»Dit is Leegwaters Beeldt, Aenschouwers, siet vry toe,
Zyn geest, die altyt werckt en nimmer meer wort moê;
Aen ’t geen zyn Vaderlandt tot welstant kan verstrecken,
Zich in syn Meerboek zal ten deel aen u ontdecken:
Wat d’ ander rest belangt, die spreyt zich wyt en breet,
En vat, in zijn vernuft, wat yemand wist off weet.”
Ook in den 2den en 3den druk van het Meerboek wordt de afbeelding van Leeghwater niet gevonden. Waarschijnlijk verscheen zij het eerst in den 4den of 5den druk. In den 7den vond ik haar, doch niet door Lamsveld, maar door S. Savrij gegraveerd. Daar deze in een’ der hoeken het getal 43 heeft, vermoed ik, dat Leeghwater in 1643 door Keyser is geteekend, toen hij 68 jaren oud was.
Na Leeghwater verschenen er verscheidene andere geschriften over het Haarlemmer Meer, welke ik kortelijk zal vermelden.
Bijna gelijktijdig met het werkje van Leeghwater, kwam er nog een ander plan tot droogmaking van het Haarlemmer Meer in het licht, opgesteld door Jacob Bartelsz. Veeris. Dit werk maakte echter minder opgang. »Volgens den Heer Van Lijnden (Verhand. bl. 43), verschilde het plan van Veeris in zoo verre van dat van Leeghwater, dat bij hetzelve bepaald was een voorboezem, met een’ dijk over het eiland Ruigoord, op welken dijk 15 bovenmolens zouden gesteld worden.”
De plannen van Leeghwater en Veeris vonden al dadelijk tegenstand, vooral bij de Ingelanden van Rhijnland, welke vermeenden, dat, door het droogmaken van het Meer, de boezem van hun gewest te klein zou worden; en reeds in 1642 gaf N. van Haegh, onder den titel: C. A. Colevelt’s46 bedenckingen over het drooghmaken van de Haarlemmer en de Leydtsche Meer, Honderd Twee en Zeventig articulen in het licht, welke hij, zoo als hij in het voorberigt zegt: als een liefhebber van het Gemeenebest, had gecopieerd uit eenige Bedenkingen zamengesteld door Coleveld, handelende op het uit- en droogmaken van de Haarlemmer en Leidsche Meer, waarbij hij, naar zijn goeddunken, nog eenige punten had bijgevoegd, hetgeen hij hoopte dat de schrijver hem niet ten kwade zou duiden. Uit dit voorberigt zou men dus opmaken, dat deze bedenkingen zonder voorkennis, immers zonder medewerking van Coleveldt zijn uitgegeven. Hoe dit zij, de bedenkingen van Coleveldt werden door Leeghwater in den 4den en volgende drukken van zijn Meerboek bestreden.
Toen de tiende druk van het werk van Leeghwater in 1727 uitkwam, werd ook in dat jaar het tegenschrift van Coleveldt herdrukt47. Deze herdruk gaf aanleiding, dat C. Velsen, Landmeter van Rhijnland, in dat zelfde jaar, onder den titel van Aanmerkingen over de tegenwoordige staat van de Haarlemmer Meer48, een werkje in het licht gaf, waarin hij het plan van Leeghwater tegen de bedenkingen van Coleveldt verdedigde, op de noodzakelijkheid van het droogmaken van het Meer aandrong en de wijze aan de hand gaf, waarop dit zou kunnen geschieden, »in voege, dat de steden Haarlem, Leiden en Amsterdam, alsmede het Hoogheemraadschap van Rhijnland, van veel beter natuur,” (het zijn ’s mans woorden) »omtrent de waterstaat en scheepvaart zullen wezen, als tegenwoordig.”
Dit werkje van Velsen vond zoo veel belangstelling, dat nog in hetzelfde jaar 1727 van hetzelve een tweede druk in het licht kwam49.
Hij oordeelde zoo ongunstig over de Bedenkingen van Coleveldt, dat hij in de voorrede van zijn werkje zegt: »dat hij er niet anders in kon vinden, als een deel opgeraapte schimpredenen, op papier gebragt zonder order en met groote drift; dat het doorzaaid is met zoo vele belagchelijke stellingen, dat hij niet begrijpt, hoe het in den tijd van zijn geboorte, zoo veel geloof heeft kunnen verdienen, en dat men het nu heeft waardig geacht, om het weder het licht te doen zien.”
Het werkje van Velsen is zeer lezenswaardig.
Vijftien jaren hierna, in Julij 1742, overhandigden Nicolas Cruquius, en Jan Noppen, Toeziener en Melchior Bolstra, Landmeter van Rhijnland, als hiertoe gelast, aan Dijkgraaf en Hoogheemraden van dat Collegie, een uitvoerig plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer; hetwelk te vinden is in de nieuwe Nederlandsche jaarboeken van April 1773, (bl. 385–405); en waarvan de hoofd-inhoud wordt medegedeeld in de tegenwoordige staat van Holland, (VIe deel der Teg. Staat der Vereenigde Nederlanden, bl. 186–196)50.
Tegen dit plan opperde de stad Leiden bedenkingen, welke door de gemelde Toeziener en Landmeter, bij eene Memorie van het jaar 1745, werden wederlegd; zoo als gelezen kan worden in de voorm. jaarboeken van 1773, bl. 406–419.
Intusschen verscheen te Leiden, in het jaar 1743, een ander plan tot droogmaking van het Meer, van Conradus Zumbach de Koesfeld, Med. en Stads Dr., Lid van de Koninklijke Societeit van Wetenschappen te Berlijn, hetwelk volgens den Heer van Lijnden51 dit bijzonders had, dat de schrijver, tot uitsparing der kosten, wilde beginnen met alleen de wateren, die in het meer uitkomen, af te dammen, en, eerst na de droogmaking, een’ ringdijk, uit de klei van het Meer, daar te stellen52.
Maar behalve de opgenoemde53 werden er nog verschillende andere plannen tot droogmaking van het Haarlemmer Meer gevormd, welke door den druk niet zijn gemeen gemaakt. Zoo spreekt de Heer Baron van Lijnden, (verh. bl. 43), van een ongedrukt werkje, dat in 1659 of 1660 schijnt geschreven te zijn, waarin een plan voorkomt verschillend van die van Leeghwater en Veeris, en maakt vervolgens (bl. 44 en 45) melding:
1º. Van een plan opgemaakt, ten gevolge van een verzoekschrift door Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, om te worden gemagtigd tot het maken van eene uitwatering te Katwijk en tot het bedijken van de Haarlemmer en Leidsche Meren, aan de Staten van Holland in 1750 ingediend.
2º. Van een plan door de Landmeters D. Klinkenberg en B. Goudriaan, bij eene Memorie aan gecommitteerde Raden van Holland, benevens aan den Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland, den 31 Jan. 1769 ingeleverd54.
3º. Van een plan in den jare 1808, op last van den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken55, opgemaakt door den Inspecteur A. Blanken Jansz.; hetwelk in de archiven van den waterstaat berust.
Geen tijdvak echter leverde zoo vele schriften over het droogmaken van genoemd Meer, als dat tusschen de jaren 1819 tot 1823.
In het eerst gezegde jaar, in 1819, gaf de Heer Mr. J. C. Baron du Tour, ten gevolge van het bekend geworden plan der Heeren van Lijnden, Roëll en Repelaar, eene verhandeling over het Haarlemmer Meer in het licht56, welke eene historische beschrijving van de wording, vergrooting en gesteldheid van dat water, en eene uiteenzetting der plannen van Leeghwater, Veeris en Bolstra bevat.
In het volgende jaar verscheen te Zutphen een werkje, onder den titel: verhandeling over de droogmaking van het Haarlemmer Meer en aangelegen veenplassen, doormengd met landbouwkundige aanmerkingen, door J. Engelman, Oud-Landmeter bij ’s Lands Waterstaat57, waarin de noodzakelijkheid en nuttigheid van het droogmaken van dien ontzettenden plas wordt betoogd, en een ontwerp tot droogmaken wordt opgegeven.
