Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het kwam versterken:—de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid in het voeren van den boog:—beide dorpen werden overvallen, en de gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf, die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig Heer.—Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf had geen beter bondgenoot kunnen kiezen.

De Stichtsche zaken werden er evenwel niet gunstiger door. Die van Utrecht, by een uitval in eene hinderlaag gelokt, verloren 150 dooden en 100 gevangenen12. Dat gaf eene droevige verslagenheid binnen de stad, waar de lagere klasse alreeds gebrek, de kleine burger behoefte begon te lijden, en de meer-gegoeden en rijken de toekomst beängst gingen inzien. Montfoort ging onwankelbaar zijn weg: hy versterkte de wallen, deed scherpe wacht houden, en de landstreek rondom onder water zetten. Den 15en Januari 1482 verscheen de Stadhouder van Holland met zijn leger naby Utrecht, maar trok, na eene vruchtelooze opeisching, drie dagen later weder te rug. Twee maanden verder, 18 Maart, deed de Burchtgraaf, door Vincent van Swanenburch, Vianen innemen en bezetten; maar den Raad der Bisschopsstad was dit weinig naar den zin, en hare burgers droegen er eerder meer dan minder oorlogskosten om: beiden morden in stilte, en de wolken, die boven de kim van Montfoorts gezach oprezen, werden hoe langer hoe zwarter en dreigender. Een mislukte toeleg op Dordrecht, in April, beterde daar niet aan. De Burchtgraaf meende zelfs op het spoor eener samenzwering te zijn, deed eenige burgers de stad ruimen, en haalde er verscheidene vroegere ballingen weder in; een burger, die kwalijk van hem gesproken had, werd openlijk onthalsd. In kleine, afmattende strooptochten en schermutselingen (by een van welke Jan van Schaffelaer die grootheid van ziel toonde, die wy nog met eerbied bewonderen) ging de oorlog steeds voort, meestal met verlies aan de zijde der Stichtschen. Eindelijk meende men dat de tijd voor groote handelingen aangebroken was: de Cleefsche hulpbenden zouden weldra opdagen, en in afwachting daarvan, om tot eene bestorming over te gaan, sloeg de Burchtgraaf het beleg voor de stad IJsselsteyn. Maar zelfs hierin maakten onvoorziene omstandigheden zijne kloeke maatregelen weer te schande: toen de Cleefschen nu ook werkelijk waren aangekomen, verklaarden zy gezonden te zijn om te stroopen, niet om steden te bestormen, en weigerden volstandig alle meêwerking. Hy moest dus met bittere teleurstelling weder aftrekken, daar zijne eigene manschap te weinig in getal was. Beter integendeel dan deze onderneming slaagde die der Hollanders, in de maand September, op het blokhuis Gildenburch aan de vaart: de tijding van de overmeestering en volkomen vernieling dezer sterkte baarde te Utrecht weder nieuwe angst en bekommering.

De roem van des Burchtgraven persoonlijke dapperheid leed toch volstrekt niet onder de gedurige mislukking zijner kloekberaamde, maar door anderen slecht uitgevoerde of ondersteunde plannen. De koene Ridder Jan van Egmond13, wiens gebrek aan den voet door eene dubbele mate van kracht in de borst meer dan opgewogen werd, voelde begeerte om zich met den Montfoorter, man tegen man, in het strijdperk te meten. Hy zond hem daarom eene uitdaging tot een ridderlijken tweekamp; de overwinnaar zou van den overwonnene een losgeld van 1000 kroonen erlangen. De Burchtgraaf liet zich echter niet overhalen. Misschien achtte hy het ongeraden, om het vertrouwen op zijne dapperheid aan den onzekeren uitslag van zulk een strijd prijs te geven, vooral in een tijd, waarop hy het getal zijner aanhangelingen met den dag verminderen zag. Zelfs Engelbrechts gezindheid te hemwaart nam af, blijkends diens goedkeuring op de verkiezing van Aernt Ram tot Schout en Schepen-Burgemeester der stad, 12 Nov. 1482, in de plaats van den overleden Jan de Coningh:—Rams goed-hoekschgezindheid was niet buiten verdenking.

De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck, stout, vroom man” noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester bleven. De Bisschop, in ’t onzekere over den afloop, had intusschen den Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen, dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd, die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd.

Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te moeten gaan—en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief, spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra hy echter in ’t zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy gelukkig naby de boomgaarden was, van ’t paard sprong, en dwars door ’t geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad, maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen.

De gelegenheid daartoe kwam.

Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam, dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde, maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt.

De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein, en verklaarden hem hun gevangene. ’s Morgens zagen de omwoners van het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen en overmeesterd geworden.

De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten swaren goet of creech.”

Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden.

De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen, gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort, het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in ’t geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren, poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte verwoestingen aan. In ’t begin van Juli werd tot den storm besloten, en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm—maar die niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring; zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van ’Tsoorle, wiens broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen.

De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal zouden moeten overgaan—maar hoe lang zouden zy ’t nog volhouden, aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten.”

En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor ’t overige deed hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag.

Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en trekken kon.

Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters denken kan.

Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven.

Bisschop Davids opvolger, Frederic van Baden, in 1499, kort na het ten onder brengen van de Heeren van Wisch, met den Hertog van Cleve in oorlog geraakt, behoefde herhaaldelijk geld, dat hy wel voor een groot deel, maar toch niet geheel en al, by zijne getrouwe steden van het Bovensticht vinden kon. Hy wendde zich daarom ook tot Burchtgraaf Johan, die hem met vier duizend gouden rijnsguldens bystond, en daarvoor het recht der hooge heerlijkheid weder in pand ontfing voor zich en zijn geslacht, tot zoolang de pandsom weder te rug betaald zou zijn. De oirconde daarvan werd den 21en Augustus 1499 bezegeld, en op Sint-Andries14 daarna beloofde de Bisschop, by open brieve, dat hy-voor-zich het pand nimmer zou doen lossen.

