»Welke, de voordeelen dezer droogmaking zullen zijn, behalve het beveiligen van een groot gedeelte des lands, en daaronder de hoofdstad des Rijks, tegen een onherstelbaar verderf, is niet wel a priori met eene volledige, dat is onbetwistbare juistheid te berekenen; maar wanneer men aanneemt, dat de droog gemaakte landen, door elkander gerekend, ƒ 200,—per bunder kunnen opbrengen (door sommigen wordt die prijs op veel meer, door anderen op minder berekend), dan verkrijgt men voor de 16,700 bunders eene som van drie millioen drie honderd veertig duizend gulden; dit mag wel eene goede opbrengst geacht worden voor een werk, waarvan de kosten negen millioen kunnen hebben beloopen: maar dit is slechts een aanvankelijk voordeel uit de eerste schepping (om het zoo te noemen) dier landen te verwachten; die landen nemen ná de droogmaking en bebouwing in waarde toe; kudden vee worden op dezelve ter grazing geweid; het zuivel wordt in eene groote hoeveelheid vermeerderd; veldvruchten van verschillenden aard worden er geteeld; fabrijken worden er welligt hier en daar gevestigd; woningen en andere getimmerten worden er gebouwd; dorpen rijzen op; allerlei neringen en bedrijven komen er aan den gang; en terwijl het land aan het water zal ontwoekerd zijn, vinden daar duizende nijvere ingezetenen werk, duizenden worden aan armoede onttogen; van al deze vermeerderingen van welvaart, plukt het algemeen de schoonste vruchten, en deze werken weldadig op de schatkist terug, aan welke onderscheiden opbrengsten in reëele en personeele, directe en indirecte lasten toevloeien, welke dus ongevoelig de gemaakte kosten vergoeden. Eene verlichte Regering, welke dit werk zal hebben te weeg gebragt, en eene even verlichte volksvertegenwoordiging, welke door eene onbekrompene medewerking de Regering daartoe zal hebben in staat gesteld, zullen zich bij eene dankbare nakomelingschap eene eerzuil hebben gesticht, duurzamer dan metaal of marmer.”
»Eene derde soort, enz.92”
»Ik heb de hiervorenstaande redevoeringen gegeven, zoo als zij in de Nederlandsche Staats-Courant zijn geplaatst93. Men ziet uit dezelve, dat ik bij den aanvang niet ten onregte zeide, dat van de vijftien Leden, »die over de voorgestelde wet het woord hebben gevoerd, er niet één is geweest, die zich tegen de droogmaking van het Meer heeft verklaard, ja dat de meeste hunner het het vewezenlijken van dit zoo lang reeds beraamd plan wenschelijk hebben genoemd.”—De voorgedragene wet is met 46 stemmen tegen 2, zijnde die van de Heeren Beelaerts van Blokland en Weerts, afgestemd.—Mag men geruchten gelooven, dan houdt de Regering zich nog steeds onledig om dit plan te verwezenlijken, en zou Z. M.—wiens belangstelling in alle nuttige ondernemingen nog dezer dagen, door het Besluit tot het aanleggen van eenen ijzeren spoorweg naar Arnhem, op nieuw gebleken is,—den Minister van Binnenlandsche Zaken hebben gelast, om eenige proeven te doen nemen, ten einde te geraken tot de bepaling der beste wijze van uitvoering dier onderneming, ingeval men mogt besluiten, om daarmede eenen aanvang te maken. Is dit zoo, dan mogen wij ons vleijen, dat nog in onzen leeftijd die inwendige vijand, gelijk men het Haarlemmermeer met regt mag noemen, zal worden ten ondergebragt: en dat nog eenmaal het nageslacht, het alsdan bloeijend Haarlemmermeer, welig bebouwd en talrijk bewoond, aanschouwende, met dankbaarheid aan de zorgen van het voorgeslacht zal denken. De Allerhoogste schenke hiertoe Zijnen zegen!
Amsterdam, 1838.
Candore et ardore.