Doch al wat tot dus verre over het Haarlemmer Meer en over het droogmaken van dien plas was geschreven en uitgegeven, werd in uitgebreidheid en uitvoerigheid overtroffen door het belangrijke werk van den Heer F. G. Baron van Lijnden van Hemmen, Commandeur van de Orde van den Nederl. Leeuw, Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, enz. enz. enz., onder den titel van verhandeling over de droogmaking der Haarlemmer Meer58.
Dit werk, hoe men ook over de uitvoerbaarheid en nuttigheid van het daarbij voorgesteld plan, en over de juistheid der daarbij gevoegde berekeningen, moge denken, zal steeds bij de behandeling van dit onderwerp onschatbaar blijven.
Alles is hier duidelijk, op eene hoogst, ook voor de in het vak van den waterstaat oningewijden, bevattelijke wijze, en met kennis van zaken ter nedergesteld. Het is voorzien van onderscheidene hoogst nuttige staten en tafels; en bij het werk is gevoegd een atlas met vier kaarten en eene afzonderlijke plaat.
De 1ste kaart wijst den voormaligen staat van Holland aan, met zijne Meren en Plassen, vóór die bedijkt waren. Bijna de helft was toen water.
De 2de toont ons dat zelfde Holland in 1820, met zijne drooggemaakte Meren en Plassen. Welk een lagchend gezigt!
De 3de geeft ons, in 6 vakken, de onderscheidene gedaanten en grootten van het Haarlemmer Meer: sedert 1531 tot 1808. Welk eene schrikwekkende vertooning!
De 4de kaart stelt voor, hoedanig, volgens het plan des Heeren van lijnden, na de droogmaking het Meer met vaarten doorsneden en in kavels verdeeld zou kunnen worden. Aangename voorstelling! Terwijl eindelijk op de plaat eenige werktuigen ter uitmaling zijn afgebeeld.
Dit werk des Barons van lijnden gaf aanleiding tot het ontstaan van verschillende geschriften. Nog in hetzelfde jaar 1820 kwamen er vier stukken in het licht.
Al dadelijk verscheen een werkje, tot titel voerende: Het ontwerp van droogmaking van het Haarlemmer Meer, beknopt, maar volledig voorgedragen in eenen brief van een’ Heer te Utrecht aan zijnen vriend te Amsterdam59. Het bevat eene naauwkeurige opgave van den zakelijken inhoud des werks van den Heer van lijnden.
Kort hierop volgde een stukje, getiteld: vrye gedachten van een ingeland van Rijnland over de Verhandeling van droogmaking der Haarlemmer Meer, uitgegeven door den Heer F. G. Baron van Lijnden van Hemmen60.
Waartegen de Heer van Lijnden nog hetzelfde jaar uitgaf: antwoord op de vrije gedachten van een ingeland van Rijnland61.
Doch op het einde van dat jaar verscheen in het licht eene Memorie van den Hoogleeraar Jacob de Gelder, overgegeven aan het Hoogheemraadschap van Rijnland, behelzende deszelfs consideratie over het ontwerp van den Heer Baron van Lijnden tot Hemmen, strekkende ter droogmaking van het Haarlemmer Meer62.
Op welke Memorie de Baron van Lijnden, in den jare 1822, aanteekeningen in het licht gaf63, ter wederlegging van de bedenkingen des Hoogleeraars.
Indien ik wèl onderrigt ben, heeft de Heer de Gelder eene tweede Memorie ter perse gezonden; doch deze is, zoo verre mij bekend is, niet uitgegeven. Mij ten minste kwam zij nimmer in handen.
In den jare 1829 verscheen te Brussel64 een werkje van Alex. de Stappers, Mémoire sur le desséchement du lac de Harlem, et sa conversion en forêt. De schrijver zegt in het Voorberigt, dat hij in Mei 1829 aan het Gouvernement het voorstel heeft gedaan, om aan hem voor altijd het Meer en eenige nabijgelegene plassen af te staan, ten einde ze door eene Maatschappij, zamengesteld uit 12000 Aandelen, ieder van ƒ 500.—, droog te maken, en wel door middel der pompen, voor welke hij op den 9den dier maand een Octrooi van uitvinding gedurende 15 jaren heeft bekomen. Hij stelt voor, tusschen Bennebroek en Lis een Kanaal naar de Noord-Zee te graven, om, in geval de sluizen van Katwijk en Sparendam niet voldoende mogten zijn, door hetzelve het water van het Meer en van Rhijnland te doen afloopen. Een groot gedeelte van het drooggemaakte Meer wil hij in bosch herscheppen, en geeft hoog op van de voordeelen, die de droogmaking zou opleveren. De politieke omstandigheden schijnen den Heer Stappers te hebben belet, verdere pogingen ter bereiking van zijn doel in het werk te stellen. Het werkje, schoon wat winderig, is niet onbelangrijk.
Eindelijk moeten wij nog melding maken van het onlangs uitgekomen werk van den Heer G. J. Pool, Med., Chir. en Stads Doctor te Amsterdam, onder den titel: de droogmaking der Haarlemmer Meer, mits met de noodige voorzorgen in het werk gesteld, voor de gezondheid der naburige bewoners en arbeiders niet schadelijk65. Moetende strekken ter bestrijding van het gevoelen van velen, dat de droogmaking van eenen zoo grooten plas, als het Haarlemmer Meer, tot heerschende ziekten in de omliggende plaatsen aanleiding zou kunnen geven. Welk gevoelen ook de Heeren van Lijnden en Stappers in hunne werken hebben bestreden.
Deze talrijke geschriften over het droogmaken van het Haarlemmer Meer en over de gevolgen, die zulk eene onderneming zou kunnen hebben, getuigen van het belang, hetwelk men te allen tijde in deze zaak heeft gesteld. Maar aan Leeghwater komt de eer toe, van, zoo ver men kan nagaan, het eerst een plan tot droogmaking wereldkundig te hebben gemaakt. Dit plan is door de meeste der volgende schrijvers, maar bijzonder door den Baron van Lijnden, ten hoogste geprezen, en zijn werk is, na al wat er na zijnen tijd over dit onderwerp is geschreven en na al de vorderingen, welke men sedert dien tijd in bijna alle Wetenschappen, voornamelijk in de waterbouwkunde en aanverwante vakken, ook door het gebruik van stoom heeft gemaakt, nog altijd eene vraagbaak voor hem, die over het droogmaken van het Haarlemmer Meer wil schrijven of spreken.
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer, en over het droogmaken van dezen plas, was en is nog aan de orde van den dag66, nadat Z. M. bij besluit van den 7den Augustus 1837, No. 5167, »in aanmerking nemende,” (het zijn de woorden van het besluit zelf) »dat de ondervinding van den laatsten winter de noodzakelijkheid heeft doen geboren worden, om de droogmaking van het Haarlemmer Meer op nieuw in opzettelijke overweging te nemen,” eene commissie, bestaande uit de Heeren: H. Ewijk, Raad-adviseur bij het Departement van Binnenlandsche zaken, Voorzitter, Jonkr. W. Barnaart van Bergen, Lid van de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, M. G. Beijerinck, Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Zuid-Holland, C. J. de Bruijn Kops, Burgemeester der stad Haarlem, Jonkheer L. R. Gevaerts, Lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, P. T. Grinvis, Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat in Noord-Holland, Jonkheer D. Hooft Jacobsz., Lid van den Raad der stad Amsterdam, D. Mentz, Inspecteur van den Waterstaat en P. A. du Pui, Hoogheemraad van Rhijnland, had benoemd, ten einde de verschillende reeds bestaande ontwerpen van droogmaking van dat Meer te onderzoeken, vervolgens een bepaald eindontwerp en begrooting van kosten dezer onderneming op te maken en van hare werkzaamheden uiterlijk op den eersten November 1837 aan Z. M. verslag aan te bieden.
Dit spreken en schrijven over het Haarlemmer Meer is niet verminderd, nadat in de Zitting van de Tweede Kamer der Staten Generaal van den 28sten Februarij j. l., met eene Koninklijke boodschap, een ontwerp van wet, omtrent de uitgifte van losrenten op een gedeelte der schuld ten laste der overzeesche bezittingen tot het doen van voorschotten voor openbare werken, was ingekomen, waarbij onder anderen eene som werd bestemd en aangewezen, tot het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, alzoo Z. M. in overweging had genomen, (het zijn de woorden van het ontwerp) dat het belang van den Staat vordert, om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan68.
