»In het werk van den beroemden Frans van Mieris, in den jare 1770, door Mr. Daniel van Alphen te Leijden uitgegeven, onder den titel van Beschrijving der stad Leijden, deel II, pag. 605, leest men:—»dit groote water (het Meer) draagt thans zijn’ naam naar de steden tusschen welke het gelegen is: doch eertijds bestont het uit verscheidene kleine meeren, die van elkanderen gescheiden lagen, in dier voegen dat men langs het land van de Vennip en het uiterste van den Ruigenhoek, daar men met een schouw over het Meer gezet wierdt, op Aalsmeer of ander waard in Amstelland, of naar Woerden en Utrecht geraken konde: doch men vindt aangeteekend, dat deze weg, door overstrooming in het jaar 1496 onbruikbaar geworden, en de menigte der kleine meeren tot eenen geweldigen plas gemaakt is, nogtans zijn de namen der eertijds afgezonderde wateren tot heden overgebleven.””
»Al deze wateren waren nu, onder den algemeenen naam van Vroonwateren, dat is te zeggen, vrij onbelaste wateren, bekend, en werden in den jare 1433 door Hertog Philips van Bourgondië in erfpacht aan de stad Leijden gegeven: zoo als te vinden is in het Groot Charterboek van van Mieris, IV deel, pag. 1017.”
“Margaretha, weduwe van Graaf Willem VI, herhaalde deze uitgifte in 1434 en 1435, en Philips, Hertog van Bourgondië, stelde, in de maand Junij 1451, orde, »dat die van Leijden in de gepachte vroonwateren niet verkort of beschadigd zouden worden.”
»De stad Leijden namelijk had veel nadeel door het visschen van bijzondere personen ontvangen, en nu beval Hertog Philips in gezegd jaar 1451, wel uitdrukkelijk: »dat niemand in het gemelde water zonder bewilliging van de stad Leijden zoude visschen, noch eenige ruigte mogt snijden noch vervoeren, op zekere boeten, door den schout van Leijden, van de overtreders te vorderen.” Men leze de handvest, bij van Mieris pag. 699.”
»Op dezen voet, bij welken de vrije of vroonwateren tusschen Leijden en Haarlem nog geheel in eigendom aan den souverein verbleven, is de stad Leijden, voor 75 Wilhelmus schilden, jaarlijks te betalen, pachter geworden en gebleven, tot na de afzwering van Philips II en de vestiging van dezen Staat, door Willem den Eersten.”
»En wat is toen gebeurd?—Ik bid U Ed. Mogenden hierop uwe aandacht te willen vestigen: »toen is,” zegt Van Mieris, Beschrijving van Leijden, pag. 605, »het vroon tusschen Haarlem en Leyden, in het jaar 1583, geheel aan de stad Leyden verkocht geworden, en die stad is sedert in dat uitgebreide gebied door de Hooge Overheid gehandhaafd.”
»Dit is geen sprookje, mijne Heeren! geene onzekere overlevering: de acte van verkoop is voorhanden, en te vinden in de Handvesten der stad Leijden, door Van Mieris, in 1759, uitgegeven, pag. 705.—Het zij mij vergund de belangrijkste periodes aan U Ed. Mogenden mede te deelen.”
»De akte is van den 31sten December 1583; boven aan leest men: »Door den Prins van Oranje, de Ridderschap, Edelen en Gedeputeerden van Holland, representerende de Staaten van ’t Land, aan de stad Leijden verkogt het vroon tusschen Haarlem en Leijden, &c. &c.—en zij begint aldus:”
»»Willem, bij der gratien Goodts, Prince van Orangnen, Grave van Nassou &c. &c.—mitsgaders die Ridderschappen, Edelen en Gedeputeerden van de steden van Hollandt, representerende de Staten van den selven Lande: Doen te wetenen, dat naerdyen bevonden is de Domeynen van Hollandt, in voorleden tyden, ende verscheyden jaeren successivelycken, zoo by ’t vercoopen ende versetten van dien, als belastinge van renten daer op gestelt, zeer vermindert, becommert ende beswaert te zijn, in der vougen, dat uyt die jaerlycxe vruchten ende incomsten derzelver de voorsz. renten ende lasten daer op staende nyet en mochten worden voldaen, waerdeur &c. Omme hier tegens te voorsien,—wy raetsaem bevonden hebben, by zeeckere commissarissen, soo uyt de Edelen ende Gedeputeerden van de steden, als uyt den Raide Provinciael—te doen procederen, tot vercoopinge van diversche partyen van Domeynen. Welcke commissarissen onder andere overcomen zyn met die Burgermeesteren, ende Regeerders der stede van Leyden, als dat sy luyden in coope hebben ende behouden zullen, ten behouve van heurluyden stede, de partyen van Domeynen hier naer verklaert.””
»»Eerst, d’erffpacht van vyff en ’t zeventich Wilhelmus schilden, verscheynende tot twee termynen ’t jaer—die de voorschreven stede jaerlycks schuldig is, van ’t vroon tusschen Leyden ende Haarlem, voor de somme van twee duysent achhondert ponden van XL grooten Vlaemsch ’t pondt:—Item, &c.”—Vervolgende de akte, na de opnoeming van andere verkochte recognitiën, thijnsen en regten, aldus: »Ende alzoo de voornoemde stede van noode is daervan te hebben haerder verseekertheyt, Onze open brieven daertoe dienende; soo ist, dat Wy, hebbende de voorsz. vercoopinge voor aengeneem, ende willende te goeder trouwe procederen mitte voornoemde stede, ende haer verseeckeren zoo ’t behoort, hebben denselven verkoft, gecedeert en getransporteert, vercoopen, cederen ende transporteren bij desen, de voorsz. partyen van Domeynen, hier vooren geroert, vry, zonder opstal van eenige renten, omme deselye voor haer, off actie van haer hebbende, in vryen eygendom te besitten ende gebruycken, sonder dat daervan eenige nacoop, naestinge off lossinge zal mogen geschien.—Beloven voorts de voorsz. coope by alle tractaten van peyse te houden staen, ende te doen approberen, ende de voorn. stede—te garanderen vry, costeloos ende schadeloos te houden van alle actien, aenspraken ende pretensien, die selve ter cause van de voorsz. coope gemoveert sullen mogen worden. Oock en sullen de voorz. partyen van domeyen bij geen mesuren ofte delicten verbeurt mogen worden, ten ware d’eygenaer van dien eenige verraderye tegen ’t gemeen Vaderland aanrichte.” Dat nu de stad Leijden deze domeinen, zegt de acte, gekocht heeft, zal hierdoor wel bewezen zijn, even zeer als het buiten kijf is, dat de stad zich aan geene verraderije tegen het gemeene Vaderland heeft schuldig gemaakt, en ze hierdoor kan verloren hebben; doch het blijkt ook, dat zij de kooppenningen voldaan heeft, want de quitantie, in dato 14 November 1584, is bij Van Mieris, pag. 707, achter het bedoelde stuk gedrukt.”
»Na deze lecture veroorloof ik mij nu deze eenvoudige vraag, quo titulo de Hooge Regering, welker predecesseuren dezen verkoop gedaan hebben, en tegen alle aanmaningen plegtig gegarandeerd, nu zonder toestemming van den eigenaar dezer regten, tot het droogmaken van het Meer, het doelloos worden van het verkochte, kan besluiten? Hoe zij deze vergadering hiertoe kan willen doen medewerken? Is het eerste gedeelte van art. 164 der grondwet dan zonder kracht geworden?”
»En nu kan men niet over de uitgestrektheid van dit vroon twisten; want van deze blijkt weder uit eene keure van den 28 Februarij 1594: »duidelijk leerende, zoo als Van Mieris zegt, pag. 707, hoeverre zich het vroon der stad Leyden uitstrekt, en uit welke wateren hetzelve bestaat.””
»De aanhef dezer keure luidt aldus:”
»»Alsoo de stad Leyden in den jaere 1433 van H. M. Hertoge Philip van Bourgongien, in der tyd Grave van Hollandt, het recht vercreghen heeft tot de visserien van de Meeren, ghelegen aen verscheyden partien tusschen Leyden, Haerlem, ende Amsterdam: ende sulcx van den selven tyd aen, in geduyrighe ende vreedsamighe possessie, ende gebruyk is gheweest, van de volgende wateren ende visscheryen, die men van oudts mit eenen name ghenoemt heeft het vroon—als de Zyl, ’t Zweylant, de Norremeer, de Hemmeer, de Valckemeer, of ’t Vennemeertgen, de Spriet, de Kever, de Zeven, ’t Hellegat, de Zassemeer, de Greveling, de Aa, Huykersloot, de Cagermeer, de Astermeer, de Leydtschemeer, de Haarlemmermeer, de Hellemeer, de Verremeer, de Stommeer, ’t Griet, de Brasemeer, de Oudeweteringhe, de Gooch, ende de Nieuweweteringhe.””—
»Hoe, in het vervolg van tijd, over die regten, over die bezitting, is gedacht geworden, alsmede hoe onze voorvaders het bedijken en droogmaken van het Meer beschouwden, is overtuigend te lezen uit eene resolutie van de Groote Vroedschap der stad Leijden, van den 6den October 1632 (bij van Mieris pag. 710), waarin deze woorden voorkomen: »Hebben de H. H. Burgemeesteren van dese stadt Leijden, de Grote Vroedschap derzelver stede voorgedragen dat—gemerkt de voorsz. Meeren dese stadt in eigendom toebehooren, ende dat de bedijkinge van dien, extreme groote schaden en interesten, jaa (dat Godt verhoede), den geheelen ondergang van de voorsz. stadt soude konnen veroorsaaken, of daarom niet goed en dienstig en ware in tijds vast te stellen, dat voortaan op ’t stuk van de bedijckinge der voorz. Meeren—van wegen dese stadt niet en sal mogen werden gedelibereert nog geresolveert, dan bij de voorsz. Vroedschappen, ende alle de leden van dien tegenwoordig, of immers daartoe geconvoceerd zijnde: mitsgaders bij eenparige stemmen van alle deselve, sonder dat overstemminge daarinne plaatse sel mogen hebben.”