1 Mr. J. van Lennep, de IJzeren spoorweg van Amsterdam op Haarlem, lierzang, den Aanleggeren en Begunstigers daarvan toegezongen. Amsterdam 1837.
2 Wij weten, dat Bilderdijk zeer ongunstig over de gevolgen van het droogmaken van het Meer dacht (zie Geschiedenis des Vaderlands, I Dl., Blz. 25). Haar hij dacht even ongunstig over de vroegere bedijkingen in ons Land en noemde onze vooronders vernuftige landbedervers, van welke blaam de Heer Mr. S. de Wind hen in een stukje, geplaatst in den Zeeuwschen Volks-Almanak voor dit jaar, Blz. 93–101, getracht heeft te zuiveren.
3 Tegenwoord. staat der Nederl., Deel VI, (Holland) Blz. 164 en volg. De Baron van Lijnden, verhandel. over de Haarlemmer-Meer, Blz. 38–40, en G. Nieuwenhuis, Algemeen Woordenboek, op het woord Haarlemmer Meer.
4 Volgens het plan van 1742, zou men rondom het Meer eenen dijk hebben moeten leggen, ter lengte van 13830 roeden. Men berekende, dat men alsdan 19000 morgen droogen grond, en hieronder 8000 morgen aan landerijen zou bekomen en bovendien nog eenen verkleinden waterboezem van 9000 morgen behouden, om daarin het overtollig polder- en ander water van Rhijnland te lozen. Voorts zou men rondom den dijk eene ringvaart doen loopen voor de schepen, die van Sparendam naar de Oude Wetering varen. Men stelde, dat tot het uitmalen 112 zware achtkante steenen molens benoodigd zouden zijn, en de kosten der geheele onderneming 6,631,000 galden zouden bedragen.
5 Verhandeling van den Baron van Lijnden, bl. 5 en 6.
6 In de Vaderl. Letteroef. voor Dec. 1837, No. 15, is geplaatst eene lezenswaardige bijdrage over J. A. Leeghwater, door den geleerden Mr. S. de Wind, even als de onze getrokken uit ’s mans werken. Ook in het Aanhangsel op het Algemeen Woordenboek van G. Nieuwenhuis vindt men een goed gesteld artikel over Leeghwater, en in den Avondbode van 10 Jan. 1838, No. 53, wordt hij mede in het mengelwerk vermeld.
7 Kl. Kron. bl. 11, No. 14.
8 Kl. Kron. bl. 6, No. 5 en bl. 10, No. 5. Zij had, zoo als hij No. 7 zegt, gezien zes van hare eigen kinderen, 47 kinds-kinderen, 63 over-kinds-kinderen en nog 26, die aan deze getrouwd waren, makende te zaamen 142, behalve nog andere 26, die gestorven waren.
9 Hij schreef zich ook wel Leeg-water en Leech-water. De Redacteur van den Konst- en Letterbode, No. 18 van het jaar 1807, bl. 276, wil den naam afleiden van Laagwater: »Ongetwijfeld,” zegt hij, »is die naam ontleend, hetzij van zijne kunst, om onder of beneden het water zich eenigen tijd op te houden, en aldaar eene verscheidenheid van werkzaamheden te verrigten, of van een’ der voornaamste takken van zijn beroep en velerlei handwerk: het woord leeg of leegh, overeenkomstig de uitspraak bij de Noord-Hollanders, zelfs op vele plaatsen tot heden, die de dubbele a, in verscheiden woorden, als eene dubbele e uitspreken, en wel volgens oud gebruik met bijvoeging van de h, leegh geschreven wordende.”
10 Kleine Kronijk, bl. 10, No. 9.
11 Bl. 12, No. 23.
12 Ald. bl. 14, No. 32.
13 Haarl. Meerboek, No. 41; kl. kr. bl. 27 en volg. No. 1–16.
14 Zie Haarl. Meerb. No. 41, kl. kron. bl. 40, No. 50 en vergelijk Leven van Frederik Hendrik. (II Deelen in 8vo. van het jaar 1737). Iste Deel, bl. 259, 269 en volg.