Hoezeer die wet is afgestemd, kan het echter voor elk, die belang in deze zaak stelt, niet onwelgevallig zijn, al hetgeen omtrent dezelve is voorgevallen te kennen, en de gevoelens der volks-vertegenwoordigers over dit belangrijk onderwerp te vernemen. Meenig een’ zal het, dunkt mij, welkom zijn, alles wat over deze zaak, ten gevolge van de voorgestelde Wet in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, is verhandeld, voor zoo ver het openbaar is gemaakt, alhier bijeen verzameld aan te treffen.
Bij de voornoemde Wet was gevoegd eene memorie ter toelichting, welke ten opzigte van het punt der droogmaking van het Haarlemmer Meer aldus luidt69:
“Wat de droogmaking van het Haarlemmer Meer betreft, vermeent men, dat het wenschelijke en nuttige dezer onderneming geen breed betoog zal behoeven.”
»Het is algemeen bekend, hoe grootelijks deze waterplas gedurende de laatste eeuwen zich heeft uitgebreid, en hoe vele vruchtbare gronden daardoor zijn verslonden geworden. Met opoffering van zware kosten heeft men daaraan dan wel eenigermate paal en perk gesteld; doch nog jaarlijks moeten aanzienlijke sommen worden aangewend, om het verder inbreken voor te komen, en in weerwil daarvan heeft de ondervinding nog onlangs geleerd, hoe groote verwoestingen door het geweld van dezen plas kunnen worden, aangerigt, welke eenmaal zoodanig kunnen worden, dat de rampen niet dan met enorme kosten zouden kunnen worden hersteld, of zelfs onherstelbaar zouden worden.”
»Daarbij nu komt, dat in het midden des lands eene onvruchtbare waterplas of liever binnenlandsche zee van omtrent 18,000 bunders lands gevonden wordt, die voor den landbouw, de industrie en de bevolking verloren is, en die, wanneer zij eenmaal mogt zijn drooggemaakt, en in vruchtdragenden grond herschapen, ook door deszelfs gunstige gelegenheid nieuwe bronnen van welvaart openen kan, en in de gevolgen voor het algemeen of het Rijk aanzienlijke voordeelen moet opleveren, door het verschaffen van arbeid en middelen van bestaan aan duizende handen en nijvere menschen, en het daardoor in evenredigheid vermeerderen van ’s Rijks inkomsten; in één woord, door het toenemen van den publieken rijkdom, hetwelk van het een en ander het natuurlijk gevolg moet zijn.”
»De ondervinding en het besef van het een en ander moest natuurlijk leiden tot het denkbeeld, om door het droogmaken van dezen waterplas het eene voor te komen en het andere te bewerken; en in der daad zijn daartoe in vroegere en in latere tijden ontwerpen te berde gebragt en beraamd, waarvan de uitvoering echter steeds is achterwege gebleven, hetzij dat tijden en omstandigheden daartoe hebben medegewerkt, hetzij dat zich daartegen bedenkingen opdeden, voornamelijk ontleend uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap van Rhijnland, die niet altijd gereedelijk waren uit den weg te ruimen.”
»De omstandigheden, waarin dit distrikt ten aanzien van deszelfs uitwatering verkeert, zijn echter in de latere tijden zóódanig veranderd, en de middelen, die men thans kan aanwenden, om alle bedenking daaromtrent weg te nemen, zóó gereed, dat men alsnu tot de onderneming der droogmaking veilig zal kunnen overgaan.”
»De opzettelijke en naauwkeurige overweging, die ten aanzien hiervan is ingesteld, heeft dit ontegenzeggelijk doen zien, en dienvolgende is dan ook het ontwerp beraamd, welks uitvoering thans gereed is om te kunnen worden ondernomen, om weldra de heilrijke vruchten te dragen, die daaruit moeten voortvloeijen.”
»Eene onderneming van dezen aard, mitsgaders al de voorzorgen, die daarbij moeten worden in acht genomen, kunnen niet anders dan aanzienlijke kosten vereischen, zijnde de geheele som, hiertoe noodig, berekend op ruim acht millioenen gulden, welke som nogtans natuurlijk niet op éénmaal zal worden vereischt, maar successivelijk zal moeten besteed worden, en voor een goed gedeelte slechts als voorschot kan worden beschouwd en zal worden gerecouvreerd uit den verkoop der drooggemaakte gronden en de verdere voordeelen, die de onderneming gedurende de bewerking zal opleveren; terwijl, al mogt uit het een en ander de geheele uitgeschoten som niet kunnen worden teruggevonden, het ontbrekende als uitnemend wel besteed geld zal moeten worden aangemerkt, en door de vermeerdering van de algemeene welvaart en rijkdom rijkelijk zal worden vergoed.”
»Behalve enz.”
Met betrekking tot dit onderwerp van wet, werden aan de Kamer drie verzoekschriften ingediend, waarvan één in de vergadering van 7 Maart ingekomen, als niet voldoende aan de vereischten van de grondwet, ter zijde werd gesteld. Het tweede was van Jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde; waarop door de commissie van de verzoekschriften, in de zitting van den 23sten Maart, bij monde van den Heer van Welderen Rengers, werd uitgebragt het navolgend verslag:
»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van jonkheer N. J. Steengracht van Duivenvoorde, landeigenaar onder Rijnland. Verzoeker geeft te kennen, dat aan de Staten-Generaal een ontwerp van leening van 30 millioen is aangeboden, om daaruit, onder andere werken van openbaar nut, ook de Haarlemmer Meer droog te maken; dat de landeigenaars onder Rijnland, vertegenwoordigd door hunnen dijkgraaf, hoogheemraden en hoofd-ingelanden, over dit belangrijk onderwerp niet zijn gehoord geworden; dat deze echter een verkregen regt vermeenen te hebben op de Haarlemmer Meer, als boezem voor hunne landen.”
»Hij beweert, dat het voor al de landen ten zuiden van den Rijn gelegen, die door eenen dijk van den algemeenen boezen zijn afgescheiden en uit hoofde van derzelver lagere verkaaijingen aan een maalpeil zijn onderworpen, van het hoogste belang is, dat de voorgestelde maatregelen van droogmaking alle die waarborgen opleveren, welke ten voordeele van dezelve worden verlangd. Requestrant vermeent, dat uit het gemaakte plan van droogmaking blijkt, dat de boezem twee derden in zijnen omvang zal worden verkleind; dat daardoor de berging voor het water, hetwelk door de molens op den Haarlemmer Meer-boezem thans wordt uitgemalen, even zoo veel beperkter wordt. Hij betoogt, dat het gevolg hiervan zal worden, dat de landen zoo voor de kultuur van granen, als voor het weiden van beesten, onbruikbaar zullen worden, en meer dan tachtig duizend bunders zullen verloren gaan. Hij beweert, dat dit eene van de voorname redenen is, om welke men in vroegere tijden nimmer heeft durven overgaan tot het droogmaken van de Haarlemmer Meer. Hij geeft verder te kennen, dat het groot nadeel, hetwelk de landeigenaren bij eene eventuëele droogmaking van die meer zouden lijden, door het gemis van eenen genoegzamen boezem tot berging van het uitgemalen water, en door het even groot verlies van ontlasting van dat water op het IJ, konde worden voorgekomen, wanneer gebruik werd gemaakt van genoegzame stoomwerktuigen, om den winterboezem te houden op 14, 15 à 16 duimen beneden A. P., op welke hoogte die boezem altijd wordt gehouden en tot de cultuur der landen moet worden gehouden. Hij vraagt al verder, door wien het daarstellen en het onderhoud van zoo vele benoodigde werktuigen zouden moeten worden bekostigd, en vermeent, dat die kosten alleen ten laste van dezulken, door wie de Haarlemmer Meer zoude worden drooggemaakt, behooren gebragt te worden, en niet ten laste van Rijnlands eigenaren zoude kunnen komen, hetwelk uit de stelling van den requestrant schijnt te zijn eene der voornaamste grieven, waarom het request wordt aangeboden. Adressant eindigt met het verzoek, dat het U Ed. Mogenden behage, de belangen van Rijnlands landeigenaren ten deze in vaderlijke overweging te willen nemen en te zorgen, dat de Haarlemmermeer niet worde drooggemaakt, dan nadat de daartegen militerende grieven der landeigenaren onder Rijnland zullen zijn opgeheven en geheel weggenomen; dat zij in hunne belangen mogen worden gehoord en als eigenaren van de Meer, als boezem van geheel Rijnland beschouwd, voor de uitwatering der landen, in dat hun regt mogen worden gemaintineerd.”
