onwaarheid is,” antwoordde Gilbert Burbank, die zijne verontwaardiging onmogelijk kon bedwingen.

Texar grinnikte hoonend.

»Gij weet ook zeer goed,” vervolgde de jeugdige zeeman, »dat ik als zoon, niet als officier naar Camdless-Bay gegaan ben.”

»Of als spion!” antwoordde Texar.

Andermaal verhief zich een gehuil:

»Ter dood de spion!”

»Weg met hem!”

»Aan de galg de spion!”

Gilbert Burbank zag wel in, dat hij een verloren man was. Maar wat hem nog het meest ontzette was, dat hij begreep, dat zijn vader ook verloren was, dat hij van diens ongeluk ja de onschuldige bewerker, maar toch de bewerker was.

»Ja,” ging Texar voort, »de ziekte uwer moeder was slechts een voorwendsel! Gij zijt te Camdless-Bay als spion gekomen, om aan de federalistische bevelhebbers verslag te kunnen doen omtrent den staat der versterkingen, die de Sint John verdedigen!”

Gilbert Burbank stond op.

»Ik ben naar Camdless-Bay gekomen, om mijne stervende moeder te bezoeken,” zei hij, »dat weet gij wel. Ik ben bij stikdonkeren nacht van boord gegaan en ben dienzelfden nacht te Castle-House aangekomen. Ik heb daar slechts weinige uren vertoefd en ben weer bij nacht vertrokken, en vraagt uwe suppoosten, om hoe laat zij mij gevangengenomen hebben. Ik heb dus van uwe versterkingen niets kunnen zien; ik voeg er bij: ik heb van uwe versterkingen niets willen zien. Wanneer dat mijn doel geweest ware, dan zou ik wel een ander tijdstip gekozen hebben.....”

De menigte zat hem ademloos aan te hooren. Het was stil in die zaal, zoo stil, dat men een speld zoude hebben kunnen hooren vallen. Gilbert Burbank vervolgde:

»Ik heb nimmer kunnen gelooven, dat in een land, dat op beschaving aanspraak maakt, rechters zouden kunnen gevonden worden, die er een soldaat een misdaad van maken, bij het sterfbed zijner moeder te komen, zelfs wanneer hij daartoe op vijandelijk grondgebied verschijnt! Dat hij, die mijn gedrag afkeurt en anders zou handelen dan ik gedaan heb, den moed hebbe dat te verklaren.”

Een gehoor, uit mannen bestaande, in wier harten de haat en de wraakzucht niet ieder edel gevoel gedoofd hadden, zou niet anders hebben kunnen doen dan die edele, waardige en vrijmoedige taal toe te juichen. Helaas, dat gebeurde niet. Een woest gehuil barstte daarop los en verving de stilte, die een oogenblik te voren geheerscht had. Luide toejuichingen en handgeklap ter eere van den Spanjaard werden vernomen, toen deze er op wees, dat toen James Burbank een vijandelijk officier in oorlogstijd in zijn huis ontving, hij even schuldig was als die officier. Het bestond dus eindelijk, dat bewijs, hetwelk Texar beloofd had te leveren, dat bewijs van verstandhouding van James Burbank met de leger-afdeeling der Noordelijken!

De triomf straalde den aterling uit de oogen. Men kon zien, dat hij van zijne zegepraal genoot.

De rechtbank veroordeelde Gilbert Burbank, luitenant ter zee bij de federalistische marine, ter dood, na evenwel vooraf aanteekening gehouden te hebben van de verklaringen van dien officier ten opzichte van zijnen vader.

De veroordeelde werd onmiddellijk, te midden der verwenschingen en der beleedigende kreten van het grauw naar zijne gevangeniscel teruggebracht. Daarin nog kon hij door het geopende venster hooren:

»Ter dood de spion!”

»Ja, ter dood, die snoode verspieder!”

Dienzelfden avond verscheen een detachement militietroepen te Castle-House.

De kommandeerende officier vroeg om master James Burbank te spreken.

Deze, vergezeld van Edward Carrol en van Walter Stannard, trad voor.

»Wat verlangt gij van mij?” vroeg de eigenaar van Camdless-Bay.

»Zijt gij James Burbank?” vroeg de officier.

»Ja, die ben ik.”

»Lees dan dit bevelschrift!”

En bij het uitspreken van die woorden, reikte hij een vel folio papier over.

Dat bevelschrift bevatte de opdracht, om James Burbank gevangen te nemen, wegens medeplichtigheid met Gilbert Burbank, die ter zake van spionneeren door de Court-Justice van Jacksonville ter dood veroordeeld was en binnen de tweemaal vier-en-twintig uren gefusilleerd zoude worden.


Einde van de overrompeling eener plantage.