15 Haarl. Meerb. No. 42.
16 t. a. pl.
17 t. a. pl. No. 43.
18 Deze kunst schijnt echter geene nieuwe uitvinding te zijn geweest, maar reeds bij de ouden bekend, zoo als men zien kan bij Witsen, Aeloude en Hedendaagsche Scheepsbouw, bl. 287, gelijk de Heer Baron Collot d’Escury, in het VIde Deel van Hollands roem, bl. 74, in de noot opmerkt.
19 Deze Pieter Pietersz. was den 20 Januarij 1574, en dus een jaar vóór Leeghwater, te Alkmaar geboren en bekleedde verscheidene jaren het Leeraarambt bij de Doopsgezinden, eerst in de Rijp en naderhand te Oost-Zaandam, en stierf in 1651. Men vindt zijne afbeelding in het IIde Deel der Nederduitsche Vertaling van de Geschiedenis der Mennoniten van Hermannus Schijn, door Gerardus Maatschoen, alwaar men ook (bl. 588–596) een verslag van de door hem uitgegevene werken aantreft. Vóór ’s mans Opera Omnia (tweemalen, in 1650 en 1666, in 4to. uitgegeven) is een kort levensberigt van hem geplaatst. Vergelijk ook Konst- en Letterbode, t. a. pl. bl. 277.
20 Aldaar bl. 41 en volg. Niet, zoo als de Heer Baron Collot d’Escury, t. a. pl. bl. 73 zegt, achter het Haarlemmermeerboek. Zie mede over dit waterduiken van Leeghwater: Meerman op De Groot, Parall. Rerumpubl. Deel II, Hoofdst. 20, bl. 441 en volg., en Bijdrage van den Heer De Wind, in het bovenvermeld No. der Letteroef.
21 No. 18, bl. 278 en volg.
22 Denkelijk te nyeuwte, gelijk hier onder.
23 Dit cachet of zegel, hetwelk van rood was is geweest, is door verloop van tijd en veelvuldige behandeling bijna geheel afgesleten en verbrokkeld.
24 Konst- en Letterbode t. a. pl. bl. 280.
25 Zie boven bl. 18, No. 5 en bl. 22, No. 9.
26 Niet onaardig zijn de aanmerkingen, welke hij bij sommige dier plaatsen maakt: men kan er veelal den onderzoeker uit ontdekken. Zoo zegt hij b.v. bij Keulen: »Eene treffelijke Stad, daar heb ik de toren gemeten, die is 78 voet dik in het vierkant, hetwelk de dikste toren is, dien ik gezien heb. Behalve dien, heb ik mede de torens van Utrecht, Mechelen en Antwerpen wel gemeten, die zijn 68 voet dik, en de nieuwe toren, die nu te Amsterdam aan de Nieuwe Kerk gemaakt wordt, is 64 voet dik.” Bij Goddorp »’t Hof van Holstein, aldaer ik in de Hofkerk het schoonste Muzijk gehoord heb, daar ik mijn leven bij geweest hen, aldaar ik mede verscheiden malen met den Hertog van Holstein gesproken heb, dewelke een zeer bequaam Man is van zeden en manieren.”
27 Verhand. bl. 42.
28 Eene, Haarlem 1669 in 8o., in de opgave van Beschrijvingen der gewesten, steden en plaatsen in het Koningrijk der Nederlanden, door Mr. J. T. Bodel Nyenhuis, geplaatst in den Vriend des Vaderlands, IV Deel, No. 4; en eene, Haarlem 1706, in 12mo. in het Naamreg. van R. Arrenberg, bl. 243.