»Uwe Commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking hebbende tot eene wet bij deze Vergadering aanhangig, ter inzage van de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie.”70
Het derde verzoekschrift was van den Heer G. J. A. A. Baron van Pallandt, waarop door de voornoemde Commissie mede bij monde van den Heer Rengers, in de zitting van den 26sten, werd gedaan het volgend verslag:
»In handen van Uwe Commissie is gesteld een verzoekschrift van G. J. A. A. van Pallandt.”
»Verzoeker geeft te kennen, dat hij, doordrongen van en vervuld met het gewigt eener zaak van zoo veel belang als de droogmaking van de Haarlemmer Meer, en geheel ingenomen met dit grootsche plan, zich tot U Ed. Mogenden wendt, om, als een der belanghebbende grondeigenaren, onmiddellijk aan dien thans zoo gevreesden waterplas grenzende, zijne bedenkingen tegen de wijze waarop en de middelen waardoor die droogmaking waarschijnlijk zal plaats hebben, met allen eerbied aan deze vergadering bloot te leggen, in de hoop, dat U Ed. Mogenden hem mogen gerust stellen, door betere inlichtingen, of de bezwaren opheffen en keeren, of door andere meer doelmatige hulpbronnen doen vervangen.”
»Hij geeft in de eerste plaats te kennen, dat, hoezeer de droogmaking van de Haarlemmer Meer, bij welgelukken, als een zegen mag worden beschouwd, echter proefnemingen, bij gelegenheid van die verbazende en kostbare onderneming, al de in- en aangelanden in eene groote ramp zouden storten.—Hij vermeldt, dat het hem uit het rapport der commissie van de droogmaking der Haarlemmer Meer, ingesteld bij Koninklijk besluit van 7 Aug. 1837, No. 51, is kenbaar geworden, dat men de kanalen van Sparendam en Katwijk verbeteren en sluizen wil bijbouwen, en, bij onvoldoende bevindingen, een stoomwerktuig van 180 paardenkracht te Sparendam wil plaatsen.—Hij geeft te kennen, dat men dus, in plaats van met wiskundige zekerheid een werk van dien omvang en van zoo groot gewigt te beginnen en te voltooijen, eene proeve wil nemen, of, nadat de genoemde Meer zal zijn bedijkt, de kleinere boezems de massa’s water, die thans op den grooten boezem worden uitgemalen, zullen kunnen verzwelgen.—Hij merkt aan, dat men eerst dán, wanneer de molens zullen moeten stilstaan en de heerlijke en vruchtbare landerijen geheel of ten deele met water zullen zijn overdekt, waardoor het bestaan van den landman, althans voor een gedeelte van het jaar, zal zijn weggenomen, een stoomwerktuig zoude willen plaatsen.”
»Adressant beschouwt zoodanige proefneming strijdig met het regt van den grondeigenaar, die daaraan have en goed ziet prijs gegeven.—Hij zegt, dat de ondervinding hem heeft geleerd, dat in het voor- en najaar, wanneer er eenige dagen stilte is geweest, de groote meerboezem met eene stevige koelte in één’ dag een’ Rijnlandschen duim en soms hooger wordt opgemalen; dat in het najaar, bij aanhoudende westewinden, dikwijls in verscheidene weken, door den hoogen stand der zee, noch te Katwijk, noch te Sparendam of elders kan worden gestroomd, dat dan de Haarlemmer Meer, door aanhoudend malen, zoo hoog wordt opgezet, dat de onbedijkte landen en ook die in zomerkaden zijn gelegen, overstroomd worden, of dat bij storm de polders, door het woedend opzetten van het water, onderloopen;—hij vraagt, wat dan zoo vele sluizen kunnen helpen, en vermeent, dat dezelve zonder nut zullen dáár zijn, omdat wanneer de Haarlemmer Meer nu in weinige weken zoo hoog kan worden opgezet, alsdan de kleinere boezem in weinige dagen boven peil zal moeten zijn.”
»Requestrant geeft in de tweede plaats te kennen, dat hij zich niet zal vermeten eenige berekening te maken of het stoomwerktuig te Sparendam voldoende zal bevonden worden, alsmede of de kanalen, op zoodanige uitgestrekte ruimte, al het water, dat in zijne streken en ook achter Leijden en in dien omtrek wordt opgemalen, zullen kunnen bergen, en spoedig genoeg naar hunne uitwatering te Sparendam en elders afleiden?—Hij vermeent evenwel, dat het doelmatiger zoude zijn, wanneer dadelijk bij den aanvang van het werk, zoo te Sparendam als ook te Katwijk, een stoomwerktuig wierd opgerigt, dat dan de Spieringermeer niet tot vóórboezem zoude behoeven te worden gehouden.—Hij gelooft tevens, dat het voorzigtiger zoude zijn, den duiker, die hen, bij gebrek aan water, uit den IJssel daarvan zoude voorzien, dadelijk daar te stellen; en vraagt, voor wiens rekening, wanneer eens de meer droog zal zijn, en daarna het nut van zoodanigen duiker wordt ingezien, dit nawerk zal komen, alsmede het onderhoud der stoomwerktuigen?—Hij beweert, dat de aangrenzende landbezitters met billijkheid een’ genoegzamen waarborg mogen vragen, en schadeloos behooren gesteld te worden, even als bij eene onteigening hunner gronden,—dat de meer hun eigendom is, en dat de bedijking van dezelve met eene onteigening gelijk staat.—Hij geeft te kennen dat hun regt op de Haarlemmer Meer van uitmaling en boezem sedert eeuwen onbetwistbaar is gebleven,—dat zij sinds onheugelijke jaren in Rhijnland tot onderhoud der kostbare Meerwerken betalen, alleen om in die Meer altoos het overbodige water vrij en onverhinderd te mogen uitmalen,—dat zij nooit op eenig peil zijn gezet,—dat zij hunne landerijen met die voorregten hebben gekocht, en dat de directie van Rhijnland altijd met de meeste en onvermoeide zorgen voor de uitwatering heeft gezorgd.—Hij vermeent verder, dat de voornaamste grondeigenaren in Rhijnland, immers eene commissie uit hun midden, mogt worden gehoord, ten einde zoodanige maatregelen te beramen, als waardoor elke vrees voor onzekere uitkomst wierd weggenomen en hunne duurgekochte landerijen tegen groote onheilen wierden verzekerd.”
»Adressant geeft eindelijk te kennen, dat de geopperde bedenkingen en zwarigheden hem gewigtig genoeg zijn voorgekomen, om dezelve aan U Edel Mogenden met allen eerbied, in het belang van het algemeen, maar vooral ook voor hen, die in Rhijnland hun land en bestaan vinden, kenbaar te maken, in de hoop en het vaste vertrouwen, dat dezelven in uwe vergadering zullen worden overwogen en velen met hem mogen worden gerust gesteld, door meer voldoende maatregelen op vaste gronden, zonder proefnemingen.”
»Uwe commissie is van advies, dat dit verzoekschrift, als betrekking hebbende tot eene wet bij deze vergadering aanhangig, ter inzage van de leden, behoort te worden nedergelegd ter griffie71.”
Beide verzoekschriften werden ter griffie nedergelegd en de verslagen gedrukt en rondgedeeld.
Inmiddels werd het Ontwerp der Wet in de onderscheidene Afdeelingen der Kamer behandeld; uit de Proces-Verbalen der beraadslagingen bleek onder and., dat de Afdeelingen, alvorens zich met de zaak bezig te houden, eenparig verlangd hebben, dat, aangezien het tegenwoordig Voorstel drie onderwerpen bevat, welke met elkander niets gemeens hebben, hetzelve in drie Ontwerpen van Wet mogt worden gesplitst, waarvan het eerste zou handelen over den IJzeren Spoorweg, het tweede over het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en het derde over het aanleggen en verbeteren van andere werken van algemeen nut, enz.