»Nu moet men niet zeggen, dat die Leijdenaren zich hieromtrent te veel aanmatigden, en in deze resolutie, als getuigen in derzelver eigene zaak, reprochabel zijn; want ook de regterlijke Autoriteiten van dien ouden tijd erkenden en handhaafden de regten der stad op ’t vroon, zoo als weder te zien en te lezen is, door eene uitspraak van commissarissen van den Hove van Holland, van Julij 1656, gegeven tegen den Bailluw van Kennemerland, »welke meende geregtigd te zijn het vischwant en de fuiken in de vroonwateren der stad Leijden, met geweld te mogen weghalen. (Zie van Mieris pag. 713.)”
»Ik vertrouw, dat U Ed. Mogenden, na de mededeeling dezer stukken, mij toch zullen toestemmen, dat hier van iets meer, dan van verouderde vooroordeelen quaestie is, en dat met zegel en brief kan bewezen worden, dat zonder de stad Leijden hierin te kennen, naar regt en billijkheid, niets behoort ondernomen te worden; ten zij wij weder wilden terugkeeren tot die ongelukkige tijden, toen de dienaren van Philips II, op de klagten onzer voorvaders over het schenden hunner regten, geen beter antwoord wisten te geven, dan hun in derzelver verbasterde taal toe te voegen: non curamus vestros privilegios.”
»Onze voorvaders, die reeds in 1617, daarna weder in 1632, over het droogmaken der bedoelde plassen hoorden spreken, en deswege allerhande plans zagen maken, overdachten deze zaak met ernst en bedaardheid, en oordeelden haar van zoodanige veruitziende gevolgen, dat zij eene resolutie namen, op den 14den November 1662, bij de Groote Vroedschap der stad Leijden, »omme haar bij ’t aankomen van ieder veertig (of raadslid), na het doen van den eed in die qualiteit, voor te lezen van namelijk niet te resolveren in het bedijken van de Leijdsche en naast aangelegen meeren.” (Zie van Mieris, pag. 714.)”
»Ten slotte moet ik opmerken, dat de gestrengheid dezer resolutie op den 13den Julij 1750 is opgeheven geworden, de leden der groote Vroedschap van de gedane belofte toen zijn ontslagen, en wij sedert dien tijd weder over het droogmaken van het Meer ons gevoelen te Leijden vrijelijk mogen uiten.”
»Tot verdere toelichting, Ed. Mog. Heeren! dezer belangrijke quaestie, moet ik hierbij voegen, dat even min als de bedoelde koop kan betwijfeld worden, even min quaestieus is, wat in de bedoelde regten aan de stad Haarlem, wat aan Leijden toebehoort.—Uit eene overeenkomst toch, door de Regenten van beide deze steden op den 6den November 1698 aangegeven, en almede bij van Mieris, pag. 715 en 716 te vinden, blijkt, dat alleen aan de stad Haarlem de visscherij in het Spieringermeer toekomt, terwijl het vroon van al de overige wateren en plassen, het Haarlemmer- of Leijdsche-meer, geheel ten bate en voordeele van Leijden kwam.”
“En is nu dit regt verloren gegaan, heeft men deze revenuen niet geteld en ze soms laten varen?—In geenen deele, mijne Heeren!—De stad Leijden is nog, tot op den huidigen dag, de belangrijke vruchten van haren koop plukkende:—nog wordt de visscherij in de vroonwateren door de stad Leijden gepacht, en brengt zij een bruto jaarlijksch inkomen van ƒ 2000 op;—tot op den huidigen dag staan, der stads regt aanduidende, palen rondom de geheele uitgestrektheid van het Meer, tot aan den ingang van het Nieuwe Meer toe, tot digt aan de poorten van Amsterdam; nog tot op den huidigen dag is een lid van den Raad met het Vroonheerschap te Leijden belast, en bestaat aldaar een speciaal stedelijke opzigter over al de vroonwateren: en hetgeen mede opmerking verdient, nog tot op den huidigen dag verleent de stad Leijden, tegen betaling van zekere geldelijke retributiën, verlof tot het baggeren, het uitdiepen dus van den grond zelven, in de vroonwateren der stad.”
»Ik moet vooronderstellen, dat deze facta, welke waarachtig zijn, dat deze regten, op onloochenbare bewijzen steunende, aan de Hooge Regering, hoe vreemd dit ook klinken moge, onbekend zijn geweest, en zij vermeend heeft, dat dit groote water zonder vruchttrekkend eigenaar was;—ware het anders mogelijk geweest, dat zij, onder de voordeelen, welke gedurende de bewerking door het Meer zullen opgeleverd worden, ook de verpachting der visscherij (zie no. 11 der beantwoording) zoude opgenoemd hebben? Het zal toch moeijelijk zijn, weder tot de verpachting eener visscherij over te gaan, waarvan de eigendom reeds over meer dan twee eeuwen geleden door hare predecesseuren aan Leijden is verkocht geworden, en welke visscherij reeds voor verscheidene jaren door deze stad zelve is verpacht.”
»Ik trek uit dit alles deze conclusie, welke zeker niemand van overdrijving zal kunnen beschuldigen:—dat men, alvorens tot de bedoelde onderneming te besluiten, de laatstgenoemde stad in haar belang had moeten hooren, en over de schadevergoeding, op welke zij eventueel de gegrondste aanspraak maken kan, eenige opening had moeten geven. Niets van dit alles is geschied;—men leze al onze stukken, de meegedeelde memorie der Meer-commissie, nergens zal men eenige vermelding van de bedoelde regten vinden, nergens eenig bewijs, dat men hieraan gedacht heeft.”
»Evenmin als men de voorafgaande belangen der stad Leijden heeft in acht genomen, evenmin heeft men het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Rhijnland opgeroepen tot het geven van zijn advies, of verzocht zijne bedenkingen en raadgevingen in het midden te brengen. Het is waar, dat twee Heeren ook Hoogheemraden van Rhijnland zijnde, bij het besluit van den 7den Augustus 1837, tot de commissie zijn geroepen;—doch het is tevens waar, dat die commissie niet gemagtigd was met de belanghebbenden de quaestie over het principe te onderzoeken, maar slechts geroepen, om een bepaald eindontwerp dier droogmaking en eene begrooting van kosten op te maken, terwijl het nog opmerking verdient, dat de Heer de Bruijn Kops, een der twee Hoogheemraden, bij het besluit als Burgemeester van Haarlem wordt aangeduid, en de Heer P. A. du Pui alleen met de bijvoeging van Hoogheemraad van Rhijnland voorkomt, en, vreemd genoeg, van het Bestuur, van de Regering van Leijden zelve, niemand bij de commissie was geroepen.—Het mandaat, aan de Heeren leden gegeven, was ook geheel personeel; het collegie van Dijkgraaf en Hoogheemraden werd, volgens mijne berigten, met niets officiëel bekend gemaakt, en het konde dus ook in geenen deele over de zaak zelve officiëel met bedenkingen tusschen beiden komen.”
»Als wij nu echter nagaan, dat dit collegie meer dan zes eeuwen lang het wijd uitgestrekte district van Rhijnland heeft beheerd, en met zoo krachtige regten en privilegiën der oudste Heeren des Lands is beschonken geworden, dat het maakt en verzorgt al de belangrijke uitlozingen van deze vruchtbare landstreek,—dat het, onder zijn gebied en surveillance, 268 watermolens, die alle op den boezem van deszelfs district uitmalen, geplaatst ziet, waardoor van zijnen ingewikkelden waterstaat, en het getal der polders op hetzelve uitlozende, te oordeelen is; als wij nagaan, dat onder deszelfs bestier de sluizen op halfweg Haarlem staan, welke men, volgens het gemaakte project, met eene vierde opening wil vermeerderen en de reeds in den jare 1253 aan hetzelve toevertrouwde sluizen op Sparendam, alwaar men ook eene nieuwe bouwen wil, en eventueel, als het noodig bevonden wordt, een stoomgemaal van 180 paardenkracht zal oprigten;—als wij bedenken, dat onder deszelfs directie de sluizen van Katwijk behooren, waarvan men den aan- en toevoer ook verbeteren wil;—als wij ons herinneren, dat het de superintendentie over het geheele Meer voert, al de werken ter beteugeling besteedt en bekostigt, en hieraan—om het cijfer, door de Regering zelve opgegeven, te behouden—jaarlijks meer dan ƒ 30,000 te kosten legt,—dan mag ik zeker vragen, hoe men bij de Regering heeft kunnen besluiten tot eene onderneming van dien omvang, van dit gewigt, van zoo veel gevaar, zonder het genoemde collegie, ik zal niet zeggen in deszelfs belang te hebben gehoord, want dat belang is en kan niet anders zijn, dan dat van het algemeen, van de grondeigenaars van Rhijnland, onder welke al de leden eene eerste plaats bekleeden,—maar zonder met hetzelve alles bedaardelijk te hebben gewikt en gewogen, zonder deszelfs voorlichting verzocht, zonder deszelfs ondervinding geraadpleegd, zonder deszelfs bezwaren te hebben uitgelokt?