29 Zie ook Avondbode van 16 Januarij 1838.
30 Deze drukken van 1654, 1714 en 1727 worden ook vermeld door mijnen vriend Bodel Nyenhuis in de 2de lijst zijner voornoemde opgave, Vriend des Vaderlands, D. V., No. 3. Zij zijn alle in 4to. en te Amsterdam uitgegeven. Ik zag ook een’ druk van 1669, uitgegeven te Saerdam, geplaatst achter den 7den druk van het Haarlemmer-Meerboek. Het is niet onwaarschijnlijk, dat deze kronijk, na den jare 1654, telkens gelijk met het Meer-boek is herdrukt.
31 Amsterdam bij Dominicus van der Stichel, 35 bl. in 4o.
32 De Heer Van Lijnden verh. bl. 43; en het aanhangsel op het woordenboek van Nieuwenhuis zeggen, dat het werkje in 1640 voor het eerst uitkwam; doch dit is eene vergissing. De Schrijver van het artikel in den Avondbode noemt het jaar 1643; doch verkeerdelijk. De Heer De Wind vermoedde te regt, dat die eerste uitgave vóór het laatstgenoemde jaar heeft plaats gehad.
33 Amst. bij V. d. Stichel, 42 bl. in 4o. Zie ook Colevelt’s bedenkingen.
34 Deze wordt ook vermeld in den Catal. der boeken van Jacob Koning, II Deel, bl. 214, No. 569. Hij was de laatste, die door Leeghwater zelven werd nagezien, en naar welken al de volgende uitgaven zijn gedrukt.
35 Bij Willem Willemsz. te Saerdam, 48 bl., in 4o.
36 Te Amsterdam, bij P. Visser, J. v. Heekeren en J. Graal, mede 48 bl. in 4o. Bodel Nyenhuis zegt, in zijne 2e lijst, te Haarlem.
37 Amsterdam bij Visser. Zie Catal. der boeken, van J. Koning, IIe Deel, bl. 214, No. 570 en 571.
38 Amst. bij P. Visscher. Zie Naamregister van Joh. van Abkoude, I Deel, bl. 209.
39 Van deze maakt de Heer Van Lijnden (verh. bl. 43) gewag. Zij komt ook voor in de Biblioth. Meerman. T. III, p. 180, No. 771.
40 Amst. bij T. Beek; zie naamregister van R. Arrenberg, bl. 243. Deze druk is waarschijnlijk dezelfde als die, welke door Van Abkoude, in het 2e aanhangsel op zijn register, bl. 92, wordt gezegd van 1750 te zijn; bij dezen of genen bestaat waarschijnlijk eene drukfout. Nog kwam ons dezer dagen in handen een exemplaar, op welks titel het jaartal 1764 wordt vermeld; doch daar mede op dien titel staat twaalfde druk, houd ik die uitgave voor dezelfde als die van 1749 of 1750, alleen met eenen nieuwen titel, hetgeen in die dagen niet ongebruikelijk was, indien het kopij-regt van eigenaar veranderde. De Heer Baron du Tour zegt in zijne verhandeling over het Haarlemmermeer, bl. 40, dat de Boekhandelaar Joh. Schouten, te Alkmaar, in 1819, eigenaar van het handschrift van Leeghwater was. Ik heb er te vergeefs onderzoek naar laten doen.
41 Zie ook den boven aangehaalden Avondbode.
42 Men verwondere zich niet, indien men bij mij veel aantreft, hetgeen ook de Heer De Wind in zijne meergen. Bijdrage heeft. Wij hebben beide uit dezelfde bron moeten putten.
43 In den Konst- en Letterbode, t. a .pl. bl. 277, worden behalve van deze Pieter en Trijntje Leeghwater, nog melding gemaakt van hunne broeders Sijmen en Cornelis. Beide laatsten zijn echter overleden, gelijk ook de aldaar vermelde Wed. van Jan Cornelisz. Leeghwater in 1810 gestorven is.
44 Men vindt eene afbeelding en beschrijving van dezen penning bij Van Loon, Beschrijv. der Nederl. Histor. penningen, II Deel, bl. 193, No. 1. Ook in den Konst- en Letterbode van 1807 wordt hij in de noot bl. 277 beschreven.