»Nopens het droogmaken van het Haarlemmer Meer, heeft men de vraag geopperd, of daartoe nu werkelijk noodzakelijkheid bestond; welke de waarschijnlijke gevolgen zouden zijn, indien hiertoe niet spoedig werd overgegaan, en of er ook andere middelen aanwezig zijn, om die bezwaren uit den weg te ruimen? Voorts heeft men verlangd te weten, hoe veel kosten er, gemiddeld, in de laatste 10 jaren zijn aangewend, om de uitbreiding van het Haarlemmer Meer tegen te gaan; door wie de kosten zijn gedragen, en op welke wijze het Rijk vergoeding zal bekomen voor de ontlasting, welke uit eene bedijking en droogmaking zal voortvloeijen? Welke bezwaren, uit den physieken toestand van het Hoogheemraadschap Rijnland ontleend, het droogmaken tot nog toe in den weg stonden, en op welke wijze die uit den weg zijn geruimd. Hoe veel bunders men hierdoor voor cultuur denkt te verkrijgen, en of deze dadelijk, dan wel eerst na verloop van vele jaren, vruchtdragend kunnen zijn? Welke de voordeelen zijn, die, volgens de memorie, gedurende de bewerking door de onderneming zullen worden opgeleverd? Of het drooggemaakte Meer eventueel bij Rijnland zal worden gevoegd, en of er behoorlijk zal worden zorg gedragen voor het voortdurend onderhoud van de dijken, opdat dit niet ten laste van het Rijk moge komen?”
»Intusschen vermeenden onderscheidene leden reeds nu in het midden te moeten brengen, dat zij het droogmaken van het Haarlemmer Meer in vele opzigten als zeer nuttig beschouwen, niet alleen ter bevordering van de gezondheid der in de nabijheid wonende ingezetenen, als ten behoeve van Rijnland en van de Hoofdstad, en tot voorkoming van overstroomingen en uitbreiding van dit Meer. Eenige leden waren van gevoelen, dat, aangezien die droogmaking eigenlijk strekte ten nutte van Holland, de onderneming ook moest komen ten laste van de provinciale kas van Holland, en niet tot die van het Rijk, daar de Regering b. v. verklaard had, dat ten aanzien van de verbetering van rivieren, waarmede het belang en de welvaart van vier Provinciën in het naauwste verband staat, en de conservatie van de zeeweringen in Groningen en Vriesland de Rijksfinanciën niet toelieten, daartoe bij te dragen, terwijl overigens de ondervinding b. v. bij den Zuidplas geleerd had, dat de kosten bij de droogmakingen de ramingen verre overtroffen enz.”72.
De antwoorden der Regering betreffende dit onderwerp waren van den volgenden inhoud:
»1º. Het zoude, naar het inzien der Regering, overbodig zijn, om de nuttigheid en noodzakelijkheid van de onderworpen droogmaking in het breede te betoogen.”
»Men moet zich aan den eenen kant voorstellen een’ uitgestrekten waterplas van duizenden bunders, die voor de publieke welvaart niet alleen geene de minste vruchten oplevert, en voor de som des algemeenen rijkdoms verloren is, maar die bovendien, in weêrwil van de aanzienlijke kosten, die, ter verhoeding van rampen, moeten worden aangewend, de verwoesting steeds verder dreigt uit te strekken, zoodat de vrees geenszins ongegrond is, dat hij zich eenmaal tot voor de poorten der hoofdstad zal uitbreiden, onherstelbare rampen zal veroorzaken, en in eenen staat kan geraken, die de droogmaking, waartoe men eenmaal zal moeten besluiten, meer en meer moeijelijk en kostbaar maken zoude.”
»Men stelle zich aan den anderen kant voor, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en door die producten den algemeenen rijkdom toegenomen, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeeld.”
»De keus kan dan zeker niet twijfelachtig zijn, al ware het, dat er eenige opoffering daarvoor moest plaats hebben.”
»Het heeft in vorige tijden niet aan ontwerpen, noch aan het voornemen ontbroken, om tot deze droogmakerij over te gaan; doch er waren daarmede zwarigheden verbonden, die niet gereedelijk konden worden uit den weg geruimd.
»Gelukkiglijk is dit thans het geval niet meer, en de Regering vermeent, dat, zoo ooit, dan thans, het oogenblik geboren is, dat tot deze zoo weldadige en verlangende onderneming, zonder bedenking zal kunnen worden overgegaan.”
»2º. Eene onderneming van dezen aard zou echter geenszins aan eene Provincie kunnen worden opgedragen; zij is daarvoor volstrekt niet vatbaar, en dit te minder: vermits de voordeelen, die er uit moeten voortspruiten, niet uitsluitend zouden zijn voordeelen voor eene enkele Provincie, maar wel degelijk voor den geheelen Staat.”
»De Regering heeft er zich steeds voor verklaard, om de algemeene verbetering der rivieren, als eene zaak van algemeen belang, voor hare rekening te nemen; alles wat daaromtrent geschiedt wordt uit ’s Rijks kas bekostigd, en ook thans is men nog onledig met de overwegingen omtrent eene uitgestrekte verbetering der rivieren: met zulke groote ondernemingen laat zich het onderhavig plan het naast vergelijken; terwijl, wat de conservatie der zeeweringen betreft, dit eene zaak is van eenen anderen aard; want, over het algemeen, is het onderhoud van alle rivier- en zeedijken ten laste van de belanghebbenden, en alleen dan, wanneer de kosten van dit onderhoud hun vermogen te boven gaan, kan het Rijk met eenen bepaalden onderstand tusschen beiden komen.”
»3º. Het kan niet gezegd worden, dat de kosten van uitvoering van waterstaats-werken in den regel de ramingen overtreffen. Bij verre de meeste werken is dit het geval niet, en ook is dit tot nog toe bij de droogmaking van den Zuidplas geenszins gebleken.”
»Men meent dan ook, met genoegzamen grond, als zeker te kunnen stellen, dat de droogmaking van het Haarlemmer Meer voor de geraamde som zal kunnen worden bewerkstelligd. Het zou overbodig zijn, omtrent alle berekeningen deswege in de bijzonderheden te treden, daar deze gegrond zijn op veelal kunstmatige onderzoekingen, en onderworpen zijn geweest aan eene kommissie, uit de voornaamste belanghebbenden en deskundigen zamengesteld.”
»4º. Het kan niet wel met volkomen waarschijnlijkheid worden voorzien, welke de opbrengst zal zijn van den verkoop der droog te maken landen, vermits zulks van zeer vele omstandigheden kan afhangen, die vooraf moeijelijk te berekenen zijn.”
»Daar evenwel de waarschijnlijkheid bestaat, dat de gronden zeer goed voor weilanden en de veeteelt zullen geschikt zijn, en de situatie ook daartoe alle aanleiding geeft, zoo mag men met eenigen grond eenen redelijken prijs voor den eventuelen verkoop der landen verwachten; terwijl in allen geval de aanzienlijke voordeelen, die het Rijk door de onderneming niet ontgaan kunnen, nog eene rijke vergoeding zouden opleveren, indien de opbrengsten der gronden zelve beneden de bestede kosten blijven mogten.”
»5º. De kosten om de oevers van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, zijn zeer groot, en gaan verre het vermogen der onmiddellijk belanghebbenden te boven.”
»De geheele oostelijke oever moet thans door eene steenen glooijing voor verdere inbraak worden beschermd. De som van omtrent ƒ 30,000 wordt daartoe jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland aangewend, zonder dat men zeggen kan, dat hiermede alle gevaar kan worden voorgekomen.”
»6º. Onder de droogmaking zal worden begrepen het geheele eigenlijke Haarlemmer-Meer, benevens het Leidsche- en Kager Meer, met uitzondering echter van het Spiering-Meer, hetwelk men algemeen gemeend heeft niet in de droogmaking te moeten begrijpen, zoo om den boezem van Rijnland niet te veel te verkleinen, als om voor de uitlozing eenen gereeden toegang naar de sluizen te behouden.”