»Het klinkt schoon, Ed. Mog. Heeren! 16,600 bunderen water in welige landsdouwen te herscheppen; het is aangenaam, zich, in den drooggemaakten polder, fraaije bouwmanswoningen en vette landerijen en dartelend vee voor te spiegelen, en niemand van Rhijnlands ingezetenen, veel min het collegie van Rhijnland, zoude niet gaarne zeer veel toebrengen om dit heerlijk tafereel te verwezenlijken en hunne bundergelden, zoo door een groot accres van contribuerende deelgenooten in deze gemeenschap, als door het wegvallen der onkosten, welke het Meer jaarlijks veroorzaakt, aanzienlijk te zien verminderen. Doch die verwezenlijking is, helaas! nog hoogst problematiek, en de vreeze, dat deze onderneming, in stede van 16,600 bunderen water tot land te brengen, de oorzaak zal zijn, dat meerdere duizende bunders goed vruchtbaar land in het vervolg zullen bedorven worden, heeft ons deze onderneming altijd, ik zeg niet met weerzin tegen de zaak zelve, doch met schroomvalligheid doen beschouwen.”
»Tot verdediging van die schroomvalligheid hebben wij nu slechts het rapport der staats-commissie zelve in handen te nemen, in hetwelk wij met duidelijke woorden geschreven vinden, dat zij zelve niet geheel gerust, niet zeker is »van den invloed, dien de droogmaking van het Haarlemmermeer (dit zijn de eigene woorden van het rapport) nog altoos op den stand van Rhijnlands boezemwater hebben zal, en de noodzakelijkheid, die daaruit om tot het stichten van een stoomgemaal van 180 paardenkracht te Sparendam over te gaan, mogt geboren worden, hetwelk onder de bewerking eerst met volledige zekerheid zal kunnen blijken.””
»Let wel, Ed. Mog. Heeren! op deze woorden: onder de bewerking zal eerst de invloed der droogmaking op den stand van Rhijnlands boezem met volledige zekerheid kunnen blijken.”—Maar dan zal het misschien veel te laat zijn, dan zal de droogmaking begonnen, de geregelde waterloop gestremd, de dijk gelegd zijn,—en wat zal er dan kunnen gebeuren, indien die invloed eens zóódanig ware, dat geene stoomkracht van 180 of meerder paarden het overtollige water tijdig genoeg, want hierop komt het aan, zal kunnen aftappen?—Alsdan zullen de verst afgelegene polders kunnen onderloopen, Rhijnlands algemeene waterstaat voor lang bedorven zijn, en nieuwe poelen en meren de oude komen vervangen!”
»Dit tijdig genoeg van het overtollige water verlost zijn, is het voorname punt, waarop alles aankomt,—dat wordt door hen, die denken alles met de stoomkracht te zullen kunnen dwingen, te veel over het hoofd gezien: zij verliezen uit het oog, dat door de ringvaart het water wel eindelijk in zee te Katwijk, of op Spaarndam of op Halfweg kan uitgepompt worden, doch dat de weg, welken het water nemen moet, te lang is, dat er te veel tijd verloren gaat, voordat de, bij de droogmaking zoo zeer verminderde en versmalde toevoermiddelen, het overtollige water bij de eindelijke uitlozing zullen aangebragt hebben, en dat mitsdien die landerijen, welke in de verder afgelegene hoeken van Rhijnland, achter den Rhijndijk en ten zuiden dier rivier gelegen zijn, niet dan zóó laat in den zomer zullen droog geraken, dat zij, geene voldoende vruchten kunnende opleveren, zullen moeten verlaten worden.”
»Men schijnt hier geheel de lessen der praktijk, ons door het Katwijksche kanaal en de aldaar gevestigde sluizen gegeven, te vergeten: vier eeuwen lang sprak men over de weder-opening van den mond des Rhijns bij Katwijk, tot verbetering, tot herstelling van Rhijnlands waterstaat; de theorie sprak luid, en toonde, hoe alles met die weder-opening zoude gered zijn: ten koste van millioenen schats, waaronder Rhijnlands ingelanden lang zuchtten, werden die schoone sluizen, de bewondering des vreemdelings, gesticht en het kanaal gegraven,—en wat heeft nu de ondervinding geleerd? Dat de theorie gefaald heeft; dat het nut, op verre na, niet zóódanig geweest is als men gehoopt en gewacht had; dat zulke kanalen, waarbij in dit gedeelte van ons laag gelegen land niet die voortstrooming kan plaats hebben, welke het water snel doet uitloopen, maar zeer zwakke hulpmiddelen zijn.”
Dáárin is vooral de bedenkelijkheid der onderneming gelegen, en het is mij onmogelijk hier de openhartigheid niet te prijzen van den steller van het rapport, die, door eene enkele periode, alle vroegere en tegenwoordige bekommeringen over den invloed der onderneming volkomen regtvaardigt. Ik hoop dan ook, dat die van onze geëerde medeleden, uit de 5de sectie, die het bij het laatste proces-verbaal doen voorkomen, alsof de Meer-commissie, »om Rhijnland te believen, de zaak voor hetzelve smakelijk te maken en aan zijne vooroordeelen te gemoet te komen, bepalingen in het plan had opgenomen, die afkeuring verdienen,” hieruit zullen ontwaren, dat men ook zonder met oude en belagchelijke vooroordeelen behebt te zijn, veel zwarigheid in deze zaak vinden kan, hoe weinig men ook genegen is hare wenschelijkheid te betwisten.”
»Ik noemde zoo even, met een woord, de Staten der provincie, alsmede in deze, op eene onverklaarbare wijze, voorbij gezien, en beroep mij op de art. 223 en 224 der grondwet, waarbij het toezigt over alle indijkingen en droogmakingen aan de Staten der provinciën, binnen welke zij gelegen zijn, verbleven is, om hieruit af te leiden, dat de deliberatie over het al of niet ondernemen der droogmaking, welke toch de basis der aanwijzing van de fondsen zijn moet, grondwettiger bij de Staten der provincie dan bij de Staten-Generaal te huis behoorde.”
»Er ligt voor mijn gevoel iets stuitends in, om eens een ander voorbeeld te kiezen, dat de Staten-Generaal zouden delibereren over de al of niet droogmaking van het Sloter- of Tjeuke-Meer in Vriesland, zonder dat de Staten dier provincie collegialiter van het plan en de wijze van uitvoering eenige officiëele kennis zouden dragen: het bevreemdde mij, nergens in de gewisselde en overgelegde stukken eenig bewijs gevonden te hebben, dat de Staten van Holland over deze onderneming zijn gekend geworden.”
»Bij dit alles, waarmede ik de geëerde aandacht van U Ed. Mogenden reeds veel te lang heb bezig gehouden, zij het mij nog vergund, met weinige woorden het denkbeeld te bestrijden, bij de antwoorden der Regering, onder no. 12, aangegeven, alsof het nog eenigzins twijfelachtig zoude zijn, waaronder de eventueel drooggemaakte polder zoude behooren; men zegt namelijk, »dat dit later overeenkomstig de bepalingen van de grondwet en de bestaande wettelijke verordeningen zal kunnen worden uitgemaakt.”—Dit kan en moet, dunkt mij, niet quaestieus gesteld worden:—wanneer wij toch in dezelfde periode lezen, »dat de uitlozing van den toekomstigen polder op den boezem van Rhijnland zal plaats hebben,” en wanneer wij, het oog op de kaart van het hoogheemraadschap werpende, zien, dat de nieuwe polder geheel omgeven zoude zijn van Rhijnlands werken, van Rhijnlands grondgebied, dan gelooven wij, dat niet het interieure polderbeheer, het huishoudelijk bestuur, maar die superintendentie, welke Rhijnland over al de polders, in het hoogheemraadschap gelegen, uitoefent,—aan niemand beter en geregelder dan aan dat collegie kan overgelaten worden.—Wat hier de grondwet of andere bestaande wettelijke verordeningen anders leeren kunnen, verklaar ik niet te begrijpen!”
»Over het financiëel oogpunt, en de eventuëele voordeelen der onderneming, zal ik in geene bijzonderheden treden. Ik wil alleen, door mijn stilzwijgen, niet doen gelooven, dat ik de gevraagde som van ruim 8 millioen voldoende acht; ik geloof integendeel, dat zij veel te laag is genomen, en dat, om maar een enkel punt te kiezen, de enorme dijk, welken men, ter afsluiting van het Spieringermeer, dwars door het groote meer heen leggen wil, zóódanig kan tegenvallen, dat hierop alleen misrekeningen voor tonnen schats kunnen plaats hebben.—Ik ben overtuigd, dat wanneer men eens aan den gang zijn zal, het rubriek der onvoorziene gebeurtenissen tot in het oneindige zal gechargeerd worden, en merk hierbij op, dat bij het rapport zelf nog werken zijn opgenoemd, als bijv. de duiker, welke tot inlating van water eventuëel in den IJssel zoude gelegd worden, waarvoor geene kosten zijn uitgetrokken.”
