Het Kasteel van Montfoort.

Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht, was geen man des vredes; zijne regeering (1156–1178) is ten minste een aaneenschakeling van oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam1, gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden bezwijken. Om de muitzieke Edelen van Aemstel in bedwang te houden, stichtte hy een kasteel te Woerden. Om de Friesche grenzen te dekken, deed hy er een te Vollenhoven bouwen; en tegen de Gelderschen richtte hy by Rhenen het geduchte kasteel ter Horst op. Hy had echter een te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien, dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd, zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats hiertoe scheen hem de landstreek beöosten Oudewater, aan den linker Yssel-oever, tegenover het Yssel-veld, en slechts drie uren van zijn zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnen last het sterke slot, dat, zoo men wil, door hem Mons fortis werd genoemd, maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam van Montfoert of Montfoort bekend staat.

Het slot te Montfoort.

Het slot te Montfoort.

Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone uit den huize van der Goude.

Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer helder licht ons voor het oog.

Bisschop Johan van Nassau, die van 1267 tot 12882 regeerde, was een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:

»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is ’t er zeer holbollig in het Bisdom toegegaan. De regeering van ’t gemeenebeste is tenemaal t’onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt, die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben; ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest.”

Trouwens—er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst, in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten van het eerste steunde—om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich, het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.

Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel, en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan—maar hier had de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in ’t eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen, riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang, en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken, waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng, tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic”; en zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag: Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort.

In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland, en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te hebben, sloeg den weg in naar Montfoort.

Hier had Herman van Woerden hem niet afgewacht. ’s Graven krijgsmacht duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen”3, die reeds voor Vreeland hadden gediend, werden ongetwijfeld ook voor Montfoort gebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur beuken. Toen bleek het, dat Godfried van Rhenen goede bouwmeesters in ’t werk gesteld, en te gelijk, dat Herman van Woerden zijne ongerechte zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan blyde en stormram. Telkens vinniger trokken de Hollanders, by het schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut- en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen, en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op—telkens werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en—»Holland! Holland!” is de zegekreet, die binnen Montfoorts wallen den val vermeld der burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende, velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier van Woerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had, en de klimmende liebaart van Holland

Zag fier van de transen langs d’ Yssel-boord rond:

want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279, en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.

Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds, en de Aemstellaers4 ter anderer zijde, op den 27en Oktober 1285 tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven, en kwam Montfoort alzoo weder in handen van den Bisschop.

Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296 Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste, zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.

De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op ’t hoogst Heer Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken, de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig, dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland, en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene wijze, den Edelman waardig.

De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken, dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon ’t niet blijkt, dat een van beide zich daarover verklaard heeft.

Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader, ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde,” gaf evenwel aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen, die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe, om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen, tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos, gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.

Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye, Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen, Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.

Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam van Royen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van keel.5

In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor de poëzy der sage, die dus luidt:

Een dochter van Holland.

—»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,”

»Wy zoeken Holland weer.”

Zoo sprak in ’t hof van Engeland

Graaf Willems Edele Gezant,

Volyvrig voor zijn Heer.

Maar ijlings trad, met biddend oog,

Een jonker hem ter zij.

Die droeg in ’t oog een vurig hart;

Een wapen, wit en rood en zwart,

Gestikt op zijn kleedij.

—»Ter wille van uw Edelvrouw

»Die gy in ’t hart vereert—

»Twee enkle dagen nog getoefd,

Zoo bad hy: »schoon ’t mijn ziel bedroeft—

»En dan—naar gy begeert.”

—»Die bede zy u toegestaan

»Mijn Jonker van Montfoort!”—

En ijlings was de Jonker heen,

Te paard, en voort, en gants alleen;

Men wist niet naar wat oord.—

Aan Medways blaauwen waterstroom

Daar rijst een landkasteel.

Daar staart een Jonkvrouw van den trans.

Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,

Als ducht zy ’t lot niet veel.

Nu wuift zy snel ten toren af,

Met hoog-gebloosd gelaat:

Een ruiter nadert, gants verhit...

Zijn wapen, zwart en rood en wit,

Gestikt op zijn gewaad.