»De uitgestrektheid der droog te maken gronden zal dien ten gevolge een aantal van omtrent 16,700 bunders lands bedragen, die dadelijk als vruchtdragend moeten worden beschouwd.”
»7º. De Regering vermeent, dat zij niet zal behoeven te verzekeren, dat alle bijzondere belangen en verkregene regten op de volledigste wijze zullen worden onder het oog gehouden. Zij is zoo zeer overtuigd, dat zulks behoort te geschieden, dat daaromtrent reeds overwegingen hebben plaats gehad, en zij acht het een harer voornaamste pligten te zijn, om hiervoor in alle gevallen te waken.”
»8º. De onderneming moet geacht worden zeer uitvoerlijk te zijn, en, in vergelijking met andere uitgevoerde droogmakingen, zelfs geene bijzondere zwarigheden op te leveren. Het spreekt van zelf, dat de waterplas geheel moet worden bedijkt, terwijl de uitmaling, hetzij door windmolens, vereenigd met de kracht des stooms, hetzij door stoomwerktuigen alleen (waaromtrent nog overwegingen plaats hebben), zal moeten geschieden; de juiste tijd, binnen welken de uitvoering zal kunnen worden tot stand gebragt, kan intusschen niet worden bepaald, aangezien dit van vele meer of min gunstige of ongunstige omstandigheden afhangt, en zijnde de keuze, ten aanzien van het in meerdere of mindere mate aanwenden van stoomwerktuigen, tot uitvoering en het duurzaam drooghouden van het Meer, daaromtrent van een’ grooten invloed.”
»9º. Hierboven is reeds vermeld, welke sommen jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rijnland, ter beveiliging der oevers, moeten worden aangewend. Daarvan zal dit district bevrijd worden; doch dit is niet het éénige voordeel, dat hetzelve door de droogmaking bekomt; het aantal van 16,700 bunders zal, in zoodanige evenredigheid als billijk zal worden bevonden, althans voor de uitlozing van deszelfs water, moeten bijdragen, zoo dat dit district het uitzigt verkrijgt, dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.”
»10º. De belangen van het gemelde Hoogheemraadschap hebben vroeger de uitvoering dezer onderneming in den weg gestaan, vermits men vermeende, dat deszelfs uitlozing daardoor zoude worden belemmerd.”
»Men heeft daarin nu echter, door deze gemaakte ontwerpen, op de meest voldoende wijze kunnen voorzien, zoo door een’ overblijvenden ruimen boezem, als de stichting van meerder uitlozende sluizen, de volledige verbetering van het Katwijksche Kanaal, en het aanwenden der stoomkracht, om, ingeval van nog bestaande noodzakelijkheid, den boezem onmiddellijk naar vereisch te ontlasten.”
»11º. De voordeelen gedurende de bewerking, bestaan in de verhuring der dijken, de verpachting der visscherij, die der van tijd tot tijd droogkomende landen, en eenige opbrengsten van dien aard.”
»12º. De uitlozing van den toekomstigen polder zal op den boezem van Rijnland plaats hebben; doch de vraag, of deze polder ook onmiddellijk tot dat Hoogheemraadschap behooren, en, even als alle andere polders, een gedeelte daarvan zal uitmaken, zal later, overeenkomstig de bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen, kunnen worden uitgemaakt.”
»13º. De dijken van het droog te maken Haarlemmer Meer komen natuurlijk ten laste van den eventuëelen polder, en moeten door denzelven onderhouden worden, even als zulks in alle andere gevallen plaats heeft, en er is geene de minste reden, om te vermoeden, dat dit niet naar behooren zoude geschieden, daar het bestaan der droog te maken landen hiervan afhankelijk is, en overigens daaromtrent ook een zorgvuldig toezigt plaats heeft73.”
Nadat deze antwoorden wederom in de Afdeelingen van de Tweede Kamer waren onderzocht, en, in de vergadering van 31 Maart, de Centrale Afdeeling een nader Verslag had uitgebragt74, werd in de Zitting van den 2den April over de voorgestelde Wet beraadslaagd. Acht en Veertig Leden75 waren tegenwoordig, waarvan vijftien over de wet het woord hebben gevoerd.
De eerste spreker was de Heer van Swinderen, welke zeide: 76
»Is ten allen tijde in ons vaderland het groot belang, hetwelk de ingezetenen hebben in den waterstaat, in vaarten en wegen, levendig gevoeld; zijn in het bijzonder de menigvuldige bedijkingen, en de in de laatste jaren aanmerkelijk vermeerderde en verbeterde vervoermiddelen daarvan sprekende bewijzen; het heeft ons dan ook niet kunnen bevreemden, dat de Regering hare aandacht gevestigd heeft, zoo wel op het droogmaken en in eenen vruchtbaren grond herscheppen van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden waterplas, als op het meer snel en minder kostbaar vervoer van personen en goederen over ijzerbanen, die reeds in andere landen in gebruik zijn gesteld. In tegendeel, wanneer wij ons met de Regering dien uitgestrekten en dreigenden waterplas voorstellen als in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten opleverende, en hierdoor den algemeenen rijkdom vermeerderende, en den Staat in zijne inkomsten in velerlei opzigten aanmerkelijk bevoordeelende,—wanneer wij tevens het hooge belang gevoelen van den buitenlandschen handel, en denzelven wenschen te behoeden voor een gevaar, hetwelk geenszins hersenschimmig wordt genoemd,—dan kunnen de ontwerpen van wet tot zulke gewigtige oogmerken strekkende, ons niet dan welkom zijn, en de zorg, met welke het thans in openbare beraadslaging zijnde ontwerp in alle de afdeelingen is overwogen, levert een ondubbelzinnig bewijs op, dat het gewigt van hetzelve levendig door U Ed. Mogenden wordt gevoeld.”
»Geen wonder dus, dat de inlichtingen, welke ons ter dezer zake door de Regering zijn gegeven, vooral ook de op ons aanzoek ons ter inzage verleende memoriën en berekeningen van die kundige en vaderlandslievende mannen, welke over deze onderwerpen zijn geraadpleegd, en welke hunne gevoelens en inzigten zoo uitgewerkt aan de Regering hebben medegedeeld, door ons met de meeste belangstelling zijn ontvangen geworden.”
»Ik wenschte dan ook, Ed. Mog. Heeren! dat het ontwerp van wet mijne geheele toestemming mogt kunnen erlangen, en dat ik niet in den tijd en de wijze waarop, zoowel als in de middelen door welke, de uitvoering van de in dat ontwerp, alsmede in de toelichtende memorie en in de beantwoording der ingebragte bedenkingen, omschrevene werken zal plaats hebben, zoo vele bezwaren vond, dat ik daardoor van die toestemming, immers voor alsnog, wierd weêrhouden.”
»Daar echter die bezwaren reeds in de processen-verbaal van de beraadslagingen der afdeelingen zijn te berde gebragt, zoude ik vreezen de aandacht van U Ed. Mogenden te misbruiken, indien ik thans in eene breede ontwikkeling van alle dezelven wilde treden, en ik zal daarom trachten deze bezwaren, zoo verre die in het verhaal der vierde afdeeling voorkomen, doch naar mijne meening door de antwoorden der Regering niet zijn opgelost of genoegzaam toegelicht, zoo kort mogelijk voor te dragen.”