»Ja maar,” zegt men, »uit den verkoop van 16,600 overschoone bunders land zullen al die extra-kosten, met de primitief uitgelegde 8½ millioen, gevonden worden. Leest slechts in de memorie van antwoord der Regering, hoe »die dreigende waterplas, in vruchtbare velden herschapen, door nijvere bewoners bevolkt, rijke producten zal opleveren,” en zijt dan overtuigd, dat de drooggemaakte bunders het uitgeschoten kapitaal ruim zullen teruggeven.—Geloove dit die wil, ik niet: ik kan het mij zelven niet wijs maken, wanneer ik de geschiedenis naga van zoo vele droogmakerijen, als vroeger in ons Gewest van Zuid-Holland ondernomen werden. Deze geschiedenis leert ons, dat eerst bij de tweede en derde generatie van nijvere bewoners, en nadat de eerste ondernemers zich bedorven en geruïneerd hebben, de landen eenige waarde bekomen, en zij aanvankelijk zeer magere produkten opleveren. Levendig herinner ik mij, uit de jaren toen ik als advokaat te Leijden werkzaam was, hoe ik de nijvere pachters in de Nieuwkoopsche droogmakerij voor de eigenaars der kavels heb moeten vervolgen, niet ter verkrijging van eenigen billijken interest der betaalde gelden, hieraan was niet te denken, maar tot bekoming van het noodige, om de polderlasten aan te zuiveren; vele fiksche boerenwoningen heb ik aldaar door eenen eigenaar zien stichten, bij wiens overlijden men, tegen aanzuivering der achterstallige polderlasten en de kosten des transports, woningen met de landerijen en al, bijna om niet konde bekomen.”
»Nu waren al die vorige droogmakingen nog van beperkten omvang, in vergelijking van die, welke bij het wetsontwerp wordt beoogd: vele van deze werden door associatie van particulieren ondernomen, die bij het bovenkomen der landen genoodzaakt waren dezelve in cultuur te brengen:—maar hier, waar de Regering met 16,600 bunders dras moerassig land, in kort opeenvolgenden termijn, zal voor den dag komen, is het niet te gelooven, dat iedere bunder de waarde van ƒ 100—zal kunnen gelden, en het is eer te verzekeren, dat bijaldien het Amortisatie-Syndicaat zóó lang zal moeten bestaan, totdat de kapitalen, welke men hetzelve bij deze gelegenheid wil ontnemen, uit de bedoelde onderneming zullen zijn terug gekeerd, de aanneming van deze wet aan de bedoelde institutie tot een certificaat van het ver uitgestrektste leven zal kunnen verstrekken80.”
»Over, enz.”
De vijfde spreker was de Heer Mr. Frets, welke zeide:
»Over het uitdroogen van het Haarlemmermeer en over andere werken spreek ik niet. Het wenschelijke van een en ander is in mijne oogen groot: maar niet genoeg, om daarvoor het minder wenschelijke van den geprojecteerden spoorweg ter zijde te stellen. Indien de Regering had kunnen goed vinden om de onderwerpen te splitsen, had ik daarover een afzonderlijk oordeel kunnen uitbrengen81.”
De Heer op den Hooff liet zich over dit onderwerp dus uit:
»Over de droogmaking van het Haarlemmermeer zal ik niet spreken, ik laat dat aan andere leden over. Een geacht spreker uit Leyden heeft ons daarover veel gezegd, wat mij toeschijnt opmerking te verdienen.”
»Ik twijfel verder met een gedeelte der vijfde afdeeling, waartoe ik de eer had te behooren, of, wanneer men daartoe mogt overgaan, de zaak niet met inbegrip der Spieringmeer op eene betere en min kostbare wijze zou kunnen worden uitgevoerd, dan nu is voorgesteld.—.—Ik eindig, Ed. Mog. Heeren! met den opregten wensch, dat het tegenwoordig ontwerp van wet,— —weldra wederom geheel of gedeeltelijk, en wel gesplitst, veranderd en gewijzigd, aan deze vergadering moge worden aangeboden, en dat hetzelve alsdan de goedkeuring moge wegdragen,— — —waardoor het belang van het Vaderland, naar mijne overtuiging, zal worden bevorderd82.”
De Heer Sandberg zeide, »dat hij tegen het droogmaken van het Haarlemmermeer enz. zou moeten stemmen, vermits de gelden uit de bij de wet voorgestelde 30 millioen zouden moeten worden besteed83.”
De Heer Backer »betwistte de nuttigheid en het voordeel niet, dat eenmaal de droogmaking van het Haarlemmermeer aan Holland zal toebrengen, maar vond zwarigheden in de financiëele schikkingen, die de Regering tot het volvoeren ook van deze onderneming voorstelt. Ook had hij wel gewenscht, dat men het voornemen om het Meer droog te maken, nog eenigen tijd had vertraagd, totdat over deze zaak meerder licht zoude zijn verspreid; dat men met de opiniën der onderscheidene belanghebbenden meer bekend zal zijn geworden, en de betrekkingen tusschen den droog te malen polder en Rhijnland beter geregeld zouden zijn84.”
De Heer van Reenen behandelde dit onderwerp uitvoerig en zeide hoofdzakelijk:
»Met blijmoedige dankbaarheid vernamen vele inwoners der polders, welke sedert zoo vele jaren geteisterd zijn geworden door het dagelijks toenemend geweld van het Haarlemmer-water, dat de beveiliging tegen hetzelve een onderwerp uitmaakte van de zorg des Konings. Gedurende ruim twintig jaren had ik het bestuur over een poldertje, dat op zich zelf klein is, doch al de nadeelen gevoelt, welke de omliggende polders van Sloten door het Haarlemmermeer-water lijden. Natuurlijk waren dus de lotgevallen van die landstreek en de geweldige uitwerkingen, welke het Haarlemmermeer, bij westelijke en zuid-westelijke winden, op dezelve uitoefent, zoowel als de middelen om dien geduchten vijand te weren, een punt bij mij van gedurig onderzoek. Ik zag, dat de geschiedenis en de physieke aard der gronden zelve bewijzen, hoe groot het gevaar is, dat van dien kant eene landstreek dreigt, welke, tusschen het Meer en het IJ gelegen, boven de 18000 guldens in de grondbelasting van het Rijk draagt; aan Rhijnlands bundergeld meer dan 9600 guldens opbrengt; jaarlijks groote sommen tot polderlasten moet dragen; en geene hulp van Rhijnland ontvangt in deszelfs verdediging tegen het Haarlemmermeer. De verwoestingen, welke die plas in de aan denzelven grenzende polders, zoowel in vroegeren tijd als in de laatste jaren, en ook onlangs in 1837 heeft aangerigt, zijn te wèl bekend, dan dat ik de oplettendheid van U Edel Mogenden zoude behoeven te vermoeijen met eene beschrijving der rampen, die dezelve, ten gevolge der jaarlijks toenemende kracht van dat water, op verschillende tijden hebben geleden.”
»Groot was de hoop van die polders en van vele ingezetenen des lands, die zoo dringend van de Hooge Regering hulp hadden afgesmeekt, toen zij vernamen, dat de droogmaking van het Meer, welke zij als het éénige middel tot het bewaren van een belangrijk gedeelte des Rijks beschouwden, het onderwerp van een voorstel van wet uitmaakte.”
»Ook ik verheugde mij, dat zoo doende, nu, terwijl het nog tijd is, een maatregel zoude worden genomen, die, indien dezelve vroeger had plaats gevonden, kostelijke landen en dorpen zoude hebben bewaard en het nutteloos verspillen van vele schatten zoude hebben uitgewonnen: doch die ook nu nog ten minste het gevaar kan wegnemen, dat, wel in een verwijderd, doch niettemin physiek zeker verschiet, duizende bunders land, verscheidene dorpen, ja zelfs de hoofdstad bedreigt: het gevaar namelijk, dat het Haarlemmermeer, vereenigd met de Veenplassen en het IJ, eene zee zouden daarstellen ten Zuiden en Westen der hoofdstad, weinig minder dreigende en gevaarlijk dan die, welke ten Noordoosten dier stad is gelegen. Wat daarvan de gevolgen zouden zijn, moge de geschiedenis van het ontstaan der Zuiderzee en van het Haarlemmermeer beslissen.”
»Maar groot was mijne teleurstelling, toen ik, het ontwerp van wet inziende, en de medegedeelde stukken omtrent de droogmaking onderzoekende, bevond, dat die wet door mij niet kon worden aangenomen: niet alleen uithoofde van de middelen, waaruit de kosten gevonden zouden worden; maar ook om de wijze, waarop het droogmaken van dien plas werd voorgesteld, daar deze het gevaar van die noordelijke polders en van de hoofdstad niet alleen niet afweert, maar in zeker opzigt vermeerdert, door het niet droogmaken van het Spieringmeer. Ik zal thans niet treden in andere bedenkingen tegen het werk, zoo als het voorgesteld wordt, noch aanwijzen, hoe de bezwaren kunnen worden weggenomen; want de zaak, op welke het heden voornamelijk neder komt, is het financiëele punt.”
»Gaarne had ik gezien, enz.”
»Indien ik mij overigens met de wet konde vereenigen, zoude ik den spreker uit Leijden op zijne gemaakte bedenkingen in het breede antwoorden. Ik ben zóó zeer overtuigd van zijn verlicht oordeel en rondborstig karakter, dat ik geenszins twijfel, of hij zoude toestemmen, dat de door hem gemaakte bedenkingen het droogmaken van het Haarlemmermeer niet behooren tegen te houden, indien dit op goede grondslagen ondernomen kan worden; eenige aanmerkingen moet ik evenwel ook thans maken.”