45 Deze afbeelding heb ik mede doen plaatsen in de mengelingen van No. 5 van het Maandschrift de Gids voor dit jaar.
46 Claes Arentsz. Coleveldt. Hij was publiek Landmeter.
47 Te Leiden bij J. A. van Abcoude, in 4to.
48 Te Leiden, bij Daniel Goetval, 40 bl. in 4to. met eene kaart.
49 Deze C. Velsen was ook schrijver van een werkje tegen Van den Burggraaf, in 8o. Leiden 1744; en van eene rivierkundige verhandeling, afgeleid uyt water-wigt- en waterbeweegkundige grondbeginselen, en toepasselijk gemaakt op de Rivieren: den Rhijn, de Maas, de Waal, de Merwede en de Lek, waarin de aloude en tegenwoordige toestand dier Rievieren overwogen, de gevaren die men uit derzelver verandering te dugten heeft, aangewezen en middelen ter verbetering van dezelve, en tot voorkoming van overstroomingen voorgesteld worden; opgeheldert door naauwkeurige kaarten en platen, in gr. 8o., Amst. 1749 en 2de druk merkelijk vermeerderd, Harlingen 1768.
50 Men vindt in de Tegenwoordige Staat t. a. pl. eene zeer naauwkeurige kaart van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, met aanwijzing der plaats gehad hebbende vergrootingen, van een plan van bedijking, enz.
51 Verh. bl. 44.
52 Over het Haarlemmer-Meer en zijne vergrootingen kan men wijders lezen bij S. van Leeuwen, Batav. Illustr., Ie Deel bl. 104, en volg. bij L. Smids, Schatkamer der Nederl. Oudheid, op het woord Meren, enz. De laatste maakt melding van een provisioneel concept der bedijkingen van de Haarlemmer- en Leidsche-meren, in 1641 uitgegeven; waarschijnlijk bedoelt hij hiermede het werk van Veeris of van Leeghwater.
53 Er bestaat nog een zeer zeldzaam gedicht, tot opschrift voerende: De Haarlemmer-meer door D. Slob, gedrukt 1763 in 4o. Deze Slob was Schout van Aalsmeer en Kudelstaart, zoo als hij in dit gedicht zegt; de verzen zijn armzalig en geene vermelding waardig; doch uit den inhoud en vooral uit de aanteekeningen leert men de vrees der bewoners dier streken kennen, om eenmaal door het Meer geheel te worden verzwolgen. Ik zag door de gedienstigheid van mijnen vriend Bodel Nyenhuis het 1ste stukje van dit zeldzaam voorkomend gedicht, doch weet niet of er een 2de van is.
54 In het V en VI No. van den Recensent der Recensenten voor het jaar 1819, (bl. 190–208 en bl. 247–258), vindt men eenige uittreksels uit echte stukken van kundige mannen, rakende het Haarlemmer-meer, alle getrokken uit de Nederl. Jaarboeken van 1767, 1772, 1773 en 1774.
55 In de Documens Historiques de la Hollande van den voormaligen Koning van Holland, wordt ook over dit plan gesproken. In het III Deel, bl. 312 van de Hollandsche vertaling leest men: »Het droogmaken van het Haarlemmer meer omtrent 60,000 morgen: een zeer groot ontwerp, doch niet onuitvoerlijk en van een onbegrijpelijk nut. De plannen daartoe waren gemaakt en onderzocht door het Committé Central, hetwelk door den Koning was opgerigt.” Voor 60,000 diende men hier 30.000 te lezen.
56 In ’s Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef, 88 bl., in 8o.
57 Bij W. C. Wansleven 1820, VI en 208 bl. in 8o., met eene afteekening van de bij het ontwerp voorgestelde molens, paalwerken, den ringdijk enz.