»En dan vallen in de eerste plaats in het oog drie algemeene bedenkingen, welke in de genoemde afdeeling zijn vooruitgezet, en die ik daarom thans slechts zal opnoemen, namelijk 1º. dat de tijd nog niet gekomen is, om zulke groote en kostbare ondernemingen, als zijn die van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en van het daarstellen van ijzerbanen, voor rekening van het Rijk tot stand te brengen, maar dat werken van dien aard, voor zoo veel dezelven niet door particuliere personen of maatschappijen onder toevoorzigt der Regering kunnen worden daargesteld, en niet door den drang van omstandigheden gebiedend worden geeischt, dan eerst behooren in overweging te worden genomen, als de Belgische zaak geschikt, de oorlogskosten verminderd, en de jaarlijksche vermeerdering van schuld opgehouden zal zijn; 2º. dat werken van zoo onderscheiden aard niet te zamen in één wetsontwerp behooren te worden vereenigd, maar in afzonderlijke ontwerpen vervat, opdat niet het goed en nuttig geoordeelde werk om het afgekeurd wordende verworpen, of omgekeerd het afgekeurd wordende om het goedgekeurde aangenomen mogt worden; 3º. dat het niet raadzaam schijnt, om tot zoodanige werken fondsen te bezigen, welke tot een ander doel zijn bestemd geworden, en door welker gebruik het reeds zoo ingewikkeld geldelijk beheer nog meer zoude worden gecompliqueerd; wordende deze bedenking, mijns oordeels, nog versterkt door de aanmerking in het slot der beantwoording van de Regering te vinden, volgens welke de openlegging van den staat van het Amortisatie-Syndicaat spoedig op handen is, en men dan met meerdere kennis van zaken over gebruik en restitutie van kapitalen, en over te nemen maatregelen van voorziening, zal kunnen oordeelen.”
»Bij deze algemeene bedenkingen komen nog vele bijzondere, ten aanzien der onderscheidene werken bij dit wetsontwerp bedoeld, waarvan ik slechts eenige voorname zal in het midden brengen, en wel vooreerst ten aanzien van den spoorweg of ijzerbaan van Amsterdam naar Arnhem.”
»Ik sprak enz.”,
»Ook de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer beveelt zich van onderscheidene zijden aan. De herschepping van eenen grooten, van tijd tot tijd in uitgebreidheid toenemenden, en daardoor dreigenden waterplas in eenen vruchtbaren met nuttig vee beslagen’ grond, kan met treffende kleuren worden afgeschilderd: en ook het Rijk heeft daarbij zóó veel belang, dat het verstrekken van eenige sommen van staatswegen tot dat einde niet onaannemelijk worden geacht. Verder, ofschoon ik niet overtuigd ben van de gegrondheid van het bij sommige ingelanden van Rijnland bestaande bezwaar in eene droogmaking van het geheele Haarlemmer Meer, en ik zelfs eene zoodanige geheele droogmaking boven eene partiëele, om verschillende redenen, thans niet te ontwikkelen, verkieslijk houde, kan ik toch genoegen nemen met de ter gemoetkoming aan dat bezwaar door de benoemde belanghebbenden en deskundigen voorgestelde wijze van bedijking, in voege dat een klein gedeelte van dien grooten plas, onder den naam van Spieringermeer bekend, buiten bedijking blijft, om te dienen tot een’ boezem, in welken het water wordt opgemalen, ten einde alzoo door sluizen te worden geloosd. Die boezem is, ook naar mijn oordeel, groot genoeg, om bij dagelijksche ontlasting al het dagelijks opgemalen of opgestoomd wordende water te kunnen bevatten; terwijl de door het opmalen of opstoomen veroorzaakte hooge stand des waters de lossing daarvan in diezelfde mate zal vermeerderen, als het boezem-water zal rijzen.”
»Dan ook tegen dit werk doen zich eenige bedenkingen op. Want om, ter bekorting mijner rede, niet terug te komen op alles, wat daaromtrent reeds in de verbalen der beraadslagingen van de afdeelingen nopens het hooren der belanghebbenden, de verzekering van wettig verkregene regten, de berekening van het productive des werks, en meer andere punten is gezegd, en naar mijn oordeel in de beantwoording der Regering niet tot bevrediging en geruststelling van U Edel Mogenden is opgelost; om al verder niet te treden in een betoog van de noodzakelijkheid, dat nieuwe wetsbepalingen, op het stuk van de onteigening, het daarstellen van zulke groote werken, als in dit wetsontwerp worden voorgedragen, dienen vooraf te gaan; wil ik thans alleen opmerken, dat de gegrondheid van het gevoelen van velen onzer, dat dit werk, hoe nuttig hetzelve ook wezen moge, echter meer uit het oogpunt van plaatselijk, districts- en gewestelijk, dan wel uit dat van algemeen belang moet worden beschouwd, onder anderen dááruit blijkt, dat Rhijnland, volgens het overgelegde plan en teekening, eene volledige verbetering in het Katwijksche kanaal zoude erlangen, eene verbetering, waartoe anders, zoo als door de vijfde afdeeling te regt is aangemerkt, bij den onvolmaakten toestand, waarin dat kanaal zich bevindt, Rhijnland toch verpligt zoude zijn, vroeger of later over te gaan. Ook is dit gevoelen niet alleen door de beantwoording der Regering niet wederlegd, maar zelfs aanmerkelijk versterkt door hetgeen aldaar sub 5º. en 9º. te lezen is, namelijk »dat de kosten, om den oever van het Haarlemmer Meer volledig te beveiligen, thans zeer groot zijn; dat de geheele oostelijke oever door eene steenen glooijing voor verdere inbraak moet worden beschermd; dat daartoe de som van omtrent ƒ 30,000 jaarlijks door het Hoogheemraadschap van Rhijnland wordt aangewend; dat dit district door de bedijking van het Meer daarvan zal worden bevrijd; en dat dit niet het éénige voordeel is, hetwelk hetzelve door de droogmaking zal bekomen, maar dat ook het aantal van 16,700 bunders voor de uitlozing van deszelfs water zat moeten bijdragen, zoodat dit district het uitzigt verkrijgt, dat in het vervolg deszelfs lasten aanmerkelijk zullen worden verligt.””
»Kan het wel duidelijker, Ed. Mog. Heeren! dan hier geschiedt, uiteengezet worden, dat niet alleen het algemeene Rijks-belang, maar ook wel degelijk een meer bijzonder belang in dit werk is betrokken, en kan dan het gevoelen van de zoodanigen onzer, die van oordeel zijn, dat hetzelve niet voor rekening en op kosten van het Rijk alleen dient te worden ondernomen, maar dat ook plaatselijke, districts- en gewestelijke bijdragen daartoe in billijke evenredigheid behooren te worden aangewend, ongegrond worden genoemd?”
»In sommige afdeelingen is te kennen gegeven, dat het door de Regering geopperde, doch niet aangenomen denkbeeld, om de ondernemingen aan particulieren over te laten, en dus de kosten der werken uit particuliere negotiatiën te vinden, alles onder het oppertoezigt der Regering, niet geheel verwerpelijk voorkwam, althans in het geval, dat er uitzigt bestaan mogt, dat zich daarvoor associatiën van bijzondere personen mogten opdoen. Ten aanzien van de spoorwegen, zijn daartegen in de beantwoording gewigtige bedenkingen, vooral uit de noodzakelijkheid, dat de Regering van het tarief der regten meester blijve, ontleend, ingebragt: dan ten aanzien van de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer bestaan die bedenkingen niet, en ik zoude daarom dit werk wel aan eene maatschappij van bijzondere personen willen overgelaten zien, alles onder genot van zoodanige Rijks-, provinciale en districts-bijdragen, en verdere aanmoedigingsmiddelen, als noodig mogten worden geoordeeld, om dit gewigtige werk met een gegrond uitzigt op goed gevolg tot stand te kunnen brengen.”
»Wat de verdere werken enz.77.”
Daarna sprak de Heer Donker Curtius en zeide over dit onderwerp:
»Ten aanzien van de droogmaking van het Haarlemmer Meer denk ik minder ongunstig, (dan over den Spoorweg); maar de zamenvoeging van dit onderwerp met de Spoorwegen verhindert mij, om mijne stem bij dit onderwerp alleen te bepalen.”
»Doch ook, wanneer het mij op zich zelf werd voorgelegd, zoo als het thans is voorgesteld, zou ik, bij gemis van oplossing van vele ingebragte bezwaren, huiverig zijn, daaraan voor als nog mijne toestemming te geven, 1º (en dit alles is ook toepasselijk op de ijzerbanen) omdat ik het oogenblik onzer Staatkundige positie en geldelijke aangelegenheden daartoe min geschikt acht; 2º omdat mij de zaak, tot hiertoe, meer vatbaar schijnt voor particuliere onderneming, des noods met subsidie uit ’s Lands Kas, dan voor eene onderneming der Regering; en 3º omdat ook dan, wanneer ik de onderneming, zoo als zij wordt voorgedragen, als volkomen aannemelijk keurde, ik niet van oordeel ben, dat daartoe eene disponibelstelling van het gansche benoodigde fonds bereids nu vereischt wordt, veel minder dat het eene behoefte zou zijn, om tot dat einde casu quo toegestemde fondsen van derzelver wettelijke bestemming te detourneren78.”