»Uit oude stukken toont ons de spreker, dat aan Leijden het vroon van vele meertjes in oude tijden door de souvereinen dezer landen is geschonken en dat vervolgens titulo oneroso anderen door die stad zijn verkregen. Maar welk regt is verkregen? Niet het eigendoms-regt, maar de visscherij: dit blijkt uit de door dien spreker aangehaalde oorkonden zelve85. Ook was het de gewoonte der Graven in dien tijd, dit weten wij ook uit andere voorbeelden, niet om het eigendoms-regt op die wateren aan iemand te schenken, maar om de visscherij aan gemeenten, kerken of pieuse instellingen, ter verpachting, toe te staan: zoo is ook in dien tijd de visscherij in het Sloterdijkermeer aan de kerk te Sloterdijk geschonken: en evenwel heeft dit niet belet, dat de Staten van Holland en West-Vriesland, op den 7den December 1641, octrooi hebben verleend tot het droogmaken van dien polder. Deze is dan ook sedert dien tijd in zeer vruchtbaar land veranderd, doch thans weder, ten gevolge der stormen van 1836 en 1837, in een’ waterplas herschapen, met welks droogmaking men bezig is.”
»Maar hoe het ook zij: uit het regt, dat Leijden heeft op een gedeelte van het Meer, volgt niet, dat het droogmaken van dien plas ongeoorloofd zoude zijn; maar, dat het droogmaken niet behoort te geschieden, zonder behoorlijke schadeloosstelling. Of zoude men, om eene visscherij te behouden, welke ’s jaarlijks, volgens den spreker, twee duizend guldens opbrengt, geheele landstreken aan een wis verderf moeten overgeven en eene stad als de hoofdstad des Rijks in het grootste gevaar moeten brengen? En dit toch zal eenmaal het geval zijn, indien het Haarlemmermeer niet wordt beteugeld. Zoo ooit onteigening ten algemeenen nutte billijk en regtvaardig is, dan is zij het in dit geval.”
»Het verdient hier opgemerkt te worden, dat vele van die meertjes, welke de spreker heeft opgenoemd, niet op de kaarten, die in later tijd gemaakt zijn, gevonden worden; waarschijnlijk heeft het inéénloopen van sommigen derzelve het Leijdsche meer doen ontstaan, even zoo als dit vroeger door welige landsdouwen van de meer noordelijk gelegen meren afgescheiden, naderhand met dezelve in één is gesmolten, zoodat het Leijdsche meer in vervolg van tijd ook met het Haarlemmermeer, met het Oudemeer en het Spieringmeer vereenigd zijnde, meer en meer tot het IJ is genaderd en thans dien geduchten plas uitmaakt, over welken wij handelen.”
»Het is waar, hetgeen de spreker zegt, dat reeds zoo dikwerf de klagten over het gevaarlijke van dat Meer zijn opgerezen, dat men bijna twijfelen zoude, of dat gevaar wel zoo groot zij. Maar juist dat herhalen dier klagten bewijst het gevaar; want dit bewijst, dat de landerijen, welke in de golven zijn verzonken, niet in ééns en door eene groote en onvoorziene omwenteling der natuur zijn vernietigd; maar door de langzamerhand voortgaande uitbreiding dier wateren. Zoo dikwerf als zware stormen in de waterkeeringen doorbraken en verlies van land veroorzaakten, werden die klagten opgeheven. Wanneer de wateren wederom geweken, de waterkeeringen óf hersteld óf met de vóórliggende landen verdwenen waren en de eigenaars derzelve het verlies, als door eene vis major veroorzaakt, hadden moeten dragen, dan, ja, zwegen die klaagstemmen voor het oogenblik; maar nieuwe rampen deden nieuwe klagten ontstaan, en nieuwe landeigenaars deden op nieuw dezelfde klagten hooren; doch ook dán werden deze stemmen wederom gesmoord. Intusschen bleef de vijand niet rusten, zijn geweld vermeerderde met zijne uitbreiding: de dorpen Nieuwerkerk, Rijk en Vijfhuizen verdwenen; de visscherij moge er bij gewonnen hebben; maar het gevaar werd hoe langer hoe grooter. In de vorige eeuw was de Akerweg nog tot waterkeering dienende tegen het Meer; het herstellen der doorbraken in denzelven, en van de waterkeering, werd toen door de landmeters van Rhijnland begroot op ƒ 140,400 of ƒ 188,660, naar mate dat het werk meer of minder volkomen zoude zijn. Doch men heeft toen tot andere min kostbare maatregelen de toevlugt genomen:—die Akerweg is geheel vernield,—vóór- en achterliggende landen zijn verdwenen: wij zien omtrent den Osdorper-weg, die veel meer noordelijk gelegen, toen een binnenweg was, thans dezelfde zwarigheden ontstaan;—wij zagen dien ook verschillende malen dóórbreken, en wij zagen het Haarlemmermeer de landerijen en noordelijke polders tot aan de poorten van Amsterdam en den Haarlemmerweg met groot geweld innemen.”
»Aan den Koning, aan de Staten van het gewest, aan Rhijnland is hulp verzocht tegen het gevaar, waarin het land, tusschen het IJ en het Haarlemmermeer gelegen, verkeert. De Koning, de Staten van het gewest hebben zich hulpvaardig betoond: ook de onderhavige wet is een bewijs van de gezindheid der Hooge Regering om te helpen; maar de wijze, waarop het droogmaken van het Meer wordt voorgesteld, is niet voldoende, om het gevaar te weren. Ook behoeft men hier geene proefnemingen te doen, waar men zich met genoegzame zekerheid tegen de kwade gevolgen, welke uit de onderneming voor Rhijnlands boezem gevreesd worden, kan waarborgen. Het gevaar, dat men in het verkleinen van dien boezem door het droogmaken van het Meer veronderstelt, moet door andere middelen worden weggenomen, dan door het onaangeroerd laten van het Spieringmeer; want om dit aan die bedoeling te doen beantwoorden, zoude het voor de polders, die tegen den Haarlemmerweg gelegen zijn, en voor den toekomstigen polder zelven, dubbel gevaarlijk worden. Ik eindig dus met den wensch, dat, welke ook de gevolgen van het tegenwoordig ontwerp van wet zijn, het Z. M. den Koning moge behagen, dit punt in bijzondere overweging te nemen86”.
De tiende spreker was de Heer Druyvensteyn, welke aldus sprak:
»Dat ik mij verpligt vinde mijne stem aan het voorgedragen wetsontwerp, tot uitgifte van losrenten ten laste van de overzeesche bezittingen, tot het doen van voorschotten voor openbare werken te ontzeggen, is niet om mij daardoor te verklaren tegen het aanleggen van spoorwegen, veel minder om mij te verzetten tegen het droogmaken van het Haarlemmermeer, en zelfs niet om aan de Regering de gelegenheid te ontnemen, door bijdragen, verschillende werken van algemeen nut en belang te helpen verbeteren, maar, al in de eerste plaats, omdat ik het oogenblik, waarin wij zijn, voor dergelijke belangrijke werken niet gelukkig gekozen vind, en een verwijl, al ware het dan ook maar van korten duur, wenschelijk en voorzigtig beschouw, en ten andere, maar ook bepaaldelijk, omdat ik mij met het aangewezen fonds niet kan vereenigen.”
»Of een spoorweg in ons land enz.”
»Wat de droogmaking van het Haarlemmermeer betreft, hoe vele ontwerpen zijn daartoe niet reeds gemaakt, met Leeghwater en welligt reeds vroegere te beginnen; hoe vele wenschen zijn daartoe gedaan; hoe dikwerf is het noodzakelijke aangetoond, en hoe is dit Meer, onder het maken van al die plannen en berekeningen, uitgebreid, in werking en kracht toegenomen, en hoe zal hetzelve eindelijk bij zoodanigen voortgang gevaarlijk worden en eene droogmaking gebiedend vorderen?”
»Ik ben zeer voor het droogmaken van het Haarlemmermeer, en behalve het hiervoren gezegde, vereenig ik mij met de woorden der Regering in de eerste antwoorden op dit onderwerp gegeven, dat de keus niet twijfelachtig kan zijn, dezen uitgestrekten en dreigenden waterplas in vruchtbare velden herschapen te zien; maar ik verschil van opinie omtrent de wijze van uitvoering: ik wenschte de onderneming aan partikulieren toebetrouwd te zien en, om daarbij eens in den geest van het onderwerp in eenen landelijken zin te spreken, bezig ik het spreekwoord: wien de koe behoort vat ze bij de hoornen. Bij eene eigen onderneming wordt die spreuk met ernst voor oogen gehouden, en de bewustheid van voor het groote kantoor te werken leidt niet tot nuttelooze kosten.”
»In Noordholland zijn in vroegere eeuwen veertig, en welligt meer, zoo groote als kleine waterplassen, door particuliere ondernemingen in land herschapen, en mogen wij hierin den ondernemenden geest onzer voorvaderen opmerken, het tegenwoordig geslacht mag er ook op roemen, dat de moed voor groote zaken nog niet is verloren, en het droogmaken van het Haarlemmermeer nog geen onderwerp is om tegen op te zien; maar door ondervinding wijs geworden, kan zoodanige onderneming niet onvoorwaardelijk plaats vinden: bijna alle droogmakingen, ten minste in Noord-Holland, hebben, zelfs bij de geringere arbeidsloonen en bij zeer lage prijzen der levensmiddelen, óf eene ongunstige óf hoogstens eene zeer matige uitkomst opgeleverd, en bij eene vrij zeker schadelijke uitkomst, zoo als bij de droogmaking van het Haarlemmermeer toch wel het geval zal wezen, zoude de onderneming door particulieren, zonder gunstige conditiën, eene dwaasheid zijn.”