58 In ’s Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van Cleef, XII en 324 bl., in 8o.
59 Leiden bij J. W. van Leeuwen, 71 bl., in 8o.
60 Te Leiden bij D. du Mortier en Zoon, 1821, 123 bl., in 8o.
61 In ’s Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef, 1821, 123 bl., in 8o.
62 Te leiden bij D. du Mortier en Zoon 1821, 250 bl., in 8o. met bijlagen en een plaatje.
63 Te ’s Gravenhage en te Amsterdam bij de Gebroeders van cleef, 188 bl., in 8o. met tabellen en tafels.
64 Chez L. F. de Greéf-Laduron; 47 pages, en 8e. avec une carte.
65 Te Amsterdam bij C. G. Sulpke, 1838, 118 bl., in gr. 8o.
66 Onder het afdrukken dezes zijn in den Avondbode twee Artikelen over dit onderwerp geplaatst, en wel in die van 14 en 18 Mei 1838, No. 154 en 158.
67 Ned. Staats-Courant, van 10 Aug. 1837, No. 187.
68 Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52. De Koninklijke Boodschap en het daarbij gevoegd Ontwerp luiden:
Edel Mogende Heeren!
»Bij het openen van de tegenwoordige zitting, is Ons voornemen te kennen gegeven om de medewerking der Staten-Generaal in te roepen, tot het nemen van maatregelen ten aanzien van wenschelijke verbeteringen in onzen waterstaat en in onze wegen en vaarten, en van eene meer bespoedigde gemeenschap met den Rhijn, door den aanleg eener ijzerbaan.”
»Tot verwezenlijking van dat voornemen strekt het ontwerp van wet, hetwelk, vergezeld van eene Memorie van Toelichting, bij deze, door Ons aan UEdel Mogenden wordt aangeboden.
»En hiermede bevelen Wij UEdel Mogenden in Godes heilige bescherming.”
’s Gravenhage, 26sten Februarij 1838.
(get..) WILLEM.
ONTWERP VAN WET, omtrent de uitgifte van Losrenten op een gedeelte der schuld ten laste der Overzeesche Bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare Werken.
Wij Willem, enz.
»Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het aanleggen van een’ ijzeren spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een’ zijtak van Rotterdam naar Utrecht, bevorderlijk moet zijn, zoowel voor de binnenlandsche gemeenschap, als voor het vertier naar buiten ’s lands, gelijk ook dat het belang van den Staat vordert, om eerlang tot de bedijking en droogmaking van het Haarlemmer Meer over te gaan, en dat voorts tot de uitvoering en verbetering van andere ondernemingen van openbaar nut maatregelen behooren genomen te worden.”
»Dat tot al deze werken, welke aan den handel, de nijverheid en den landbouw aanzienlijke voordeelen beloven, voorschotten gevorderd worden van een kapitaal, waarvan de voldoening der renten en ook later de teruggave van de hoofdsom uit de opbrengst van die werken kunnen worden verwacht.”
»Dat het nog onuitgegeven gedeelte ten bedrage van dertig millioenen gulden van het kapitaal, daargesteld bij Art. 4 der wet van 24 April 1836, (Staatsblad No. 11), tot het doen van de voorschreven voorschotten kan worden beschikbaar gesteld, doch tevens dienstbaar moet blijven ter achtereenvolgende voldoening van de schuld, waartoe hetzelve bij de gedachte wet is bestemd;”
»Dat tot de uitgifte van dat kapitaal nadere wettelijke bepalingen worden vereischt en dat de tegenwoordige stand van de rente het noodzakelijk maakt, om, ter verkrijging van de vereischte fondsen, gelijke maatregelen te nemen, als zijn vastgesteld bij de Wet van 11 Maart 1837, (Staatsblad No. 9);”
»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg van de Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
»Art. 1. Het hier bovengemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, zijnde het nog onuitgegeven gedeelte der schuld, ten laste van de Overzeesche Bezittingen, vermeld bij Art. 4 der Wet van 24 April 1836 (Staatsblad No. 11), wordt bestemd en aangewezen tot voorloopige voorschotten ter goedmaking der kosten, vereischt tot het aanleggen van een’ ijzeren Spoorweg van Amsterdam over Utrecht naar Arnhem, met een’ zijtak van Rotterdam naar Utrecht; tot het bedijken en droogmaken van het Haarlemmer Meer, en tot het aanleggen en verbeteren van andere werken van openbaar nut.”