Hy stijgt van ’t paard—en ijlings op,

En zy daalt ijlings neer.

Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,

En zy, van zoete vreugd verward,

Zy stelt zich niet te weer.

Hy sprak: »Een tijding droef—en blij:

»Ras keer ik naar mijn land.

»Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd!

»Van wat geslacht den naam gy draagt,

»En ’k spoed my om uw hand.”

Zy bloost—zy siddert—zy ontzet—

Zy slaakt een droeve kreet;

Zy meldt met diepe droefenis:

»Ik weet niet wie mijn moeder is,

»Noch hoe mijn vader heet!....”

—»Ik ben van onbetwijfeld bloed!”

Zoo borst hy angstig uit:

»Mijn vader is een Hooge Heer....

»Toch, Ellen! toch—ik zie u weêr,

»En als mijn dierbre bruid!”—

Straks joeg een strijdros langs den weg

Die recht naar Londen gaat.

Zijn Ruiter reed met rustloos hart;

Een wapen, wit en rood en zwart,

Gestikt op zijn gewaad.

En later reed er, eer de schaaûw

Nog heenkroop naar het oost,

Een droeve Jonkvrouw langs die baan.

Toch blonk er door zoo menig traan

Een stille hoop van troost.

Zy wisselde in de ruime stad

Met niemant woord of taal;

Maar waar ’t arduin paleisbordes

’t Blazoen droeg van de Rijks-princes,

Daar steeg zy uit het zaal.

Zy vroeg geen lijftrawant den weg,

Geen knaap of kamervrouw:

Zy ging er tot in ’t rijk klozet,

En boog zich neêr, als ten gebed,

Alleen met de Edelvrouw,

Zy bad met woorden uit de ziel,

Maar diepe eerbiedenis:

»O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,

»Die my steeds gunstig gade slaat,

»Zeg wie mijn vader is?”

De Rijksprinces verschoot van blos,

En siddrend boog ze saâm:

»Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my...

»Wat weet ik wie uw vader zij?

»Wie noemde me ooit zijn naam?”—

En zichtbaar greep het Ellen aan

Met zielsontroerenis;

En dieper, dieper boog ze neêr,

En schreide, en smeekte naamloos teêr:

»Zeg wie mijn vader is.”—

Dat brak het hart der Rijksprinces:

Zy snikte op schellen toon:

»Weet!...” maar toen duizelig en dof:

»Aan Hollands machtig Gravenhof

»Daar draagt hy-zelf de kroon!...”

En Ellen brak in jubel uit,

En viel haar aan de borst.

—»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:

»Dat spelt me een eindloos zoeter lot

»Dan ik ooit hopen dorst.

»Neem nu mijn droef en blij vaarwel:

»Ik trek naar ander oord;

»En zoo gy ooit my wederziet,

»Dan is ’t in Hollands rijksgebied,

»En Vrouwe van Montfoort!”

Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;

Maar zy verhief zich ras:

»Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...

»Maar wat dan...” en zy kreet van smart:

»Zoo ik... uw moeder was?...”

En Ellen trad versteend te rug:

»Mevrouw! wat zegt ge my?

»Gy, die steeds aan mijn eigen haard

»My goedig—maar als vreemde waart,

»Myn moeder, moeder gy?”—

Toen kromp het moederhart in een:

»U afstaan!...” rilde zy:

»Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr:

»Al kostte ’t my mijn rang, mijn eer—

»Kies tusschen hem en my!...”

—»Ik heb... gekozen...” sprak zy zacht

(Van smart bestierf heur stem):

»Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:

»Zy was een vreemde voor heur kind.

»Mevrouwe!... ik ga met hem.”—

Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf?

De Jonker van Montfoort.

—»Al wat ik Uw Genade breng,

»Wanneer ze ’t my in gunst geheng,

»Dat is een luttel woord:

»Een groete van de Rijksprinces,

»Een vorstelijke groet;

»Daarby een bede, koen en stout:

»Een Jonkvrouw, twintig jaren oud,

»Die drukt ze u op ’t gemoed.—”

Graaf Willem sloot zijn kind aan ’t hart,

Geroerd en blij te moê:

»Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:

»Ik zie, een beê zweeft om uw mond;

»’k Zweer u verhooring toe.”

Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad

Na ’s Graven plechtig woord?

Daar gingen luttel weken om,

Toen was zy bruid; de bruidegom

Was Sweder van Montfoort.

Maar wie, wie schepen flux daarna

In ’t heimlijk zich aan boord,

En houden koers naar ’t Britsche strand?

Het wapen, schittrend aan het want,

Is ’t wapen van Montfoort.

Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,

Der Rijksprinces gehoor;

Maar als geheel den gang bewust,

Treedt de Edelvrouw van Hollands kust

Heur eedlen gade voor.

Zy knielde voor de Rijksprinces,

Wel kinderlijk gezind:

»Doof niet aan ’t Hof uw gloriekrans,

»Maar, moeder! wees in ’t heimlijk thands

»Gelukkig met uw kind!”

Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen, Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden, Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude, rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd, eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde manlicken, om den seghe te vercryghen.” Maar de moedige Bisschop gaf het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde, viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.

In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen, zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had, ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd.

De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig: hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende, getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met niemant, wie ’t ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.

Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield—het blijkt niet, dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan zijn voorgevallen.

Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoon Henric6. Deze Burchtgraaf, die zich den tytel van Heer van Montfoort aanmatigde, verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk van Abcou, Heer Willem, tegen Bisschop Floris van Wevelichoven, en eigende zich met kracht van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te berooven, en belegerde het slot van Abcou; toen hy dit overmeesterd, en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich tot Henric van Montfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den verdragsbrief van 1297: Bisschop Floris wilde, als een voorzichtig Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen gebied meer dan gevaarlijk werd, en thands de machtigste zijnde, maakte hy, als ’t gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.

Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond, werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken; en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch, en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen, en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden; maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan, waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die gaarne te willen geven—mits zijn schuld uit het onderzoek blijken zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht, of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en den meesten van den lande.” En daar hem zulks niet werd toegestaan, verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men hem opzettelijk zijn recht onthield.

Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht, nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende Haestrecht, weder die Ysel langens,” gelijk dit van ouds Stichtsch eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen, Leenmannen en Steden van ’t Sticht met den Burchtgraaf te breken; en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen, deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche, thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:

Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten, of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden worden.

Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen, blootshoofds en in ’t openbaar, dragende in zijne hand de sleutels van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven, daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed van trouwe doende7. En totdat deze zoen geheel geregeld was, mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig man in Utrecht legeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van den Bisschop van Utrecht en van Amersfoort zoo wel op der stede als op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemde Henric van Montfoort, Heer Henrics neef, die daarom van zijne anders denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten, den toenaam »de Rover” ontfing. Wy lezen ten minste: »dese Heer Henric de Rover, Heer Willems soon, bleef doot in het besit van Montfoort, t’welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des Vrydaechs nae Pinsterdach.”

Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraaf weer huiswaart rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop van Utrecht te dienen, deszijds den IJssel met 25 speeren8, op eigene kosten, en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.

Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn »lieven, geminden Heer”, en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387.” Nogtans verklaarde hy, en wel, zonderling genoeg, tevens in ’t volle kapittel, by zijn eed en ridderschap, dat hy ’t alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid, vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends des Ridders sterke bewoordingen in ’t kapittel.—»Daarmeê neem ik geen vrede,” sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop, en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht niet benadeelen:—omdat allen, die hierover moeten zitten, niet tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen, Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende, daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken; omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft, en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in ’t bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest.”

Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort, door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd, daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.

Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in ’t openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, ’t zij nu dat deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde, ter strengere handhaving van zijn gezach—hy liet zich eindelijk door bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het Burchtgraafschap te beleenen, maar—op de zelfde voorwaarden, waarop Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze, en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor, waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop, thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van gewelde” te zullen laten.

Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap, waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter in ’t gelijk stelde.

De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:

By een inval van die van Oudewater in ’t Sticht, trok Lodewijc in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke, toen Heer Lodewijc met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden, want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten ’t eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren.”

Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten, Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende, die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht.

Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman, van den Bisschop van Utrecht tot den Burchtgraaf van Montfoort, in eene omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschen Rudolf van Diepholt en Sweder van Culemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag tusschen Bisschop Frederic en Jan van Beieren buiten gesloten, vond zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak, waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door ’t groote meerendeel der Stichtenaars gehaten, Bisschops Sweder koos. Hy leende dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000 Hollandsche Wilhelmsschilden9, en ontfing daarvoor ten jare 1430 in pandschap de hooge Heerlijkheid van Montfoort, met uitdrukkelijke voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren van Montfoort, wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.

Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven, wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.

Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy, ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden, een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te onterven.

De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen vader te dwingen. Gants in ’t heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen, waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden, poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken” gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk, waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd, onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach,” dan heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken, het gezach over ’t Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder zich aan de gemaakte bepalingen te storen.

In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden, sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen, Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde, zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in ’t bezit zijner met hem in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield, na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.

En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.

Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer, waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in ’t heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam—en, in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch, Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers den toegang. De Utrechtenaars, door ’t gerucht en de kreten thands gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die van Utrecht niet in den rug gevallen—de Bisschoppelijken hadden de stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning, maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden, en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.

Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen, wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456 by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos, met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven, om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen.

Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke, thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen, die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was, begrepen syn.” Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469 te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen, met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn, eene som van 10 rijnsguldens (ƒ 13.) en 14 stuivers beliepen.

Bisschop David van Borgondiën, die niet zeer by zijne poorters gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel eenige achterdocht geraapt hebben10; hy vond ten minste goed om hem naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474. Johan gaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy, in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te steunen, zijne onderzaten in ’t algemeen minder van zich verwijderd, en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit evenwel niet—en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met zijne stad Utrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman verkoos. Johan was voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnen Utrecht te vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der Hoekschen in Holland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig inwerkte. Toen Reynier van Broechusen in 1481 de stad Leyden voor die partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok, spoedde hy zich over Woerden naar Montfoort, wel wetende daar eene goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene zware proef werd gesteld. De Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk zette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na, kwam voor de stad, eischte vrijen ingang, en daarby de uitlevering van Heer Reynier met diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander andwoord dan hy verwacht had: die van Montfoort stelden zich te weer, en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche benden spelen, zoodat Maximiliaan zelf byna door een serpentijnkogel gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon ’t Palmzondag was, te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen, tot de eigendommen van Montfoort behoorende, aan de vlammen te hebben opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in den Hage, of hy vaardigde tegen Broechusen, Henric van Nyevelt en anderen, waaronder ook Johan behoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam dit op het verlies zijner Heerlijkheid Purmerende te staan, met wier inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.

Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving van den Burchtgraaf, ’tgeen den Raad in groote ongelegenheid en tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam tot handdadigheid; het staal besliste—de Burchtgraaf verdreef zijn tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.

Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half genoodzaakt, de zijde van Maximiliaan, stelde Frederyc van Egmond van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als Legeroverste aan, ontfing uit Holland, behalven 400 wapenknechten onder Jan van Cats en Jacob van Boshuzen, den bekenden Ridder Petit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den Stadhouder La Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10en dier maand het beleg sloeg voor het blokhuis te Vreeswijc aan de vaart, dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die van Utrecht de noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf terstond de reizige-ruiters11 en voetknechten uit Montfoort en Amersfoort lichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok, met zijn oom Sweder van Montfoort, Henric van Zuylen van Nyevelt, Dirc van Zuylen van der Haer, Vincent van Swanenburch, en Willem van Wachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat het leger by Engelenburch was gerangschikt, werden Vincent, Willem, en Dirc (Henric weigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste verwarring op de vlucht. Op de wegen naar Schoonhoven, Oudewater, Woerden, en IJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in de Leck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot in het duister van den laten avond zettenden Montfoort en de zijnen hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad, geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde vanen van Dordrecht, Delft, Rotterdam, en Heusden, trokken zy in triomf hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de Burchtgraaf van Montfoort niet tegen den Aartshertog van Oostenrijk, op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad zou zien gaan,—dat hy en zijne aanhangers liever den nood van honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, dat Utrecht ongeschonden onder de heerschappij van Bisschop David zou te rug komen.