»Maar de Regering kan hierin te gemoet komen: laat dezelve voor deze droogmaking, ook met inbegrip van het Spieringmeer, dat, zoo ik mij niet vergis, ook het idee der commissie is, eene billijke bijdrage aanbieden, vrijdommen verleenen en al wat tot deze zaak wenschelijk kan zijn, gemakkelijk maken, en daartegen bepalingen vasthouden, die van de zijde der Regering niet verloren mogen gaan.”
»Zoo zal bij voorbeeld Rhijnland in deszelfs bestuur en regten bescherming behoeven, het zal van belangrijke bezwaren ontheven, maar ook met andere moeten belast worden; voor de ontlasting van het boezemwater, dat zich op een’ veel kleineren omtrek zal beperkt vinden, zal met naauwgezetten ernst moeten gezorgd worden; de landerijen, die aan dezen verkleinden waterboezem zullen grenzen, en na de bedijking van het Meer als oude landen zullen voorkomen, zullen welligt tegemoetkoming behoeven voor het aanleggen, verhoogen of verzwaren hunner waterkeerende dijken; de plaatsing der watermolens en stoommachines, de verbetering en vermeerdering van sluizen, zal niet naar willekeur moeten geschieden; het getal der beide eerste zal aanvankelijk onzeker, maar nader in verband met de blijkbare behoefte worden vastgesteld, en meer dergelijke zaken, als door de ondervinding zullen aangewezen worden, noodzakelijk te zijn.”
»Onder het voorbehoud van alle zoodanige bepalingen aan de zijde der Regering, zal het Haarlemmermeer worden drooggemaakt, zonder andere belangen te kort te doen of te benadeelen, en hoe hoog de bijdrage der Regering ook moge worden bepaald, ze zal niet onzeker en altoos minder zijn, dan de kosten eener eigene onderneming; de regten van Rhijnland zullen bewaard, de belangen der omgelegen landen zullen beschermd worden, een gevaarlijke plas zal niet meer bestaan, en aan het algemeen belang wordt eene hoogstwenschelijke en nuttige bijdrage gebragt.—Ik herzegge, aan het algemeen belang, want de provincie mag er door verbeteren, en van de mogelijkheid eener gedeeltelijke overstrooming bevrijd worden, maar ’s Rijks kas alleen zal éénmaal, al moge zulks nog verre verwijderd zijn, de vruchten van het drooggemaakte Meer plukken.”
»Wat eindelijk het laatste gedeelte der wet betreft, enz.87.”
Hierop volgde de Heer de Bordes, welke zeide:
»Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer betreft, ben ik overtuigd van al het heilzame van hetzelve, en ik erken tevens, dat dit gedeelte van het ontwerp van wet zich om zeer vele redenen, uitgedrukt in de memorie van toelichting van het Gouvernement, aanbeveelt.”
“Het betoog van het geëerd lid uit Leijden voor het uitsluitend regt van de genoemde stad op het Haarlemmermeer, hetzij dan op den grond van hetzelve, hetzij op de visscherij in dien waterplas, uit oude stukken ontwikkeld, is mij zeer belangrijk en wetenswaardig voorgekomen;—maar wanneer ik ook bij nader onderzoek dier stukken eene nog meer volledige overtuiging van dat regt mogt verkrijgen, zoude het voor mij geene genoegzame beweegredenen opleveren, omdat naar mijn inzien het regt der stad Leijden dan gelijk zoude staan met alle andere particuliere eigendommen, die tot bevordering van algemeen nut, behoudens eene billijke schadevergoeding, onteigend kunnen worden.”
»Doch, hoezeer ik dan aan de eene zijde overtuigd ben van het nuttige der zaak, gevoel ik aan den anderen kant de billijkheid, dat een werk van zoo veel nut voor deze provincie, en waarbij het Hoogheemraadschap van Rhijnland ook zoo zeer betrokken is, niet uitsluitend worde daargesteld ten, koste van de algemeene schatkist.”
»Het is wel waar, de voordeelen, welke uit die droogmaking zullen voortvloeijen, zijn niet alleen eigen aan de provincie Holland, maar ook de algemeene Staat heeft er belang bij, om die gevaarlijke binnenlandsche zee uit het midden van den vaderlandschen grond te doen verdwijnen; doch dat belang is toch meer bijzonder dat van het gewest, waarin die waterplas zich bevindt, en vooral ook dat van het Hoogheemraadschap, hetwelk daardoor zal bevrijd worden van de groote kosten, die de beveiliging van de oevers van het Haarlemmermeer jaarlijks vordert.”
»Ik zoude derhalve met velen mijner medeleden instemmen, dat wel de Rijks schatkist zich met een aanzienlijk gedeelte van de vereischte kosten bezwaren kan, maar meen tevens, en wel vooral ook, omdat de toestand van ’s lands kas zoo veel uitsparing vereischt, dat de mede-geïnteresseerden in die kosten moeten deelen.”
»En daar ik dit in de concept-wet niet aangetroffen heb, en vooral ook, daar ik voor de algeheelheid der kosten hetzelfde fonds vind aangewezen, hetwelk ik voor den ijzeren spoorweg moet afkeuren, heb ik ook gemeend aan dit aangelegen werk, hoe wenschelijk op zich zelf, mijne stem niet te kunnen geven;—moetende ik daarbij aan de beoordeeling van meerkundigen overlaten, in hoe verre de geprojecteerde uitvoering van het ontwerp aan gegronde bedenkingen, of aan die, welke wij in deze zitting hebben hooren aanvoeren, onderhevig is, en of de raming der kosten als voldoende kan worden geacht.”
»De wijze van voorziening in de vereischte kosten belet mij ook te stemmen voor de werken van verschillenden aard, en ik oordeel tevens met de afdeeling, tot welke ik behoord heb, dat die werken in de wet zelve hadden behooren uitgedrukt te worden, en dat ten aanzien der kosten, voor ieder derzelve vereischt, eene afzonderlijke opgave van hetgeen de algemeene lands-kas daarin zoude behooren te dragen, in de wet had behooren gevoegd te worden.”
»Eene geregelde toestemming der Staten-Generaal in deze buitengewone credieten scheen mij zulks te vorderen.”
»Het alles te zamen trekkende, is het dus niet, omdat ik het nuttige der voordragt niet gevoel, maar om den vorm, waarin hetzelve is voorgesteld, en vooral om de wijze van voorziening in de benoodigde kosten, dat ik mij gedrongen zie Zijne Majesteit eerbiedig te verzoeken deze wet in nadere overweging, te nemen88.”
De Heer van Hoorn van Burgh »achtte de droogmaking van het Haarlemmermeer hoogst wenschelijk en heilzaam, en wees bij het betoog hiervan vooral ook op de polders van Woubrugge en anderen, die nog onder de gevolgen zuchtten der stormen van November en December 1836, en de daardoor veroorzaakte overstroomingen van het Haarlemmermeer. De vermenging echter van twee ongelijksoortige onderwerpen en het onraadzame der voorgedragen financiëele maatregelen, deden hem tegen de wet stemmen89.”
De Heer Repelaer zeide: »Wat het droogmaken van het Haarlemmermeer aangaat, hoe wenschelijk die zaak op zich zelve ook beschouwd moge worden, en in de gevolgen van belang voor het Rijk moge zijn, zoo doet zich echter alhier de vraag op, of het raadzaam is, zoodanige onderneming juist in de tegenwoordige omstandigheden te beginnen: indien er toch geen periculum in mora bestaat, zoude men dan die bewerking niet tot geschikter gelegenheid kunnen uitstellen? zijn er zoodanige dringende redenen aanwezig, welke de droogmaking van dat Meer zonder uitstel en gebiedend vorderen; waarom dan dezelve, het zij met eerbied gezegd, aan deze vergadering niet kenbaar gemaakt? Mogten er echter geene zoodanige overwegende redenen bestaan, ware het dan niet beter een gunstiger tijdstip daartoe uit te kiezen90?”