»Art. 2. Op het voormelde kapitaal, tegen vier ten honderd opleverende eene jaarlijksche rente van een millioen twee honderd duizend gulden, zal successivelijk kunnen worden afgegeven een kapitaal van vier en twintig millioen gulden losrenten, rentende vijf ten honderd, waarvan de renten onvoorwaardelijk door het Rijk worden gewaarborgd; zullende deze losrenten achtervolgens worden afgelost en vernietigd, naar mate de uitgifte van de aandeelen in de schuld, ten laste van de Overzeesche Bezittingen, rentende vier ten honderd, wanneer die uitgifte tegen den cours van vier en negentig ten honderd of hooger zal kunnen plaats hebben.”
»Art. 3. Het meergemelde kapitaal van dertig millioenen gulden, met de renten van dien, tot een millioen twee honderd duizend gulden, zal, zoo spoedig mogelijk, uit de inkomsten en baten van de voorschreven werken aan het Amortisatie-Syndikaat vergoed en tot het doel, waartoe hetzelve oorspronkelijk is daargesteld, teruggebragt worden; behoudende Wij Ons voor, om bij vroegere behoefte van het Amortisatie-Syndikaat, in de vergoeding van het meergedacht kapitaal met de renten, of van het dan nog onvoldaan gebleven gedeelte daarvan, te voorzien door al zoodanige geldelijke maatregelen, als verder tot dat einde en ter daarstelling, voltooijing of uitbreiding van de meer gemelde werken, onder verband der baten en inkomsten van dezelve, bij de wet zullen worden bepaald.”
»Lasten en bevelen, enz.”
69 Ned. Staats-Courant van 1 Maart 1838, No. 52.
70 Ned. Staats-Courant van 26 Maart 1838, No. 73.
71 Ned. Staats-Courant van 28 Maart 1838, No. 75.
72 Avondbode van 13 Maart 1838, No. 101 en A. Handelsbl. No. 1983.
73 Avondbode, 27 Maart 1838, No. 113. A. Handelsbl. No. 1995.
74 Ned. Staats-Courant van 2 April 1838, No. 79. A. H. B. No. 2000.
75 Te weten de Heeren: Jr. E. P. de la Court, Mr. J. B. H. van den Mortel, Mr. P. A. van Meeuwen, J. D. Baron van Tuyll van Serooskerken van Heeze en Leende, Mr. R. P. Romme, wegens Noord-Braband.—Jr. W. L. F. C. van Rappard, E. W. van Dam van Isselt, Mr. J. Weerts, Mr. H. J. Dyckmeester, J. G. A. Baron van Nagell tot Ampsen, Baron Schimmelpenninck van der Oye van de Pol, wegens Gelderland.—Jr. Mr. A. Warin, Jr. H. Backer, Mr. J. H. van Reenen, Jr. G. Beelaerts van Blokland, Jr. G. Clifford, Jr. M. W. de Jonge, Mr. J. op den Hooff, Mr. W. J. Junius van Hemert, Jr. Mr. J. C. R. van Hoorn van Burgh, F. C. W. Druyvensteyn, Mr. F. Frets, H. Baron Collot d’Escury van Heynenoord, Jr. Mr. D. Hooft, Jsz., Jr. O. Repelaer van Molenaarsgraaf, Mr. G. Verwey Mejan, Mr. L. C. Lusac, Mr. T. C. de Bordes, Jr. D. F. van Alphen, W. Baron Roëll van Hazerswoude, Mr. W. B. Donker Curtius van Tienhoven, Mr. J. Corver Hooft, wegens Holland.—J. Snouck Hurgronje, Mr. J. G. Hinlopen, wegens Zeeland.—J. van den Velden, W. R. Baron van Tuyll van Serooskerken van Coelhorst, wegens Utrecht.—Mr. J. Cats Epz., W. P. D. Baron van Sytzama, C. Binkes, S. van Welderen Baron Rengers, Mr. T. S. Tromp, wegens Vriesland.—Mr. W. H. Vijfhuis, Mr. F. Lemker, Mr. A. Sandberg en Mr. R. S. van der Gronden, wegens Overijssel.—Jr. O. van Swinderen van Rensuma, Mr. C. Star Busman en Mr. W. J. Quintus, wegens Groningen.—Van dezen was de Baron van Sytzama Voorzitter.—Er waren in het geheel 7 Leden afwezig, zijnde de Heeren Mr. J. L. A. Luyben, Mr. A. J. Ingenhousz, van Noord-Braband; J. J. H. van Wickevoort Crommelin, van Holland; Mr. P. J. Boddaert, van Zeeland; Jr. Mr. H. M. A. J. van Asch van Wijck, van Utrecht; Mr. J. Gockinga, van Groningen en Mr. G. Kniphorst van Drenthe.