De Heer Romme was de derde spreker, en zeide:
»Evenmin wil ik, door de afstemming der onderwerpelijke Wet, gehouden worden als tegen het droogmaken der Haarlemmer Meer op te treden; ook deze onderneming beschouw ik als nuttig en wenschelijk, en zoude mij aangaande de mogelijke uitvoering van dat belangrijke werk op de ervarenheid en het beleid van de directie van onzen algemeenen waterstaat willen verlaten; maar dewijl bij deze onderneming algemeene, gewestelijke en plaatselijke belangen betrokken zijn, zoo behooren ook deze in verhouding tot het voordeel, hetwelk de onderneming eventueel voor hen kan doen ontstaan, of den last, waarvan zij dien ten gevolge ontheven worden, daartoe bij te dragen. In zoo verre dezelve echter niet door eene oogenblikkelijke en dringende noodzakelijkheid mogt geboden worden, zoo wordt de verdaging van dien, mede uit een finantiëel gezigt, aanbevolen79.”
Breedvoerig sprak de Heer Luzac over dit onderwerp, hetgeen hem, als inwoner der stad Leijden, natuurlijk moest ter harte gaan. Zie hier zijne redevoering:
»Ik was voornemens geweest, bij de uiteenzetting mijner gedachten over het onderhavig wetsontwerp, en de redegeving van mijn ongunstig votum, de orde, waarin de diverse onderwerpen zijn opgenoemd, te volgen, en na eene algemeene consideratie te hebben vooropgezet, mitsdien: 1º. over den spoorweg van Amsterdam op Arnhem; 2º. over den zijtak van Rotterdam op Utrecht;—in de derde plaats over het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, te spreken, om, in de vierde plaats, de overige bedoelde werken te behandelen, en met de beoordeeling van het voorgestelde finantiëel middel te besluiten.”
»Ik zal dit voornemen echter laten varen en mijne taak aanmerkelijk beperken: het onderwerp der spoorwegen zal ik stil ter zijde laten liggen, en mij bij de tweede hoofdbedoeling der wet, het droogmaken van het Haarlemmer Meer, ééniglijk bepalen; ik kan mij toch ook met de bedenkingen van U Ed. Mogenden omtrent de spoorwegen, zoodanig als dezelve door de Regering zijn voorgesteld, in al de afdeelingen bestreden, evenzeer vereenigen, als met vele der gezigtspunten, zoo even door ons geacht medelid uit Holland (Donker Curtius) uit een gezet.”
»De algemeene consideratie, welke, naar mijn oordeel, de beraadslagingen over dit wets-ontwerp domineert, is de finale ongepastheid en ongeschiktheid van het tegenwoordig oogenblik tot het aanvangen der bedoelde werken. Het komt mij voor, dat, bij de verwachte schikking onzer quaestiën met België, de voorzigtigheid ons moet gebieden, de verwezenlijking derzelve af te wachten, alvorens ons in ondernemingen te steken, welke (de nuttigheid volkomen eens aangenomen), aanvankelijk toch reeds op ene uitgaaf van 24 millioen geraamd worden, en ons tot beschikbaarstelling van nog vele andere millioenen zullen kunnen noodzaken.”
»Ik wil de spoedige en gunstige beëndiging onzer geschillen verwachten, en vraag, of wij, na dezelve, niet beter het standpunt zullen kennen, waarop wij ons staatshuishouden zullen kunnen en moeten inrigten; of wij dan niet beter zullen kunnen beoordeelen, welke middelen wij tot verbetering onzer inwendige communicatiën moeten aanwenden; of en hoe wij Hollands grooten waterplas in welige landsdouwen zullen kunnen herscheppen?”
»Doch, enz.”
»Ten opzigte van het droogmaken van het Haarlemmermeer is mijne bedenking echter van de meeste kracht; daar deze onderneming, welke reeds meer dan twee eeuwen ter sprake gebragt is, voorzeker wel in zeer rustige tijden mag ondernomen worden, en het uitstellen daarvan het algemeen waarlijk niet met zoo vele en zoo eminente gevaren bedreigt, als men dit soms wil doen gelooven. Bedenken wij toch, dat bij het opkomen van ieder plan tot bedijking, in 1617, 1632 enz., de ondergang van Holland door het Meer steeds als zeer aanstaande werd aangekondigd. In 1742 voorspelde doctor Zumbag de Koesvelt dien ondergang als zeer nabij, indien men zijne droogmakings-projecten niet volgde; zij bleven achter, en reeds bijna eene eeuw is nu gunstig over zijne profetie heengevlogen.”
»Eenig uitstel zal hier weinig schaden, terwijl het onvoltooid laten des werks, ten gevolge van moeijelijkheden, waarin het vaderland nu kan gewikkeld worden, de schromelijkste gevolgen na zich kan slepen. De intempestiviteit alleen zoude mij dus reeds doen huiveren, aan het ontwerp van wet mijne toestemming te geven.”
»Doch ik wil mij achter dit algemeen bezwaar niet verschuilen, en tot de wet zelve overgaan:—ik laat, zoo als ik zeide, de quaestie der spoorwegen geheel ter zijde liggen, om dadelijk en uitsluitend het onderwerp van het bedijken en droogmaken van het Haarlemmermeer te behandelen.”
»Hierbij doet zich al dadelijk eene zeer belangrijke vraag op, welke ik de aandacht en het onbevangen oordeel van U Ed. Mogenden moet aanbevelen,—zij is deze: »kunnen en mogen de Staten-Generaal de Regering in deze ondersteunen;—kunnen en mogen zij dit, in den stand, waarin de quaestie van het droogmaken van het Haarlemmermeer zich thans nog bevindt?” Ik houde mij overtuigd, dat deze vragen niet wel anders dan ontkennend kunnen beantwoord worden, en zal aan U Ed. Mogenden mijne redenen openleggen.—Wat is »hetgeen men het Haarlemmer- of Leijdschemeer noemt?” Is het een waterplas, welke, als b. v. de Zuiderzee, kan gezegd worden, aan het algemeen te behooren?—Is het een waterplas, welke onbeheerd, onverzorgd ligt—welke aan het domein vervallen is; over welken de algemeene Regering des Lands eenige onmiddellijke administratie heeft? Voorzeker neen!—Het is een waterplas, geheel in de provincie van Holland gelegen, tot deze alleen behoorende: hij is, en was van de overoudste tijden af, onder het oppertoezigt van een bijzonder collegie gesteld, hetwelk de zorg heeft en volbrengt, van hem, in het belang van het geheel hem omgevend district van Rhijnland, gade te slaan, en naar gelang der hiertoe bestaande middelen te beteugelen.”
»Het is, en dit is opmerkingswaardig, als eene rentegevende bezitting van de stad Leijden te beschouwen; een bezit, door die stad titulo oneroso verkregen, hetwelk haar, zonder de grootste onregtvaardigheid, niet eigendunkelijk en zonder voorafgaande voldoende schikkingen, kan of mag ontnomen worden.—De Hooge Regering, Ed. Mog. Heeren! kan en moet over de bedoelde droogmaking niet beslissen, zonder voorafgaand bepaald overleg en medewerking der steden Haarlem en Leijden, zonder hierin het Hoogheemraadschap van Rhijnland, zonder bepaaldelijk ook de Staten der provincie gekend te hebben.”
»Dit klinkt U Edel Mogenden welligt vreemd; doch die bevreemding zal spoedig ophouden, wanneer ik U Edel Mogenden eenige feiten uit onze Geschiedenis zal hebben kenbaar gemaakt, en U Edel Mogenden eene authentieke akte, door Willem den eersten en de Staten des Lands verleden, zal hebben doen zien: zij zal ophouden, zoodra ik U Edel Mogenden omtrent de waarachtige en nog ten huidigen dage standhoudende omstandigheden zal hebben toegelicht.”