De veertiende spreker was de Heer Hooft, welke dus sprak:
»Ik was voornemens, om een uitgebreid advijs uit te brengen over de onderhavige wet; maar toegevende aan het verlangen van vele leden en in aanmerking nemende de lang gerekte aandacht van U Edel Mogenden, waarvan ik geen misbruik wil maken, zoo zal ik, daar vele van mijne bedenkingen reeds door andere leden zijn opgenomen, verder van het woord afziende, mij alleen bepalen tot één punt, waartoe ik mij verpligt gevoel. Daar het U Ed. Mogenden bekend is uit de stukken, welke wegens het Haarlemmermeer zijn medegedeeld, dat ik behoord heb tot de commissie, welke daarover rapport heeft uitgebragt, en als strijdig met de bemoeienissen dier commissie, voor dezelve, maar vooral voor de Regering, welke die commissie heeft benoemd, eenigzins grievend is voorgedragen, namelijk alsof het Bestuur van Rhijnland ten deze niet ware gekend; iets dat niet alleen in de afdeelingen, maar ook bij de beraadslaging van heden, en wijders in een adres aan deze Kamer gerigt en in de dagbladen opgenomen en publiek geworden, is beweerd: hierover nu moet ik U Ed. Mogenden zeggen, dat op gevraagde voordragt van Rhijnland door Z. M. de Heer du Pui, Secretaris van de stad Leijden, in die commissie is benoemd geworden, even als de Heer de Bruyn Kops, Burgemeester van Haarlem, welke ook is lid van het Bestuur van Rhijnland, zoodat twee leden van dat Bestuur in de commissie zitting hadden; dat die Heeren, even als ik voor Amsterdam daarin zitting hebbende, met ruggespraak met onze committenten hebben gehandeld, zoodat die Heeren den Heer opzigter van Rhijnland, Hanegraaff, in onze deliberatiën en ter visie der stukken hebben medegevoerd, zoowel als ik een’ deskundige uit de hoofdstad; dat al de bezwaren van Rhijnland tegen het ontwerp der droogmaking zijn overwogen en geweken, voor het namens dat Bestuur aan onze commissie ingeleverd en door dezelve in deszelfs geheel overgenomen plan met teekening en raming van kosten voorzien, (thans nog ter inzage op de griffie van deze Kamer liggende), van de geprojecteerde verbeterde uitwatering te Katwijk; en dat wijders het bij onze commissie ook door mij sterk aangedrongen voornemen om de droogmaking van het Spieringmeer aan te raden, is opgegeven, alleen toen wij de zekerheid meenden te hebben, dat bovengemelde medewerking van Rhijnland getuigde van de goede gezindheid ten deze van dat Bestuur, en hetzelve daardoor genoegzamen waterboezem erkende te hebben.”
»Na al dat aangevoerde, laat ik het beoordeelen, of Rhijnland al dan niet gehoord is, over aan de natie. Ik heb gezegd 91.”
In de Nederlandsche Staats-Courant van den 21 April 1838, No. 95, heeft de Heer Hooft dan ook de redevoering, welke hij had vermeend in de Kamer uit te spreken, doen drukken; ik neem uit dezelve hier over hetgeen tot het Haarlemmermeer betrekking heeft en aldus luidt:
»Heb ik iets gezegd over de ijzerbaan, althans zullen U Edel Mogenden dit van mij verwachten van het Haarlemmermeer, eene zaak, die ik daarentegen gaarne derzelver beslag zag verwerven, door deze hoogst gevaarlijke en al meer en meer toenemende vernielingskracht uitoefenende binnenlandsche zee te zien droog gemaakt en herschapen in eene welige vlakte, waartoe de wensch van allen, die de zaak kennen, zich zoo ernstig uitstrekt; en ook daaronder mag ik mij rangschikken, zoowel als grondeigenaar, alsook als belastingschuldige van Rhijnland, en vermeen dus mijne stem in die betrekking, met mijne mede-slagtoffers van de woelingen van dat Meer, zoowel voor de droogmaking te mogen verheffen, als andere bunderpligtigen aan Rhijnland, die tot dus verre gespaard zijn, er tegen willen spreken. Maar, Ed. Mog. Heeren! wat zal ik al veel bijvoegen bij hetgeen staat in het u bekend rapport der commissie van onderzoek deswege, waar ik de eer gehad heb van mijne teekening onder te stellen, en dat het noodzakelijke, het uitvoerlijke, en, in één woord, het aannemelijke daarvan vrij overtuigend moet bewijzen.”
»Ik beken, dat ik gaarne gezien had, dat deze onderneming zich ook had kunnen uitstrekken over het zoogenaamde Spieringmeer; maar toegevende in dezen aan de zwarigheden, die zich in de uitvoering opdeden bij een zeer gewigtig waterbestuur in die streken, welks medewerking veel waard was en waarvan de tegenwerking niet verkieslijk was, zoo heb ik dat stuk geteekend in de volle verzekering, dat het Bestuur van Rhijnland, waarvan twee leden het rapport mede geteekend hebben, en na gehoudene ruggespraak met hunne medebestuurders, aan die commissie hoogst belangrijke hulpmiddelen hebben gesuppediteerd en door deze zijn overgenomen;—ik beroep mij, om niets meer of anders te noemen, op het project met teekening en raming van de uitbreiding van het Katwijksche kanaal, ter griffie dezer Kamer in natura aanwezig en door Rhijnlands Bestuur opgemaakt, aan de commissie overgegeven: is dit hooren van dat Bestuur, of is het dit niet? (Ik vraag dit tot wederlegging van het ongegronde van den kreet, alsof dat Bestuur onkundig van de zaak was).—Zoo heb ik, zeg ik, dat stuk geteekend, al wordt de droogmaking niet zoo volledig als ik die wenschte: andere leden dier commissie met mij het wenschelijke van het droogmaken van het Spieringmeer opgegeven hebbende, alleen omdat wij op Rhijnlands medewerking staat maakten. Maar ik zie, dat ik uit ijver voor de zaak te verre ga, en mij inlaat in eene aanprijzing van dezelve, die minder het onderwerp onzer beoordeeling moet zijn: de vraag, of er gelden uit de schatkist voor moeten gegeven worden, is alleen van onze competentie, en ja antwoord ik daarop.”
»Het is geen werk voor nageburen of omliggende grondbezitters, deze zijn reeds óverbelast in al de Rijks lasten: dit is één- en andermaal bewezen, toen wij over de grondlasten beraadslaagden; deze zijn bovendien nog zóódanig gedrukt door molen-, polder- en andere ongelden, dat abandonneren van hunne bezittingen eerder het voornemen zoude zijn, dan nieuwe lasten te dragen; met grond dus mag men ’s Rijks hulp in dezen zoo goed vragen en verwachten, als wij jaarlijks andere provinciën, zoo als Zeeland en Overijssel, in verhouding tot de overige, overwigtige aandeelen zien trekken bij de begrooting in de waterwerken van het geheel; en let men er dan op, aan wie de eindelijke voordeelen van de opbrengsten der drooggemaakte gronden zullen baten, is het dan niet in de Rijks cassa, dat verre het meerendeel van al de directe en indirecte belastingen, die door de zich aldaar te vestigen bevolking zullen opgebragt worden, zullen vloeijen?”
»Eene zwarigheid nog moet ik opnemen, die noch bij de commissie bovengemeld, waar de bezwaren der stad Leijden door de welwillendheid van Z. M. zijn ingezonden geweest, noch in de aanmerkingen der afdeelingen is geopperd, maar nu voor het eerst in de beraadslaging is opgekomen tegen de droogmaking van het Haarlemmermeer, en deze is: dat dit Meer een eigendom dier stad zoude zijn, en die stad niet gehoord zoude zijn in dezen.”
»Het is waar, er was in die commissie geen lid van de Regering dier stad, hoezeer de Secretaris van dezelve als lid van Rhijnland daarin zitting had. Het punt van eigendom is niet geopperd, zeide ik; doch was dat opgegeven, wel nu, het antwoord zoude zijn geweest, als men dan dien eigendom bewees: Gij, eigenaar! zorg dan, dat uw eigendom niet schade aan derden. En hoe hoog dit nu opgevijzeld is, even sterk zoude die stad dit eigendoms-regt zoeken af te schuiven, wanneer al de gelden, die het Rijk, Rhijnlands bunderpligtigen en alle zij, die schade door de Meer-wateren geleden hebben of lijden, moeten dragen, betaald zijn, op die stad eens verhaald wierden. Ik geloof dus weinig aan dat bezwaar te mogen hechten, en juiche toe, dat wij eene grondwet hebben, die in art. 215 het toezigt over die werken aan den Koning opdraagt, om die eigenaren, die door veronachtzaming van het onderhoud van hunnen eigendom anderen schaden, op den regten weg te brengen. Wat het hooren betreft, kan ik hier nog bijvoegen, dat de commissie, alléén op de vraag dier stad, een’ duiker ter inlating van water van den IJssel heeft voorgedragen, en daartoe is besloten, al zijn de kosten niet in de raming opgenomen. En waarom niet? omdat die stad niet, even als Rhijnland voor de verbetering van het ja thans niet voldoende, maar nu verbeterd zullende worden Katwijks kanaal, eene begrooting en raming van kosten heeft opgegeven.”
»Er is in de afdeelingen ook gesproken van den wederstand, welken die droogmaking ondervindt bij twee adressen aan deze Kamer ingezonden. Wat betreft het eene van den Heer van Pallandt, dit is eigenlijk niet tegen de droogmaking zelve, maar tegen de wijze hoe, en behoort dus geheel bij de administrative en niet bij de wetgevende magt; deze Kamer kan toch wel niet beslissen, of er een stoomwerktuig te Sparendam al dan niet moet komen. Het andere van eenige grondeigenaars, waaronder een lid van Rhijnlands Bestuur, een Bestuur dat, hoe groot in magt en hoe groot in dezen ook opgevijzeld, inderdaad dan toch maar is een Polderbestuur in het groot, alleen in de middelen van uitvoering werkzaam door omslag en poldergelden door de grondbezitters opgebragt: ik zeg dit om te doen gevoelen, dat al die grondbezitters met ernst moeten wenschen, dat die al klimmende omslagen mogen verminderen, en dat vooruitzigt is er nu, dat er een breidel zal gelegd worden aan de verwoestingen van dien waterplas. Elk hunner te hooren was onmogelijk, hun aller vertegenwoordigers zijn gehoord, heb ik gezegd en herhaal ik; dus zal dat adres dan ook wel van geen overwigtig belang te beschouwen zijn.”