76 Het eerste blad van dit ons geschrijf was reeds afgedrukt, toen de meeste der volgende redevoeringen in de Staats-Couranten het licht zagen.
77 Ned. Staats-Courant van 4 April No. 81.
78 Ned. Staats-Courant van 7 April No. 84.
79 Ned. Staats-Courant van 5 April 1838, No. 82.
80 Ned. Staats-Cour. van 9 April, No. 85.
81 Ned. Staats-Cour. 11 April 1838, No. 87.
82 Ned. Staats-Cour. 12 April 1838, No. 88.
83 Ned. Staats-Courant van 10 April 1838, No. 86.
84 Ned. Staats-Courant van 14 April 1838, No. 90.
85 Het vroon van; de visscherije genaamd het vroon van; de vroonvisscherije van de Graaflijkheid: vroonmeester van de Graaflijkheid,—zijn allen namen in oude plakkaten bekend en betrekkelijk tot de visscherij. Gr. Plak. Bk. IIde deel, pag. 2927 en VIIde deel, pag. 875.
86 Ned. Staats-Cour. van 17 April 1838, No. 91.
87 Ned. Staats-Courant van 18 April 1838, No. 92.
88 Ned. Staats-Courant van 19 April 1838, No. 93.
89 Ned. Staats-Courant van 3 April 1838, No. 80.
90 Ned. Staats-Courant van 20 April 1838, No. 94.
91 Ned. Staats-Courant van 21 April 1838, No. 95.
92 Ned. Staats-courant van 6 April 1838, No. 83.
93 Onder het afdrukken dezer bladen zijn in den Avondbode (van 2 en 7 Junij No. 170 en 174) aanteekeningen geplaatst op de redevoeringen in de zitting der Staten-Generaal, van 2 April 1838, met betrekking tot de droogmaking van het Haarlemmermeer. Deze aantekeningen dragen de blijken van door eenen in het vak van den Waterstaat kundige en ervarene te zijn geschreven. Zij zijn hoogst lezenswaardig en zullen (vergis ik mij niet) de ongunstige indrukken, die de bedenkingen van het geacht Lid der Kamer, den Heer Luzac, mogten hebben doen ontstaan, bij den lezer merkelijk verminderen.—
Na het afdrukken van bladz. 16, is mij in handen gekomen een derde druk van de opera omnia van Pieter Pietersz. van den jare 1698, (Amst. in 4o.) In de Korte beschrijving van het leven diens Doopsgezinden leeraars, vóór die opera geplaatst, vindt men geene vermelding van zijne kunst van onder water te duiken. Alléén op gezag van den Redacteur van den Konst- en Letterbode, van den jare 1807, bl. 277, heb ik hem als denzelfden Pieter Pietersz., die in het Octrooi van 1605, (hierboven bl. 23) wordt vermeld, opgegeven. In gezegd Weekblad, van den jare 1819, vindt men het een en ander uit het werk van Leeghwater medegedeeld.