De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512, maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen.

Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het Burchtgraafschap bestuurde.

De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in 1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde, om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet.

Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter, Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort, en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem, die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte.

Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz.

Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht, voor eene som van 225,000 gulden.

Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient.

Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten, enz. Vervolgends:

De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-, en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en bedieningen. Verder:

Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard in de stad, voor de poorten van ’t kasteel; twee boomgaarden, waarvan de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen, mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten, met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater; de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort; alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden, en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132 gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën, tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven, Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief, dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve, genaamd: de Huizinge van Montfoort.

Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve van dien,” was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl kunnen weeren?

Den 7en April 1672, verklaarde Frankrijk15 aan het Gemeenebest den oorlog, en, ten gevolge van de jammerlijke bekrompenheid der Algemeene Staten (te laat ingezien!) waren de Franschen reeds in Juni meester van Utrecht. Het spreekt van zelf, dat het bezit van eene plaats als Montfoort, door een zwaar kasteel versterkt, den overweldigers niet onverschillig was: den 21en Juni woei dan ook de lelievaan van den burchttrans. De Montfoorters hadden aanvankelijk van deze eerste vestiging niet lang te lijden: Lodewijk, in de eerste helft der volgende maand ziende, dat de voorlanden van Noord-Holland allen onder water werden gezet, gaf bevel om de voorposten uit Woerden en Montfoort op Utrecht te rug te trekken. In de laatste helft van September echter, toen de Maarschalk Luxemburg Utrecht door eene lijn van versterkte posten beschermen deed, lag ook Montfoort in die rij, en werd het kasteel van eene bezetting voorzien, die op den 7en Oktober 70 man bedroeg. In die zelfde maand trokken zy weder af, maar niet zonder er eene altoosdurende herinnering aan hun verblijf achter te laten: zy deden het kasteel door buskruit springen, en in een verwarden puinhoop veranderen. Daarmede was echter de stad niet van hunne plaag bevrijd, want toen de winter kwam, en Luxemburg zijn voornemen, om over het ijs in Holland te trekken, ging bewerkstelligen, was Montfoort in het laatst van December de verzamelplaats van 2000 man. Zoo duurde het by afwisseling met minder en meerder kwelling, tot in de maand November des volgenden jaars, toen de snoevende vijand, door de uitmuntende maatregelen van onzen grooten Willem den Derde tot den aftocht genoodzaakt, het Sticht moest verlaten, en derhalven ook Montfoort ontruimd werd.

Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht wapperen—niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte, hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt.

Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius, dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan, en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken, besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,—de knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen; de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant overgebleven—niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken.

Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen; en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op; zoo wisselen de tijden van gelaat—en de geschiedenis van het Kasteel der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool.


1 Zijn gebeente, in 1580 in zijn graf gevonden, toonde een man van buitengewone grootte aan.

2 In 1288 heeft hy, die wèl gekozen was en bestuurd heeft, maar nooit van ’s Pausen wegen bevestigd is, afstand gedaan, tegen een jaargeld van 1000 pond Hollandsch, d. i. het pond tegen 75 cts. Een pond goed geld stond met onzen gulden gelijk.

3 Zie Dl. I. blz. 11–17. Magneelen zijn muurbrekers; echter geene soort van ram, maar van blyde.

4 Behalven Gijsbrecht en Arent van Aemstel, welke laatste Heer van IJsselsteyn was, wordt hierby ook nog Willem van Aemstel, Proost van St. Jan, genoemd.

5 De geschiedenis der Montfoortsche Burchtgraven, zoo als wy die tot hiertoe bezitten, de een door den ander nageschreven, is vol verwarring en tegenstrijdigheden, waarvan de ontleding hier niet aan de plaats is. Ik hoop er later, afzonderlijk, uitvoeriger op te rug te komen, en geef hier voorloopig slechts de slotsom mijner vergelijking van de verschillende opgaven.

6 Sweder van Montfoort liet twee zonen na, Henric en Willem. De laatste had drie kinderen: een zoon, Henric de Rover, en twee dochters, waarvan de eene in het geslacht van Haestrecht, de andere in dat van Winssen huwde.

7 Ook moeten »alle de gene die binnen Montfoort beseten hebben geweest, die uten gesticht ende twaelf jaren out zijn, bloets hoefts uitcomen, ende vallen den Bisscop te voeten, ende bidden hem vergiffenis.”

8 Dat zijn speerruiters, die gewoonlijk gevolgd werden van nog twee gewapenden te voet.

9 9000 Gulden volgends onze tegenwoordige munt.

10 Burchtgraaf Johan was bovendien zeer bevriend met den Utrechtschen Burchtgraaf Reynout van Brederode en diens broeder Gijsbrecht, die David tot vijanden rekende.—Zie Dl. I, blz. 69–71.

11 Gemeenlijk ook stalbroeders, en rijzigers, genaamd.

12 Het aantal dooden en gevangenen te zamen wordt door sommigen zelfs tot op 1500 overdreven.

13 Zie van hem Dl. I, blz. 42–44.

14 Waarschijnlijk 30 November.

15 En daarby te gelijk, als men weet, ook Engeland, Keulen en Munster.