»Stond deze zaak nu eindelijk op zich zelve, met ernst en ijver zoude ik de wet voor aannemelijk verklaren; maar, helaas! al te veel bezwaren ontmoet ik om over te stappen, om er dit ééne deel van te verkrijgen. Want behalve het reeds vroeger door mij gezegde over andere bezwaren, zoo is er nog een hoofdargument tegen, en dat is wel het voornaamste; (want over die kleine wegen en andere werken zal ik nu kortheidshalve maar niet spreken:) ik bedoel het financiëel gedeelte zelf en niet zoo zeer de grootte der sommen, die benoodigd verklaard worden; want geene sommen zijn te groot, als de vruchten daarvan zoo blijkbaar zijn te verwachten, dat alle twijfel over dezelve wegvalt; maar over het bezigen hiertoe van gelden, die moeten voortspruiten uit fondsen, aan welke eene vaste bestemming is gegeven en niet dan onzeker terug zullen zijn gekomen, dán en wanneer die benoodigd zullen zijn. Dit onderwerp nu nader te ontwikkelen zoude ik met welgevallen doen; maar in de processen-verbaal der afdeelingen en door vorige sprekers is hetzelve reeds zóó uiteen gezet, dat ik mij daarvan als nu vermeen te mogen onthouden, te meer, daar ik U Edel Mogendens aandacht welligt reeds te lang heb bezig gehouden.”
»Ik moet tot mijn leedwezen derhalve Z. M. verzoeken, de wet in nadere overweging te nemen, enz.”
Eindelijk verdedigde Z. E. de Minister van Financiën Jr. Beelaerts van Blokland, die tevens Lid der Kamer is, de wet, en zeide met betrekking tot het Haarlemmermeer:
»Een ander gewigtig doel van het in beraadslaging zijnde wets-ontwerp is het droogmaken van de Haarlemmermeer. Deze groote waterplas, die reeds in vroeger jaren, ja, ik mag wel zeggen in vroeger eeuwen (want reeds ten tijde van Prins Maurits werd de noodzakelijkheid ingezien), zoo veel stof tot bezorgdheid heeft opgewekt, is hoe langer hoe dreigender geworden, en de stormen in 1836 en het begin van 1837 hebben het gevaar al meer en meer aanschouwelijk gemaakt. De Regering, aan haren pligt tot ’s Lands behoud getrouw, heeft dan deze gewigtige zaak tot een onderwerp van gezet en naauwkeurig onderzoek gemaakt, waarvan het ontwerp, aan U Ed. Mog. bekend, de uitkomst is; alle belangen zijn daarbij in het oog gehouden en zoo veel mogelijk vereenigd. Dit is het voordeel van een Bestuur op éénheid gegrond, dat tegenstrijdige, plaatselijke of bijzondere belangen, die in onze vorige staatsgesteltenis zoo dikwijls algemeen nuttige inrigtingen tegenhielden of dwarsboomden, aan het algemeen belang ondergeschikt kunnen worden, of liever, zonder schending van bijzondere regten zich in het algemeen belang en in het algemeen welzijn oplossen. Dezelfde redenen, die ten aanzien der ijzeren spoorwegen mij wederhielden in vele bijzonderheden te treden, wederhouden mij ook daarvan met betrekking tot dit groote werk, welks nut en noodzakelijkheid door kundige en bevoegde beoordeelaars algemeen is erkend: zoodra de commissie, met die taak belast, dezelve had afgewerkt, heeft de Regering niet gedraald in hare poging tot verwezenlijking eener zaak, die voor het geheele Rijk van het grootste belang is, omdat zij een groot gevaar zal afwenden, omtrent 17,000 bunderen lands aan het water zal ontwoekeren, en den algemeenen lands rijkdom zal vermeerderen. Maar is die noodzakelijkheid dan thans zoo dringend? Ik antwoord zonder aarzeling, ja: die noodzakelijkheid was reeds lang dringend, en wordt het dagelijks meer; vroeger konde de zaak niet worden bij de hand genomen, omdat het onderzoek moest voorafgaan; tot langer uitstel is geene reden, want dezelfde vraag, of het nu zoo dringend noodig is, kan even goed in een volgend, in een tweede, in een derde jaar, enz. gedaan worden, en zoude een uitstel tot een’ onbepaalden tijd kunnen worden gerekt, tot het welligt te laat zoude zijn, en de verwezenlijking moeijelijker en kostbaarder zoude worden: gelijk één laatste druppel waters eindelijk den emmer doet overloopen, die lang vermeerdering bij stralen heeft verdragen, zoo kan één noodlottig oogenblik, door niemand te berekenen, onherstelbare rampen veroorzaken. Om deze of gene beschouwingen van ondergeschikt belang, behoort het aanvangen der zaak niet te worden uitgesteld, die kunnen in den voortgang der uitvoering worden in aanmerking genomen, en naar bevind van zaken daaromtrent worden te werk gegaan; want men zal toch de Regering niet zoo gedachteloos vooronderstellen, van niet op alle belangen, die ten dezen in aanmerking kunnen en moeten komen, te hebben gelet of te zullen blijven letten. Dat handelen naar bevind van zaken, gedurende het werk, verdient daarom niet met den naam eener gevaarlijke proefneming te worden bestempeld, zoo als in een der requesten is geschied; want wel verre, dat men de zaak aan proefnemingen zoude willen blootstellen, heeft men bij eene mogelijke gebeurtenis het hulpmiddel nevens de kwaal aangewezen. Dat ondertusschen dit gewigtig werk betere uitkomsten, in korteren tijd en met mindere kosten, dan wel vroeger was berekend, belooft, zal niemand behoeven te verwonderen, die de kracht van den stoom in aanmerking neemt: eene beweegkracht, welke onze voorouders niet gekend hebben, maar almede van den voortgang in beoefenende wetenschappelijke kennis getuigt, en zoo veel toebrengt tot de vervulling van tallooze behoeften en genietingen des levens.”
»Maar heeft de Regering, met gemeen overleg der Staten-Generaal, wel het regt tot deze droogmaking? Deze bedenking, door een’ geacht spreker in het midden gebragt, is zeker van gewigt, en verdient dus eene bijzondere beantwoording: aan de stad Leijden zoude de eigendom der Haarlemmermeer toebehooren; zij had dien titulo oneroso verkregen, en kon derhalve, zonder hare toestemming, daarvan niet worden ontzet; zij was ondertusschen in hare belangen niet gehoord, evenmin als Haarlem en het Hoogheemraadschap van Rhijnland. Ik antwoord daarop: 1º. dat het niet juist is te zeggen, dat die steden en het Hoogheemraadschap niet zouden gehoord, of niet in de gelegenheid gesteld zijn geweest, derzelver belangen te doen gelden; het collegie van Rhijnland is geraadpleegd over het benoemen van twee leden uit deszelfs midden in de commissie om dit werk te onderzoeken en daaromtrent te advijzeren; de Heeren de Bruijn Kops en du Pui zijn daarop gedesigneerd en benoemd, omdat de eerste was Burgemeester van Haarlem, de tweede Secretaris van Leyden, en dus, zoo in die hoedanigheid, als in betrekking van Hoogheemraden, in staat waren, de belangen dier steden en van Rhijnland te doen gelden, gelijk die ook in aanmerking zijn genomen. 2º. Wat den eigendom van Leyden betreft, wilde ik wel eens weten, of die stad voor de Haarlemmermeer zich in de grondbelasting heeft aangegeven, gelijk zij verpligt zoude zijn indien zij eigenaresse was van dien waterplas, want water is zoowel in het kadaster begrepen als land; maar te regt is zij in de grondbelasting niet aangeslagen, omdat zij geen’ eigendom van de Meer heeft. 3º. Al wat uit de voorgelezene oude oorkonden blijkt, is, dat zij indertijd gekocht heeft het vroon, dat is de visscherij in een groot gedeelte van de Meer: wat kan daaruit op zijn hoogst volgen? Dat zij het regt op die visscherij behoudt, zoo lang de Meer water blijft. Zij is van dezelfde conditie als ieder ander visscher, arm of rijk; maar de droogmaking dáárom tegen te houden, daartoe bestaat geen regt; indien hier een eigendom bestaat, dan staat daartegen over het regt van onteigening ten algemeenen nutte, en de uitoefening van dat regt, volgens de nog bestaande wet van 1810, kan niet verhinderd worden, maar eene vraag van schadeloosstelling doen ontstaan volgens de grondwet en het gemeene regt. Dergelijke belangen zijn ook niet uit het oog verloren: opzettelijk is daarover in het algemeen het Departement van Justitie geraadpleegd, en de uitkomst van dat onderzoek is geweest, dat de zaak daarom niet behoefde opgehouden te worden, maar dat elke opkomende reclame zoude moeten worden onderzocht, elks regten, hetzij bij den gewonen regter, hetzij elders, overwogen, en daarop regt gedaan, zoo als bevonden zoude worden te behooren. 4º. Geen bijzonder belang kan het algemeen belang in den weg staan; zij zijn voorbij, die rampzalige tijden, toen eene enkele stad de nuttigste en in het algemeen belang noodzakelijkste werken konde verhinderen; zij zijn voorbij, en gelukkig voorbij, die tijden, toen de stad Leijden aan hare gedeputeerden ter staatsvergadering van Holland de instructie konde geven en met eede doen beloven, dat zij nooit in de droogmaking der Haarlemmermeer zouden toestemmen. Wij, Ed. Mog. Heeren! hebben een’ anderen eed afgelegd: wij zijn als leden der Staten-Generaal verbonden, het algemeen belang met al ons vermogen te bevorderen, zonder ons door provinciale, plaatselijke of bijzondere belangen daarvan te laten aftrekken.”